Mattheüs 5:33-37

Een eerlijk woord heeft geen eed nodig

27 min · Lezing 34 van 40 ·

Boekcategorie
Schrijver / bijdrager
Tijdperiode van de inhoud
Mijn VVV

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/mattheus/5-33-37.pdf?v=70c17e54b86d. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/mattheus/5-33-37.

Samenvatting

Jezus’ onderwijs over eden, eerlijkheid en trouw

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt Jezus’ woorden over het afleggen van eden en betoogt dat Hij eden niet als intrinsiek verkeerd verbiedt. Hij legt uit dat de schriftgeleerden en Farizeeën een stelsel van bindende en niet-bindende eden hadden ontwikkeld waarmee mensen hun beloften konden ontlopen. Volgens Gregg leert Jezus dat je woord ook zonder eed betrouwbaar moet zijn: je ja moet ja zijn en je nee nee. Hij benadrukt dat God trouw en integriteit verlangt en dat christenen de Naam van de Heere tevergeefs gebruiken wanneer zij zich christen noemen maar hun verplichtingen niet nakomen.

Jezus herstelt de bedoeling van de wet

Illustratie bij: Jezus herstelt op de berg de oorspronkelijke bedoeling van de wet.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Mattheüs 5, vers 34 tot en met vers 37. We nemen ook vers 33 mee als context.

We gaan verder met onze studie van de Bergrede, die te vinden is in Mattheüs 5 en de twee daaropvolgende hoofdstukken. Het gedeelte dat we bekijken, is Mattheüs 5:33 tot en met 37. Dit is een van de zes voorbeelden die Jezus geeft om duidelijk te maken hoe Hij de wet van het Oude Testament benadert.

Bedenk dat Jezus een Joodse leraar was. Hij was natuurlijk meer dan dat. Wij beschouwen Hem niet alleen als een Joodse leraar, hoewel velen in Zijn tijd dat wel deden. Maar iedereen erkende dat Hij een Joodse leraar was, een rabbi, en Zijn discipelen waren Joodse mannen die onder de wet van Mozes leefden. Jezus bracht enkele denkbeelden naar voren die hun radicaal en nieuw voorkwamen, hoewel er in werkelijkheid helemaal niets werkelijk radicaals of nieuws was aan wat Jezus zei. Misschien wel radicaal, als we dat woord in zijn oorspronkelijke betekenis opvatten: teruggaan naar de wortels. Jezus onderwees wat de gerechtigheid van de wet inhoudt en wat de wet vereist.

Alles wat Jezus hierover onderwees, is werkelijk te vinden in de wet van het Oude Testament. Wanneer Hij over de wet sprak, bracht Hij de oude, zuivere en oorspronkelijke betekenis ervan naar voren. In de tijd van Jezus was de wet van Mozes, zoals die veertienhonderd jaar eerder door Mozes gegeven was, sterk verduisterd door het traditionele onderwijs van de rabbi’s. Daarom week de manier waarop de Joden de wet in praktijk brachten in veel gevallen sterk af van wat oorspronkelijk met de wet bedoeld was.

Daarom moest Jezus de wet uitleggen, want de wet van het Oude Testament was Gods openbaring van Zijn wil voor Zijn volk. Gods wil verandert in wezen niet, zeker niet als het gaat om wat Hij als goed en kwaad beschouwt, en om wat Hij als rechtvaardig of onrechtvaardig beschouwt. Jezus spreekt erover hoe de wet moet worden begrepen als bewijs van Gods opvattingen over gerechtigheid. Jezus legt Gods gerechtigheid uit aan de hand van de wet van het Oude Testament, want de morele kwesties in de wet zijn nooit werkelijk veranderd. Moraliteit kan niet veranderen. Daarom wilde Jezus de oorspronkelijke bedoeling van de wet van Mozes naar voren brengen, en dat is wat Hij hier deed.

Hij voerde geen nieuwe of vreemde denkbeelden in. Ze kunnen de luisteraars alleen vreemd in de oren hebben geklonken omdat de waarheid en de ware betekenis van de wet zo lang genegeerd, verduisterd of verwaarloosd waren.

In dit gedeelte aan het einde van Mattheüs 5 geeft Hij zes voorbeelden. Bij elk voorbeeld zegt Hij:

Jullie hebben gehoord dat er gezegd is, en vervolgens haalt Hij iets uit de wet aan. Deze Joodse mannen hadden elke sabbat in hun synagogen de uitleg van de wet gehoord, en ze hadden veel van deze dingen gehoord. Maar ze hadden niet begrepen waar het in elk geval werkelijk om ging. Wanneer God zei:

Doe dit niet, of:

Doe dat, begrepen ze niet werkelijk wat Gods voornaamste zorg was.

Later in dezelfde rede, in Mattheüs 7:12, verwoordde Jezus het elders zo:

Mattheüs 7:12

Alles dan wat u wilt dat de mensen u doen, doet u hun ook zo, want dat is de Wet en de Profeten.

Paulus verwoordde dit op een andere plaats zo:

Galaten 5:14

Want de hele wet wordt in één woord vervuld, namelijk hierin: U zult uw naaste liefhebben als uzelf.

Wat Jezus zegt, is dat God, toen Hij Zijn volk in het Oude Testament de wetten gaf, van hen verlangde dat zij zouden leren wat het betekent hun naaste lief te hebben zoals zij zichzelf liefhebben. Daar draait het werkelijk allemaal om.

Op een andere plaats zei Jezus dat de gewichtigste zaken van de wet — en dit zei Hij in Mattheüs 23:23 — de belangrijkere kwesties in de wet, recht, barmhartigheid en trouw zijn. In de voorbeelden die Jezus in Mattheüs 5 gebruikt, geeft Hij twee voorbeelden van de manier waarop de wet blijk geeft van zorg voor recht. Hij geeft er twee over de manier waarop de wet blijk geeft van zorg voor trouw.

De spreker gebruikt hier ‘trouw’ als weergave van het Engelse ‘faithfulness’. De HSV heeft in Mattheüs 23:23 ‘het geloof’.

Hij geeft twee voorbeelden van de manier waarop de wet blijk geeft van zorg voor barmhartigheid. Dit zijn de drie dingen waarvan Jezus in Mattheüs 23:23 zei dat ze de gewichtigste zaken van de wet waren. Het gaat om recht, barmhartigheid en trouw.

Trouw en Jezus’ woorden over eden

Illustratie bij: Jezus onderwijst dat eden trouw en waarheid vereisen.

In de eerste twee voorbeelden die Jezus gaf, over moord en overspel, zette Hij naar mijn overtuiging uitvoeriger uiteen wat het betekent om rechtvaardig te zijn en de rechten van andere mensen niet te vertrappen. Nu spreekt Hij in dit gedeelte over twee andere kwesties. Een daarvan was echtscheiding, en daarover hebben we in de vorige lezing gesproken. Het gedeelte dat voor ons ligt, gaat het onderwerp van eden of het afleggen van geloften aan de orde stellen.

Echtscheiding en het nakomen van geloften hebben allebei te maken met één onderwerp, namelijk trouw. Echtscheiding houdt hiermee verband omdat iemand die van zijn vrouw scheidt, of een vrouw die van haar man scheidt, een gelofte breekt. Misschien zijn ze dit vergeten, maar toen ze trouwden, legden ze een gelofte af. Ze legden voor God en getuigen een gelofte af en zeiden dat ze hun leven lang bij elkaar zouden blijven, hoe moeilijk hun huwelijk ook zou worden. Dat is wat ze zeiden te zullen doen, en ze beloofden plechtig dat ze dit zouden doen.

Volgens de uitleg van de spreker is een man ontrouw wanneer hij van zijn vrouw scheidt om enige andere reden dan dat zij hem ontrouw is geweest. Hij betrekt ook haar bij ontrouw, enzovoort, enzovoort. Waar het hier om gaat, is dat je niet van je echtgenoot of echtgenote scheidt op enige andere grond dan dat hij of zij overspel heeft gepleegd. Want als je dat wel doet, verbreek je een gelofte, en door een gelofte te verbreken toon je een gebrek aan integriteit of trouw. Dit is iets waar God, om het zacht uit te drukken, een grote afkeer van heeft. Volgens de Schrift geldt zelfs:

Openbaring 21:8

Maar wat betreft de lafhartigen, ongelovigen, verfoeilijken, moordenaars, ontuchtplegers, tovenaars, afgodendienaars en alle leugenaars: hun deel is in de poel die van vuur en zwavel brandt. Dit is de tweede dood.

Dus als je een gelofte aflegt en die verbreekt, doe je niets minder dan liegen, of je maakt op zijn minst een leugen van een gelofte die je eerder hebt afgelegd. Als je een belofte verbreekt, maak je van die belofte een leugen, ook al heb je haar aanvankelijk misschien niet als leugen bedoeld. Als je haar eenmaal hebt afgelegd, ben je verplicht haar na te komen. Anders maak je jezelf tot een leugenaar.

We hebben het eerder over echtscheiding gehad. Nu is er nog een ander voorbeeld waarin Jezus ook over trouw spreekt. Ik geloof dat deze passage over het afleggen van geloften door christenen in hoge mate verkeerd begrepen is. Ik bedoel dit niet als een kwestie waarmee ik controverse wil oproepen. Ik weet alleen dat de meeste mensen, wanneer ze over deze passage hebben gesproken, te kennen hebben gegeven dat ze haar op een bepaalde manier begrijpen, en ik geloof dat die manier onjuist is. Laat me de passage voorlezen en uitleggen wat ik bedoel.

In Mattheüs 5, vanaf vers 33 tot en met vers 37, zei Jezus:

Mattheüs 5:33-37

33Verder hebt u gehoord dat tegen het voorgeslacht gezegd is: U zult de eed niet breken, maar u zult voor de Heere uw eden houden. 34Maar Ik zeg u: Zweer in het geheel niet, niet bij de hemel, want dat is de troon van God; 35niet bij de aarde, want dat is de voetbank van Zijn voeten; en ook niet bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning. 36Ook bij uw hoofd mag u niet zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken; 37maar laat uw woord ja ja zijn en uw nee nee; wat hierboven uitgaat, is uit de boze.

Waar doelt Jezus hier op? Ik kijk toevallig in een Bijbel waarin de redacteuren tussenkopjes of opschriften boven de alinea’s hebben gezet. Boven deze alinea hebben ze de volgende woorden gezet: ‘Jezus verbiedt eden.’ Het klinkt hier beslist alsof Jezus eden verbiedt. Ik geloof echter dat dit een verkeerd begrip is van wat Jezus bedoelt.

Jezus zei dat de Joden in de wet te horen hadden gekregen dat ze geen valse eed mochten zweren en dat ze elke eed die ze de Heere hadden gezworen, moesten nakomen. Nu gaat Jezus verder en zegt Hij:

Laat die eden gewoon helemaal achterwege. Laat je ja gewoon ja zijn en je nee nee.

Wanneer Jezus zegt dat je geen eden moet gebruiken, of wanneer Hij zegt:

Zweer helemaal niet, dan klinkt dat als een gebod. Als Jezus zei:

Zweer niet, dan lijkt het erop dat Jezus het zweren verbiedt. Dat is een redelijke manier om het te begrijpen, maar ik geloof niet dat daarmee Zijn werkelijke bedoeling wordt gevat.

Om te beginnen heeft Jezus nooit iets wat in het Oude Testament moreel juist was, vervolgens nu moreel verkeerd genoemd. Hij verduidelijkte vaak welke dingen in het Oude Testament moreel juist en verkeerd waren, wanneer dit voor de Joodse mannen niet zo duidelijk was als het had kunnen zijn. Neem bijvoorbeeld echtscheiding, het onderwerp dat hiervoor in de Bergrede wordt besproken. In Deuteronomium 24 had het Oude Testament gezegd dat een man van zijn vrouw mocht scheiden als hij iets onreins bij haar aantrof. Maar het legde nooit uit wat die onreinheid was die als grond voor echtscheiding kon gelden. Jezus maakt duidelijk dat de onreinheid bij een vrouw die het voor een man mogelijk maakt van haar te scheiden, ontucht of onkuisheid is. Jezus verandert dus niets. Hij legt de dingen alleen uit.

De functie van eden in Bijbelse tijden

Illustratie bij: Abraham hoort Gods bevestiging nadat hij Izak heeft gespaard.

In het Oude Testament is het heel duidelijk dat het zweren van eden niet verkeerd was. Mensen zwoeren een eed in de Naam van God of bij de naam van iets anders. Over het algemeen was het idee dat mensen een eed aflegden om te garanderen dat ze de waarheid spraken. We kennen tegenwoordig hetzelfde verschijnsel in rechtszalen, waar iemand zweert de waarheid, de hele waarheid en niets dan de waarheid te spreken. Dat is het afleggen van een eed. Zelfs de huwelijksgelofte is een moderne vorm van een eed.

Afgezien daarvan komt het afleggen van eden in onze moderne cultuur niet zo vaak voor als in Bijbelse tijden. Een eed had in Bijbelse tijden echter in wezen dezelfde bindende kracht als tegenwoordig het ondertekenen van een contract, of als vroeger het bekrachtigen van een afspraak met een handdruk. Als je elkaar daarop de hand gaf, betekende dit dat je gebonden was. Zodra we elkaar daarop de hand hebben gegeven of een contract hebben ondertekend, zijn we gebonden. Daarvóór konden we er nog onderuit, maar als we dat eenmaal hebben gedaan, zitten we eraan vast en moeten we onze belofte en ons woord houden.

Dat was de functie die eden in Bijbelse tijden vervulden. Als een man zei: ‘Ik betaal je donderdag als je mij deze koopwaar vandaag mee naar huis laat nemen,’ en iemand zei: ‘Ik weet niet of ik erop kan vertrouwen dat je dat doet,’ dan zei hij misschien: ‘Ik zweer bij God dat ik het zal doen. Ik zweer bij Jehovah dat ik het zal doen.’ Dat werd dan geacht te betekenen: ‘Goed, dan ben je gebonden. Je hebt jezelf zojuist met een eed gebonden.’

Mensen zwoeren altijd bij iets wat boven hen stond. Dat staat in het boek Hebreeën. In Hebreeën 6 staat dat mensen altijd zweren bij iets wat groter is dan zijzelf. Er wordt zelfs vermeld dat God eens zwoer. Maar Hij kon niet zweren bij iets wat groter was dan Hijzelf, dus zwoer Hij bij Zichzelf. Dit gaat over het moment waarop Abraham Izak op het altaar offerde en God zei:

Genesis 22:16-17

16Hij zei: Ik zweer bij Mijzelf, spreekt de HEERE: Omdat u dit gedaan hebt en Mij uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt, 17zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.

Let erop: God zwoer bij Zichzelf, en mensen zweren altijd bij iets wat groter is dan zijzelf. Maar er is niets wat groter is dan God waarbij Hij kan zweren, dus zwoer Hij bij Zichzelf.

De reden waarom mensen bij iets groters dan zichzelf zwoeren, was de volgende gedachte: als je mij niet vertrouwt, als je niet denkt dat mijn woord betrouwbaar is, als je twijfels hebt over mijn karakter, laat mij dan een beroep doen op het karakter van iets wat groter is dan ik. Laat mij zweren bij Jeruzalem. Laat mij zweren bij de hemel. Laat mij zweren bij de aarde. Of laat mij zelfs zweren bij Jehovah Zelf. Daarmee zei iemand in feite: „Als ik mijn woord breek, tast ik de naam aan van degene bij wie ik heb gezworen.” Dus als ik bij Jeruzalem zweer, dan bega ik als het ware godslastering tegen Jeruzalem als ik mijn eed breek. Als ik bij God zweer, bega ik godslastering tegen God als ik mijn eed breek. Dat was de functie van zweren. Men nam aan dat mensen een zekere mate van vreze voor God hadden en dat ze de Naam van God, of iets anders wat heilig was, niet in een eed zouden aanroepen tenzij ze werkelijk de waarheid spraken. Daar draaiden eden om.

Jezus zegt tegen Zijn discipelen:

Mattheüs 5:34-37

34Maar Ik zeg u: Zweer in het geheel niet, niet bij de hemel, want dat is de troon van God; 35niet bij de aarde, want dat is de voetbank van Zijn voeten; en ook niet bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote Koning. 36Ook bij uw hoofd mag u niet zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken; 37maar laat uw woord ja ja zijn en uw nee nee; wat hierboven uitgaat, is uit de boze.

Dat is de wezenlijke waarheid die Hij hun vertelt.

Maar ik moet enkele dingen verduidelijken, want Jezus zegt:

Zweer helemaal niet.

Jakobus benadrukt dit zelfs in Jakobus 5. Hij zegt:

Jakobus 5:12

Maar voor alle dingen, mijn broeders, zweer niet: niet bij de hemel, ook niet bij de aarde, en zweer ook geen enkele andere eed, maar laat uw ja ja zijn en uw nee nee, opdat u niet onder enig oordeel valt.

Hij citeert in feite wat Jezus hier zei. Verbood Jezus het gebruik van eden alsof het afleggen van een eed iets immoreels is, iets wat aanstootgevend is voor God? Ik denk niet dat dit de juiste manier is om het te begrijpen, hoewel sommige christenen het wel zo hebben opgevat. Er zijn christenen die voor de rechtbank geen eed willen afleggen, en er zijn veel christenen die vinden dat elke vorm van eed in strijd is met wat Jezus onderwees. Het is niet moeilijk te begrijpen waarom ze dat zouden denken. Deze verzen wekken inderdaad die indruk.

Eden zijn niet op zichzelf verkeerd

Illustratie bij: Jozua waarschuwt Israël niet bij vreemde goden te zweren.

Maar je kunt dit ook op een andere manier begrijpen. Er is op zichzelf niets immoreels aan het afleggen van een eed, zelfs niet aan zweren bij God. Sterker nog, de Bijbel leert dat zweren bij God gepast is. Ik zeg niet dat wij bij God zouden moeten zweren. Ik zeg dat de Joden het gebod kregen om bij God te zweren, in plaats van bij andere goden, bij valse goden.

In Exodus 23:13 zei God in de wet:

Exodus 23:13

Bij alles wat Ik tegen u gezegd heb, moet u op uw hoede zijn. U mag niet aan de naam van andere goden denken, die mag niet uit uw mond gehoord worden!

Daarmee bedoelt Hij volgens de spreker: gebruik de namen van andere goden niet in eden. De Engelse Bijbeltekst waarop deze uitleg berust, spreekt over het ‘noemen’ van de namen van andere goden. De HSV formuleert dit als ‘aan de naam van andere goden denken’. De spreker betoogt dat het niet om een absoluut verbod op het noemen van die namen kan gaan, omdat de profeten anders zelf dit verbod vaak zouden hebben overtreden wanneer zij Baäl, Molech enzovoort noemden. Wat Hij bedoelt, is dat je hun namen niet in eden moet noemen. Dat wordt duidelijk wanneer je dezelfde uitdrukking aantreft in Jozua 23:7, waar Jozua zei:

Jozua 23:7

en zodat u zich niet inlaat met deze volken, deze hier die bij u overgebleven zijn. U mag niet aan de naam van hun goden denken en er niet bij laten zweren. U mag ze niet dienen en u er niet voor neerbuigen.

Volgens de spreker heeft het noemen van de naam van hun goden hier te maken met het zweren bij de namen van hun goden. De HSV formuleert de twee bepalingen als ‘niet aan de naam van hun goden denken’ en ‘er niet bij laten zweren’. Zij moesten bij de Naam van God, Jehovah, zweren, niet bij de namen van valse goden. In Jesaja 65:16 wordt zelfs gesproken over een toestand die in het tijdperk van het nieuwe verbond zou moeten heersen. Dat is de context waarin Jesaja hierover spreekt. Hij zegt:

Jesaja 65:16

zodat wie zich zegenen zal op aarde, zich zal zegenen in de God van de waarheid, en wie zweren zal op aarde, zal zweren bij de God van de waarheid, omdat de benauwdheden van vroeger vergeten zullen zijn, omdat zij verborgen zullen zijn voor Mijn ogen.

Met andere woorden, zodra God Zijn behoud heeft gebracht, wat Hij nu in Christus heeft gedaan, zegt Hij dat zij die zweren, of zij die zichzelf zegenen, dat zullen doen in de Naam van de God van de waarheid. Deze woorden betekenen dat je zweert bij de Naam van de ware God en niet bij de naam van valse goden.

In het hele Oude Testament was zweren bij de Naam van God nooit verboden. Sterker nog, het werd vaak goedgekeurd. Hij zei in Leviticus 19:12:

Leviticus 19:12

U mag geen valse eed afleggen in Mijn Naam, en zo de Naam van uw God ontheiligen. Ik ben de HEERE.

Let erop: je ontheiligde de Naam van God wanneer je valselijk bij Zijn Naam zwoer. Dat betekent dat als je zei: „Ik zweer bij Jehovah,” en je vervolgens je eed niet hield, je natuurlijk Zijn Naam ontheiligde. Dat mocht je niet doen. Het punt was niet dat je nooit bij de Naam van Jehovah mocht zweren. Het punt was dat als je dat deed, je je eed moest houden.

In Deuteronomium 23, vers 21 tot en met 23, staat bijvoorbeeld:

Deuteronomium 23:21-23

21Wanneer u de HEERE, uw God, een gelofte gedaan hebt, mag u niet aarzelen die na te komen, want de HEERE, uw God, zal dat zeker van u eisen, en dan zou er zonde in u zijn. 22Maar als u ervan afziet een gelofte te doen, is er geen zonde in u. 23Wat er over uw lippen komt, moet u houden en doen, net als wanneer u de HEERE, uw God, een vrijwillige gave beloofd hebt, iets wat u met uw eigen mond gesproken hebt.

Dit gaat natuurlijk over een gelofte die aan God wordt gedaan. Maar een gelofte of een eed is hetzelfde, of die nu aan God of aan een mens wordt gedaan. Het punt is dat je, als je een gelofte aflegt, je gelofte moet nakomen. Er is niets immoreels aan het afleggen van een gelofte in de Naam van God of bij iets anders. Nergens in het Oude Testament werd dat als immoreel of verkeerd beschouwd, en in het Nieuwe Testament evenmin.

Jezus werd onder ede gesteld toen Hij in Mattheüs 26 terechtstond. Toen Jezus tijdens het proces bleef zwijgen, zei de hogepriester tegen Hem:

Mattheüs 26:63

Ik bezweer U bij de levende God, dat U ons zegt of U de Christus bent, de Zoon van God.

Jezus antwoordde:

Mattheüs 26:64

U hebt het gezegd.

Hij liet toe dat Hij onder ede werd gesteld.

Paulus legde zelf van tijd tot tijd eden af om mensen die misschien aan hem twijfelden ervan te verzekeren dat hij de waarheid sprak. In Galaten 1 zei hij bijvoorbeeld:

Dit soort taal komt bij Paulus meer dan eens voor. In Galaten 1:20 zei hij:

Galaten 1:20

Wat ik u schrijf, zie, ik getuig voor God dat ik niet lieg.

Dat komt min of meer neer op de uitspraak: „Ik zweer bij de rechtschapenheid van God Zelf.”

Dit zijn eden. Dit zijn precies de dingen waarvan sommige christenen denken dat we ze niet mogen doen, omdat Jezus zei:

Zweer helemaal niet.

Farizese eden en de oproep tot eerlijkheid

Illustratie bij: Jezus ontmaskert misleidende eden en roept op tot eenvoudig eerlijk spreken.

Maar laat me uitleggen waar het Jezus hier volgens mij om ging. In de tijd van Jezus hadden de Farizeeën het systeem van eden afleggen veranderd in nog een manier om mensen te bedriegen. In de Joodse tradities van de rabbijnen hadden ze een heel systeem van eden bedacht, waarvan sommige bindend waren en andere niet.

We weten dit omdat Jezus naar dit gegeven verwijst wanneer Hij hen in Mattheüs 23, vers 16 tot en met 22 aanspreekt. Hij zegt:

Mattheüs 23:16-22

16Wee u, blinde leiders, die zegt: Heeft iemand gezworen bij de tempel, dan betekent dat niets; maar heeft iemand gezworen bij het goud van de tempel, dan is hij aan die eed gebonden. 17Dwazen en blinden! Want wat is meer, het goud of de tempel, die het goud heiligt? 18En: heeft iemand gezworen bij het altaar, dan betekent dat niets; maar heeft iemand gezworen bij de gave die daarop ligt, dan is hij aan die eed gebonden. 19Dwazen en blinden! Want wat is meer, de gave of het altaar, dat de gave heiligt? 20Wie daarom zweert bij het altaar, die zweert daarbij en bij alles wat daarop ligt; 21en wie zweert bij de tempel, die zweert daarbij en bij Hem Die daarin woont; 22en wie zweert bij de hemel, die zweert bij de troon van God en bij Hem Die daarop zit.

Je kunt zien dat Jezus hier een gebruik van de schriftgeleerden en Farizeeën aan de orde stelt. Zij zeiden: „Als je bij de tempel zweert, is dat niet bindend. Maar als je bij het goud van de tempel zweert, is het wel bindend. Als je bij het altaar zweert, is dat niet bindend. Als je bij de gave op het altaar zweert, is het wel bindend.”

Wat ze deden, was zoeken naar mazen in de wet. Stel dat iemand zei: „Luister, ik betaal je donderdag voor de koopwaar die ik vandaag meeneem,” en de ander zei: „Ik vertrouw je niet.” Dan kon je zeggen: „Ik zweer bij de tempel dat ik donderdag terugkom en je betaal.” Als je donderdag niet kwam opdagen om hem te betalen, en hij bij je aan de deur kwam en zei: „Je hebt bij de tempel gezworen dat je me donderdag zou betalen. Nu is het donderdag en heb je me niet betaald,” dan kon je zeggen: „Ah, maar ik heb niet bij het goud van de tempel gezworen. Als je het opzoekt, zul je zien dat zweren bij de tempel geen bindende eed is.”

Dat was wat ze ervan hadden gemaakt. Dit hele systeem van eden afleggen was zo verdorven geraakt door de religieuze huichelaars en door oneerlijke mensen, dat het afleggen van een eed, wat oorspronkelijk bedoeld was om mensen eerlijk te houden, nog een manier was geworden om oneerlijk te zijn. Daarom zei Jezus:

Mattheüs 5:34

Maar Ik zeg u: Zweer in het geheel niet, niet bij de hemel, want dat is de troon van God;

Hij zei niet dat er op zichzelf iets verkeerds aan is om in de Naam van God een eed af te leggen en die na te komen. Wat Hij zei, is dat deze hele kwestie van eden afleggen niet eens nodig zou moeten zijn. Je ja moet ja zijn, met of zonder eed. Je nee moet nee betekenen, met of zonder eed. Je moet altijd eerlijk zijn. Het gaat God om trouw, niet om de vraag of je de juiste eed aflegt. Wat God betreft, kun je eden zelfs helemaal achterwege laten en gewoon eerlijk zijn — even eerlijk wanneer je geen eed aflegt als wanneer je er wel een had afgelegd.

Dat is volgens mij in wezen waar Jezus op doelt. Ik denk niet dat Hij zegt dat christenen in een rechtbank niet onder ede gesteld mogen worden. Ik denk niet dat Hij zegt dat het verkeerd is om een huwelijksgelofte af te leggen. Dat is een eed. Ik geloof niet dat Hij werkelijk zegt dat eden op zich iets slechts zijn. Het punt is alleen dat het, vanwege wat eden in de Joodse samenleving van die tijd waren geworden, beter was om ze helemaal te vermijden en gewoon eerlijk te zijn.

Wees gewoon altijd eerlijk. Wees iemand met integriteit. Wees iemand met karakter. Wees iemand wiens woord bindend is.

Helaas zijn er in onze tijd veel mensen die hopen dat ze vertrouwd worden omdat er een vis op hun chequeboekje of een vis op de sticker op hun autobumper staat. Omdat ze in feite de Naam van God, de Naam van Jezus of de naam ‘christen’ dragen, verwachten ze dat mensen hen geloven. Maar vervolgens komen ze hun verplichtingen vaak niet na, net alsof ze geen christenen zijn. Helaas hebben veel mensen die zakendoen met mensen die belijden christen te zijn, gemerkt dat dit inderdaad zo is.

Dit is de Naam van de Heere tevergeefs op je nemen. Dit is jezelf christen noemen. Je zweert niet per se bij Christus, maar je maakt wel bekend dat je een eerlijk mens en een volgeling van Christus bent. Als je niet eerlijk bent, is dat een grote smaad en een zonde tegen God. God verlangt trouw, en daar gaat dit hele onderwijs over eden over, voor zover ik kan nagaan.

We zullen verdergaan met onze studie van de Bergrede en een volgend punt behandelen.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Matthew 5:34 - 5:37. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.

Hoe wil je deze lezing volgen?

Je kunt deze keuze altijd wijzigen in de speler.

We onthouden je voorkeur op dit apparaat.

De lezing wordt geladen…

Beeld en tekst laden…