Mattheüs 13:10-17
Discipelen horen wat de menigte niet hoort
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/mattheus/13-10-17.pdf?v=7d199020d064. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/mattheus/13-10-17.
Samenvatting
Waarom Jezus de geheimenissen van het Koninkrijk aan Zijn discipelen onthult, maar voor de menigten verhult.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt waarom Jezus in gelijkenissen sprak en die alleen voor Zijn discipelen uitlegde. Hij stelt dat het Koninkrijk van God geen politiek en materieel rijk is, zoals veel Joden verwachtten, maar een geestelijke werkelijkheid die Jezus aan Zijn trouwe volgelingen bekendmaakte. Wie door zijn keuze voor discipelschap al geestelijk inzicht toont, krijgt volgens hem meer inzicht, terwijl wie Jezus slechts uit nieuwsgierigheid aanhoort zelfs het weinige inzicht verliest dat hij denkt te hebben. Gregg verbindt Jezus’ woorden met Jesaja’s profetie over mensen die door het weerstaan van Gods licht geestelijk blind, doof en ongevoelig zijn geworden, en zet daar het voorrecht van de discipelen tegenover om te zien en te horen waar eerdere gelovigen naar hadden uitgezien.
Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Mattheüs 13, vers 10 tot en met vers 17.
De vorige keer keken we naar Mattheüs 13. We lazen de eerste van verscheidene gelijkenissen die Jezus in dit hoofdstuk vertelde. Ze hebben allemaal te maken met het Koninkrijk van God, of het Koninkrijk der hemelen, en vertellen ons daar iets waardevols over. Zoals ik de vorige keer zei, waren de gelijkenissen levensechte verhalen: gewone, alledaagse, algemene soorten verhalen over dingen die in het dagelijks leven gebeuren — boeren die zaad zaaien, vrouwen die brood bakken, een mosterdzaadje dat uitgroeit tot een grote boom, vissers die na de vangst van een dag hun vissen uitzoeken, enzovoort. Dit was niet het soort verhaal waar mensen omwille van het verhaal zelf naar zouden luisteren, want er gebeurt niets buitengewoons in. Er zit geen plot in. Maar in de mond van Jezus werden deze verhalen gebruikt om belangrijke lessen over het Koninkrijk der hemelen duidelijk te maken. De meerderheid van Zijn luisteraars begreep die beelden niet, en Hij wilde dat de meerderheid van Zijn luisteraars ze niet begreep, zoals we zullen zien in de verzen die we nu gaan lezen.
Nadat Jezus het verhaal had verteld dat wij de gelijkenis van de zaaier noemen — sommige mensen noemen het de gelijkenis van de grondsoorten — kwamen de discipelen naar Jezus toe. Dit is het verhaal over een man die met handenvol zaad over zijn akker strooide. Het zaad viel op verschillende soorten grond en bracht, afhankelijk van de vraag of het op goede of slechte grond viel, wel of geen goede oogst voort. Het stelt eigenlijk niet veel voor als verhaal, totdat je begint te begrijpen wat het betekent. Voor de gemiddelde luisteraar was het alleen maar een tafereel uit het dagelijks leven in een agrarische samenleving waarmee iedereen al vertrouwd was. Heel alledaags.
Dit staat in Mattheüs 13:10:
En de discipelen kwamen naar Hem toe en zeiden tegen Hem: Waarom spreekt U tot hen door gelijkenissen?
Daarna legt Hij verder uit wat deze gelijkenis van de zaaier werkelijk betekende, maar daar gaan we nog niet op in. Hij maakte al deze opmerkingen tussendoor, en die moeten we onderzoeken, want hier geeft Hij Zijn reden om gelijkenissen te gebruiken. Toen ik opgroeide en naar de zondagsschool ging, werd mij verteld dat Jezus gelijkenissen gebruikte om geestelijke waarheden te verduidelijken. Maar afgaande op wat Jezus zei, klinkt het alsof Hij ze gebruikte om geestelijke waarheden te verhullen. Zoals ik de vorige keer zei, denk ik dat beide op hun eigen manier waar zijn. Met de uitleg wordt de gelijkenis verhelderend. Zonder de uitleg brengt ze niets duidelijk over. Het is alleen maar een verhaal over landbouw.
De discipelen kregen de uitleg wel. Jezus legde Zijn discipelen alles afzonderlijk uit wanneer ze alleen waren, maar aan de menigten deed Hij dat niet. Hij sprak alleen in gelijkenissen tot hen en liet hen zonder uitleg achter, waardoor ze natuurlijk volkomen zonder inzicht bleven. De discipelen merkten dit op. Nog voordat Hij hun iets had uitgelegd, zaten ze zich achter de oren te krabben en zeiden ze: ‘Wat heeft dit in vredesnaam te betekenen? Waarom praat U op deze manier, Jezus? Waarom spreekt U in gelijkenissen tot deze mensen?’
Jezus zei: ‘Daar is een reden voor. Het maakt deel uit van Mijn plan.’ Hij zei:
Hij antwoordde en zei tegen hen: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar aan hen is het niet gegeven.
Het verborgen, geestelijke Koninkrijk #
Hier zien we een onderscheid tussen degenen die Jezus ‘jullie’ noemt en degenen die Hij ‘hen’ noemt. Aan jullie is het gegeven om te weten; aan hen is het niet gegeven om te weten. Wie zijn ‘jullie’? De eerste groep bestaat uit de discipelen zelf, degenen die zeiden: ‘Heere, waarom spreekt U in gelijkenissen?’ Hij zegt: ‘Omdat aan jullie, de discipelen, het voorrecht is gegeven om dingen te weten die zij, die geen discipelen zijn, niet het voorrecht hebben gekregen om te weten.’ In het bijzonder is hun het voorrecht gegeven om de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, de geheimenissen van het Koninkrijk van God.
Het Koninkrijk van God is iets geheimzinnigs, en het is belangrijk dat we dit begrijpen. Want het Joodse volk — en de meeste mensen in Zijn menigten waren Joods — had al een voorstelling van het Koninkrijk van God. Op grond van het Oude Testament en hun slechts gedeeltelijke begrip daarvan meenden de Joden dat het Koninkrijk van God een politiek koninkrijk zou worden, ingeluid door een militaristische Messias. Hij zou komen zoals David duizend jaar eerder was gekomen. Hij zou alle omringende heidenen onderwerpen, hen schatplichtig maken, Jeruzalem en de Joden verheffen tot het middelpunt van alles wat op aarde van betekenis was, de ware aanbidding van God herstellen en de heidenen dwingen de God van de Joden te aanbidden. Dat was wat veel van de oudtestamentische profeten hadden gezegd, of althans, zo begrepen de Joden het.
Er staan profetieën in het Oude Testament die al die dingen die ik zojuist noemde lijken te suggereren. Maar de Joden in de tijd van Jezus, en ook daarvoor, waren geneigd deze dingen zo letterlijk op te vatten dat ze de Messias niet eens herkenden toen Hij kwam. Want Hij kwam niet als een militaristische Messias om een politiek koninkrijk op te richten. De dingen waarvan zij dachten dat de Messias ze zou doen, deed Hij niet in natuurlijke, dat wil zeggen materiële, zin. Maar Hij deed al die dingen wel in geestelijke zin. Het Koninkrijk van God zou dus een geestelijk koninkrijk zijn in plaats van een politiek, materieel koninkrijk. Daarmee verraste Jezus iedereen.
De Joden hoopten echt dat de Messias zou komen om de Romeinen te verdrijven en te doen wat David had gedaan: de eer en waardigheid herstellen van het Joodse volk, dat vele honderden jaren door de heidenen was onderdrukt, en hen verheffen tot een positie van aanzien en waardigheid. Maar Jezus kwam niet om dat te doen. En doordat Hij dat niet deed, beschaamde Hij hun verwachtingen over wat het Koninkrijk inhield. Toch wilde Hij wel dat Zijn discipelen wisten, en niet teleurgesteld zouden zijn, dat Hij inderdaad was gekomen en het Koninkrijk van God had gevestigd. Maar het was een andere werkelijkheid dan men had verwacht. Het was iets geheimzinnigs. Voor de rabbijnen was het een geheimenis. Zij begrepen het niet.
Het Koninkrijk van God was een geestelijke werkelijkheid. Eén rabbi die het later wel begreep, was Saulus van Tarsus, die wij kennen als de apostel Paulus. Toen hij ons zijn begrip van het Koninkrijk van God gaf, zei hij in Romeinen 14, vers 17:
Want het Koninkrijk van God bestaat niet uit eten en drinken, maar uit gerechtigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest.
Wat hij daarmee bedoelt, is dat het niet allemaal draait om de wetten die aan de Joden gegeven waren over wat ze wel en niet mochten eten. Maar hij zei:
Het Koninkrijk van God draait om rechtvaardigheid, vrede en vreugde in de Heilige Geest.
Gerechtigheid en vrede en blijdschap in de Heilige Geest zijn geen politieke zaak. Dat is een persoonlijke, geestelijke werkelijkheid. Ik getuig ervan dat ik het Koninkrijk van God bezit. In Christus heb ik gerechtigheid, vrede en blijdschap in de Heilige Geest. Het is iets geestelijks. Het heeft het politieke landschap van de wereld niet ingrijpend veranderd, maar dat was ook niet het Koninkrijk van God dat Jezus kwam verkondigen. Het was een geheimenis, omdat de Joden dachten dat ze begrepen wat het Koninkrijk was. Maar Jezus kwam om een ander soort koninkrijk te brengen. Het geheimenis, of het geheim, van het Koninkrijk zou aan de discipelen van Jezus worden onthuld, maar niet aan anderen.
Denk eraan dat Jezus in Johannes 3 tegen Nicodemus zei:
Jezus antwoordde en zei tegen hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand niet opnieuw geboren wordt, kan hij het Koninkrijk van God niet zien.
En Jezus legde later uit dat opnieuw geboren worden betekent: geboren worden uit de Geest.
Je moet een geestelijke geboorte hebben. Ook dat was een verrassing voor Nicodemus, want net als ieder ander verwachtte hij dat het Koninkrijk van God politiek en zichtbaar zou zijn.
Maar bij een andere gelegenheid zei Jezus tegen de Farizeeën, in Lukas 17, vers 20 — zij zeiden:
En toen Hem door de Farizeeën gevraagd werd, wanneer het Koninkrijk van God zou komen, antwoordde Hij hun en zei: Het Koninkrijk van God komt niet op waarneembare wijze.
Hij zei:
Het koninkrijk zal niet op die manier komen. Je kunt de komst van het Koninkrijk van God niet waarnemen. Mensen zullen niet kunnen zeggen: Kijk, hier is het, of: Kijk, daar is het.
Hij zei:
Het Koninkrijk van God is al in jullie midden. Het is er al. [Vertalersnoot: de HSV vertaalt Lukas 17:21 met „binnen in u”; de uitleg hier volgt de Engelse weergave „in your midst”.]
Het is een geestelijke werkelijkheid die zij niet hadden gezien. Dat is het geheimenis van het Koninkrijk dat niemand kende, behalve Jezus en degenen aan wie Hij het wilde openbaren.
Koninkrijksgeheimen voor trouwe discipelen #
Omdat dit geestelijke koninkrijk zijn intrede deed, zou het in conflict komen met het andere geestelijke koninkrijk dat er al was en dat evenmin door iemand werd opgemerkt: het koninkrijk van de duisternis, met de duivel als leider. Zelfs de duivel verschijnt in deze gelijkenis van de zaaier, in de gedaante van vogels die komen en het zaad wegnemen. We zullen later uitgebreider spreken over de betekenis daarvan. Maar het punt is dat er een conflict tussen koninkrijken bestaat. Er is het koninkrijk van de duisternis, dat heerschappij voert over de zielen van allen die zich tegen God verzetten. En er is het Koninkrijk van God, de geestelijke werkelijkheid van degenen die volgelingen van Jezus Christus zijn. Er is dus een conflict tussen koninkrijken.
Iemand die met een alternatieve, ondermijnende beweging het grondgebied van een koninkrijk binnendringt, wil niet al zijn plannen aan de vijand bekendmaken. In oorlogstijd moeten strategieën streng geheim worden gehouden. We willen niet dat de vijand weet wat we hierna gaan doen, of zelfs per se weet wat ons doel is. Je wilt het alleen vertellen aan degenen die echt loyaal zijn, zodat de boodschap niet uitlekt en de vijand niet ontdekt wat je aan het doen bent.
Jezus maakte duidelijk dat de discipelen de mannen aan Zijn kant waren. Dit waren de mensen die vastbesloten waren Hem door dik en dun trouw te blijven. Hij wilde dat zij de strategie kenden. Hij wilde hun de geheimen vertellen van het Koninkrijk dat Hij aan het vestigen was. Maar de mensen daarbuiten op de heuvelhellingen, de mensen aan de oever van het meer tot wie Hij sprak en die zich niet aan Hem hadden toegewijd, aan hen wilde Hij niet alles prijsgeven. Hij wilde niet dat zij alles wisten. Hij wilde Zijn kaarten niet op tafel leggen, want voor zover Hij wist, konden zij de vijand zijn, of op zijn minst aan de kant van de vijand staan, en daarmee waren ze de vijand. Dus zei Jezus: ‘Ik geef hun Mijn geheimen niet. Ik geef ze aan jullie, die Mijn discipelen zijn, maar hun vertel Ik Mijn geheimen niet.’
Misschien herinner je je dat Jezus eerder, in Mattheüs hoofdstuk 7, zei:
Geef het heilige niet aan de honden, en werp uw parels niet voor de zwijnen, opdat die ze niet op enig moment met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren.
Hij zei allereerst dat zwijnen parels niet op waarde kunnen schatten. Ze zullen niet inzien hoe waardevol ze zijn. Ze zullen zelfs denken dat je dingen naar hen gooit, zodat ze zich tegen je keren, de parels vertrappen en op je afkomen. Daarom zei Hij:
Geef het heilige niet aan de honden, en werp uw parels niet voor de zwijnen, opdat die ze niet op enig moment met hun poten vertrappen, zich omkeren en u verscheuren.
Dat is min of meer wat Jezus hier voordoet. De parels, de geheimen van Zijn Koninkrijk, deze waardevolle dingen, konden niet op waarde worden geschat door mensen die God niet liefhadden en zich er niet toe hadden verbonden Jezus te volgen. Daarom wilde Hij Zijn geheimen niet aan hen toevertrouwen. Maar aan Zijn discipelen legde Hij alles afzonderlijk uit.
Dat is dus wat Hij tegen hen zegt wanneer ze vragen: ‘Waarom doet U dit? Waarom vertelt U deze mensen deze dingen in gelijkenissen?’ Jezus zei:
Hij antwoordde en zei tegen hen: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar aan hen is het niet gegeven.
Daarna gaat Hij verder. Hij zegt:
10En de discipelen kwamen naar Hem toe en zeiden tegen Hem: Waarom spreekt U tot hen door gelijkenissen? 11Hij antwoordde en zei tegen hen: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar aan hen is het niet gegeven. 12Want wie heeft, aan hem zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, van hem zal afgenomen worden zelfs wat hij heeft. 13Daarom spreek Ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij niet zien, ook al zien zij, en niet horen, ook al horen zij, en ook niet begrijpen. 14En in hen wordt de profetie van Jesaja vervuld die zegt: Met het gehoor zult u horen, maar beslist niet begrijpen; en ziende zult u zien, maar beslist niet opmerken. 15Want het hart van dit volk is vet geworden, en zij hebben met de oren slecht gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan, opdat zij niet op enig moment met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart begrijpen, en zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen. 16Maar uw ogen zijn zalig omdat zij zien, en uw oren omdat zij horen. 17Want voorwaar, Ik zeg u dat veel profeten en rechtvaardigen verlangd hebben te zien wat u ziet, en zij hebben het niet gezien; en te horen wat u hoort, en zij hebben het niet gehoord.
Wie inzicht heeft, krijgt meer inzicht #
Dat is een vreemde uitspraak. Wat betekent die? Als iemand heeft, zal hem meer gegeven worden. Maar als hij niet heeft, zal alles wat hij dan toch heeft van hem worden afgenomen. Het is een van die raadselachtige, geheimzinnige uitspraken van Jezus. Maar in deze context lijkt het dit te betekenen: Hij spreekt over het begrijpen van Zijn onderwijs. Wanneer Hij zegt dat er meer gegeven zal worden, lijkt Hij meer inzicht te bedoelen. Wie enig inzicht heeft, zal dus meer inzicht krijgen. Maar wie geen enkel inzicht heeft, zal niet meer inzicht krijgen. Sterker nog, het weinige dat zo iemand denkt te begrijpen, zal van hem worden afgenomen. Hij zal er helemaal niets van begrijpen.
Waar heeft Hij het nu over? Hij heeft het over geestelijk inzicht. De discipelen waren degenen die hebben en aan wie meer gegeven zou worden. De menigten daarbuiten, tot wie Hij in gelijkenissen sprak zonder iets uit te leggen, waren degenen die niet hebben. Zelfs het weinige dat ze leken te hebben, zou van hen worden afgenomen.
Wat Hij kennelijk zei, is dat degenen die zich ertoe hadden verbonden Zijn discipelen te worden, daarmee enig geestelijk inzicht hadden getoond. Degenen die zich daar niet toe verbonden, maar alleen uit nieuwsgierigheid kwamen kijken, waren gewoon nieuwsgierig. Jezus was tenslotte een fenomeen en een beroemdheid, dus kwamen er menigten om te horen wat Hij te zeggen had. Ze waren niet bereid alles achter te laten en Hem te volgen. Ze waren niet bereid hun kruis op zich te nemen en Hem tot in de dood te volgen. Dat is waartoe discipelschap mensen oproept. Zulke mensen waren er niet veel. De meerderheid wilde Hem alleen maar horen. Ze wilden niet doen wat Hij zei.
Ze hadden niet veel inzicht. Alleen al het feit dat dit hun houding was, bewijst dat ze niet veel geestelijk inzicht hadden. Want als je werkelijk begrijpt waar het uiteindelijk om gaat, weet je dat het doen van de wil van God belangrijker is dan al het andere in de hele wereld. Je weet dat het veel belangrijker is om God aan je kant te hebben dan wie dan ook aan je kant. Je weet dat het veel begeerlijker is een eeuwige erfenis te hebben dan geen eeuwige erfenis te hebben en hier een erfenis na te jagen.
Degenen die zulke verkeerde opvattingen hebben, volgen Jezus uiteraard niet. Maar dat doen ze niet, omdat ze geen inzicht hebben in de aard van de werkelijkheid. Ze hebben een verward beeld van de werkelijkheid. Ze denken dat genot, luxe, rijkdom, roem en bevrediging in dit leven de meest begeerlijke dingen zijn. Zulke mensen zullen nooit volgelingen van Jezus worden zolang ze die houding hebben.
Maar degenen die Jezus volgden, waren mensen die hun werk, hun populariteit, hun familie enzovoort achterlieten om dicht bij Jezus te zijn en meer over het Koninkrijk van God te weten te komen, omdat ze God op waarde schatten. Ze achtten Zijn Koninkrijk waardevol en wilden er zeker van zijn dat ze er deel van zouden uitmaken. Ze lieten zien dat ze al geestelijk inzicht bezaten, doordat ze Jezus hadden opgezocht om hun leider te zijn. Daarom zei Jezus dat zij degenen waren die hebben. Aan hen zou meer gegeven worden en uiteindelijk zouden ze overvloed hebben.
Maar degenen die al niet genoeg inzicht hebben om zich ertoe te verbinden Zijn volgelingen te worden, zullen niets meer van Hem ontvangen. Ze zullen worden buitengesloten en in de kou en het donker blijven staan.
Jezus zei in vers 13:
Daarom spreek ik tegen hen in gelijkenissen, want ze kijken wel, maar zien niets, en ze luisteren wel, maar horen niets en begrijpen het ook niet.
Aan het einde van Zijn eerste gelijkenis, in vers 9, had Jezus gezegd:
Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren.
Jezus bedoelde kennelijk Zijn discipelen. Zijn discipelen zouden als het ware geestelijke oren hebben om geestelijke dingen te horen en te ontvangen. Maar over die mensen in de menigten die geen volgelingen van Hem waren, zei Hij dat ze horen maar niet horen, zien maar niet zien, en niet begrijpen wat ze zien of horen. Hij zegt:
Jesaja over geestelijke blindheid #
9Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk: Luister voortdurend, maar u zult het niet begrijpen. Zie voortdurend, maar u zult het niet opmerken. 10Maak het hart van dit volk vet, en stop hun oren toe, en sluit hun ogen; anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen, en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
Nu komt deze profetie uit Jesaja, die Hij aanhaalt, uit Jesaja hoofdstuk 6, de verzen 9 en 10. Deze profetie uit Jesaja wordt in feite heel vaak aangehaald in het Nieuwe Testament. Jezus haalt haar in een andere situatie aan in Johannes 12, vers 40. Ook de apostel Paulus haalt deze profetie aan in Handelingen hoofdstuk 28, vers 26, en ze wordt ook nog eens aangehaald in Romeinen. Het is dus werkelijk een belangrijke profetie.
Waar gaat ze over? Het is in feite een profetie over de geestelijke toestand van Israël in de dagen van Jesaja. Toen Jezus zei: „In hen”, waarmee Hij de Joden van Zijn generatie bedoelde, „wordt deze profetie van Jesaja vervuld”, bedoelde Hij dat Zijn generatie in precies dezelfde geestelijke toestand verkeerde als de generatie tot wie Jesaja profeteerde. Ook zij begrepen het niet. Dit is wat Jesaja over zijn generatie zei. Door Jesaja aan te halen zegt Jezus dat hetzelfde van toepassing is op het Joodse volk van Zijn generatie:
Jullie zullen luisteren, maar het niet begrijpen, en jullie zullen kijken, maar het niet zien. Want het hart van dit volk is afgestompt, ze horen slecht en ze hebben hun ogen gesloten, zodat ze niet met hun ogen zien en met hun oren horen, zodat ze niet met hun hart begrijpen en zich omkeren, waarna ik hen zou genezen.
Ik denk dat hierin enige ironie zit. God heeft deze mensen licht gebracht, maar zij sluiten hun ogen ervoor. Waarom? Ze willen geen berouw hebben. Ze willen zich niet bekeren en genezen worden. Daar zit de ironie. Wat Jezus zegt, is dat ze zich werkelijk niet willen bekeren. Hij zegt: goed, dan betekent dat dat ze ook niet genezen willen worden, want dat is wat er zou gebeuren. Hun land zou genezen kunnen worden als ze zich tot God zouden keren en zich zouden bekeren.
Deze mensen zijn echter blind en doof, geestelijk gesproken. Ze kunnen de woorden van Jezus horen en de wonderen zien die Hij doet. Het gebeurt vlak voor hun ogen en is overduidelijk, en toch dringt wat ze zien en horen niet werkelijk tot hen door. Het geeft hun geen begrip of besef van wat er gaande is en motiveert hen op geen enkele wijze.
Een van de beangstigende dingen die in vers 15 over deze mensen worden gezegd, is:
Want het hart van dit volk is vet geworden, en zij hebben met de oren slecht gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan, opdat zij niet op enig moment met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart begrijpen, en zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen.
Wat Hij hiermee bedoelt, is dat hun harten ongevoelig zijn geworden. Het is alsof er eelt op is gekomen. Dat betekent dat ze niet altijd zo waren. De meeste mensen hebben vroeg in hun leven een zekere mate van geestelijke ontvankelijkheid. Maar wanneer God mensen begint te benaderen en tot hen begint te spreken, bieden velen daar weerstand tegen. Dat gebeurt vooral wanneer Hij Zijn vinger legt op dingen in hun leven die moeten veranderen en Zijn aanspraken op hun leven laat gelden. Het druist beslist tegen hun natuur in om zich tot God te keren en Hem te volgen. Maar wanneer wij Gods aansporingen weerstaan, vormt zich eelt en worden we ongevoelig. Het is niet zo dat Hij ons niet meer aanspoort. Het is alleen zo dat we het niet meer kunnen voelen. Omdat we het niet kunnen voelen, keren we ons nooit om.
En zo worden mensen, stap voor stap, door het licht te weerstaan en Gods toenaderingen te weerstaan, steeds hardhorender. Ze worden blinder. Ze worden ongevoeliger in hun hart. Dat is een zeer gevaarlijke toestand om in te verkeren.
In tegenstelling tot degenen die blind en doof zijn, zei Jezus tegen Zijn discipelen:
Maar gelukkig zijn jullie ogen, want die zien wel, en jullie oren, want die horen wel.
Dat wil zeggen: toen ze Jezus hoorden en zagen, beseften ze wie Hij was en werden ze volgelingen van Hem, zoals ieder mens zou doen die de aard van de dingen goed begreep.
Hij zei:
Want Ik verzeker jullie dat veel profeten en rechtvaardige mensen graag hadden willen zien wat jullie zien, maar het niet hebben gezien, en hadden willen horen wat jullie horen, maar het niet hebben gehoord.
Wat Hij natuurlijk bedoelt, is dat er in het Oude Testament vele generaties godvrezende mensen waren: profeten, godvrezende koningen zoals David, en gewoon enkele nederige, vrome Joodse mensen die de Heere liefhadden. Zij zagen uit naar de komst van de Messias. Ze zagen uit naar de komst van het Koninkrijk van God, maar ze leefden niet lang genoeg om het te zien. Het gebeurde niet in hun tijd.
Jezus zei:
De mensen aan wie Ik hier gelijkenissen vertel, zien of beseffen niet wat ze voor zich zien. Ze horen of begrijpen niet wat ik zeg. Maar jullie wel, en wat zijn jullie gelukkig, want wat jullie zien en horen, is precies datgene waar gelovige mensen door de eeuwen heen naar hebben uitgekeken, maar wat ze tijdens hun leven niet te zien hebben gekregen.
Zij hadden niet de gelegenheid het te zien, omdat het in hun leven geen werkelijkheid werd. Maar het gebeurt voor jullie ogen.
Sommige mensen zouden zeggen dat wij allemaal, die sinds de tijd van Christus hebben geleefd, de gelegenheid hebben gehad dingen te zien die eerdere generaties niet hadden kunnen zien. Ik zou zeggen dat dat waar is. We zijn buitengewoon bevoorrecht als we ogen hebben om te zien en oren om te horen.
Sommigen die dit horen, hebben die waarschijnlijk niet. Je hoort waarschijnlijk het Woord van God, en het glijdt gewoon langs je heen. Maar als de Heilige Geest in je hart werkt, dan ga je, wanneer je de woorden van Jezus hoort, rechtop zitten en zeg je: ‘Hierin zit iets wat God mij wil leren.’ Ik hoop dat we allemaal iets zullen leren terwijl we samen het Evangelie van Mattheüs doornemen. We gaan verder met Mattheüs hoofdstuk 13 en de gelijkenissen van Jezus.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Matthew 13:10 - 13:17. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/mattheus/13-10-17
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/mattheus/13-10-17.pdf?v=7d199020d064
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Mattheüs - Lezing 102 - 13.10-17.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/mattheus/13-10-17.mp3?v=f5f2f6ee5e90
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Mattheüs - Lezing 102 - 13.10-17.mp3
Mattheüs
Alle lezingen over Mattheüs. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Inleiding deel 1 Waarom het leven van Jezus bestuderen?
- 2 Inleiding deel 2 De evangeliën als betrouwbare geschiedenis
- 3 Inleiding deel 3 Mattheüs, apostel en schrijver voor Joden
- 4 1:1-17 Jezus' stamboom via Abraham en David
- 5 1:18-25 Jozef, Maria en de maagdelijke geboorte
- 6 2:1-3 Wijzen uit het oosten, Herodes schrikt
- 7 2:4-15 Wijzen aanbidden Jezus; vlucht naar Egypte
- 8 2:16-23 Kindermoord en Jezus’ terugkeer uit Egypte
- 9 3:1-6 Johannes roept Israël tot bekering
- 10 3:7-3:12 Johannes waarschuwt Israël voor oordeel
- 11 3:13-17 Waarom liet Jezus Zich dopen?
- 12 4:1-11 Jezus weerstaat drie verzoekingen
- 13 4:1-17 Jezus weerstaat de duivel in de woestijn
- 14 4:18-25 Jezus roept vier vissers om Hem te volgen
- 15 5:1-2 De Bergrede en haar zaligsprekingen
- 16 5:3 Arm van geest: afhankelijk van Gods genade
- 17 5:4 Wie om zijn zonden treurt, wordt getroost
- 18 5:5 Zachtmoedigheid is kracht onder controle
- 19 5:6 Hongeren en dorsten naar gerechtigheid
- 20 5:7 Barmhartigen helpen en vergeven
- 21 5:8 De reinen van hart zullen God zien
- 22 5:9 Vredestichters herstellen relaties
- 23 5:10-12 Vervolgd om Jezus, beloond in de hemel
- 24 5:11-13 De gemeente als zout tegen moreel verval
- 25 5:14-16 De gemeente toont Gods wil door goede werken
- 26 5:17-20 Jezus schaft de wet niet af maar vervult die
- 27 5:17-20 Jezus vervult de morele en rituele wet
- 28 5:17-20 Jezus over recht, barmhartigheid en trouw
- 29 5:21-26 Het moordverbod gaat ook over boosheid
- 30 5:27-30 Overspel en begeerte doen de partner tekort
- 31 5:21-30 Alles wegdoen wat tot zonde leidt
- 32 5:21-30 Wat tot zonde leidt, moet weg
- 33 5:31-32 Echtscheiding, hertrouwen en overspel
- 34 5:33-37 Een eerlijk woord heeft geen eed nodig
- 35 5:38-42 Geen vergelding, maar de andere wang
- 36 5:43-48 Vijanden liefhebben zoals de Vader doet
- 37 6:1-4 Geven voor God, niet voor de mensen
- 38 6:1-4 Geven aan armen zonder de aandacht te zoeken
- 39 6:5-8 Bidden tot God, zonder vertoon of omhaal
- 40 6:9-13 Het Onze Vader als voorbeeldgebed
- 41 6:9-13 Onze Vader in de hemel aanspreken
- 42 6:9-13 Gods Koninkrijk en Zijn wil op aarde
- 43 6:9-10 God vragen om ons dagelijks brood
- 44 6:11-12 Brood voor vandaag en vergeven schulden
- 45 6:13-15 God leidt ons door verzoeking heen
- 46 6:16-18 Vasten voor God, niet om gezien te worden
- 47 6:19-21 Wat je bezit, behoort aan de Heere
- 48 6:19-21 Geld aan armen geven, schat in de hemel
- 49 6:21-24 Een goed oog geeft gul aan de armen
- 50 6:25-34 God zorgt voor vogels, bloemen en mensen
- 51 7:1-5 Oordelen zonder met twee maten te meten
- 52 7:6 Geen parels voor wie ze vertrapt
- 53 7:7-12 Bidden en de goede gaven van de Vader
- 54 7:13-14 De nauwe poort vraagt om levend geloof
- 55 7:15-20 Valse profeten herkenbaar aan hun boodschap
- 56 7:21-23 Niet wie ‘Heere’ zegt, maar Gods wil doet
- 57 7:24-29 Jezus’ woorden doen is bouwen op de rots
- 58 8:1-4 Jezus raakt de melaatse aan en reinigt hem
- 59 8:5-13 De hoofdman vertrouwt op Jezus’ gezag
- 60 8:14-17 Jezus geneest zieken en drijft demonen uit
- 61 8:18-22 Geen thuis of uitstel om Jezus te volgen
- 62 8:23-27 Jezus stilt de storm op het meer
- 63 8:28-34 Jezus bevrijdt twee bezeten mannen
- 64 9:1-8 Jezus vergeeft en geneest een verlamde
- 65 9:9-13 Jezus roept Mattheüs en eet met zondaars
- 66 9:14-15 Niet vasten zolang de Bruidegom er is
- 67 9:16-17 Nieuwe wijn vraagt om soepele wijnzakken
- 68 9:18-26 Een vrouw genezen, een meisje opgewekt
- 69 9:27-34 Twee blinden zien en een man spreekt
- 70 9:35-38 Jezus onderwijst, predikt en geneest
- 71 10:1-4 De twaalf apostelen en hun achtergronden
- 72 10:5-10 De twaalf op weg zonder geld of reiszak
- 73 10:11-15 Een huis zegenen of het stof afschudden
- 74 10:16-20 Schapen tussen wolven, wijs en weerloos
- 75 10:16-22 Voor de rechter geeft de Geest de woorden
- 76 10:21-25 Vervolgd door familie, trouw aan Jezus
- 77 10:26-31 De discipelen vrezen God, niet mensen
- 78 10:32-33 Christus belijden met woorden en daden
- 79 10:34-39 Jezus volgen verdeelt zelfs families
- 80 10:40-42 Wie apostelen ontvangt, ontvangt Christus
- 81 11:1-6 Johannes vraagt of Jezus de Messias is
- 82 11:7-10 Johannes: geen riet, maar een profeet
- 83 11:11 De minste is groter dan Johannes de Doper
- 84 11:12-15 Het Koninkrijk wordt met kracht gegrepen
- 85 11:12-15 Johannes vervult de profetie over Elia
- 86 11:16-19 Johannes te streng, Jezus te vrij
- 87 11:20-24 Steden zien wonderen maar bekeren zich niet
- 88 11:25-27 God maakt Zijn waarheid bekend aan nederigen
- 89 11:28-30 Jezus geeft rust onder Zijn zachte juk
- 90 12:1-8 De discipelen plukken aren op de sabbat
- 91 12:9-14 Jezus geneest een man op de sabbat
- 92 12:15-21 Jezus geneest en zoekt geen publiciteit
- 93 12:22-30 Een demon maakt een man blind en sprakeloos
- 94 12:22-28 Jezus drijft demonen uit door Gods Geest
- 95 12:29-30 Jezus bindt satan en plundert zijn huis
- 96 12:31-32 Lastering tegen de Geest en verharding
- 97 12:33-37 De mond spreekt waar het hart vol van is
- 98 12:38-42 Het teken van Jona en Jezus’ graf
- 99 12:43-45 De teruggekeerde geest en Jezus’ generatie
- 100 12:46-50 Wie Gods wil doet, hoort bij Jezus' familie
- 101 13:1-9 De zaaier en vier soorten grond
- 102 13:10-17 Discipelen horen wat de menigte niet hoort
- 103 13:18-23 Het Woord valt op vier soorten grond
- 104 13:24-13:30, 13:36-13:43 Tarwe en onkruid gescheiden bij de oogst
- 105 13:31-33 Mosterdzaad groeit, zuurdeeg werkt door
- 106 13:44-46 Het Koninkrijk als schat en kostbare parel
- 107 13:47-52 Het sleepnet vangt goede en slechte vissen
- 108 13:53-58 Nazareth gelooft niet in Jezus
- 109 14:1-12 Johannes onthoofd om Herodes' huwelijk
- 110 14:13-21 Jezus voedt de menigte met brood en vis
- 111 14:22-33 Jezus en Petrus lopen over het water
- 112 14:34-36 Zieken raken Jezus’ kleed aan en genezen
- 113 15:1-9 Jezus stelt Gods geboden boven tradities
- 114 15:10-20 Niet voedsel, maar het hart verontreinigt
- 115 15:21-28 Een Kanaänitische vrouw blijft volhouden
- 116 15:29-16:4 De tekenen wezen op Jezus’ eerste komst
- 117 16:1-12 Het zuurdeeg van de Farizeeën
- 118 16:13-17 Petrus belijdt Jezus als de Christus
- 119 16:13-20 Petrus en de apostelen als fundament
- 120 16:21-26 Jezelf verloochenen en je kruis opnemen
- 121 16:27-28 Jezus’ komst in Zijn Koninkrijk
- 122 17:1-8 Jezus straalt; Mozes en Elia verdwijnen
- 123 17:9-13 Johannes de Doper was de beloofde Elia
- 124 17:14-21 Discipelen falen, Jezus bevrijdt de jongen
- 125 17:22-27 Jezus’ dood, opstanding en tempelbelasting
- 126 17:24-27 Jezus betaalt vrijwillig tempelbelasting
- 127 18:1-5 Nederig worden als een klein kind
- 128 18:1-5 Wie een kind ontvangt, ontvangt Jezus
- 129 18:6-10 Kinderen laten struikelen en zonde wegdoen
- 130 18:11-14 De herder zoekt het afgedwaalde schaap
- 131 18:15-17 Een zondigende broeder terugwinnen
- 132 18:18 Apostelen handhaven de normen van God
- 133 18:19-20 Samen bidden en Christus in hun midden
- 134 18:21-35 De vergeven dienaar weigert te vergeven
- 135 19:1-9 Jezus over huwelijk en echtscheiding
- 136 19:10-12 Trouwen draait niet om persoonlijk geluk
- 137 19:13-15 Jezus laat de kinderen bij Hem komen
- 138 19:16-22 De rijke jongeman volgt Jezus niet
- 139 19:23-26 De rijke man laat zijn bezit niet los
- 140 19:27-30 Alles verlaten en honderdvoudig ontvangen
- 141 20:1-16 Alle arbeiders krijgen hetzelfde dagloon
- 142 20:17-23 Jakobus en Johannes vragen om ereplaatsen
- 143 20:24-28 Gemeenteleiders dienen, niet heersen
- 144 20:29-34 De blinden bij Jericho in de evangeliën
- 145 21:1-9 De nederige Messias rijdt Jeruzalem binnen
- 146 21:10-21:14 Jezus verdrijft handelaars uit de tempel
- 147 21:15-19 Kinderen prijzen Jezus, vijgenboom verdort
- 148 21:20-22 De vijgenboom en de val van Jeruzalem
- 149 21:23-27 Priesters vragen naar Jezus' gezag
- 150 21:28-46 Twee zonen en pachters die de zoon doden
- 151 22:1-14 Israël weigert, anderen komen op het feest
- 152 22:15-22 De munt voor de keizer, de mens voor God
- 153 22:23-33 Jezus weerlegt bezwaar tegen de opstanding
- 154 22:34-22:40 God en de naaste liefhebben
- 155 22:41-46 De Messias: Davids Zoon en Davids Heere
- 156 23:1-4 Farizeeën leggen zware lasten op
- 157 23:5 Farizeeën willen door mensen gezien worden
- 158 23:6-10 Farizeeën willen ereplaatsen en titels
- 159 23:11-14 Farizeeën weren mensen uit het Koninkrijk
- 160 23:15-22 Verdorven bekeerlingen en misleidende eden
- 161 23:23-23:24 Tienden geven, maar recht verwaarlozen
- 162 23:25-28 Witgepleisterde graven vol onreinheid
- 163 23:29-33 Farizeeën vullen de maat van hun vaderen
- 164 23:34-39 Jezus kondigt Jeruzalems verwoesting aan
- 165 24:1-3 Vragen over de verwoesting van de tempel
- 166 24:4-13 Tekenen vóór de verwoesting van Jeruzalem
- 167 24:14-15 Het evangelie vóór Jeruzalems verwoesting
- 168 24:15-22 Jeruzalems verwoesting in het jaar 70
- 169 24:15, 24:21-24:22, 24:34-Begrippen toegelicht Jezus voorspelt Jeruzalems verwoesting
- 170 24:23-28 Valse christussen bij Jeruzalems oordeel
- 171 24:29-31 Zon, maan en sterren bij Jeruzalems val
- 172 24:29-31 Jeruzalems val, uitverkorenen verzameld
- 173 24:32-34 De vijgenboom: Jeruzalems verwoesting
- 174 24:35-44 Christus komt onverwacht terug
- 175 24:45-51 De heer komt onverwacht bij zijn dienaren
- 176 25:1-13 Tien meisjes wachten op de bruidegom
- 177 25:14-30 Dienaren gebruiken de talenten van hun heer
- 178 25:31-46 Jezus oordeelt ieder naar zijn werken
- 179 26:1-13 Leiders beramen Jezus’ dood, Maria zalft
- 180 26:14-16 Judas verraadt Jezus voor dertig zilver
- 181 26:17-25 Jezus voorspelt verraad tijdens het Pascha
- 182 26:26-30 Het Avondmaal als verbondsmaaltijd
- 183 26:31-46 Jezus bidt terwijl Zijn discipelen slapen
- 184 26:47-56 Judas kust Jezus, Petrus trekt zijn zwaard
- 185 26:57-75 Jezus veroordeeld, Petrus verloochent Hem
- 186 27:1-8 Judas’ dood en de Bloedakker
- 187 27:9-27:10 Mattheüs noemt Jeremia bij de zilverstukken
- 188 27:11-14 Jezus voor Pilatus over Zijn Koninkrijk
- 189 27:15-26 Pilatus zwicht en levert Jezus uit
- 190 27:27-44 Jezus bespot en gekruisigd op Golgotha
- 191 27:45-46 Duisternis en Jezus’ roep van verlatenheid
- 192 27:46-53 Jezus sterft, het voorhangsel scheurt
- 193 27:54-66 Jezus’ begrafenis en het bewaakte graf
- 194 28:1-10 Het lege graf en de opgestane Jezus
- 195 28:11-15 Wachters omgekocht om te liegen
- 196 28:16-18 Jezus verschijnt en heeft alle gezag
- 197 28:18-20 Alle volken tot discipelen maken
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/mattheus/13-10-17.srt?v=3a194a5b33d1
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Mattheüs - Lezing 102 - 13.10-17.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/mattheus/13-10-17.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.