Genesis 9:1-7

Vlees mag gegeten worden, bloed niet

1 uur 14 min · Lezing 19 van 40 ·

Lees de tekst

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/genesis/9-1-7.pdf?v=64bbeb42e55c. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/genesis/9-1-7.

Samenvatting

Gods geboden over voortplanting, voedsel, bloed en de bescherming van het menselijk leven

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt Gods nieuwe begin met Noach en zijn zonen, die de opdracht krijgen vruchtbaar te zijn, zich te vermenigvuldigen en de aarde te vullen. Hij behandelt de toestemming om dieren te eten en betoogt aan de hand van Jezus, Handelingen en Paulus dat het eten van bloed voor christenen geen morele kwestie is, al moeten zij rekening houden met de gevoeligheden van anderen. Vervolgens legt hij uit dat God het menselijk leven beschermt omdat de mens naar Zijn beeld is gemaakt en daarom de doodstraf voor moord instelt. Gregg maakt daarbij onderscheid tussen christenen, die zichzelf niet behoren te wreken, en de overheid, die volgens hem door God is aangesteld om misdadigers rechtvaardig te straffen.

Gods beloften na de zondvloed

Illustratie bij: Noachs altaar en Gods beloften na de zondvloed.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Genesis 9, vers 1 tot en met vers 7.

Laten we naar Genesis hoofdstuk 9 gaan. Daar lezen we hoe het verderging met Noach en zijn gezin na de zondvloed, nadat ze uit de ark waren gekomen. In hoofdstuk 6, 7 en 8, maar vooral in 7 en 8, kregen we het verhaal van de zondvloed zelf. En toen Noach en zijn gezin na de zondvloed uit de ark kwamen, nam God aan het einde van hoofdstuk 8 enkele besluiten, zouden we kunnen zeggen. Daar zagen we in vers 20 van hoofdstuk 8 dat Noach een altaar bouwde. Dit was Noachs eerste daad op de nieuwe, gereinigde planeet, waar de hele vroegere zondige samenleving en al het andere van weggevaagd waren. Het was een nieuw begin. De eerste daad was het land aan God toe te wijden en daarom een altaar te bouwen en God te aanbidden.

En toen God daarop reageerde, staat er dat de geur van het offer aangenaam voor Hem was:

En de HEERE rook die aangename geur, en de HEERE zei in Zijn hart: Ik zal de aardbodem voortaan niet meer vervloeken vanwege de mens; de gedachtespinsels van het hart van de mens zijn immers slecht, van zijn jeugd af; en Ik zal voortaan niet al het levende meer doden, zoals Ik gedaan heb.

Genesis 8:21

En Hij zei:

Ik zal de aarde nooit meer vervloeken om de mens, ook al is wat de mens in zijn hart bedenkt vanaf zijn jeugd slecht.

Hij zegt:

Ook zal Ik nooit meer alles wat leeft vernietigen, zoals Ik heb gedaan.

Hier besluit God dus dat er nooit meer een zondvloed zal komen. Hij zal dit herhalen in een verbond dat Hij in hoofdstuk 9 met Noach zal sluiten, maar hier wordt voor het eerst gezegd dat Hij dat besluit neemt. En Hij zegt dat de kringloop van de seizoenen niet opnieuw onderbroken zal worden zolang de aarde bestaat. In vers 22 van hoofdstuk 8 staat:

Voortaan, al de dagen van de aarde, zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.

Genesis 8:22

Dat wil dus zeggen dat er regelmaat en voorspelbaarheid zal zijn. Niemand hoeft zich af te vragen of er, als mensen in dit seizoen gewassen zaaien, misschien een, je weet wel, algemene zondvloed zal komen die alles verandert. Ze kunnen enigszins voorspellen wat er met het weer zal gebeuren. Of eigenlijk niet zozeer met het weer, maar gewoon met de wisseling van de seizoenen, die tot het einde van de wereld zal doorgaan.

En de zondvloed is in zekere zin een type en een voorafschaduwing van het einde van de wereld. Bedenk dat Jezus zei:

Zoals de dagen van Noach waren, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn.

Mattheüs 24:37

Hoewel het enige punt dat Jezus daar maakte was dat mensen, je weet wel, erdoor overvallen zouden worden, zijn de zondvloed waarover Hij sprak en de komst van de Zoon des mensen ook allebei universele oordelen. God heeft de wereld eenmaal geoordeeld en Hij zal haar opnieuw oordelen.

De zondvloed als waarschuwing voor oordeel

Illustratie bij: De zondvloed als waarschuwing voor toekomstig oordeel.

En in 2 Petrus hoofdstuk 3 geeft Petrus aan dat er een tijd zou komen waarin mensen eraan zouden twijfelen of Jezus werkelijk zal terugkomen en de wereld zal oordelen. Petrus herinnert ons eraan dat God door de zondvloed op één manier heeft laten zien dat het Hem ernst was. In 2 Petrus 3 staat in vers 3:

3Dit moet u allereerst weten, dat er in het laatste der dagen spotters zullen komen, die naar hun eigen begeerten zullen wandelen 4en zeggen: Waar is de belofte van Zijn komst? Want vanaf de dag dat de vaderen ontslapen zijn, blijven alle dingen zoals vanaf het begin van de schepping.

2 Petrus 3:3-4

Met andere woorden, de vaderen, onze voorouders, dachten dat Jezus zou komen, maar Hij kwam niet. Waar is Hij? Waar blijft de vervulling van de belofte die Hij heeft gedaan? En de strekking is: het lijkt erop dat het misschien toch niet gaat gebeuren, of wel? Onze voorouders verwachtten Hem, maar ze zijn dood. Ze zijn ontslapen. Alles gaat door zoals daarvoor. Het lijkt erop dat er geen einde aan de wereld zal komen.

En in vers 5 zegt Petrus:

5Want willens en wetens is het hun onbekend dat door het Woord van God de hemelen er reeds lang geweest zijn, evenals de aarde, die uit water oprijst en in water vaststaat. 6Daardoor is de wereld die er toen was, vergaan, overspoeld door het water.

2 Petrus 3:5-6

Hij zegt dus dat zij denken dat de wereld nooit zal eindigen. Ze denken dat God de mensheid nooit zal oordelen. En dan moeten ze wel iets vergeten zijn. Hij heeft het al eens eerder gedaan en heeft daarmee laten zien dat Hij bereid is Zijn dreigementen kracht bij te zetten.

En toch heeft Hij ook vóór de zondvloed lange tijd gewacht. Hij voorspelde de zondvloed bij de geboorte van Methusalem en door middel van diens naam:

Wanneer hij sterft, zal het komen, of: zijn dood zal het teweegbrengen.

En vervolgens verlengde God die periode door Methusalem de langst levende mens te maken die ons bekend is. Daarmee liet Hij zien dat God niet graag oordeelde. Maar ondanks Zijn tegenzin kwam Hij er uiteindelijk toch toe.

En als de komst van Christus op zich laat wachten, kan dat dus ook komen doordat God niet graag oordeelt. Petrus zegt zelfs dat dit inderdaad zo is, want in vers 9 zegt hij:

De Heere vertraagt de belofte niet (zoals sommigen dat als traagheid beschouwen), maar Hij heeft geduld met ons en wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen.

2 Petrus 3:9

Dat wil zeggen dat Hij niet nalatig is. Hij heeft een belofte gedaan. Hij stelt het niet langer uit dan werkelijk verantwoord is. Hij heeft hier een reden voor.

Er is dus uitstel van de wederkomst en van het oordeel over de wereld, net zoals de zondvloed werd uitgesteld. Waarom? Omdat Hij meer mensen de gelegenheid wil geven zich te bekeren. Maar in 2 Petrus 3:7 zegt hij:

Maar de hemelen die er nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd en worden voor het vuur bewaard tot de dag van het oordeel en van het verderf van de goddeloze mensen.

2 Petrus 3:7

Er zal dus geen nieuwe zondvloed komen, maar er zal wel een nieuw oordeel komen.

Het zal geen watervloed zijn, maar een oordeel door vuur. Daarom zegt Petrus in vers 10:

Maar de dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht. Dan zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen brandend vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen verbranden.

2 Petrus 3:10

Ark, doop en voorafbeelding van Christus

Illustratie bij: De ark als voorafbeelding van redding door water.

Er zal dus een einde aan de wereld komen. Er zal een algemeen kosmisch oordeel komen, en het zal alle mensen treffen, net zoals de zondvloed dat deed. Maar net als bij de zondvloed wist God dat er een overblijfsel was. Hij wist dat er mensen waren die trouw waren. Niet erg veel, maar in die tijd waren er enkelen. En Hij bouwde een ark, of liet die bouwen: een veilige plaats, een kist waarin het overblijfsel bewaard kon blijven.

Die ark is door christenen vaak gezien als een type van Christus. In 1 Petrus 3 spreekt Petrus zelfs over onze doop als iets wat voorafgebeeld werd toen het gezin van Noach door het water heen een veilige plaats bereikte. Zoals zij door de wateren van het oordeel heen gingen en aan de andere kant veilig aankwamen, zo zijn wij tot de doop gekomen, door het water heen gegaan en aan de andere kant behouden tevoorschijn gekomen, zegt Petrus.

In 1 Petrus 3 staat het volgende. En we hebben in een ander verband over deze verzen gesproken. Maar in vers 19 staat:

19door Wie Hij ook, toen Hij heenging, aan de geesten in de gevangenis gepredikt heeft, 20namelijk aan hen die voorheen ongehoorzaam waren, toen God in Zijn geduld nog eenmaal wachtte in de dagen van Noach, terwijl de ark gebouwd werd, waarin weinige — dat is acht — mensen behouden werden door het water heen. 21Het tegenbeeld daarvan, de doop, behoudt nu ook ons. Maar niet als een verwijderen van het vuil van het lichaam, maar als vraag aan God van een goed geweten, door de opstanding van Jezus Christus,

1 Petrus 3:19-21

Als je het woord ‘antitype’ niet kent: het is de tegenhanger van een type. Een type is een gebeurtenis, een voorwerp, een instelling of een persoon in het Oude Testament waarvan het bestaan of de levensloop een overeenkomst vertoont met iets geestelijks in het Nieuwe Testament. Zo wordt bijvoorbeeld de uittocht van Israël uit Egypte gezien als een type van ons behoud. Het paaslam wordt gezien als een type van Christus, enzovoort. Gebeurtenissen, mensen en instellingen uit het Oude Testament zijn vaak een voorafbeelding of voorafschaduwing van iets geestelijks dat in het Nieuwe Testament zichtbaar wordt. Wanneer ze dat doen, worden ze een type genoemd.

Het Nieuwe Testament gebruikt het woord ‘type’ daadwerkelijk. In het Grieks is het ‘tupos’, en ‘type’ is eenvoudigweg de Nederlandse transliteratie van ‘tupos’. Maar als je een type hebt, wijst dat type natuurlijk vooruit naar iets. Welnu, datgene waarnaar het vooruitwijst, wordt het antitype genoemd. En dat is werkelijk het Griekse woord dat in deze passage bij Petrus wordt gebruikt. Hij zegt dat er een antitype is. Het antitype is datgene wat met een type overeenkomt, net zoals een vervulling het overeenkomstige deel is van een profetie of een voorspelling. Als er een voorspelling is, heeft die een vervulling. Als er een type is, heeft dat een antitype.

Petrus vertelt ons dus dat er een antitype van deze zondvloed is. De zondvloed is volgens hem dus een type. En de antitype is de doop, die ons ook behoudt, zegt hij. Behoud door het water wordt dus uitgebeeld in de waterdoop. En behoud door het water heeft zijn type en schaduw in de zondvloed en in het overblijfsel van de gelovigen dat door de zondvloed heen in de ark werd behouden. De ark zelf is daarbij een type van Christus.

Het is interessant dat het woord ‘pek’, dat in Genesis wordt gebruikt wanneer er wordt verteld hoe de ark vanbinnen en vanbuiten met pek werd afgedicht, of met teer of iets dergelijks, hetzelfde Hebreeuwse woord is dat later in Leviticus voor ‘verzoening’ wordt gebruikt. Letterlijk betekent het ‘een bedekking’. Maar het was een soort teer of iets dergelijks waarmee ze de kieren in de ark afdichtten, zodat de wateren van het oordeel niet bij de mensen en dieren in de ark konden komen.

En datgene wat hen beschermde, wat hen droog hield en ervoor zorgde dat het oordeel hen niet raakte, was dit pek dat in de kieren van de ark was aangebracht. Het is gewoon een interessant toeval — misschien is het geen toeval — dat in het Hebreeuws hetzelfde woord voor ‘verzoening’ wordt gebruikt. Het is natuurlijk het verzoeningswerk van Christus dat ook ons tegen het oordeel beschermt.

Er zitten dus veel doelbewuste typen in dit verhaal. Ik heb niet echt geprobeerd ze allemaal uiteen te zetten, eenvoudigweg vanwege de beperkte tijd die we hebben. Maar zo werkt het Nieuwe Testament deze ideeën uit die we zojuist in Genesis hebben bestudeerd, vooral in hoofdstuk 7 en 8.

Nieuwe start en opdracht om de aarde te vullen

Illustratie bij: Noach en zijn zonen krijgen de opdracht de aarde te vullen.

Nu zijn we bij hoofdstuk 9. Daar staat:

Toen zegende God Noach en zijn zonen en Hij zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk en vervul de aarde!

Genesis 9:1

Dit is wat Hij oorspronkelijk tegen Adam en Eva had gezegd. Het heeft dus min of meer die bewuste weerklank, alsof Hij zegt: goed, we zijn begonnen, we hebben hier op de resetknop gedrukt. Ik begon met één echtpaar en gaf hun dit gebod. Dat is niet zo goed verlopen. We hebben alles opgeruimd. We hebben alles gereset — we hebben de boel opnieuw opgestart, weet je — en nu beginnen we opnieuw met dezelfde geboden.

Dit lijkt trouwens te betekenen dat zij zich uiteindelijk moesten verspreiden en de aarde moesten vullen. Hun nakomelingen moesten zich vermenigvuldigen en zich verspreiden totdat de aarde gevuld was. Dat zij dit bij de toren van Babel weigerden te doen, was ongetwijfeld de reden voor wat er gebeurde. Hun uitdrukkelijke bedoeling bij het bouwen van de toren van Babel in hoofdstuk 11 was zelfs dat ze niet over de wereld verspreid zouden worden. Er staat dat ze zeiden:

En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen, en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!

Genesis 11:4

Het lijkt erop dat dit een doelbewuste opstand tegen dit specifieke gebod was. Misschien was dat een van de voornaamste redenen waarom God dat project onderbrak. Adam en Eva kregen dus de opdracht dit te doen, en ze deden het, maar hun nageslacht was goddeloos. Dus maken we nu opnieuw een frisse start met een rein gezin, zo lijkt het. Maar tegen het einde van het hoofdstuk ontdekken we dat de dingen niet helemaal rein zijn. En weet je, je kunt mensen wel uit de zondige wereld halen, maar je kunt de zondige wereld niet noodzakelijk uit de mensen halen. Hij zegt tegen Noach en zijn zonen in vers 2:

Heerschappij en plantaardig voedsel

Illustratie bij: De mens krijgt heerschappij en planten als voedsel.

Vrees en schrik voor u zal er zijn bij alle dieren van de aarde en bij alle vogels in de lucht, bij alles wat over de aardbodem kruipt en bij alle vissen in de zee; zij zijn in uw hand gegeven.

Genesis 9:2

Dit verschilt van wat Hij tegen Adam en Eva zei. Nu gaf Hij hun een gebod dat identiek is aan wat Hij tegen Adam zei, maar Hij bracht ook een wijziging aan. Er is iets veranderd, want toen God in Genesis 1 Zijn opdracht aan Adam en Eva gaf, staat er in vers 28 dat God hun de heerschappij over de dieren gaf. Maar blijkbaar mochten ze de dieren niet eten. In vers 29 en 30 staat:

29En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen. 30Maar aan al de dieren van de aarde, aan alle vogels in de lucht en aan al wat over de aarde kruipt, waarin leven is, heb Ik al het groene gewas tot voedsel gegeven . En het was zo.

Genesis 1:29-30

Genesis 1:29:

Ik heb jullie alle zaaddragende planten op de hele aarde gegeven, en ook elke boom met vruchten; die zullen jullie tot voedsel dienen. Aan alle dieren op aarde, alle vogels in de lucht en alles wat over de aarde kruipt en leeft, heb Ik alle groene planten als voedsel gegeven.

Nu verbiedt Hij Adam en Eva daar niet uitdrukkelijk om dieren te eten, maar Hij maakt heel duidelijk dat God hun het plantenleven als voedsel heeft gegeven. En uit de manier waarop God hier spreekt, lijkt het alsof Hij hun voorheen verboden had iets anders dan planten te eten. Want hier in Genesis 9 staat in vers 3:

Vlees als voedsel na de zondvloed

Illustratie bij: Vlees wordt na de zondvloed als voedsel gegeven.

Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.

Genesis 9:3

Met andere woorden: zoals Ik jullie vroeger de kruiden en de planten te eten gaf, breid Ik dat nu uit met aanvullende voedingsmiddelen, namelijk vlees. Nu wordt nergens in de Schrift uitgelegd waarom vlees op dit moment aan het menselijke voedingspatroon werd toegevoegd. Ik bedoel, het lijkt erop dat God planten oorspronkelijk voedzaam genoeg had gemaakt om een gezond mensenleven zonder dierlijk voedsel, zonder vlees, in stand te houden. Maar veranderde dat nu? Hij zegt dat de dieren nu bang voor jullie zullen zijn. De schrik en de vrees voor jullie zullen op ieder dier rusten. Misschien leefden dieren en mensen veel meer in harmonie doordat mensen vroeger geen dieren aten. Misschien zelfs... nou, dat zou zeker zo zijn geweest in, weet je, de hof van Eden vóór de zondeval. Het is mogelijk dat er zelfs na de zondeval niet veel problemen waren tussen wilde dieren en mensen. Maar nu gaat de mens jagen, de mens gaat dieren eten, en daardoor krijgt het dier een instinctieve angst voor de mens. Ze zullen voor hun leven willen vluchten.

Maar waarom deze verandering? Ik weet het antwoord niet. Maar weet je, één mogelijk antwoord zou zeker kunnen zijn dat er daadwerkelijk iets veranderde in de voedingswaarde van de planten. Daardoor moest de mens zijn voedingspatroon aanvullen met ander voedsel dan alleen planten. Er is geopperd dat de zondvloed de hoeveelheid sporenelementen in de bodem mogelijk heeft verminderd. Ik bedoel, er was daarvoor droog land geweest dat nooit, in ieder geval sinds de schepping, met water bedekt was geweest. Maar nu heeft het water een jaar lang de hele aarde bedekt. En terwijl het water zich terugtrok naar de oceaanbekkens en de meren, kan het veel van de bestanddelen hebben meegenomen die in de bodem hadden gezeten en vroeger bijdroegen aan de grotere voedingswaarde van planten.

Het is bekend dat als je tegenwoordig sporenelementen aan je groenten toevoegt, je gezondere, betere planten en groenten krijgt. Dus ik bedoel, als die door de zondvloed uitgeput waren geraakt, en het is vrijwel zeker dat dit gebeurd zou zijn... Ik bedoel, hoe zou het anders kunnen? Dit water bedekt, weet je, de aarde en stroomt vervolgens weg. Hoe zou de bodem dan nog dezelfde voedingsstoffen kunnen bevatten als daarvoor? Die zouden vanzelfsprekend uitgeput zijn geraakt. Dus misschien is er niets anders aan de hand dan dit. Misschien waren planten op zichzelf nu eenvoudigweg niet voedzaam genoeg meer voor de mens om zichzelf in leven te houden. Daarom moest hij dierlijk voedsel aan zijn voedingspatroon toevoegen.

Rein en onrein vlees en het verbod op bloed

Illustratie bij: Het verbod om vlees met het bloed te eten.

Maar samen met die verordening dat dieren als voedsel mochten dienen... En ik wil er ook snel op wijzen dat hier geen onderscheid wordt gemaakt tussen reine en onreine dieren. Er staat zelfs uitdrukkelijk:

Alles wat beweegt en leeft, mogen jullie eten.

Hij zegt:

Ik heb jullie alles gegeven, net zoals de groene planten.

Later werden onder de wet van Mozes dezelfde dieren die rein of onrein waren voor het offer, ook rein of onrein om te eten. Maar dat onderscheid werd op dit moment blijkbaar niet gemaakt. Er werd echter wel één onderscheid gemaakt dat later ook in de wet werd opgenomen, en dat is dat ze het bloed van de dieren niet mogen eten. In vers 4 staat:

Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, er nog in mag u niet eten.

Genesis 9:4

Daarna gaat Hij meteen verder met bloedvergieten en moord. Daar zullen we het zo over hebben. Maar hier stelt Hij voor het eerst de wet in die mensen verbiedt bloed te eten. En in de wet van Mozes werd dit zeer nadrukkelijk gesteld. Wanneer de Joden een dier slachtten om het te eten, moesten ze al het bloed eruit laten lopen. Koosjere Joden doen dit natuurlijk nog steeds. Hun vlees moet bloedvrij zijn. Nu zijn heidenen in sommige culturen juist precies de andere kant opgegaan. In Duitsland kun je een kom bloedsoep krijgen. Dat klinkt mij nogal smerig in de oren, maar als ik in Duitsland was opgegroeid, had ik dat misschien niet gevonden. Maar de Joden mijden bloed. Nu is de vraag: moeten wij dat ook doen? Het wordt hier verboden, lang vóór de tijd van Mozes. Het wordt verboden in de wet van Mozes. Wordt het ook verboden in het Nieuwe Testament? Welnu, er is blijkbaar één passage in het Nieuwe Testament die daarop zou kunnen wijzen. Die staat in Handelingen 15. Al zal de leer van Handelingen 15 natuurlijk ook vergeleken moeten worden met andere dingen die het Nieuwe Testament over hetzelfde onderwerp zegt, en daardoor mogelijk nader bepaald moeten worden.

De strijd om besnijdenis van heidenen

Illustratie bij: Het geschil over de besnijdenis van heidense gelovigen.

Maar in Handelingen 15 zien we dat er een vraag opkwam toen heidenen tot Christus begonnen te komen en niet besneden waren. De vraag kwam op of zij besneden moesten worden, want daarvoor waren alle christenen Joden geweest, en alle Joden waren als baby besneden. Voor zover we kunnen nagaan, bestond er dus jarenlang na Pinksteren niet zoiets als een onbesneden christen. Misschien de Ethiopische kamerheer, maar hij kan een proseliet zijn geweest. Als hij een proseliet was, was ook hij besneden.

Maar het punt is dat in Jeruzalem, of op de plaatsen waar de apostelen woonden, de kwestie nog niet aan de orde was geweest wat men moest doen met heidenen die christen werden en die bij hun geboorte niet besneden waren zoals de Joden. En de reden dat dit een kwestie was, is dat zij inzagen dat het christendom een aanpassing was van de oudere regeling die God in het Oude Testament met Israël had getroffen. Dit is een vervulling van de hoop van Israël. Dit was een nieuw verbond dat met het huis van Israël was gesloten. En het was niet precies duidelijk of mensen officieel deel van Israël moesten worden om christen te worden.

In het Oude Testament kon een heiden een Jood worden. Maar om dat te doen moest hij besneden worden, en dan werd hij een proseliet genoemd. Een proseliet was iemand die van geboorte geen Jood was, maar besloot Jood te worden en het proces daarvoor doorliep. Als het een man was, moest hij besneden worden. Hij moest een offer brengen. Later in de geschiedenis moest hij ook een doop ondergaan — die hebben ze toen ingesteld — en hij moest zich vanaf dat moment natuurlijk aan de wet van Mozes houden.

Dat was dus de denkwijze van de christenen in de begintijd. Zij waren zelf allemaal Joods. Ze hoefden zich niet bezig te houden met de vraag wat ze met onbesneden gelovigen moesten doen, want aanvankelijk kwamen er geen heidenen de gemeente binnen. Maar toen dat wel gebeurde, dachten velen in de gemeente: wel, deze mensen moeten eerst Joods worden. Wij dienen een Joodse Messias. Dit zijn de beloften van de Joodse profeten die aan Israël zijn gedaan. En als heidenen daar deel van willen uitmaken, wel, laat ze dan komen, maar laat ze rein komen, niet onrein. Laat ze besneden worden. Laat ze deel van Israël worden, en dan kunnen ze deelhebben aan de Messias van Israël.

Dat was wat de judaïsten leerden. En dit was nooit echt rechtstreeks door de apostelen in Jeruzalem behandeld, omdat zij er in Jeruzalem niet mee te maken hadden. Vrijwel iedereen in de gemeente van Jeruzalem was Joods. Maar Paulus kreeg er wel mee te maken, omdat hij en Barnabas onder de heidenen waren geweest, hun het Evangelie hadden verkondigd en hen hadden gewonnen. En Paulus was tot de conclusie gekomen — eigenlijk kunnen we misschien niet eens zeggen dat hij tot die conclusie was gekomen. In Galaten 1 zei hij dat Christus hem had geopenbaard dat het voor heidenen niet nodig is besneden te worden. Het nieuwe verbond was nieuw en vereiste niet dat heidenen Joden werden voordat zij christen werden. Ze konden rechtstreeks van heiden christen worden, in plaats van eerst de tussenstap te maken waarbij ze Joods werden.

Nu ontstond hierover een geschil na de eerste zendingsreis die Paulus en Barnabas naar de heidense gebieden hadden gemaakt. Toen Paulus en Barnabas terugkwamen bij hun thuisgemeente, die hen had uitgezonden, namelijk de gemeente van Antiochië in Handelingen 14, brachten zij verslag uit van hoe de heidenen behouden waren. Maar er waren enkele christenen uit Jeruzalem op bezoek in Antiochië, en die zeiden: wel, deze mensen moeten besneden worden. Je kunt ze niet zomaar laten dopen en christen laten zijn zonder dat ze besneden worden.

Paulus en Barnabas gingen met deze judaïsten in discussie. Omdat zij uiteindelijk geen overeenstemming konden bereiken, werd besloten dat ze naar Jeruzalem zouden gaan om de kwestie te beslechten. De apostelen in Jeruzalem hadden dus nog nooit een officiële uitspraak gedaan over de kwestie of heidenen besneden moesten worden en Joden moesten worden. Daarom werd het concilie gehouden, en dat is het onderwerp van Handelingen 15. Petrus legde een getuigenis af, Paulus legde een getuigenis af, en blijkbaar deden anderen dat ook.

Uiteindelijk stond Jakobus, die destijds de leider van de gemeente in Jeruzalem was, op en nam een besluit. Op grond van wat Petrus, Paulus en anderen hadden gezegd, luidde het besluit: nee, de heidenen hoeven niet Joods te worden. Ze hoeven niet besneden te worden. Ze hoeven niet onder de Joodse wet gesteld te worden. Jakobus zei echter wel: ik zou willen verzoeken dat er enkele voorwaarden worden gesteld en dat de heidenen wordt gevraagd zich hier aan een paar regels te houden.

Het apostelbesluit voor heidense gelovigen

Illustratie bij: Jakobus en het apostelbesluit voor de heidenen.

Nu moet je bedenken dat met een heiden in die tijd niet gewoon iemand als een Amerikaan werd bedoeld. Weet je, de meesten van ons zijn heidenen, maar we zijn ook gekerstend. Heidenen waren in die tijd mensen die afgoden aanbaden. Ze gingen naar afgodstempels. Ze bedreven hoererij, omdat er in de afgodstempels feitelijk priesteressen waren die als tempelprostituees werkten. Bij de aanbidding van sommige godinnen hoorde dat je in de tempel met een prostituee naar bed ging. Ik bedoel, alleen de Joden kenden in die tijd iets wat leek op wat wij een christelijke moraal noemen. De heidenen waren volkomen heidens. En daarom vonden de Joden heidenen weerzinwekkend. En sommige gebruiken van de heidenen waren bijzonder weerzinwekkend, waaronder het feit dat de heidenen bloed aten en afgodische dingen deden. En dus zegt Jakobus dit in Handelingen 15, vers 19 en de verzen daarna. Jakobus zei:

Daarom ben ik van oordeel dat men het hun die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet lastig moet maken,

Handelingen 15:19

Dat wil zeggen: we moeten het hun niet moeilijk maken door te eisen dat ze Joods worden. Dat is de context. We moeten niet van hen eisen dat ze zich laten besnijden en deel gaan uitmaken van het Joodse geloof. Maar hij zegt:

maar aan hen moet schrijven dat zij zich dienen te onthouden van de dingen die door de afgoden besmet zijn, van ontucht, van het verstikte en van bloed.

Handelingen 15:20

Daarmee wordt het vlees bedoeld dat overbleef van dieren die in afgodische tempels geofferd waren. De resten van die dieren werden op de markt gewoon aan het grote publiek verkocht. Ze offerden dus een stier in de tempel. Een deel van het vlees werd voor het ritueel gebruikt en de rest werd meegenomen en op de markt verkocht. Als je in de heidense wereld op straat, op de markt, vlees kocht, kocht je dus vaak vlees dat, zoals de Joden zeggen, door afgoderij verontreinigd was. En hij zei dat we hun moesten schrijven en hun moesten vragen zich te onthouden van dingen die door afgoden verontreinigd waren, van seksuele immoraliteit, die onder de heidenen heel gewoon was, van wat verstikt was en van bloed. Hij zegt:

Want Mozes heeft van oude tijden af in elke stad mensen die hem prediken, want hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen.

Handelingen 15:21

Jezus verklaart alle voedsel rein

Illustratie bij: Jezus leert dat voedsel de mens niet verontreinigt.

Hier hebben we dus een nieuwtestamentisch decreet waarin heidenen worden gevraagd geen bloed te eten. Daarmee komen we natuurlijk terug bij het onderwerp van Genesis 9:4, namelijk dat bloed niet gegeten mag worden. Iemand zei dus: nou, dan is de kwestie hiermee toch afgedaan? We moeten geen bloed eten. We moeten ons vlees op de koosjere vleesmarkt kopen, bij de koosjere slager, waar ze al het bloed eruit hebben laten lopen. Maar zo gemakkelijk ligt het niet. Zo eenvoudig is het niet. Want toen Jezus Zelf in Markus, hoofdstuk 7, met de Farizeeën sprak over reine en onreine dingen, zei Hij:

Er is niets dat van buitenaf de mens binnengaat, dat hem kan verontreinigen; maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het die de mens verontreinigen.

Markus 7:15

Dat is wat Jezus in Markus 7 vers 15 zei. En de discipelen vroegen zich af wat Hij daarmee bedoelde, dus vroegen ze het Hem. En in Markus 7 vers 18 zei Hij tegen hen:

En Hij zei tegen hen: Bent ook u zo onwetend? Ziet u niet in dat alles wat van buitenaf de mens binnengaat, hem niet kan verontreinigen?

Markus 7:18

Dat klinkt allesomvattend. Alles wat als voedsel je mond binnengaat, alles wat je van buitenaf tot je neemt, kan je niet verontreinigen. Onder de wet waren er veel dingen die je zouden verontreinigen als je ze at. Elk onrein voedsel, zeker bloed, vlees dat aan afgoden geofferd was: al die dingen zouden je verontreinigen als je ze at. Maar Jezus zei dat niets wat je mond binnengaat je zal verontreinigen. Hij zei:

Want het komt niet in zijn hart maar in zijn buik en gaat in de afzondering naar buiten. Zo wordt al het voedsel gereinigd.

Markus 7:19

En dan volgen aan het eind van Markus 7:19 de woorden die in de gebruikte Engelse vertaling kunnen worden weergegeven als:

Zo verklaarde Hij al het voedsel rein.

De HSV geeft dit weer als: ‘Zo wordt al het voedsel gereinigd.’ Nu verschillen geleerden van mening over de vraag of die woorden iets zijn wat Jezus zei. Dan zou de gedachte zijn dat je lichaam, weet je, het voedsel afvoert. Het gaat er aan de ene kant in en komt er aan de andere kant weer uit, en daardoor word je gereinigd. Het komt nooit in het hart en verontreinigt je geestelijk op geen enkele manier. Maar de meeste geleerden lijken te denken dat Markus’ eigen commentaar op Jezus’ opmerking is. Toen Jezus zei dat wat de mond van een mens binnengaat hem niet verontreinigt, voegt Markus als het ware tussen haakjes zijn commentaar toe. In onze Bijbel hier is het niet op die manier van leestekens voorzien, maar dat kan wel, en in sommige vertalingen gebeurt dat ook. Markus zegt dus dat Jezus, door dit te zeggen, alle soorten voedsel rein verklaarde. Dat betekent dat Hij verklaarde dat alle soorten voedsel rein waren. Maar of Markus dat commentaar nu wel of niet geeft, Jezus zegt wel degelijk dat wat de mond van een mens binnengaat hem niet verontreinigt. Sterker nog, Hij zegt dat niets wat de mond van een mens binnengaat hem kan verontreinigen. Dacht Hij daarbij ook aan bloed? Moeilijk te zeggen.

Afgodenvlees en christelijke vrijheid

Illustratie bij: Afgodenvlees en christelijke vrijheid in Korinthe.

Ik wil er echter op wijzen dat Jakobus, toen hij de heidenen vroeg geen bloed te eten, ook zei dat ze geen dingen mochten eten die aan afgoden geofferd waren, en evenmin wat verstikt was. Trouwens, wat verstikt was— er stond nergens in de wet van Mozes een verbod op het eten van een verstikt dier. Maar ik denk dat het verstikken van dieren tamelijk ongebruikelijk is. Het moet deel hebben uitgemaakt van een heidens ritueel. Of misschien was men bezorgd dat een verstikt dier niet vers geslacht was. Een dier kon bijvoorbeeld in een omheining verstrikt raken en zichzelf per ongeluk verstikken. Uit zo’n kadaver kon men het bloed niet meer goed laten weglopen. Het bloed begint, weet je, te stollen, enzovoort. En je moet het dier echt eten terwijl het nog vers is. Je moet het bloed eruit laten lopen terwijl het nog vers is. Het is moeilijk om precies te zeggen wat de kwestie was met wat verstikt was. Het is niet echt iets wat in het Oude Testament wordt genoemd.

Maar, maar in het Nieuwe Testament wordt wel vaak gesproken over vlees dat aan afgoden geofferd was. En de christelijke regel daarover wordt in het Nieuwe Testament besproken. En blijkbaar zijn de regels voor het eten van vlees dat aan afgoden geofferd was dezelfde als de regels voor het eten van bloed. Ik bedoel, ze staan in dezelfde lijst van dingen die je niet mag doen, samen met ontucht ook. En nadat Jakobus dit had gezegd, schreven ze een brief aan de gemeenten onder de heidenen waarin ze deze verzoeken overbrachten. En ze lieten Paulus en Barnabas die brief naar de gemeenten onder de heidenen brengen. Dus toen Paulus en Barnabas aan de tweede zendingsreis begonnen, namen ze, hoewel ze uit elkaar gingen en ieder een andere kant opgingen, exemplaren van de brief van het concilie in Jeruzalem mee om die aan de gemeenten te geven. Een van de gemeenten waar Paulus hierna naartoe ging, was de gemeente in Korinthe. En het is heel leerzaam om te kijken naar wat hij tegen de gemeente in Korinthe zei. Want toen Paulus tijdens zijn tweede zendingsreis naar de gemeente in Korinthe ging, had hij de brief van het concilie in Jeruzalem bij zich. Het spreekt vanzelf dat hij verplicht was die met hen te delen, en dus moet hij dat gedaan hebben. Maar het lijkt erop dat hij dat met enige bedenkingen deed. Nu lees ik hier tussen de regels door, maar volgens mij is dit de enige manier waarop je tussen sommige van deze regels door kunt lezen.

‘Alles is geoorloofd’ en voedsel

Illustratie bij: Paulus onderwijst over vrijheid, voedsel en het lichaam.

Paulus diende achttien maanden in Korinthe en vertrok daarna. Vervolgens schreef hij 1 Korinthe aan hen. Toen hij 1 Korinthe aan hen schreef, verwees hij volgens mij naar dingen die hij tegen hen had gezegd toen hij daar was. Nadat Paulus was vertrokken, was er in Korinthe kennelijk enige verwarring ontstaan over iets wat Paulus had gezegd. Kijk eens naar 1 Korinthe 6, als je wilt. Want in 1 Korinthe 6, vers 12, zegt Paulus:

12Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar niet alle dingen zijn nuttig. Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal mij niet onder de macht van ook maar iets laten brengen. 13Het voedsel is voor de buik en de buik voor het voedsel, maar God zal zowel het één als het ander tenietdoen. Het lichaam is echter niet voor de hoererij, maar voor de Heere en de Heere voor het lichaam.

1 Korinthe 6:12-13

En vervolgens legt hij verder uit dat hoererij ongepast is voor christenen. Maar let op wat hij zegt:

Ik mag alles doen.

zegt hij. Daarna gaat hij in op voedsel. En de meeste geleerden geloven dat wanneer Paulus zegt:

Ik mag alles doen.

— en tussen haakjes, hij zegt dat herhaaldelijk in 1 Korinthe — hij iedere keer iemand in Korinthe citeert die zegt:

Ik mag alles doen.

en dat gebruikt als excuus om als christen naar de afgodische feesten te gaan en aan die feesten deel te nemen. Waarom denken we dat? Omdat ze dat deden. Paulus moet hun schrijven om hun op te dragen dat niet te doen. Sommige christenen vonden dat hun vrijheid zo ver ging dat ze naar de afgodische feesten konden gaan. En ze zeiden:

Ik mag alles doen.

En de meeste geleerden geloven dat ze Paulus citeerden. Toen Paulus eerder bij hen was geweest, had hij hun geleerd dat alles geoorloofd is. En nu citeren deze mensen Paulus als excuus om naar het afgodische feest te gaan en eraan deel te nemen. En Paulus schrijft terug en zegt: wel, ja, alles is geoorloofd, maar niet alles is nuttig. Niet alles is goed om te doen. Niet alles bevordert de geestelijke vrede en het geestelijke welzijn in de gemeente of in je eigen leven. Dus zelfs als sommige dingen geoorloofd zijn, moet je onderscheiden of datgene waarvoor je jezelf de vrijheid geeft, werkelijk geestelijk voordelig is of niet. En zo niet, dan moet je het niet doen. Dat ligt daarin besloten.

En daar in vers 13 zegt hij:

Het voedsel is voor de buik en de buik voor het voedsel, maar God zal zowel het één als het ander tenietdoen. Het lichaam is echter niet voor de hoererij, maar voor de Heere en de Heere voor het lichaam.

1 Korinthe 6:13

Met andere woorden, het voedsel dat je eet is vergankelijk. Zelfs je eigen maag zal uiteindelijk vergaan, en het voedsel dat je verteert zal vergaan. Voedsel komt tijdelijk je lichaam binnen en verlaat het daarna weer. En het heeft geen langdurige gevolgen. Paulus zegt dus dat wat je in je mond stopt geen morele kwestie is. En daarin stemt Paulus met Jezus overeen. Maar in welke context? Ik geloof dat het in de context van vlees is dat aan afgoden geofferd is.

De achtergrond van Jakobus’ voedselregels

Illustratie bij: De Joodse achtergrond van Jakobus’ voedselregels.

Nu volgt wat er volgens mij gebeurd is, als ik je een mogelijk scenario mag schetsen. Ik denk dat Paulus bereid was zich aan deze brief van Jakobus te onderwerpen toen hij die ontving. Want daarvoor was hij naar het concilie in Jeruzalem gekomen: om zich aan hun beslissing te onderwerpen. En zij hadden besloten dat Paulus en zijn vrienden tegen de heidenen moesten zeggen dat ze zich van deze verschillende dingen moesten onthouden. Maar Paulus wist dat dit niet de wet van God was. Het was een verzoek van Jakobus en de Joodse broeders. Waarom? Wel, laat me je laten zien waarom.

Terug in Handelingen hoofdstuk 15, waar dat besluit werd genomen, hebben we deze woorden al gelezen. Ik vestigde er nogmaals je aandacht op. In Handelingen 15, in de verzen 20 en 21, waar Jakobus deze dingen heeft opgesomd, zegt hij:

20maar aan hen moet schrijven dat zij zich dienen te onthouden van de dingen die door de afgoden besmet zijn, van ontucht, van het verstikte en van bloed. 21Want Mozes heeft van oude tijden af in elke stad mensen die hem prediken, want hij wordt elke sabbat in de synagogen voorgelezen.

Handelingen 15:20-21

Let op welke reden Jakobus hiervoor geeft. Hij zegt niet: omdat deze dingen voor God een gruwel zijn. Nee, hij zegt dat jullie... dat wij hun moeten zeggen dit te doen omdat:

Al generaties lang zijn er in elke stad mensen die Mozes verkondigen, doordat er elke sabbat in de synagogen uit zijn boeken wordt voorgelezen.

Wat zegt hij? Hij zegt: in iedere stad waar de heidenen zijn, zijn Joden. En generaties lang hebben zij iedere sabbat in hun synagogen de wet horen voorlezen. Ze hebben bepaalde gevoeligheden, en in deze heidense steden wonen veel van die Joden met deze gevoeligheden. Mozes is generaties lang aan hen verkondigd.

En volgens mij zegt Jakobus: ik zeg niet dat deze dingen morele kwesties zijn. Ik zeg dat dit... hoewel hoererij dat wel is, maar daar zullen we zo meteen afzonderlijk over spreken, en Paulus doet dat ook... maar hij zegt dat dit bekende gebruiken van heidenen zijn die tegen Joodse gevoeligheden indruisen. En van Jakobus weten we dat hij, weet je, bezorgd was dat Joden behouden zouden worden. Hij schreef de brief van Jakobus aan Joden. Hij was de leider van de gemeente in Jeruzalem. Jakobus’ hart ging uit voor die Joden die ijverden voor de wet, zodat zij bereikt konden worden. En Jakobus was er volgens mij bezorgd over dat ze de heidenen weliswaar toestonden geen Joden te worden, maar dat de heidenen zich hopelijk terughoudend zouden opstellen ten aanzien van dingen die Joodse mensen aanstoot geven. Dingen die heidenen vaak deden, waar ze om bekendstonden en die voor deugdzame Joden aanstootgevend waren. En dus zegt hij: dit zijn enkele dingen die heidenen gewoonlijk doen en waar Joden aanstoot aan nemen. Zeg hun alsjeblieft dat ze die dingen moeten vermijden. Waarom? Omdat het een gebod van God is? Niet noodzakelijk, maar omdat hij bezorgd is over de aanstoot die de Jood eraan neemt. Want in elke stad zijn veel mensen aan wie door de generaties heen de wetten van Mozes zijn voorgelezen, en zij zullen hier gevoelig voor zijn.

Vrijheid en het geweten van anderen

Illustratie bij: Vrijheid begrensd door het geweten van de ander.

En dat is precies wat Paulus... Paulus neemt de geest hiervan over, want Paulus zegt ook tegen de Korinthiërs:

Alles mag, je kunt eten wat je wilt, maar niet als je broeder of iemand anders er aanstoot aan neemt.

Hij zegt:

Daarom, als het voedsel mijn broeder doet struikelen, dan zal ik in eeuwigheid geen vlees meer eten, opdat ik mijn broeder geen oorzaak geef tot struikelen.

1 Korinthe 8:13

zei hij. Deze hele bespreking beslaat 1 Korinthe 8, 9 en 10. Hij schrijft ongeveer drie hoofdstukken aan de Korinthiërs om dit uit te leggen. Hij zegt dat je, wat God betreft, alles mag eten. Hij heeft niets verboden, maar er zijn dingen die bepaalde mensen aanstoot zullen geven als je die in hun bijzijn eet. En volgens mij probeerde Paulus hiermee te handelen naar de geest van wat Jakobus wenste.

Paulus zegt: weet je, Jakobus zegt dat je geen vlees moet eten dat aan afgoden geofferd is, en ook geen verstikte dieren of bloed. En ontucht staat ook op die lijst. Maar ik wil dat je weet dat wat je eet voor God geen kwestie is, al is het wel een kwestie voor mensen. Je overtreedt dus geen moreel gebod, wat je ook eet. Hij zegt zelfs dat je op de markt alles mag kopen wat je maar wilt van de vleesstalletjes. Als je bij een heiden thuis wordt uitgenodigd en ze je vlees voorzetten, dan zegt hij:

Eet gewoon wat ze je voorzetten.

Maar, zegt hij, als ze tegen je zeggen:

Maar als iemand tegen u zegt: Dat is een afgodenoffer, eet het dan niet, omwille van hem die u dat te kennen gaf en omwille van het geweten.

1 Korinthe 10:28

dan betekent dit dat het voor hen een kwestie is. Ze denken misschien dat je dit moet weten, omdat ze menen dat je het niet behoort te eten. Eet het dan niet, omdat zij denken dat je het niet behoort te eten. Doe het daarom niet. Maar als ze je niets zeggen, ga dan gewoon je gang en eet het, want het maakt God niets uit.

Wat Paulus zegt, is dat het God niets uitmaakt wat je eet. Mensen maakt het wel uit wat je eet, en je moet beslissen wat je gaat eten op grond van wat het evangelie zal bevorderen zonder mensen onnodig aanstoot te geven. En alles wat je doet, moet je met dat in gedachten doen. Daarom zegt hij in 1 Korinthe 10:30 of 31:

En als ik door genade aan de maaltijd deelneem, waarom word ik dan gelasterd om iets waarvoor ik dank?

1 Korinthe 10:30

1 Korinthe 10:31. Je mag eten en je mag drinken, maar doe niets wat God niet zal verheerlijken. En het verheerlijkt God niet wanneer je mensen aanstoot geeft die je probeert te bereiken.

Voedsel tegenover seksuele zonde

Illustratie bij: Paulus onderscheidt voedsel van seksuele zonde.

Maar dit is wat er gebeurde. Ik geloof dus dat Paulus de brief naar Korinthe en naar de andere heidengemeenten bracht en hem als volgt uitlegde: de broeders in Jeruzalem willen dat jullie je van deze dingen onthouden. Dat moeten jullie daarom doen. Maar laat me jullie uitleggen dat al deze dingen God eigenlijk niets uitmaken. Sommige van deze dingen zijn voor God helemaal geen kwestie. Maar de broeders in Jeruzalem willen voorkomen dat jullie de Joodse buren aanstoot geven, en daarom is dat ook mijn zorg. Geef mensen geen aanstoot door wat je eet.

Toen vertrok Paulus, en er waren enkele leraren in Korinthe die opstonden en zeiden: Paulus zei dat we ons niet hoeven te houden aan wat het concilie van Jeruzalem heeft gezegd, en daar valt ook ontucht onder. Zei Paulus niet dat we die dingen min of meer mogen negeren, zolang mensen er geen aanstoot aan nemen? En dus moet Paulus terugschrijven en verduidelijken: wacht eens even, dat heb ik niet over ontucht gezegd. Ik heb dit gezegd over wat je eet.

Dat is wat hij daar in 1 Korinthe 6 zegt. Hij verduidelijkt dat voedsel en de buik één kwestie vormen. Dat zijn, weet je, tijdelijke kwesties. Het zijn geen morele kwesties. Maar hij zegt:

Het lichaam is echter niet voor de hoererij, maar voor de Heere en de Heere voor het lichaam.

1 Korinthe 6:13

Met andere woorden, hij moet een onderscheid maken dat de Korinthiërs niet maakten. Beide dingen, ontucht en het eten van bepaalde soorten voedsel, stonden op de lijst van het concilie van Jeruzalem. Wat Paulus blijkbaar had gezegd toen hij die voorschriften overbracht, verminderde het gevoel van verplichting ten aanzien van sommige dingen op die lijst. En sommige leraren pasten die vermindering van verantwoordelijkheid en verplichting toe op de hele lijst, inclusief ontucht.

Paulus zegt dus: nu maken jullie geen onderscheid tussen morele en niet-morele dingen. Wat je eet, is geen morele kwestie. Met wie je seks hebt, is wel een morele kwestie. En daar gaat Paulus vervolgens op in. Het lijkt mij dus dat Paulus worstelt met het onvermogen van de Korinthiërs om de juiste toepassing van de verzoeken van het concilie van Jeruzalem te begrijpen.

Maar wat is de juiste toepassing? De juiste toepassing is blijkbaar deze: eet de dingen waarvan het concilie van Jeruzalem je heeft gevraagd je te onthouden niet als ze mensen aanstoot zullen geven. Maar denk niet dat het God werkelijk uitmaakt wat je eet. Het maakt God niet uit wat je eet. Het maakt God uit of je je naaste liefhebt of niet, en je naaste aanstoot geven is niet liefdevol. En zo bespreekt Paulus het. Als je heel 1 Korinthe 8 tot en met 10 leest, dan is dat zijn bespreking, dat is zijn betoog.

Bloed eten en eerbied voor het leven

Illustratie bij: Onthouding van bloed als eerbied voor het leven.

Het lijkt er dus op dat we weliswaar die ene uitspraak van het concilie van Jeruzalem hebben over het eten van bloed, maar dat Paulus dit naar zijn eigen inzicht waarschijnlijk op één lijn zou hebben gesteld met het eten van vlees dat aan afgoden geofferd was, wat ook op diezelfde lijst stond.

Wat je maag ingaat, komt er ook weer uit.

Maak je daar geen zorgen over. Trouwens, er kunnen heel goede gezondheidsredenen zijn om geen bloed te eten, maar dat is een andere kwestie. Kijk, we hebben de zevendedagsadventisten, die aanbevelen dat we ons wel aan de spijswetten van Israël houden. Maar daarbij zijn ze sterk geïnteresseerd in de gezondheidskwesties. En er spelen gezondheidskwesties als je koosjer eet. De kans is groot dat je sommige gezondheidsproblemen vermijdt die een minder terughoudend voedingspatroon met zich mee zou brengen. We weten zeker dat het eten van varkensvlees heel gevaarlijk kan zijn als het niet goed gaar is. En weet je, er is betoogd dat rein en onrein voedsel niet alleen ceremonieel rein en onrein is, maar dat dit ook overeenkomt met wat gezond is voor mensen om te eten. En bloed eten kan heel ongezond zijn, maar kennelijk is het moreel niet verkeerd.

Maar in het Oude Testament was het zich onthouden van bepaalde manieren om bloed te gebruiken een van de manieren waarop het menselijk leven geëerd moest worden, of waarop het leven zelf geëerd moest worden. Een daarvan was het eten van dierenbloed. De andere was, zoals we zullen zien, het vergieten van mensenbloed.

Rekenschap voor mensenbloed, ook bij dieren

Illustratie bij: God eist rekenschap voor vergoten mensenbloed.

In Genesis 9:5 gaat God verder nadat Hij heeft gezegd dat ze geen vlees mogen eten waar het bloed nog in zit. In Genesis 9:5 zegt God:

Voorzeker, Ik zal vergelding eisen voor uw bloed, voor uw levens. Van de hand van alle dieren zal Ik vergelding eisen; ook van de hand van de mens, van de hand van ieders broeder, zal Ik vergelding eisen voor het leven van de mens.

Genesis 9:5

Dat wil zeggen: als iemand je doodt, zal Ik het hem aanrekenen. Ik zal hier een of andere vergelding eisen. Zo was het nooit eerder geweest. Kaïn doodde zijn broer en kwam er min of meer mee weg, zo leek het. Ik bedoel, hij werd gestraft, maar het was geen leven voor leven. Ook Lamech, een nakomeling van Kaïn, had uit zelfverdediging een man gedood, en het lijkt erop dat hij evenmin ter dood werd gebracht. Maar nu stelt God een beginsel in. En opnieuw moeten we ons afvragen of dit ook in het Nieuwe Testament blijft gelden. Want er staat:

Maar voor jullie levensbloed zal Ik zeker rekenschap eisen; Ik zal het eisen van elk dier en van ieder mens, en van iedereen die zijn medemens doodt, zal Ik rekenschap eisen voor diens leven.

Wat betekent dat nu? God zal het leven van een slachtoffer opeisen uit de hand van zijn moordenaar, zelfs als de moordenaar een dier is. Dat bedoelt Hij wanneer Hij zegt:

Ik zal het van elk dier eisen.

Dat wil zeggen dat Hij zal eisen dat een dier een straf krijgt opgelegd als het een mens doodt. En dit wordt later in het boek Exodus daadwerkelijk nader uiteengezet. Zoals je door het lezen ervan weet, staat er in Exodus 21:28:

En wanneer een rund een man of een vrouw zó stoot dat deze sterft, moet het rund zeker gestenigd worden en mag zijn vlees niet worden gegeten. De eigenaar van het rund gaat echter vrijuit.

Exodus 21:28

Het gaat er niet zozeer om dat de os moreel verantwoordelijk is. Die os zou waarschijnlijk later toch als voedsel zijn gedood. Maar het idee hier is dat er een gebruik moet zijn waarmee het menselijk leven wordt geëerd. Dus als een dier een mens doodt, komt het dier er niet mee weg, ook al is het moreel niet verantwoordelijk. Ik bedoel, als een man een mens doodde en daarvoor werd gedood, terwijl een dier een man doodde en daarvoor niet werd gedood, dan is het bijna alsof het dier milder behandeld wordt dan de man die een moordenaar is. Het punt is dat niemand een mens kan doden, mens noch dier. Doen ze het toch, dan zullen ze ter dood worden gebracht.

Ik geloof dat ze in een van de dierentuinen in Australië een krokodil hebben waarvan gezegd wordt dat die een politieman heeft opgegeten. Tenminste, ik meen dat dit mij verteld werd toen ik daar was. Ik ben niet naar die dierentuin geweest en heb hem niet gezien, maar ik hoorde dat ze een heel grote krokodil hebben waarvan gezegd wordt dat die een politieman heeft opgegeten. Welnu, die krokodil had ter dood gebracht moeten worden. In plaats daarvan wordt hij tentoongesteld. Maar weet je, ze denken: tja, krokodillen doen nu eenmaal wat krokodillen doen. Wat verwacht je dan? Welnu, ossen doen ook wat ossen doen. Maar als ze een man op de horens nemen en hem doden, kost hun dat het leven, omdat God het menselijk leven eert. Dat is wat hier gezegd wordt.

En Hij zegt dat Hij voor het levensbloed van het slachtoffer rekenschap zal eisen van ieder dier en ieder mens. En dan die laatste regel:

Van iedereen die zijn medemens doodt, zal ik rekenschap eisen voor diens leven.

Het kan eenvoudig een manier zijn om te zeggen dat alle mensen broeders zijn en dat God het daarom van je zal opeisen als je een van je broeders doodt. Of het kan betekenen dat de broer van de overledene degene is die de verantwoordelijkheid draagt om de moordenaar terecht te stellen. Of dit hier nu wel of niet gezegd wordt, dat werd uiteindelijk wel de praktijk.

De bloedwreker en de vrijsteden

Illustratie bij: De bloedwreker en de vrijsteden.

In de samenleving van de oudheid hadden ze iemand die ze de bloedwreker noemden. Als jij mij vermoordde, was mijn broer vervolgens verplicht je te gaan zoeken en je te doden. Iemand moest het doen. En ze hadden geen ingewikkelde rechtbankstelsels, gevangenisstelsels en strafrechtstelsels, dus dit soort zaken werd door de familie afgehandeld.

En later, wanneer de wet van Mozes wordt gegeven, zie je dat God bepaalde vrijsteden instelde waar iemand die per ongeluk een ander had gedood, naartoe kon vluchten om aan de bloedwreker te ontkomen. De bloedwreker zou de naaste verwant van de overledene zijn, die achter je aan zou komen. En die steden waren er niet voor koelbloedige moordenaars of moordenaars die met voorbedachten rade handelden. Die steden waren er voor mensen die per ongeluk iemand hadden gedood. Het was onopzettelijke doodslag. De voorbeelden die gegeven worden — als je bijvoorbeeld met een bijl staat te zwaaien om hout te hakken, en de bijl vliegt van de steel, raakt iemand anders tegen het hoofd en doodt hem. Nou, dat was niet je bedoeling, maar je kunt ook niet zomaar doorgaan met je leven, want door jouw hand is er een man gedood, ook al gebeurde het per ongeluk. Maar je verdient het niet om te sterven, want het was een ongeluk. Je kon dus naar een vrijstad vluchten. Daar kon je in leven worden gehouden en mocht de bloedwreker niet komen om je te doden. Een interessante manier om met deze situaties om te gaan.

Maar waar het hier om gaat, is dat er blijkbaar van wordt uitgegaan dat iemand jou moet doden als jij iemand anders doodt. En de voor de hand liggende bloedwreker zou iemand uit de familie van het slachtoffer zijn. En dat is volgens mij wat die laatste regel betekent:

Voorzeker, Ik zal vergelding eisen voor uw bloed, voor uw levens. Van de hand van alle dieren zal Ik vergelding eisen; ook van de hand van de mens, van de hand van ieders broeder, zal Ik vergelding eisen voor het leven van de mens.

Genesis 9:5

Doodstraf en de mens als Gods beeld

Illustratie bij: De doodstraf en de waardigheid van Gods beeld.

Dan zegt Hij dit:

Vergiet iemand het bloed van de mens, door de mens zal diens bloed vergoten worden; want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt.

Genesis 9:6

En:

Wat u betreft, wees vruchtbaar en word talrijk; breid u overvloedig uit op de aarde, en word talrijk daarop.

Genesis 9:7

Hier hebben we dus duidelijk de eerste verwijzing naar de doodstraf, hoewel er niet van wordt uitgegaan dat er een staatsstelsel bestaat om die uit te voeren. Er zijn familieclans die hiervoor moeten zorgen. Uiteindelijk kwamen er overheden en namen magistraten en gemeenschappen dit op zich, hetzij door middel van beulen, hetzij door gezamenlijk optreden van de gemeenschap. Weet je, de hele gemeenschap stenigde iemand ter dood omdat diegene dat verdiende. Maar waar het hier om gaat, is dat een moordenaar ter dood gebracht moet worden.

En weet je, veel behoudende christenen, onder wie ikzelf, geloven dat de doodstraf voor bepaalde misdrijven een rechtvaardige straf is. Ik bedoel, ik heb niet het gevoel dat ik iemand zou willen doden. Ik heb niet het gevoel dat ik zou willen dat iemand sterft, zelfs een moordenaar niet. Ik wens het niemand toe. Maar op grond van mijn bestudering van de Schrift denk ik dat Gods opvatting is dat het leven van de mens waardevol is, omdat de mens naar het beeld van God is gemaakt. En als iemand daar lichtvaardig mee omgaat en iemand doodt die naar het beeld van God is gemaakt, is dat een grote heiligschennis. En ik bedoel, mensen werden ter dood gebracht voor vormen van heiligschennis die geringer waren dan dat, die wij misschien als geringer zouden beschouwen. Weet je, hout sprokkelen op de sabbat zouden wij waarschijnlijk als minder heiligschennend beschouwen dan moord, maar ook daarvoor werden mensen ter dood gebracht.

Maar dat doen we nu niet meer, omdat de sabbatswet niet de wet van ons land is. Het is geen universele wet. Het was een verbond tussen God en Israël. Maar dit is een verbond dat met de hele mensheid is gesloten, met Noach en zijn nakomelingen, en daar valt iedereen onder.

Jezus, vergeving en de taak van de overheid

Illustratie bij: Jezus toont genade terwijl overheid gezag behoudt.

En sommige mensen vinden het daarom inconsequent als wij voor de doodstraf zijn, als jij daar toevallig voor bent. Ik bedoel, het is mogelijk dat sommige mensen hier niet voor zijn, en weet je, dat is niet... dat moet je zelf uitwerken. Toen ik jonger was, was ik ook tegen de doodstraf. Weet je, ik... ik hield rekening met wat Jezus zei over de vrouw die op overspel betrapt was:

En toen zij Hem dit bleven vragen, richtte Hij Zich op en zei tegen hen: Wie van u zonder zonde is, laat die als eerste de steen op haar werpen.

Johannes 8:7

Dat leek haar terechtstelling niet toe te staan, hoewel ze een halsmisdaad had begaan. Maar aan de andere kant besefte ik natuurlijk pas toen ik het nauwkeuriger las, dat Jezus zei dat de doodstraf voor haar de juiste straf was. De vraag is: wie is bevoegd, of wie is geschikt? Hij zei:

Laat degene die zonder zonde is als eerste een steen naar haar gooien.

Vermoedelijk had Hij het kunnen doen. Hij was zonder zonde. Maar Hij zei tegen haar:

En zij zei: Niemand, Heere. En Jezus zei tegen haar: Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig niet meer.

Johannes 8:11

Hij was geen magistraat. Hij was daar niet om misdadigers te straffen. Maar er zijn magistraten die er wel zijn om misdadigers te straffen. Paulus zei dat in Romeinen, hoofdstuk 13. Hij zei dat God magistraten, overheidsfunctionarissen, heeft aangesteld om misdadigers te straffen. En hij zegt dat je dus voor de magistraat op je hoede moet zijn. Je moet erop letten dat je je aan de wetten houdt, want:

want zij draagt het zwaard niet zonder reden.

Romeinen 13:4

En we moeten bedenken dat Jezus, toen Hij sprak over je vijand liefhebben en de andere wang toekeren, Zijn discipelen vertelde hoe zij moesten leven. Hij ging niet naar de rechtbank om tegen de rechters te zeggen dat ze de andere wang moesten toekeren, alle misdadigers moesten vergeven en hen gewoon vrij moesten laten rondlopen. Er is nog steeds een plaats voor de burgerlijke overheid. Er is nog steeds een plaats voor, hoewel christenen hun vijanden moeten vergeven en christenen nooit... Nou, ik moet niet zeggen dat christenen nooit... Ik zou zeggen dat sommige christenen het niet eens zouden zijn met deze uitspraak. Maar de vroege christenen geloofden dat geen enkele christen ooit beul mocht zijn. De vroege christenen geloofden dat geen enkele christen in een oorlog mocht vechten. De vroege christenen geloofden dat een christen geen politieagent mocht zijn, omdat ze vonden dat dit niet de taak van de politieagent... of van de christen was. Het is de taak van de christen om lief te hebben, barmhartigheid te betonen en genade te tonen.

Christenen binnen overheid en strafrecht

Illustratie bij: Vroege christenen en de taak van het burgerlijk gezag.

Maar ze leerden ook dat het de taak van de overheid is om misdadigers te straffen en de samenleving te beschermen. Er zijn tijden waarin oorlog de enige manier is om een samenleving tegen een invasie te beschermen. Er zijn tijden waarin misdadigers, als ze niet gestraft worden, een gevaar voor de samenleving zullen worden. En God heeft overheden aangesteld om dat te doen, niet christenen. Dat dachten de vroege christenen.

Natuurlijk raakte dat vertroebeld en verward toen de overheid christelijk werd. In de tijd van Constantijn, weet je, wordt de keizer christen. Opeens is er een overlapping tussen magistraten en christenen, weet je. De overheid is christelijk. Maar gedurende de eerste drie eeuwen waren de overheden antichristelijk. Daardoor konden de christenen gemakkelijk het verschil zien tussen de beide gezagsgebieden. Het gezagsgebied van de christenen was barmhartigheid en genade tegenover zondaars. De taak van de overheid was het bestraffen van misdadigers. En je zegt: hoe zit het dan nu? Wat als een christen rechter is? Wat als een christen beul is? Daar kan ik niet op ingaan. Ik bedoel: niet eenvoudig, snel en op een bevredigende manier. Misschien hadden de vroege christenen gelijk dat christenen die rol niet zouden moeten vervullen. Maar andere christenen vinden dat ze dat wel moeten doen. Want, zeggen zij, een rechter, politieagent of soldaat mag moreel gezien soms iets doen wat een gewone christelijke burger niet mag doen. Als een niet-christelijke soldaat dat mag doen, waarom zou het voor een christen dan immoreel zijn? Daar wordt dus veel over gesproken. Ik heb aan die gesprekken meegedaan. Ik heb uren en uren gesproken over oorlog, christenen in de overheid en dergelijke onderwerpen, zonder de hele kwestie echt op te lossen. Want het is ingewikkeld. Daarom zou ik zeggen: denk erover na. Maar verwacht niet dat ik het hier even voor je oplos.

Het punt is dat ik zelf nooit beul zou kunnen zijn, en waarschijnlijk zelfs geen soldaat. Als christen wens ik niemand kwaad toe, ook mijn vijanden niet. Toch moet ik zeggen dat God heeft bepaald dat mensen die bepaalde misdaden begaan, vooral moordenaars, door iemand moeten worden aangepakt. En het Nieuwe Testament zegt dat God de overheid daarvoor heeft aangesteld. Of christenen deel mogen uitmaken van die overheid, is een ethische kwestie waarover we kunnen praten. Sommigen zeggen ja, anderen nee. Maar hier zien we dat er nog steeds straffen voor zonde zijn.

Bezwaren tegen de doodstraf

Illustratie bij: Zorgvuldige rechtspraak bij een aanklacht van moord.

Nu zeggen mensen dat we moordenaars tegenwoordig niet ter dood zouden moeten brengen. Daar geven ze allerlei redenen voor. Eén reden is dat veel onschuldige mensen ten onrechte schuldig worden bevonden. Er zitten mannen in de dodencel die terechtgesteld zouden zijn, maar van wie DNA-onderzoek nu heeft aangetoond dat ze onschuldig waren. Ze moesten worden vrijgelaten. En God zij dank zijn ze niet gedood. Ja, God zij dank zijn ze niet gedood. Amen. Daarom moeten de rechtbanken beter vaststellen wie schuldig is en wie niet. De vraag die wij stellen, is niet hoe goed rechtbanken kunnen bepalen wie wat verdient. De vraag is: wat verdient iemand die werkelijk een moordenaar is? Stel dat iemand als moordenaar is aangewezen en ook werkelijk schuldig is, en dat volgens de juiste gerechtelijke procedures buiten twijfel is vastgesteld dat hij een moordenaar is. In de Bijbel waren daarvoor twee of drie getuigen nodig die hem de misdaad hadden zien begaan. Als dat het geval is, wat verdient hij dan?

Sommigen zeggen: wij zijn beschaafder dan de mensen uit de oudheid. Wij geven moordenaars levenslange gevangenisstraf. Maar waarom is dat eigenlijk beter? Nou, dan doden we hen niet. Nee, maar je ontneemt hun toch het leven dat zij anders in vrijheid hadden kunnen leiden. Je ontneemt hun dat leven, laat hen biologisch in leven en laat de samenleving hen onderhouden. Hier heb je dus iemand die de samenleving tot slachtoffer heeft gemaakt door onschuldige mensen te doden. En nu mogen onschuldige mensen de rekeningen betalen om hem de rest van zijn leven te onderhouden, zonder dat hij werkt. Dat is mooi geregeld. Is dat gerechtigheid? Het klinkt misschien barmhartig, maar is het rechtvaardig? Rechtbanken hebben niet de taak om barmhartigheid te betonen. Christenen wel. Rechtbanken moeten rechtvaardig handelen. Dat is wat gerechtigheid betekent. En volgens de Schrift omvat gerechtigheid voor sommige misdaden de doodstraf.

De overheid als dienaar van vergelding

Illustratie bij: De overheid als dienaar die het kwaad bestraft.

Geldt dat ook in het Nieuwe Testament? Daar lijkt het wel op. Paulus zinspeelde daar niet alleen op in Romeinen 13. Daar zei hij dat God de staat heeft aangesteld om het kwaad van ongelovigen te bestraffen. Een paar verzen eerder zei hij dat christenen zichzelf niet moeten wreken. In Romeinen 12 spreekt hij tot christenen over hun verantwoordelijkheid. In vers 17 staat:

17Vergeld niemand kwaad met kwaad. Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen. 18Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen. 19Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe , Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

Romeinen 12:17-19

We moeten onszelf dus niet wreken. Maar let op wat hij enkele verzen later zegt, in hoofdstuk 13:

1Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn, want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld, 2zodat hij die zich verzet tegen het gezag, tegen de instelling van God ingaat, en wie daartegen ingaan, zullen over zichzelf een oordeel halen. 3Want voor de overheid hoeft men niet te vrezen, wanneer men goede werken doet , maar wel als men kwade werken doet . Wilt u nu van het gezag niets te vrezen hebben, doe het goede en u zult er lof van ontvangen. 4Zij is immers Gods dienares, u ten goede. Als u echter kwaad doet, vrees dan, want zij draagt het zwaard niet zonder reden. Zij is namelijk Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade doet.

Romeinen 13:1-4

Hij, de bestuurder, is Gods dienaar. De gebruikte Engelse Bijbelvertaling heeft hier het woord ‘minister’, dat ‘dienaar’ betekent; de HSV geeft het weer als ‘Gods dienares’.

Paulus zegt dus tegen de christen: wreek jezelf niet. Maar hij zegt ook: besef dat God een dienaar van Hem heeft aangesteld om te wreken, om de vergelding uit te voeren. Dat ben jij niet, dat is niet de christen, dat is niet het lichaam van Christus. Dat zijn de overheidsfunctionarissen. We zien dus dat Paulus kennelijk gelooft dat overheidsfunctionarissen op dit gebied een verantwoordelijkheid hebben waar christenen zich niet noodzakelijk mee bezighouden. In zijn tijd deden ze dat in ieder geval niet.

Sommige mensen zeggen: als christenen zich niet met de rechtbanken, het rechtssysteem en dergelijke bezighouden, dan laten we alles aan heidenen over en krijgen we een onrechtvaardig stelsel. Als je gelooft dat alle heidenen onrechtvaardig zijn, dan klopt dat. Maar ik denk wel dat er samenlevingen zijn geweest met rechtvaardige bestuurders en rechtvaardige rechters die geen christen waren. Het is waar dat veel niet-christenen onrechtvaardig zijn. Ik zou er niet voor zijn hen tot een openbaar ambt te verkiezen of tot rechter te benoemen. Maar als je iemand kunt vinden die moreel handelt, maakt het misschien niet uit of hij christen is of niet, zolang hij maar rechtvaardig is.

Ik haal dit altijd aan wanneer mensen naar het Nieuwe Testament en de doodstraf vragen. Want Paulus geeft opnieuw zijn eigen mening, ditmaal met betrekking tot zijn eigen zaak, in Handelingen 25. Daar staat Paulus voor een Romeinse rechter terecht en staat zijn leven op het spel. Hij wordt vals beschuldigd. Hij is dus een onschuldige man die door de Joodse leiders vals wordt beschuldigd. Zijn rechter is een Romein, en Paulus betuigt zijn onschuld. Maar terwijl hij dat doet, zegt Paulus in Handelingen 25:11:

Want als ik onrecht doe en iets gedaan heb wat de dood verdient, weiger ik niet te sterven; maar als er niets waar is van dat waarvan zij mij beschuldigen, kan niemand mij bij wijze van gunst aan hen uitleveren. Ik beroep mij op de keizer!

Handelingen 25:11

Met andere woorden: als ik een misdaad heb begaan waarop de doodstraf staat.

Paulus maakt dus heel duidelijk dat hij in beginsel geen bezwaar maakt tegen de doodstraf wanneer iemand die verdient. Maar vervolgens zegt hij dat hij die niet verdient. Hij heeft niets gedaan van wat ze hem verwijten, en daarom laat hij zich niet door hen ter dood brengen. In plaats daarvan zal hij zich op de keizer beroepen. Paulus had die woorden kunnen weglaten als hij ze niet meende. Maar kennelijk meende hij ze wel. Ik heb er geen bezwaar tegen dat jullie mij ter dood brengen als ik iets heb gedaan dat de dood verdient. Hoe zou ik daar bezwaar tegen kunnen hebben? Het gaat mij hier om gerechtigheid.

Gerechtigheid en evenredige straf

Illustratie bij: Evenredige rechtspraak: leven voor leven.

Daar gaat het om wanneer mensen vragen: hoe kunnen jullie christenen voor het leven zijn, of jezelf pro-life noemen omdat jullie tegen abortus zijn, terwijl jullie wel vinden dat moordenaars gedood moeten worden? Hoe valt dat te rijmen met een pro-lifestandpunt? In feite heb ik er al jarenlang enig bezwaar tegen dat mijn standpunt als pro-life wordt omschreven. Ik zeg liever: voor gerechtigheid. Ik ben tegen abortus omdat het onrechtvaardig is een onschuldige te doden, en een baby is onschuldig. Maar ik ben voor de doodstraf omdat het niet onrechtvaardig is een moordenaar te doden. Sterker nog, het is onrechtvaardig om dat niet te doen.

De Joden geloven dat wanneer iemand een ander doodt en degene die hem gedood heeft niet zelf ter dood wordt gebracht, de samenleving daarmee de waarde van het leven van het slachtoffer niet respecteert. Dan behandelt men de moordenaar alsof zijn leven meer waard is dan het leven dat hij heeft afgenomen. In de Wet van Mozes biedt de Bijbel een model van exact evenredige gerechtigheid:

23Maar als er wel dodelijk letsel is, moet u geven leven voor leven, 24oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet, 25brandwond voor brandwond, wond voor wond, striem voor striem.

Exodus 21:23-25

Dat is de regel in de wet. Nu zegt iemand: maar heeft Jezus dat niet veranderd? Heeft Jezus in de Bergrede niet gezegd:

38U hebt gehoord dat er gezegd is: Oog voor oog en tand voor tand. 39Ik zeg u echter dat u geen weerstand moet bieden aan de boze; maar wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe; 40en als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleding nemen, geef hem dan ook het bovenkleed; 41en wie u zal dwingen één mijl te gaan, ga er twee met hem . 42Geef aan hem die iets van u vraagt, en keer u niet af van hem die van u lenen wil.

Mattheüs 5:38-42

Persoonlijke genade en rechtspraak

Illustratie bij: Persoonlijke genade naast openbare rechtspraak.

Jezus heeft dat inderdaad gezegd. Maar wat betekent het? Ging Jezus naar de rechters in het gerechtsgebouw om te zeggen: luister, wanneer de misdadigers voor jullie worden gebracht, keer dan gewoon de andere wang toe, stuur ze maar weer weg; jullie moeten de kwaaddoener niet weerstaan? Nee, Hij sprak niet met overheidsfunctionarissen over hun taak. Dat heeft Hij nooit gedaan. Jezus ging nooit naar de rechtbanken in Israël om te zeggen: zo moeten jullie je strafrechtelijke procedures veranderen.

Hij spreekt tegen Zijn discipelen, Zijn volgelingen. Hij zegt: jullie hebben mensen horen zeggen dat wanneer iemand je slaat en je oog uitslaat, jij zijn oog moet uitslaan. Dat hebben jullie gehoord. Maar Ik zeg: doe dat niet. Als iemand je verwondt, verdraag dat letsel. Je hoeft geen aanklacht in te dienen. Als je zo iemand voor de rechter brengt, iemand die je oog heeft uitgeslagen, dan wordt ook zijn oog uitgeslagen. Maar jij kunt de andere wang toekeren. Het andere oog, bij wijze van spreken. Met andere woorden: je kunt ervan afzien een aanklacht in te dienen. Je kunt afzien van vergelding. En dat is precies wat Paulus zei:

17Vergeld niemand kwaad met kwaad. Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen. 18Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen. 19Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe , Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

Romeinen 12:17-19

Maar in de volgende verzen zei hij dat God die taak van vergelding aan de overheid heeft gegeven. Toen Jezus zei dat je het kwaad niet moest weerstaan, sprak Hij dus niet tegen rechters en politieagenten. Stel je toch eens voor hoe de samenleving eruit zou zien als Jezus dat wel had gedaan. Als Jezus naar alle politieagenten en alle rechters was gegaan en had gezegd: luister, jullie kunnen de rechtbanken net zo goed sluiten; laat de misdadigers maar vrij rondlopen. Dat was niet wat Hij bedoelde.

Jezus wilde dat Zijn discipelen leerden hun vijanden lief te hebben en goed te doen aan degenen die hen vervolgen, en al die dingen. Ze moesten niet denken dat die wet voor hen hetzelfde betekende als voor overheidsfunctionarissen, aan wie ze voorschreef welke straffen passend waren. Oog om oog, tand om tand: dat is zoals een rechter in de wetboeken moet opzoeken welke straf bij een bepaalde misdaad hoort. Daar staat het. Deze man heeft dat gedaan, dus krijgt hij deze straf. Die wet is aan overheidsfunctionarissen gegeven als richtlijn bij het opleggen van straffen. Ze is niet aan particulieren gegeven. Maar in Jezus' tijd hadden particulieren die kennelijk ook als hun eigen gedragsregel overgenomen. Jij doet mij pijn, dan doe ik jou pijn. En Jezus zegt: christenen, dat hoeven jullie niet te doen. Sterker nog, dat moeten jullie niet doen. Doe hen geen pijn terug. Je kunt gekwetst worden zonder iemand terug te hoeven kwetsen. Wreek jezelf niet.

Het is dus heel goed mogelijk de ethiek van de Bergrede te volgen. Je brengt een ander dan geen letsel toe en wreekt jezelf niet voor aangedaan onrecht. Toch kun je net als Paulus in beginsel achter het idee staan dat rechters iemand die een misdaad begaat een rechtvaardige, en geen onrechtvaardige, straf moeten geven. En wat is een rechtvaardige straf? Hoe zouden we dat in vredesnaam kunnen weten zonder ons tot God te wenden? Gods wet: hoewel we niet onder de wet zijn, zegt Paulus:

Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

Romeinen 7:12

Hij heeft het over de Joodse wet. Als de wet dus heilig is en het gebod heilig, rechtvaardig en goed, dan lijkt die wet een goede richtlijn voor overheden. Want zij moeten doen wat rechtvaardig is. Christenen moeten soms van gerechtigheid afzien ten gunste van barmhartigheid. Rechtbanken zijn daar niet toe bevoegd. Daar zijn ze niet voor. De volgende keer behandelen we de rest van hoofdstuk 9.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Genesis 9:1 - 9:7. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.