Genesis 48-50
Jakob zegent zijn zonen en sterft
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/genesis/48-50.pdf?v=5291b771f709. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/genesis/48-50.
Samenvatting
Jakobs laatste zegeningen en Gods soevereiniteit in het leven van Jozef
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt hoe Jakob Efraïm en Manasse als zonen aanneemt en vervolgens profetische zegeningen over zijn twaalf zonen uitspreekt. Hij besteedt bijzondere aandacht aan Juda, uit wiens stam de Messias voortkomt, en aan de beeldspraak over Jozef als iemand die ondanks de vijandschap van zijn broers door God wordt gezegend. Na Jakobs dood en begrafenis behandelt hij Jozefs verzekering aan zijn broers dat hun kwaad door God ten goede is gebruikt. Gregg ziet daarin het centrale thema van Jozefs leven: wie Gods soevereiniteit kent, hoeft door verlies, verraad en lijden niet verbitterd te raken. Tot slot bespreekt hij Jozefs dood en zijn geloof dat God Israël naar Kanaän zal terugbrengen.
Adoptie van Efraïm en Manasse #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Genesis hoofdstuk 48 tot en met 50.
In Genesis hoofdstuk 48 hebben we nog maar drie hoofdstukken te gaan. En voordat Jakob sterft, moeten er in zijn familie nog enkele belangrijke familiezaken worden geregeld. Een daarvan is de adoptie van de twee zonen van Jozef.
Er staat:
1Na deze dingen gebeurde het dat men tegen Jozef zei: Zie, uw vader is ziek! Toen nam hij zijn twee zonen, Manasse en Efraïm, met zich mee. 2Men vertelde Jakob: Zie, uw zoon Jozef komt naar u toe. Israël verzamelde toen zijn krachten en ging op het bed zitten. 3Daarna zei Jakob tegen Jozef: God, de Almachtige, is aan mij verschenen in Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend. 4Hij heeft tegen mij gezegd: Zie, Ik zal u vruchtbaar maken, u talrijk maken, en u tot een menigte van volken maken; en Ik zal dit land aan uw nageslacht na u geven als eeuwig bezit. 5Nu dan, jouw twee zonen, die bij jou in het land Egypte geboren zijn voordat ik bij je in Egypte kwam, zijn van mij; Efraïm en Manasse zijn van mij, net als Ruben en Simeon.
Tussen haakjes, hij noemde Efraïm en Manasse in omgekeerde volgorde.
Natuurlijk waren ze al zijn kleinzonen. Maar wat hij bedoelt, is dat ze zullen zijn zoals Ruben en Simeon zijn: ‘Mijn zonen.’ Hij zei: ‘Ik ga hen als volwaardige zonen adopteren.’ En dit is volledig in hun voordeel, want op deze manier gaat Jakob Jozef een deel van het eerstgeboorterecht geven.
Jozefs dubbele erfdeel in Kanaän #
We weten dat Juda degene is die de geestelijke aspecten van het eerstgeboorterecht ontving, omdat Jezus uit hem voortkwam. Het nageslacht van Abraham door wie alle volken van de aarde gezegend zouden worden, kwam dus voort uit Juda. Maar het eerstgeboorterecht had nog een ander aspect. Dat was uitsluitend aards, niet iets geestelijks. Het was gewoon het gebruikelijke deel van een eerstgeboorterecht, waardoor de oudste zoon een dubbel deel van de erfenis van de vader zou krijgen.
Maar Jakob heeft eigenlijk niets wat hij zijn zonen kan nalaten. Ze hebben vee, maar de grote erfenis is het land Kanaän. Dat is wat hij hier zegt: de Heere verscheen aan mij en zei dat Hij dit land aan jouw nakomelingen geeft als een eeuwig bezit. Het land Kanaän is dus de echte erfenis die hij zijn zonen kan nalaten.
Hoe moesten ze dat onder elkaar verdelen? In de tijd van Jozua hebben ze het inderdaad verdeeld. Elke stam kreeg een deel. Maar omdat de zonen van Jozef volwaardige zonen van Jakob werden, werd Jozef twee stammen in plaats van één. Toen elke stam een deel ontving, kreeg de stam van Jozef daarom twee delen. Hij kreeg het dubbele deel van de erfenis, want Efraïm kreeg een erfdeel en Manasse kreeg een erfdeel.
Zonder deze adoptie zou Jozef één deel van de erfenis hebben gekregen, en dan hadden Efraïm en Manasse dat onder elkaar moeten verdelen. Maar op deze manier worden ze volwaardige stammen. Jozef is dus de zoon die in het land het dubbele deel van de familie-erfenis krijgt.
Anders dan bij Juda is dit slechts een tijdelijke zegen. De Joden hebben het land natuurlijk niet eens meer. Velen van hen bevinden zich in het land, maar hun bezit van het land is niet veiliggesteld. Lange tijd bevonden ze zich zelfs niet in het land. Zoals we hebben gezien, zijn de beloften over het land afhankelijk van gehoorzaamheid. Wat het nageslacht van Jozef erfde, was dus niet noodzakelijk voor altijd veiliggesteld. Maar het nageslacht van Juda is Christus, en dat is vanzelfsprekend een eeuwig voordeel.
Nu zegt hij:
6Maar je nakomelingen die je na hen zult verwekken, zullen van jou zijn. Bij het ontvangen van hun erfelijk bezit zullen zij onder de naam van hun broers gerekend worden. 7Wat mij betreft, toen ik uit Paddan kwam, is Rachel onderweg in het land Kanaän onder mijn ogen gestorven, terwijl het nog maar een kleine afstand was om bij Efrath te komen. Ik heb haar daar begraven, langs de weg naar Efrath, het tegenwoordige Bethlehem.
Paddan is een verkorte vorm van Paddan-Aram.
Daarna zag Israël de zonen van Jozef en zei:
8Toen zag Israël de zonen van Jozef en zei: Wie zijn dat? 9Jozef zei tegen zijn vader: Dat zijn mijn zonen, die God mij hier gegeven heeft. En hij zei: Breng hen toch bij mij, dan zal ik hen zegenen.
En Jozef zei tegen zijn vader:
Dat zijn mijn zonen, die God me hier heeft gegeven.
Het formele adoptieritueel #
Deze vraag is duidelijk niet bedoeld om informatie te verkrijgen. Het lijkt erop dat hiermee een soort adoptieritueel begint. Het begint met het stellen van deze vraag en het geven van deze antwoorden, enzovoort. Het is niet zo dat hij opeens zegt: ‘Wacht eens, wie zijn deze kinderen hier?’ Hij heeft het al over hen gehad als zijn eigen zonen. Maar in vers 8 lijkt er een soort formeel adoptieritueel plaats te vinden, en dat begint ermee dat hij zegt: ‘Wie zijn dit?’
Het is net als wanneer de voorganger tijdens een bruiloft zegt: ‘Wie geeft deze vrouw ten huwelijk aan deze man?’ Hij kent het antwoord al, maar het maakt deel uit van het ritueel. Je stelt de vraag, krijgt het antwoord, enzovoort.
Jozef zei dus tegen zijn vader:
9Jozef zei tegen zijn vader: Dat zijn mijn zonen, die God mij hier gegeven heeft. En hij zei: Breng hen toch bij mij, dan zal ik hen zegenen. 10De ogen van Israël waren echter zwak van ouderdom; hij kon niet goed meer zien. Hij liet hen dichter bij zich komen; toen kuste hij hen en omhelsde hen. 11En Israël zei tegen Jozef: Ik had niet gedacht je gezicht ooit nog te zien, maar zie, God heeft mij zelfs je nageslacht laten zien.
Dit was waarschijnlijk voordat hij blind werd. Hij woont nu al zeventien jaar in Egypte en is weer met Jozef verenigd. Waarschijnlijk werd hij dus pas blind nadat hij naar Egypte was gekomen. Hij heeft Jozef en zijn nakomelingen dan ook gezien voordat hij blind werd.
12Toen liet Jozef hen bij Jakobs knieën weggaan, en hij boog zich met zijn gezicht ter aarde. 13Daarna nam Jozef hen beiden: Efraïm aan zijn rechterhand — voor Israël was dat links — en Manasse aan zijn linkerhand — voor Israël was dat rechts. Zo liet hij hen dichter bij hem komen.
Efraïm hield hij met zijn rechterhand naar Israëls linkerhand, en Manasse, de oudste, met zijn linkerhand naar Israëls rechterhand. Zo bracht hij hen dichterbij. Als je tegenover iemand staat, bevindt jouw rechterhand zich natuurlijk tegenover diens linkerhand, enzovoort. Jakob zou zijn handen op deze jongens leggen en hen zegenen. De rechterhand zou de hand van voorkeur zijn. Daarom bracht Jozef zijn zonen naar voren en zette hen zo neer dat, wanneer Jakob zijn handen op hen legde, zijn rechterhand op Manasse zou rusten. Hij was de oudste zoon en hoorde de voorkeurszegen te ontvangen. Efraïm zou onder zijn linkerhand staan. Zo staan ze hier opgesteld.
Efraïm wordt boven Manasse gesteld #
Toen strekte Israël zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, die de jongste was, en zijn linkerhand op het hoofd van Manasse. Hij plaatste zijn handen bewust zo, want Manasse was de eerstgeborene. Hij moest zijn armen werkelijk kruisen om deze zegen te geven. En hij zegende Jozef en zei:
15En hij zegende Jozef en zei: De God voor Wiens aangezicht mijn vaderen, Abraham en Izak, gewandeld hebben, de God Die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag, 16de Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens, zodat door hen mijn naam genoemd zal blijven, en de naam van mijn vaderen Abraham en Izak en zij in het midden van het land in menigte zullen toenemen.
Toen Jozef zag dat zijn vader zijn rechterhand op het hoofd van Efraïm legde, mishaagde hem dat. Daarom pakte hij de hand van zijn vader vast om die van het hoofd van Efraïm naar het hoofd van Manasse te verplaatsen. En Jozef zei tegen zijn vader:
Jozef zei tegen zijn vader: Niet zó, mijn vader, want dit is de eerstgeborene. Leg uw rechterhand op zijn hoofd.
Maar zijn vader weigerde en zei:
Maar zijn vader weigerde het en zei: Ik weet het, mijn zoon, ik weet het. Ook hij zal tot een volk worden, ook hij zal aanzien krijgen; maar toch zal zijn jongste broer meer aanzien krijgen dan hij, en zijn nageslacht zal tot een grote menigte van volken worden.
Zo zegende hij hen die dag en zei:
Zo zegende hij hen op die dag; hij zei: Israël zal met jullie naam zegenen door te zeggen: Moge God u maken als Efraïm en als Manasse. Zo plaatste hij Efraïm vóór Manasse.
Zo stelde hij Efraïm boven Manasse. Dat wil zeggen, de mensen zullen niet zeggen:
Moge God je zegenen zoals Hij Manasse en Efraïm heeft gezegend, wat normaal zou zijn. Hij zegt:
„Moge God je zegenen zoals Hij Efraïm en Manasse heeft gezegend”,
en daarmee plaatst hij Efraïm, de jongste zoon, voorop.
Toen zei Israël tegen Jozef:
En ík geef jou één deel meer dan je broers, een bergrug, die ik met mijn zwaard en mijn boog uit de hand van de Amorieten heb genomen.
Sichem, Efraïm en de Samaritanen #
Zoals ik het begrijp, is het niet helemaal duidelijk over welk specifieke stuk grond hij het heeft. We lezen namelijk nergens dat Jakob ooit ten strijde trok en door oorlog grondgebied verwierf. Velen denken echter dat dit een verwijzing is naar de stad Sichem, die veroverd was door Simeon en Levi. Naar hen zou hij kunnen verwijzen als zijn zwaard en zijn boog. Dit bezit was van de Sichemieten afgenomen en was kennelijk het eigendom van Jakob geworden, al hebben we daar niet veel over gelezen. Misschien verwijst hij daar hier naar.
Het was in de buurt van Sichem dat Jezus de vrouw bij de put ontmoette, en zij bevond zich bij de put van Jakob. Toen Jezus zei:
Jezus antwoordde en zei tegen haar: Als u de gave van God kende, en wist Wie Hij is Die tegen u zegt: Geef Mij te drinken, u zou het Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water gegeven hebben.
zei zij:
De vrouw zei tegen Hem: Heere, U hebt geen emmer en de put is diep; waar hebt U dan het levende water vandaan?
Hun voorouders waren Efraïmieten, nakomelingen van Jozef. Hier staat dat Efraïm de vader van vele volken zou worden, of dat hij vele volken zal worden. Toen het volk Israël in de dagen van Rehabeam, na de dood van Salomo, verdeeld raakte, nam Rehabeam na Salomo de troon van David over. Rehabeam was een dwaze jonge koning, en door zijn dwaasheid verdeelde hij het volk. Het viel in tweeën uiteen en zou nooit meer herenigd worden.
Het zuidelijke koninkrijk bleef trouw aan het huis van David en werd Juda genoemd. Het bestond eigenlijk uit twee stammen, Juda en Benjamin. Maar omdat Juda zo veel groter was, werd het volk dat de stam Juda en de stam Benjamin omvatte, het volk Juda genoemd. Het noordelijke koninkrijk telde tien stammen, maar Efraïm was daarvan de grootste. Daarom werd het noordelijke koninkrijk soms Israël genoemd en soms eenvoudigweg Efraïm.
Maar de Efraïmieten, oftewel het volk Israël in het noorden, gingen uiteindelijk in ballingschap en keerden nooit terug. Toen de Assyriërs dat noordelijke volk veroverden, trouwden de mensen uiteindelijk met de heidenen, en zij werden vele volken. Hun bloed raakte vermengd met het bloed van vele volken. Sommigen in dat gebied, die halfbloed Efraïmieten en heidenen waren, werden in de tijd van Jezus Samaritanen genoemd.
De vrouw bij de put was een Samaritaanse. Daarom voerde ze haar afkomst, ten minste gedeeltelijk, terug op Efraïm en op Jozef, al had ze ook veel heidens bloed in zich, zoals heel haar volk dat had. Maar het punt is dat de put waar Jezus haar ontmoette in de buurt van Sichar, of Sichem, lag. Het was een put waarvan zij zei dat Jakob die aan hun voorouders had gegeven. Bij deze gelegenheid gaf Jakob dit bezit kennelijk aan de nakomelingen van Jozef. Het was blijven bestaan en werd in die tijd nog altijd de put van Jakob genoemd. Kennelijk was dit het bezit waarnaar hij verwees, dat met geweld was verworven.
Inleiding op Jakobs profetische zegeningen #
Nu Efraïm en Manasse verheven zijn tot de status van zonen in plaats van kleinzonen van Jakob, zal hij vervolgens zijn zegeningen aan de andere zonen uitdelen. Daar gaat hoofdstuk 49 bijna helemaal over, tot en met vers 27.
Wanneer je deze 27 verzen leest, denk je: „Ik kan niet wachten tot Steve ze uitlegt, want ik weet niet wat ze betekenen.” Ik wil je maar meteen zeggen dat ik van veel daarvan ook niet weet wat het betekent. Van sommige weten we eenvoudigweg niet wat ze betekenen. Dat komt deels doordat de latere specifieke gaven aan deze stammen en hun afzonderlijke geschiedenissen als stammen niet goed gedocumenteerd zijn. We hebben natuurlijk wel documentatie in de boeken Koningen enzovoort over veel van wat er in Israël en Juda gebeurde. Maar we hebben niet erg veel informatie over wat er specifiek gaande was met de stam Issaschar, Zebulon, Naftali of enkele van die andere stammen. Daarom beschikken we niet echt over de historische verslagen die ons veel over sommige van deze mannen kunnen vertellen.
Sommige zegeningen zijn nogal kort en raadselachtig. Het is enigszins moeilijk om precies te weten wat ze betekenen. Ze gebruiken symbolische of dichterlijke taal. Misschien konden de mensen van die stammen op een later tijdstip, wellicht zelfs in de tijd van Mozes, zeggen: „O, we zien hoe dat bij deze of gene stam in vervulling is gegaan.” Maar wij hebben die informatie niet. Daarom zal het in sommige gevallen frustrerend zijn wanneer we dit lezen en zeggen: „Nou, dit is wat hij zei, maar ik weet niet wat het betekent. Ik weet niet wat er gebeurd is.” Er is iets gebeurd. Deze uitspraken zijn profetisch, en in sommige gevallen kunnen we heel gemakkelijk zien wat ze betekenen. Maar over een deel hiervan zul je eenvoudigweg met enige onwetendheid moeten leven.
Jakob riep zijn zonen bij zich en zei:
Daarop riep Jakob zijn zonen en zei: Verzamel jullie, dan maak ik jullie bekend wat jullie in later tijd overkomen zal.
Dit is zijn patriarchale zegen, maar de patriarchale zegeningen waren vaak voorspellende profetieën. Misschien was dat niet zo bij andere families, maar wel bij deze familie. Abram was een profeet. Izak en Jakob werden kennelijk als profeten beschouwd. Aangezien God met hen sprak, neem ik aan dat dit hen tot profeten maakt, en dus waren zij in staat te profeteren.
De betekenis van de laatste dagen #
Wanneer er in de Engelse brontekst staat „in de laatste dagen” — door de HSV hierboven weergegeven als „in later tijd” — zijn er natuurlijk veel mensen, vooral moderne aanhangers van de bedelingenleer, die zouden zeggen: „Dit gaat over de moderne tijd. Wij leven in de laatste dagen, dus hij zegt dat dit in onze tijd met Israël zou gebeuren.” Aan de andere kant is er geen reden om er zeker van te zijn dat wij leven in een periode die met recht „de laatste dagen” genoemd zou kunnen worden, behalve misschien de laatste dagen van de Amerikaanse manier van leven. Maar dat betekent niet de laatste dagen van de wereld.
Soms denken we dat het einde van de Amerikaanse manier van leven hetzelfde is als het einde van de wereld. Maar waarschijnlijk dachten ze dat ook toen het Romeinse Rijk viel: „Dat is het einde van de wereld.” Maar dat was het niet. Toen Engeland zijn grote bloeitijd beleefde, daarna aan betekenis verloor en nog maar een bescheiden rol speelde, dachten sommige Engelsen waarschijnlijk: „Het is het einde van de wereld.” Maar dat was het niet.
Wanneer onze eigen samenleving achteruit begint te gaan, beginnen we te denken: „Dit moet wel het einde van de wereld zijn, want wij zijn de wereld.” We zijn nogal provinciaal ingesteld. We doen alsof wij de hele wereld zijn, en dat is echt niet zo. Zelfs als we in een tijd van verval voor ons eigen land leven, zegt dat ons niet echt veel over de vraag of we aan het einde van de wereld leven. In sommige landen worden bepaalde dingen beter. Daarom denk ik niet noodzakelijkerwijs dat we goede redenen hebben om te zeggen dat we in de laatste dagen leven, als we daarmee het einde van de wereld bedoelen.
Wanneer hij hier zegt:
de laatste dagen, dan moeten we begrijpen dat hij de latere dagen bedoelt, oftewel tijden in de toekomst. Deze dagen waarover hij spreekt, hoeven niet het einde van de wereld te betekenen. Het kan eenvoudigweg gaan om tijden die veel later liggen dan hun eigen tijd. Het is een veelgebruikte uitdrukking van de profeten, en die verwees vaak naar dingen die niet het einde van de wereld waren.
Zo zegt Petrus op de dag van Pinksteren:
Maar dit is wat gesproken is door de profeet Joël:
die zei:
En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen.
Petrus zei: „Dit is het. Dit zijn de laatste dagen.” Maar het was niet het einde van de wereld. Wanneer de profeten daarover spreken, betekent het vaak eenvoudigweg: dagen die vanaf nu nog ver in de toekomst liggen. Zo wordt de toekomst van deze stammen in zekere zin in deze profetieën samengevat of voorspeld.
Ruben verliest zijn eerstgeboorterecht #
Kom bijeen en luister, zonen van Jakob, luister naar Israël, jullie vader.
Ruben, jij bent mijn eerstgeborene, mijn kracht en de eerste vrucht van mijn mannelijkheid, de voortreffelijkste in hoogheid en de voortreffelijkste in sterkte.
Of dat had je tenminste moeten zijn.
Onstuimig als het water als je bent , zul je niet de voortreffelijkste zijn, want je bent het bed van je vader ingeklommen, en toen heb je het geschonden. Hij is mijn sponde ingeklommen!
Dan zegt hij tegen degenen om hem heen:
Hij klom op mijn bed.
„Kun je het geloven? Kun je geloven dat die jongen dat gedaan heeft?” Het is alsof hij zijn profetie onderbreekt om te zeggen: „Kunnen jullie mannen dit geloven? Hebben jullie gehoord wat hij gedaan heeft?”
Het is interessant dat dit veel eerder was gebeurd, jaren eerder. We weten dat Ruben met Bilha, de bijvrouw, had geslapen. En Israël hoorde ervan, zo staat er, maar deed er niets aan. Misschien liet hij daarna in het algemeen merken dat hij Ruben niet meer zo gunstig gezind was, en misschien merkte Ruben wel dat zijn vader niet blij was. Maar over het algemeen volgde er geen straf. Het was overspel. Het was incest. Zelfs in die samenleving van vóór de wet stond daarop de doodstraf, maar hij leek ermee weg te komen. Dit vertelt ons dat er vaak niet onmiddellijk iets gebeurt wanneer je iets zondigs doet, en dat het lijkt alsof je ermee bent weggekomen. Soms wordt de straf eenvoudigweg uitgesteld tot het juiste moment.
Jakob wist dat zijn zoon dit had gedaan en liet de straf pas bijna met zijn laatste ademtocht op hem neerkomen. Hij zei:
Je ligt eruit. Je zou de sterkste en voortreffelijkste zijn geweest, maar je bent wankel. Je bent zo onstabiel als water.
Als je zomaar met Bilha gaat slapen, moet je wel een zeer onstabiel mens zijn. Niemand die bij zijn volle verstand is, zou zoiets doen. Zoals ik al zei, het was niet alleen een kwestie van lust. De vrouw was veel ouder dan hij. Ze was oud genoeg om zijn moeder te zijn. Er waren heel wat vrouwen. Ze hadden alle vrouwen van Sichem als slaven meegenomen, en die waren beschikbaar om tot vrouw genomen te worden. Het was niet zo dat hij geen vrouwen om zich heen had. Hij werd niet alleen door lust gedreven. Hij deed iets impulsiefs en doms, en daardoor verloor hij voorgoed zijn eerstgeboorterecht, dat anders van hem zou zijn geweest.
Er is een vers in Prediker waaraan ik altijd denk wanneer ik zo aan Ruben denk. In Prediker hoofdstuk 8, de verzen 11 en 12:
Er staat:
11Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen. 12Hoewel een zondaar honderd maal kwaaddoet, verlengt God zijn dagen . Toch weet ik dat het goed zal gaan met hen die God vrezen, die voor Zijn aangezicht vrezen.
Uiteindelijk zal het de goddeloze niet goedgaan, maar het vonnis wordt niet altijd onmiddellijk voltrokken.
Je doet iets slechts, iets waarvan je hebt gehoord dat je ervoor in de problemen hoort te komen, en je komt niet in de problemen. Je zegt: „Moet je nou eens zien. Ik kan zoiets doen en ermee wegkomen.” Omdat het vonnis niet snel wordt voltrokken, denken ze: „Waarom niet? De eerste keer dat ik het deed, was ik bang. Ik dacht dat de straf op me zou neerkomen. Er gebeurde niets, dus deed ik het opnieuw, en nog steeds gebeurde er niets. Ik kan nu in zonde leven, want er zijn geen gevolgen.”
Salomo zegt dat dit niet werkelijk waar is. Er zijn gevolgen. Ze komen alleen niet onmiddellijk. Dat ontdekte Ruben. Hij deed iets werkelijk goddeloos en slechts, maar hij leek ermee weg te komen. We weten niet of hij die specifieke daad ooit heeft herhaald, maar waarschijnlijk dacht hij de rest van zijn leven: „Hier ben ik zonder straf vanaf gekomen.” Toen ontdekte hij uiteindelijk dat er wel een straf was. Er was een prijs die hij moest betalen, maar die kwam pas veel later.
Simeon en Levi vervloekt om hun geweld #
Hetzelfde geldt voor Simeon en Levi. Zij worden samen behandeld. Zij zijn de tweede en de derde zoon.
Simeon en Levi zijn broers, hun wapens zijn werktuigen van geweld.
Natuurlijk zijn ze broers. Dat spreekt vanzelf. Wat hij bedoelt, is dat ze op elkaar lijken. Wanneer iemand in een Hebreeuwse uitdrukking de broer van iemand anders wordt genoemd, betekent dat soms dat hij op die ander lijkt. Daarom staat er in Spreuken dat een luiaard een broer is van iemand die verkwist. Het betekent dat er in hun gedrag een gelijkenis is, als het ware een familiegelijkenis. Wanneer hij zegt dat Simeon en Levi broers zijn, betekent dat meer dan alleen dat ze broers van elkaar zijn. Ze zijn twee handen op één buik, zouden wij zeggen.
Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen, en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen; want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen; en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
Ze krijgen overduidelijk niet het eerstgeboorterecht.
Wanneer je in die tijd een volk overwon, sneed je gewoonlijk de pezen van hun paarden door. De paarden vormden hun militaire uitrusting. Het waren hun militaire voertuigen. Om de paarden kreupel te maken, sneden ze de pees aan de achterkant van hun been door, zodat ze onbruikbaar werden. Wanneer je je vijanden overwon, sneed je de pezen van hun paarden door, zodat ze niet tegen je in opstand konden komen en wraak konden nemen. Want zonder hun paarden konden ze niet vechten.
De pezen van een os doorsnijden lijkt niets anders te zijn dan een wrede daad, een daad van zinloze vernietiging. Het kan figuurlijk bedoeld zijn. In het eerdere verhaal over Sichem lezen we niet dat ze de pezen van een os doorsneden of iets dergelijks met het vee daar deden. Misschien gebruikt hij het figuurlijk: ze hebben een daad begaan die net zo zinloos wreed is als wanneer iemand de pezen van een os zou doorsnijden. Dat is heel goed mogelijk wat hier wordt bedoeld.
Hij vervloekt hun woede. Er rust geen zegen op deze mannen. Dit is het moment van de aartsvaderlijke zegen, en hij zegt:
Vervloekt zij hun woede, want die is hevig, en hun verbolgenheid, want die is hard. Ik zal hen verdelen over Jakob en hen verspreiden in Israël.
Juda ontvangt heerschappij #
Ze worden duidelijk overgeslagen. De eerste drie zonen, Ruben, Simeon en Levi, hebben zich door hun eigen slechte gedrag allemaal ongeschikt gemaakt om het eerstgeboorterecht te ontvangen. Daardoor is Juda de volgende in de lijn, en het is duidelijk dat Jakob Juda erkent als degene die het eerstgeboorterecht ontvangt.
Juda, jij bent het, jou zullen je broers loven! Je hand zal rusten op de nek van je vijanden; voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
Dit is duidelijk een woordspeling, want Juda betekent lof. Je broers zullen je prijzen, maar dat betekent ook dat je de hoogste positie zult innemen, of dat je broers tegen je zullen opzien.
Dit is het soort zegen dat Jakob van zijn vader ontving:
Volken zullen je dienen, naties zullen zich voor je buigen. Wees heerser over je broers, de zonen van je moeder zullen zich voor je buigen. Vervloekt moet zijn wie jou vervloekt, en gezegend wie jou zegent!
enzovoort. Dit is dus duidelijk een zegen van het eerstgeboorterecht.
Juda is een leeuwenwelp; van je prooi ben je opgestaan, mijn zoon. Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd, als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
Het is niet duidelijk wat deze beeldspraak precies betekent. In sommige van deze andere zegeningen komt soortgelijke beeldspraak met dieren voor, en het is niet altijd duidelijk wat die betekent. Maar een leeuw werd in die tijd, net als nu, beslist beschouwd als een heel koninklijk dier, een heel statig dier, een dier dat eigenlijk geen natuurlijke vijanden had. Het kon gewoon trots rondlopen, op zijn gemak gaan liggen, weer opstaan en doen wat het wilde, omdat niemand leeuwen echt aanvalt.
Dat is natuurlijk niet helemaal waar, want er zijn bepaalde soorten wilde dieren die af en toe leeuwen aanvallen. Hyena’s doen dat. Afrikaanse wilde honden in Zuid-Afrika doen dat. Maar over het algemeen zijn leeuwen onkwetsbaar. Ze zijn nergens bang voor. Bijna alles, zelfs olifanten, laat ze met rust. Misschien zegt hij dus eenvoudigweg dat Juda, net als een leeuw, deze koninklijke waardigheid heeft en dat de mensen hem zullen respecteren.
De scepter van Juda en de Messias #
Dan zegt hij in vers 10 iets heel belangrijks:
De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen.
Een scepter is een sierlijke staf die in de hand van een koning zijn koninklijke status vertegenwoordigt. In sommige landen die nog altijd koningen hebben, hebben die koningen hun scepter, ook al zijn ze slechts symbolische staatshoofden. Ze bewaren hem in een kluis, ergens in een beveiligde ruimte, omdat het bezit van de scepter het recht vertegenwoordigt om koning of koningin te zijn. Het is dus een symbolisch voorwerp, een bezit dat een koning in eigendom heeft. Als hij hem heeft, is dat vergelijkbaar met het bezit van die terafim in Labans huis. Je hebt het voor het zeggen als je de scepter hebt.
Er staat:
De scepter zal Juda niet worden afgenomen, en de wetgever zal niet van tussen zijn voeten verdwijnen.
‘Tussen zijn voeten’ verwijst naar zijn nakomelingen, zijn kinderen die uit hem voortkomen.
Dit wordt algemeen erkend als een profetie over de Messias, en ik geloof dat het terecht zo wordt opgevat. De Messias kwam uit Juda, en daar wordt hier op gezinspeeld. Hij zegt dat de scepter niet van Juda zal wijken totdat Silo komt. Silo betekent: ‘Hij aan wie hij rechtmatig toebehoort.’ Dat is wat volgens de meeste geleerden het woord Silo betekent: de rechtmatige eigenaar. Met andere woorden, Silo betekent de rechtmatige eigenaar, Degene aan Wie hij toebehoort.
De scepter van het koningschap over Israël zal dus aan de stam Juda worden toevertrouwd, en hij zal daar blijven totdat de uiteindelijke Heerser komt, Degene aan Wie de scepter toebehoort, de Messias. Tot Hem zullen de volken zich verzamelen. De volken zullen zich bij Hem verzamelen of Hem gehoorzamen. De King James zegt ‘the gathering’. De New King James zegt ‘the obedience of the people’. Het punt is dat wanneer Silo komt, de mensen Hem zullen gehoorzamen. Hij is de Heere. Hij is Jezus. Hij is Degene aan Wie de scepter toebehoort. Hij is Degene aan Wie alle macht in hemel en op aarde is gegeven. Daar wordt hier dus naar verwezen.
De profetische betekenis van ‘totdat’ #
Ik wil erop wijzen dat het woord ‘totdat’ hier op dezelfde manier functioneert als op enkele andere plaatsen die belangrijk zijn om op te merken. Ik heb het in een eerdere passage in Genesis gezien. Ik weet nu niet meer waar het stond, maar ik stond toen op het punt er iets over te zeggen. Ik zal er nu iets over zeggen.
Dit betekent niet dat de scepter in de stam Juda zal blijven totdat Silo komt, en daarna naar een andere stam zal gaan. Het betekent: totdat de uiteindelijke Koning van Juda komt. Natuurlijk zal de scepter dan bij Juda blijven. Maar ‘totdat’ betekent niet dat dit een tijdsduur is die op dat moment ten einde zal komen. Het betekent dat er een einddoel wordt verwacht, en totdat dat wordt bereikt, zal de scepter in de familie blijven. Wanneer dat einddoel er is, zal hij nog steeds in de familie blijven. Maar dat einddoel is het punt waar het visioen ophoudt.
De reden waarom ik dit ter sprake breng, is dat er verzen in het Nieuwe Testament staan die mensen volgens mij verkeerd begrijpen en die het woord ‘totdat’ ook op die manier gebruiken. Ik wou dat ik me kon herinneren wat het eerdere geval in Genesis was. Als je ‘totdat’ opzoekt, zul je het vinden, want het stond maar een paar hoofdstukken terug. Ik stond op het punt hier iets over te zeggen, maar het was iets soortgelijks, waar staat dat dit of dat zal gebeuren totdat er iets gebeurt. Het is duidelijk dat dit niet betekent dat het daarna op dat moment zal ophouden. Het betekent dat dit het doel is waarnaar wordt uitgekeken, en dat er tot die tijd geen onderbreking in deze toestand zal zijn. Maar ook dan zal er geen onderbreking zijn. Het is alleen zo dat op dat moment de vervulling zal plaatsvinden.
In het Nieuwe Testament vind je zulke uitspraken in Mattheüs — of, ik moet zeggen, in Lukas 21 — waar Jezus zei:
En zij zullen vallen door de scherpte van het zwaard en in gevangenschap weggevoerd worden onder alle heidenen. En Jeruzalem zal door de heidenen vertrapt worden, totdat de tijden van de heidenen vervuld zullen zijn.
Sommige mensen zeggen dat dit betekent dat Jeruzalem, nadat de tijden van de heidenen vervuld zijn, niet langer vertrapt zal worden, omdat Hij zei dat dit alleen tot dan toe zal gebeuren. Maar als het vervuld worden van de tijden van de heidenen in wezen het uiteindelijke doel is waar God naar uitziet, zegt Hij eenvoudig dat deze toestand in Israël ononderbroken zal voortduren totdat Gods plan volledig vervuld is. Ze zullen de hele tijd, in wezen tot het einde, door de heidenen vertrapt worden. Het suggereert niet dat ze daarna niet meer vertrapt zullen worden. Het woord ‘totdat’ heeft hier een andere betekenis.
Zo staat er ook in Romeinen 11, vers 25, dat er voor een deel verharding over Israël is gekomen, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan.
Ik weet niet of ik het zo heb geciteerd of anders, maar mensen zeggen: ‘Zie je wel, gedeeltelijke blindheid is Israël slechts overkomen totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan’, en dan verwachten ze dat er iets anders gebeurt. Maar het binnengaan van de volheid van de heidenen is de volheid van Gods plan, de vervulling van alle beloften. Met andere woorden, totdat Gods doeleinden volledig vervuld zijn, zal deze blindheid deel blijven uitmaken van het verschijnsel. Een deel van Israël zal de hele tijd blind blijven. Het suggereert niet dat er daarna iets zal veranderen.
Wanneer er staat:
De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen.
betekent dat niet dat de scepter daarna wel van Juda zal wijken, want dat zou suggereren dat de Messias niet uit de stam Juda zal zijn. Wanneer Silo komt, zou Hij volgens die uitleg de scepter van de stam Juda afnemen en die voortaan in plaats van de stam bezitten. Maar dat betekent het niet. Het betekent dat Silo komt. Degene Die de scepter werkelijk verdient, komt, en Hij komt uit de stam Juda. Totdat Hij komt, zal de stam Juda daar de rentmeester van zijn. Zij zullen de scepter behouden totdat Hij komt. Natuurlijk zullen zij hem zelfs wanneer Hij komt nog steeds in Hem hebben, want Hij is uit de stam Juda.
De Leeuw van Juda en zijn voorspoed #
In Openbaring wordt naar Jezus verwezen als:
En een van de ouderlingen zei tegen mij: Huil niet. Zie, de Leeuw Die uit de stam van Juda is, de Wortel van David, heeft overwonnen om de boekrol te openen en zijn zeven zegels te verbreken.
Daarmee wordt kennelijk beeldspraak ontleend aan deze profetie, waarin Hij met een leeuw wordt vergeleken. Juda is als een leeuw. Dat is de enige andere plaats waaraan we dat idee zouden kunnen ontlenen. Later, toen de kampen van Israël in de woestijn als afzonderlijke stammen verder trokken, waren ze echter ingedeeld in groepen van vier, met de Levieten en Mozes en Aäron voorop. Het punt is dat ze in groepen waren ingedeeld en dat er standaarden waren. Volgens de Joodse overlevering waren er standaarden, banieren die door deze verschillende groepen werden meegedragen. De banier van Juda was die van een leeuw. Ook dat komt ongetwijfeld voort uit deze uitspraak dat Juda een leeuw is.
De Messias zou uit Juda komen. In vers 11 staat:
11Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok; hij wast zijn kleren in wijn en zijn gewaad in druivenbloed. 12Zijn ogen zijn donker door de wijn en zijn tanden wit door de melk.
Wat betekent dit allemaal? Het zou iets heel esoterisch en mystieks kunnen betekenen, maar ik denk dat het waarschijnlijk alleen maar betekent dat hier de beeldspraak van die tijd wordt gebruikt om over grote voorspoed te spreken. Er staat:
hij bindt zijn ezel aan de wijnstok.
Een wijnstok is gewoonlijk geen erg stevige plant. Een wijnstok is een nogal slappe plant. Elders zegt de Bijbel dat je van het hout van een wijnstok niet eens een pin maakt om iets aan op te hangen. Het hout is nergens bruikbaar voor, omdat het een slappe plant is. Een ezel is een sterk dier. Je wilt hem aan iets stevigs vastbinden, zoals een boom. Maar hij zegt dat Juda zijn ezel aan een wijnstok zal kunnen vastbinden, wat suggereert dat zijn wijnstokken sterk zullen zijn. Zijn wijnstokken zullen groot en sterk zijn, sterk genoeg om er een ezel aan vast te binden, iets wat je normaal gesproken niet zou doen. Dit is waarschijnlijk niet letterlijk bedoeld. Het zegt dat hij sterke, gezonde wijngaarden zal hebben.
Zijn tanden zullen wit zijn van de melk en zijn ogen donker van de wijn. Hij zal veel melk hebben — met andere woorden, veel koeien — veel vee en veel wijn. Voor een agrarisch volk zijn dat eenvoudigweg de symbolen van voorspoed. Hij geeft Juda dus heerschappij over zijn broers, vermaakt hem voorspoed en voorspelt de komst van de Messias. Dit zijn onderdelen van de zegen die aan Juda wordt gegeven.
De zegeningen van Zebulon, Issaschar en Dan #
Zebulon daarentegen komt er in vers 13 bekaaid vanaf:
Zebulon zal aan de zeekust wonen, ja, hij zal wonen aan de kust, bij de schepen, en zijn zijde zal naar Sidon gericht zijn.
Voor zover ik het begrijp, kreeg Zebulon geen gebied dat aan de Middellandse Zee grensde. Ik kijk nu niet op de kaart, maar volgens mij grensde Zebulon aan het Meer van Galilea. Laat ik eens kijken of ik een kaart heb waarop de grenzen tussen de stammen staan. Ik neem aan dat deze kaart ze niet aangeeft. Sommigen van jullie hebben misschien zo’n kaart, maar we weten wel dat Zebulon en Naftali allebei in het gebied lagen waar Jezus Zijn bediening begon. Daarover staat namelijk een profetie in Jesaja, hoofdstuk 9, vers 1. Er staat over het land van Zebulon en Naftali:
Zij die in duisternis zaten, hebben een groot licht gezien.
Vervolgens haalt Mattheüs dat aan in Mattheüs, hoofdstuk 4, en past hij het toe op de bediening van Jezus in die streken. We hebben het hier dus ongetwijfeld over het gebied rond het Meer van Galilea.
Daar staat niet veel informatie.
14Issaschar is een ezel met sterke beenderen, die tussen twee lasten ligt. 15Toen hij de rust zag dat die goed was, en het land dat het lieflijk was, boog hij zijn schouders om te dragen en verrichtte hij slaafse herendienst.
Er is niet veel bekend over de precieze vervulling hiervan. Blijkbaar raakte hij uiteindelijk tevreden met zijn erfdeel. Hij was zelfs zo tevreden dat hij zijn waakzaamheid liet verslappen en een groep slaven werd. Dat is uiteindelijk zeker met alle noordelijke stammen gebeurd, waaronder Zebulon en Issaschar en die mensen, ten tijde van de Assyrische invasie. Misschien ziet dit zo ver vooruit, of misschien ook niet. Misschien ziet het vooruit naar een van die cyclussen in het boek Richteren, waarin vijanden binnenvielen en Israël gevangennamen, onderwierpen en onderdrukten. Er zijn zoveel situaties die uiteindelijk de vervulling hiervan zouden kunnen zijn, dat het gewoon moeilijk is om één bepaalde situatie met zekerheid aan te wijzen.
Vers 16:
Dan zal over zijn volk rechtspreken, als een van de stammen van Israël.
De naam Dan betekent ‘oordelen’, dus daar zit een woordspeling in. Er staat:
Dan zal een slang zijn op de weg, een adder op het pad, die in de hielen van het paard bijt, zodat zijn berijder achterovervalt.
Dan zegt hij:
Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!
Dit is erg raadselachtig, want we weten niet goed wat hiermee zou overeenkomen. Dan was de noordelijkste stam. Simson kwam uit de stam Dan, en sommige mensen denken dat hij misschien een vervulling hiervan is. Er staat dat Dan zijn volk zal oordelen. Simson was een richter en hij kwam uit de stam Dan, maar hij was slechts een van de vele richters, en de meeste richters kwamen niet uit Dan. Misschien is de enige aanspraak op roem van de stam Dan dat die ene beroemde man, die een richter was, uit die stam kwam.
Maar wanneer er staat dat hij als een adder zal zijn, een slang die het paard in de hielen bijt zodat de ruiter achterovervalt, verwijst dit duidelijk naar een vorm van verraad of naar hinderlaagtactieken waarmee hij zijn vijanden schade toebrengt. Maar we weten niet precies wat daarmee bedoeld wordt, omdat de details ons niet bekend zijn. Hij zegt:
Dan en speculaties over de antichrist #
Ik heb op Uw redding gewacht, Heer.
Sommigen, vooral aanhangers van de bedelingenleer, hebben gezegd dat Jakob hier plotseling zijn betoog onderbreekt en zoiets zegt als:
‘Ik heb op Uw redding gewacht, Heer.’ Volgens hen zei Jakob dit omdat hij, terwijl hij zich richtte op de toekomst van de stam Dan, besefte dat de antichrist uit Dan zou voortkomen. Daarom roept Jakob wanhopig uit:
Heer, ik heb op Uw redding gewacht.
Dat is behoorlijk vergezocht, maar je zult het op veel plaatsen horen. Een van de kerkvaders zei dat de antichrist uit de stam Dan zal voortkomen. Ik weet niet meer of het Tertullianus was of een andere kerkvader die dat zei. Ze zeiden zelfs dat dit de reden is waarom de stam Dan wordt weggelaten in Openbaring, hoofdstuk 7, wanneer de 144.000 worden opgesomd, er 12.000 uit elk van de twaalf stammen zijn en de stammen bij name genoemd worden. Zij zeggen: ‘Zie je wel, er zullen geen 12.000 uit de stam Dan zijn, omdat de antichrist uit Dan voortkomt.’
Het probleem met dit alles is dat de antichrist nergens in de Bijbel in verband wordt gebracht met de stam Dan. Er zijn zelfs niet veel plaatsen in de Bijbel die überhaupt over de antichrist spreken, maar de plaatsen waar dat wel gebeurt, vertellen ons niets over een verband met een stam. De bewering dat de antichrist uit Dan zal voortkomen is voor honderd procent speculatie, zonder ook maar een spoor van Bijbelse gegevens om haar op te baseren, behalve dan dat Dan ontbreekt bij de 144.000. Maar daarvoor kunnen allerlei redenen zijn. Het zegt ons beslist niet dat de antichrist daar is. Dit hierop toepassen is echt heel vergezocht. Er is gewoon geen reden om te zeggen dat hij dit daarom zei.
De zegeningen van Gad, Aser en Naftali #
Vers 19:
Gad: een bende zal hem aanvallen, maar híj zal hen op de hielen zitten.
Denk eraan, Gad betekent ‘een troep’.
Hij zal het dus moeilijk krijgen. Ook in de tijd van de Richteren zijn dit soort dingen gebeurd. Deze stammen werden inderdaad onder de voet gelopen door binnenvallende legers, maar wanneer de richters opstonden, behaalden zij de overwinning. Het is moeilijk vast te stellen op welk specifiek geval dit doelt. Er kunnen er allerlei bedoeld zijn.
Vers 20:
Aser: zijn brood zal overvloedig zijn, en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.
Dat is positief. Blijkbaar zal er in hun toekomst veel graan groeien en zullen ze daarvan veel brood en lekkernijen kunnen maken.
Naftali is een losgelaten hinde; hij laat schone woorden horen.
Er is absoluut niets over Naftali bekend wat hiermee in verband zou staan, maar dat betekent niet dat het niet waar is. Het betekent alleen dat we heel weinig over Naftali weten. Over de man Naftali weten we niets, behalve dat hij een van de broers is. We hebben geen specifieke informatie over hem als individu. Het kan dus waar zijn geweest dat de man Naftali goede woorden sprak. Misschien was hij welbespraakt. Misschien was hij een begaafd redenaar. Wie weet? Of misschien is het een verwijzing naar de stam Naftali op een later tijdstip, waarover we niets opgetekend hebben. Het is dus een beetje frustrerend wanneer we dit werkelijk willen begrijpen en niet genoeg informatie hebben.
Jozef als vruchtbare en standvastige zoon #
Vers 22:
22Jozef is een jonge vruchtbare boom , een jonge vruchtbare boom bij een bron. Elk van zijn takken loopt over de muur. 23Boog schutters hebben hem verbitterd, beschoten en hem gehaat, 24maar zijn boog bleef gespannen; zijn armen en handen bleven soepel door de handen van de Machtige van Jakob, — vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël — 25door de God van je vader, Die je zal helpen, en door de Almachtige, Die je zal zegenen met zegeningen uit de hemel van boven, met zegeningen uit de watervloed, die beneden ligt, met zegeningen van borsten en baarmoeder. 26De zegeningen van je vader gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven, tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels. Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef, ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.
Hoewel hier beeldspraak wordt gebruikt, weten we genoeg over Jozef om een deel ervan met elkaar in verband te brengen. Het is duidelijk sterk ingegeven door het feit dat zijn broers hem veracht hadden en dat hij van hen afgezonderd was doordat hij in Egypte verbleef. De Engelse Bijbelvertaling die de spreker volgt, verwijst daar in vers 26 rechtstreeks naar met „degene die van zijn broers afgezonderd was”; de HSV spreekt hier van „de gewijde onder zijn broers”.
In vers 23 staat:
De boogschutters hebben hem veel verdriet gedaan, op hem geschoten en hem gehaat, maar hij hield tegen hen stand — zijn boog bleef sterk. Hier wordt een beeld geschetst van een oorlog die gaande is. Maar ze schoten natuurlijk niet letterlijk op elkaar. Ze wedijverden veeleer met elkaar, en hij won. Zijn broers wedijverden met hem en haatten hem. Ze stonden vijandig tegenover hem. Ze waren als het ware zijn vijanden, die oorlog tegen hem voerden, maar hij kwam er duidelijk als overwinnaar uit.
In vers 22 staat dat hij een vruchtbare tak is en dat zijn takken over de muur lopen. Misschien betekent dit alleen dat hij als een grote, voorspoedige en gezonde boom is, waarvan de takken zelfs buiten de grenzen reiken van het land waarin hij geplant is. Die takken reiken over de muren heen en voorzien wellicht ook mensen aan de andere kant van vruchten. Als dat zo is, kan het erop wijzen dat God Jozef gebruikte om behalve zijn familie ook anderen te zegenen en te voeden. De Egyptenaren bijvoorbeeld bleven voor de hongerdood gespaard, omdat God deze Joodse boom daar in de tuin geplant had. Zijn takken reikten zelfs buiten de grenzen van de familie van Israël, om ook heidenen te zegenen.
De Herder en de Rots van Israël #
Wat hierin naar mijn mening het interessantst is, staat in het tweede deel van vers 24. Daar staat dat zijn armen en handen sterk werden gemaakt door de handen van de machtige God van Jakob. Dat is op zichzelf niet bijzonder vreemd, maar dan staat er tussen haakjes:
Daarvandaan komt de Herder, de Rots van Israël.
De Herder, de Steen van Israël, zou naar God Zelf kunnen verwijzen, hoewel er staat:
daarvandaan.
Vanwaar? Hij heeft al verwezen naar de machtige God van Jakob. Hij zegt niet dat de machtige God van Jakob de Herder en de Steen is, maar veeleer dat de Herder en de Steen voortkomen uit de machtige God van Jakob. In de Engelse Bijbelvertaling die de spreker volgt, staat: „Vandaar komt de Herder, de Steen van Israël.” Op grond daarvan betoogt hij dat de Herder en de Steen niet naar God Zelf verwijzen, maar naar Iemand Die van Hem komt. De hierboven aangehaalde HSV formuleert dit anders: „vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël”.
Als christenen weten we natuurlijk dat Jezus in de profetieën vaak een Rots en een Steen wordt genoemd. Dat gebeurt zowel in de profetieën van het Oude Testament over Hem als in verwijzingen naar Hem in het Nieuwe Testament. En de Herder doet ons natuurlijk onmiddellijk aan Jezus denken. Maar de vraag is: is dat terecht? Ik denk van wel. Soms denken we bij passages in het Oude Testament onmiddellijk aan Jezus, omdat de woorden lijken op dingen die in het Nieuwe Testament staan. We denken: misschien gaat dit niet werkelijk over Hem. Het klinkt alleen zo. Ik denk dat dit wel een verwijzing naar Christus moet zijn. Hij is natuurlijk de Herder en de Steen van Israël, de fundamentsteen van het nieuwe Israël.
In Jesaja, hoofdstuk 28, vers 16, staat:
daarom, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik leg in Sion een steen ten grondslag, een beproefde steen, een kostbare hoeksteen, die vast gegrondvest is. Wie gelooft, zal zich niet weg haasten.
Hij verwijst naar Jezus als het fundament dat in Israël, in Sion, gelegd wordt. Hij is de Steen waarop het nieuwe Israël gebouwd is.
We hebben dus deze verwijzingen naar Jozef. Maar wanneer er staat:
maar zijn boog bleef gespannen; zijn armen en handen bleven soepel door de handen van de Machtige van Jakob, — vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël —
betekent dat niet: uit Jozef. Er staat niet: uit de stam van Jozef. De Steen komt uit de machtige God van Jakob voort. Er staan dus zowel in de Godsspraak over Juda als in de Godsspraak over Jozef voorspellingen over de komst van de Messias.
Benjamin en de dood van Jakob #
Vers 27:
Benjamin is een verscheurende wolf; 's morgens verslindt hij zijn prooi, en 's avonds deelt hij buit uit.
De Benjaminieten waren behoorlijk felle mensen, behoorlijk felle krijgers, en dit kan daarnaar verwijzen. De stam Benjamin voerde op een bepaald moment oorlog tegen de rest van het volk Israël en bracht hun bijna ernstige schade toe. Benjamin is ook de stam waar koning Saul uit voortkwam. Trouwens, ook de apostel Paulus, Saulus van Tarsus, kwam uit die stam. Hij was aanvankelijk behoorlijk wolfachtig. Hij was een wolf die de kudden verscheurde toen hij de gemeente vervolgde. Maar het is niet helemaal duidelijk op welke gebeurtenissen dit betrekking heeft. Het is profetisch, en iets in hun latere geschiedenis kan hier natuurlijk mee overeenkomen. Eigenlijk zou je je meer dan één gebeurtenis kunnen voorstellen als de vervulling hiervan.
Vers 28:
28Dit waren al de stammen van Israël: twaalf. En dit was wat hun vader tot hen sprak toen hij hen zegende. Hij zegende hen, elk met een eigen zegen. 29Daarna gebood hij hun en zei: Ik word met mijn volk verenigd. Begraaf mij dan bij mijn vaderen in de grot die op de akker van Efron, de Hethiet, ligt; 30in de grot die op de akker van Machpela ligt, dat tegenover Mamre ligt, in het land Kanaän, en die Abraham samen met die akker gekocht heeft van Efron, de Hethiet, als eigen graf. 31Daar hebben ze Abraham begraven en Sara, zijn vrouw; daar hebben ze Izak begraven en Rebekka, zijn vrouw; en daar heb ik Lea begraven.
Volgens mij is ons niet eerder verteld dat Lea daar begraven was, maar dat was intussen gebeurd.
32De akker en de grot die daarop ligt, zijn gekocht van de Hethieten. 33Toen Jakob klaar was met het geven van bevelen aan zijn zonen, legde hij zijn voeten bij elkaar op het bed en gaf de geest; en hij werd verenigd met zijn voorgeslacht.
Dit maakt heel duidelijk dat „tot zijn voorgeslacht verzameld worden” niet betekent dat hij in hetzelfde graf werd gelegd. Uiteindelijk werd hij daar wel bij hen gebracht, maar dit betekent dat hij werd verzameld in het dodenrijk, waar zijn voorouders vóór hem naartoe waren gegaan.
De rouw en begrafenis van Jakob #
Hoofdstuk 50 rondt het verhaal dus snel af.
1Jozef liet zich op het gezicht van zijn vader vallen, huilde om hem en kuste hem. 2Jozef gebood zijn dienaren, de geneesheren, zijn vader te balsemen, en de geneesheren balsemden Israël.
Dat was voor de Egyptenaren eenvoudig genoeg. Ze deden het routinematig, hoewel Jakob waarschijnlijk de eerste persoon was die gebalsemd in Machpela werd neergelegd. Doordat ze hem balsemden, konden ze de begrafenis gemakkelijker uitstellen, omdat hij niet zo snel zou vergaan. Zo konden ze hem daadwerkelijk naar Machpela vervoeren.
Het balsemen van hem duurde veertig dagen, want dat is het aantal dagen dat het balsemen duurt; en de Egyptenaren beweenden hem zeventig dagen.
Jozef was een held voor de Egyptenaren, en kennelijk hadden ze ook genegenheid voor zijn vader. Dus nadat zijn vader gestorven was, rouwde heel Egypte om hem.
4Toen de dagen van het bewenen van Jakob voorbij waren, sprak Jozef tot het huis van de farao: Als ik toch genade gevonden heb in uw ogen, spreek dan ten aanhoren van de farao: 5Mijn vader heeft mij laten zweren: Zie, ik ga sterven; in mijn graf, dat ik voor mijzelf in het land Kanaän uitgehouwen heb, daar moet je mij begraven. Nu dan, laat mij toch gaan om mijn vader te begraven; daarna zal ik terugkomen. 6De farao zei: Ga en begraaf uw vader, zoals hij u heeft laten zweren.
En Jozef ging op weg om zijn vader te begraven, en alle dienaren van de farao, de oudsten van zijn huis en al de oudsten van het land Egypte gingen met hem mee;
Het was een behoorlijk belangrijk gezelschap dat daarheen trok om Jakob te begraven. De belangrijkste mensen, waarschijnlijk iedereen behalve de farao zelf, gingen naar de begrafenis,
8en verder heel het huis van Jozef, zijn broers en het huis van zijn vader. Alleen hun kleine kinderen, hun kleinvee en hun runderen lieten zij in de landstreek Gosen achter. 9Met hem gingen zowel wagens als ruiters mee; het was een zeer grote menigte.
10Toen ze bij de Doornendorsvloer kwamen, die zich aan de overzijde van de Jordaan bevindt, bedreven ze daar rouw over hem met een grote en zeer zware rouwklacht. Hij hield zeven dagen rouw over zijn vader. 11Toen de inwoners van dat land, de Kanaänieten, de rouw op de Doornendorsvloer zagen, zeiden ze: Dit is een zware rouw van de Egyptenaren! Daarom gaf men die plaats de naam Abel-Mizraïm; hij ligt aan de overzijde van de Jordaan.
Abel-Mizraïm betekent de rouw van de Egyptenaren. Mizraïm is in de Bijbel de naam voor Egypte. Een van de zonen van Cham was Mizraïm, en van hem stammen de Egyptenaren af.
12En zijn zonen deden met hem zoals hij hun geboden had: 13zijn zonen vervoerden hem naar het land Kanaän en begroeven hem in de grot op de akker in Machpela, die Abraham samen met de akker als eigen graf gekocht had van Efron, de Hethiet; deze grot ligt tegenover Mamre. 14Nadat hij zijn vader begraven had, keerde Jozef terug naar Egypte; hij en zijn broers, en allen die met hem meegetrokken waren om zijn vader te begraven.
Jozef stelt zijn angstige broers gerust #
Nu weten de broers natuurlijk niet zeker wat er vervolgens met hen zal gebeuren. Zolang hun vader leefde, was het duidelijk dat Jozef nooit wraak op hen zou nemen en daarmee zijn vader verdriet zou bezorgen. Maar nu de vader dood is, wie weet wat Jozef hun misschien zal aandoen? Ze hadden hem tenslotte ernstig kwaad aangedaan. Ze hadden hem beroofd van wat anders misschien de beste jaren van zijn leven waren geweest. Denk aan Ezau. Toen hij Jakob wilde doden, zei hij:
Ezau haatte Jakob om de zegen waarmee zijn vader hem gezegend had, en Ezau zei in zijn hart: De dagen van rouw over mijn vader naderen; dan zal ik mijn broer Jakob doden.
Ik wilde papa geen pijn doen, maar hij is er niet meer, dus nu kan ik doen wat ik wil.
En dus dachten de broers dat Jozef er misschien ook zo in stond.
Toen de broers van Jozef zagen dat hun vader dood was, zeiden ze:
Toen de broers van Jozef zagen dat hun vader dood was, zeiden ze: Als Jozef ons haat, zal hij ons zeker al het kwaad dat wij hem aangedaan hebben, vergelden.
Daarom stuurden ze boodschappers naar Jozef met de woorden:
16Daarom lieten zij tegen Jozef zeggen: Uw vader heeft voor zijn dood deze opdracht gegeven: 17Dit moeten jullie tegen Jozef zeggen: Och, vergeef toch de overtreding van uw broers en hun zonde, want zij hebben u kwaad gedaan. Maar nu, vergeef toch de overtreding van de dienaren van de God van uw vader. Jozef huilde toen zij zo tot hem spraken.
En Jozef huilde toen ze zo tot hem spraken. Hij huilde omdat hij besefte dat zijn broers achter deze boodschap zaten en dat ze nog altijd niet hadden beseft dat zijn vergeving oprecht was. Toen gingen ook zijn broers naar hem toe en vielen voor hem neer. Ze zeiden:
Daarna gingen ook zijn broers naar hem toe . Zij vielen voor hem neer en zeiden: Zie, wij zullen u tot slaven zijn.
Jozef zei tegen hen:
19Jozef zei daarop tegen hen: Wees niet bevreesd, want sta ik soms op de plaats van God? 20Jullie weliswaar , jullie hebben kwaad tegen mij bedacht, maar God heeft dat ten goede gedacht, om te doen zoals het op deze dag is : een groot volk in leven te houden. 21Nu dan, wees niet bevreesd. Ikzelf zal jullie en jullie kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen en sprak hij naar hun hart.
En hij troostte hen en sprak vriendelijk tot hen.
God keert menselijk kwaad ten goede #
Vers 20, bijna het laatste vers van Genesis, is misschien wel het themavers van het verhaal van Jozefs leven. Er waren mensen die hem kwaad wilden doen, maar God stond aan zijn kant en alles wat hij deed, was voorspoedig. God bedoelde het ten goede, en het was in feite ook ten goede voor de broers. Zelfs degenen die kwaad beoogden, hadden er baat bij. God nam deze slechte daad van zijn broers en liet er zo ontzettend veel goeds uit voortkomen.
Bedenk eens wat Hij zou kunnen doen als jij het goede doet. Dit is geen argument om slechte dingen te doen omdat God het slechte in iets goeds kan veranderen. Het laat juist zien hoe veelzijdig God is. In Jakobus staat ongetwijfeld:
De toorn van een man brengt immers geen gerechtigheid voor God teweeg.
Dat wil zeggen dat dit normaal gesproken niet is wat God wil doen. Hij wil de toorn van de mens niet gebruiken om Zijn rechtvaardige doeleinden te verwezenlijken. Maar in de Psalmen staat dat Hij zelfs de toorn van de mens Hem laat prijzen. Hoewel de toorn van de mens niet het instrument is dat God bij voorkeur gebruikt om Zijn rechtvaardige doeleinden te verwezenlijken, kan Hij het zelfs dan doen.
Als God datgene wat ten kwade bedoeld is, kan nemen en er iets goeds van kan maken, hoeveel meer kan Hij dan doen met datgene wat in gehoorzaamheid aan Hem wordt gedaan, door rechtvaardige mensen die Hem proberen te dienen? Maar het punt hier is dat zelfs degenen die Gods wil proberen te dwarsbomen, daar niet toe in staat zijn. God verwezenlijkt Zijn doeleinden ondanks al het kwaad dat ons wordt aangedaan.
Dat zien we heel duidelijk ook in het leven van Jezus. Degenen die Hem kruisigden, deden beslist iets heel slechts. Maar door Hem te kruisigen, brachten ze zonder het te beseffen het behoud van de wereld tot stand. Door hun eigen daden laadden ze schuld op zich, maar God gebruikte ook dat ten goede.
Ik denk dat dit ook iets is waarvan we verzekerd kunnen zijn. Het is geweldig dat het boek Genesis zo goed als afsluit met zo’n behulpzaam vers om over na te denken. Wanneer je denkt aan wat iemand in het verleden met kwade bedoelingen tegen je heeft gedaan, aan dingen die je schade hebben berokkend en aan wat er sindsdien is gebeurd, zul je vaak zien dat God de slechte dingen daadwerkelijk heeft benut om iets tot stand te brengen dat beter voor je was dan anders het geval zou zijn geweest.
Dat pleit de mensen die het kwaad deden niet vrij. Er staat hier niet dat God wilde dat de broers dit kwaad deden. Er staat dat de broers kwaad wilden doen, maar dat God wilde benutten wat zij deden en er iets goeds uit wilde laten voortkomen. God heeft hun slechte plannen tegen Jozef niet in hun hart geplant. Die kwamen van henzelf en zij dragen er de volle verantwoordelijkheid voor. Maar God kan alles wat mensen doen tegengaan, sturen en benutten om Zijn doeleinden te verwezenlijken.
Gods soevereiniteit in persoonlijk lijden #
Dat is de soevereiniteit van God die Jozef onderkende, en daarom was hij niet verbitterd. Veel mensen zeggen dat als je door je familie wordt afgewezen, je daarvoor een of andere vorm van therapie zult moeten volgen. Misschien heb je zelfs innerlijke genezing nodig, omdat je gekwetst en verbitterd zult zijn, met al dat soort dingen. Jozef kreeg niets van die therapie. Hij had die niet nodig, omdat hij God had en wist dat God soeverein was. Daar gaat het om: wanneer je weet dat God de leiding heeft, verandert dat alles aan je lijden.
Mijn tweede vrouw werd aangereden door een jonge man die roekeloos reed. Ik neem hem dat niet kwalijk, want ik heb zelf vaak net zo roekeloos gereden. Ik heb enorm veel geluk gehad dat er geen voetgangers voor me liepen, want als het niet door de genade van God was geweest, had ik daar ook kunnen staan. Ik ben nooit boos geweest op die jonge man, maar het was wel zijn schuld. Ik weet zeker dat hij zichzelf de schuld geeft. Het was iets kwaads. Maar ik zag er gewoon de soevereiniteit van God in. Ik wilde mijn vrouw niet verliezen. We hadden een geweldig huwelijk, en het was ook nog maar pas begonnen. Maar ik dacht gewoon: „Wel, God heeft de leiding. God is soeverein en God kan dit ten goede gebruiken.” Maar het punt is dat mensen zeggen dat je, wanneer je met verlies, rouw of verraad te maken krijgt, verschillende rouwfasen doorloopt. Je moet door ontkenning heen, naar binnen gerichte woede, naar buiten gerichte woede, al die stappen. Ze zeggen dat rouw uit vijf stappen bestaat. Ze zeggen dat iedereen die doorloopt. Ik niet. Ik ben niet door ontkenning heen gegaan. Ik heb haar dood nooit ontkend. Het deed pijn, maar ik had er gewoon geen enkele behoefte aan om te ontkennen wat waar was. Ook werd ik niet boos op mezelf, op God of op wie dan ook. Ik heb geen van die rouwfasen doorlopen. De reden is dat ik in de soevereiniteit van God geloof.
Christelijke rouw vanuit hoop op God #
Mensen die God niet kennen, ervaren verdriet en verraad anders. Ze worden verbitterd, boos, depressief of wat dan ook. Maar Paulus zei in 1 Thessalonicenzen, hoofdstuk 4:
Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben.
Daarmee worden je vrienden bedoeld die in Christus zijn gestorven.
Christenen rouwen wel, maar ze rouwen niet zoals anderen.
Het probleem met mensen die voorspellen hoe je een rouwproces hoort te doorlopen, is dat deze therapeuten al hun theorieën aan hun patiënten ontlenen. Hun patiënten zijn per definitie mensen die zelf niet zo goed met de dingen omgaan. Wanneer mensen niet zelf, met God, goed met de dingen omgaan, doorlopen ze bepaalde patronen. De menselijke psyche doorloopt die dingen om zichzelf te beschermen en te herstellen wanneer iemand door een tragedie in zijn leven zwaar getroffen is en daarvan nog staat te tollen. Wanneer mensen de soevereiniteit van God niet kennen, hebben ze niets anders dan hun menselijke patronen om op terug te vallen.
Maar Paulus zegt dat wij niet rouwen zoals anderen, die geen hoop hebben. Als je hoop hebt, is het anders, totaal anders. Als je gelooft dat er een God is Die de leiding heeft en Die alles ten goede zal laten meewerken, als je gelooft dat God goed is en als je weet dat Hij soeverein is, dan is het rouwproces totaal anders. Je bent natuurlijk verdrietig. Dat is normale rouw. Alle mensen in de Bijbel rouwden om hun doden. Wanneer iemand sterft, rouw je om die persoon, maar je hoeft niet door die fasen van ontkenning, woede en al die dingen heen te gaan. Dat doe je wanneer je God niet kent.
De reden dat psychologen zeggen dat iedereen dat doormaakt, is dat de psychologen zich alleen baseren op hun patiënten. Mensen worden geen psychiatrische of psychologische patiënt tenzij ze al niet goed met hun pijn omgaan. Psychologen krijgen nooit de kans om iemand zoals ik te zien, omdat ik niet naar hen toe ga en daarom niet in hun gegevensbestand voorkom. Dus denken ze dat ik abnormaal ben, maar het is gewoon normaal om op God te vertrouwen.
Denk eens aan de woede die Jozef tegen de vrouw van Potifar had kunnen koesteren, en aan de wraak die hij op haar en Potifar had kunnen nemen als hij dat had gewild. Of over die schenker die hem twee jaar lang vergat, of over zijn broers. Maar hij dacht gewoon: „God is bij dit alles betrokken geweest. God heeft het ten goede bedoeld, dus waarom zou ik boos zijn?” Hij hoefde geen innerlijke genezing, therapie, herstel of wat dan ook te doorlopen. Als je God hebt, heb je al die menselijke dingen niet nodig om het voor je in orde te maken.
Dat geldt niet alleen voor Jozef en niet alleen in mijn eigen geval. Ik ken ook de getuigenissen van veel christenen door de hele geschiedenis heen die dezelfde ervaring hebben gehad. Het is normaal. Het is normaal dat iemand die de soevereiniteit van God kent, op een andere manier door de moeilijke tijden van het leven heen gaat.
Jozefs dood en geloof in de terugkeer #
Jozef zag van Efraïm de derde generatie; ook werden de zonen van Machir, de zoon van Manasse, op de knieën van Jozef geboren.
We springen nu naar het einde van zijn leven.
Jozef zei tegen zijn broers: Ik ga sterven, maar God zal zeker naar jullie omzien en jullie uit dit land naar het land brengen dat Hij aan Abraham, Izak en Jakob heeft beloofd. Toen liet Jozef de Israëlieten zweren en zei: God zal zeker naar jullie omzien, en dan moeten jullie mijn beenderen hiervandaan meenemen. Jozef stierf op honderdtienjarige leeftijd. Ze balsemden hem en legden hem in Egypte in een kist.
Het laatste wat we over hem te weten komen wanneer hij sterft, is dat hij zijn broers een eed laat zweren dat ze zijn beenderen niet voorgoed in Egypte zullen laten rusten, maar dat ze zijn beenderen zullen meenemen wanneer zij vertrekken. Hij zei dat in geloof, want het zag er niet naar uit dat ze ergens naartoe zouden vertrekken. In die tijd hadden ze het goed in Egypte. Ze waren een bevoorrechte klasse in Egypte. Ze waren nog geen slaven. Niets benauwde hen en wekte bij hen het verlangen om te vertrekken. Maar hij wist dat God hen op de een of andere manier naar het land Kanaän zou terugbrengen. Wanneer dat gebeurde, zei hij:
En Jozef liet de zonen van Israël zweren: God zal zeker naar jullie omzien en dan moeten jullie mijn beenderen vanhier meenemen.
We weten inderdaad dat Mozes en de kinderen van Israël honderden jaren later uit Egypte vertrokken, de beenderen van Jozef meenamen en hem begroeven in het land Kanaän. Daarmee eindigt het verhaal dat voor ons in Genesis is opgetekend.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Genesis 48 - 50. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/genesis/48-50
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/genesis/48-50.pdf?v=5291b771f709
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Genesis - Lezing 40 - 48-50.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/genesis/48-50.mp3?v=109474f95e20
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Genesis - Lezing 40 - 48-50.mp3
Genesis
Alle lezingen over Genesis. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Canon van de Schrift Hoe de Bijbelboeken als Schrift erkend zijn
- 2 Bijbeloverzicht De boeken van de Bijbel en hun indeling
- 3 Inleiding op de Pentateuch Mozes en de documentaire hypothese
- 4 Inleiding De oorsprong van wereld, mens en Israël
- 5 1:1-5 God scheidt het licht van de duisternis
- 6 1:5-15 God schept in dagen van vierentwintig uur
- 7 1:14-31 God schept zon, maan, dieren en de mens
- 8 1 Gods scheppingswerk in de gelovige
- 9 2:1-3 God rust en heiligt de zevende dag
- 10 2:4-20 God maakt de mens en plant de hof van Eden
- 11 2:21-25 God maakt de vrouw als hulp voor de man
- 12 3:1-6 De slang misleidt Eva en Adam eet mee
- 13 3:7-15 Vijgenbladeren en de nederlaag van de slang
- 14 3:16-24 Pijn, machtsstrijd en dood na de zondeval
- 15 4:1-17 Kaïns offer, moord, straf en bescherming
- 16 4:18-5:32 Kaïn en Seth en hun eerste nakomelingen
- 17 6:1-8 De zonen van God en de Nephilim
- 18 6:9-8:22 Noach, de ark en de wereldwijde zondvloed
- 19 9:1-7 Vlees mag gegeten worden, bloed niet
- 20 9:8-10:32 Gods verbond met Noach en de volken
- 21 11 God verwart de taal en verspreidt de mensen
- 22 12:1-9 God belooft Abram zegen voor alle volken
- 23 12:10-13:18 Abram in Egypte en de scheiding met Lot
- 24 14 Abram bevrijdt Lot en ontmoet Melchizedek
- 25 15:1-17:8 God belooft Abram nageslacht en Kanaän
- 26 17:9-18:33 Besnijdenis, Izaks komst en Sodom
- 27 19-20 Sodom verwoest, Abraham bedriegt Abimelech
- 28 21-22 Abraham moet Izak offeren
- 29 23-24 Sara begraven en een vrouw voor Izak
- 30 25 Abraham sterft, Ezau verkoopt zijn recht
- 31 26-27 Izak graaft putten, Jakob krijgt de zegen
- 32 28:1-29:30 Jakob ontmoet God en Laban bedriegt hem
- 33 29:31-31:21 Jakobs kinderen, kudden en vertrek
- 34 31:17-55 Jakob vlucht en sluit een verbond met Laban
- 35 32-34 Jakob worstelt met God en omhelst Ezau
- 36 35-37 Jakob naar Bethel, Jozef wordt verkocht
- 37 38-39 Juda en Tamar; Jozef blijft trouw
- 38 40-42 Jozef wordt verheven en beproeft zijn broers
- 39 43-47 Jozef maakt zich bekend aan zijn broers
- 40 48-50 Jakob zegent zijn zonen en sterft
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/genesis/48-50.srt?v=1f820e651bdd
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Genesis - Lezing 40 - 48-50.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/genesis/48-50.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Genesis 48:1-5
- Genesis 48:6-7
- Genesis 48:8-9
- Genesis 48:9-11
- Genesis 48:12-13
- Genesis 48:15-16
- Genesis 48:18
- Genesis 48:19
- Genesis 48:20
- Genesis 48:22
- Johannes 4:10
- Johannes 4:11
- Genesis 49:1
- Handelingen 2:16
- Handelingen 2:17
- Genesis 49:2
- Genesis 49:3
- Genesis 49:4
- Prediker 8:11-12
- Genesis 49:5
- Genesis 49:6
- Genesis 49:7
- Genesis 49:8
- Genesis 27:29
- Genesis 49:9
- Genesis 49:10
- Lukas 21:24
- Openbaring 5:5
- Genesis 49:11-12
- Genesis 49:13
- Jesaja 9:1
- Genesis 49:14-15
- Genesis 49:16
- Genesis 49:17
- Genesis 49:18
- Genesis 49:19
- Genesis 49:20
- Genesis 49:21
- Genesis 49:22-26
- Jesaja 28:16
- Genesis 49:24
- Genesis 49:27
- Genesis 49:28-31
- Genesis 49:32-33
- Genesis 50:1-2
- Genesis 50:3
- Genesis 50:4-6
- Genesis 50:7
- Genesis 50:8-9
- Genesis 50:10-11
- Genesis 50:12-14
- Genesis 27:41
- Genesis 50:15
- Genesis 50:16-17
- Genesis 50:18
- Genesis 50:19-21
- Jakobus 1:20
- 1 Thessalonicenzen 4:13
- Genesis 50:23
- Genesis 50:24-26
- Genesis 50:25