Job 38-42

God wijst Job op Zijn schepping

Luisteren 1 uur 12 min Lezen ± 58 min · Lezing 11 van 11

Testament
Boekcategorie
Schrijver / bijdrager
Tijdperiode van de inhoud
Thema
Mijn VVV

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/job/38-42.pdf?v=377d8ed6ad26. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/job/38-42.

Samenvatting

God wijst Job op Zijn macht en zorg voor de schepping.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt Gods toespraken tot Job, waarin Hij geen verklaring geeft voor Jobs lijden, maar hem wijst op Zijn macht over de natuur en Zijn zorg voor wilde dieren. Hij overweegt hoe God vanuit de storm tot Job sprak en laat zien hoe Gods vragen de grenzen van Jobs kennis en vermogen blootleggen. Uitvoerig bespreekt hij Behemoth en Leviathan, die hij als werkelijk bestaande dinosaurussen beschouwt, waarbij hij ook de mogelijkheid van vuurspuwende dieren verdedigt. Tot slot behandelt hij Jobs berouw, Gods terechtwijzing van de vrienden en Jobs herstel, en benadrukt hij dat Job ondanks zijn onbegrip zijn geloof in God behield.

God neemt het woord en corrigeert Job

Illustratie bij: God neemt het woord en Job luistert.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Job hoofdstuk 38 tot en met 42.

Aan het einde van het boek Job is God aan het woord. Jobs vrienden en Elihu hebben allemaal gesproken. Elihu was daarvoor blijkbaar geen vriend van hem, maar hij was wel tamelijk vriendelijk, eigenlijk vriendelijker dan zijn vrienden. Job heeft gesproken en iedereen is uitgesproken, en er is eigenlijk niets opgelost. Dus verschijnt God in het verhaal en spreekt Hij. Hij spreekt uitvoerig, ongeveer vier hoofdstukken lang. Natuurlijk verwachten we, wanneer we God zien verschijnen, dat we het laatste woord te horen zullen krijgen. En we krijgen ook het laatste woord, maar dat laatste woord beantwoordt geen van de vragen.

In Zijn toespraken verwijst God zelfs helemaal niet naar Jobs beproevingen. Hij verwijst wel naar Jobs woorden. Elihu kan dus gelijk hebben wanneer hij zegt dat God geen klachten heeft over Jobs gedrag vóór zijn beproevingen, maar dat zijn woorden na zijn beproevingen enige correctie nodig hebben gehad. God verwijst terloops wel een paar keer naar Jobs woorden, maar niet erg veel. God lijkt gewoon iets te hebben waar Hij over wil praten, en daar praat Hij dan over. Waar Hij over praat, is de natuur. Hij wijst graag op dingen uit de natuur.

In sommige eerdere toespraken is dit ook gedaan. Daarin werd gewezen op de dingen die God weet en die de mens niet weet, en op de dingen die God doet waar de mens versteld van staat. Voorbeelden uit de natuur geven was in de eerdere toespraken heel gebruikelijk. Maar God heeft nog wat andere dingen waar Hij over wil praten. En in zekere zin is Zijn hele toespraak een terechtwijzing van Job, maar het is een vriendelijke terechtwijzing. We zien God niet verschijnen met uitbarstingen van toorn en bliksemschichten enzovoort. We zien Hem Job corrigeren op een manier die niet erg vijandig lijkt.

Gods stem vanuit de storm

Illustratie bij: De stem vanuit de storm.

De grootste vraag die ik bij dit hele gedeelte heb, is hoe God deze dingen tegen Job heeft gezegd. In vers 1 wordt ons verteld:

Job 38:1

Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei:

En dat is alles. Later zei Job dat hij God met zijn oog heeft gezien. In hoofdstuk 42, vers 5, zegt hij:

Job 42:5

Alleen door het horen met het oor had ik U gehoord, maar nu heeft mijn oog U gezien.

Dit wekt de indruk dat God zichtbaar verscheen en hoorbaar sprak vanuit een wervelwind. (Vertalersnoot: de aangehaalde Engelse vertaling spreekt hier van een wervelwind; de HSV heeft ‘storm’.)

Een wervelwind is zoiets als een tornado, en het is mogelijk dat er een echte tornado kwam en daar bleef hangen, terwijl deze toespraken met een dreunende stem uit de tornado kwamen. Dan nemen we het dus gewoon heel letterlijk op die manier. Aan de andere kant hebben we natuurlijk een heel boek dat uit poëzie bestaat, en de dichters spreken vaak over God Die door dingen uit de natuur spreekt. Elihu heeft er trouwens al over gesproken dat God dat doet, nog maar net in zijn laatste toespraak. Hij sprak over hoe God spreekt door het dreunen van de donder en door de bliksem enzovoort.

Er zijn veel andere plaatsen in de wijsheidsliteratuur, bijvoorbeeld in de Psalmen, waar we zulke dingen lezen: dat God vanuit wolken spreekt of vanuit wervelwinden of iets dergelijks. Daar gaat het niet werkelijk letterlijk over een theofanie, waarbij God verschijnt en spreekt. Het gaat er veeleer om dat Gods stem wordt gehoord door iemand met een opmerkzame geest, die natuurverschijnselen waarneemt die Gods werken zijn. Zulke mensen horen God door deze dingen spreken.

In Psalm 18:13 staat bijvoorbeeld:

Psalmen 18:14

De HEERE deed het in de hemel donderen, de Allerhoogste liet Zijn stem klinken: hagel en vurige kolen.

Blijkbaar gaat dit over een storm, maar er wordt over gesproken alsof God door deze storm spreekt. Dit donderende geluid in de hemel, deze hagelstorm: er wordt aangegeven dat God daarin spreekt.

In Psalm 29, vers 3, staat:

Psalmen 29:3

De stem van de HEERE klinkt boven het water. De God van de heerlijkheid dondert. De HEERE is boven de vele wateren.

En hij zegt:

Psalmen 29:4-9

4De stem van de HEERE is vol kracht, de stem van de HEERE is vol glorie. 5De stem van de HEERE breekt de ceders, ja, de HEERE verbreekt de ceders van de Libanon. 6Hij doet de Libanon huppelen als een kalf en de Sirjon als een jonge, wilde os. 7De stem van de HEERE hakt vurige vlammen uit de wolken. 8De stem van de HEERE doet de woestijn beven, de HEERE doet de woestijn Kades beven. 9De stem van de HEERE doet de hinden jongen werpen en ontschorst de wouden; maar in Zijn tempel zegt eenieder: Hem zij de eer!

Het is niet duidelijk hoe de psalmdichter zich de stem van de HEERE hier precies voorstelt. Hij noemt dingen die natuurverschijnselen zouden kunnen zijn: ceders die splijten, herten die jongen krijgen, vuur, en er worden nog andere schijnbaar natuurlijke verschijnselen genoemd. Hij ziet de stem van de HEERE achter deze dingen, of misschien erin. Dat is moeilijk te zeggen.

Hoe God tot mensen spreekt

Illustratie bij: Elia luistert bij de ingang van de grot.

Toen Elia in 1 Koningen hoofdstuk 19 verwachtte de stem van de HEERE te horen, kwam de stem van de HEERE tot hem als een zachte, stille stem, zo wordt ons verteld. (Vertalersnoot: de spreker volgt de Engelse formulering ‘a still small voice’. De HSV heeft hier ‘het suizen van een zachte stilte’ en noemt vervolgens in vers 13 een stem.) Maar voordat dat gebeurde, waren er indrukwekkende natuurlijke of misschien bovennatuurlijke verschijnselen. Ze lijken op natuurverschijnselen, misschien op bovennatuurlijke wijze teweeggebracht, waarvan wordt gezegd dat de HEERE er niet in was. God sprak daarin niet tot Elia. Dit staat in 1 Koningen 19:11 en 12. Elia ging een grot binnen en verwachtte iets van God te horen. In vers 11 zei Hij:

1 Koningen 19:11-12

11Maar Hij zei: Ga naar buiten en ga op de berg staan, voor het aangezicht van de HEERE. En zie, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, die bergen spleet en rotsen in stukken brak, voor het aangezicht van de HEERE uit. Maar de HEERE was niet in de wind. Na deze wind kwam er een aardbeving, maar de HEERE was ook niet in de aardbeving. 12Op de aardbeving volgde een vuur, maar de HEERE was ook niet in het vuur. En na het vuur kwam het suizen van een zachte stilte.

1 Koningen 19:13

En het gebeurde, toen Elia dat hoorde, dat hij zijn gezicht met zijn mantel omwikkelde, naar buiten ging en in de ingang van de grot bleef staan. En zie, een stem kwam tot hem, die zei: Wat doet u hier, Elia?

God sprak in dit geval tot Elia, niet in de aardbeving of in het vuur of in de stormwind, maar met een zachte stem. Dat God niet op die andere manieren sprak, zou vanzelfsprekend zijn. Het wordt pas opmerkelijk als men verwachtte dat Hij door die verschijnselen zou spreken. Elia dacht dat God op die indrukwekkende manieren zou spreken, en dat deed Hij niet. In plaats daarvan sprak Hij met een rustige, heel zachte stem.

Maar zoals Elihu eerder in zijn toespraken heeft gezegd, spreekt God op verschillende manieren tot mensen. Hij spreekt in dromen en visioenen. Hij spreekt door mensen. Hij spreekt door lijden. En in de Bijbel is een van de manieren waarop God tot mensen spreekt zeker dat zij nadenken over de werken van God en de wegen van God.

De toespraken van de Heere hier zijn beslist overdenkingen over de werken van God: hoe Hij de sterren heeft geschapen, hoe Hij de wilde dieren voedt, hoe Hij de zee beheerst, hoe Hij die dingen doet. Een mens zou over die dingen kunnen nadenken, en God zou daardoor tot hem spreken. Het zou niet verrassend zijn als iets wat God iemand eenvoudigweg door het overdenken van die dingen meegaf, later in het boek Job werd opgeschreven als een dichterlijke toespraak. Zoals ik eerder zei, is het mogelijk dat alle toespraken oorspronkelijk niet dichterlijk waren. Het is mogelijk dat de poëzie een literaire uitwerking is van wat er werd gezegd, maar dat het oorspronkelijk zonder die dichterlijke verfraaiing werd gezegd. We weten het echt niet.

Wat ik eigenlijk wil zeggen, is denk ik dat ik niet weet of we hier een beeld krijgen van Gods stem die hoorbaar buldert, zodat iedereen deze woorden kan horen, deze poëzie die God tot Job spreekt. Of dat Job, nadat Elihu had gesproken, zijn hart meer tot rust begon te brengen en begon na te denken. Misschien heeft hij zelfs een tornado gezien waarbij hij voelde: ‘Daar zie je de kracht van God.’ En hij begint na te denken over alle machtige dingen die God heeft gedaan. En God spreekt daardoor tot hem. Ik weet het niet.

Ik heb er niet echt moeite mee dat Gods stem uit een tornado buldert, want God kan dat doen. Maar het zou zoiets verbazingwekkends en zoiets zeldzaams zijn. Want zoals ik in een eerdere lezing zei, heeft God dat, voor zover wij weten, nooit op enig ander moment gedaan, behalve bij de berg Sinaï. En de berg Sinaï was een moment dat de geschiedenis veranderde, terwijl de terechtwijzing van één man, Job, niet iets lijkt te zijn met hetzelfde gewicht. En we zien God op andere momenten niet zo spreken.

Soms klinkt er een bulderende stem uit de hemel. Zelfs tijdens Jezus’ bediening werd er een paar keer een stem uit de hemel gehoord die sprak, maar geen hele toespraken hield. Gewoonlijk een zin, een woord. En toen het gebeurde, zeiden sommigen dat het gedonderd had, volgens Johannes 12. God sprak vanuit de hemel, en sommigen zeiden dat het gedonderd had. Anderen zeiden dat een engel had gesproken. Maar waar het om gaat, is dat we nergens zien dat God zulke lange uiteenzettingen hoorbaar geeft, met een luide stem vanuit de lucht. Maar Hij zou het gedaan kunnen hebben. Ik weet gewoon niet zeker hoe het gegaan is, en daarom zeg ik je gewoon: ik weet het niet.

God als Schepper van aarde en zee

Illustratie bij: De zee krijgt haar grens.

Maar dit is de boodschap van God die tot Job kwam, hoofdstuk 38:

Job 38:2-7

Wie verduistert hier Mijn raad met woorden zonder kennis? Maak u gereed als een man. Ik zal u vragen stellen en u zult Mij antwoorden. Waar was u toen Ik de fundamenten van de aarde legde? Vertel het Mij, als u inzicht hebt. Wie bepaalde haar afmetingen? U weet het vast! Of wie spande het meetlint over haar uit? Waarop werden haar fundamenten bevestigd? Of wie legde haar hoeksteen, toen de morgensterren samen zongen en alle zonen van God juichten van vreugde?

Het is duidelijk dat juist dit vers, waarschijnlijk meer dan enig ander, erop lijkt te wijzen dat de zonen van God in Job, in de eerdere hoofdstukken waarin zij worden genoemd, naar engelen verwijzen en niet naar godvruchtige mensen. Want hier hebben we een verwijzing naar de zonen van God die naast de morgensterren worden genoemd. Ze zingen en juichen van vreugde op het moment dat God de fundamenten van de aarde legde. Er zijn op dat moment beslist geen mensen aanwezig.

Job 38:8-11

8Of wie heeft de zee met deuren afgesloten, toen zij losbarstte en uit de baarmoeder naar buiten kwam, 9toen Ik haar een wolk gaf als kleding, en de donkere wolken als haar omslagdoek. 10Ik stelde haar Mijn grens, en plaatste een grendel en deuren, 11en zei: Tot hiertoe mag u komen en niet verder, hier zal zich een grens stellen tegen de glorie van uw golven.

Het is een terugkerend thema in veel van de Psalmen, vooral de natuurpsalmen, dat God een grens stelt aan de zee die zij niet mag overschrijden. Wanneer dat thema in de Psalmen verschijnt, kan het heel goed ontleend zijn aan deze eerdere toespraak die God tot Job heeft gehouden. Het beeld is dat God bevelen geeft aan de zee: ‘Je mag tot hier komen; je mag niet verder.’ En daarom hebben we kustlijnen, en gaan de golven over het algemeen niet voorbij een bepaalde grens.

Job 38:12-15

12Hebt u in uw dagen de morgen ontboden? Hebt u de dageraad zijn plaats gewezen, 13om de einden van de aarde vast te grijpen, zodat de goddelozen van haar afgeschud worden? 14De aarde verandert als leem door een zegel, en de dingen krijgen vorm als een kleed. 15De goddelozen wordt hun licht onthouden, en de opgeheven arm wordt gebroken.

Dat is de arm die in verzet tegen God wordt opgeheven. Uiteindelijk wordt die door God gebroken. Verzet, weerstand is zinloos.

Gods macht over licht, water en weer

Illustratie bij: Regen valt op onbewoond woestijnland.
Job 38:16

Bent u gekomen tot aan de bronnen van de zee? Hebt u gewandeld op de bodem van de watervloed?

Ik vraag me af of er werkelijk bronnen van de zee zijn. Meren en zeker rivieren ontstaan vaak uit een waterbron die uit de grond opwelt. Maar dit houdt in dat er water is, misschien bronnen die de zee voeden. In het verhaal van de zondvloed staat er dat de bronnen van de grote diepte openbraken. Dat water kwam bij het water dat uit de hemel neerdaalde om de aarde te overstromen. Ik weet niet genoeg van oceanografie om hier iets over te zeggen. Ik denk dat we op dit moment wel een bron in de zee kennen waaruit olie de zee in stroomt. Maar of er water uit onderaardse bronnen omhoogkomt of niet, kan ik niet zeggen. Het is een interessant beeld: de zee die wordt gevoed, waarvan het water van onder het aardoppervlak wordt aangevuld, zoals bij bronnen.

Job 38:17-18

17Zijn de poorten van de dood aan u geopenbaard? Hebt u de poorten van de schaduw van de dood gezien? 18Reikt uw inzicht tot de breedten van de aarde? Maak het bekend, als u dit allemaal weet.

God zegt duidelijk: ‘Ik weet al deze dingen. Ik ben Degene Die deze dingen doet. Wanneer heb jij ooit zoiets gedaan? Begrijp je dit eigenlijk wel? Weet je eigenlijk wel waar je zulke dingen kunt vinden?’

Job 38:19-20

19Waarheen is de weg waar het licht woont? En de duisternis, waar is zijn woon plaats, 20zodat u die naar zijn gebied kunt brengen, en dat u de paden naar zijn huis kunt opmerken?

Hij stelt deze dingen voor als personen. Licht en duisternis moeten naar hun eigen plaats worden geleid. Weet jij waar je ze kunt vinden en tevoorschijn kunt brengen en naar hun eigen plaats kunt brengen? Dat weet je niet. God is Degene Die het licht en de duisternis leidt.

Job 38:21

U weet het vast wel , want u was toen al geboren, en uw dagen zijn groot in aantal.

Dit is natuurlijk sarcastisch. Je was uiteraard nog niet geboren toen God het licht schiep en het uit de duisternis tevoorschijn bracht, enzovoort.

Job 38:22-24

22Bent u gekomen bij de schatkamers van de sneeuw? Hebt u de schatkamers van de hagel gezien, 23die Ik achterhoud voor een tijd van benauwdheid, voor een dag van strijd en oorlog? 24Waarheen is de weg waar het licht zich verdeelt, en de oostenwind zich verspreidt over de aarde?

Hij beeldt het uit alsof Hij daarboven in de hemel grote voorraadkamers vol sneeuw en hagel heeft, die alleen maar wachten op de juiste dagen om het uit te storten. Zelfs in de strijd stort God soms hagel uit om oorlog te voeren, zoals Hij in de dagen van Jozua deed tegen de vijanden van Israël. Maar het is beeldspraak. God zegt natuurlijk niet werkelijk dat er ergens boven in de lucht zo'n grote voorraadkamer vol sneeuw is. En de schrijver van Job gaat daar ook niet van uit. Hij heeft al laten blijken dat hij weet heeft van het proces van neerslag en verdamping, enzovoort.

Job 38:25-26

25Wie klieft voor de stort vloed een waterloop, en een weg voor het weerlicht van de donder, 26om het te laten regenen op het land, waar niemand is, op de woestijn, waarin geen mens is,

Met andere woorden, wie zorgt ervoor dat de wildernis water krijgt? Als je een akker hebt en graan verbouwt, geef je die water. Maar wie geeft deze bomen water? Wie geeft het veld water waar geen mens is om ervoor te zorgen? De mens kan voor een heel klein stukje grond zorgen en het water geven en er dingen op laten groeien. Maar God laat overal ter wereld dingen groeien in de wildernis, waar niemand is om ervoor te zorgen. Dat is wat Hij zegt.

Job 38:27-30

27om het gebied van verwoesting en vernietiging te verzadigen, en om het opkomende groen te laten groeien? 28Heeft de regen een vader? Of wie brengt de druppels van de dauw voort? 29Uit wiens buik komt het ijs naar buiten? En wie baart de rijp van de hemel? 30Het water wordt hard als een steen, en het oppervlak van de watervloed raakt vastgevroren.

Hij heeft het over bevriezen.

God bestuurt de sterrenhemel

Illustratie bij: Job onder de sterrenhemel.
Job 38:31

Kunt u de banden van het Zevengesternte vastbinden, of de ketenen van de Orion losmaken?

Dit zijn duidelijk sterrenbeelden, constellaties van sterren. De gordel van Orion. Het is interessant dat deze bekende sterrenbeelden zelfs toen al onder dezelfde namen bekendstonden. Men zegt dat astronomie de oudste, de alleroudste exacte wetenschap is die de mens ooit heeft ontwikkeld. Lang voordat men ook maar aan andere natuurwetenschappen dacht, bestudeerden mensen de sterren en herkenden ze de regelmaat daarin. En natuurlijk navigeerden ze hun schepen aan de hand daarvan, en dat soort dingen. En al in dit oudste boek ter wereld wordt verwezen naar deze sterrenbeelden die wij nog steeds herkennen.

Job 38:32

Kunt u de Mazzarot tevoorschijn laten komen op zijn tijd, en kunt u de Wagen met zijn kinderen leiden?

Mazzaroth betekent eigenlijk de dierenriem. De eigenlijke betekenis van het woord Mazzaroth is onduidelijk als je de herkomst ervan opzoekt. Maar bijna alle commentatoren geloven dat dit een verwijzing is naar de twaalf tekens van de dierenriem.

Ook hier gaat het niet over dieren. Die komen later aan bod. Het gaat over het sterrenbeeld dat de Grote Beer wordt genoemd. (Vertalersnoot: de Engelse aanhaling noemt ‘de Grote Beer met zijn jongen’; de HSV heeft ‘de Wagen met zijn kinderen’.)

Job 38:33-35

33Kent u de verordeningen van de hemel, of kunt u op aarde zijn beleid bepalen? 34Kunt u uw stem tot de wolken verheffen, zodat een overvloed van water u overdekt? 35Kunt u bliksemflitsen sturen, zodat zij gaan, en tegen u zeggen: Zie, hier zijn wij?

Bliksem als voorspelling van technologie

Illustratie bij: De mens kan de bliksem niet gebieden.

Ik wil hier iets over zeggen, omdat je af en toe van die apologetische uiteenzettingen tegenkomt die proberen te bewijzen dat de Bijbel het Woord van God is, wat hij ook is. Maar een van de bewijzen die ze aanvoeren, is dat de Bijbel al vooruitliep op zoveel wetenschappelijke zaken uit onze eigen tijd. Dat bewijst dat hij van God afkomstig is, zeggen ze, omdat bepaalde dingen die we nu in de technologie hebben, in de Bijbel worden voorspeld. In Amos staat bijvoorbeeld iets over strijdwagens die in de straten tegen elkaar aan botsen. (Redactionele noot: de spreker noemt Amos; de bedoelde passage staat in Nahum 2:4.) En ze zeggen dat dat een verwijzing is naar onze moderne snelwegen, wat het niet is. Het lijkt wel alsof ze zoeken naar alles wat ook maar de geringste overeenkomst vertoont met iets van vandaag.

Ik heb een traktaat gezien dat daadwerkelijk dit vers 35 gebruikte:

Kun jij bliksemschichten op pad sturen, zodat ze naar je toe komen en zeggen: hier zijn we?

Ze zeggen: ‘Kijk, dit voorspelt radio en televisie. Je zendt elektrische signalen uit en die spreken tegen je en zeggen: “Hier zijn we.”’ Nou, ze missen natuurlijk het hele punt. Ten eerste gaat dit niet over de toekomst. Dit is geen voorspelling van iets. Dit gaat over echte bliksem, net zoals al het andere in dit hoofdstuk over echte natuurverschijnselen gaat. Hij heeft het niet over technologie. Hij zegt: ‘Ben jij degene aan wie de bliksemschichten verantwoording afleggen en verslag uitbrengen?’ Hij zegt dat Hij, God, Degene is Die de bliksemschichten eropuit stuurt om hun opdrachten uit te voeren. En ze komen niet naar jou, Job, om te vragen welke opdracht jij voor ze hebt.

Job 38:36-38

36Wie heeft de wijsheid in het binnenste gelegd? Of wie heeft aan het hart het inzicht gegeven? 37Wie kan de wolken met wijsheid tellen? En wie kan de kruiken van de hemel neerleggen, 38zodat het stof vast wordt als iets dat gegoten is, en de kluiten aan elkaar kleven?

Dat wil zeggen, wanneer er droogte is en het stof helemaal droog is, bestaat de aarde als het ware uit stof en kluiten, en je wilt water. (Vertalersnoot: de Engelse aanhaling verbindt deze toestand met ‘wanneer’; de HSV gebruikt ‘zodat’. Gregg beschrijft hier de toestand waarin water nodig is.) Wie kan ervoor zorgen dat de hemel zijn flessen water uitgiet? Nou, alleen God kan dat. De mens staat op deze gebieden machteloos.

God voedt de wilde dieren

Illustratie bij: Een raaf voedt haar jongen.

Kun jij voor de leeuw op prooi jagen of de honger van de jonge leeuwen stillen als ze in hun holen liggen of vanuit hun schuilplaatsen op de loer liggen? Wie zorgt er voor eten voor de raaf als zijn jongen naar God roepen en ronddwalen omdat ze geen eten hebben?

Dat hier gesproken wordt over wilde dieren die gevoed worden, herinnert er ongetwijfeld aan dat Job wist wat het was om huisdieren te voeren. Hij had duizenden kamelen en schapen en muilezels en ezels enzovoort gehad. Daarom wist hij hoe duur het is, hoeveel werk het is om alleen al zoveel vee te voeren. Maar God zegt: ‘Wie is daar buiten bezig al die leeuwen en raven en alle wilde dieren te voeden die jij niet voedt? Hoeveel voedsel is daarvoor nodig? Hoeveel aandacht? Hoeveel zorg om al die dieren te blijven voeden?’

Toch krijgen de wilde dieren net zo regelmatig te eten als jouw vee. Er is Iemand Die daar buiten voor ze zorgt. Maar jij zou dat niet kunnen. Als dat jouw opdracht was, zou het je boven het hoofd groeien. God doet dat allemaal, en het groeit Hem niet boven het hoofd.

Hoofdstuk 39.

Job 39:4-7

Weet u wanneer de wilde berggeiten jongen krijgen? Ziet u wanneer de hinden baren? Kunt u de maanden van hun draagtijd tellen? Weet u wanneer zij hun jongen ter wereld brengen? Zij buigen zich, baren hun jongen en brengen hun nakomelingen voort. Hun jongen zijn gezond en worden sterk met graan. Ze trekken weg en komen niet bij hun ouders terug.

Opnieuw vestigen al deze verwijzingen naar de wilde dieren de aandacht op het feit dat er veel meer dieren regelmatig gevoed worden zonder hulp van de mens dan er tamme dieren zijn. En dit hele hoofdstuk zal gaan over hoe God voor de wilde dieren zorgt en Job niet.

Neem de herten. Misschien konden de ooien in zijn kudden, wanneer ze lammeren kregen, hun lammeren waarschijnlijk zonder veel aandacht ter wereld brengen. Maar er kunnen momenten zijn geweest waarop ze de geboorte een handje moesten helpen. Soms moest er enige aandacht aan besteed worden. Maar er is niemand die aandacht besteedt aan het hert dat haar jongen krijgt. En toch krijgen ze gezonde jongen, en hun jongen groeien op en worden onafhankelijk van hun ouders, helemaal zonder menselijke hulp.

De vrijheid van wilde ezels en ossen

Illustratie bij: Wilde ezels leven vrij in de wildernis.
Job 39:8

Wie heeft de wilde ezel vrijgelaten? Wie heeft de banden van de onager losgemaakt?

De onager is blijkbaar een soort wilde ezel.

Job 39:9

Ik heb hem de wildernis als zijn huis gegeven, en de zoutvlakte als zijn woning.

Opnieuw staat dit tegenover de ezels die Job had. Hij had zelf veel ezels, maar die moesten allemaal verzorgd worden, ze moesten allemaal gevoerd worden, enzovoort. Toch zegt God: ‘Ik heb ook Mijn ezels, en niemand zorgt voor ze behalve Ik. Wie zorgt er voor ze? Denk je dat je belangrijk bent omdat jouw ezels je nodig hebben? Nou, ezels hebben jou niet nodig als ze Mij hebben, want Ik kan ook voor ze zorgen. Ik maak dorre streken tot hun woonplaats.’ Ze leven in de wildernis. Met andere woorden, ze bevinden zich tussen de roofdieren. Ze moeten hun voedsel bij elkaar zoeken. Ze hebben niemand die hun voer brengt, en toch redden ze het, omdat God voor ze zorgt.

Job 39:11-15

11Hij speurt de bergen af, dat is zijn weide; en hij zoekt naar alles wat maar groen is. 12Zou de wilde os u willen dienen? Zou hij overnachten bij uw kribbe? 13Kunt u de wilde os met zijn eigen touw vastbinden om voren te trekken? Zou hij de dalen achter u eggen? 14Vertrouwt u op hem, omdat zijn kracht groot is? Laat u uw arbeid aan hem over? 15Vertrouwt u hem dat hij uw zaad zal terugbrengen en zal verzamelen voor uw dorsvloer?

We hebben dus gelezen dat Job veel spannen ossen had die voor hem ploegden. Die zijn trouwens door plunderaars gedood of gestolen. Maar er zijn ook wilde ossen die je niet voor je kunt laten ploegen.

De dwaasheid van de struisvogel

Illustratie bij: De struisvogel en haar eieren.
Job 39:16-21

16De vleugels van de struisvogel klapwieken vrolijk, net als de veren van de ooievaar en het ander gevederte. 17Maar zij laat haar eieren achter in de aarde, en verwarmt ze in het stof, 18en vergeet dat een voet ze kan breken, en dat de dieren van het veld ze kunnen vertrappen. 19Zij behandelt haar jongen hard, alsof ze niet van haar zijn; zij is zonder angst of haar inspanning voor niets is. 20Want God heeft haar de wijsheid onthouden, en heeft haar niets aan inzicht toebedeeld. 21Maar als het tijd is, richt zij zich op in de hoogte; zij lacht om het paard en zijn berijder.

Het interessante aan struisvogels is dat ze hun jongen inderdaad wreed behandelen. Ze behandelen hun jongen niet goed en doen alsof het hun jongen niet zijn. Ze leggen hun eieren natuurlijk in de grond, anders dan de meeste vogels, die in de bomen nestelen. Hij zegt dat de struisvogel zo dom is dat hij niet beseft dat, als je je ei op de grond legt, iemand erop kan gaan staan en het kapot kan maken. Het is verbazingwekkend dat ze überhaupt overleven, en toch zijn ze zo trots op zichzelf. Ze zwaaien trots met hun vleugels, ook al zijn ze niet mooi zoals een ooievaar. (Vertalersnoot: de Engelse aanhaling spreekt van trots met de vleugels zwaaien en vergelijkt die vragenderwijs met die van de ooievaar. De HSV heeft ‘klapwieken vrolijk’ en formuleert de vergelijking anders.) Een struisvogel is verre van mooi. Hij is lelijk en toch is hij trots op zichzelf. Waarom? Omdat hij dwaas is. Hij weet niet beter dan trots te zijn. Hij weet niet eens hoe hij voor zijn jongen moet zorgen. God heeft hem geen wijsheid gegeven.

Misschien wordt dit gegeven als een beeld van een mens die zich op zijn wijsheid laat voorstaan of iets dergelijks. En hij ziet er net zo dwaas uit als een struisvogel die niet wijs is en alleen maar denkt dat hij mooi is.

De moed van het oorlogspaard

Illustratie bij: Het oorlogspaard stormt vooruit.
Job 39:22-28

22Kunt u het paard kracht geven? Kunt u zijn nek met manen bekleden? 23Laat u het springen als een sprinkhaan? De majesteit van zijn gesnuif is een verschrikking. 24Het schraapt in de dalgrond en het is vrolijk in zijn kracht, en het trekt uit, de wapens tegemoet. 25Het lacht om de angst en is niet ontsteld, en keert niet om vanwege het zwaard. 26De pijlkoker klettert tegen hem aan, het ijzer van de werpspies en de speer. 27Al trillend en briesend verslindt het de aarde, en is niet te houden als het geluid van de bazuin klinkt. 28Bij elke bazuinklank zegt het: Ha! en van verre ruikt het de strijd, en het hoort het tieren van de vorsten en het krijgsgeschreeuw.

Wat Hij hier beschrijft, is natuurlijk de moed van een paard in de strijd. Dieren vluchten meestal voor gevaar. Dat is hun instinct. Kun je veel dieren bedenken waarop je de strijd in zou kunnen rijden, het wapengekletter tegemoet, met kletterend metaal en dat soort dingen? Dat zou de meeste dieren bang maken, ook tamme dieren. Het paard is in dat opzicht behoorlijk uitzonderlijk. Je kunt het leren moedig te zijn, recht op het gevaar af te rennen en zich er niets van aan te trekken. En toch is het geen dom dier. Paarden zijn intelligente dieren, en toch heeft God hun die moed gegeven.

Hij heeft het over dieren die zulke eigenschappen hebben. Het zet mensen haast te schande. En toch heeft God het paard zo gemaakt. God heeft het zijn moed gegeven. Dit komt van God. Het is iets raadselachtigs voor de mens, totdat je er te veel aan gewend raakt. We zijn er zo aan gewend dat paarden getemd worden en in de oorlog worden gebruikt enzovoort, zoals dat gebeurde. Maar als je erbij stilstaat en erover nadenkt, is het echt iets verbazingwekkends dat je een paard hebt dat de mens dient. Een dier dat de mens dient, zelfs met gevaar voor zijn leven, dat de strijd ingaat en het opneemt tegen zwaarden en werpsperen enzovoort die het kunnen doden.

Dieren hebben een overlevingsinstinct, maar het paard negeert zijn overlevingsinstinct bijna, omdat het bijna graag ten strijde trekt. Het zegt:

Aha wanneer het de trompet hoort schallen. Dat betekent: ‘O, fijn, ik mag gaan vechten.’ Het trekt ten oorlog. Het ruikt de strijd van ver en wordt er enthousiast van.

Het scherpe zicht van havik en arend

Illustratie bij: De arend ziet zijn prooi van ver.
Job 39:29-33

Vliegt de havik dankzij uw wijsheid en spreidt hij daardoor zijn vleugels naar het zuiden? Stijgt de arend op uw bevel omhoog en bouwt hij op uw bevel zijn nest in de hoogte? Hij woont op de rots, op een uitstekende rotspunt, in zijn vesting. Vandaar speurt hij naar prooi; zijn ogen zien die van ver. Zijn jongen drinken bloed, en waar de gedoden liggen, daar is hij.

Arenden en haviken kunnen hun prooi van ver zien. Ik vermoed dat iemand in de oudheid dit wel had kunnen weten. Maar God is hier aan het woord. Hij kon dat dus openbaren, ook als mensen dat nog niet wisten. Maar we weten nu dat de ogen van een arend op grote afstand zoveel scherper kunnen zien dan wij. Ze hebben een soort telescopisch gezichtsvermogen. Toch weet ik niet hoe iemand die dit in de oudheid schreef, dat zou hebben geweten. Hier staat dat God aan het woord is. Ik denk dat dat waarschijnlijk de beste verklaring is voor de manier waarop deze informatie hierin terecht is gekomen. Natuurlijk konden ze zeggen: ‘De arend zit daar hoog in de lucht. Hij ziet zijn prooi, dus hij ziet die van ver.’ Maar als wij de arend kunnen zien, dan ziet hij ons niet beter dan wij hem zien. Als hij ons kan zien en wij hem kunnen zien, is dat niet zo uitzonderlijk. Maar een arend die hoog op een rotspunt zit, ziet zijn prooi in de verte en duikt er dan op af. Hier wordt iets opgemerkt over het uitzonderlijke gezichtsvermogen van arenden en haviken, vooral van arenden. Ik weet echt niet hoe mensen in de oudheid dat zo volledig zouden hebben kunnen beseffen als wij.

Dan die laatste regel:

Waar de doden liggen, daar is hij.

Dat wil zeggen: daar is de arend. De arend is overal waar dode mensen of dode dieren zijn. Sommige mensen hebben gezegd dat arenden geen aaseters zijn, dus dat dit strikt genomen niet klopt. Ze doen zich niet tegoed aan dode dieren. Ze jagen op levende prooien, en dit zou misschien op gieren moeten slaan. Ik dacht altijd dat dat wel eens waar kon zijn, omdat ik weinig van arenden wist totdat ik in Idaho woonde. Toen zagen we daadwerkelijk arenden. Er zijn daar veel Amerikaanse zeearenden. We hebben kunnen zien hoe ze boven de rivier vlogen en dergelijke. Natuurlijk jagen ze op levende prooien. Ze jagen op vissen en klein wild. Maar op een keer lag er een dood hert of een dode koe of zoiets langs de weg waar we woonden. Toen ik daar een keer naartoe reed, zaten er vier arenden op dat dier en pikten eraan. Dus ik vermoed dat ze niet zo kieskeurig zijn. Ze eten ook dode dieren. Dat is wat God zei:

Arenden en lijken in Jezus’ uitspraken

Illustratie bij: Jezus onderwijst Zijn discipelen.

Waar de doden liggen, daar is hij.

Volgens mij is dit een spreekwoord geworden. Het is waarschijnlijk afkomstig uit dit vers in Job. Maar Jezus zegt het twee keer in Zijn toespraken. Eén keer in het zeventiende hoofdstuk van Lukas en één keer in Mattheüs 24. Hij zei:

Mattheüs 24:28

Want waar het dode lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.

(Vertalersnoot: de Engelse aanhaling heeft ‘arenden’, waar de HSV ‘gieren’ gebruikt. Greggs vergelijking van de Romeinen met arenden sluit aan bij de Engelse formulering.)

Dat is duidelijk een herformulering van dit vers. Maar op die twee plaatsen gebruikt Hij het niet in dezelfde context. Op de ene plaats lijkt Hij het te hebben over Jeruzalem dat door de Romeinen wordt overrompeld. Jeruzalem is als een lijk, en de Romeinen zijn als de arenden die komen aanvliegen en erop neerduiken. Dat is waar Hij het aanhaalt in Mattheüs hoofdstuk 24, vers 28.

Maar in Lukas 17 gebruikt Hij dit spreekwoord ook. In Lukas 17:37 spreekt Hij over het oordeel, wanneer Jezus terugkomt en de goddelozen oordeelt. En Hij spreekt erover dat de één meegenomen wordt en de ander achtergelaten. De discipelen zeggen:

Lukas 17:37

En zij antwoordden en zeiden tegen Hem: Waar, Heere? En Hij zei tegen hen: Waar het lichaam is, daar zullen de gieren zich verzamelen.

(Vertalersnoot: ook hier heeft de Engelse aanhaling ‘arenden’, tegenover ‘gieren’ in de HSV.)

Dat wil zeggen: waar worden ze naartoe meegenomen? Hij zegt:

Waar het lijk ligt, daar zullen de arenden samenkomen.

Dat wil zeggen: degenen die bij het oordeel meegenomen worden, zijn lijken. En je kunt ze vinden door naar de arenden te zoeken, want die verzamelen zich altijd rond lijken.

Het punt is dat Hij deze uitspraak in twee verschillende contexten doet:

Waar het lijk ligt, zullen de arenden samenkomen.

Het lijkt erop dat het een spreekwoord kan zijn geworden. Het verschilt eigenlijk niet zoveel van ons Amerikaanse spreekwoord: ‘Waar rook is, is vuur.’ Als je rook ziet, weet je dat er ergens daaronder vuur is. In de verte kun je rook zien. Je kunt daaruit afleiden dat er vuur is, want dat brengt rook voort. Het is zoiets als: ‘Waar lijken zijn, zijn arenden.’ Als je de lijken wilt vinden, zoek dan naar de arenden. Zoek naar de vogels die zich eraan tegoed zullen doen. Dat lijkt in het latere Hebreeuws een algemeen bekende waarheid te zijn geworden. De manier waarop Jezus het gebruikt, klinkt daarnaar, maar het zou blijkbaar hier zijn oorsprong hebben.

Job zwijgt en God ondervraagt hem verder

Illustratie bij: Job legt zijn hand op zijn mond.

Nu hoofdstuk 40 volgens de Engelse hoofdstukindeling; in de HSV zijn we nog aan het einde van hoofdstuk 39.

Job 39:34-35

De HEERE antwoordde Job: Wil degene die met de Almachtige een rechtszaak voert Hem terechtwijzen? Laat degene die God verwijten maakt Hem antwoorden.

Toen antwoordde Job de HEERE, maar slechts met een paar zinnen. Hij zei:

Job 39:36-38

Job antwoordde de HEERE: Zie, ik ben onwaardig; wat kan ik U antwoorden? Ik leg mijn hand op mijn mond. Eenmaal heb ik gesproken, maar ik zal niet antwoorden; tweemaal, maar ik zal niet verdergaan.

Dus in wezen komt Job hier tot bekering. Hij zegt:

Ik heb gepraat terwijl ik mijn mond had moeten houden. Dat zal ik niet meer doen.

Het klinkt alsof hij tot bekering is gekomen. En daarom zou je denken dat er geen verdere terechtwijzing nodig is. Maar God gaat door.

Job 40:1-2

1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een storm en zei: 2Omgord nu als een man uw heupen, dan zal Ik u ondervragen. Maak Mij eens bekend:

Bedenk dat Job zei:

Ik zou een zaak willen voorbereiden om God voor de rechtbank tegemoet te treden.

God zegt: ‘Goed, je krijgt je rechtszitting. Laat Mij je een paar vragen stellen. Jij bent de getuige. Ik zal hier het verhoor afnemen.’

Job 40:3-6

Wilt u Mijn oordeel tenietdoen? Wilt u Mij veroordelen om zelf rechtvaardig te zijn? Hebt u een arm als God? Kunt u donderen met een stem als de Zijne? Tooi u dan met majesteit en luister en bekleed u met heerlijkheid en schoonheid. Laat uw toorn los; zie iedereen die hoogmoedig is en verneder hem.

Dit zijn dingen die God kan doen. Hij daagt Job uit om te proberen dezelfde dingen te doen.

Job 40:7-9

7Zie elke hoogmoedige en onderwerp hem, en verpletter de goddelozen op hun plaats. 8Verberg hen tezamen in het stof; omwikkel hun gezichten in het verborgene. 9Dan zal ook Ik u prijzen, omdat uw rechterhand u verlost heeft.

Wanneer jij een paar van de dingen doet die Ik geregeld doe, dan zal Ik onder de indruk zijn en toegeven dat je iets voor jezelf kunt doen.

Behemoth: volgens de spreker een dinosaurus

Illustratie bij: Behemoth rust tussen riet en wilgen.
Job 40:10-14a

10Zie toch, de Behemoth, die Ik gemaakt heb, evenals u, hij eet gras zoals een rund. 11Zie toch zijn kracht in zijn lendenen, en zijn sterkte in de spieren van zijn buik. 12Als hij wil, is zijn staart als een ceder; de pezen van zijn dijen zijn samengevlochten. 13Zijn beenderen zijn als staven brons; zijn gebeente is als ijzeren stangen. 14Hij is de voornaamste van Gods werken;

Blijkbaar de eerste in rang, de indrukwekkendste.

Job 40:14b-19

14Hij Die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard verschaft. 15De bergen brengen immers voedsel voor hem voort, en alle dieren van het veld spelen daar. 16Hij legt zich te slapen onder schaduwrijke bomen, in een schuilplaats van riet en moeras. 17De schaduwrijke bomen bedekken hem elk met zijn schaduw; de wilgen van de beek omringen hem. 18Zie, als de rivier wild wordt, beeft hij niet; hij blijft kalm wanneer de Jordaan opbruist tegen zijn bek. 19Kan iemand hem bij zijn ogen vangen? Kan iemand hem met strikken de neus doorboren?

(Vertalersnoot: de Engelse aanhaling zegt bij vers 14 dat alleen de Maker Zijn zwaard tegen het dier kan opnemen. Greggs verdere uitleg over de onmogelijkheid het dier te doden berust op die lezing; de HSV formuleert dit anders.)

De Behemoth is geen bekend dier. Dat wil zeggen, er is geen hedendaags dier waarvan bekend is dat de oude Hebreeën het Behemoth noemden. Daarom kan dit dier alleen aan de hand van zijn beschrijving worden geïdentificeerd. Met andere woorden, het woord Behemoth helpt ons niet, want er is geen bekende diersoort die onder die naam bekendstond. We moeten dus op de beschrijving afgaan.

Persoonlijk denk ik dat Behemoth een dinosaurus was. Ik denk niet dat iets anders zo goed bij de beschrijving zou passen. Er zijn enkele hedendaagse dieren die bijna bij de beschrijving passen, als je een zekere mate van overdrijving toestaat. Natuurlijk verwijst God naar een dier dat Job kent. Hij heeft gesproken over paarden en wilde ossen en arenden, en nu spreekt Hij over Behemoth. Alles waar God tot nu toe over heeft gesproken, is iets wat Job kent, en Hij gaat ervan uit dat Job deze schepselen kent. Behemoth is dus een schepsel dat Job gekend zou hebben, dat hij gezien zou hebben.

De moderne wetenschap, de moderne evolutiewetenschap, vertelt ons dat er nooit iemand tegelijk met dinosaurussen heeft geleefd. Dinosaurussen stierven miljoenen jaren voordat de mens verscheen uit. Daarom kunnen de uitleggers die door die visie van de moderne evolutiewetenschap worden beïnvloed, niet aanvaarden wat anders een voor de hand liggende conclusie zou lijken. De beschrijving is die van een reusachtig monster van een of andere soort. Het vormt niet echt een bedreiging voor de mens, want het eet planten, maar het is toch zo enorm dat zijn botten als ijzeren staven zijn. Vrijwel niemand zou het dier kunnen overmeesteren; niemand zou het kunnen doden. Alleen God zou Zijn zwaard ertegen kunnen opnemen. Als Hij het wil doden, kan Hij dat, maar niemand anders kan dat.

Soms wordt gedacht dat het nijlpaard het dier is waar hier naar wordt verwezen, maar dat past niet. De olifant zou de andere mogelijkheid zijn. Olifanten en nijlpaarden zijn allebei grote dieren met sterke botten, en je zou ze in rivieren kunnen zien, want olifanten spelen en wentelen graag in rivieren, enzovoort. Nijlpaarden leven in rivieren, en ze eten veel. Als je wilde overdrijven, zou je kunnen zeggen dat ze al het voedsel op de hele heuvelhelling zouden kunnen opeten.

Het probleem is dat ze niet erg goed bij de hele beschrijving passen. Het duidelijkste punt dat iedereen noemt, en terecht, is dat dit schepsel een indrukwekkende staart heeft, terwijl nijlpaarden en olifanten heel kleine staarten hebben. Als je de majesteit van een van deze schepselen gaat beschrijven, ga je niet naar zijn staart verwijzen. Je zult naar andere dingen verwijzen. Ze zijn enorm, maar hun staarten behoren niet tot de dingen die je zou noemen. Je zou die zeker niet in deze bewoordingen noemen:

Hij beweegt zijn staart als een ceder.

Een ceder is een grote boom. Dit schepsel heeft een staart die als een boom heen en weer beweegt.

Het schepsel moet in feite minstens zo groot zijn als een olifant, anders zou de olifant de voornaamste van Gods werken zijn. Dit is het indrukwekkendste dier dat God heeft gemaakt, blijkbaar het grootste. Het kan dus niet kleiner zijn dan een olifant, maar het kan ook geen olifant zijn, want de beschrijving past niet echt bij een olifant. Het moet iets groters zijn, groter dan welk dier ook dat wij kennen, en een dier met een enorme staart. Er zijn eigenlijk geen levende dieren van dat formaat met enorme staarten. Reptielen zijn de enige diergroep met zulke enorme staarten. Sommige reptielen hebben die. Zoogdieren hebben over het algemeen geen enorme staarten.

Het zou een zeedier kunnen zijn, maar dat is het niet, want het eet de heuvelhelling kaal. Sommige zeedieren hebben enorme staarten, zoals walvissen. Maar wat landdieren betreft, zullen we hier vooral bij de reptielen moeten zoeken. Meestal zijn het hagedisachtige reptielen die zulke staarten hebben. Krokodillen hebben ook staarten, maar dit is geen krokodil, want nogmaals, een krokodil is een vleeseter, en de meeste hagedissen zijn dat ook. Dit is een planteneter, en hij is groter dan een olifant. Volgens mij moet je hierin iets zien als wat wij een brontosaurus of brachiosaurus noemen, of zoiets, een of andere grote, monsterachtige, plantenetende dinosaurus. Een brachiosaurus is zo'n dier dat je als eerste te zien kreeg als je Jurassic Park hebt gezien, toen ze daar net aankwamen en die wezens met hun lange nekken zagen. Ze worden beschouwd als enkele van de langste en grootste dinosaurussen, en toch aten ze voornamelijk gras en andere planten. Als het geen dinosaurus is, dan is het niets wat wij kennen. Maar dinosaurussen kennen we wel.

Voor mij roept dit vragen op over de huidige wetenschappelijke orthodoxie dat alle dinosaurussen uitgestorven waren voordat er mensen waren om ze waar te nemen, want dit schepsel wordt waargenomen. Job kent het. Als je de tekst neemt zoals hij er staat, lijkt het inderdaad te gaan om wat wij tegenwoordig een dinosaurus zouden noemen. Welke soort, dat kunnen we niet met zekerheid zeggen, maar dinosaurus betekent ‘verschrikkelijke hagedis’ in het Latijn. Het is een term voor al die verschillende enorme reptielensoorten die ooit over de aarde zwierven en er nu niet meer lijken te zijn.

Leviathan: zeemonster of krokodil

Illustratie bij: Leviathan aan de waterkant.

In hoofdstuk 41 volgens de Engelse hoofdstukindeling hebben we er nog een. In de HSV begint deze passage in Job 40:20. Er staat:

Job 40:20

Kunt u de Leviathan met een vishaak trekken, of zijn tong met een touw neerdrukken?

Leviathan is een term die op een aantal plaatsen in de Bijbel wordt gebruikt, en uitleggers wijzen er graag op dat Leviathan een mythe was, een naam voor een mythisch wezen bij de Kanaänieten. De Kanaänieten hadden een mythisch zeemonster dat Leviathan heette en waarover ze spraken. Maar misschien was het niet zo mythisch. Misschien bestond er werkelijk een zeemonster en denken alleen moderne mensen dat het mythisch is, omdat ze óf helemaal uitgestorven zijn, óf zich nauwelijks meer laten zien en wij ze niet zien.

Hoe dan ook, Leviathan wordt hier heel duidelijk behandeld als een werkelijk bestaand schepsel, niet als een mythisch wezen. Er wordt namelijk gesproken over de bekende onkwetsbaarheid van dit schepsel voor dingen als speren en pijlen en stenen, slingerstenen, enzovoort. Niets kan het verslaan. Toch is dit geen grasetend schepsel dat in moerassen leeft, zoals de Behemoth. Dit is een vleeseter. Zijn bek zit vol scherpe tanden. Alleen al bij het zien ervan vallen mensen flauw.

Dit is een groot, vleesetend schepsel, waarschijnlijk een reptiel. Er wordt over zijn schubben gesproken. Er zijn niet veel schepsels met schubben. Vissen en reptielen hebben schubben. Daarmee zijn de mogelijkheden eigenlijk wel uitgeput. Het is geen vis, want hoewel het wel het water in gaat, komt het ook op het land, en mensen bestrijden ze op het land. Het is dus een reptiel.

Opnieuw zullen degenen die niet geloven dat dinosaurussen en mensen ooit tegelijkertijd op dezelfde planeet leefden, zeggen dat dit op de krokodil slaat. In bijna alle opzichten lijkt het inderdaad op een krokodil, behalve dat een krokodil niet onkwetsbaar is. Een krokodil heeft een vrij taaie, geschubde huid, dat is waar, maar je kunt die doorboren. Je kunt die gemakkelijk genoeg met een speer doorboren, of met een pijl. Maar als je pijlen op de schubben van dit schepsel afschiet, breken de pijlen op zijn schubben alsof ze van gras gemaakt zijn, alsof ze van droog gras gemaakt zijn.

We hebben het dus over iets wat veel geduchter is dan een krokodil. Als je de beschrijving leest, wordt er zelfs over gesproken dat het vuur spuwt. Als dat letterlijk bedoeld is, is het zeker ook geen krokodil. Laten we kijken wat er staat.

Leviathan laat zich niet vangen of temmen

Illustratie bij: Niemand durft Leviathan te vangen.
Job 40:20-21

20Kunt u de Leviathan met een vishaak trekken, of zijn tong met een touw neerdrukken? 21Kunt u een riet door zijn neus steken, of met een doorn zijn kaak doorboren?

Bij een krokodil zou je dat kunnen, maar bij Leviathan niet.

Job 40:22-23

22Zal hij u talrijke smeekbeden doen? Zal hij zachte dingen tegen u spreken? 23Zal hij een verbond met u sluiten? Kunt u hem aannemen als een eeuwige slaaf?

Met andere woorden, kun je hem tam maken? Kun je een huisdier van hem maken?

Job 40:24

Kunt u met hem spelen als met een vogeltje? Of hem vastbinden voor uw meisjes?

Zodat ze hem kunnen uitlaten?

Job 40:25 — naar de Engelse aanhaling

Zullen uw metgezellen een maaltijd van hem maken?

(Vertalersnoot: Gregg citeert hier een Engelse lezing over een maaltijd. De HSV spreekt in dit vers over verkopen en verdelen onder kooplieden.)

Je zult hem niet eens opeten. Je moet hem eerst doden. Dat kun je niet.

Zullen ze hem onder de kooplieden verdelen?

Trouwens, het feit dat Hij ervan uitgaat dat je geen maaltijd van hem kunt maken, betekent dat het geen krokodil is, en ook geen ander bekend reptiel dat nu leeft en dat we kunnen vinden, want mensen eten wel degelijk krokodil. Voor de meeste beschaafde mensen is het geen alledaagse lekkernij, maar ze zijn eetbaar en ze worden gegeten. Dit schepsel is nog nooit door mensen gegeten. Niet omdat het niet lekker is, maar omdat niemand kan ontdekken of het lekker is of niet, want mensen zijn blijkbaar lekker voor hem.

Job 40:26a

Kunt u zijn huid met harpoenen doorboren?

Het veronderstelde antwoord is nee, dat kun je niet.

Job 40:26b-27

Of zijn kop met visserssperen? Leg uw hand maar op hem; denk aan de strijd en doe het nooit weer.

Probeer maar eens de strijd met hem aan te gaan, dan zul je je lesje leren. Je zult het geen tweede keer proberen.

Job 40:28–41:2

Elke hoop hem te overwinnen is vergeefs. Wordt men niet alleen al bij zijn aanblik overweldigd? Niemand is zo onverschrokken dat hij hem durft op te jagen. Wie kan dan tegen Mij standhouden? Wie heeft Mij iets gegeven waarvoor Ik hem moet terugbetalen? Alles onder de hemel is van Mij.

Ik ben groter dan Leviathan. Ik kan Leviathan wel aan. Ik heb hem gemaakt. Ik heb hem onder controle. Jij bent bang voor hem. Je zou banger voor Mij moeten zijn.

Leviathans bouw en schubbenpantser

Illustratie bij: Leviathans schubben en vurige adem.
Job 41:3

Ik zal niet zwijgen over zijn ledematen, over zijn geweldige kracht, en over de fraaiheid van zijn gestalte.

Hij spreekt verder over zijn geweldige kracht of zijn sierlijke lichaamsbouw. Ook dit lijkt niet op een krokodil. Krokodillen hebben geen indrukwekkende ledematen. Ze hebben korte, kleine, stompe poten. Ze zijn ook niet bepaald sierlijk. Ik denk dat je ze in het water misschien sierlijk zou kunnen vinden. Op het land zijn ze wat onhandig.

Job 41:4

Wie zou de bovenkant van zijn gewaad durven opslaan? Wie durft zijn dubbele pantser te benaderen?

(Vertalersnoot: de Engelse aanhaling heeft hier ‘een dubbel hoofdstel’, waar de HSV ‘zijn dubbele pantser’ heeft. Greggs volgende vraag sluit aan bij de Engelse formulering.)

Ga je hem een hoofdstel omdoen en op hem rijden als op een paard?

Job 41:5-7

5Wie kan de deuren van zijn gezicht openen? Rondom zijn tanden is verschrikking. 6Zeer machtig zijn zijn sterke schilden, elk gesloten als met een nauw sluitend zegel. 7Het ene zit zo dicht op het andere, dat de wind er niet tussen kan komen.

Hij heeft een waterdicht en zelfs luchtdicht schubbenpantser.

Job 41:8-9

8Zij kleven aan elkaar, zij grijpen in elkaar en kunnen niet gescheiden worden. 9Zijn niesen laat een licht schijnen, en zijn ogen zijn als de oogleden van de dageraad.

Blijkbaar lijken zijn ogen te gloeien. Als je vuur in je hoofd hebt, dan zouden je ogen volgens mij wel gloeien, toch, van buitenaf gezien, als ramen? Er staat:

Job 41:10-13

10Uit zijn bek komen fakkels, vurige vonken ontsnappen eruit. 11Uit zijn neusgaten komt rook, zoals bij een kokende ketel en een smeulend riet. 12Zijn adem zet kolen in brand, uit zijn bek komt een vlam. 13In zijn nek woont kracht; verschrikking springt voor hem uit.

Vuurspuwende draken en dierlijke vermogens

Illustratie bij: De wonderlijke adem van Leviathan.

Laten we nu even praten over dat vuurspuwen. Wat heeft dat te betekenen? Krokodillen spuwen beslist geen vuur. Sterker nog, geen enkel dier dat wij kennen, spuwt vuur. We weten zelfs niet of er ooit een dinosaurus vuur heeft gespuwd. Hoewel er overal ter wereld legenden bestaan over vuurspuwende draken die heel ver teruggaan. China en enkele van de oudste beschavingen hebben heel oude legenden over draken, en die draken worden afgebeeld als reptielachtige wezens, en als reusachtig groot. Het kunnen herinneringen zijn aan dit wezen uit de tijd dat het de mensheid terroriseerde.

In sommige landen aanbad men draken. Misschien was dat een manier om dit wezen gunstig te stemmen. Ze kenden geen enkele manier om te voorkomen dat het al hun kinderen en hun vee kwam opeten, dus probeerden ze het gunstig te stemmen met offers of iets dergelijks. Maar het is interessant hoeveel verschillende landen geloven dat er draken waren en dat er vuurspuwende draken waren. Dat is iets vreemds om te bedenken: vuurspuwen. Voor ons is het gewoon, omdat we van jongs af aan vuurspuwende draken hebben gezien in tekenfilms en dergelijke. Maar denk er eens over na als je nog nooit het idee had gehad van een draak die vuur spuwt. Je hebt nog nooit een dier gezien dat vuur spuwt. Het idee is krankzinnig. Misschien zou ergens een of ander klein landje een denkbeeldig dier kunnen verzinnen dat vuur spuwt. Maar waarom zou dat in al die verschillende landen onafhankelijk van elkaar opkomen? Ik weet het niet.

Het is natuurlijk mogelijk dat sommige dingen die werden waargenomen, bijvoorbeeld wanneer een walvis lucht uit zijn blaasgat blaast en er allemaal damp te zien is... Misschien dachten ze dat er rook of vuur uit kwam als ze dat in de vroege ochtend zagen en het zonlicht het rood deed lijken. Maar dit is geen walvis.

Er zijn zelfs vandaag de dag dieren met vreemde vermogens. Iedereen kent sidderalen. Alle levende wezens wekken elektriciteit op. Onze levensprocessen werken elektrisch, maar sommige wezens kunnen hoogspanning opwekken. Als je een sidderaal vastpakt, word je geëlektrocuteerd, net alsof je een stroomdraad vastpakt waar spanning op staat. Het is ongelooflijk. Je denkt niet aan een dier dat elektriciteit met een hoge spanning opwekt, maar sommige doen dat.

Er zijn er die licht voortbrengen, zoals sommige diepzeevissen die men pas sinds kort kent, sinds we bathysferen en bathyscafen hebben die kunnen afdalen naar de diepzee, waar geen licht is. Daar zijn vissen ontdekt waarbij iets als een hengel uit hun kop groeit, met een lichtje dat vissen aantrekt die hun tot voedsel dienen. Het is als aas. Het is alsof je met kunstaas vist, en dat kunstaas is iets wat licht geeft.

We weten dat vuurvliegjes licht voortbrengen. Er zijn insecten, er zijn vissen, er zijn allerlei soorten wezens die elektriciteit, licht en zelfs explosieve hitte voortbrengen. Je hebt misschien weleens gehoord van de bombardeerkever. Die heeft in zijn lichaam werkelijk de chemische stoffen die nodig zijn om samen een explosie te veroorzaken. Zoals ik het begrijp... Ik heb er nog nooit een in actie gezien, behalve op beelden. Ik heb er video's van gezien, maar ik heb er nog nooit een in het echt gezien. Blijkbaar spuiten ze deze heel hete stoom uit hun achterlijf naar hun vijanden. Zoals een stinkdier een stinkende muskus afscheidt en daarmee sproeit, zo spuit de bombardeerkever heel hete stoom uit. Is dat wat het is? Is het hete stoom? Hij heeft die chemische stoffen die God in zijn lichaam heeft gelegd om die hitte op te wekken die hij tegen zijn vijanden uitspuit.

Nu kennen wij niets dat vuur ademt. Maar de dingen die we wel kennen, zijn net zo vreemd. Het is niet onmogelijk dat er ooit wezens hebben geleefd die wel vuur ademden. Als je zegt: ‘Nou, dat klinkt toch wel erg mythisch’ — dat komt alleen doordat we er zoveel mythen over hebben. Maar waar kwamen die mythen vandaan? Waarom verzonnen mensen mythen over zoiets vreemds? Waarom spreekt God tegen Job alsof hij zulke wezens kent, alsof hij dit heeft gezien, alsof zijn generatie dit heeft gezien? En bedenk: zelfs als iemand niet zou geloven dat dit een geïnspireerd boek was en niet zou geloven dat God deze woorden sprak, dan dacht degene die het schreef nog altijd dat zijn lezers hiermee vertrouwd zouden zijn.

De schrijver schreef in een tijd waarin je van de lezer mocht verwachten dat hij van dit schepsel afwist, want de bedoeling van de auteur is om indruk op de lezer te maken. We moeten dus echt rekening houden met de mogelijkheid dat er dieren waren die daadwerkelijk vuur en vonken uitspuwden. Het is niet zo vergezocht als je denkt aan sommige dingen die we uit onze eigen tijd kennen. In de oudheid waren er misschien nog veel meer.

Leviathan is onkwetsbaar voor wapens

Illustratie bij: Wapens houden geen stand tegen Leviathan.

Vers 23 in de Engelse indeling, overeenkomend met Job 41:14 in de HSV:

Job 41:14-15a

De plooien van zijn vlees zitten vast aan elkaar; ze zijn stevig en onbeweeglijk. Zijn hart is hard als steen.

Waarschijnlijk wordt daarmee zijn borst bedoeld. Als je iets door zijn hart zou proberen te werpen om hem te doden, zul je merken dat je net zo goed je speer naar een stuk steen kunt werpen. Verder dan dat zul je niet komen.

Job 41:15b-16

15ja, hard als de onderste molensteen. 16Als hij zich verheft, zijn de sterken bevreesd; als hij doorbreekt, raken zij buiten zichzelf.

Zich verheffen doen krokodillen niet. Nou, ik denk dat krokodillen zich wel oprichten als ze gaan rennen. Ze gaan op alle vier hun poten staan en rennen op een wat onbeholpen manier. Meestal liggen ze op hun buik omdat ze lui zijn, maar als ze iets willen achtervolgen, kunnen ze opstaan en ongeveer 48 kilometer per uur rennen. Je wilt niet door zo'n dier achtervolgd worden. Ik denk dat je inderdaad bang zou zijn als ze zich oprichten. Ik denk dat we het eigenlijk niet met zekerheid kunnen zeggen, maar de indruk die ik krijg, is dat hij zich op zijn achterpoten opricht.

Een krokodil kan zich wel oprichten, en dan kun je in de problemen zitten. Maar als je tot de machtigen behoort, zul je niet banger voor hem zijn dan voor een aanstormende stier of welk ander dier ook. Dit schepsel is niet zoals de meeste dieren die je kunnen verwonden. Dit is een onkwetsbaar dier, onkwetsbaar voor je wapens.

Zijn geraas. Je stelt je van die films over dinosaurussen of King Kong of zoiets voor. De mensen in de jungle horen bomen krakend neerstorten terwijl dit schepsel nadert. Je hebt het nog niet gezien, maar dat zal niet lang meer duren. Of zelfs in Lost, gebeurde daar aan het begin niet zoiets? Ik heb de serie niet gezien, maar dat geluid van gekraak in het bos en zo. Blijkbaar kon je aan het geraas horen dat dit schepsel eraan kwam. Het brengt mensen buiten zichzelf. Het maakt ze niet alleen bang, het maakt ze gek van angst. Dat kan ik me voorstellen.

Job 41:17a

Treft iemand hem met het zwaard, dat houdt geen stand;

Als je dicht genoeg bij hem zou kunnen komen om hem te steken, zul je er niet doorheen kunnen komen. Er staat:

Ook de speer of de werpspies — dat wil zeggen een pijl — of de werplans niet.

Natuurlijk heeft hij het nog nooit opgenomen tegen onze vriend Jeremiah met de werpspeer. Je weet maar nooit, misschien zou hij hem kunnen uitschakelen. Maar destijds hadden ze geen werpsperen die erdoorheen konden dringen.

Voor hem is ijzer net stro en brons net verrot hout.

Brons, metalen wapens: daarop reageert het alsof er verrot hout tegenaan wordt gegooid.

Een pijl jaagt hem niet op de vlucht. Slingerstenen zijn voor hem net stoppels. Werpspiesen, of pijlen, zijn voor hem net stro. Hij lacht om de dreiging van werplansen. Zijn onderkant is als scherpe potscherven. Hij trekt scherpe sporen in de modder.

Dat wil zeggen: je kunt zijn sporen zien. Hieraan weet je dat dit een dier is waarmee Job echt vertrouwd was. God wijst erop:

Je hebt zijn sporen gezien. Je hebt de afdruk gezien die zijn buik in de modder achterlaat als hij ergens is geweest.

Je kunt de puntige afdrukken zien die de schubben op zijn buik hebben achtergelaten.

Hij laat het diepe water koken als een pan; hij maakt van de zee een pot zalf. Hij laat een glanzend spoor achter; je zou denken dat het diepe water wit haar heeft.

Je hoeft dit niet letterlijk op te vatten, alsof het water plotseling begint te koken wanneer hij het water in gaat. Waarschijnlijk is het eerder zo dat hij zoveel water verplaatst wanneer hij het water in gaat en zwemt, dat hij een ketel vol borrelend en woelig water achter zich laat. Het lijkt alsof het kookt.

Nergens op aarde is er iemand zoals hij, gemaakt om nergens bang voor te zijn. Hij kijkt neer op alles wat hoog is; hij is de koning van iedereen die trots is.

Dat is het einde van Gods toespraak. Hij spreekt over deze dinosaurussen. Ik geloof dat het dinosaurussen zijn. Wat zouden het anders kunnen zijn? Ze kunnen niets anders zijn. Toch zijn het dieren die leefden in de tijd van Jobs tijdgenoten, zodat zij konden weten waar God het over had en konden herkennen dat Hij de waarheid over deze schepsels sprak.

Jobs berouw en kleinheid tegenover God

Illustratie bij: Job heeft berouw in stof en as.

Dan, in hoofdstuk 42, antwoordde Job de HEERE en zei:

Job 42:1-6

1Toen antwoordde Job de HEERE en zei: 2Ik weet dat U alles vermag, en geen plan is onmogelijk voor U. 3Wie is hij, zegt U , die Mijn raad verbergt zonder kennis? Zo heb ik verkondigd wat ik niet begreep, dingen die te wonderlijk voor mij zijn en die ik niet weet. 4Luister nu, en ík zal spreken! Ik zal U ondervragen: maak het mij bekend! 5Alleen door het horen met het oor had ik U gehoord, maar nu heeft mijn oog U gezien. 6Daarom veracht ik mijzelf en ik heb berouw, in stof en as.

Een visioen van God helpt dus niet echt om iemands gevoel van eigenwaarde te versterken. Hij ziet God en zegt:

Ik walg van mezelf.

En dat is iets goeds. Vanaf dat moment ging het beter met hem. De humanistische psychologie zegt dat je je gevoel van eigenwaarde moet bewaken. Je moet je gevoel van eigenwaarde hooghouden. Als je een laag gevoel van eigenwaarde hebt, zal dat schadelijk voor je zijn. In de Bijbel is het andersom. Mensen met een hoog gevoel van eigenwaarde hebben geen voeling met de werkelijkheid. Ze hebben geen voeling met God.

Wanneer iemand God werkelijk ziet, loopt het altijd hierop uit. Ze vallen neer, ze voelen zich vernederd, ze voelen zich nietig, ze voelen afkeer van zichzelf. Waarom? Omdat God zo groot is en wij zo klein zijn. Wanneer we niet beseffen hoe klein we zijn, leven we eenvoudigweg niet in de werkelijkheid. In elk geval niet in de werkelijkheid van het kennen van God.

God wijst Jobs vrienden terecht

Illustratie bij: Jobs vrienden brengen de voorgeschreven offerdieren.

Dat is het einde van het poëtische gedeelte van het boek. De laatste verzen zijn allemaal in proza geschreven, net als de eerste twee hoofdstukken.

Job 42:7-8

7Nadat de HEERE deze woorden tot Job gesproken had, gebeurde het dat de HEERE tegen Elifaz, de Temaniet, zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job. 8Neem daarom zeven jonge stieren en zeven rammen voor u, en ga naar Mijn dienaar Job. Breng brandoffers voor u en laat Mijn dienaar Job voor u bidden. Want alleen zijn gebed zal Ik aannemen, zodat Ik met u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.

Job treedt duidelijk op als een priester. Dat betekent dat dit vóór de instelling van het gebruikelijke priesterschap van de Levieten moet zijn geweest. Hij had dit voor zijn eigen kinderen gedaan. Hij had offers voor hen gebracht. Nu moet hij offers brengen en bidden voor deze mannen, zijn vrienden. Ze zijn nu op zijn barmhartigheid aangewezen, en gelukkig is Job barmhartig. Hij is vernederd. Hij zal zich niet boven hen verheffen, alleen maar omdat ze niet erg vriendelijk voor hem waren.

Het is interessant dat God twee keer tegen Elifaz zegt dat hij en zijn vrienden niet juist over God hebben gesproken. Toch lijkt het mij dat wat ze over God zeiden, niet het probleem leek te zijn. Het probleem is wat ze over Job zeiden. Het lijkt erop dat de dingen die ze over God zeiden, allemaal positieve dingen over God waren. Ze hielden vol dat God rechtvaardig is en dat God machtig is, enzovoort. Dat lijken de juiste dingen om te zeggen. Maar ze hadden de verkeerde dingen over Job gezegd, omdat ze zeiden dat hij slecht was, en dat was hij niet.

Blijkbaar was dit het verkeerde aan wat ze zeiden: nogmaals, wat ze zeiden was in wezen waar, maar ze beseften niet dat het niet in alle gevallen waar is. Ze hadden God in een hokje gestopt. Ze konden niet toelaten dat God op manieren handelt die verder gaan dan de fundamentele, voorspelbare waarheden die we over God kennen. Door de wegen van God te beperken tot wat een mens kan begrijpen, spraken ze dus verkeerd over God.

Maar Job zei de hele tijd: ‘Ik weet dat God rechtvaardig is. Hij is een goede God en dat allemaal. Maar ik begrijp het niet. Er zijn dingen die God doet die we niet kunnen begrijpen, en ik begrijp dit niet.’ Dat is blijkbaar een goede manier om over God te spreken. Het is soms goed om te zeggen: ‘Ik weet het niet.’ Het is niet altijd juist om te doen alsof we alle antwoorden weten.

Jobs herstel na zijn gebed voor vrienden

Illustratie bij: Familie troost Job tijdens een maaltijd.
Job 42:9-10

9Toen gingen Elifaz, de Temaniet, en Bildad, de Suhiet en Zofar, de Naämathiet, heen, en deden zoals de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het gebed van Job aan. 10En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. De HEERE vermeerderde alles wat Job bezeten had tot het dubbele toe.

Dat vind ik mooi. De Heere herstelde Job toen hij voor zijn vrienden bad. God herstelde Job niet toen hij bad om zelf hersteld te worden. Zijn genezing kwam toen hij ophield over zichzelf te jammeren en zich begon te bekommeren om de geestelijke behoeften van zijn vrienden. Zijn voorspoed keerde terug toen hij er niet aan dacht, toen hij er niet door in beslag werd genomen, maar toen hij zich meer bekommerde om het welzijn van zijn vrienden. Toen kwam ook zijn herstel.

Job 42:11

Al zijn broers en al zijn zusters en allen die hem vroeger gekend hadden, kwamen bij hem en gebruikten de maaltijd met hem in zijn huis. Zij betuigden hem hun medeleven en vertroostten hem over al het onheil dat de HEERE over hem gebracht had. Zij gaven hem ieder een geldstuk en een gouden ring.

Als het er veel waren, zou dat helpen om zijn bezit weer enigszins op te bouwen. Deze mensen hadden hem in de steek gelaten toen hij hulp nodig had. Ik weet niet of ik, als ik hem was, er echt op zou zitten te wachten dat ze me nu kwamen troosten. ‘Als ik jullie echt nodig heb, laten jullie me in de steek. Nu het weer goed met me gaat, komen jullie allemaal opdraven en eten. Jullie willen weer eten.’ Alle familieleden komen opdagen als het geld terugkomt. Dat klinkt niet als erg goede vrienden, maar hij was in de steek gelaten. Hij was waarschijnlijk gewoon blij dat hij weer wat gezelschap had, en op dit moment gezelschap dat hem niet veroordeelde.

Job 42:12

En de HEERE zegende het latere leven van Job meer dan zijn eerdere. Hij had veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend span runderen en duizend ezelinnen.

Dat is precies het dubbele van wat hij aan het begin had.

Jobs kinderen en de erfenis van zijn dochters

Illustratie bij: Job geeft zijn dochters een erfdeel.
Job 42:13

Hij kreeg zeven zonen en drie dochters.

Dat is precies hetzelfde als wat hij aan het begin had. En eerder is besproken of dit dezelfde zonen en dochters waren, die niet echt gestorven waren. (Vertalersnoot: de Engelse aanhaling zegt dat Job zeven zonen en drie dochters ‘had’; de HSV formuleert ‘Hij kreeg’.) Het bericht dat ze gestorven waren, was dan voorbarig geweest en ze leefden in werkelijkheid nog. Of gaf God hem nog drie dochters en nog zeven zonen, zodat hij inderdaad het dubbele had? Hij had dan namelijk zeven zonen en drie dochters in de hemel en zeven zonen en drie dochters op aarde. Dus nu had hij veertien zonen en zes dochters. Ik denk dat je het op beide manieren zou kunnen zien.

Job 42:14

En hij gaf de eerste de naam Jemima, de tweede de naam Kezia, en de derde de naam Keren-Happuch.

Ik weet niet waarom hij hun deze namen gaf. Jemima betekent ‘mooi als de dag’. Kezia betekent ‘kassie’ en Keren-Happuch betekent ‘hoorn van kleur’. Die namen hebben voor zover ik kan zien geen duidelijke betekenis voor het verhaal of iets dergelijks. Toch worden de namen van dochters zelden genoemd, vooral als de namen van de zonen ontbreken. De zonen worden niet bij name genoemd. Gewoonlijk worden de namen van de zonen genoemd, en niet die van de dochters. Dus ik weet niet echt zeker waarom dit naar voren wordt gebracht.

Dit is echter een heel vrouwvriendelijke afloop. Want niet alleen worden de dochters met hun naam geëerd terwijl dat bij de zonen niet gebeurt, maar ook:

Job 42:15

Zulke mooie vrouwen als de dochters van Job waren er in heel het land niet te vinden, en hun vader gaf hun een erfelijk bezit onder hun broers.

Dat was niet gebruikelijk. Gewoonlijk kregen de broers de erfenis. Van de dochters werd verwacht dat ze een erfenis zouden ontvangen uit de familie van hun man. Ze zouden trouwen, en daarom kregen dochters gewoonlijk geen erfenis van hun vader. Als getrouwde vrouwen zouden ze immers de erfenis van de familie van hun man ontvangen.

Maar Job besteedde bijzondere zorg aan zijn dochters, meer dan aan zijn zonen, zo lijkt het. Niet dat hij de zonen minder gaf, maar hij gaf de dochters meer dan een man gewoonlijk aan zijn dochters zou geven. Hij gaf de zonen niet meer dan een man gewoonlijk aan zijn zonen geeft. Dus hij leek een voorkeur voor zijn dochters te hebben.

Job 42:16-17

16Job leefde daarna nog honderdveertig jaar, en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen, vier generaties. 17En Job stierf, oud en van dagen verzadigd.

En blijkbaar heeft hij nooit meer zulke beproevingen meegemaakt.

Job als voorbeeld van volhardend geloof

Illustratie bij: Job houdt ondanks zijn lijden vast aan God.

Job staat er dan als iemand aan wie we volgens Jakobus moeten denken wanneer we beproevingen doormaken. Eigenlijk is Job naar mijn idee gewoon een voorbeeld van iemand die het geloof behield terwijl er absoluut niets was om dat geloof te ondersteunen. Een man die alleen maar een naakt geloof had, zonder bewijs. Een man die, toen alle feiten van zijn leven leken te zeggen dat God er niet is, of niet rechtvaardig is, of niet goed is, toch wist dat God goed is en dat God rechtvaardig is en dat God er is. Dat wist hij alleen op grond van zijn herinneringen en van wat hij gewoon intuïtief wist. En geen van de omstandigheden kon hem daarvan afbrengen.

Dat is behoorlijk uitzonderlijk. Ik heb mensen zich van God zien afkeren om veel minder dan wat Job heeft geleden. Soms keren mensen zich zelfs zonder enige aanleiding van God af. Er gebeurt in hun leven niet eens iets wat een beproeving is. Ze krijgen gewoon genoeg van God. Ze krijgen gewoon genoeg van geloven. Ze geven het gewoon op.

Maar Jobs geloof werd beproefd zoals waarschijnlijk het geloof van niemand anders die wij ooit zullen kennen, beproefd is. Hij staat er waarschijnlijk als de man met het grootste geloof van iedereen in de Bijbel, met misschien Jezus als uitzondering. Maar van alle geloofsmannen valt Job op als degene wiens geloof werkelijk meer dan dat van wie ook werd beproefd. En toch hield hij vast aan zijn geloof. Hij had er moeite mee om alles te doorgronden en te begrijpen hoe het allemaal met elkaar samenhangt, maar hij gaf zijn geloof in God niet op.

Daarmee zijn we klaar met Job.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Job 38 - 42. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.

Hoe wil je deze lezing volgen?

Je kunt deze keuze altijd wijzigen in de speler.

We onthouden je voorkeur op dit apparaat.

De lezing wordt geladen…

Beeld en tekst laden…