Job 23-28

Job houdt vast aan zijn onschuld

Luisteren 1 uur 3 min Lezen ± 52 min · Lezing 8 van 11

Testament
Boekcategorie
Schrijver / bijdrager
Tijdperiode van de inhoud
Mijn VVV

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/job/23-28.pdf?v=00114cf49e02. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/job/23-28.

Samenvatting

Job verdedigt zijn onschuld en bestrijdt de gedachte dat lijden altijd een straf op goddeloosheid is.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt Jobs verlangen om zijn zaak voor God te bepleiten en zijn vertrouwen dat hij na de beproeving als goud tevoorschijn zal komen. Hij laat zien hoe Job wijst op het leed van de armen en de voorspoed van goddelozen, terwijl zijn vrienden vastlopen in hun beschuldigingen. Volgens Gregg verwerpt Job niet dat God rechtvaardig oordeelt, maar wel dat je uit iemands omstandigheden zonder meer zijn schuld kunt afleiden: de algemene uitspraken van de wijsheidsliteratuur kennen uitzonderingen. Ook bespreekt hij de grenzen van het menselijke inzicht in Gods wegen en het wijsheidsgedicht van hoofdstuk 28, waarin ontzag voor God en het afwijzen van het kwaad als wijsheid en inzicht worden aangewezen.

Job wil zijn zaak voor God bepleiten

Illustratie bij: Job verlangt zijn zaak voor God te bepleiten.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Job hoofdstuk 23 tot en met 28.

Laten we dit verhaal weer oppakken. Elifaz heeft in hoofdstuk 22 voor het laatst gesproken. Job antwoordt in de hoofdstukken 23 en 24.

Job 23:1-3

1Maar Job antwoordde en zei: 2Ook vandaag is mijn klacht opstandigheid, mijn hand drukt zwaar op mijn zuchten. 3Och, wist ik maar dat ik Hem zou vinden, dan zou ik naar Zijn woonplaats toe komen.

Daarmee bedoelt hij God.

Job 23:4-7

4Ik zou de rechtszaak voor Zijn aangezicht uiteenzetten, en ik zou mijn mond vullen met mijn verdediging. 5Ik zou de woorden weten die Hij mij zou antwoorden; en ik zou begrijpen wat Hij tegen mij zou zeggen. 6Zou Hij een rechtszaak tegen mij voeren met de grootheid van Zijn kracht? Nee, maar Híj zou acht op mij slaan. 7Daar zou een oprechte zich tegenover Hem verdedigen; en ik zou voor altijd vrij zijn van mijn Rechter.

Het woord ‘Rechter’ staat daar in de New King James met een hoofdletter. Dat weerspiegelt geen hoofdlettergebruik in het Hebreeuws. De vertalers van de New King James nemen kennelijk aan dat ‘mijn Rechter’ God betekent, en dat is mogelijk waar. Maar hij zou ook kunnen bedoelen: God zou mij in het gelijk stellen tegenover degenen die mij veroordelen. Een man als Elifaz, die over mij oordeelt dat ik verkeerd zit. Als ik nu maar voor God kon staan en daar mijn zaak kon bepleiten, denk je dan dat God mij zou veroordelen? Ik weet zeker dat Hij dat niet zou doen. Hij weet dat ik onschuldig ben, en Hij zou mij in het gelijk stellen tegenover degenen die mij veroordelen.

Ik zou verlost worden uit deze situatie waarin ik nu zit. Zijn meest actuele en meest pijnlijke beproevingen zijn dat zijn vrienden verkeerd over hem oordelen. Natuurlijk heeft hij nog steeds verdriet om de dood van zijn kinderen en het verlies van zijn bezittingen. Maar dit is inmiddels weken geleden gebeurd, in elk geval een week geleden, dat weten we. En het zou weken geleden kunnen zijn dat dit gebeurde. Hij heeft tijd gehad om zich daaraan aan te passen. Hij is daardoor niet noodzakelijkerwijs nog verdoofd van de schok, maar wat hij nu doormaakt, is dit verkeerde oordeel.

Mensen die hadden moeten zeggen: ‘Ach, onze arme vriend Job. Hij is zo’n goed mens geweest. Het is verschrikkelijk dat hem dit overkomt’, komen zeggen: ‘Nou, hij moet wel een heel slecht mens zijn.’ Vervolgens zeggen ze tegen hem dat hij dat is. Eerst laten ze dat heel subtiel doorschemeren. Daarna laten ze alle terughoudendheid varen en beginnen ze te zeggen:

Job 22:6-9

6Want je hebt zonder reden van je broeders een onderpand genomen, en je hebt de kleding van naakten uitgetrokken. 7Aan de vermoeide gaf je geen water te drinken, en je hebt de hongerige brood onthouden. 8Maar was er een man met macht, voor hem was het land, en een aanzienlijk persoon woonde er. 9Weduwen heb je met lege handen weggestuurd, en de armen van de wezen werden verbrijzeld.

Ze oordelen over hem. Ze veroordelen hem.

‘Ik wou dat ik mijn zaak voor God kon bepleiten in plaats van voor jullie, want ik zou God dezelfde dingen vertellen die ik jullie vertel, en Hij zou weten dat ik gelijk heb. Hij weet dat ik de waarheid spreek. Jullie blijkbaar niet. Dus ik wou dat ik Hem zover kon krijgen dat Hij een oordeel over mij uitsprak.’

Hij is rechtvaardig.

Beproefd worden als goud

Illustratie bij: Beproefd goud doorstaat het vuur.
Job 23:8-12

8Maar zie, ga ik naar voren, dan is Hij er niet, of naar achteren, dan merk ik Hem niet op. 9Als Hij aan de linkerkant werkt, aanschouw ik Hem niet; keert Hij Zich naar de rechterkant, dan zie ik Hem niet. 10Maar Hij kent de weg die ik ga . Laat Hij mij beproeven — ik zal er als goud uitkomen. 11Mijn voet heeft zich aan Zijn spoor gehouden; aan Zijn weg heb ik mij gehouden, ik ben er niet van afgeweken. 12Het gebod van Zijn lippen heb ik niet weggedaan; de woorden van Zijn mond heb ik verborgen, meer dan het mij toegewezen deel.

Wat hij zegt, is nog steeds wat hij eerder zei: hoewel hij God werkelijk niet kan zien — als God rechts of links voorbijkomt en iets doet, kan ik Hem niet zien, Hij is onzichtbaar — ben ik voor Hem niet onzichtbaar. Hij ziet mij.

Job 23:10

Hij kent de weg die ik ga.

En Hij houdt mij in het oog, en Hij beproeft mij. Wanneer Hij klaar is met mij te beproeven, zal Hij vaststellen dat ik zuiver goud was.

Wanneer goud in het vuur wordt beproefd, gaat het vaak niet zuiver het vuur in. Er zitten onzuiverheden in. De beproeving zuivert het goud. Ze bewijst ook dat het echte goud echt goud is, in tegenstelling tot andere, minderwaardige stoffen die met het erts vermengd zijn. Wanneer je goud uit een berghelling haalt, is dat niet zomaar zuiver goud. Het is goud dat vermengd is met andere mineralen en dergelijke. Je moet het smelten.

Het goud is zwaarder dan elk ander mineraal waartussen het wordt aangetroffen. Wanneer alles vloeibaar is gemaakt, blijft het zware goud daarom op de bodem van die vloeibare massa liggen. De onzuiverheden komen in gesmolten toestand bovendrijven, waar ze eraf geschept kunnen worden. Zo wordt goud door vuur gezuiverd. Maar van het deel dat werkelijk goud is, wordt bewezen dat het echt goud is doordat het het vuur inderdaad doorstaat. En het bewijst inderdaad zijn waarde door het vuur heen.

Vuur schaadt goud niet. Er zijn bepaalde onzuiverheden die je eraf kunt smelten of branden, maar goud zal niet opbranden of wegsmelten. Het roest of vergaat zelfs niet.

Hij zegt: ‘Ik ben goud. God laat mij door het vuur gaan om mij te beproeven.’ Hij kijkt toe. Ik kan Hem niet zien, maar Hij kan mij wel zien. Hij houdt zorgvuldig in de gaten wat er gebeurt. Wanneer deze vurige beproeving voorbij is, zal blijken dat ik ben wie ik ben. Dan zal zichtbaar worden dat ik ben wie Hij weet dat ik ben. In zekere zin komt Job hier heel, heel dicht bij de waarheid over wat er werkelijk aan de hand is. Dichter bij werkelijk inzicht in wat hij doormaakt, is hij nog niet gekomen. Hij heeft eerder gezegd dat God hem beproeft, en hij heeft zich afgevraagd waarom een mens ieder ogenblik beproefd moet worden. Denk terug aan hoofdstuk 7, vers 17, toen hij voor het eerst klaagde. Hij zegt:

Job 7:17-18

17Wat is de sterveling dat U hem groot maakt, en dat U Uw hart op hem richt? 18Dat U hem elke morgen opzoekt, dat U hem elk ogenblik beproeft?

Job zag dus dat hij in zijn beproevingen op de proef werd gesteld, en nu ziet hij dat dit misschien zelfs een goede uitkomst kan hebben. Waarom? Omdat hij weet dat hij oprecht is. Hij weet dat God weet dat hij oprecht is. Hij zegt hier geen verkeerde dingen over God. Hij zegt juiste dingen over God. Al die tijd heeft hij gezegd: ‘Ik weet niet waarom God mij dit zou aandoen, en het is niet om de reden die jullie denken, maar God weet wat juist is. Nadat Hij mij beproefd heeft, zal blijken wie ik ben. Hierdoor zal ik in het gelijk gesteld worden, want ik heb gedaan wat Hij wil. Ik heb gedaan wat Hem behaagt.’

Job 23:11-12

11Mijn voet heeft zich aan Zijn spoor gehouden; aan Zijn weg heb ik mij gehouden, ik ben er niet van afgeweken. 12Het gebod van Zijn lippen heb ik niet weggedaan; de woorden van Zijn mond heb ik verborgen, meer dan het mij toegewezen deel.

Gods woorden zijn meer waard dan voedsel

Illustratie bij: Job koestert Gods woorden boven zijn voedsel.

Dit vers is op zichzelf genomen een prachtig vers om te laten zien hoezeer een godvrezend mens hongert naar de woorden van God en hoeveel waarde hij eraan hecht:

Job 23:12

Ik heb de woorden van Zijn mond meer gekoesterd dan mijn noodzakelijke voedsel.

We eten allemaal voedsel dat noodzakelijk is om in leven te blijven. We eten ook voedsel waarvoor dat niet geldt. Velen van ons eten voedsel dat alleen maar een tussendoortje is, of ongezond eten, of een toetje, of dingen die helemaal niet noodzakelijk zijn. [Vertalersnoot: Gregg leest in Job 23:12 een Engelse vertaling met “meer dan mijn noodzakelijke voedsel”. De HSV heeft “meer dan het mij toegewezen deel”. Zijn voedselvergelijking volgt de Engelse formulering.]

Hij zegt: ‘Als ik moet kiezen tussen Gods woorden en het voedsel dat ik nodig heb, dan zou ik liever zonder dat noodzakelijke voedsel zitten.’

Noodzakelijk voedsel is nodig om in leven te blijven. Eigenlijk zegt hij: ‘Ik zou liever van de honger sterven en Gods woorden hebben, dan in leven blijven en mijn noodzakelijke voedsel eten zonder Gods woorden te hebben. Een leven zonder Gods Woord is het leven niet waard. Als ik toch moet sterven, zou ik willen sterven met de woorden van God in mijn bezit. Ze zijn als voedsel voor mij.’

Jeremia had iets dergelijks gezegd toen hij zei:

Jeremia 15:16

Zodra Uw woorden gevonden werden, at ik ze op. Uw woord was mij tot vreugde en tot blijdschap in mijn hart, want Uw Naam is over mij uitgeroepen, HEERE, God van de legermachten.

Waar dat precies staat, weet ik niet uit mijn hoofd. Volgens mij is het ergens rond Jeremia 15. Misschien kan ik het snel vinden. Ja, Jeremia 15:16:

Ik vond Uw woorden en at ze op. Uw woord maakte mijn hart blij en gelukkig.

David zei in Psalm 19 over de woorden van God, over de wetten en de getuigenissen van God:

Psalmen 19:11

Zij zijn begerenswaardiger dan goud, ja, dan veel zuiver goud; en zoeter dan honing en honingzeem uit de raat.

Zo hebben godvrezende mensen het Woord van God gewaardeerd. Ze beseffen wat Jezus zei:

Mattheüs 4:4

Maar Hij antwoordde en zei: Er staat geschreven: De mens zal niet van brood alleen leven, maar van elk woord dat uit de mond van God komt.

Ze hebben meer waarde gehecht aan het leven dat door het Woord van God in stand wordt gehouden, hun geestelijke leven, dan aan hun aardse leven, dat door gewoon voedsel in stand wordt gehouden. Jezus zei dat in Johannes hoofdstuk 6. Hij zei:

Johannes 6:27

Werk niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in het eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u geven zal; want Hem heeft God de Vader verzegeld.

Nu zegt Job: ‘Dat is mijn houding geweest. Ik heb Gods woorden liefgehad. Ik ben op Zijn pad gebleven. Er is werkelijk niets aan Gods gerechtigheid geweest waar ik moeite mee had om het te aanvaarden. Ik heb me er zelfs in verheugd. God weet dat dus, en God stelt mij alleen maar op de proef. Hij weet dat ik zuiver ben, en ik zal als goud tevoorschijn komen wanneer deze beproeving voorbij is.’

Rechtvaardig leven beschermt niet tegen rampspoed

Illustratie bij: Job vreest wat zijn lijden betekent.

Vers 13:

Job 23:13-14

13Maar als Hij tegen iemand is, wie zal Hem er dan van afbrengen? Wat Zijn ziel verlangt, dat zal Hij doen. 14Want Hij zal het mij toegewezen deel ten uitvoer brengen; dergelijke dingen zijn er veel bij Hem.

Blijkbaar gaat hij er gewoon van uit dat God op verschillende momenten bepaalde dingen voor ons leven beschikt. Deze beproevingen zijn wat voor mij beschikt is, en dat is wat Hij doet.

Job 23:15-17

15Daarom word ik voor Zijn aangezicht door schrik overmand; ik merk het op, en ben beangst voor Hem. 16Want God heeft mijn hart week gemaakt, de Almachtige heeft mij schrik aangejaagd. 17Want niet door de duisternis ben ik omgebracht, en niet door de donkerheid die mij bedekt.

Toen ik rechtvaardig was, dacht ik dat ik voor duisternis gespaard zou blijven. Voor rampspoed, met andere woorden. God heeft dat niet bij mij weggehouden. God heeft het niet voor mij verborgen. Hij heeft het juist naar mij toe gebracht, zodat ik ermee geconfronteerd word en het deel uitmaakt van mijn leven. Dat maakt me bang, want ik was zuiver, en ik dacht altijd dat dat het soort dingen was waardoor God aan je kant blijft staan. Ik dacht altijd dat dat het soort dingen was waardoor God je geen rampen stuurt. Maar nu weet ik niet meer wat ik moet denken, en ik ben doodsbang.

Hij heeft eerder al gezegd dat dit blijkbaar ook de reden was waarom zijn vrienden hem zulke raad gaven en boos op hem werden, omdat ze doodsbang waren. Hij zegt in hoofdstuk 6, vers 21:

Job 6:21

Voorzeker, zo zijn jullie nu voor mij geworden: niets! Jullie hebben de ontzetting gezien en jullie zijn bevreesd geworden.

Ze zien dat een goed mens kan lijden, en dat is iets waarvan ze hoopten dat het niet waar was. Want daarmee hebben we ons lot helemaal niet meer in eigen hand. Dat betekent dat we niet een bepaald aantal goede dingen kunnen doen en daarmee kunnen garanderen dat ons geen rampspoed zal treffen. We zouden hopen dat we dat konden, want het is prettig om te denken dat we onze wereld voldoende kunnen beheersen om onszelf moeilijkheden te besparen. Maar dat kunnen we niet. Dat is beangstigend.

Goddelozen stelen land en bezit

Illustratie bij: Een grenssteen wordt heimelijk verplaatst.

Hoofdstuk 24:

Job 24:1

Waarom zijn de tijden niet verborgen voor de Almachtige, terwijl zij die Hem kennen, Zijn dagen niet zien?

Zoals God ons ziet, ziet Hij onze dagen. Hoe komt het dat wij Zijn dagen niet kunnen zien? Hij heeft een oneerlijk voordeel ten opzichte van ons. Ik wou dat ik Hem kon zien en voor Hem kon verschijnen, zoals hij in vers 8 tot en met 10 zei. Ik kan Hem niet zien, ik kan Hem niet waarnemen, maar Hij ziet mij. Hij kent mijn weg. Daar zegt hij hetzelfde.

Nu zegt hij:

Job 24:2

Er zijn mensen die grenzen aantasten; zij roven een kudde en weiden die.

En daarmee bedoelt hij de goddeloze mensen in vers 2.

Bij het verplaatsen van grensstenen gaat het niet over het ontheiligen van heiligdommen of iets dergelijks. Die grensstenen waren de markeringen van de grenzen van iemands land. Ze hadden geen moderne landmeetkundige methoden, maar ze zeiden dan dat iemands land liep van die boom daar tot... Nou, daar is geen markering, dus leggen we hier een rotsblok neer. Dit is de grens. Hier een steen, en op deze hoek leggen we nog een steen. Dat is weer een grens. Ze bakenden hun land af met grensstenen. Als je een rechte lijn trekt tussen deze steen en die daar, dan is dat mijn grenslijn.

Als iemand het land van zijn buurman wilde stelen of een deel van zijn grond wilde afpakken, kon hij 's nachts naar buiten gaan en die grenssteen verplaatsen, zodat zijn eigen aangrenzende grond groter werd. Verplaats de grenssteen en je hebt jezelf zojuist gratis een stuk grond bezorgd, ten koste van je buurman. Dat is verboden in de Bijbel. Het is verboden in de wet. Hij bedoelt dat soort misdadiger. Iemand die werkelijk een misdadiger is op het gebied van grondbezit, die de grenzen van het perceel verandert zonder dat zijn buurman dat weet. Zo eigent hij zich onrechtmatig een deel van de grond van zijn buurman toe.

Het harde bestaan van de uitgebuite armen

Illustratie bij: De armen zoeken beschutting tegen bergregen.
Job 24:3-5

3De ezel van de wezen drijven ze weg; het rund van een weduwe nemen ze in onderpand. 4Ze duwen de armen van de weg; tezamen verbergen zich de ellendigen van het land. 5Zie, zij zijn wilde ezels in de woestijn, zij trekken uit naar hun werk. Zij zoeken ijverig naar eten, de wildernis is voor hem en voor de kinderen tot voedsel.

Nu hebben we steeds ‘zij, zij, zij’. Al deze verzen beginnen met ‘zij’. Maar het is een beetje verwarrend, want in vers 5 tot en met 8 zijn ‘zij’ niet langer de ‘sommigen’ uit vers 2. Het zijn de armen uit vers 4. Hoe weet ik dat? Het is gewoon de enige manier waarop dit logisch kan zijn. Ik vond het verwarrend toen ik het voor het eerst las, want het klinkt alsof sommige mensen deze dingen doen in vers 2. En in vers 3 staat ‘zij’, in vers 4 staat ‘zij’, in vers 5 staat ‘zij’, en in vers 6, 7 en 8 staat ‘zij, zij, zij’. Het klinkt alsof het de hele tijd over dezelfde goddeloze mensen gaat.

Maar eigenlijk lijkt het erop dat hij, zodra er staat:

Ze duwen mensen die hulp nodig hebben van de weg af, zodat de armen in het land zich moeten verstoppen.

de behoeftigen en de armen op het oog heeft. Hij spreekt over hoe de armen lijden. Hij zegt:

Ze gaan aan het werk en zoeken hard naar eten. De wildernis levert voedsel voor hen en hun kinderen.

Dat wil zeggen, ze hebben geen gewassen, omdat de goddelozen hen van hun land verdrijven. Dus moeten ze eropuit trekken en jagers en verzamelaars worden, en moet de wildernis hun voedsel opleveren.

Job 24:6

Op het veld oogsten zij zijn voer, en de wijngaard van de goddeloze plukken zij leeg.

Nalezen was wat de armen deden. Nadat iemand zijn gewassen had geoogst, waren er wat korenaren die op de grond vielen. Die bleven daar liggen, zodat de armen ze konden nalezen. Hij zegt dus dat er mensen zijn die niet rijk zijn, en die uiteindelijk alleen maar kunnen nalezen in de wijngaarden van de goddelozen.

Job 24:7-8

7De naakte laten zij overnachten zonder kleding, terwijl hij geen bedekking heeft tegen de kou. 8Zij worden nat door een stortvloed van de bergen, en zonder een toevluchtsoord klampen zij zich vast aan een rots.

Ik denk dat al die keren ‘zij’ in vers 2, 3 en 4 slaan op deze goddeloze mensen die de armen uitbuiten. En al die keren ‘zij’ in vers 5 tot en met 8 slaan op de armen die in vers 4 zijn geïntroduceerd. Nu hebben we in vers 9 weer de ‘sommigen’, dezelfde ‘sommigen’ als in vers 2, de slechteriken.

Job 24:9-10

9Zij rukken een weeskind van de borst, en van een ellendige nemen zij onderpand. 10Naakt lopen zij rond, zonder kleding, en hongerig dragen zij schoven.

Daarna lijkt het erop dat met ‘zij’ weer deze armen worden bedoeld.

Job 24:11

Tussen hun muren persen zij olie uit, treden de perskuipen, en hebben dorst.

Dat ze binnen hun muren olie persen, betekent volgens mij dat ze het weinige dat ze hebben moeten verbergen. Ze moeten naar binnen gaan om de olie uit hun olijven te persen, terwijl dat niet de plek is waar je dat normaal gesproken zou doen. Maar ze moeten wat ze hebben verbergen voor degenen die hun spullen van hen stelen, de goddelozen. Dus dat beetje olie dat ze uit hun olijven persen, persen ze achter gesloten deuren, zonder dat iemand weet dat ze dat kunnen doen.

God lijkt de onderdrukkers niet te straffen

Illustratie bij: Geweld en diefstal verschuilen zich in het donker.
Job 24:12

Vanuit de stad kermen mensen, en de ziel van de dodelijk gewonden schreeuwt het uit; toch beschikt God niets ongerijmds.

Dat wil zeggen, God rekent degenen die hen onderdrukken geen kwaad aan. Dat is blijkbaar wat hij zegt. Hij zegt dat er mensen zijn die onderdrukt worden, en dat er mensen zijn die hen onderdrukken. En het lijkt erop dat God de onderdrukkers geen kwaad aanrekent. Hij zegt niet dat Hij dat nooit zal doen. Hij zegt niet dat er geen oordeel is, al weet ik niet of Job weet dat er een oordeel zal zijn. Het enige wat hij weet, is dat God, als het gaat om hoe het de goddelozen en de rechtvaardigen in dit leven vergaat, de goddelozen geen straf lijkt op te leggen. Dat is wat hij niet begrijpt.

Job 24:13

Zij zijn bij hen die het licht weerstaan; zij kennen Zijn wegen niet, en blijven niet op Zijn paden.

zegt hij.

Job 24:14-17

14Vóór het licht staat de moordenaar op, hij doodt de ellendige en arme; en 's nachts is hij als een dief. 15Het oog van de overspeler wacht op de schemering; hij zegt: Geen oog mag mij waarnemen; en hij doet een masker voor zijn gezicht. 16In de duisternis dringt hij door in de huizen. Overdag sluiten zij zichzelf op; zij willen niets weten van het licht. 17Ja, de schaduw van de dood is voor hen allen als de morgen, want men kent de verschrikkingen van de schaduw van de dood.

Wat hij zegt, is dat er mensen zijn die alles wat ze doen 's nachts moeten doen, omdat ze goddeloos zijn. Ze moeten dingen onder dekking van de duisternis doen. Ze houden niet van het licht. Ze willen niet dat de dag aanbreekt, omdat ze misschien herkend worden. Dus doen ze al hun gemene daden 's nachts.

In vers 18 staat:

Job 24:18

Hij is snel op het wateroppervlak; hun deel op de aarde is vervloekt; hij wendt zich niet in de richting van de wijngaarden.

Het omstreden slot van Jobs antwoord

Illustratie bij: Het afsnijden van korenaren verbeeldt vergankelijkheid.

In de Engelse vertaling staat ‘should be’ cursief. Ik heb van de commentatoren gehoord dat juist dit hoofdstuk vol vertaalmoeilijkheden zit. Een van de moeilijkheden is dat men denkt dat de verzen 18 tot en met 25 niet weergeven wat Job zelf zou zeggen. Want zoals het er zonder ‘should be’ staat, klinkt het alsof hij zegt dat ze snel over het oppervlak van de aarde gaan; dat ze vervloekt zijn op de aarde. Ze ondervinden wel degelijk beproevingen. Maar Jobs standpunt is natuurlijk precies het tegenovergestelde.

Sommigen denken dat dit een van de toespraken van zijn vrienden is, misschien de ontbrekende toespraak van Zofar of iets dergelijks. Die zou hier dan terechtgekomen zijn door de manier waarop men door de jaren heen met de handschriften is omgegaan. Maar de New King James lijkt de gedachte tot uitdrukking te brengen door ‘should be’ in te voegen. Het is niet dat ze snel over het oppervlak van het water gaan, maar dat het water hen zou moeten wegvoeren. Het water van de straf zou deze mensen snel moeten wegvoeren.

Job 24:19

Droogte met hitte roven het sneeuwwater weg; zo doet het graf bij hen die gezondigd hebben.

Let eens op hoeveel woorden van die laatste regel er daadwerkelijk in het Hebreeuws staan. Er staat alleen ‘het graf, hebben gezondigd’. Dat is wat er in het Hebreeuws staat. Dus de vertaler moet uitzoeken wat dat betekent. Het graf van degenen die gezondigd hebben zou hen moeten verteren, of zoiets. Dit is moeilijk, want je ziet hoeveel cursief gedrukte woorden hier in de Engelse vertaling staan. Als je de passage zonder die woorden leest, zijn er veel onvolledige zinnen waarvan moeilijk vast te stellen is hoe je ze precies moet vertalen.

Job 24:20-21

20Zelfs de baarmoeder vergeet hem, de maden doen zich aan hem te goed, er wordt niet meer aan hem gedacht; het onrecht wordt gebroken als een stuk hout. 21De onvruchtbare, die niet baart, doet hij kwaad, en voor de weduwe doet hij niets goeds.

Dat zou dan de kinderloze vrouw zijn, die al als ongelukkig wordt beschouwd omdat ze onvruchtbaar is. Hij maakt hen tot zijn prooi, maakt misbruik van hen, waarschijnlijk financieel.

Job 24:22-24

22Ook trekt hij de machtigen neer door zijn kracht; als hij opstaat, is men zijn leven niet zeker. 23Doet God hem onbezorgd zijn, dan steunt hij daarop; maar Zijn ogen zijn op hun wegen gericht . 24Zij zijn een korte tijd verheven, daarna is er niemand van hen meer , zij worden neergedrukt; evenals alle anderen worden zij in het graf gesloten; en zij worden als de top van een aar afgesneden.

Dit klinkt als iets wat Zofar zei over hoe kort de goddelozen leven. Nogmaals, dat is een van de redenen waarom sommige geleerden denken dat er misschien iets is weggevallen, aangezien we geen laatste toespraak van Zofar hebben. Misschien zijn de handschriften in de loop van de eeuwen op de een of andere manier door elkaar geraakt, en zijn er misschien een paar woorden weggevallen, zoals ‘Zofar zei’ of iets dergelijks.

Veel commentatoren worstelen met dit soort dingen, omdat het lijkt op wat Zofar eerder zei. Het lijkt volgens hen niet op iets wat Job zou zeggen. Maar zo is de tekst aan ons overgeleverd, en we moeten ons afvragen: zou Job dit gezegd kunnen hebben? En dat zou kunnen. Hij zou kunnen toegeven dat het waar is dat goddelozen vaak slecht aan hun einde komen. Dat wist Job. Hij was niet blij met wat Zofar en Elifaz suggereerden toen ze daarop wezen, omdat ze daarmee suggereerden dat hij door zijn goddeloosheid in deze ellende terecht was gekomen. Maar zodra je het losmaakt van zijn eigen persoonlijke geval, kan hij dat constateren. Iedereen kan zien dat goddelozen van tijd tot tijd onder het oordeel van God vallen. Hij zou dat zonder enig probleem kunnen erkennen. Hij zegt in vers 25:

Job 24:25

Is het dan niet zo? Wie kan mij tot een leugenaar maken, en mijn woorden tot niets maken?

Bildads laatste woorden over Gods grootheid

Illustratie bij: Bildad spreekt over maan, sterren en menselijke geringheid.

De laatste die probeert te bewijzen dat hij een leugenaar is, is Bildad, maar hij doet niet echt veel moeite om te bewijzen dat Job een leugenaar is. Hij dooft gewoon uit. Deze toespraak van Bildad is vrijwel waardeloos. Ik denk dat hij hier alleen maar staat om te laten zien dat die man uitgepraat was. Die man had geen argumenten meer. Hij had zichzelf al twee keer herhaald. Hij ging zichzelf niet nog eens herhalen. Hij trekt zich terug. Dit is zijn laatste uitval. Hij heeft niets erg interessants of origineels te zeggen. Het klinkt zelfs alsof hij gewoon een reeks gemeenplaatsen aanhaalt die waarschijnlijk al als spreuken van de wijzen bekendstonden.

In hoofdstuk 25 staat:

Job 25:1-6

1Bildad, de Suhiet, antwoordde en zei: 2Heerschappij en ontzag behoren Hem toe. Hij maakt vrede in Zijn hoge plaatsen. 3Zijn Zijn legers te tellen? Over wie gaat Zijn licht niet op? 4Hoe kan een mens dan rechtvaardig zijn voor God, en hoe kan iemand die uit een vrouw geboren is, zuiver zijn? 5Zelfs de maan schijnt niet helder en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen. 6Hoeveel te minder een mens, die een made is, en een mensenkind, dat een worm is!

Bildad is hier eigenlijk niet eens bij zijn eigen standpunt gebleven, al krabbelt hij niet bewust terug. Net als Elifaz spreekt hij zichzelf tegen. Elifaz sprak zichzelf tegen omdat hij in zijn eerste toespraak zei:

Job 4:3-4

3Zie, je hebt velen onderwezen, en je hebt slappe handen versterkt. 4Je woorden hebben degene die struikelde, opgericht, en de knikkende knieën heb je sterk gemaakt.

en vervolgens in zijn laatste toespraak zei:

Job 22:7-9

7Aan de vermoeide gaf je geen water te drinken, en je hebt de hongerige brood onthouden. 8Maar was er een man met macht, voor hem was het land, en een aanzienlijk persoon woonde er. 9Weduwen heb je met lege handen weggestuurd, en de armen van de wezen werden verbrijzeld.

Deze mannen letten er niet eens op of ze zichzelf tegenspreken. Vaak staan ze alleen maar te razen.

Bildad spreekt zijn eigen redenering tegen

Illustratie bij: Bildads betoog valt stil tegenover Jobs lijden.

Maar hier komt zijn betoog in wezen hierop neer:

Job 25:4-6

4Hoe zou een sterveling dan rechtvaardig zijn voor God, en hoe zou hij, geboren uit een vrouw, zuiver zijn? 5Zie, tot aan de maan toe — ze is niet helder, en de sterren zijn niet zuiver in Zijn ogen. 6Hoeveel te minder een sterveling, die een made is, en een mensenkind, dat een worm is!

Maar wat had dat gepraat over wat God voor een rechtvaardig mens doet dan te betekenen? Eerder, in Bildads toespraken, in hoofdstuk 8, vers 6, was Bildad aan het woord en zei hij:

Job 8:6

als je zuiver en oprecht bent, dan zal Hij nu voorzeker ter wille van jou ontwaken, en de woning van je gerechtigheid herstellen.

In hetzelfde hoofdstuk, vers 20, zegt hij:

Job 8:20

Zie, God zal de oprechte niet verwerpen, en Hij grijpt kwaaddoeners niet bij de hand.

Net als de anderen heeft Bildad steeds gesuggereerd dat er goede mensen zijn en dat jij daar niet bij hoort. Als jij daar wel bij hoorde, zou God je steunen, zou God je beschermen, zou God voorkomen dat deze rampen je overkwamen. Maar je moet wel een slecht mens zijn. Nu gaat hij de andere kant op en zegt hij dat niemand goed is. Als dat waar is, heeft hij zijn hele betoog onderuitgehaald. Want als ieder mens een made is, en als ieder mens een worm is, en niemand rechtvaardig kan zijn voor God, dan geldt dat ook voor Bildad en zijn vrienden. Zij waren ook niet rechtvaardig. Bildad, zijn vrienden en Job zitten allemaal in hetzelfde schuitje. Ze zijn allemaal even onrechtvaardig. Ze zijn allemaal gewoon een stel wormen.

Maar als dat waar is, wat blijft er dan van zijn betoog over? Wat hij eerder heeft betoogd, is dat wij niet hebben geleden wat jij hebt geleden, omdat wij geen zondaars zijn zoals jij. Jij bent slecht en wij zijn beter, dus jij hebt geleden en wij niet. Nu heeft hij die redenering in wezen opgegeven en gezegd dat iedereen slecht is. Maar als dat waar is, waarom lijdt dan niet iedereen zoals Job?

Bildad trekt zich hier terug, en we zullen niets meer van hem horen. Hij heeft eigenlijk niets diepzinnigs aan het betoog toe te voegen. Hij zegt alleen dingen waarvan hij misschien niet eens beseft dat ze zijn eigen eerdere uitspraken tegenspreken.

De opbouw van Jobs laatste toespraken

Illustratie bij: Job neemt opnieuw het woord voor zijn vrienden.

Vanaf hier, hoofdstuk 26 tot en met 31, hebben we de langste ononderbroken reeks toespraken van één spreker in het boek Job. We krijgen nog toespraken van Elihu en van God, maar die zullen niet helemaal zo lang doorgaan als deze toespraken van Job. Soms worden deze behandeld alsof het afzonderlijke betogen zijn, omdat hoofdstuk 26:1 zegt:

Job 26:1

Maar Job antwoordde en zei:

Hoofdstuk 27 zegt:

Job 27:1

En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:

En dan hoofdstuk 29:

Job 29:1

En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:

Deze onderbrekingen, waarin staat dat Job zijn betoog voortzette, komen eerder niet telkens voor wanneer zijn betoog twee of drie hoofdstukken doorgaat. Het zou dus kunnen dat hij het op een later moment voortzette. Hij sprak een deel hiervan bij de ene gelegenheid uit, en later ging hij verder. Zijn onderbrekingen worden op deze manier aangegeven. Hoe dan ook, niet al deze hoofdstukken zeggen precies hetzelfde. Hoofdstuk 26 en 27 zouden heel goed gezien kunnen worden als het einde van zijn dialoog met deze drie mannen.

Het is mogelijk dat er hier publiek bij was en dat sommige dingen die Job zegt voor dat publiek bedoeld zijn. Elihu was er blijkbaar als toehoorder bij, en dat wisten we niet. De enige reden waarom we weten dat hij erbij was, is dat hij uiteindelijk het woord nam. Misschien zaten er ook anderen te luisteren die het woord niet namen. Job was tenslotte een beroemd man. Het is mogelijk dat er behalve deze drie mannen nog andere mensen bij elkaar waren gekomen, alleen maar om te horen wat hij zou zeggen. Of misschien kwamen er vooral andere stadsbewoners op af toen deze drie mannen verschenen, die misschien bekendstonden om hun filosofische bekwaamheid. Die stadsbewoners zeiden dan: ‘Ik ben benieuwd wat deze drie mannen gaan zeggen. Wat zullen die mannen te zeggen hebben?’

In elk geval weten we dat Elihu erbij was, en dat wisten we daarvoor niet. Misschien was daar een groep mensen aanwezig. Sommige dingen die Job zegt, klinken alsof hij zich daarmee tot niemand in het bijzonder richt. Niet tot Elifaz, Zofar en Bildad. Misschien gewoon tot wie er maar luistert, misschien tot de menigte die daar is. Hij lijkt in hoofdstuk 26 en 27 zijn woorden tot zijn drie vrienden af te ronden. En dan staat er in hoofdstuk 28 zomaar een gedicht over wijsheid, dat niets te maken lijkt te hebben met wat eraan voorafging of wat erop volgde. Het is een soort op zichzelf staand gedicht.

Sommige uitleggers denken zelfs dat dezelfde schrijver het bij een andere gelegenheid heeft geschreven en dat het hier is tussengevoegd. Of misschien staat het hier als onderbreking van de toespraken met deze drie mannen, om over te gaan naar de toespraken van Elihu en God. Dat is moeilijk te zeggen. Maar in hoofdstuk 29 tot en met 31 gaat Job herinneringen ophalen aan hoe goed het was voordat zijn beproevingen kwamen. Daarna gaat hij vertellen hoe zwaar zijn beproevingen zijn, en vervolgens gaat hij vertellen hoe onschuldig hij is. Daarmee eindigen zijn toespraken in het boek. Maar hier, in hoofdstuk 26 en 27, is dit waarschijnlijk zijn laatste weerwoord aan deze drie mannen.

Ware woorden spreken in de verkeerde geest

Illustratie bij: Job vraagt welke hulp zijn vrienden hebben gegeven.
Job 26:2-4

2Hoe heb jij hem geholpen die geen kracht heeft, en de arm verlost die geen macht heeft? 3Hoe heb jij hem raad gegeven die geen wijsheid had, en hoe heb jij hem wijsheid in overvloed bekendgemaakt? 4Aan wie heb jij zulke woorden bekendgemaakt? En wiens geest is van jou uitgegaan?

Dit is zijn samenvatting. Hij zegt: ‘Jullie zijn duidelijk uitgepraat.’ Elifaz heeft drie keer gesproken. Bildad heeft drie keer gesproken, maar eigenlijk maar tweeënhalve keer. Zofar heeft zijn betoog afgesloten. Het is alsof het debat voorbij is. En Job zegt: ‘Laat me dit nu eens samenvatten. Wat hebben jullie nu eigenlijk bereikt? Wat voor hulp hebben jullie me gegeven? Wat voor raad hebben jullie me gegeven die ik zelf niet had kunnen bedenken?’

Misschien dachten ze dat de Geest van de Heere door hen sprak, al hebben ze dat nooit uitdrukkelijk beweerd. Elifaz zei in zijn eerste toespraak dat hij iets van een geest had gehoord, maar dat kan een demonische geest zijn geweest. Dat is moeilijk te zeggen. Ze spraken in elk geval niet in de juiste geest, dat weten we.

Weet je nog dat Jezus en Zijn discipelen op weg naar Jeruzalem door Samaria trokken? Ik geloof dat het in Lukas hoofdstuk 9 staat. De mensen in Samaria wilden hun geen onderdak geven. Ze waren ongastvrij tegenover hen. Er staat dat Jakobus en Johannes naar Jezus toe kwamen en zeiden:

Lukas 9:54

Zullen wij vuur uit de hemel over hen afroepen, zoals Elia deed?

En Jezus zei:

Lukas 9:55-56

Jullie weten niet door wat voor geest jullie je laten leiden, want de Mensenzoon is niet gekomen om mensenlevens te vernietigen, maar om ze te redden.

Het is interessant dat Hij zei:

Lukas 9:55

Maar Hij keerde Zich om, bestrafte hen en zei: U beseft niet wat voor Geest u hebt,

Het hoeft niet eens te betekenen dat Hij zei dat er een demonische geest in het spel was. Maar ze spraken beslist niet in de Geest van Christus.

Misschien is het toch niet dat hoofdstuk. Misschien is het hoofdstuk 10. Ik weet nu niet waar het staat. Hoe dan ook, die uitspraak:

Lukas 9:55-56

55Maar Hij keerde Zich om, bestrafte hen en zei: U beseft niet wat voor Geest u hebt, 56want de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden. En zij gingen naar een ander dorp.

vind ik een belangrijke uitspraak. Het is hoofdstuk 9: Lukas hoofdstuk 9, vers 54 en verder.

Lukas 9:54

Toen de discipelen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook Elia gedaan heeft?

Wat een merkwaardige vraag om aan Jezus te stellen. Kon Jezus dat Zelf niet doen als Hij dat wilde? ‘Heere, wilt U dat wij dit voor U doen? Wilt U dat wij vuur uit de hemel laten komen?’ Hadden ze ooit zoiets gedaan? Dachten ze dat ze de macht hadden om dat te doen? Blijkbaar dachten ze dat ze het wel konden als Hij hun daartoe opdracht gaf. Ze vragen alleen maar om toestemming.

Jezus’ woorden ‘U beseft niet wat voor Geest u hebt’ ontbreken in de Alexandrijnse tekst, maar ik denk dat ze authentiek zijn. En Hij zegt:

Want de Zoon des mensen is niet gekomen om mensenlevens te vernietigen, maar om ze te redden.

Dus volgens mij zegt Job tegen zijn vrienden:

Jullie weten niet door wat voor geest jullie je laten leiden.

‘Jullie geest is niet goed. Sommige van jullie woorden waren rechtzinnig en waar, maar jullie geest is niet goed.’ Misschien is dat een les waarvan christenen zich bewust moeten zijn. We kunnen de juiste leer hebben, we kunnen de juiste overtuigingen hebben, we kunnen dingen overbrengen die werkelijk waar zijn. Maar als dat in de verkeerde geest gebeurt, zullen die dingen schade aanrichten en geen hulp bieden.

Gods macht over de aarde en de wolken

Illustratie bij: Job verwondert zich over wolken en de verre horizon.

Nu Job 26:5:

Job 26:5-7

5De gestorvenen zullen opnieuw geboren worden van onder de wateren, en de bewoners daarvan. 6Het graf is naakt voor Hem, en er is geen bedekking voor het verderf. 7Hij strekt het noorden uit over het ledige; Hij hangt de aarde op aan het niets.

Deze uitspraak wordt soms aangehaald als een aanwijzing dat de Bijbel geïnspireerd is, omdat Job iets wist waarvan wij weten dat het waar is, maar wat de mensen in zijn tijd niet wisten. In die oude tijden geloofde men over het algemeen dat de aarde niet aan niets hing. De aarde rustte in werkelijkheid op de ruggen van drie olifanten, en die drie olifanten stonden op een reusachtige landschildpad. Dat was destijds de heidense kijk op de dingen. Job zei dat God de aarde aan niets hing. Dat weerspiegelt duidelijk een andere opvatting dan die van zijn tijd, en een die heel goed overeenkomt met de onze. Wij zouden ook zeggen dat Hij de aarde aan niets hing, en we zouden het kunnen bewijzen, omdat we in de ruimte zijn geweest. We hebben gezien dat er geen kapstok is waaraan Hij haar ophangt, en er is ook geen schildpad, of olifanten.

Job had beslist gelijk, maar ik weet niet of het de bedoeling is dat we geloven dat alles wat Job in zijn toespraken zei, geïnspireerd was, net zomin als alles wat zijn vrienden zeiden geïnspireerd was. Misschien heeft hij dit onder inspiratie gezegd. En misschien inspireert God hem nu om zijn vrienden terecht te wijzen, nu deze gesprekken ten einde zijn gekomen. Misschien openbaart God hem hier iets. Het is een interessant feit dat het inderdaad overeenkomt met moderne opvattingen, en niet met die van zijn eigen tijd.

Over God staat er:

Job 26:8

Hij bindt het water in Zijn wolken; toch scheurt de wolk daaronder niet.

Dit is iets wonderbaarlijks als je erover nadenkt, want de wolken zitten vol water. Water is zwaar. Stel je voor dat je al het water dat tijdens een regenbui valt, in een grote bak zou doen en zou proberen te wegen hoeveel dat water weegt. Til maar eens een emmer met negentien liter water op, dan weet je dat water zwaar is. Al dat gewicht aan water bevindt zich daarboven in de wolken. Hij zegt dat ze niet bezwijken. Ze bezwijken niet onder dat gewicht. Soms doen ze dat wel. Bij de zondvloed deden ze dat, en als het regent doen ze dat in zekere mate. Maar het punt is dat er wolken zijn wanneer het niet regent, en dat daarboven water is. Hij verwondert zich gewoon over dat verschijnsel.

Job 26:9-10

9Hij bedekt de aanblik van Zijn troon; Hij spreidt Zijn wolk erover uit. 10Hij heeft een begrenzing afgetekend over het wateroppervlak, tot aan de grens tussen licht en duisternis.

Dat zou kunnen verwijzen naar hoe je, als je op een hoge berg of iets dergelijks staat en je omdraait en rondkijkt, kunt zien dat de horizon zich helemaal rondom je bevindt. Je zou dus eenvoudig kunnen afleiden dat er een ronde cirkel langs de rand van de aarde loopt, langs de grenzen van de oceanen. Dit is geen wetenschappelijke uitspraak, en daarom moet je je afvragen of vers 7 wel als zodanig bedoeld is.

Wij begrijpen slechts de randen van Gods wegen

Illustratie bij: De zee toont slechts de randen van Gods wegen.
Job 26:11-14

11De pilaren van de hemel sidderen en zijn verbijsterd vanwege Zijn bestraffing. 12Door Zijn kracht heeft Hij de zee opgezweept, en door Zijn inzicht heeft Hij Rahab neergeslagen. 13Door Zijn Geest kreeg de hemel schoonheid; Zijn hand heeft de snelle slang doorboord. 14Zie, dit zijn nog maar de uiteinden van Zijn wegen; wat hebben wij slechts een fluisterend woord van Hem gehoord! Wie zou dan de donder van Zijn kracht kunnen begrijpen?

Natuurlijk zegt hij hier eigenlijk opnieuw wat zijn centrale stelling is. Wij begrijpen niet wat God doet. Ik denk dat hij hier ook tegen zijn vrienden zegt: ‘Jullie denken van wel. Jullie denken dat jullie begrijpen wat God heeft gedaan. God heeft onheil over mij gebracht. Jullie denken de wegen van God zo goed te kennen dat jullie denken dat het altijd om deze reden is dat Hij dat doet.’

Maar hij zegt dat wij zelfs de uiterste randen van Zijn wegen niet begrijpen. We begrijpen niet hoe de wolken water kunnen vasthouden daarboven. We begrijpen niet hoe Hij de zeeën heeft gevestigd, enzovoort. Als we dat niet begrijpen: dat zijn nog maar de randen van Zijn wegen. Op begrip van de werkelijk geheimzinnige dingen kunnen we niet eens hopen. Hij zegt:

Wat horen we maar een zacht gefluister van Hem! Maar wie kan het gedonder van Zijn kracht begrijpen?

De donder van Zijn kracht verwijst waarschijnlijk naar de rampen die Job overkomen. Meestal fluistert God alleen maar, maar soms dondert Hij. Was het niet C. S. Lewis? Er is een heel vaak aangehaald citaat van C. S. Lewis dat ik niet precies kan weergeven. Iets als: ‘Hij fluistert in dit en Hij spreekt in dat, maar Hij dondert in onze pijn’, of zoiets. Wat Lewis in wezen aangeeft, is dat God op vele manieren spreekt, maar dat Hij het luidst spreekt in onze beproevingen. Dit was bijna woordelijk hetzelfde. Job zegt dat.

Job blijft zijn onschuld verdedigen

Illustratie bij: Job houdt vast aan zijn onschuld.

Nu hoofdstuk 27.

Job 27:1-5

1En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei: 2Zo waar God leeft, Die mijn recht heeft weggenomen, en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan: 3Voorzeker, zolang mijn adem nog in mij is, en het blazen van God in mijn neus, 4zullen mijn lippen geen onrecht spreken, en zal mijn tong geen bedrog uiten! 5Er is geen sprake van dat ik jullie gelijk zou geven; tot ik de geest geef, zal ik mijn oprechtheid niet van mij wegdoen.

Daarmee bedoelt hij zijn vrienden.

Job 27:6

Ik zal aan mijn gerechtigheid vasthouden, en zal haar niet loslaten; mijn hart zal die in mijn dagen niet minachten.

Het klinkt misschien alsof hij zegt: ‘Ik zal rechtvaardig blijven. Ik zal zolang ik leef geen concessies doen aan mijn levenswandel. Ik zal mijn gerechtigheid nooit loslaten. Ik zal mijn oprechtheid nooit prijsgeven.’ Hoewel dat waar kan zijn, is dat niet het punt dat hij maakt. Hij zegt: ‘Ik zal tot mijn dood blijven volhouden dat ik oprecht ben. Ik zal blijven volhouden dat ik rechtvaardig ben. Ik zal mijn bewering, mijn pleidooi dat ik niet schuldig ben, niet opgeven. Daar zal ik tot mijn dood aan vasthouden.’

Job 27:7

Laat mijn vijand zijn als een goddeloze, en mijn tegenstander als iemand die onrecht doet.

Dat is een manier om te zeggen: ‘Ik ben niet de goddeloze. Laat het degenen die mijn vijanden zijn vergaan zoals het de goddelozen vergaat, want ik ben niet goddeloos. Ik verdien het niet dat mij de dingen overkomen die de goddelozen overkomen.’

Job 27:8-13

8Want wat is de hoop van de huichelaar, als God zijn leven afsnijdt, als God zijn ziel wegneemt? 9Zal God zijn hulpgeroep horen als benauwdheid over hem komt? 10Zal hij vreugde scheppen in de Almachtige? Zal hij God te allen tijde aanroepen? 11Ik zal jullie onderwijzen aangaande de hand van God; wat bij de Almachtige is, zal ik niet verbergen. 12Zie, jullie hebben het allen zelf gezien. Waarom blijven jullie dan aan vluchtigheid vasthouden? 13Dit is het deel van de goddeloze mens bij God, en het erfelijk bezit van de geweldplegers, dat zij van de Almachtige ontvangen:

De rest van het hoofdstuk besteedt hij aan de slechte dingen die de goddelozen overkomen. Dat klinkt opnieuw als iets wat een van zijn vrienden zou zeggen, in plaats van hijzelf. Daarom denken sommige geleerden dat dit gedeelte van Job misschien door elkaar is geraakt bij het omgaan met en doorgeven van de tekst. Misschien zijn er bladzijden op de verkeerde plaats terechtgekomen, enzovoort. Misschien zijn sommige toespraken verplaatst die eigenlijk van zijn vrienden waren en die lijken te ontbreken. Denk aan de toespraak van Zofar, of misschien aan een groter deel van Bildads laatste toespraak. Dit soort dingen verwachten we van hen te horen, niet van Job.

Job verwacht dat God uiteindelijk recht doet

Illustratie bij: Job spreekt over het uiteindelijke lot van onderdrukkers.

Aan de andere kant weten we niet of de tekst veranderd is. Het kan zijn dat Job deze dingen wel degelijk heeft gezegd. Er is geen reden waarom Job bij het afscheid niet zou kunnen instemmen met iets wat zij hebben gezegd. Hij was het tenslotte niet oneens met hun theologie; hij was het alleen oneens met hun toepassing. Terwijl hij zei: ‘Ik ben onschuldig’, heeft hij steeds gezegd: ‘Ik ben het niet met jullie eens.’ In vers 5 zegt hij:

Ik zal echt niet zeggen dat jullie gelijk hebben.

Jullie hebben geen gelijk. Maar op één punt hebben jullie wel gelijk, en dat is dat het de goddelozen vaak slecht vergaat. Uiteindelijk zal het hun ook slecht vergaan, want God zal uiteindelijk recht doen.

Hij zegt in dit hoofdstuk dat God hem zijn recht heeft ontnomen. Wij zouden kunnen denken dat hij daarmee zegt dat God onrechtvaardig is, maar hij heeft het niet over een onrechtvaardigheid die God eigen zou zijn. Hij zegt: ‘Mijn omstandigheden zijn niet rechtvaardig geweest. Ik heb niet gekregen wat ik verdien.’ Hij zegt niet dat God onrechtvaardig is. Hij zegt: ‘Zoals de zaken er nu voor staan, wordt er geen recht gedaan. Mij is het recht in mijn rechtvaardige zaak ontnomen.’

Maar God is niet onrechtvaardig, tenzij Hij de dingen uiteindelijk niet rechtzet. Dat God lijden toestaat waarvoor geen rechtvaardiging is, zegt ons niet dat God onrechtvaardig is, tenzij God dat nooit goedmaakt. Hij zegt dus alleen iets over zijn omstandigheden. Hij zegt niet iets over God. Hij zegt dat wat God hem tot nu toe heeft aangedaan, inhoudt dat Hij het recht heeft weggenomen: ‘Mij wordt geen recht gedaan.’ Maar hij zegt niet dat God de dingen niet zal veranderen.

In deze laatste toespraak klinkt het bijna alsof hij bevestigt dat God uiteindelijk rechtvaardig zal handelen, in elk geval tegenover de goddelozen. Eerder heeft hij er wel over geklaagd dat de goddelozen er soms hun hele leven mee wegkomen. Maar toch zal hij bevestigen dat onderdrukkers en goddelozen werkelijk het onheil over zich afroepen.

Hij zegt:

Het onheil dat de goddelozen treft

Illustratie bij: De oostenwind verjaagt de rijke uit zijn woning.
Job 27:13-14

13Dit is het deel van de goddeloze mens bij God, en het erfelijk bezit van de geweldplegers, dat zij van de Almachtige ontvangen: 14als zijn kinderen talrijk worden, is het voor het zwaard, en zijn nakomelingen zullen niet met brood verzadigd worden.

Dat wil zeggen: God kan de goddeloze veel kinderen geven, maar ze zullen worden uitgeroeid.

Job 27:15-17

15Wie van hem overgebleven zijn, zullen door de dood begraven worden, en zijn weduwen zullen niet wenen. 16Als hij zilver ophoopt als stof, en kleding vervaardigt als leem, 17zal hij die vervaardigen, maar de rechtvaardige zal die aantrekken, en de onschuldige zal het zilver verdelen.

Dat wil zeggen: wanneer hij sterft, zal het als erfenis worden verdeeld onder mensen die beter zijn dan hijzelf.

Job 27:18

Hij heeft zijn huis als een mot gebouwd, en als een hut die een wachter gemaakt heeft.

Dat betekent: heel kwetsbaar.

Job 27:19-23

19Rijk legt hij zich te slapen; hij wordt wel niet weggenomen, maar als hij zijn ogen opendoet, is het er niet meer. 20Verschrikkingen treffen hem als water; 's nachts zal een wervelwind hem wegnemen. 21De oostenwind zal hem opnemen, en daar gaat hij; hij zal hem van zijn plaats wegvagen. 22God zal dit alles over hem werpen en hem niet sparen; voor Zijn hand zal hij snel wegvluchten. 23Men zal over hem zijn handen ineenslaan, en van afschuw over hem sissen vanuit zijn woon plaats.

Het volgende hoofdstuk gaat niet op dezelfde voet verder, dus dit lijkt het einde van zijn antwoord aan zijn vrienden te zijn. Uiteindelijk zegt hij dingen die we van hen zouden verwachten, omdat zij precies dat soort dingen hebben gezegd. Dus óf het materiaal is wat door elkaar geraakt, óf Job sluit af door te zeggen: ‘Er zijn dingen waarover ik het met jullie eens ben. God brengt uiteindelijk inderdaad onheil over de goddelozen, tenminste meestal.’

Wijsheidsliteratuur laat ruimte voor uitzonderingen

Illustratie bij: Jobs lijden doorbreekt eenvoudige verklaringen.

Bedenk dat wijsheidsliteratuur er niet is om je te vertellen wat er altijd zal gebeuren. Ze is er om je te vertellen wat er normaal gesproken zal gebeuren, wat je kunt verwachten dat er gebeurt, wat voor resultaten je kunt verwachten als je een bepaalde weg volgt. En het is waar dat iemand die een goddeloze weg volgt, het onheil over zichzelf afroept. In sommige afzonderlijke gevallen ondervinden rijke mensen misschien geen onheil. Job heeft erop gewezen dat we rijke mensen kennen die gelukkig leefden, vredig stierven en na hun dood werden geëerd. Hij heeft betoogd dat dit soms gebeurt.

Maar de wijsheid van de wijsheidsliteratuur zou zijn dat je daar maar beter niet op kunt rekenen. Als je overweegt goddeloos te zijn, reken er dan niet op dat je een van degenen zult zijn die zo sterven en zo leven. Dit is veel meer wat je in de meeste gevallen kunt verwachten. Er zijn uitzonderingen, en Job zelf is een uitzondering op het tegenovergestelde, want het is over het algemeen waar dat God de rechtvaardige zegent en hem spaart. Veel van de wijsheidsliteratuur — de Spreuken, veel van de Psalmen en een groot deel van Job — bevestigt dat God de rechtvaardige zegent. Maar Job is een uitzondering in deze specifieke ervaring die hij doormaakt.

Het is dus terecht om die algemene uitspraken te bevestigen. Maar wat zijn vrienden niet konden, en wat Job wel heeft gedaan, is zeggen: ‘Maar er zijn duidelijk uitzonderingen op die algemene uitspraken.’ God is niet gebonden aan een bepaald gedragspatroon dat wij kunnen waarnemen en waaraan wij Hem kunnen houden. Behalve natuurlijk dat God gebonden is aan Zijn eigen karakter. Waar het om gaat, is dat Zijn eigen karakter alleen vereist dat Hij rechtvaardig is. Dat betekent niet dat alles wat er in de wereld gebeurt rechtvaardig moet zijn. Want als God van plan is om in een ander leven al het onrecht recht te zetten en rechtvaardige vergelding en beloning te geven naar wat iemand verdient, dan kan wat er in de tussentijd ook gebeurt ons niet veel vertellen over de rechtvaardigheid van God.

We kunnen zien dat er dingen gebeuren die niet rechtvaardig zijn, maar dat betekent niet dat God niet rechtvaardig is, want Hij kan het allemaal omkeren. En als Hij het allemaal omkeert, zal niemand zeggen dat Hij het verkeerde heeft gedaan. In Jobs geval wist Job weliswaar niet zeker wat er zou gebeuren, en eerder was hij erg wanhopig geweest. Maar later had hij er behoorlijk veel vertrouwen in dat hij op een bepaald moment in de toekomst voor God zou staan en in het gelijk gesteld zou worden. Dat had hij gezegd in hoofdstuk 19, vers 25 tot en met 27.

Zo gelooft hij ook dat de goddelozen ten val zullen komen, ook al lijkt het hun in veel gevallen voorspoedig te gaan. Uiteindelijk zullen ze bezwijken onder Gods oordeel, omdat God rechtvaardig is. In dat opzicht denk ik dat Job wel juist over God spreekt.

De mens vindt goud diep onder de grond

Illustratie bij: Mijnwerkers zoeken kostbare ertsen in het donker.

Ik zou ook hoofdstuk 28 willen behandelen, want we hebben nog veel hoofdstukken voor de boeg, en het is fijn om er weer een achter de rug te hebben. Hoofdstuk 28 is een op zichzelf staand hoofdstuk. Het is verfrissend doordat het niet echt opnieuw op dezelfde dingen ingaat. Het behandelt zelfs niet hetzelfde onderwerp. Het is een soort wijsheidsgedicht, zoals je dat in Spreuken hoofdstuk 8 vindt. Spreuken hoofdstuk 8 is een wijsheidsgedicht over wijsheid, en hoe belangrijk en waardevol wijsheid is, en dat alles.

Dit gedicht gaat erover dat mensen niet noodzakelijk weten waar ze wijsheid kunnen vinden. Maar het komt wel tot de conclusie dat wijsheid te vinden is in gerechtigheid, in de vreze des Heeren. Het begint met elf verzen over mensen die naar goud en zilver zoeken. Het bevat veel toespelingen op de mijnbouwpraktijken van die tijd, hoe mensen goud en zilver uit de grond haalden. Het punt van de eerste elf verzen is dit: mensen hebben geleerd hoe ze goud kunnen vinden. Het is niet gemakkelijk te vinden. Je moet ernaar graven, maar mensen hebben ontdekt hoe ze goud kunnen vinden.

Maar de rest van het hoofdstuk zegt dat ze niet hebben geleerd hoe ze wijsheid kunnen vinden, die meer waard is dan goud. Als we goud wilden vinden, zouden we naar een goudmijn gaan. Maar als we wijsheid willen vinden, waar gaan we daar dan voor naartoe? Dat is in wezen de boodschap van dit specifieke hoofdstuk, zoals je zult zien.

Job 28:1-3

1Voorzeker, er is voor het zilver een plaats waar het tevoorschijn gebracht wordt, en een plaats voor het goud waar het gezuiverd wordt. 2Het ijzer wordt uit de aarde gehaald, en uit gesteente wordt koper gesmolten. 3De mens bepaalt het einde voor de duisternis, en elke grens onderzoekt men, het gesteente in het donker en de schaduw van de dood.

Dat is onder de grond. Hij gaat onder de grond en neemt de lamp mee naar beneden. Hij maakt daar beneden een einde aan de duisternis, brengt daar beneden licht, zodat hij onder de grond kan zoeken naar goud- en zilvererts en andere mineralen.

Job 28:4

Hij hakt een mijn schacht uit, ver van de plaats waar hij verblijft; zonder steun van de voet hangen zij, ver van de sterveling zweven zij.

Ik weet niet zeker wat er heen en weer slingert. Misschien zijn het de lampen die ze mee onder de grond nemen.

Job 28:5-7

5Uit de aarde komt het brood voort, en onder in haar wordt zij veranderd, als door vuur. 6Haar gesteente is de plaats van saffier, en zij bevat goudstofjes. 7De roofvogel kent het pad erheen niet, en het oog van de kiekendief heeft het niet waargenomen.

Waarom? Omdat het onder de grond is. De vogels gaan niet onder de grond. Vogels kunnen van alles zien, daar gaat hij van uit. Vanuit de lucht hebben ze een goed uitzicht. Ze kunnen veel meer zien dan wij, maar ze kunnen niet zien waar het goud is. Ze kunnen niet zien waar het erts is, omdat het onder de grond zit, waar zij niet komen.

Job 28:8-9

8De trotse jonge dieren hebben het niet betreden, geen felle leeuw is er overheen gegaan. 9De mens slaat zijn hand aan het harde gesteente, hij keert de bergen vanaf de wortel om.

Daarmee wordt blijkbaar bedoeld dat God dat doet.

Job 28:10

In de rotsen hakt hij gangen uit, zijn oog ziet alles wat kostbaar is.

Of misschien doet de mens dat.

Job 28:11

Hij damt de rivieren af, zodat er geen druppel doorheen komt, en wat verborgen is, brengt hij naar buiten in het licht.

Eigenlijk gaat dit over wat de mijnwerkers doen.

Wijsheid is zeldzamer en kostbaarder dan goud

Illustratie bij: Geen goud of edelsteen kan wijsheid kopen.
Job 28:12-13

12Maar de wijsheid, waar wordt die gevonden? En waar is de plaats van het inzicht? 13De sterveling kent haar waarde niet, zij wordt niet gevonden in het land van de levenden.

Wat Job en zijn drie vrienden meemaakten, lijkt erop te wijzen dat ze wijsheid zochten over de situatie. Dit zijn enkele van de wijste mannen van het oosten, die proberen er inzicht in te krijgen, en ze vonden die niet. Ze vonden geen antwoord. Wijsheid wordt niet gevonden in het land van de levenden.

De diepte zegt: Het is niet in mij, en de zee zegt: Het is niet bij mij.

Als je er in de oceaan naar gaat zoeken, zul je die daar niet zien. De zee zegt:

Job 28:14

De watervloed zegt: In mij is zij niet; en de zee zegt: Bij mij is zij niet.

Job 28:15-18

15Fijn goud kan niet in ruil voor haar gegeven worden, en haar prijs kan niet met zilver worden afgewogen. 16Zij kan met het fijne goud van Ofir niet betaald worden, en evenmin met de kostbare onyx en saffier. 17Haar waarde kan niet met goud of kristal gemeten worden, en zij is niet in te ruilen voor een kleinood van zuiver goud. 18Aan koraal en kristal wordt niet meer gedacht, want de prijs van de wijsheid is hoger dan die van robijnen.

Salomo zei in Spreuken 31 dat de waarde van een deugdzame vrouw die van robijnen te boven ging. Dezelfde uitdrukking. Het betekent dat ze zeldzamer zijn. De reden dat robijnen kostbaar zijn, is niet dat ze in onze tijd waarde hebben voor de lasertechnologie. Vroeger hadden ze geen technologie waarvoor robijnen nodig waren. Ze zijn zeldzaam. Ze zijn zeldzaam. Daarom zijn ze kostbaar. Daarom wordt goud gewaardeerd. Edelmetalen en edelstenen zijn kostbaar omdat ze moeilijk te vinden zijn. Ze zijn zeldzaam.

En dus gaat de waarde van een deugdzame vrouw die van robijnen te boven, omdat zo'n vrouw zeldzaam is. Dat staat er in Spreuken 31:10:

Spreuken 31:10

Wie zal een deugdelijke vrouw vinden? Haar waarde gaat die van robijnen ver te boven.

Die is moeilijk te vinden. En dat geldt ook voor wijsheid, om dezelfde reden. Het is moeilijk om wijsheid te vinden. Het is moeilijker om wijsheid te vinden dan om robijnen te vinden.

Job 28:19-20

19Haar waarde kan niet met die van een topaas uit Cusj gemeten worden; en met het fijne zuivere goud kan zij niet betaald worden. 20De wijsheid dus, waar komt zij vandaan, en waar is de plaats van het inzicht?

Waar komt die vandaan?

Job 28:21-22

21Zij is bedekt voor de ogen van alle levenden, en voor de vogels in de lucht is zij verborgen. 22Het verderf en de dood zeggen: Met onze oren hebben wij slechts een gerucht over haar gehoord.

Maar dat betekent natuurlijk dat zij die niet hebben.

God vrezen en het kwaad mijden is wijsheid

Illustratie bij: Ontzag voor God en wijken van het kwaad is wijsheid.
Job 28:23

God begrijpt haar weg, en Híj kent haar plaats.

En dit is Zijn antwoord: de mens weet waar hij zilver en goud moet zoeken, maar alleen God weet waar wijsheid te vinden is. Hij weet waar die is.

Job 28:24-28

24Want Híj ziet tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder heel de hemel, 25terwijl Hij de kracht van de wind bepaalt, en de wateren meet met een maat. 26Toen Hij een verordening maakte voor de regen, en een weg voor het weerlicht van de donder — 27toen zag Hij haar, en peilde haar. Hij stelde haar vast en ook onderzocht Hij haar. 28Maar tegen de mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des Heeren, dat is wijsheid, en zich afkeren van het kwade is inzicht.

Met andere woorden, wijsheid is zedelijkheid, wijsheid is vroomheid, wijsheid is God vrezen en van het kwaad wijken. Wijsheid is geen filosofisch speculeren. Wijsheid blijkt uit de manier waarop je leeft en wat je nastreeft. Als je God zoekt, is dat wijs. Als je dat niet doet, ben je dwaas.

In Spreuken hoofdstuk 1, vers 7 staat:

Spreuken 1:7

De vreze des HEEREN is het beginsel van de kennis, dwazen verachten wijsheid en vermaning.

Maar Spreuken zegt ook dat de vreze des Heeren het begin van wijsheid is, verderop in Spreuken, volgens mij in hoofdstuk 9. Als ik het me goed herinner, staat er in Spreuken 9, vers 10:

Spreuken 9:10

Het beginsel van wijsheid is de vreze des HEEREN en de kennis van de heiligen is inzicht.

Het lijkt sterk op wat Job zei, maar het is een beetje anders, want Spreuken zegt dat de vreze des Heeren het begin van wijsheid is. Dat wil zeggen, je moet God vrezen voordat je werkelijk iets van waarde kunt gaan leren. Als je God niet vreest, heb je niets geleerd wat ertoe doet. Een man die zijn leven leidt zonder God te vrezen, kent aan alles wat hij waardeert een verkeerde waarde toe, omdat hij niet weet wat de werkelijke waarde van de dingen is. Een relatie met God, dát heeft waarde.

Terwijl Job eenvoudigweg zegt:

Ontzag hebben voor de Heer, dat is wijsheid.

Het is niet alleen het begin van wijsheid; het is wijsheid. En van het kwaad wijken is inzicht.

Dit gedicht over wijsheid stelt de waarde ervan dus in wezen boven die van goud en zilver. Het zegt dat een van de redenen waarom wijsheid hoger wordt gewaardeerd, is dat ze moeilijker te vinden is. Mensen weten waar ze zilver en goud kunnen vinden; ze weten niet waar ze wijsheid kunnen vinden. Maar uiteindelijk heeft God gesproken en gezegd:

Wil je wijsheid hebben, heb dan gewoon ontzag voor God, dat is wijsheid. Dat zal je wijsheid zijn.

Dit is eigenlijk een soort keerpunt in het boek Job. We komen hier nog op terug.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Job 23 - 28. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.

Hoe wil je deze lezing volgen?

Je kunt deze keuze altijd wijzigen in de speler.

We onthouden je voorkeur op dit apparaat.

De lezing wordt geladen…

Beeld en tekst laden…