2 Timotheüs 2:1-16

Timotheus moet Paulus’ onderwijs doorgeven

Luisteren 54 min Lezen ± 44 min · Lezing 3 van 5

Schrijver / bijdrager
Tijdperiode van de inhoud
Mijn VVV

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/2-timotheus/2-1-16.pdf?v=39d3a7bc2a19. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/2-timotheus/2-1-16.

Samenvatting

Sterk zijn in Gods genade, betrouwbaar onderwijs doorgeven en volharden in de dienst van Christus.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt Paulus’ aansporing aan Timotheus om kracht te putten uit de genade van Christus en het ontvangen onderwijs toe te vertrouwen aan betrouwbare mensen die anderen kunnen onderwijzen. Aan de hand van de soldaat, de atleet en de hardwerkende boer licht hij toe dat de christelijke dienst ontberingen, toewijding en inspanning vraagt, met Gods welbehagen als doel. Hij bespreekt verschillende verklaringen van de uitverkorenen en benadrukt dat Gods Woord zich blijft verspreiden, ook wanneer Zijn boodschappers gevangenzitten. Bij de woorden over volharding en ontrouw stelt hij dat christenen hun behoud kunnen verliezen als zij Christus verloochenen: Gods trouw betekent dat Hij trouw blijft aan Zijn eigen karakter en uitspraken.

Genade geeft kracht om lijden te verdragen

Illustratie bij: Genade geeft kracht om lijden te verdragen.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we 2 Timotheus 2, vers 1 tot en met vers 16, deel 3.

2 Timotheus hoofdstuk 2. Er zijn nog drie hoofdstukken te behandelen. Maar het vierde is vrij persoonlijk en bevat dingen die we al besproken hebben toen we de achtergrond van het boek bekeken. Natuurlijk zullen we over sommige van die dingen moeten spreken, maar misschien hoeven we bij hoofdstuk 4 niet zoveel opmerkingen te maken als bij de tussenliggende hoofdstukken, hoofdstuk 2 en 3. Daarover valt heel veel te zeggen.

2 Timotheüs 2:1-7

1U dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade die in Christus Jezus is . 2En wat u van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan trouwe mensen die bekwaam zijn om ook anderen te onderwijzen. 3Lijd verdrukkingen als een goed soldaat van Jezus Christus. 4Niemand die in het leger dient, wordt verwikkeld in de zaken van het levensonderhoud, opdat hij hem kan behagen die hem voor de krijgsdienst aangenomen heeft. 5En ook als iemand aan een wedstrijd deelneemt, krijgt hij geen krans als hij de spelregels niet in acht heeft genomen. 6De landbouwer die zware arbeid verricht, moet als eerste in de vruchten delen. 7Denk na over wat ik zeg, maar laat de Heere u inzicht geven in alle dingen.

Hij begint met nog een aansporing aan Timotheus om sterk te zijn. Hij heeft hem eerder al gezegd dat hij sterk moet zijn, of laten doorschemeren dat hij sterk moet zijn. Hij zei hem in hoofdstuk 1, vers 7, dat hij de Geest Die in hem is, moet aanwakkeren. Die moet worden opgevat als een Geest van kracht. In vers 8 van hoofdstuk 1 zegt hij:

2 Timotheus 1:8

maar lijd met mij verdrukking om het Evangelie, overeenkomstig de kracht van God.

Delen in het lijden, of lijden ondergaan, en dat doen als christen — daarmee bedoel ik: op een christelijke manier. Iedereen ondergaat lijden, of ze nu christenen zijn of niet, maar christenen horen op een iets andere manier door het lijden heen te gaan. Om te beginnen zouden ze het moeten kunnen omarmen, vooral als het om vervolging vanwege het geloof gaat. Een christen zou in zekere zin dat lijden moeten liefhebben, zou moeten roemen in het lijden, zoals Paulus zegt in Romeinen hoofdstuk 5.

Verder wordt van de genade verwacht dat die een christen in staat stelt om het lijden met een genadige gezindheid te verdragen. Van anderen, die hetzelfde lijden ondergaan, zou je die gezindheid niet verwachten: die genadige gezindheid dus. Ook hier benadrukt Paulus dat je, om dit lijden te verdragen, sterk moet zijn in de genade die God geeft. Gods genade stelt ons in staat om onbevreesd en met een genadige gezindheid te lijden. Het is met andere woorden iets wat ons daartoe in staat stelt.

We hebben natuurlijk ook in andere verbanden over genade gesproken. Het is in onze eerdere studies van het Nieuwe Testament al vaak aan de orde gekomen. Ik hoop dat ik eerder duidelijk heb gemaakt dat we genade niet alleen moeten begrijpen als Gods onverdiende gunst. We zien dat Paulus en anderen de term ook gebruiken in de betekenis van een vermogen dat God geeft om het werk van God op de juiste manier te doen en om het lijden op een christelijke manier te verdragen.

Denk eraan dat Paulus, toen hij over de doorn in zijn vlees sprak, zegt dat hij God drie keer vroeg die weg te nemen. Maar God zei:

2 Korinthe 12:9

Mijn genade is voor u genoeg, want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht.

De genade van God is dus een kracht die Paulus in zijn zwakheid krijgt, en die hem in staat stelt dit te verdragen. Zo zegt hij ook tegen Timotheus dat hij sterk moet zijn in de genade die in Christus Jezus is.

Het onderwijs doorgeven aan trouwe mensen

Illustratie bij: Timotheüs vertrouwt het onderwijs toe aan betrouwbare mensen.

In vers 3 en verder lijkt hij door te gaan over de noodzaak om sterk te zijn in de genade. Maar in vers 2 lijkt hij die gedachte te onderbreken, al is dat misschien niet zo. Nogmaals, omdat de brieven 1 en 2 Timotheus zo persoonlijk zijn, houdt Paulus zich niet aan een strakke opzet. Soms voegt hij iets in wat bij hem opkomt. Zoals bijvoorbeeld in 1 Timotheus 5, waar hij de opmerking invoegde dat Timotheus wijn moest drinken en niet alleen water, op een plaats waar de samenhang daar niet noodzakelijk aanleiding toe gaf.

Ook hier kan het zijn dat Paulus beseft dat Timotheus daar eveneens gevangengezet kan worden en kan sterven. Hij spoort Timotheus immers aan om naar Rome te komen en moedig genoeg te zijn om dat te doen, en zich daadwerkelijk in gevaar te begeven. Maar hij wil niet dat de dingen die Paulus aan Timotheus heeft doorgegeven, met hem sterven. Hij zegt: ‘Luister, geef die dingen aan iemand anders door voordat je komt. Het zou jammer zijn als jij en ik allebei stierven en alles wat ik in jou geplant heb, met ons beiden stierf.’

Misschien lees ik tussen de regels door. Maar Paulus lijkt dit toch te zeggen in het verband van het verdragen van ontberingen en de bereidheid om het lijden te omarmen dat gepaard gaat met de reis naar Paulus om je bij hem aan te sluiten:

Trouwens, wat je van mij hebt gehoord, moet je doorgeven aan betrouwbare mensen die het weer aan anderen kunnen leren.

Dit proces van het toevertrouwen van die dingen aan trouwe mannen zou, denken wij, een langdurig proces zijn. Het zou een proces van discipelschap zijn. Het zou erop neerkomen dat je hen onderwijst, tenzij Paulus de fundamentele waarheden bedoelt, de belangrijkste onderscheidende punten van zijn onderwijs. De trouwe mensen in de gemeente kenden beslist al een groot deel van de waarheid van de Schrift. Maar Paulus bedoelt misschien: ‘Zorg ervoor dat je de kenmerkende dingen die ik onderwijs, die tegenover het onderwijs van veel ketters en andere leraren staan, aan trouwe mannen toevertrouwt. Zorg ervoor dat die dingen stevig verankerd zijn in het denken van trouwe mannen van wie je mag verwachten dat ze die zullen doorgeven, voordat je komt.’ Hij zegt niet: ‘Voordat je komt’, maar het ligt er misschien in besloten, omdat hij hem in de brief vraagt om te komen. En als hij inderdaad komt, komt hij misschien nooit meer terug in Efeze. Paulus lijkt dus te zeggen: ‘Zoals ik deze dingen aan jou heb doorgegeven voordat ik in de gevangenis zat, moet jij ervoor zorgen dat je ze aan iemand anders doorgeeft.’

Betrouwbare mensen vinden voor de bediening

Illustratie bij: Betrouwbaarheid blijkt in praktische dienst.

De anderen aan wie deze dingen moeten worden doorgegeven, worden ‘trouwe mannen’ genoemd. Het Engelse ‘faithful men’ kan eenvoudig mannen met geloof betekenen, of christelijke mannen. Maar waarschijnlijker betekent ‘faithful’ hier betrouwbaar. Je zou denken dat die niet zo moeilijk te vinden zijn. Christenen zouden trouwe mensen moeten zijn. In Openbaring staat dat degenen die met Christus komen:

Openbaring 17:14

en zij die samen met Hem zijn, geroepenen, uitverkorenen en gelovigen.

In de Engelse aanhaling staat hier ‘faithful’, dat zowel ‘gelovig’ als ‘trouw’ kan betekenen; de HSV heeft ‘gelovigen’.

En overal in de Schrift worden christenen aangespoord om trouw te zijn, zoals God trouw is, om:

Openbaring 2:10

Wees trouw tot in de dood

Maar ik heb voorgangers gekend, en ik reken mezelf daar ook bij, hoewel ik geen voorganger was, die juist dit hebben geprobeerd te doen: aan trouwe mannen toevertrouwen wat zij weten, wat ik weet. Ik weet bijvoorbeeld dat Jim Soderberg, toen hij nog geen voorganger was maar oudste bij Calvary Chapel Santa Cruz, betrokken was bij een programma dat volgens mij gebaseerd was op lesmateriaal van Bill Gothard, met de titel Training Faithful Men. Zodra hij trouwe mannen had gevonden, kwam hij regelmatig met hen samen en kregen ze huiswerkopdrachten enzovoort. Het was een proces van discipelschap. Maar het moeilijke was niet het opleiden van trouwe mannen, maar het vinden van trouwe mannen. Dat vertellen mensen, en dat heb ik zelf ook ondervonden.

Een opvolger opleiden: persoonlijke ervaringen

Illustratie bij: Een leraar leidt een trouwe opvolger op.

Ik herinner me dat ik ditzelfde vers eens had gelezen toen ik nog in Santa Cruz woonde, voordat er zelfs maar aan de school was gedacht. Ik las het en zei: ‘God, ik ben een leraar. U hebt me veel inzichten gegeven die ik wil doorgeven, maar ik heb niet één bepaalde persoon of een bepaalde groep mensen die ik opleid om deze dingen door te geven. Geef me een trouwe man.’

En Hij bracht de naam van John Evans in mijn gedachten. Die was destijds geen goede vriend van me, maar ik kende hem wel. Hij had enige ijver getoond als iemand die het Woord bestudeerde. Ik benaderde hem met de vraag of hij als discipel opgeleid wilde worden tot leraar, en hij had belangstelling. Het interessante is dat hij later, toen we naar Bandon verhuisden, een van de oprichters van de Great Commission School werd. Er waren zeven gezinnen die de school begonnen, en hij was de enige van hen die werkelijk tot het allerlaatste einde bleef. Dat wil zeggen, totdat we Bandon moesten verlaten. Het was niet mogelijk dat al onze medewerkers met ons meeverhuisden, en hij had een andere mogelijkheid. Hij zit nog steeds in ons bestuur.

Maar ik vond het interessant dat hij, van alle mannen die met mij van Santa Cruz naar Bandon verhuisden, de enige is die ik daadwerkelijk heb uitgenodigd. De anderen nodigden zichzelf uit. En alleen bij hem had God mij op het hart gelegd dat ik hem echt als discipel moest opleiden tot leraar. Hij werd, volgens mij naar het oordeel van de meeste mensen, de beste leraar die we hadden. Sommige van onze studenten hebben, zelfs nadat we verhuisd waren, het voorrecht gehad dat hij bij ons kwam om juist deze brieven te onderwijzen. Hij onderwees de pastorale brieven in het eerste jaar dat we in McMinnville waren. Ik hoefde de mensen niet te vragen: ‘Hoe deed hij het?’ Ze kwamen terug en zeiden: ‘Man, wat is die kerel een goede leraar.’ En dat is hij ook.

Ik heb het gevoel dat God me als het ware een trouwe man heeft gegeven om dingen aan door te geven. Ik denk dat iedereen die in de bediening staat, ernaar verlangt zulke trouwe mannen te vinden. Ik heb oude mannen gekend die volgens mij mogelijk naar mij keken als iemand aan wie ze het stokje konden doorgeven. Er was een oude man in Massachusetts die Fred heette. [Vertalersnoot: de transcripties geven zijn achternaam verschillend weer; de juiste spelling is niet vastgesteld.] Hij is inmiddels overleden, maar ik ontmoette hem toen ik in Massachusetts onderwijs gaf. Hij klampte zich aan me vast, nam me mee naar zijn huis, nam mijn tijd helemaal in beslag en deelde zijn visie met me enzovoort. Hij benadrukte hoe oud hij was, en ik kon niet anders dan denken dat hij misschien altijd op zoek was naar een jongere man aan wie hij de mantel van de bediening kon doorgeven.

Wanneer een oude man beseft dat zijn mogelijkheden beperkt zijn doordat hij eenvoudigweg niet lang meer zal leven, heeft iedereen met hart voor de bediening die neiging om ervoor te zorgen dat zijn bediening niet met hem sterft, maar wordt doorgegeven aan een zoon in het geloof. Zo voelde Paulus zich tegenover Timotheus. En nu moest Timotheus, hoewel hij nog vrij jong was, ook overwegen om dat te doen. Zijn leven zou door de marteldood verkort kunnen worden, en daarom moest hij deze dingen doorgeven.

Trouw blijven onder alle omstandigheden

Illustratie bij: Salomo zoekt mensen aan wie hij verantwoordelijkheid kan toevertrouwen.

Trouwe mannen zijn, zoals ik al zei, niet zo gemakkelijk te vinden als je misschien denkt. Er zijn veel mensen, zoals in Spreuken staat. Ik wou dat ik nog wist welk vers het was. Er is een spreuk die zegt:

Spreuken 20:6

Menig mens roept zijn eigen goedertierenheid uit, maar wie zal een betrouwbaar iemand vinden?

Pas als je gaat rondkijken naar een trouwe man aan wie je de mantel van de bediening kunt overdragen, besef je hoe waar dat was. Salomo moet dat als leider hebben ontdekt. En ik denk dat leiders dat vaak ontdekken, want ze zoeken altijd naar betrouwbare mannen aan wie ze verantwoordelijkheden kunnen overdragen. Salomo verwees er zo vaak naar hoe ergerlijk het was om iemand die ontrouw is iets toe te vertrouwen.

Spreuken 25:19

Een ontrouwe boodschapper is als een verstuikte voet en een gebroken tand.

Spreuken 20:6 is het vers dat zegt:

De meeste mensen vertellen hoe goed ze zelf zijn, maar wie vindt er iemand die echt betrouwbaar is?

Iedereen die ernaar gezocht heeft, heeft er maar weinig gevonden.

Ik wil jullie, jonge mannen, echt op het hart drukken om trouwe mannen te zijn. Misschien zul je nooit in de bediening staan, maar trouw zijn aan God wordt hoe dan ook van alle christenen gevraagd. Het is net als bij het kiezen van oudsten. Van oudsten wordt niet gevraagd dat ze superchristenen zijn. Ze horen gewoon te zijn wat christenen horen te zijn. Het is niet altijd gemakkelijk iemand te vinden om als oudste aan te stellen. Zo horen ook alle christenen trouw te zijn, maar het is niet altijd gemakkelijk iemand te vinden op wie je werkelijk door dik en dun kunt vertrouwen.

Veel mensen zouden graag leraar willen zijn. Ik heb vaak meegemaakt dat mensen, jonge kerels, zich bij mij aansloten omdat het idee om leraar te zijn hen zo aantrok. Misschien omdat ze beseffen dat leraren in bepaalde kringen, zoals op een school, een zekere mate van respect krijgen, en dat het aantrekkelijk is om leraar te zijn. Maar de vraag is: zullen ze God nog steeds willen dienen wanneer ze in omstandigheden verkeren waarin ze in die rol niet worden geëerd? Zullen ze God nog steeds met goede motieven willen dienen, ook wanneer God niet zo goed voor hen is als op dit moment? Daarmee bedoel ik dat Hij hen door beproevingen heen leidt, hen door een gehaktmolen haalt.

Trouwe mannen zijn mensen die niet van hun koers afwijken, ongeacht de omstandigheden. Als ze in moeilijke tijden van hun koers afwijken, zijn ze ontrouw. Ik wil natuurlijk alle christenen aansporen, ook als je niet van plan bent dienaar van het Evangelie te worden, om in elk geval trouw genoeg te zijn om daarvoor in aanmerking te komen. Je weet maar nooit of God je misschien roept. En voor jullie, vrouwen, geldt hetzelfde.

Het is interessant dat Salomo in Spreuken 31 ook zei dat het moeilijk is om een trouwe vrouw te vinden. Hij zei:

Spreuken 31:10

Wie zal een deugdelijke vrouw vinden?

Hetzelfde wat hij over een trouwe man zei in Spreuken 20:6:

Wie vindt er iemand die echt betrouwbaar is?

Maar in Spreuken 31:10 zegt hij:

Wie vindt er een deugdzame vrouw?

En vervolgens beschrijft hij dat zij een trouwe vrouw is:

Spreuken 31:11

Op haar vertrouwt het hart van haar echtgenoot

Paulus wist dus dat het moeilijk was om een trouwe man en een trouwe vrouw te vinden. Het is duidelijk dat beiden heel belangrijk zijn voor het welzijn van het voortgaande werk van de gemeente.

Timotheus moest, als hij dat kon, een aantal trouwe mannen vinden aan wie iets kon worden toevertrouwd, zoals hem iets was toevertrouwd. En hij moest hun de dingen toevertrouwen die Paulus hem had toevertrouwd. Vervolgens moesten zij natuurlijk hetzelfde doen. Daarna moest het onderwijs nog een generatie verdergaan, waarbij die trouwe mannen anderen konden onderwijzen. Ze moesten ook bekwaam zijn om te onderwijzen.

Soldaat van Christus en vredestichter zijn

Illustratie bij: Vreedzaam blijven wanneer het geloof weerstand oproept.

Nu vers 3:

2 Timotheüs 2:3

Lijd verdrukkingen als een goed soldaat van Jezus Christus.

Dit is duidelijk een voortzetting van zijn aansporing aan Timotheus om niet bang te zijn, zich niet te laten intimideren, sterk te zijn in de genade die God geeft en in de kracht van God deel te nemen aan het lijden. In zekere zin moet je jezelf zien als iemand die in een oorlog verkeert.

Christenen moeten in hun daadwerkelijke omgang met andere mensen een gezindheid bewaren die zo ver mogelijk van een oorlogszuchtige houding afstaat. Als het om relaties gaat, horen christenen niets anders dan vrede te bevorderen. Al merken mensen die het Evangelie van de vrede verkondigen vaak dat anderen niet in vrede met hen leven. Jezus zei:

Mattheüs 10:34

Denk niet dat Ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.

Maar Hij zegt daarmee niet dat wij geen vrede moeten hebben. Hij zegt vervolgens juist dat de gezinnen verdeeld zullen raken over het Evangelie.

Je kunt naar vrede verlangen, zoals de psalmdichter in Psalm 120. Hij zegt:

Psalmen 120:7

Ik ben vreedzaam, maar als ik spreek, voeren zij oorlog.

Dat is vaak het geval. Je moet natuurlijk niets doen wat in je relatie met andere mensen een oorlogssituatie zou veroorzaken. Toch kun je juist doordat je probeert een vredestichter te zijn, vervolgd worden. Jezus zei:

Mattheüs 5:9

Zalig zijn de vredestichters

En onmiddellijk daarna:

Mattheüs 5:10

Zalig zijn zij die vervolgd worden

Vaak zijn het mensen die, omdat ze vredestichters zijn, weerstand oproepen en vervolgd worden.

Paulus zei in Romeinen hoofdstuk 12:

Romeinen 12:18

Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen.

Dus wat jouw kant van elke relatie betreft, wat jij aan een relatie toevoegt, wat jouw bijdrage zou moeten zijn: niets anders dan wat normaal gesproken de vrede zou bevorderen. Elke relatie heeft twee kanten, en er kunnen dingen zijn waar je geen invloed op hebt. De ander is misschien niet zo toegewijd aan vrede als jij. Toch mogen we in onze relaties niet strijdlustig zijn. Maar we moeten wel strijdlustig zijn in de zin dat we onszelf zien als verwikkeld in een strijd tegen de machten van het kwaad.

Efeze 6:12

Wij strijden niet tegen mensen, maar wel tegen overheden en machten.

Deze overheden en machten hebben mensen gevangengenomen. Dat staat aan het einde van dit hoofdstuk. In vers 26 gaat het erover hoe we mensen moeten helpen om te ontsnappen:

2 Timotheüs 2:26

en zij weer mogen ontwaken uit de strik van de duivel, door wie zij levend gevangen waren om zijn wil te doen .

Dat is de oorlog die we voeren. De wereld zit in satans gevangenis. Wij zijn de Rambo's die achter de vijandelijke linies moeten gaan om deze mensen uit hun gevangeniscellen te halen.

Je moet een strijdlustige instelling hebben. Je moet erop voorbereid zijn gewond te raken. Niemand trekt ten strijde zonder zich daar op de een of andere manier geestelijk op voor te bereiden: ‘Ik zou hier gewond kunnen raken, misschien zelfs sterven.’ Mensen trekken natuurlijk niet ten strijde zonder die mogelijkheid te overwegen. Als ze echt vastbesloten zijn dat te vermijden, trekken ze helemaal niet ten strijde. Ze deserteren, gaan de gevangenis in of doen iets anders. Als ze echt bang zijn om gewond te raken, trekken ze eenvoudigweg niet ten strijde.

Mensen die ten strijde trekken, hebben zich al verzoend met het besef dat ze zouden kunnen sterven en dat dat niet de ultieme tragedie is. Hun leven behouden zal niet hun eerste prioriteit zijn. Al hopen ze natuurlijk ook tijdens de strijd in leven te blijven. Maar door ten strijde te trekken, begeven ze zich in een situatie waarvan ze weten dat die veel levensbedreigender is dan het gewone leven.

Ze zijn niet alleen bereid gewond te raken en te sterven. Ook wanneer ze niet rechtstreeks tegenover de vijand staan, wanneer ze niet midden in een hevige strijd zitten, zijn ze bereid offers te brengen en ontberingen te verdragen. Daar in de schuttersputten eten ze niet dezelfde maaltijden als thuis, wanneer ze volop geld hebben en vrij zijn om naar de chique restaurants te gaan. De rantsoenen die ze eten en de omstandigheden waarin ze slapen, zijn anders dan wat het burgerleven te bieden heeft. Dat komt doordat ze bereid zijn bepaalde offers te brengen. En een van de grote offers is dat ze comfort opgeven om de taak te volbrengen, om de strijd tot een einde te brengen.

Offers brengen met de instelling van een soldaat

Illustratie bij: De Queen Mary als beeld van soberheid in oorlogstijd.

Christenen moeten een strijdlustige instelling hebben, of de instelling van een soldaat. Misschien heb ik dit al eerder verteld, en dat is ook waarschijnlijk, want er zijn een paar favoriete dingen die ik vaak vertel. In het boek Perspectives of the World Christian Movement staat een artikel van Ralph Winter. Hij is de oprichter van het U.S. Center for World Mission in Pasadena, Californië. Het artikel heet ‘Reconsecration to a Wartime Mentality’. Het is een geweldig artikel.

Hij begint met een beschrijving van de Queen Mary, die volgens mij in Long Beach, Californië, ligt afgemeerd en tegenwoordig eigenlijk een toeristische attractie is. Dat schip was ooit een luxe passagiersschip. Maar in oorlogstijd werd het ingezet als troepentransportschip. Als je een rondleiding op de Queen Mary volgt, zie je dat een deel is ingericht zoals het was als luxe passagiersschip, en het andere deel zoals het was als troepentransportschip. Hij beschrijft de verschillen.

Ik heb die rondleiding nooit gevolgd. Nu ik dat gelezen heb, zou ik dat graag eens doen. Volgens mij zou het een heel aanschouwelijke illustratie zijn van het punt dat hij maakt, en dat Paulus hier maakt. Namelijk dat mensen die in oorlog zijn beslist een soberder leven leiden en meer offers brengen dan mensen die zichzelf niet als in oorlog beschouwen. Hij zei dat er in het gedeelte van het luxe passagiersschip natuurlijk ruime hutten waren, maar dat diezelfde hutten in het oorlogsgedeelte zestien slaapkooien hadden. Terwijl er in het luxegedeelte van het schip bij een gedekte plaats aan tafel misschien acht of negen borden lagen voor alle gangen van de maaltijd, is er in oorlogstijd een stuk blik met verdiepingen erin voor de verschillende etenswaren.

Het idee hiervan is te laten zien dat mensen met een oorlogsmentaliteit bereid zijn dingen te verdragen die mensen die het leven als een speelterrein zien in plaats van als een strijdtoneel, nooit ook maar zouden overwegen te verdragen.

Studenten die zich door God geroepen voelen om opgeleid te worden, hopen toegerust te worden om betrokken te blijven bij de strijd tegen het machtsgebied van de duivel. Tijdens een deel van hun opleiding slapen ze onder omstandigheden waarin ze waarschijnlijk niet zullen slapen als ze zelf hun woonsituatie kunnen kiezen. Over de maaltijden kan ik niet klagen. Waarschijnlijk zullen ze niet zo goed eten wanneer ze eropuit trekken. Maar er zijn jaren geweest waarin je echt de instelling van een soldaat moest hebben om de maaltijden in onze eetzaal te eten. We hadden toen andere koks.

Waar het om gaat, is dat ik het nooit te veel gevraagd heb gevonden dat studenten een tijdlang krap behuisd zijn of rijst en bonen eten, of wat dan ook. Als ze op een slagveld waren, zouden ze het waarschijnlijk slechter hebben. Dat is precies onze situatie. We zijn in een strijd verwikkeld. Zo zien we het niet altijd. We worden op dit moment niet vervolgd. We leven niet in een arm land. We leven in een welvarend land, in een land waar christenen niet worden vervolgd, en we verliezen uit het oog dat we in de strijd verwikkeld zijn.

In bepaalde kringen is het niet ongewoon om predikers te horen zeggen: ‘Wij zijn kinderen van de Koning. We verdienen het om op grote voet te leven. Als iemand de goede dingen van het leven zou moeten hebben, dan zijn het wel de kinderen van de Koning, en christenen zijn kinderen van de Koning. Dus hebben we mooie auto's, mooie huizen, en het is een schande om oude kleren te dragen en in een oude Volkswagen te rijden.’ Ik heb mensen dat horen zeggen. Maar deze mensen lijken een westerse theologie te hebben, want die theologie werkt niet in de derde wereld. Christenen daar hebben eenvoudigweg niet de mogelijkheid om in Cadillacs te rijden.

Wat deze mensen uit het oog hebben verloren, is dat wij weliswaar kinderen van de Koning zijn, maar dat de Koning in oorlog is en Zijn kinderen in de schuttersputten zitten. Wanneer je in de schuttersputten zit, leef je niet zoals je leeft wanneer de oorlog voorbij is. Wanneer de oorlog voorbij is, gaan we naar huis, naar het paleis, en dan zullen we leven als kinderen van de Koning. Intussen moeten we leven als soldaten.

Paulus zegt dat je bereid moet zijn om ontberingen te verdragen, zoals een goed soldaat van Jezus Christus dat zou doen.

Leven om God te behagen

Illustratie bij: Een soldaat richt zich op de opdracht van zijn bevelhebber.

Hij wijst op een aspect daarvan:

2 Timotheüs 2:4

Niemand die in het leger dient, wordt verwikkeld in de zaken van het levensonderhoud, opdat hij hem kan behagen die hem voor de krijgsdienst aangenomen heeft.

Het idee van God behagen is een terugkerend thema in de Bijbel. Maar eerlijk gezegd kan ik me niet herinneren dat ik heel veel preken heb gehoord die alleen over het behagen van God gingen. Ik zal er vast wel een paar hebben gehoord, maar volgens mij is dit de kern van de hele christelijke manier van denken. De vraag is: leef je om jezelf te behagen of om God te behagen? Je kunt niet allebei doen. Een derde mogelijkheid is mensen behagen, wat een andere manier is om ervoor te zorgen dat je jezelf behaagt. Paulus zei:

Galaten 1:10

Als ik immers nog mensen behaagde, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn.

Galaten 1, ik denk vers 10 of 11.

Mensen behagen en jezelf behagen is voor een christen eenvoudigweg niet waar het leven voor bedoeld is. Voor een niet-christen is dat alles wat er is: jezelf behagen. Maar de wezenlijke, fundamentele verandering van houding die bekering vraagt, betreft juist dat punt. Wanneer ik ophoud een niet-christen te zijn en een christen word, wanneer ik me bekeer — dat wil zeggen, anders ga denken — is een van de fundamentele aspecten van die verandering in mijn denken dat ik me bekeer van een leven waarin ik mezelf behaag. Vanaf dat moment heb ik me er voor altijd aan verbonden God te behagen en alles te doen wat God behaagt, of dat mij nu behaagt of niet.

Hij zegt dat iedere soldaat dat weet. De meeste soldaten op het slagveld zouden op dat moment liever een burgerbestaan leiden. Maar ze hebben hun vrijheden als burger en het comfort van hun burgerbestaan moeten opgeven om degene te behagen die hen als soldaat in dienst heeft genomen. Daarmee is het christelijke leven te vergelijken. We zijn in dienst genomen. Je kunt je niet aan deze dienstplicht onttrekken. Of als je dat wel doet, kun je dat niet ongestraft doen. Je kunt dat niet doen zonder verlies te lijden.

Beschikbaar blijven voor Gods opdracht

Illustratie bij: Vrij blijven om gehoor te geven aan de opdracht.

Onze kijk op het leven is dat we hier zijn om onze Bevelhebber te behagen, en om geen enkele andere reden. Daarom is zelfs betrokkenheid bij burgerlijke aangelegenheden ongepast. Wat zijn burgerlijke aangelegenheden binnen deze specifieke vergelijking of beeldspraak? Dat weet ik niet precies. Hij zegt zeker niet dat je geen bedrijf mag hebben, wat strikt genomen een wereldlijke bezigheid is, een bezigheid van een burger. Ik vraag me af of het zelfs inhoudt dat je je niet met het aardse bestuur moet bezighouden, zoals politiek of iets dergelijks. Ik weet het niet zeker.

Dit zou ik er wel over willen zeggen: zelfs als christenen betrokken mogen zijn bij alle aspecten van de wereldse samenleving — en ik vermoed dat dat mag, zolang het geen zondige aspecten van de wereldse samenleving zijn — mogen ze hun hart niet aan die dingen geven. Ze mogen niet aan die dingen gehecht zijn. Ze moeten bereid zijn om ze op elk moment te laten vallen om de strijd in te gaan. Ze mogen er niet zo onlosmakelijk bij betrokken raken dat ze zich niet uit een situatie kunnen losmaken, omdat ze zo opgaan in een of andere aardse bezigheid dat ze niet beschikbaar zijn voor hun Bevelhebber.

Sommigen van jullie zullen zich ongetwijfeld geroepen voelen tot de bediening, hetzij in de zending in eigen land, hetzij in het buitenland. Anderen misschien niet. Anderen worden misschien geroepen tot een leven dat meer op een burgerbestaan lijkt: trouwen, een gezin stichten, een baan hebben en een licht zijn in je cultuur. Dat is ook goed. Beide zijn goed. Maar die tweede situatie is er een waarin mensen gemakkelijk vergeten dat ze in oorlog zijn. Als je op het zendingsveld bent, weet je dat je in oorlog bent. Vertrouwen op God maakt dan veel meer deel uit van het dagelijks leven, en het weerstaan van de machten van de duisternis is dan duidelijk een dagelijkse bezigheid.

Maar als je een betrekkelijk comfortabeler leven gaat leiden, wat niet verkeerd is als dat overeenkomt met Gods roeping voor je leven, kun je vergeten dat je in oorlog bent en gaan denken: ‘Ik verdien het om het wat ruimer te hebben. Ik verdien een iets betere auto dan ik nu heb.’

Ik verdien wat meer speeltjes dan ik heb. Dat is eenvoudigweg een misleiding waarvoor we moeten oppassen. We moeten ons er ten volle van bewust blijven dat we in een geestelijke strijd verwikkeld zijn. En we moeten beseffen dat die geestelijke strijd ons roept tot een rol in het leven die in sommige opzichten vergelijkbaar is met die in een gewone oorlog. Namelijk dat we niet te veel opgaan in bezigheden die daar niets mee te maken hebben. En we moeten ook ontberingen kunnen verdragen.

De wedloop volgens de regels lopen

Illustratie bij: De atleet loopt de wedstrijd volgens de regels.

Nu een andere metafoor. Hij stapt over van de militaire metafoor naar de sportmetafoor. Hij gebruikt beide metaforen ook elders in zijn geschriften. Hij zegt:

2 Timotheüs 2:5

En ook als iemand aan een wedstrijd deelneemt, krijgt hij geen krans als hij de spelregels niet in acht heeft genomen.

Of: op wettige wijze. Wat hij hier precies bedoelt, is in dit vers niet zo duidelijk als in de vorige verzen. Hij zegt duidelijk dat je, als je eenmaal aan de wedloop deelneemt, je aan de regels moet houden. Misschien bedoelt hij dat je niet mag afsnijden.

Voor sportbeoefening staat daar in het Grieks een specifiek woord dat verwijst naar deelname aan de Olympische Spelen. Hij heeft dus waarschijnlijk hardlopers in gedachten, deelnemers aan een hardloopwedstrijd. Zij lopen voor een aardse krans. Daar wijst hij ook op in hoofdstuk 9 van 1 Korinthe. Hij geeft nog een voorbeeld uit de Olympische Spelen en vertelt hoe degenen die aan de Olympische Spelen deelnemen hun lichaam daadwerkelijk oefenen en zich in alles beheersen, ook al doen ze het alleen maar voor een aardse krans. Maar wij doen het voor een eeuwige krans. Hij brengt een soortgelijke gedachte naar voren, met een soortgelijke metafoor, in 1 Korinthe 9, vers 25.

Hier lijkt de gedachte te zijn dat je niet afsnijdt. Je moet het volgens het boekje doen. Je moet de wedloop volgens het boekje lopen. Als je iets doet om het jezelf gemakkelijker te maken dan wanneer je het volgens de regels zou doen, als je afsnijdt of zoiets, dan kom je misschien bij de eindstreep, maar je zult niet gekroond worden. Dan ben je elk voordeel of elke beloning voor het bereiken van de eindstreep kwijt. Hij zegt dus misschien: zoek in dit leven niet naar manieren om af te snijden. Probeer niet een gemakkelijkere weg te nemen. De wedloop is zwaar en de regels zijn zo dat je het jezelf onmogelijk gemakkelijker kunt maken zonder ze te overtreden. Je moet je in wezen houden aan wat de wedstrijd van je vraagt.

De hardwerkende boer en zijn beloning

Illustratie bij: De hardwerkende boer deelt als eerste in de oogst.

Verder staat er in vers 6:

De boer die hard werkt, moet als eerste van de oogst kunnen eten.

De manier waarop dit in de King James is verwoord, bracht me vroeger in verwarring. En ook hier in vers 6 zou het nog steeds op meer dan één manier opgevat kunnen worden. Ik dacht ooit dat Paulus zoiets zei als: als iemand van de oogst wil eten, moet hij eerst boer zijn. Het lijkt dan namelijk een beetje op de vergelijking met de wedloop. Je moet de wedloop lopen als je de beloning wilt. Dus als je van de oogst wilt eten, moet je eerst het werk van een boer doen. Je moet het harde werk doen om eraan mee te doen.

Maar zo zegt hij het niet. Hij zegt niet dat degene die van het voedsel wil eten, het eerst moet verbouwen en ervoor moet werken, hoewel dat wel waar zou zijn. Dat is niet de waarheid die hij hier uitspreekt. Ik dacht dat hij die waarheid probeerde over te brengen, maar ik vond dat hij het verkeerd zei, en dat zat me vroeger dwars.

Ik begrijp nu dat de nadruk hier op ‘hardwerkende’ ligt. Alle boeren zullen hopelijk eten van de gewassen die ze verbouwen. Maar de boer die er hard voor werkt, verdient het zeker het meest om er als eerste van te eten. De gedachte is dat de voorrechten, de meeste voorrechten en beloningen voor het werk, toekomen aan degene die er het hardst voor werkt. Hij had gewoon kunnen zeggen dat de boer van zijn oogst eet. Maar hij benadrukt dat het de hardwerkende boer is die als eerste van de oogst eet. De gedachte is dat de bijzondere voorrechten en beloningen toekomen aan degene die zich er het meest voor inspant.

Opnieuw zegt hij tegen Timotheus iets wat een beetje lijkt op de vergelijking of metafoor van de wedloop. Je loopt hard om de beloning te kunnen krijgen. En als hij de metafoor verandert in die van de landbouw, moet je hard werken om de beloning te verkrijgen.

Geestelijke waarheden begrijpen door beelden

Illustratie bij: Jezus gebruikt de wind als beeld in Zijn gesprek met Nicodemus.

Vers 7:

Denk na over wat ik zeg, en moge de Heer je in alles inzicht geven.

Met andere woorden: denk na over deze metaforen. Metaforen en beeldspraak kunnen een heel nuttige manier zijn om waarheid te verhelderen. Paulus zegt in Romeinen hoofdstuk 6, wanneer hij de vergelijking met de slavenmarkt gebruikt om te spreken over onze verhouding tot de zonde en tot God:

Romeinen 6:19

Ik spreek op vleselijke wijze.

Of:

Romeinen 6:19

Ik spreek op menselijke wijze vanwege de zwakheid van uw vlees.

Dat wil zeggen: omdat jullie mensen zijn en jullie inzicht beperkt is, gebruik ik menselijke vergelijkingen. Ik gebruik metaforen die hopelijk helpen verduidelijken waar ik het over heb. In dat geval dus de vergelijking met de slavenmarkt.

Hier geeft hij drie vergelijkingen: die met oorlogvoering, die met de Olympische Spelen en die met boeren. Die waren allemaal redelijk vertrouwd voor christenen uit de eerste eeuw. Ze hebben allemaal enige overeenkomst met het christelijke leven en de christelijke dienst. Daarover zegt hij: sta hier gewoon bij stil en denk over deze dingen na. Hoe meer je erover nadenkt, hoe beter je het zult begrijpen en hoe meer inzicht je zult krijgen in wat ik hier probeer te zeggen.

Is dat Romeinen hoofdstuk 6? Het staat in Romeinen hoofdstuk 6, in het laatste gedeelte. Ik weet het versnummer niet. Ik kan het voor je opzoeken. Vers 19? Ja.

Romeinen 6:19

Ik spreek op menselijke wijze vanwege de zwakheid van uw vlees.

Vanwege jullie natuurlijke zwakheid bij het begrijpen van geestelijke dingen moet ik menselijke voorbeelden geven. Dat is eigenlijk helemaal niet zo beledigend. Wij zijn vlees, en het helpt ons om iets uit ons eigen referentiekader te hebben als aanknopingspunt voor een onbekende geestelijke waarheid. Het is moeilijk om over onstoffelijke dingen te praten zonder concrete termen te gebruiken waarmee we vertrouwd zijn.

1 Korinthe 2:14

De natuurlijke mens kan de dingen van de Geest niet ontvangen; ze worden geestelijk onderscheiden.

Maar wanneer je die dingen overbrengt, is het soms prettig om voorbeelden te geven. Jezus deed dat bij Nicodemus. Nicodemus zei:

Johannes 3:4

Hoe kan dat? Wat bedoelt U met opnieuw geboren worden?

Jezus zei:

Johannes 3:8

Het is als de wind. Je weet niet waar hij vandaan komt of waar hij heen gaat, maar je weet dat hij bestaat.

Nicodemus zei:

Johannes 3:9

Nicodemus antwoordde en zei tegen Hem: Hoe kunnen deze dingen gebeuren?

Jezus zei:

Johannes 3:12

Als Ik aardse dingen tegen u zei en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik hemelse dingen tegen u zeg?

De spreker gebruikt hier een Engelse parafrase met ‘begrijpen’, waar het aangehaalde Bijbelvers ‘geloven’ heeft. Het zou duidelijk moeten zijn dat hemelse dingen moeilijker te begrijpen zijn dan aardse dingen. Vaak helpen aardse voorbeelden om geestelijke dingen te verduidelijken.

Gods Woord laat zich niet gevangenzetten

Illustratie bij: Paulus is geboeid maar het Woord blijft zich verspreiden.

Vers 8:

2 Timotheus 2:8-9

Denk eraan dat Jezus Christus, uit het nageslacht van David, uit de doden is opgewekt, overeenkomstig mijn Evangelie, waarvoor ik lijd als een misdadiger.

Dat wil zeggen, niet omdat hij een misdadiger is, maar alsof hij er een was. Hij wordt als een misdadiger behandeld.

2 Timotheus 2:9

Zelfs tot in de boeien. Maar het Woord van God is niet geboeid.

Het Woord van God, dat weet hij. Hoe het met het Evangelie gaat, hangt niet af van Paulus’ persoonlijke overleving, van hoe voorspoedig het hem gaat, of zelfs van zijn vrijheid. Zoals we uit Filippenzen weten, was het Evangelie ook niet geboeid toen hij de eerste keer in Rome in de boeien zat. Zelfs binnen de gevangenis kon hij getuigen. Blijkbaar kon hij zijn bewakers tot bekering brengen. En hij zegt dat als gevolg van zijn boeien het hele huis van de keizer van zijn situatie had gehoord, en dat er nu heiligen in het huis van de keizer waren die de Filippenzen de groeten deden.

Zelfs toen Paulus in de boeien zat, was zijn bediening niet aan banden gelegd. Het Woord van God bleef zich verspreiden, zelfs binnen de gevangenis, het huis van de keizer en het paleis. Maar wat hij hier waarschijnlijk ook bedoelt, is dat zelfs als hij wordt uitgeschakeld, het Evangelie nog steeds zijn verkondigers in vrijheid heeft, en altijd zal hebben. Het Evangelie zal doorgaan, zelfs als ze het proberen uit te doven door de leiders gevangen te zetten en te doden. Timotheus was bijvoorbeeld nog vrij. En als hij gearresteerd werd, zouden er trouwe mannen zijn aan wie Timotheus deze dingen had toevertrouwd. Het zou dus heel moeilijk of onmogelijk voor hen zijn om de voortgang van het Woord van God werkelijk aan banden te leggen of te stoppen, zelfs als ze de boodschapper in de boeien sloegen.

De uitverkorenen en het uiteindelijke behoud

Illustratie bij: Volharden ter wille van het behoud van de gemeente.
2 Timotheüs 2:10

Daarom verdraag ik alles ter wille van de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid in Christus Jezus zouden verkrijgen, met eeuwige heerlijkheid.

Paulus verrichtte zijn werk dus opdat de uitverkorenen het behoud zouden verkrijgen. Ook dit zou, tenminste zoals het klinkt, steun bieden aan de calvinistische opvatting dat er mensen zijn die uitverkoren zijn, uiteraard voordat ze zelfs maar geboren zijn. De gedachte is dat zij, en alleen zij, het behoud zullen verkrijgen. De calvinist verstaat dat zo dat iemand die het behoud verkrijgt, dat behoud alleen verkrijgt omdat hij uitverkoren is.

De arminiaan zou dit vers echter kunnen nemen en zeggen: ‘Wij zien het een beetje anders. Ze zijn uitverkoren omdat ze het behoud verkrijgen. God weet wie het behoud zal verkrijgen en heeft hen op grond van die voorkennis uitverkoren.’

Dit vers kan dus op beide manieren worden gebruikt. Op het eerste gehoor lijkt het meer steun te bieden aan het calvinisme, in die zin dat hij zegt: ‘Ik span me hiervoor in ter wille van de uitverkorenen, zodat ze behouden kunnen worden. Degenen die al uitverkoren zijn, zodat ze het behoud zullen verkrijgen.’ Maar je kunt het bijna net zo gemakkelijk anders begrijpen, als hij met de uitverkorenen degenen bedoelt van wie God weet dat ze behouden zullen worden: ‘Mijn bediening brengt dat tot stand.’ Wat God weet en heeft gekozen, zal zichtbaar worden doordat zij het behoud verkrijgen.

Het is ook mogelijk dat met de uitverkorenen degenen worden bedoeld die al behouden zijn en van wie al gebleken is dat ze uitverkoren zijn. Dat zij het behoud mogen bereiken, niet zozeer dat ze tot bekering zouden komen. In die zin hebben ze het behoud al. Maar Paulus spreekt ook tegen de christen over het aangrijpen van het behoud. Over het aangrijpen van de uiteindelijke en definitieve zegeningen van het behoud, namelijk trouw zijn tot de dood en naar de hemel gaan, of eeuwig leven verkrijgen.

We weten dat Paulus in zijn geschriften op allerlei verschillende manieren over het behoud spreekt. Soms is het iets wat we al hebben, en toch is het soms iets waar degenen onder ons die al behouden zijn naar uitzien. En dus zegt hij misschien zelfs gewoon: ‘Ik span me in ter wille van de gemeente, die ook de uitverkorenen zijn. En mijn inspanningen zijn erop gericht dat zij trouw blijven en de uiteindelijke verheerlijking verkrijgen die deel uitmaakt van ons behoud.’ Dat zou aansluiten bij de volgende paar verzen, toch? Dat zou het. Het zou aansluiten bij de volgende verzen, omdat hij de noodzaak van volharding en standvastigheid benadrukt.

Met Christus leven, volharden en regeren

Illustratie bij: Met Christus leven en in het geloof volharden.

In vers 11 tot en met 13 zegt hij:

2 Timotheüs 2:11

Dit is een betrouwbaar woord. Want als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven.

Nu, die woorden:

‘we zijn gestorven’. Dat is verleden tijd. En dan:

‘met Hem’. Dat lijkt te spreken over het feit dat ik in Christus met Christus gekruisigd ben. Die gedachten die Paulus elders in Galaten en Romeinen naar voren brengt: dat wij gekruisigd zijn, dat wij met Hem gestorven zijn, en dat wij, omdat dat zo is, ook met Hem zullen leven. In zekere zin zijn we al met Hem opgewekt, maar hij kijkt vooruit naar een meer uiteindelijke, definitieve opstanding: eeuwig leven in de opstanding.

2 Timotheüs 2:12

Als wij volharden, zullen wij ook met Hem regeren. Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen.

Het lijkt hier behoorlijk duidelijk dat Paulus, in elk geval in het tweede zinsdeel:

‘Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen’, precies hetzelfde zegt als wat Jezus Zelf in Mattheüs 10:33 zei. In Mattheüs 10:33 zei Jezus:

Mattheüs 10:32-33

Wie Mij verloochent voor de mensen, zal Ik verloochenen voor Mijn Vader en Zijn heilige engelen. En wie Mij belijdt, zal Ik belijden.

Als je uitgaat van de woorden van Jezus, zou je je kunnen voorstellen dat Hij het heeft over het verschil tussen christenen en niet-christenen. De christenen, of de uitverkorenen, zullen Christus belijden. Degenen die niet uitverkoren zijn, of die geen christenen zijn, zullen Hem verloochenen. Maar hier heeft Paulus het over ons als christenen. Zelfs nadat we Christus al beleden hebben, geldt de dreiging die Jezus uitsprak nog steeds als we Hem later verloochenen. Die geldt niet alleen voor degenen die Christus nooit belijden en Hem voortdurend verloochenen. Ook degenen die Christus eerder als christenen beleden hebben, kunnen dat tegemoetzien als ze Hem later verloochenen.

Gods trouw en de leer van eeuwige zekerheid

Illustratie bij: Nadenken over Gods trouw en de oproep tot volharding.

Sommigen denken dat vers 13 dat zou uitsluiten. Daar staat:

2 Timotheüs 2:13

Als wij ontrouw zijn, blijft Hij getrouw. Hij kan Zichzelf niet verloochenen.

Sommigen van hen hebben dit zo opgevat dat God ons trouw blijft en ons veilig bewaart, zelfs als we ons geloof verliezen, zelfs als we het geloof verlaten. Zelfs als we in ongeloof sterven, als wij ontrouw zijn, blijft God toch trouw. Daarom zijn we voor eeuwig veilig, ongeacht onze eigen volharding, of we nu volharden of niet.

Dit laatste vers, vers 13, wordt vooral gebruikt door de antinomiaanse variant van de leer van eeuwige zekerheid. Die leert dat je, als je eenmaal tot behoud komt, binnen bent. God zal je ziel trouw vasthouden, ook als jij God niet trouw vasthoudt. Zelfs als je wegloopt en in ontrouw aan God sterft, is Hij trouw; Hij kan Zichzelf niet verloochenen.

Ik begrijp het beslist niet op die manier. Hij heeft al gezegd dat Hij ons zal verloochenen als wij Hem verloochenen. Hij gaat niet vervolgens in vers 13 iets zeggen wat daar precies het tegenovergestelde van is. Wat hij in vers 12 zei, stemt overeen met wat Jezus zei. We kunnen dat niet als de zwakkere van de twee uitspraken beschouwen. We moeten vers 13 in overeenstemming brengen met wat hij in vers 12 zei, en niet proberen het te zien als iets wat daarmee op gespannen voet staat.

Er zijn een paar manieren om naar vers 13 te kijken. Eén daarvan is: zelfs als wij het niet geloven, is het nog steeds waar. Dat wil zeggen, als we niet geloven dat God zo is, dat Hij ons ook zal verloochenen als wij Hem verloochenen. Je gelooft dat misschien niet, maar het is nog steeds waar. God verloochent Zichzelf niet. Hij zal degenen verloochenen die Hem verloochenen, maar Hij zal Zichzelf niet verloochenen. Dat wil zeggen, Hij kan niet tegen Zijn eigen aard ingaan. Hij kan niet tegen Zijn eigen natuur, Zijn eigen karakter ingaan. Het lijkt op wat Paulus in Titus 1:2 zei, waar hij zegt:

Titus 1:2

God, Die niet liegen kan

God kan niet tegen Zijn eigen natuur ingaan

Illustratie bij: God kan Zichzelf niet verloochenen.

Sommige mensen hebben gevraagd: ‘Kan God een steen maken die Hij niet kan verplaatsen?’ De reden dat dit een lastige uitspraak is, is dat ze meestal eerst vragen: ‘Kan God alles doen?’ Als ze je zover hebben gekregen dat je zegt: ‘Ja, God kan alles doen’, zeggen ze: ‘Kan Hij dan een steen maken die Hij niet kan verplaatsen?’ Dan zit je met een dilemma. Want als je ‘ja’ zegt, heb je toegegeven dat er een steen is die Hij niet kan verplaatsen, of dat er een steen zou kunnen zijn die Hij niet zou kunnen verplaatsen. En dat is iets wat Hij niet kan doen: Hij kan die niet verplaatsen. Maar als je ‘nee’ zegt, kan Hij zo'n steen niet maken, en in dat geval is er iets wat Hij niet kan doen. Dus in beide gevallen ben je de klos, of je nu het een zegt of het ander. Ja of nee, in beide gevallen suggereert het iets wat God niet kan doen.

Sommige christenen zijn hierin vastgelopen, eenvoudigweg omdat ze het verkeerde antwoord op de eerste vraag gaven. ‘Kan God alles doen?’ Ze zeggen ja. Denk nog eens goed na voordat je zo antwoordt. Er zijn dingen die God niet kan doen. Hij kan niet liegen, vertelt Titus 1:2 ons. Jakobus vertelt ons:

Jakobus 1:13

God immers kan niet verzocht worden met het kwade

En deze passage laat zien dat Hij Zichzelf niet kan verloochenen. Het is misschien niet helemaal duidelijk wat dat betekent, maar volgens mij betekent het dat Hij niet anders kan handelen dan volgens Zijn eigen beginselen. Hij kan niet handelen in strijd met Wie Hij is. Hij kan niets doen wat niet in overeenstemming zou zijn met Wie Hij naar Zijn natuur en karakter is.

In zo'n geval zouden we op de vraag ‘Kan God een steen maken die Hij niet kan verplaatsen?’ kunnen zeggen, zou ik moeten zeggen: ‘Nee, dat kan Hij niet.’ Want zo'n steen zou nooit kunnen bestaan, omdat zo'n steen in strijd zou zijn met Zijn almacht. Het zou daarom een verloochening van Zichzelf zijn om iets te scheppen dat Zijn eigen almachtige natuur ontkende. Zo'n steen zou nooit kunnen bestaan, en zelfs God zou er geen kunnen maken die groter dan Hij of sterker dan Hij was, omdat dat een verloochening van Zijn eigen opperheerschappij zou zijn.

Zo zou ik die vraag beantwoorden. Misschien zou jij die iets anders beantwoorden, maar het punt is dat de Bijbel duidelijk zegt dat er dingen zijn die God niet kan doen. Hij kan alles doen wat Hij wil, maar Hij kan zelfs niet willen doen wat tegen Zijn natuur of karakter ingaat. Daarom kunnen die dingen nooit gedaan worden. Je kunt zeggen dat ze onmogelijk zijn.

Onze ontrouw verandert Gods trouw niet

Illustratie bij: Menselijke ontrouw doet Gods trouw niet teniet.

Wat heeft dat met deze passage te maken? Het betekent dat dit Gods beginselen zijn, die Hij heeft vastgelegd.

2 Timotheus 2:12

Als wij volharden, zullen wij ook met Hem regeren. Als wij Hem verloochenen, zal Hij ons ook verloochenen.

Dat is Zijn besluit. Of je het nu gelooft of niet, het blijft waar. Hij kan deze beginselen niet verloochenen. Hij kan jou verloochenen, maar Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Hij kan niet verloochenen wat Hij heeft gezegd. Misschien geloof je het niet, maar het blijft waar. Hij blijft trouw aan wat Hij over Zichzelf heeft gezegd. Hij houdt Zich aan Zijn woord door ons te verloochenen als onze daden daartoe aanleiding geven.

Een andere manier om het woord ‘ontrouw’ daar op te vatten, zou eenvoudig kunnen zijn dat zelfs als we afvallig worden en ons behoud verliezen, en we Hem verloochenen en Hij ons verloochent, dat toch geen kritiek op Hem inhoudt. Hij blijft onbesmet. Jij mag ontrouw zijn, maar Hij zal dat niet zijn. Je kunt in je zonden sterven en naar de hel gaan, maar niemand kan God daarvan de schuld geven. Hij blijft trouw aan alles wat Hij behoort te zijn.

Het lijkt op wat Paulus in Romeinen 9 zei, en ook een paar keer in Romeinen 3. In Romeinen 3, vooral in vers 3 en 4, zegt Paulus:

Romeinen 3:3

Want wat is het geval? Als sommigen ontrouw zijn geweest

In de Engelse aanhaling spreekt de spreker over ‘niet geloven’ en ‘ongeloof’, waar de HSV ‘ontrouw’ heeft.

Met andere woorden, wat als sommigen ontrouw waren, sommige Joden? Hij heeft het erover dat God beloften aan de Joden had gedaan. Voorwaardelijke beloften, maar het waren beloften aan de Joden. Maar wat als sommige Joden ontrouw zijn geweest?

Romeinen 3:3

zal hun ontrouw de trouw van God toch niet tenietdoen?

Met andere woorden, is God minder trouw doordat zij zich niet hebben toegeëigend wat Hij beloofd heeft, omdat ze ongelovig zijn? Hij zegt:

Absoluut niet! God spreekt de waarheid, ook als ieder mens liegt.

De betekenis is daar zeker dat sommigen van Gods volk, aan wie Hij beloften heeft gedaan, geen deel hebben gekregen aan die beloften, niet behouden zijn. Sommigen van Gods uitverkoren volk zijn nu verloren. Betekent dat dat God ontrouw is aan wat Hij beloofd heeft? Nee, zij zijn het die ontrouw zijn geweest. Sommigen van hen zijn ontrouw geweest, maar Gods trouw is niet aangetast.

Dat zou heel goed kunnen zijn wat hij hier bedoelt. Het lijkt zelfs heel waarschijnlijk dat dit is wat Paulus bedoelt in een vergelijkbare situatie, waarin sommige christenen aan wie eeuwig leven is beloofd, dat uiteindelijk misschien niet zullen hebben. Waarom? Ze zijn ontrouw. Betekent dat dat God ontrouw is? Nee, het betekent dat zij ontrouw zijn. God is nog steeds trouw.

2 Timotheüs 2:13

Als wij ontrouw zijn, blijft Hij getrouw. Hij kan Zichzelf niet verloochenen.

Hij is onveranderlijk. Hij kan Zichzelf niet verloochenen. Hij zal altijd Dezelfde blijven.

Dat Hij Dezelfde blijft, betekent dat Hij zo is: als je je leven in overeenstemming met Hem brengt, sta je op goede voet met Hem. Als je je leven niet meer in overeenstemming met Hem brengt, sta je op slechte voet met Hem. Daar valt niet aan te ontkomen. Hij verandert niet. Hij zal niet veranderen om Zichzelf in overeenstemming met jou te brengen wanneer jij op de verkeerde weg bent. Hij zal altijd Dezelfde blijven. Je enige hoop is dat je jezelf in overeenstemming met Hem brengt en in overeenstemming met Hem blijft.

Als je Hem verloochent, bij Hem wegloopt, of wat dan ook, zal Hij je niet achternagaan. Hij zal Zichzelf niet aanpassen om meer op jou te lijken. Hij verandert Zijn maatstaven niet door te zeggen: ‘Nou, voor jou maak Ik een uitzondering.’ Hij zal zijn Wie Hij is. Jij kunt het verliezen, maar God is daardoor niet veranderd. Zijn trouw wordt niet in twijfel getrokken door onze ontrouw als we afvallig worden. Dat is volgens mij de betekenis die hier waarschijnlijk het meest bij Paulus past.

Woordenstrijd mijden en je voor God beijveren

Illustratie bij: Timotheüs maant tot zorgvuldig onderwijs zonder woordenstrijd.

Vers 14:

2 Timotheüs 2:14-16

14Breng deze dingen in herinnering en bezweer hun , ten overstaan van de Heere, dat zij geen woordenstrijd voeren, die nergens toe dient dan tot de ondergang van de hoorders. 15Beijver u om uzelf welbeproefd voor God te stellen, als een arbeider die zich niet hoeft te schamen en die het Woord van de waarheid recht snijdt. 16Maar ontwijk onheilige, inhoudsloze praat. Want zij die dat doen , zullen steeds meer in goddeloosheid toenemen.

Vers 15 begint in de King James met het woord ‘study’. Veel mensen hebben dit opgevat als een Schriftgedeelte dat aanspoort tot Bijbelstudie, omdat er in de King James staat:

‘Study to show yourself approved.’ Het woord ‘study’ wordt hier dan opgevat als ‘studeren’.

Dit komt voort uit een verkeerd begrip van het oude Engelse woord ‘study’. De vertaling van de King James is goed. Het is eenvoudig zo dat de Engelse taal sindsdien veranderd is.

In het oudere Engels, in het Engels uit de tijd van Elizabeth, betekende het woord ‘study’ dat je je moest beijveren. Het Griekse woord hier betekent ‘beijver je’. De vertalers van de King James deden dus niets verkeerds door het woord uit hun taal te gebruiken dat ‘beijver je’ betekende. Het probleem is dat het woord ‘study’ sinds hun tijd de betekenis heeft gekregen van lezen en academisch onderwijs enzovoort, en dat was niet wat het betekende.

‘Study to show yourself approved’ betekent —

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als 2 Timothy (Part 3). Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.

Hoe wil je deze lezing volgen?

Je kunt deze keuze altijd wijzigen in de speler.

We onthouden je voorkeur op dit apparaat.

De lezing wordt geladen…

Beeld en tekst laden…