2 Timotheüs 1:1-7

Paulus vraagt Timotheus naar Rome te komen

Luisteren 51 min Lezen ± 41 min · Lezing 1 van 5

Schrijver / bijdrager
Tijdperiode van de inhoud
Gebied
Mijn VVV

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/2-timotheus/1-1-7.pdf?v=803c574bf8cd. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/2-timotheus/1-1-7.

Samenvatting

Paulus’ laatste gevangenschap, het bewaren van de waarheid en zijn aansporing aan Timotheus.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg schetst de achtergrond van Paulus’ laatste brief: zijn naderende martelaarsdood, het vertrek van medewerkers en zijn verlangen dat Timotheus hem in Rome bezoekt. Hij benadrukt dat Paulus de ontvangen waarheid wil laten bewaren en doorgeven door mensen telkens aan het geleerde te herinneren. Bij de bespreking van de openingsverzen gaat hij in op de belofte van leven, oprecht geloof en een rein geweten, dat ook vóór Christus door geloof mogelijk was, vooruitlopend op Zijn offer. Gregg verstaat de gave die Timotheus moet aanwakkeren waarschijnlijk als de Heilige Geest Zelf, Die kracht, liefde en bezonnenheid voortbrengt en hem zijn schroom laat overwinnen.

Paulus’ laatste brief vanuit de gevangenis

Illustratie bij: Paulus schrijft zijn laatste brief in gevangenschap.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we 2 Timotheus 1, vers 1 tot en met vers 7, deel 1.

Laten we 2 Timotheus opslaan, de tweede brief van de apostel Paulus aan Timotheus. Nu we aan dit boek beginnen, zullen we veel minder ter inleiding te zeggen hebben dan toen we aan 1 Timotheus begonnen, aangezien dit de tweede van de gevangenisbrieven is. Eigenlijk is het chronologisch vrijwel zeker de derde. Hij staat vóór Titus, niet omdat hij vóór Titus geschreven is, maar omdat het logischer is om de twee brieven aan Timotheus naast elkaar te zetten in de ordening van het Nieuwe Testament. Dit zou chronologisch de laatste brief van Paulus zijn die bewaard is gebleven. Als hij hierna nog andere brieven heeft geschreven, zijn die eenvoudigweg niet bewaard gebleven en weten we er niets van.

Hij maakt in deze brief heel duidelijk dat hij verwacht te sterven, of, zoals hij het uitdrukt, geofferd te worden. Hij beseft dat zijn martelaarsdood dichtbij is. Volgens de overlevering van de kerk is Paulus door Nero ter dood gebracht door hem te laten onthoofden. Dat was de manier waarop de Romeinen hun eigen burgers terechtstelden, en Paulus had het voorrecht van het Romeinse burgerrecht. Je zou kunnen zeggen dat het niet als zo'n groot voorrecht klinkt om terechtgesteld te kunnen worden door onthoofding. Maar het alternatief voor degenen die niet het voorrecht van het Romeinse burgerrecht hadden, was kruisiging. Onthoofding is een veel humanere manier van terechtstellen. Degenen die het voorrecht van het burgerrecht hadden en dingen hadden gedaan waarop de doodstraf stond, werden door onthoofding terechtgesteld. Pijnloos, nemen we aan. Ik heb eigenlijk nog nooit iemand kunnen interviewen die dat heeft meegemaakt, maar we nemen aan dat het een onmiddellijke en pijnloze manier is om te sterven. Jezus, Die niet het voordeel van het Romeinse burgerrecht had, had de kruisiging ondergaan. Ook Petrus en vele anderen werden gekruisigd. Dit waren de twee voornaamste methoden waarmee de Romeinen hun misdadigers terechtstelden.

Paulus schrijft dit terwijl de schaduw van de martelaarsdood heel sterk over zijn gedachten valt. Hij zit opnieuw in de gevangenis. Hoofdstuk 4 van deze brief hebben we bekeken toen we een algemene inleiding op de pastorale brieven gaven. Paulus' eerste gevangenschap is die waarover we aan het einde van het boek Handelingen lezen. Tijdens die gevangenschap schreef hij verschillende van de belangrijke brieven die we al behandeld hebben: Efeze, Kolossenzen, Filippenzen en Filemon, die gewoonlijk de gevangenisbrieven worden genoemd. Die schreef hij tijdens zijn eerste gevangenschap. Maar hoofdstuk 4 van 2 Timotheus geeft aan dat die eerste gevangenschap eindigde met een verhoor voor Nero, waarbij

2 Timotheus 4:17

Maar de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij kracht gegeven, opdat door mij de prediking volbracht zou worden en alle heidenen die zouden horen. En ik ben uit de muil van de leeuw verlost.

God behoedde hem ervoor om in die rechtbank veroordeeld te worden. Daarom werd hij vrijgelaten, nemen we aan.

De reizen die zowel in Titus als in 1 Timotheus, en ook hier in 2 Timotheus, worden verondersteld, moeten na zijn eerste gevangenschap hebben plaatsgevonden. Er worden bepaalde reizen van Paulus genoemd die hebben plaatsgevonden. Nu zit hij opnieuw in de gevangenis. Hij noemt zichzelf

2 Timotheus 1:8

Schaam u dan niet voor het getuigenis van onze Heere, en ook niet voor mij, Zijn gevangene, maar lijd met mij verdrukking om het Evangelie, overeenkomstig de kracht van God.

Hij spreekt over zijn ketenen. Hij spreekt erover dat hij er tamelijk zeker van is dat hij binnenkort de martelaarsdood zal sterven. Dat was in Titus of 1 Timotheus niet noodzakelijkerwijs het geval. Dat wil zeggen, in die brieven lezen we niet dat hij gevangenzat. Het lijkt erop dat die brieven vóór deze laatste gevangenschap geschreven zijn, maar in ongeveer dezelfde periode. Al deze brieven zijn ergens tussen 63 en 67 na Christus geschreven. Maar deze brief is waarschijnlijk in 66 of 67 na Christus geschreven, omdat Paulus, voor zover wij weten, in 67 na Christus is gedood. Dat is het tijdsbestek van deze brief. Het is de laatste van de drie, en van alle brieven van Paulus die bewaard zijn gebleven.

Timotheus moet komen met mantel en boeken

Illustratie bij: De mantel en geschriften die Paulus nodig heeft.

Het doel van deze brief is in wezen om Timotheus op te roepen Paulus in Rome te komen bezoeken. We nemen aan dat Timotheus nog steeds in Efeze is, waar hij ook was toen de eerste brief aan Timotheus werd geschreven. Paulus weet dat hij niet lang meer zal leven en verwacht niet uit zijn gevangenschap vrijgelaten te worden. Als hij ooit zijn zoon in het geloof nog hoopt te zien, zal Timotheus dus naar Rome moeten reizen. Er is een goede reden voor hem om dat te doen. Paulus' gevangenschap duurt misschien nog wat langer, en als dat zo is, zal hij een mantel nodig hebben. De winter staat blijkbaar voor de deur en hij zal meer kleding nodig hebben dan hij heeft. De gevangenissen in Rome werden niet goed verwarmd, en daarom zegt hij in hoofdstuk 4, vers 13:

2 Timotheüs 4:13

Breng, wanneer u komt, de reismantel mee die ik in Troas bij Karpus achtergelaten heb, en de boeken, vooral de perkamenten.

Het is interessant dat Paulus, hoewel hij de dood onder ogen zag, geen enkele reden zag om zijn studie te staken. Mensen bestuderen de Bijbel of een ander onderwerp vaak ter voorbereiding op een toekomstige loopbaan, of omdat ze voorzien dat hun studie ergens in de verre toekomst van nut kan zijn. Paulus zag de noodzaak om de Schriften te lezen en te bestuderen niet omdat hij verwachtte ze in de toekomst ergens voor te kunnen gebruiken, maar omdat hij eenvoudigweg leefde van het Woord van God als voedsel. Je moet niet denken dat je, als je eenmaal de Great Commission-school hebt doorlopen, een Bijbelschool hebt gevolgd of de Bijbel uitvoerig hebt bestudeerd, je Bijbel vervolgens op de plank kunt zetten en onder de spinnenwebben kunt laten raken, omdat je tenslotte wel zo ongeveer weet wat erin staat. De Bijbel moet niet alleen iets zijn waarmee we algemene kennis van de theologie opdoen, maar iets waardoor we gevoed worden terwijl we erin lezen. Je zou net zo goed kunnen zeggen: ‘Ik hoef niet meer te eten, want ik heb al eerder gegeten en ik weet wel zo ongeveer hoe eten smaakt’, als zeggen: ‘Ik heb de Bijbel al gelezen, ik heb hem behoorlijk grondig bestudeerd, ik weet in grote lijnen wat erin staat. Ik hoef hem niet meer te lezen.’

Dus zelfs aan het einde van zijn leven vond Paulus dat hij baat zou hebben bij de perkamenten en de boeken die hij had achtergelaten, ongetwijfeld Bijbelse geschriften. Misschien was hij in Troas gearresteerd. Dat weten we niet, maar hij zegt dat hij zijn mantel, en waarschijnlijk ook de boeken en perkamenten, in Troas had achtergelaten. Waarom zou hij die achterlaten? Misschien was hij daar bezig met zijn bediening toen hij door de Romeinen werd opgepakt en naar Rome werd afgevoerd, en had hij geen tijd om zijn spullen bij elkaar te zoeken. Dat is maar een vermoeden, maar misschien wel een redelijk vermoeden. Timotheus kon onderweg van Efeze naar Rome Troas aandoen, die spullen ophalen en ze naar Paulus brengen.

De aanleiding voor deze brief was dat Paulus wilde dat Timotheus naar hem toe kwam, zoals hij op verschillende plaatsen zegt. In hoofdstuk 4, vers 9, zegt hij:

2 Timotheüs 4:9

Beijver u om spoedig naar mij toe te komen,

En in vers 21 van hoofdstuk 4:

2 Timotheüs 4:21

Beijver u om voor de winter te komen. U groeten Eubulus, Pudens, Linus, Claudia en alle broeders.

Waarom? Omdat hij de mantel van Paulus zal meebrengen. Paulus zal zijn mantel vóór de winter nodig hebben, of in elk geval tijdens de winter. Daarom dringt hij er bij Timotheus op aan om hem te bezoeken. We weten niet in welke tijd van het jaar dit geschreven is, maar hij wilde dat Timotheus vroeg genoeg kwam, zodat Paulus zijn mantel zou hebben wanneer de winter aanbrak.

Verlaten door medewerkers, vol vertrouwen

Illustratie bij: Paulus blijft vertrouwen ondanks verlatenheid.

Natuurlijk ging het Paulus niet alleen om zijn eigen comfort en zijn persoonlijke omgang met God. Hij wilde Timotheus ook weer zien. Timotheus was de medewerker die het meest met hem op één lijn zat. En veel van zijn andere medewerkers hadden hem niet verlaten. Met sommigen had hij in de bediening samengewerkt en in hen had hij bij eerdere gelegenheden enig vertrouwen gesteld. Hij vermeldt in hoofdstuk 4, vers 10, ongetwijfeld met groot verdriet:

2 Timotheüs 4:10

want Demas heeft mij verlaten, omdat hij de tegenwoordige wereld heeft liefgekregen. Hij is naar Thessalonica vertrokken, Krescens naar Galatië, Titus naar Dalmatië.

Demas werd genoemd in Kolossenzen hoofdstuk 4, vers 14, en ook in Filemon, vers 24. Aangezien Filemon, net als de brief aan de Kolossenzen, aan de gemeente van Kolosse werd geschreven, lijkt het erop dat Demas op de een of andere manier met Paulus verbonden was in diens relatie met Kolosse. Voor zover wij weten was Paulus nooit in Kolosse geweest, maar misschien was Demas een christen uit Kolosse die bij de Kolossenzen bekend was, en werd hij daarom genoemd in beide brieven die Paulus naar die gemeente stuurde.

Maar nu is Demas niet meer bij hem, en anderen zijn ook niet meer bij hem. In hoofdstuk 1, vers 15, zegt hij:

2 Timotheüs 1:15

Dit weet u dat allen die in Asia zijn, zich van mij afgekeerd hebben. Tot hen behoren Fygellus en Hermogenes.

Ook zegt hij in hoofdstuk 4, vers 16:

2 Timotheüs 4:16

Bij mijn eerste verdediging was er niemand die mij bijstond, maar zij hebben mij allen verlaten. Moge het hun niet toegerekend worden.

Paulus staat niet alleen voor de crisis van de marteldood; hij ervaart ook afwijzing. En niet alleen afwijzing van zijn Joodse vijanden, die zijn volksgenoten waren. Daarmee had hij ongetwijfeld gedurende het grootste deel van zijn loopbaan leren leven. Hij ervoer afwijzing van de Joden, maar nu zelfs van christenen en gemeenten die hij in Asia had gesticht, zijn eigen kinderen in het geloof. En van zijn vroegere medewerkers zoals Demas, en van degenen die tot aan zijn proces voor Nero bij hem waren geweest, maar hem op het moment van de grootste nood in de steek lieten. Paulus voelde zich behoorlijk verlaten en afgewezen.

Maar het is interessant dat er in deze brief bij hem geen enkel spoor van zelfmedelijden te vinden is. In onze tijd wordt christenen enigszins het idee gegeven dat je, als je door toedoen van mensen afwijzing en onrechtvaardig lijden hebt meegemaakt, een soort excuus hebt voor zelfmedelijden, en dat je misschien therapie of een bijzondere behandeling nodig hebt. In feite had de apostel Paulus in deze opzichten ergere dingen meegemaakt dan wie van ons ook, en toch klinkt er iets opgewekts door in zijn toon. We vinden een heel optimistisch vertrouwen dat het werk zal doorgaan, ondanks het feit dat er heel slecht nieuws is over de gemeenten in Asia.

Hij heeft er vertrouwen in dat er oprecht geloof in Timotheus woont. Hij heeft er ook vertrouwen in dat God bij machte is te bewaren:

2 Timotheus 1:12

Daarom onderga ik ook deze dingen. Maar ik schaam mij niet, want ik weet Wie ik geloofd heb, en ik ben ervan overtuigd dat Hij bij machte is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot die dag.

We zien bij Paulus een opgewekte houding, hoewel hij de dood onder ogen ziet en verlaten is door velen die hij had gehoopt te kunnen vertrouwen, of op wie hij had gehoopt te kunnen blijven steunen.

Timotheus aansporen om het risico te nemen

Illustratie bij: Timotheus overweegt de riskante reis naar Paulus.

Dit bezoek aan Rome, dat hij Timotheus vraagt te brengen, zou voor Timotheus enig risico met zich meebrengen. We zien dat hij Timotheus aanspoort om niet bang te zijn en zich niet te schamen voor Paulus' boeien, maar Paulus te komen bezoeken. Als Paulus nu inderdaad door de Romeinen als een gevaarlijke misdadiger werd beschouwd — en het lijkt onwaarschijnlijk dat ze hem zouden terechtstellen als ze hem niet zo zagen — dan zou ook Timotheus zichzelf in heel groot gevaar brengen door hem als medewerker van Paulus in de gevangenis te komen bezoeken. Daarmee zou hij zich daar zichtbaar en bekend maken bij de autoriteiten, en bekend komen te staan als een medewerker van Paulus. Niet alleen als een vriend, maar als iemand die dezelfde activiteiten voortzette waarvoor Paulus was gearresteerd. Het zou zelfs vreemd kunnen lijken dat Paulus Timotheus vroeg om dit offer te brengen. Het zou beter kunnen lijken als hij iemand wiens activiteiten minder op die van Paulus leken en die niet zo veel gevaar zou lopen, vroeg om zijn mantel en zijn perkamenten bij hem te brengen. Maar het is mogelijk dat Timotheus de enige man was die Paulus nog overhad op wie hij kon rekenen. Bovendien kan het zijn dat Timotheus de enige man was die hij kende van wie hij kon verwachten dat hij zo'n reis voor hem zou maken en die moedig genoeg was om dat te doen.

Nu was Timotheus blijkbaar nogal schuchter. We hebben enige reden om dat te geloven op grond van een paar aanwijzingen hier en daar. Maar Paulus spoort hem aan om de gave die in hem is aan te wakkeren en de Geest van God in hem kracht, liefde en bezonnenheid tot uiting te laten brengen:

2 Timotheüs 1:7

Want God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht en liefde en bezonnenheid.

Die vrees was misschien wel regelmatig de reactie van Timotheus. En dus schrijft Paulus de brief om Timotheus krachtig aan te moedigen niet bang te zijn, naar hem toe te komen en het risico te nemen.

Met zijn eigen dood voor ogen spreekt Paulus veel over leven en onsterfelijkheid en het eeuwige leven dat voor ons klaarligt. Dat weerspiegelt niet alleen Paulus' eigen optimisme dat hij, hoewel hij gaat sterven, iets beters heeft om naar uit te zien. Het is ook een bemoedigend woord voor Timotheus, die, als hij Paulus kwam bezoeken, misschien ook de dood zou riskeren. Hij moet bedenken dat onsterfelijkheid en leven ons door Christus toebehoren. Daarom past het een christen niet om te proberen dit leven te behouden, en is dat zeker niet nodig.

De overgeleverde leer bewaren en doorgeven

Illustratie bij: Timotheus geeft de ontvangen leer door.

Ik weet niet wat ik hier verder nog over zal zeggen. Een van de hoofdgedachten in deze brief hangt samen met het gebruik van woorden die te maken hebben met zich herinneren en in herinnering brengen. Verschillende keren zegt Paulus:

‘Ik wil je eraan herinneren.’ En hij zegt hem bepaalde dingen te onthouden. Ook zegt hij tegen Timotheus dat hij anderen bepaalde dingen in herinnering moet brengen en hen eraan moet herinneren. Met andere woorden, Paulus heeft niets nieuws te zeggen. Hij zet geen leerstellingen uiteen die onlangs aan hem zijn geopenbaard en die hij bij deze gelegenheid aan Timotheus wil doorgeven. Er is niets nieuws in Paulus' theologie om in deze brief over te dragen. Er ligt alleen nadruk op het blijven herhalen en het blijven herinneren van mensen aan de dingen die al gegeven zijn.

Paulus is niet zozeer geïnteresseerd in nieuwe theologische vernieuwingen, maar in het zuiver bewaren en doorgeven van de oude leringen die hij al heeft gegeven. In hoofdstuk 2 zegt hij tegen Timotheus dat hij deze dingen moet doorgeven aan een nieuwe generatie leraren, die ze trouw weer aan nog een generatie leraren zullen doorgeven. Paulus is niet van mening dat er nog heel veel nieuwe openbaringen aan de gemeente gegeven moeten worden, naast wat Paulus al geschreven en gepredikt heeft. Maar hij vindt het heel belangrijk dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de dingen die hij geschreven en gepredikt heeft, en dat ze niet vergeten worden. En dus is het boek geschreven om mensen daaraan te herinneren.

Het is interessant dat in Paulus' laatste brief, te beschouwen als zijn laatste wil en testament, zijn voornaamste nadruk ligt op het herinneren van Timotheus aan dingen die Timotheus al eerder van Paulus had gehoord. Het is interessant, omdat Petrus onder soortgelijke omstandigheden een brief schrijft, 2 Petrus, de laatste brief die Petrus schreef, en mogelijk het laatste boek van het Nieuwe Testament dat geschreven is. Dat weten we niet, maar het zou kunnen. We weten niet echt wanneer Petrus stierf. Ook hij zat gevangen en stierf volgens de overlevering door toedoen van Nero.

Maar in 2 Petrus hoofdstuk 1, vers 12 en verder, zegt Petrus:

2 Petrus 1:12

Daarom zal ik niet nalaten u altijd aan deze dingen te herinneren, hoewel u ze weet en in de waarheid, die bij u is, versterkt bent.

Ik ga sterven.

2 Petrus 1:14-15

14omdat ik weet dat het afbreken van mijn tent nu snel zal plaatsvinden, zoals onze Heere Jezus Christus mij ook duidelijk heeft gemaakt. 15Maar ik zal mij ook voortdurend beijveren dat u na mijn heengaan deze dingen in gedachten blijft houden.

Petrus zegt ook dat hij binnenkort zal sterven, en de Heere heeft hem laten zien dat hij niet uit zijn gevangenschap zal worden vrijgelaten. Hij zal als martelaar sterven, en in zijn laatste brief gaat het hem er vooral om de gemeenten te herinneren aan dingen die ze al wisten, ook al stonden ze op dat moment stevig in de tegenwoordige waarheid. Toch zegt hij dat het altijd heilzaam is om je eraan te herinneren. Dus zowel Paulus als Petrus verwijst in hun laatste brieven die voor ons bewaard zijn gebleven naar hun naderende dood. En ze laten zien dat het hun er vooral om gaat de christenen die van hen geleerd hebben te herinneren aan de dingen die ze al hebben geleerd, en op dat moment niet een of andere nieuwe leer of openbaring door te geven.

Herhaling helpt de waarheid vast te houden

Illustratie bij: Herhaalde voorlezing versterkt de gemeente.

Trouwens, in een eerdere brief, in Filippenzen hoofdstuk 3, vers 1, zegt Paulus:

Filippenzen 3:1

Verder, mijn broeders, verblijd u in de Heere. Dezelfde dingen aan u te schrijven is mij niet onaangenaam en het geeft u zekerheid.

Met andere woorden, het is veilig als de waarheid wordt herhaald. Om je opnieuw hetzelfde te schrijven als wat ik eerder heb gezegd, is voor mij niet echt een last. Het lijkt misschien een beetje eentonig te worden, maar het is eigenlijk de moeite waard, omdat het voor jou veiliger is om het telkens weer en weer en weer te horen. Het zou dus niet zo moeten zijn dat we altijd op zoek zijn naar een nieuwe invalshoek, een nieuwe openbaring om indruk te maken op onze luisteraars, een nieuw inzicht. Het gaat er veeleer om dat we trouw zijn aan wat al gezegd is.

Ik denk dat iedereen waarschijnlijk wel eens in aanraking is gekomen met, of gehoord heeft van, onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat je maar een heel klein percentage onthoudt als je iets één keer hoort. Je hoort iets twee keer, drie keer, vier keer, en elke keer neemt het percentage van wat je onthoudt stapsgewijs toe, afhankelijk van hoe vaak je iets hoort. Herhaling kan dus eentonig lijken, en kinderen vinden het vaak niet prettig als ze het gevoel krijgen dat er tegen hen wordt gezeurd, doordat hun telkens weer wordt gezegd dat ze hetzelfde moeten doen. Maar misschien komt dat doordat het onze trots raakt. ‘Dat heb je me al verteld. Je hoeft het me niet nog een keer te vertellen. Daarmee wek je de indruk dat je me er niet erg toe in staat acht om iets te onthouden.’ En de reden dat ik daar aanstoot aan neem, is dat ik trots ben en vind dat men mij tot meer in staat zou moeten achten. Feit is dat ons eigen leven kan laten zien dat we het opnieuw moeten horen. We vergeten inderdaad sommige van de meest fundamentele dingen.

Terugkeren naar eenvoudig vertrouwen op God

Illustratie bij: Opnieuw lezen herinnert aan eenvoudig vertrouwen.

Om gewoon iets uit mijn eigen ervaring te vertellen: het boek The Christian Secret of a Happy Life van Hannah Whitall Smith beschrijft naar mijn idee alleen de meest fundamentele waarheden van het christendom. Maar voor veel mensen die ze nooit onderwezen hebben gekregen, zijn ze diepgaand. Dat geldt ook voor christenen die verkeerde opvattingen over het christendom onderwezen hebben gekregen. Op mensen komen ze over als nieuw en diepgaand, enzovoort. Maar toen ik pas met de Geest gedoopt was en mijn Bijbel las, waren de waarheden in dat boek voor mij vanzelfsprekend, terwijl ik dat boek nog niet had gelezen. Ik had The Christian Secret of a Happy Life nog niet gelezen. Ik leefde vanuit die waarheden en dacht gewoon: ‘Wie zou dat nou niet weten?’

Maar in mijn eigen leven dreef ik van die waarheden af, van de waarheid van eenvoudig rusten in de Heere. En een tijdlang raakte ik verzeild in ingewikkelde zaken en meer wetticisme, enzovoort. Ik besefte niet eens dat ik was afgedreven van de meest fundamentele waarheden van eenvoudig op God vertrouwen en wandelen door geloof. Ik herinner me dat ik al een heel eind op weg was in mijn bediening, een jaar of tien, toen ik dat boekje eindelijk las. Terwijl ik het las, was het zo verfrissend voor me, omdat het me herinnerde aan dingen die ik tien jaar eerder had geweten en waarvan ik was afgedreven. Ik zal nooit vergeten hoe belangrijk het voor mij was om opnieuw dingen te lezen waarvan ik had kunnen zeggen: ‘O, dat is zo fundamenteel. Dit wist ik tien jaar geleden al.’ Maar het was zo nodig, omdat ik zo was afgedreven van sommige van die eenvoudige begrippen.

En trouwens, dat boek, The Christian Secret of a Happy Life, heb ik sindsdien vijf keer gelezen, en ik zal het opnieuw lezen, omdat het naar mijn idee de meest fundamentele kern bevat van wat het is om christen te zijn. Het is veilig om van tijd tot tijd aan die dingen herinnerd te worden. Zo willen ook Paulus en Petrus, wanneer ze hun laatste woorden aan de gemeenten of aan Timotheus schrijven, hen eraan herinneren en hen anderen eraan laten herinneren. Een van de hoofdthema’s van 2 Timotheus is dus herinneren. Je zult merken dat woorden die met dat begrip te maken hebben — onthouden, herinneren, enzovoort — vaak in dit boek voorkomen.

Paulus’ roeping en de belofte van leven

Illustratie bij: Paulus verkondigt de belofte van leven.

Laten we er meteen aan beginnen.

2 Timotheüs 1:1-2

1Paulus, door de wil van God een apostel van Jezus Christus met het oog op de belofte van het leven dat in Christus Jezus is, 2aan Timotheüs, mijn geliefde zoon: genade, barmhartigheid en vrede zij u van God de Vader en van Christus Jezus, onze Heere.

De opening is niet zo ongebruikelijk, behalve dat Paulus zichzelf beschrijft als een apostel van Jezus Christus, wat hij gewoonlijk doet. Maar hij zegt:

‘Omdat God het zo wil.’ Dat wijst erop dat zijn apostelschap iets was waartoe God het initiatief nam, en niet hijzelf. En hij zegt:

Volgens de belofte van het leven dat in Christus Jezus is.

Dat wil zeggen, Paulus is een apostel overeenkomstig de belofte van het leven. De precieze betekenis van ‘overeenkomstig’ is in dit specifieke geval niet zo duidelijk. [Vertalersnoot: Gregg bespreekt hier de Engelse formulering ‘according to’, hier weergegeven als ‘overeenkomstig’. De hierboven aangehaalde Nederlandse Bijbeltekst heeft ‘met het oog op’.] Maar het lijkt te betekenen dat God, omdat Hij ons leven heeft beloofd, mannen als Paulus heeft uitgekozen om die boodschap te verkondigen.

De nadruk op de belofte van leven is hier aan het begin van deze brief veelzeggend, omdat Paulus zijn eigen lichamelijke dood voor ogen heeft. En de belofte van leven is wat hij in deze brief vooropstelt: dat we, ook al sterven we, nooit werkelijk zullen sterven. Dus dat noemt hij meteen aan het begin. Hij herinnert Timotheus eraan dat God ons leven heeft beloofd. En daarmee bedoelt hij beslist geen verlenging van ons lichamelijke leven. Zo kan Timotheus, aan wie zo meteen gevraagd zal worden om te komen en zijn eigen lichamelijke leven op het spel te zetten, bemoedigd worden door het feit dat er een belofte is van een groter leven dat nog voor hem ligt. Dat zet hij meteen aan het begin. Wanneer hij hem in vers 2 genade, barmhartigheid en vrede toewenst, heb ik bij 1 Timotheus hoofdstuk 1, waar dezelfde begroeting staat, gezegd dat dit de enige twee plaatsen zijn waar in de begroeting barmhartigheid wordt toegevoegd aan genade en vrede: in 1 en 2 Timotheus. Je vindt het ook in de begroeting van Titus, misschien afhankelijk van de vertaling die je gebruikt. Daar hebben we genade, barmhartigheid en vrede, maar barmhartigheid staat eigenlijk niet in de oudere handschriften van Titus. Het lijkt erop dat dat woord in latere handschriften is toegevoegd om het meer te laten lijken op 1 en 2 Timotheus, waar barmhartigheid erbij staat. Daar is verder geen commentaar op nodig.

Een rein geweten en oprecht geloof

Illustratie bij: Paulus dankt God voor Timotheus’ oprechte geloof.

Vers 3:

2 Timotheüs 1:3-7

3Ik dank God, Die ik van mijn voorouders aan dien met een rein geweten, terwijl ik zonder ophouden aan u denk in mijn gebeden, nacht en dag. 4Wanneer ik aan uw tranen denk, verlang ik er vurig naar u te zien, om met blijdschap vervuld te worden. 5Daarbij herinner ik mij het ongeveinsde geloof dat in u is en dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs en in uw moeder Eunike. En ik ben ervan overtuigd dat het ook in u woont. 6Daarom herinner ik u eraan de genadegave van God die in u is door de oplegging van mijn handen, aan te wakkeren. 7Want God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht en liefde en bezonnenheid.

Paulus noemt in vers 3 dat hij God vanuit een zuiver geweten dient. Het is interessant dat Paulus eerder, in 1 Timotheus 1:5, zei dat het doel of de bedoeling van onze opdracht of van ons gebod dit is:

1 Timotheüs 1:5

Het einddoel nu van het gebod is liefde die voortkomt uit een rein hart, een goed geweten en een ongeveinsd geloof.

Ofwel oprecht geloof. Drie dingen waaruit onze liefde en onze activiteiten moeten voortkomen, zijn een rein hart, een goed geweten en oprecht geloof. Ik vind het interessant dat hij hier vermeldt dat zijn dienst voortkomt uit een zuiver geweten. En verderop, in vers 5, spreekt hij over het oprechte geloof van Timotheus en zijn familie, dezelfde uitdrukking die in 1 Timotheus 1:5 staat.

Paulus legt hier dezelfde nadruk als in 1 Timotheus: het leven van een christen moet voortkomen uit een zuiver geweten, waarbij je je geweten zuiver houdt, en uit een geloof dat niet geveinsd is. Met oprecht geloof bedoelt hij misschien een tegenstelling met het schijnbare geloof van bepaalde mensen, zoals Demas en anderen die hem hebben verlaten. Mannen van wie hij had gedacht dat er geloof in hen was, maar bij wie hij nu misschien vermoedt dat het geveinsd was. Maar het geloof van Timotheus en dat van zijn moeder en grootmoeder was oprecht, en daarvan mocht worden verwacht dat het zou standhouden.

De godvruchtige voorouders van Paulus

Illustratie bij: De toegewijde Joodse familie van Paulus.

Hij zegt dat hij God met een zuiver geweten diende, zoals zijn voorouders dat deden. [Vertalersnoot: De Engelse Bijbeltekst die Gregg gebruikt, heeft hier ‘as my forefathers did’: ‘zoals mijn voorouders dat deden’. De hierboven aangehaalde Nederlandse tekst heeft ‘van mijn voorouders aan’.] Dat vind ik interessant, omdat de voorouders van Paulus, voor zover wij weten, geen christenen waren. We weten uit andere gedeelten dat de vader van Paulus een Farizeeër was. En er is een goede kans dat zijn grootvader dat ook is geweest. Misschien kwam hij uit een lange lijn van Farizeeën. Maar als het geen Farizeeën waren, dan waren het in elk geval toegewijde Joden. We moeten beseffen dat de vader van Paulus waarschijnlijk het grootste deel van zijn leven heeft geleefd vóór de tijd dat Jezus werd verkondigd, voordat het Evangelie in de wereld bekend was. De vader van Paulus was misschien al overleden of al op hoge leeftijd toen Paulus tot bekering kwam. We weten niet of de vader van Paulus ooit christen is geworden of daar de gelegenheid toe heeft gehad.

De grootvader van Paulus en zijn voorouders daarvoor leefden zeker in voorchristelijke tijden. Toch wordt er gezegd dat zij God dienden, zoals Paulus dat nu deed. Zoals Paulus een christelijke zendeling is, zo dienden ook zijn voorouders, die niet eens christenen waren, God met een zuiver geweten. Sommigen van hen kunnen zeker meer dan één generatie vóór Paulus hebben geleefd. En Paulus zet een godvruchtige traditie voort.

Het is interessant dat hij dit kon zeggen over mensen die vóór de christelijke tijd leefden, mensen die leefden in de periode tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Je zou vanaf Paulus niet heel veel generaties terug hoeven te gaan om bij de tijd van de Makkabeeën uit te komen. Dat zou een paar generaties vóór de tijd van Paulus zijn, maar de voorouders van Paulus waren misschien zelfs Makkabeeën, of in elk geval Hasmoneeën. Ze moeten tot de chassidiem hebben behoord, als je genoeg generaties teruggaat.

De chassidiem waren de Joden tijdens de periode van de Makkabeeën, of vlak vóór de opstand van de Makkabeeën, die zich verzetten tegen de neiging om de Griekse cultuur over te nemen. Ze waren zelfs bereid te sterven door de zwaarden van de Assyrische soldaten in plaats van op de sabbat terug te vechten. Er waren destijds godvruchtige mensen in de periode van de Makkabeeën en vóór de periode van de Makkabeeën, in de dagen van Antiochus Epiphanes, ongeveer 168 jaar vóór Christus, die geen concessies deden als het om hun geweten ging. De zogenoemde chassidiem, de afgezonderden, de heiligen, waren de filosofische en godsdienstige voorouders van de partij van de Farizeeën.

De voorouders van Paulus, in elk geval sommigen van hen, waren Farizeeën. Misschien suggereert hij zelfs dat zijn afstamming teruggaat op die mannen van wie het geweten zo zuiver was dat ze hun geweten niet zouden schenden, zelfs niet wanneer hun leven op het spel stond. We weten dat er een paar generaties vóór Paulus zulke mensen waren. Hoe dan ook, het laat zien dat iemand zelfs voordat Jezus kwam een zuiver geweten voor God kon hebben.

‘In mijn Bijbel verwijst deze regel naar die lijn van voorouders, toch?’

Net zoals onze voorouders dat deden?

Een rein geweten door geloof vóór Christus

Illustratie bij: Abraham gelooft Gods belofte.

Ja, zoals Abraham, Izak en Jakob, dat zou kunnen. Het is mogelijk dat hij verder teruggaat dan de generaties vlak vóór hem. Maar ik vind het interessant, omdat het boek Hebreeën ons vertelt dat een rein geweten beschikbaar is door de besprenkeling met het bloed van Jezus Christus. Ons geweten wordt gereinigd door wat Jezus aan het kruis heeft volbracht. Toch spreekt hij over mensen die zijn voorouders waren, of dat nu verre of meer recente voorouders waren, die vóór Christus leefden en Joden waren, alsof zij een zuiver geweten hadden.

Dan vraag je je af: als het bloed van Jezus datgene is wat nu iemands geweten zuiver en rein maakt, hoe werd iemands geweten vroeger dan zuiver en rein gemaakt? Als we opperen dat het door het offerstelsel kwam, dan gaat dat niet op. Want de schrijver van Hebreeën zegt dat het bloed van stieren en bokken een geweten niet volmaakt kon maken, iemands geweten niet rein kon maken. Blijkbaar is het altijd geloof geweest, zelfs helemaal terug tot de tijd van Abraham en daarvoor. Het is geloof dat iemands geweten rein heeft gemaakt. Ze zijn rechtvaardig gerekend, hun zonden zijn vergeven. De aanklacht tegen hen is op grond van hun geloof geschrapt. Dat gold voor Abraham, aan wie gerechtigheid werd toegerekend door het geloof, en feitelijk voor iedereen aan wie ooit op enige grond gerechtigheid is toegerekend. Het is altijd die ene grond van geloof geweest. Het suggereert dat het zelfs in oudtestamentische tijden mogelijk was dat mensen een rein geweten voor God hadden.

Maar misschien als we vragen: ‘Op welke grond vergaf God hen?’ — dan bedoelen we niet wat zij deden. We weten wat zij deden.

Romeinen 4:3

Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend.

Maar wat betreft de beginselen op grond waarvan God daadwerkelijk een zondaar kon vergeven die geloof toonde: hoe kon Hij dat doen? We zouden kunnen zeggen: vooruitlopend op wat Jezus zou doen. De belofte van Jezus’ overwinning aan het kruis gaat helemaal terug tot Genesis 3:15. Het werd aan Adam en Eva beloofd. Degenen die daarop vertrouwden, werden blijkbaar vergeven vooruitlopend op het offer van Christus, op grond van het feit dat Jezus dat uiteindelijk zou doen.

Christus’ offer en de vergeving van vroeger

Illustratie bij: Christus’ kruisoffer als grond van vergeving.

Er staat misschien een aanwijzing daarvoor in Romeinen hoofdstuk 3, vers 25. Daar staat over Jezus:

Romeinen 3:25

Hem heeft God openlijk aangewezen als middel tot verzoening, door het geloof in Zijn bloed. Dit was om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen vanwege het voorbijgaan aan de zonden die eertijds hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God.

En nu dit gedeelte:

om te laten zien dat Hij rechtvaardig is, omdat God geduldig was en de zonden die eerder waren begaan onbestraft had gelaten.

Dan zegt hij:

Romeinen 3:26

Hij deed dit om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen nu in deze tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is én rechtvaardigt degene die uit het geloof in Jezus is.

In tegenstelling tot wat eerder was gedaan:

om nu te laten zien dat Hij rechtvaardig is en degene die in Jezus gelooft rechtvaardig verklaart.

Paulus spreekt over de tegenwoordige tijd, waarmee hij blijkbaar bedoelt: sinds Jezus is gekomen. Hij heeft Zijn gerechtigheid in de tegenwoordige tijd getoond, in vers 26. De zonden die eerder waren gedaan, in vers 25, kunnen slaan op zonden die mensen begingen voordat Jezus kwam. Er staat dat wat Jezus nu in de geschiedenis heeft gedaan, rechtvaardigt dat God mensen zonden heeft vergeven voordat Jezus kwam. In zekere zin konden zonden die vóór de komst van Jezus waren begaan, toch worden vergeven, en ze werden ook vergeven, zoals we weten. David werd vergeven voor zijn grove zonden, en Abraham blijkbaar ook. En blijkbaar werd een groot aantal mensen in oudtestamentische tijden vergeven op grond van hun geloof.

Maar waarom vergaf Hij hen? Blijkbaar vooruitlopend op wat Jezus deed. Dat Jezus nu is gekomen en als verzoening door voldoening is voorgesteld, rechtvaardigt min of meer dat God die mensen in het verleden heeft vergeven. Dat lijkt Paulus in Romeinen 3:25 te zeggen. Zijn formulering is dubbelzinnig. Die heeft tot veel speculatie en uitleg geleid. Wat ik voorstel, is misschien niet wat hij bedoelt, maar het lijkt wel te zijn wat hij bedoelt. Daarom konden de voorouders van Paulus een rein geweten voor God hebben door de besprenkeling met het bloed van Jezus. Dat was nog niet vergoten, maar God wist in Zijn eeuwige voorkennis dat het vergoten zou worden, en Hij kon mensen vergeven door daarop vooruit te lopen.

Wedergeboorte vóór de opstanding van Jezus

Illustratie bij: De opstanding als bron van levende hoop.

‘Betekent dat dat er in het Oude Testament een vorm van wedergeboorte is?’

Mogelijk. Is er in het Oude Testament een vorm van wedergeboorte? Veel geleerden geloven dat de oudtestamentische heiligen wedergeboren waren, net als wij. Ik heb wat moeite gehad met die opvatting, op grond van het feit dat Petrus in 1 Petrus 1:3, volgens mij is het dat vers, zegt dat

1 Petrus 1:3

Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons, overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid, opnieuw geboren deed worden tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden,

Dat klinkt alsof ons opnieuw geboren worden — dat is een uitdrukking voor wedergeboren worden — tot stand is gebracht door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.

Dat zou ons ertoe kunnen brengen te geloven dat niemand heeft ervaren wat wij nu opnieuw geboren worden of wedergeboorte noemen, totdat Jezus uit de doden was opgestaan. Mensen konden wel behouden zijn, maar zonder te hebben ervaren wat wij ervaren als het gaat om opnieuw geboren worden. Ze konden behouden zijn in de zin dat hun zonden hun vergeven waren en dat ze na hun dood in de hemel werden toegelaten, of iets dergelijks. Maar dat betekent niet dat ze in dit leven het ontvangen van de Geest en de inwoning van de Geest ervoeren, die wij zijn gaan beschouwen als onderdeel van opnieuw geboren worden. Er valt dus voor beide kanten iets te zeggen. Ik zeg: mogelijk. Er zijn argumenten aan te voeren voor de opvatting dat de heiligen uit het Oude Testament wedergeboren waren. Maar op grond van 1 Petrus 1:3 heb ik daar ook mijn vragen bij gehad. Wedergeboorte zoals wij daar nu over spreken, zou iets kunnen zijn dat is voorbehouden aan het nieuwtestamentische tijdperk.

Christus’ bloed reinigt het geweten

Illustratie bij: Met een gereinigd geweten tot God naderen.

Ja, daar is Hebreeën 10:22. Dank je.

Hebreeën 10:22

laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water.

Hebreeën 9:14

hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!

Zo brengen we dit nu met elkaar in verband. Het bloed van Christus reinigt je geweten.

Vermoedelijk ben je besprenkeld met het bloed van Christus. En dat wordt in 1 Petrus 1:2 uitdrukkelijk gezegd. Daar staat dat wij zijn:

1 Petrus 1:2

uitverkoren overeenkomstig de voorkennis van God de Vader, door de heiliging van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenkeling met het bloed van Jezus Christus: moge genade en vrede voor u vermeerderd worden.

We zijn dus besprenkeld met het bloed van Jezus Christus. Hebreeën 10:22 zegt:

ons geweten is door besprenkeling gereinigd van het kwaad.

Hebreeën 9:14 zegt:

het bloed van Jezus Christus reinigt ons geweten.

Als we die gedachten met elkaar in verband brengen, is het allemaal heel duidelijk. Van een rein geweten wordt, in elk geval in het Nieuwe Testament, gezegd dat het verband houdt met besprenkeld zijn met het bloed van Jezus, of in elk geval dat het tot stand wordt gebracht door het vergieten van Zijn bloed.

Paulus’ verlangen en Timotheus’ tranen

Illustratie bij: Het bewogen afscheid van Paulus en Timotheus.

We zouden nog lang over deze gedachte kunnen doorgaan, maar we gaan verder. Paulus zegt:

2 Timotheus 1:3

Ik dank God, Die ik van mijn voorouders aan dien met een rein geweten, terwijl ik zonder ophouden aan u denk in mijn gebeden, nacht en dag.

Hij zegt in vers 4 ook dat hij ernaar verlangde Timotheus te zien. Dat is ongetwijfeld de reden waarom hij schreef en hem vroeg te komen, zodat hij hem kon zien en zijn verlangen vervuld kon worden.

2 Timotheüs 1:4-7

4Wanneer ik aan uw tranen denk, verlang ik er vurig naar u te zien, om met blijdschap vervuld te worden. 5Daarbij herinner ik mij het ongeveinsde geloof dat in u is en dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs en in uw moeder Eunike. En ik ben ervan overtuigd dat het ook in u woont. 6Daarom herinner ik u eraan de genadegave van God die in u is door de oplegging van mijn handen, aan te wakkeren. 7Want God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht en liefde en bezonnenheid.

Vers 4:

zodat ik vol blijdschap kan zijn.

Ik verlang er zo naar je te zien, zodat ik vol blijdschap kan zijn.

Maar tegelijk vermeldt hij:

2 Timotheus 1:4

Ik denk aan je tranen.

Wat waren die tranen van Timotheus? Vermoedelijk, we weten het niet zeker, heeft hij het over de tranen die vloeiden bij zijn laatste afscheid van Timotheus, wanneer dat ook was. Blijkbaar was het zo dat Paulus naar Macedonië ging vanuit Efeze en Timotheus in Efeze achterliet. Bij dat afscheid vermoedden zowel Paulus als Timotheus dat het de laatste keer zou zijn dat ze afscheid van elkaar namen, en er vloeiden tranen.

We weten uit het boek Handelingen dat de mensen huilden enzovoort toen Paulus gewaarschuwd werd niet naar Jeruzalem te gaan en hij besloot toch te gaan. In Handelingen hoofdstuk 20 was Paulus niet in Efeze geweest, maar hij liet de oudsten van Efeze naar hem toe komen in Milete. En hij zei:

Handelingen 20:25

En nu, zie, ik weet dat u allen, bij wie ik rondgegaan ben en het Koninkrijk van God gepredikt heb, mijn gezicht niet meer zult zien.

Nou, waarschijnlijk had hij het mis. Waarschijnlijk heeft hij hen weer gezien toen hij Timotheus daar later achterliet. Maar toen hij zei:

Ik weet dat ik je nooit meer zal zien, staat er dat ze om hem huilden toen hij vertrok. En waarschijnlijk huilde Timotheus bij een latere gelegenheid, toen Paulus hem in Efeze achterliet, in het besef dat de kans groot was dat ze elkaar nooit meer zouden zien. Hij herinnert zich dus de genegenheid en de warmte en de trouw die Timotheus bij hun afscheid had getoond.

Het geloof van Timotheus’ moeder en oma

Illustratie bij: Loïs en Eunice onderwijzen de jonge Timotheus.

Hij herinnert zich ook het oprechte geloof dat nu in Timotheus woont, vers 5. Dat komt voort uit een godvruchtige achtergrond, een godvruchtige grootmoeder en moeder. Blijkbaar was de vader van Timotheus geen christen, anders had Paulus dat wel moeten vermelden. We weten uit wat het boek Handelingen in hoofdstuk 16 zegt dat de vader van Timotheus een Griek was en zijn moeder een Jodin. We weten uit deze brief ook dat Timotheus van kinds af aan in de Schriften was onderwezen. In hoofdstuk 3, vers 15 staat:

2 Timotheüs 3:15

en u van jongs af de heilige Schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof dat in Christus Jezus is.

Dit gaat waarschijnlijk over een tijd die aanzienlijk vroeger ligt dan de komst van Paulus naar Lystra, hoewel Timotheus nog een kind kan zijn geweest toen Paulus daar voor het eerst kwam. Maar omdat hij een Joodse moeder en grootmoeder had, bestaat de mogelijkheid dat hij al in de Schriften werd onderwezen voordat iemand in zijn familie tot bekering kwam, voordat Paulus hun stad ooit bezocht. Timotheus had als jongen voor een deel Joods bloed en een toegewijde Joodse moeder en grootmoeder. Hij kan dus al vóór zijn bekering goed in de Schriften onderwezen zijn geweest. En dat is heel goed mogelijk.

Het lijkt er daarom op dat de moeder en grootmoeder van Timotheus tot het gelovige overblijfsel van Israël behoorden voordat ze het Evangelie hoorden, voordat het Evangelie ooit hun deel van de wereld bereikte. Ze behoorden tot dat gelovige overblijfsel van wie God wist dat ze de Zijnen waren. En daarom was het, toen ze de boodschap hoorden, vanzelfsprekend dat ze christenen zouden worden. Maar waarschijnlijk hadden ze Timotheus ook daarvoor al enig onderricht in de Schriften gegeven. Paulus had dus grote bewondering voor de moeder en grootmoeder van Timotheus. Waarom zijn moeder met een Griek was getrouwd, weten we niet. Het kan zijn dat ze jong trouwde en pas later in haar leven vroom werd. Maar ze vormde, naar het lijkt, een ongelijk span met een ongelovige, en zelfs met een niet-Jood.

De gave van de Heilige Geest aanwakkeren

Illustratie bij: Paulus legt Timotheus de handen op.

Nu vers 6:

Daarom herinner ik je eraan om de gave die God je heeft gegeven toen ik je de handen oplegde, weer aan te wakkeren.

2 Timotheus 1:7

Want God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht en liefde en bezonnenheid.

De uitspraak heeft tot heel wat speculatie geleid over welke gave hij bedoelt. Was het de gave van het onderwijzen? Was het de gave van profetie? Was het de gave om apostel te zijn? Wat was het? Er is een goede kans dat het niets anders betekent dan gewoon de gave van de Heilige Geest. De Heilige Geest in het leven van een christen wordt in de Bijbel een gave genoemd. En wat hij in vers 7 zegt, kan erop wijzen dat God ons geen geest van vrees heeft gegeven — een gave is iets wat gegeven wordt — maar dat Hij ons een Geest van kracht en liefde en bezonnenheid heeft gegeven.

Met andere woorden, die Geest Die ons gegeven is, zou heel goed de gave kunnen zijn die Timotheus door de handoplegging van Paulus ontving. En dat zou natuurlijk overeenstemmen met het feit dat we in het Nieuwe Testament, vooral in Handelingen, vaak zien dat de Heilige Geest door handoplegging wordt gegeven. Maar we lezen nooit dat een afzonderlijke gave van de Heilige Geest door handoplegging wordt gegeven. Hoewel veel mensen natuurlijk een gave ontvangen op het moment dat ze de Geest ontvangen, lezen we nergens, behalve in 1 Timotheus 4:14 en hier, dat er door handoplegging een gave wordt geschonken, tenzij die gave wordt opgevat als de Geest Zelf.

En hij zegt dat je de Heilige Geest in je moet aanwakkeren. Laat niet toe dat de Heilige Geest als het ware wordt weggeduwd in een hoekje van je leven, waar er niet naar Zijn stem wordt geluisterd en waar Hij niet als onmisbaar wordt behandeld. Zorg er juist voor dat het werk van de Geest centraal blijft staan in je leven. Je hebt een gave ontvangen. Ik ben geneigd te denken dat hij de Heilige Geest Zelf als gave bedoelt. Door handoplegging: dat stemt overeen met wat we op andere plaatsen over het geven van de Geest lezen, vooral in Handelingen. En het lijkt ook overeen te stemmen met vers 7, want God heeft ons geen geest van vrees gegeven. De Heilige Geest wordt, ook in Romeinen 8, tegenover de geest van vrees gesteld. Paulus zegt iets heel vergelijkbaars in Romeinen 8. Dit vers 7 van 2 Timotheus 1 vertoont in feite op een aantal punten overeenkomsten met Paulus' bespreking van de Heilige Geest in Romeinen 8. Maar in Romeinen 8, vers 14 en 15, staat:

De Geest geeft zekerheid in plaats van angst

Illustratie bij: Timotheus handelt vanuit kracht, liefde en bezonnenheid.
Romeinen 8:14-15

14Immers, zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God. 15Want u hebt niet de Geest van slavernij ontvangen, die opnieuw tot angst leidt, maar u hebt de Geest van aanneming tot kinderen ontvangen, door Wie wij roepen: Abba, Vader!

Romeinen 8:14. Dan zegt het volgende vers, vers 15:

Want jullie hebben geen geest ontvangen die jullie weer tot slaven maakt en bang laat zijn, maar de Geest die jullie tot Gods kinderen maakt en door wie we roepen: Abba, Vader.

Let op het verschil. We hebben geen geest van slavernij tot vrees ontvangen. We hebben de Geest van het zoonschap ontvangen. De Geest van God is de Geest Die ons tot zonen van God maakt. En Hij wordt tegenover de geest van slavernij gesteld, dat wil zeggen wetticisme, slavernij die maakt dat we in vrees leven en zonder enige zekerheid van ons behoud.

Het is interessant dat sommigen hieruit zouden kunnen concluderen dat er een geest bestaat die de geest van vrees heet:

2 Timotheus 1:7

Want God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid,

Sommigen vatten dit op als zou er een demon bestaan die de geest van vrees heet. En ik heb mensen gekend die de geest van vrees uit mensen leken uit te drijven. Ik kan je niet zeggen dat er wel of geen demon met die naam bestaat. Dat zou best kunnen. Volgens mij krijgen we in de Bijbel zo weinig gedetailleerde informatie over de wereld van demonen dat we ons niet stellig vóór of tegen die opvatting kunnen uitspreken. Maar zelfs als ik de mogelijkheid aanvaard dat er een geest van vrees bestaat die een demon is, betekent dat niet noodzakelijk dat dit de beste manier is om deze passage te lezen.

In plaats van te zeggen dat de Heilige Geest de ene geest is en een geest van vrees een andere geest, zegt hij waarschijnlijk dat de Geest Die ons gegeven is geen geest van vrees is, maar dat Hij een Geest is met deze eigenschappen. Dat wil zeggen, vrees is geen vrucht van de Geest. Het maakt geen deel uit van het karakter van de Geest Die ons gegeven is. Slavernij en vrees zijn geen kenmerken van de Heilige Geest Die ons gegeven is. Maar wat de Heilige Geest wel kenmerkt, zoals hij in Romeinen 8 zegt, is dat Hij de Geest van aanneming tot kinderen is, dat wil zeggen de zekerheid dat we tot zonen van God zijn gemaakt.

Hij zegt ook in Romeinen 8:

Romeinen 8:16

De Geest Zelf getuigt met onze geest dat wij kinderen van God zijn.

Er is dus een getuigenis en een zekerheid dat we kinderen van God zijn, die wij hebben omdat de Geest Die ons gegeven is geen angst in ons opwekt, maar juist de zekerheid dat we Gods kinderen zijn.

Verder staat hier, enigszins vergelijkbaar:

De Geest die God ons heeft gegeven, is geen geest van angst. Dat wil zeggen: Hij wekt geen angst in ons op. En het woord ‘angst’ wordt hier soms vertaald als ‘schroom’. Men ziet daarin een aanwijzing dat Timotheus misschien geneigd is tot schroom. In het vlees, dat wil zeggen, in zijn natuurlijke temperament, is Timotheus geneigd om beschroomd te zijn. Maar hij moet zich niet laten leiden door zijn vleselijke of zijn natuurlijke neigingen. Hij moet zich laten leiden door de Heilige Geest, Die schroom of verlegenheid of angstigheid zal overwinnen, en Die juist kracht en liefde in iemands karakter zal voortbrengen.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als 2 Timothy (Part 1). Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.

Hoe wil je deze lezing volgen?

Je kunt deze keuze altijd wijzigen in de speler.

We onthouden je voorkeur op dit apparaat.

De lezing wordt geladen…

Beeld en tekst laden…