Romeinen 9:14-24

God vormt Joden en heidenen voor ontferming

1 uur 11 min · Lezing 22 van 29 ·

Israël, de beloften en het trouwe overblijfsel
Lees de tekst

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/romeinen/9-14-24.pdf. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/romeinen/9-14-24.

Samenvatting

God vormt gelovige Joden en heidenen tot voorwerpen van ontferming

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt Paulus’ uitspraken over Gods ontferming, de verharding van de farao en de pottenbakker en het leem. Hij betoogt dat deze verzen geen onvoorwaardelijke uitverkiezing van afzonderlijke mensen tot behoud of verdoemenis leren, maar Gods keuzes binnen de geschiedenis van Israël beschrijven. Volgens hem kunnen mensen Gods wil weerstaan en berust Gods ontferming bij behoud op voorwaarden van het hart, zoals geloof, nederigheid en barmhartigheid. Hij legt de ene klomp klei uit als Israël, waaruit God gelovigen en ongelovigen als twee groepen vormt, en stelt dat de voorwerpen van Zijn ontferming bestaan uit zowel gelovige Joden als gelovige heidenen.

Israël, de beloften en het trouwe overblijfsel

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Romeinen 9, vers 14 tot en met vers 24.

De vorige keer keken we naar Romeinen hoofdstuk 9, en we zijn tot ongeveer vers 13 gekomen. Er valt beslist meer over die verzen te zeggen, om de eenvoudige reden dat er controverses bestaan rond dit hoofdstuk en het hele gedeelte waarvan dit hoofdstuk het begin vormt, namelijk Romeinen 9 tot en met 11.

Ik wil je eraan herinneren dat Romeinen 9 tot en met 11 een afzonderlijk gedeelte is waarin Paulus begint uit te leggen waarom God Israël niet heeft behouden, hoewel Hij Israël verbonden en beloften en al die dingen heeft gegeven, waaronder beloften van behoud. Waarom volgen de meeste Joden Christus niet, hoewel Christus gekomen is, de Messias tot Israël gekomen is, en de meerderheid Hem heeft verworpen? Het lijkt erop dat Israël niet behouden is toen het de gelegenheid had om behouden te worden. Dit lijkt in strijd met wat God had gezegd dat er zou gebeuren: de Messias zou komen en Israël behouden.

Paulus beseft dat dit een zeer belangrijke vraag is, vooral voor de Jood, maar ook voor de heiden die zich zulke dingen afvraagt. Ik ben geen Jood, maar ik zou me deze dingen wel afvragen. Waarom zijn de Joden niet de eersten die Jezus volgen? Waarom zijn ze niet behouden?

Paulus heeft een antwoord. Hij tast niet rond op zoek naar een antwoord. Hij kent het antwoord, maar het is anders dan mensen denken, omdat Joden anders zijn dan mensen denken. Paulus zegt:

Ik zeg dit niet alsof het Woord van God vervallen is, want niet allen die uit Israël voortgekomen zijn, zijn Israël.

Romeinen 9:6

Er zijn veel mensen die wij als Joden beschouwen en die zichzelf als Joden beschouwen, maar wat God betreft zijn zij niet werkelijk Israël. Zij maken geen deel uit van het trouwe overblijfsel.

Het trouwe overblijfsel is per definitie trouw. Het trouwe overblijfsel gelooft. Zij geloven in Christus. Iedere Jood die Christus verwerpt, is niet trouw aan Christus en niet trouw aan God. Het trouwe overblijfsel in het Oude Testament aanvaardde altijd de profeten, terwijl de meerderheid van de Joden meestal afvallig was en de profeten doodde of vervolgde. Maar er was altijd een trouw overblijfsel dat Gods Woord eerde en de boodschappers van God eerde. Omdat dit zo was, was er ook een trouw overblijfsel dat de Messias eerde. Wij noemen hen nu christenen. Toen werden zij discipelen genoemd. De rest van Israël behoorde niet tot het trouwe overblijfsel en werd niet behouden, omdat de beloften bestemd zijn voor het behoud van het overblijfsel.

Abrahams nageslacht en Gods keuze

Paulus werkt dit in de eerste dertien verzen van hoofdstuk 9 uit door erop te wijzen dat de beloften aan Abraham en zijn zaad zijn gedaan. Maar Abraham had meerdere personen die in biologische zin zijn zaad genoemd konden worden. Want zelfs in de eerste generatie na Abraham waren er acht mannen die allemaal evenveel aanspraak konden maken op de benaming nakomeling van Abraham. Zij hadden allemaal in dezelfde mate Abraham als vader.

Abraham had kinderen bij drie verschillende vrouwen. Hagar had Ismaël. Sarai, of Sara zoals zij later genoemd werd, had Izak. En bij Ketura had hij nog zes zonen. Er waren acht mannen die allemaal het zaad van Abraham waren. Maar God had gezegd:

Maar God zei tegen Abraham: Laat deze zaak met betrekking tot de jongen en uw slavin niet kwalijk zijn in uw ogen. Bij alles wat Sara u zegt, luister naar haar stem, want alleen het nageslacht van Izak zal uw nageslacht genoemd worden.

Genesis 21:12

Dat betekent dat Hij zeven van de acht uitsloot van iedere betekenisvolle verbondenheid met Abraham. Daarmee wordt dus beslist duidelijk gemaakt dat een biologische verbondenheid met Abraham niet zo belangrijk is.

Zelfs van Izak, die was uitgekozen om het bijzondere zaad te zijn, werden niet al zijn kinderen uitgekozen. Hij had een tweeling, en een van hen, Jakob, werd gekozen zoals hij zelf onder de kinderen van zijn vader gekozen was. Zijn zoon Jakob werd onder zijn kinderen gekozen, en de andere, Ezau, werd niet gekozen. Dat is wat Paulus zegt.

Het eenvoudige punt dat hij maakt, is dat afstamming van Abraham, of zelfs van Izak, en vermoedelijk zelfs van Jakob, niet het enige is wat telt, hoewel hij zijn redenering niet nog een generatie verder doorvoert. In feite doet het er helemaal niet toe. Voor Ismaël en de zes zonen van Ketura deed het er namelijk helemaal niet toe dat zij kinderen van Abraham waren. Zij ontvingen zelfs de erfenis niet, want Abraham stuurde alle kinderen van de bijvrouwen weg en gaf alles wat hij had aan Izak, zoals in Genesis staat. Zelfs hun biologische afkomst van Abraham gaf hun geen recht op een bepaalde erfenis van hem. Die afkomst was onbelangrijk.

Het punt dat Paulus maakt, is natuurlijk dat het tegenwoordig vergelijkbaar is wanneer iemand Jood is. Iemand die tegenwoordig Jood is, kan misschien aanspraak maken op lichamelijke afstamming van Abraham. Maar als dat het enige is waarop hij aanspraak kan maken, is dat niet belangrijk. Zulke mensen zijn niet het Israël waarop de beloften van toepassing zijn.

Zijn punt is dat God in de hele geschiedenis vanaf Abraham altijd één of enkele leden van een familie op bijzondere wijze heeft uitgekozen, terwijl de andere leden van die familie niet belangrijk waren. Zijn argument hier is dat van het volk Israël, van hen die uit Israël zijn, niet iedereen Israël is. Dat wil zeggen: niet iedereen behoort tot het Israël dat belangrijk is, het Israël waaraan God beloften doet. Niet iedereen behoort tot dat trouwe overblijfsel. Dat Hij slechts sommigen uit het volk neemt, namelijk degenen die geloven, is niet in strijd met Zijn handelwijze in de hele geschiedenis van de familie. Dat is het punt van Paulus.

Uitverkiezing is niet hetzelfde als behoud

Die verwijzingen naar Ezau en Jakob, en naar de manier waarop God Jakob al in de moederschoot boven Ezau verkoos, zijn voor calvinisten een geliefd gedeelte om de onvoorwaardelijke uitverkiezing te bewijzen.

Maar wat calvinisten hiermee proberen te bewijzen, is dat God bepaalde personen uitkoos — in dit geval Jakob — om behouden te worden, en andere personen — bijvoorbeeld Ezau — om niet behouden te worden. Het probleem met dit gebruik van deze tekst is dat het voorbijgaat aan waar Paulus het over heeft. Paulus bespreekt niet wie behouden wordt en wie niet, nog niet. Uiteindelijk zal het betoog uitkomen bij het punt dat de Messias het uitverkoren zaad is. En in Hem zijn houdt zeker ook behoud in, maar dan in een andere, eeuwige en geestelijke betekenis.

Maar in het algemeen hield het in het Oude Testament geen bijzondere belofte van behoud in om het uitverkoren zaad van Abraham te zijn, zoals wij in het Nieuwe Testament over behoud spreken. Het doel van Abrahams familie was namelijk niet om naar de hemel te gaan. Het doel van Abrahams familie was om op aarde een doel te dienen, namelijk de Messias voort te brengen, Die de aardse volken zou zegenen.

Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt, zal Ik vervloeken; en in u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden.

Genesis 12:3

Daarvoor waren deze mensen uitgekozen.

Waren er onder de Joden personen die behouden werden? Natuurlijk. Velen van hen hadden geloof. Abram had geloof. Izak had geloof. Zelfs Jakob had uiteindelijk geloof. Maar er wordt ons niet verteld dat Ismaël, die verworpen werd, geen geloof had. Er wordt ons niet verteld dat Ezau niet in geloof gestorven is. Voor zover wij weten, kunnen al deze mannen naar de hemel zijn gegaan, zelfs degenen die niet waren uitgekozen om het bijzondere zaad te zijn. Het was evengoed mogelijk dat geen van hen naar de hemel zou zijn gegaan als zij geen geloof hadden gehad.

Het geloof van een persoon bepaalt zijn behoud. Maar Gods keuze binnen deze familie bepaalde welke tak van de familie verder zou gaan om de volgende generatie voort te brengen, met als doel de Messias langs biologische weg in de wereld voort te brengen. Het was niet noodzakelijk dat degenen die biologisch bij dat proces betrokken waren, specifiek behouden werden in de nieuwtestamentische betekenis van dat woord. Omdat dit zo is, kunnen we zien dat Paulus’ bespreking hier niet eens gaat over wie naar de hemel gaat en wie niet naar de hemel gaat. Behoud in de betekenis waarin wij eraan denken, maakt nog geen deel uit van de bespreking. Hij heeft het eenvoudigweg over de keuze van een tak van de familie voor een aardse roeping.

Jakob en Ezau als stamvaders van volken

Het tweede wat we zagen, is dat hij het eigenlijk helemaal niet over het lot van afzonderlijke personen heeft. Jakob en Ezau waren natuurlijk afzonderlijke personen, maar zij waren meer dan dat. En wat in het Oude Testament belangrijker is: zij waren de stamvaders van volken. Jakob was de stamvader van de twaalf stammen van Israël, het volk Israël. Ook Ezau had een volk dat naar hem genoemd was: Edom.

Door het hele Oude Testament heen wordt Israël vaak Jakob genoemd. Israël was trouwens ook de naam van de man. Jakob kreeg eveneens de naam Israël. Het volk is naar de stamvader genoemd. Zo had ook Ezau een andere naam: Edom. Ze noemden hem Edom, ‘rood’, omdat hij zijn eerstgeboorterecht voor rode soep verkocht. Ook was hij bedekt met rood haar, dus waren er twee goede redenen om hem rood te noemen. Edom, wat ‘rood’ betekent, was de naam of bijnaam van de man, en het werd ook de naam van zijn volk.

Als er dus over Jakob en Ezau gesproken wordt, gaat het om meer dan één persoon en zijn bestemming. Het gaat om een volk en zijn bestemming. Paulus maakt dat heel duidelijk door twee passages uit het Oude Testament over Jakob en Ezau aan te halen. Een daarvan werd uitgesproken toen zij nog in de baarmoeder waren. Dat betekent dat de keuze die God voor Jakob en niet voor Ezau maakte, niet gebaseerd was op iets wat Jakob of Ezau gedaan had. Het was niet omdat Ezau een slecht mens en Jakob een goed mens was. Het is niet helemaal duidelijk dat dit bij die twee inderdaad zo was, en het is ook niet ter zake. Er staat dat de keuze overeenkomstig Gods soevereine uitverkiezing werd gemaakt, niet op grond van werken.

De profetie over Israël en Edom

Maar wat houdt die keuze in? De keuze hield in dat het volk van Jakob het zaad zou zijn dat de Messias zou voortbrengen, en het volk van Ezau niet. Het gaat niet over wat er tijdens het leven van deze mannen of na hun dood met hen zou gebeuren. De eerste Schrifttekst die Paulus aanhaalt om zijn punt te maken — en die tekst moet beslist het punt onderbouwen dat hij naar voren brengt, want waarom zou hij hem anders aanhalen? — is Genesis 25 vers 23, waar staat:

De HEERE zei toen tegen haar: Er zijn twee volken in uw schoot, en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden. Het ene volk zal sterker zijn dan het andere en de meerdere zal de mindere dienen.

Genesis 25:23

Dat is wat God tegen Rebekka zei toen de tweeling in de baarmoeder was. De oudste tweelingbroer, degene die het eerst geboren zou worden, zou niet de voornaamste zijn. Hij zou de jongere dienen.

Dat de ene broer de andere dient, heeft natuurlijk niets te maken met zaken na de dood, met de bestemming na de dood of na het oordeel. Dit is een aardse positie. Jakob had een hogere positie dan Ezau. We kunnen echter om twee redenen zien dat de profetie niet over de mannen als afzonderlijke personen gaat, maar over hun volken. Ten eerste begint het eerdere deel van dezelfde profetie, dat Paulus niet aanhaalt, als volgt:

Er zitten twee volken in je buik, twee volken zullen uit elkaar gaan zodra ze geboren zijn, het ene zal groter zijn dan het andere en de oudste zal de jongste dienen.

Dat wil zeggen: de twee volken hebben verschillende bestemmingen. Het volk van Ezau zal het volk van Jakob dienen.

Zoals ik al aangaf, heeft de man Ezau de man Jakob in geen enkel opzicht ooit gediend. Dat betekent dat, als God een profetie over individuen uitsprak, het een valse profetie was. Als God zei:

De man Ezau zal de man Jakob dienen; de oudste zoon zal de jongste zoon dienen, dan is dat eenvoudigweg nooit gebeurd. Het gaat om de bestemming van volken. Wat hij dus zegt, zoals hij eerder in zijn betoog al zei, is dat wanneer God binnen de familie van Abram een keuze maakt, het een keuze is voor de familielijn waaruit de Messias zal voortkomen. Zelfs onder de zonen van Jakob werd Juda gekozen, en niet Aser, Gad of Manasse. Juda werd uitgekozen om de Messias voort te brengen. Iemand moest het zijn. De Messias kan nu eenmaal maar uit één familielijn voortkomen. Daarom moest er in iedere generatie worden bepaald door wie de beloften werkelijk zouden worden vervuld. Dat is wat hier besproken wordt.

De Messias als het uitverkoren zaad

Als je dit betrekt op God Die onvoorwaardelijk bepaalde individuen kiest voor behoud, begin je over een onderwerp dat Paulus hier niet in gedachten heeft. Daar heeft hij het niet over. Het is niet erg verstandig om leerstellingen te baseren op Schriftgedeelten die daar niet over gaan. Bovendien, als dit over onvoorwaardelijke uitverkiezing zou gaan, is dit het enige Schriftgedeelte dat onvoorwaardelijke uitverkiezing noemt. Veel Schriftgedeelten noemen uitverkiezing, dat wil zeggen: het uitverkoren zijn. Maar geen enkel Schriftgedeelte zegt dat uitverkiezing onvoorwaardelijk is, behalve dit ene. En dit gedeelte gaat niet over de uitverkiezing van individuen voor behoud. Er is dus werkelijk geen gedeelte in de Bijbel dat onvoorwaardelijke uitverkiezing leert, tot groot verdriet van de calvinisten.

John Piper, een zeer belangrijke calvinistische spreker, predikant van onze tijd en schrijver, heeft een scriptie geschreven over juist dit gedeelte. Ik denk dat het misschien zijn proefschrift was, of een ander soort belangrijke scriptie na zijn universitaire opleiding. Daarin betoogde hij dat wat ik zojuist zei, onjuist is. Ik heb zoveel van zijn scriptie gelezen als ik kon verdragen, maar naar mijn idee draaide hij er enorm omheen. Want je hoeft niet gepromoveerd te zijn om te zien waar Paulus het over heeft. Je hoeft alleen maar zijn zinnen te volgen. Er zitten geen geheime betekenissen in de Griekse woorden. Hij voert een duidelijk betoog: God koos bepaalde delen van Abrahams familie, en andere delen van Abrahams familie niet, om Zijn beloften te vervullen.

Welke belofte? Dat de Messias zou komen en alle volken zou zegenen. Die Messias was Jezus. Dus slechts sommigen binnen Abrahams familie waren werkelijk betrokken bij de komst van Jezus in de wereld. Nu Jezus gekomen is, is Hij natuurlijk de Messias. En degenen die in Hem zijn, zijn het uitverkoren zaad van Abraham.

Nu dat zo is, is er ook nog een ander element. Wij brengen niet alleen zegen aan de volken, wij ervaren ook zegen. Zoals Galaten 3 erover spreekt, is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen, namelijk rechtvaardiging door geloof. Wij zijn gerechtvaardigd en behouden in Christus, en wij zijn het zaad door wie die zegen aan de volken wordt gebracht. Dat is de zending van de kerk. Dat is wat zendelingen doen. Dat is wat wij allemaal op bepaalde manieren doen: Christus vertegenwoordigen en Hem aan de wereld voorstellen. Dat is de vervulling van de belofte die God aan Abraham deed.

Calvinistische bewijsplaatsen in Romeinen 9

Nu ik dat gezegd heb, komen we bij nog enkele verzen die relevant zijn en die de calvinisten vaak gebruiken om hun standpunt te bewijzen. Wanneer zij zich met het onderwerp van onvoorwaardelijke uitverkiezing bezighouden, zijn ze nog niet klaar met dit hoofdstuk. Er komen nog enkele verzen die zij gebruiken. Maar je moet beseffen dat alles wat Paulus hier zegt, nog steeds over hetzelfde onderwerp gaat als waarover hij sprak in de verzen die we zojuist hebben bekeken.

In vers 17 en 18 zegt hij:

17Want de Schrift zegt tegen de farao: Juist hiertoe heb Ik u verwekt: dat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en dat Mijn Naam verkondigd zou worden op de hele aarde. 18Dus Hij ontfermt Zich over wie Hij wil, en Hij verhardt wie Hij wil.

Romeinen 9:17-18

Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp klei het ene voorwerp tot een eervol, het andere tot een oneervol voorwerp te maken?

Romeinen 9:21

23En dat met het doel om de rijkdom van Zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van Zijn ontferming, die Hij van tevoren bereid heeft tot heerlijkheid? 24Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.

Romeinen 9:23-24

En het zal zijn dat op de plaats waar tegen hen gezegd was: U bent Niet-Mijn-volk, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden.

Romeinen 9:26

En Jesaja roept over Israël uit: Al zou het getal van de Israëlieten zijn als het zand van de zee, slechts het overblijfsel zal behouden worden.

Romeinen 9:27

In de Engelse vertaling waaruit de spreker citeert, staat hier ‘a remnant’, oftewel ‘een overblijfsel’:

Als de HEERE van de legermachten ons niet een gering aantal ontkomenen had overgelaten, als Sodom zouden wij geworden zijn; wij zouden Gomorra gelijk geworden zijn.

Jesaja 1:9

30Wat zullen wij dan zeggen? Dit: dat de heidenen, die geen gerechtigheid hebben nagejaagd, gerechtigheid verkregen hebben, gerechtigheid echter die uit het geloof is. 31Maar Israël, dat de wet van de gerechtigheid najaagde, is aan de wet van de gerechtigheid niet toegekomen. 32Waarom niet ? Omdat zij die niet uit geloof zochten , maar als uit werken van de wet. Want zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots,

Romeinen 9:30-32

Omdat zij die niet door geloof zochten, maar als het ware door werken van de wet. Want zij struikelden over de steen des aanstoots, zoals geschreven staat:

zoals geschreven staat: Zie, Ik leg in Sion een steen des aanstoots en een struikelblok. En: Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden.

Romeinen 9:33

Het Joodse overblijfsel en de heidenen

Dat laatste gedeelte legt heel duidelijk de nadruk op het opnemen van de heidenen. We komen daarop terug nadat we het eerdere gedeelte van de zojuist gelezen tekst hebben behandeld. De Schriften die hij citeert, maken twee punten. Het ene is dat niet alle Joden behouden worden. Slechts een overblijfsel van hen zal behouden worden, zegt hij wanneer hij Jesaja citeert. Maar er zullen ook mensen zijn die voorheen niet Zijn volk waren en die Zijn volk genoemd zullen worden. Dat is een verwijzing naar de heidenen, hoewel hij Hosea citeert uit een passage waarin Hosea lijkt te spreken over Israëlieten die uit het land verbannen waren en niet Zijn volk waren geweest. Hij zou hen herstellen en zij zouden opnieuw Zijn volk zijn.

In de context van Hosea krijg je de indruk dat Hosea spreekt over vervreemde Israëlieten die, doordat zij van God vervreemd waren, opgehouden waren Gods volk te zijn. Hij zal hen herstellen en zij zullen opnieuw Zijn volk zijn. Deze verzen zijn geliefd bij aanhangers van de bedelingenleer om te bewijzen dat God Israël zal herstellen. Hoewel zij nu niet Zijn volk zijn, zullen zij dat weer zijn. Wanneer Paulus dit echter citeert, spreekt hij duidelijk over heidenen. Bedenk dat de apostelen de Schriften van het Oude Testament begrepen dankzij de verlichting die Jezus hun gaf. Hij ziet de verwijzing naar die Israëlieten als een verwijzing naar geestelijke Israëlieten die uit de heidense volken komen, heidenen die deel worden van Israël. We zullen zo meteen meer over die verzen spreken.

Is Gods keuze voor Jakob onrechtvaardig?

Maar eerst moeten we de verzen 14 tot ten minste 22 behandelen, want er staat:

Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Volstrekt niet!

Romeinen 9:14

Waarom zou iemand suggereren dat er ongerechtigheid bij God is? Omdat God een keuze maakte en daarbij niet eens rekening hield met de daden van de mensen. Als je een oordeel over iemand gaat vellen, behoor je er rekening mee te houden of die persoon goed of slecht is. Als twee mensen even goed zijn en je zonder enige reden, behalve je eigen gril, ervoor kiest de een te straffen en de ander te belonen, dan is dat onrechtvaardig, nietwaar? Als twee mensen even slecht zijn en je ervoor kiest de een te straffen en de ander te belonen, dan is dat eveneens onrechtvaardig.

Dat God Jakob boven Ezau koos, lijkt dus onrechtvaardig, aangezien geen van beiden iets goeds of slechts had gedaan. Het lijkt erop dat God de een voortrekt. In zekere zin trekt God inderdaad de een voor, maar dat is niet onrechtvaardig, omdat Hij niemand straft. Als je denkt zoals de gemiddelde persoon die meent dat Paulus spreekt over mensen die worden uitgekozen om behouden te worden en anderen die worden uitgekozen om verloren te gaan, dan is het werkelijk een vraag: hoe kan God rechtvaardig zijn als Hij iemand uitkiest om verloren te gaan voordat die persoon geboren is en ook maar iets heeft gedaan? Dat lijkt niet erg eerlijk. Maar dan begrijp je verkeerd wat Paulus zegt.

Wat Paulus zegt, is dat God in deze situatie niet noodzakelijkerwijs iemand heeft gestraft. Ismaël werd niet gestraft. Ezau werd niet gestraft. Sterker nog, zij werden allebei grote volken. God vertelde Abraham dat Hij Ismaël tot een groot volk zou maken, en Ezau werd eveneens een groot volk. Deze mannen werden niet gestraft. Zij werden eenvoudigweg overgeslagen voor een bijzondere zegen.

God is niemand een bijzondere zegen verschuldigd. Hij kan bijzonder vrijgevig zijn tegenover iemand zonder onrechtvaardig te zijn tegenover de mensen voor wie Hij niet bijzonder vrijgevig is, zolang Hij niemand daadwerkelijk straft. Als je onschuldig bent en Hij je straft, is dat onrechtvaardig. Als je onschuldig bent en Hij iemand anders kiest in plaats van jou, is dat rechtvaardig.

Veel mensen wilden misschien met Dana trouwen voordat ik haar ontmoette, en ik had het geluk dat ik met Dana mocht trouwen. Was dat onrechtvaardig omdat anderen niet met haar trouwden? Niemand had van zichzelf het recht om met wie dan ook te trouwen. Die ene is de gelukkige en de bevoorrechte, maar de anderen worden niet onrechtvaardig behandeld. Het is niet zo dat zij daar van nature een aanspraak op hebben.

Zo heeft ook niemand van zichzelf aanspraak op een bijzondere roeping om een bijzondere rol te vervullen in het brengen van zegen aan de volken. God kan daarvoor roepen wie Hij maar wil, zonder onrechtvaardig te zijn tegenover wie dan ook. En daarom zegt God tegen Mozes:

Want Hij zegt tegen Mozes: Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontferm en zal barmhartig zijn voor wie Ik barmhartig ben.

Romeinen 9:15

Barmhartigheid na het gouden kalf

Merk op dat daar niemand wordt gestraft. God bewijst iemand bijzondere barmhartigheid, bijzondere ontferming. Hij doet niemand pijn. Hij doet niemand onrecht. Hij kan iemand bijzondere gunsten verlenen als Hij daar, in Zijn eigen gedachten, redenen voor heeft. Hij hoeft het niet te rechtvaardigen wanneer Hij uitzonderlijke vrijgevigheid toont.

Die uitspraak werd tegen Mozes gedaan toen God op het punt stond Israël te vernietigen. Het was toen zij het gouden kalf hadden gemaakt en Mozes boven op de berg was. God zei:

Nu dan, laat Mij begaan, zodat Mijn toorn tegen hen ontbrandt en Ik hen vernietig. Dan zal Ik ú tot een groot volk maken.

Exodus 32:10

Mozes deed voorbede voor hen, en God veranderde van gedachten en vernietigde hen niet. Dit staat in Exodus 33, vers 19. In de context van die beslissing zei God:

Maar Hij zei: Ík zal al Mijn goedheid bij u voorbij laten komen, en in uw aanwezigheid zal Ik de Naam van de HEERE uitroepen, maar Ik zal genadig zijn voor wie Ik genadig zal zijn, en Ik zal Mij ontfermen over wie Ik Mij ontfermen zal.

Exodus 33:19

Hij had barmhartigheid met Israël door hen vanwege de voorbede van Mozes niet te vernietigen. God zegt: „Ik kan bijzondere barmhartigheid tonen als Ik dat wil. Ze verdienen het te sterven, maar Ik zal hen nu niet doden.” God spreekt dus niet over Zijn recht om mensen eenzijdig te verdoemen omdat Hij een soevereine God is. Hij spreekt over Zijn recht om mensen die dat niet verdienen bijzondere gunsten te verlenen, zonder iemand anders te benadelen. En Hij zegt in vers 16:

Zo hangt het dan niet af van hem die wil, ook niet van hem die hardloopt, maar van God Die Zich ontfermt.

Romeinen 9:16

Niet door willen of hardlopen

Ook hier komt het heel vaak voor dat mensen dit opvatten alsof God zegt dat behoud niets met jouw wil te maken heeft. Het is een eenzijdige, soevereine keuze die God maakt. God kiest ervoor sommigen te behouden en anderen niet. Als Paulus het inderdaad over behoud had, zou dat de beste manier zijn om dit te begrijpen. Maar hij heeft nog geen enkele uitspraak over behoud gedaan. Hij heeft gesproken over Gods keuze voor Jakob boven Ezau, en over het feit dat dit tegenover Ezau niet onrechtvaardig is, omdat Ezau van zichzelf geen aanspraak kan maken op een bijzondere zegen. God kan ervoor kiezen om aan wie Hij maar wil een bijzonder voorrecht te geven.

Het is duidelijk dat er zelfs binnen jouw vriendenkring mensen zijn die voordelen hebben die anderen niet hebben. Sommigen hebben een goede gezondheid; anderen zijn ziek. Sommigen zien er goed uit; anderen hebben het moeilijk in een wereld die zulke dingen belangrijk vindt, omdat zij dat niet hebben. Er zijn mensen die geld hebben en mensen die geen geld hebben. God heeft verschillende mensen verschillende voorrechten geschonken. Elke goede gave komt van boven, en God geeft verschillende gaven aan verschillende mensen. Misschien zeg je: „Ik wou dat ik had wat hij heeft of wat zij heeft.” Nou, dat heb je niet, en God was niet onrechtvaardig door het jou niet te geven. Zij verdienden het niet om het te hebben. Jij verdient het niet om het te hebben. Doordat jij niet hebt wat zij hebben, word je niet tekortgedaan. Je verdiende het niet. Zij verdienden het evenmin. Het is bijzondere barmhartigheid, een bijzondere zegen van God voor hen. Wat God jou ook gegeven heeft, is iets bijzonders voor jou.

Het punt hier is dat Ezau niets werd onthouden wat hij op de een of andere manier verdiende. God kan barmhartigheid tonen aan wie Hij maar wil. Iedereen kan dat doen. Ik kan mijn vrienden kiezen, zolang ik degenen die ik niet kies maar niet veroordeel tot de een of andere verdoemenis of zoiets. Dat is niet wat er in deze passage gebeurt.

Gods keuze binnen de familie van Abraham voor de familielijn waaruit de Messias zou voortkomen, hing dus niet af van de wil van de mens. Het lag niet aan hem die wil of aan hem die hardloopt, maar aan God, Die bijzondere barmhartigheid toonde.

Nogmaals, veel calvinisten zouden zich de haren uit het hoofd trekken als ze zouden erkennen wat ik zeg, want ze zijn dol op dit vers. Het is zo’n belangrijk vers tegen de vrije wil. Ze willen betogen dat je in werkelijkheid helemaal geen keuze had. God is Degene Die de keuze over jouw behoud maakte. En kijk hier: er staat dat het niet ligt aan hem die hardloopt of aan hem die wil; het ligt aan God. Dat klopt. Waar Paulus over spreekt, is niet uit de mens. Jakob had niet hardgelopen en niets gewild of gedaan om gekozen te worden. God koos hem. Hetzelfde was daarvoor met Abraham en Izak gebeurd. Ook hier wordt dus nog niet eens het onderwerp van behoud en verdoemenis besproken. Het gaat nog steeds over de keuze voor Jakob boven Ezau.

Farao's verharding en Israëls bevrijding

Dan zegt hij in vers 17:

17Want de Schrift zegt tegen de farao: Juist hiertoe heb Ik u verwekt: dat Ik in u Mijn kracht bewijzen zou, en dat Mijn Naam verkondigd zou worden op de hele aarde. 18Dus Hij ontfermt Zich over wie Hij wil, en Hij verhardt wie Hij wil.

Romeinen 9:17-18

Hij verhardde de farao, en Hij kan dat doen als Hij dat wil. Hij kan verharden wie Hij maar wil. Hij kan ook barmhartigheid tonen aan wie Hij maar wil. De barmhartigheid waar Hij het hier over heeft, was natuurlijk bijzondere barmhartigheid voor Israël, omdat zij van Jakob afstamden, en bestond erin dat Hij hen uit Egypte bevrijdde. Tegelijkertijd toonde Hij die barmhartigheid beslist niet aan de Egyptenaren, en Hij was hun die ook niet verschuldigd. Hij was die Israël noch de Egyptenaren verschuldigd, maar Hij had Israël, of in elk geval hun voorouders, een belofte gedaan. Daarom vervulde Hij een belofte aan hen, en dat was iets wat Hij ervoor koos te doen. Niemand dwong Hem dat te doen. In die zin toonde Hij barmhartigheid aan wie Hij barmhartigheid wilde tonen, en verhardde Hij wie Hij wilde verharden.

Wat we in discussies over het calvinisme vaak over deze passage horen, is dat degenen aan wie Hij barmhartigheid toont, degenen zijn die behouden worden, en dat degenen die Hij verhardt, degenen zijn die niet behouden worden. Daarmee wordt gesuggereerd dat als je niet behouden bent, je door God verhard bent. Als je verhard bent, kun je niet geloven. Je bent totaal verdorven. Je kunt onmogelijk christen worden, want als je niet behoort tot degenen aan wie Hij barmhartigheid heeft getoond — dat wil zeggen, reddende barmhartigheid — dan behoor je tot de categorie van degenen die Hij verhard heeft.

Dit is natuurlijk de passage uit haar eigen context en uit de context van de Bijbel rukken. De Bijbel zegt niet dat iedereen die niet behouden is, op een bijzondere manier verhard is. Ook Paulus zegt dat hier niet. Hij deelt mensen niet op die manier in. Wanneer calvinisten zo’n passage lezen, is het alsof het altijd over de uitverkorenen en de niet-uitverkorenen gaat: aan de uitverkorenen heeft God barmhartigheid bewezen en de niet-uitverkorenen heeft Hij verhard. Nou, dat zegt hij niet. Hij vertelt ons niet eens dat hij het over de uitverkorenen en de niet-uitverkorenen heeft, in ieder geval niet wat behoud betreft.

Wat hij zegt, is dat God kan doen wat Hij wil. Hij bewees de Joden bijzondere gunst en bevrijdde hen uit Egypte. Dat heeft Hij niet voor andere volken gedaan. Dat is een bijzondere barmhartigheid die Hij bewees, en Hij kan dat doen wanneer Hij maar wil en voor wie dan ook. Hij kan verharden wie Hij wil verharden, aangenomen dat het rechtvaardig is om dat te doen, want God kan geen onrecht doen. Maar Hij verhardde de farao omdat dat volkomen rechtvaardig was. De farao werd niet verhard geboren. Hij werd normaal geboren, en vanwege de slechte keuzes die hij maakte, verhardde God hem.

Verharding als oordeel, niet als geboortegrond

De verharding van de farao was niet zijn standaardtoestand als onwedergeboren mens. Het verharde hart was een bijzonder oordeel dat hem werd opgelegd nadat hij als onwedergeboren mens had geleefd en zijn eigen keuzes had gemaakt om een slecht mens en een onderdrukker te zijn, baby’s te doden en zulke dingen te doen. Het was tijd dat deze man geoordeeld werd. Het oordeel dat over hem kwam, hield in dat God hem een tijdlang verhardde tegen bekering, zodat God hem werkelijk zwaar kon treffen in de vorm van tien plagen. Zeker, iedere man die niet op een bijzondere manier verhard was, zou zich hebben bekeerd en hebben toegegeven voordat alle tien de plagen voorbij waren. Voor de meeste mensen die goed bij hun verstand zijn, zouden de eerste twee of drie genoeg zijn geweest. Maar God verhardde hem, zodat hij zich niet zou bekeren. Zo kon de hele reeks plagen haar loop hebben en kon het hele volk van Egypte, dat het oordeel verdiende, vanwege de farao onder het oordeel komen.

De verharding van de farao wordt hier, of ergens anders in de Bijbel, niet voorgesteld als een voorbeeld van de typische onwedergeboren mens. De uitverkorenen zijn degenen aan wie God barmhartigheid bewijst, en de niet-uitverkorenen zijn allemaal door God verhard? Beslist niet. De Bijbel zegt niet dat iedereen door God verhard is, zelfs niet alle niet-uitverkorenen. De Bijbel spreekt erover dat sommige mensen verhard worden. Over bepaalde mensen staat er:

Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar zij zijn verdwaasd in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd.

Romeinen 1:21

Maar dit is iets wat hun tijdens hun leven overkwam, niet vanaf hun geboorte. Ze werden niet verhard geboren. Dit verschaft dus geen algemene uitspraak over de toestand van de niet-uitverkorenen en daarom ook geen algemene uitspraak over de toestand van de uitverkorenen.

Dit gaat over de geschiedenis, de geschiedenis van Israël en Egypte. Hij koos ervoor Israël te bevrijden. Hij bewees hun barmhartigheid. Dat kan Hij doen. Hij kan barmhartig zijn voor wie Hij wil en Hij kan verharden wie Hij wil. Dat betekent niet dat Hij hen zonder reden verhardt of barmhartigheid bewijst. In het geval van de barmhartigheid die Hij Israël bewees, deed Hij dat vanwege beloften die Hij aan hun voorouders had gedaan. Wanneer Hij jou en mij barmhartigheid bewijst door ons te behouden, doet Hij dat vanwege dingen die wij kiezen.

Dat klinkt een calvinist ketters in de oren, maar het is beslist wat de Bijbel leert.

Aan wie God genade en barmhartigheid geeft

Aan wie wil God dan genade geven?

Hij echter geeft des te meer genade. Daarom zegt de Schrift : God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.

Jakobus 4:6

Als God iemand genade geeft omdat die persoon nederig is, is het moeilijk om, zoals calvinisten doen, te betogen dat Hij niets in die persoon in aanmerking neemt. Hij vertelt ons precies wat Hij in aanmerking neemt. Als ze hoogmoedig waren, zou Hij hun weerstaan. Als ze nederig zijn, zal Hij hun genade bewijzen.

Jezus zei in Zijn Bergrede:

Zalig zijn de barmhartigen, want aan hen zal barmhartigheid bewezen worden.

Mattheüs 5:7

Als nadere uitwerking daarvan zei Hij:

14Want als u de mensen hun overtredingen vergeeft, zal uw hemelse Vader u ook vergeven. 15Maar als u de mensen hun overtredingen niet vergeeft, zal uw Vader uw overtredingen ook niet vergeven.

Mattheüs 6:14-15

Hij maakte het heel duidelijk. Je ontvangt Gods barmhartigheid in de mate waarin je anderen barmhartigheid bewijst.

Het is niet zo dat God een paar mysterieuze redenen heeft om sommige mensen wel en andere geen reddende barmhartigheid te bewijzen. Dit is wat het calvinisme leert. Waarom werd ik behouden en mijn buurman niet? Waarom werd deze man behouden en een ander niet? Het is eenvoudigweg Gods soevereine besluit van vóór het begin van de wereld dat deze persoon zou geloven en de ander niet. Er is geen andere verklaring. Nee, er zijn andere verklaringen en die zijn overal in de Bijbel te vinden.

Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen zelf veracht worden.

1 Samuel 2:30

Je vernedert jezelf en Hij zal je genade geven. Je bent hoogmoedig en Hij zal je weerstaan. Je bewijst barmhartigheid en Hij zal jou barmhartigheid bewijzen.

Wanneer Paulus dus zegt dat Hij barmhartigheid bewijst aan wie Hij wil, zul jij beslist ook barmhartigheid bewijzen aan wie jij wilt. Maar dat betekent niet dat je geen redenen hebt om barmhartigheid te bewijzen aan degenen aan wie je die bewijst, en redenen om iemand anders geen barmhartigheid te bewijzen. De keuzes die je maakt, zijn niet irrationeel, maar toch maak je ze uit eigen wil. God kan barmhartigheid bewijzen aan wie Hij maar wil, maar het is niet zo dat we niet weten aan wie Hij barmhartigheid wil bewijzen. Het zijn degenen die volgens de Schrift aan bepaalde voorwaarden van het hart voldoen.

Nu zegt de calvinist dat God hun die gesteldheid van het hart moet geven. Maar dat is uitsluitend gebaseerd op hun aanname van totale verdorvenheid, die nog nergens in de Schrift is aangetoond. Met andere woorden, ze hebben een systeem dat vereist dat er betekenissen aan verzen worden opgelegd, in plaats van een systeem dat voortkomt uit de exegese van de verzen. Daarbij kijk je naar wat die verzen in hun context zeggen en zeg je: „Ik denk dat dit niet werkt voor mijn leer. Misschien moet die leer ter discussie worden gesteld.” Dat is wat een eerlijke calvinist volgens mij in zo’n geval zou moeten doen.

Paulus beschrijft hier niets anders dan Gods keuze voor Jakob boven Ezau, voor Israël boven Egypte, enzovoort: Gods nationale keuzes om dit volk te zegenen. En dat hoeft geen behoud te betekenen, want niet alle Joden die uit Egypte trokken, zijn uiteindelijk in de hemel gekomen. De aarde opende zich en verzwolg een aantal van hen. Sterker nog, iedereen boven de twintig stierf in de woestijn onder de toorn van God, met uitzondering van Jozua en Kaleb. Hoewel Hij hun als volk barmhartigheid bewees, hield dat niet rechtstreeks verband met hun eeuwige bestemming. De meesten van hen die uit Egypte trokken en aan wie Hij deze barmhartigheid bewees, vonden uiteindelijk geen barmhartigheid, omdat ze God niet volgden. Ze hadden geen geloof. Er zijn voorwaarden voor behoud. Er was geen bijzondere voorwaarde waaraan deze mensen moesten voldoen om de barmhartigheid van de bevrijding uit Egypte te ontvangen. Maar dat is alles waar Paulus het hier op dit punt over heeft.

Bezwaren tegen Gods rechtvaardigheid

Terug in vers 14 voorzag hij dat iemand bezwaar zou maken, zoals hij eerder in Romeinen al verscheidene keren doet.

Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt?

Romeinen 6:1

Paulus weet dat sommige dingen die hij heeft gezegd, gemakkelijk verkeerd begrepen kunnen worden door een lezer. Dat kan leiden tot een vraag die werkelijk op een misvatting berust. Hij moet de denkwijze corrigeren van degene die de vraag stelt. Daarom komt de vraag in vers 14 voort uit een misverstand:

Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Volstrekt niet!

Romeinen 9:14

Hoe kan het onrechtvaardig zijn dat God iemand bijzondere vrijgevigheid betoont, zolang Hij iemand anders niet iets ontneemt waar die recht op heeft, of iemand straft die niets verkeerds heeft gedaan? Je begrijpt de aard van gerechtigheid verkeerd.

Evenzo komt er in vers 19 een vergelijkbaar bezwaar naar voren:

19U zult dan tegen mij zeggen: Wat heeft Hij dan nog aan te merken? Want wie heeft Zijn wil weerstaan? 20Maar, o mens, wie bent u toch dat u God tegenspreekt? Zal ook het maaksel tegen hem die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zó gemaakt?

Romeinen 9:19-20

Het grootste deel van mijn leven werd mijn denken over deze passage beïnvloed door het calvinisme, hoewel ik geen calvinist was. Ik dacht dat Paulus zojuist had gezegd dat God onvoorwaardelijk sommige mensen kiest om hen te behouden en andere mensen onvoorwaardelijk verdoemt, en dat dit gewoon niet eerlijk lijkt. Calvinisten leren dit zeker. Ook mensen die strikt genomen geen calvinisten zijn maar wel door dit denken zijn beïnvloed, denken zo, omdat ze de gedachtegang niet echt hebben gevolgd. Maar als je het bezwaar maakt: „Hoe kan God deze mensen dan iets verwijten? Ze doen niets anders dan wat Hij wilde dat ze zouden doen. Ze kunnen Zijn wil niet weerstaan. Hij heeft dit allemaal gepredestineerd”, dan is het antwoord dat het niet kan worden uitgelegd. Dus ga gewoon zitten en houd je mond. Jij bent God niet. Jij, o mens, wie ben jij dat je bezwaar maakt tegen wat God zegt? Wees gewoon stil.

Het is alsof Paulus zou zeggen dat dit handelen van God eigenlijk niet verdedigd kan worden. Het strookt niet werkelijk met enig redelijk begrip van gerechtigheid dat wij kennen. We moeten dus eenvoudig in geloof aannemen dat God weet wat Hij doet. Je bent maar een mens. Je weet niet wat Hij weet. Wees gewoon stil, laat Hem doen wat Hij gaat doen en vertrouw erop dat Hij een goede God is.

Als Paulus voor die leer had betoogd en iemand had gezegd dat God onrechtvaardig was, zou ik in zekere zin hetzelfde zeggen als Paulus. Eerlijk gezegd heeft God alle troeven in handen. Hij heeft alle rechten. Hij zou een hele wereld vol mensen kunnen scheppen en die mensen als insecten kunnen verpletteren, en niemand zou kunnen zeggen dat Hij niet het recht had om dat te doen. Het is van Hem. Hij heeft het gemaakt. Ik kan een kaartenhuis bouwen en het daarna omver schoppen. Wie kan zeggen dat ik iets verkeerds heb gedaan? Het is mijn kaartenhuis. Ik heb het gemaakt. Ik kan het vernietigen als ik dat wil.

Als God een hele schepping zou willen maken en die eenvoudigweg zou willen verpletteren, iedereen zou willen doden en hen naar de hel zou willen sturen, dan zou Hij dat kunnen doen. Wie buiten Hem heeft ook maar enig recht? Hij is God. Jij bent het geschapene. Hij is de Pottenbakker. Jij bent de klei. Kan de Pottenbakker niet met Zijn klei doen wat Hij wil? Heeft de klei enig recht om in beroep te gaan?

Paulus betoogt beslist — en wij kunnen dat eveneens betogen — dat God het recht heeft om te doen wat Hij wil, ook als dat ons misschien mishaagt. Hij is eigenaar van het hele gebeuren. Hij schrijft het scenario. Als Hij moeilijkheden voor mijn leven bepaalt, of mij zelfs tot eeuwige verdoemenis bestemt, dan is dat Zijn zaak. Dat is waar, maar dat is niet wat Paulus zegt. Als Paulus dat zei, zou ik het met hem eens moeten zijn, maar daar heeft hij het niet over.

Hij heeft nog geen enkele calvinistische leer geïntroduceerd waarvoor hij God moet verdedigen. De waarheid is dat hij God in zekere zin verdedigt, maar hij verdedigt God niet omdat Hij op een of andere irrationele grond mensen uitverkoren zou hebben, of op een of andere onvoorwaardelijke grond mensen tot behoud zou hebben uitverkoren. Dat onderwerp is, nogmaals, in deze passage nog niet aan de orde gekomen. Iedereen wil dat het erin staat, maar Paulus heeft het nog niet geïntroduceerd.

De redenering van de tegenwerper

Dus wat zegt hij hier? Laten we eens kijken wat de tegenwerper zegt. De tegenwerper heeft twee vragen. Ze zijn allebei retorisch. Dat betekent dat het niet zozeer vragen zijn, maar uitspraken die op een retorische, vragende manier worden gedaan.

Wie heeft zich tegen Zijn wil verzet?

Wanneer ze zeggen:

Hoe kan Hij dan iemand iets verwijten?

is dat uiteraard een andere manier om te zeggen: ‘Hij kan toch eigenlijk niemand iets verwijten?’ Wanneer er staat:

Wie heeft zich tegen zijn wil verzet?

betekent dat eigenlijk: ‘Niemand heeft zich tegen Zijn wil verzet, toch?’ Dat is wat die retorische vraag betekent. De persoon die deze vragen stelt, redeneert dus als volgt: ‘Welnu, Paulus, aangezien jij suggereert dat...’

Niemand verzet zich tegen Zijn wil, omdat Hij alles heeft gepredestineerd. Hij gaat barmhartigheid bewijzen aan wie Hij barmhartigheid wil bewijzen, en Hij gaat verharden wie Hij wil verharden. Mensen zijn in feite marionetten in Zijn hand. Als niemand zich tegen Zijn wil kan verzetten, maar iedereen onvermijdelijk doet wat God vooraf heeft bepaald, hoe kan Hij hun dan verwijten wat ze doen? Dit is een heel logische vraag, want als ze niet kunnen kiezen, hoe kunnen ze dan verantwoordelijk zijn? Hoe zou God mensen iets kunnen verwijten wat zij volgens de predestinatie moesten doen, terwijl zij in zichzelf niet de macht hadden om iets anders te doen?

Je kunt op twee manieren naar deze vraag kijken. Er is iets mis met hun vraagstelling en redenering, want Paulus wijst hen terecht. Maar wat wijst hij terecht? Er zijn twee punten waarop ze het mis kunnen hebben: hun bewering dat niemand zich tegen Gods wil heeft verzet, of hun bewering dat God, omdat dit zo is, niemand iets kan verwijten. Hun uitspraak bestaat uit twee delen, en Paulus is niet ingenomen met wat ze zeggen. Waar is hij het niet mee eens?

De calvinistische uitleg van het bezwaar

De calvinist zegt dat Paulus ermee instemt dat niemand zich tegen Zijn wil heeft verzet, maar dat Paulus er niet mee instemt dat God niemand iets kan verwijten. Er is een verborgen gerechtigheid die alleen God begrijpt, en we kunnen maar beter erkennen dat Gods wegen niet onze wegen zijn en dat Hij verborgen raadsbesluiten heeft die ons onbekend zijn. Hoewel het inderdaad waar is dat niemand zich tegen Zijn wil heeft verzet, kan God toch op de een of andere manier iets verwijten. Als je het verband daartussen niet kunt zien, houd dat dan voor jezelf. Je hebt niet het recht bezwaar te maken tegen God. Dat is wat de calvinist denkt dat Paulus zegt.

Met andere woorden, in die twee vragen is er een uitgangspunt en een conclusie. Het uitgangspunt is: niemand heeft zich tegen Gods wil verzet. De conclusie is: God kan niemand iets verwijten, omdat niemand zich tegen Zijn wil heeft verzet. De calvinist zegt dat het uitgangspunt waar is, maar dat de conclusie ondeugdelijk is. Het uitgangspunt is waar: niemand heeft zich tegen Gods wil verzet, omdat Hij alles vooraf heeft bepaald. De conclusie is echter ondeugdelijk, omdat die ervan uitgaat dat God, als Hij alles vooraf heeft bepaald en niemand zich tegen Zijn wil verzet, niemand iets kan verwijten. Maar toch doet Hij dat, dus kun je maar beter concluderen dat Hij weet wat Hij doet. Er is iets aan de hand waardoor Hij iets kan verwijten, ook al is het uitgangspunt waar. De calvinist denkt dat de logica van degene die zo redeneert ondeugdelijk is. Diegene heeft een goed uitgangspunt, maar is tot een verkeerde conclusie gekomen.

De vragensteller heeft een uitgangspunt: niemand verzet zich tegen Gods wil. Paulus, is dat niet wat jij zegt? God heeft alles vooraf bepaald. God maakt alle keuzes, dus iedereen doet eenvoudigweg wat Hij kiest. Dat is het uitgangspunt van het argument. De conclusie ligt voor de hand: als rechtvaardigheid rechtvaardigheid is, kan Hij degenen die slechts doen wat Hij hun heeft opgedragen te doen, niets verwijten. Paulus zegt dat ze het mis hebben. De calvinist denkt dat Paulus zegt: ‘Jullie uitgangspunt was goed, maar jullie conclusie is verkeerd.’ Ik geloof dat Paulus betoogt: ‘Jullie uitgangspunt is verkeerd, en daarom is jullie conclusie verkeerd.’ God kan mensen beslist iets verwijten, want mensen verzetten zich daadwerkelijk tegen Zijn wil.

De tegenwerper heeft Paulus opnieuw verkeerd begrepen, zoals tegenwerpers dat vaak doen. Iedere keer dat Paulus de vraag van een tegenwerper aanhaalt, begrijpt die tegenwerper verkeerd wat Paulus zegt. Die tegenwerper heeft gedacht dat Paulus zegt dat niemand zich tegen Gods wil verzet, dat alles vooraf is bepaald, dat alles van tevoren is beschikt, en dat daarom alles verloopt zoals God heeft bepaald dat het zou verlopen. Dus kan God daar beslist niemand iets voor verwijten. Maar dat kan Hij wel. Paulus heeft niet betoogd dat niemand zich tegen Gods wil verzet. Paulus heeft niet betoogd dat iedere keuze, zelfs behoud, vooraf is bepaald. Zover is hij nog niet gekomen. De persoon die dit argument naar voren brengt, heeft die vergissing gemaakt.

De tegenwerper begrijpt Paulus verkeerd

Wanneer iemand dit feit noemt, zeggen calvinisten dat Paulus onmogelijk zo kan denken. Want als Paulus vóór deze verzen niet de calvinistische leer onderwees, zou de tegenwerper dit bezwaar niet hebben. Met andere woorden, de tegenwerper brengt een bezwaar naar voren dat niet-calvinisten altijd lijken aan te voeren: als alles gepredestineerd is, waarom verwijt God mensen dan iets? Niet-calvinisten voeren dit bezwaar altijd aan. Calvinisten zeggen dat dit bezwaar niet zou ontstaan als Paulus deze calvinistische bewering niet deed. De aanwezigheid van het bezwaar zelf laat dus zien dat Paulus zegt dat God eenzijdig sommigen behoudt en anderen niet, zonder dat daar voorwaarden aan verbonden zijn.

Waarom zou de tegenwerper niet dezelfde fout kunnen maken die de calvinist maakt? Wanneer je leest dat God farao verhardde omdat Hij dat wilde, Israël barmhartigheid bewees omdat Hij dat wilde, en Jakob boven Ezau verkoos omdat Hij dat wilde, kunnen mensen gemakkelijk de indruk krijgen dat Paulus iets over behoud zegt wat hij niet zegt, en dit bezwaar opperen: „Het lijkt erop dat iedereen gewoon doet wat God wil dat hij doet.” De calvinist maakt die fout, en er is geen reden waarom een tegenwerper in de tijd van Paulus niet dezelfde fout zou kunnen maken.

Maar Paulus maakt heel duidelijk dat hij niet zegt dat niemand Zijn wil weerstaat. Mensen weerstaan Zijn wil wel degelijk. Dat blijkt zelfs uit zijn antwoord aan de tegenwerper, want hij zegt:

Maar, o mens, wie bent u toch dat u God tegenspreekt? Zal ook het maaksel tegen hem die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zó gemaakt?

Romeinen 9:20

Is tegen God ingaan niet hetzelfde als Hem weerstaan? Merk op dat:

Wie ben jij?

volgt op de vraag:

Wie heeft zich tegen Zijn wil verzet?

Nou, wie ben jij? Ben je dat op dit moment niet zelf aan het doen? Je weerstaat God. Je gaat tegen God in. Het is een retorische omkering. Jij zegt dat God niemand iets kwalijk kan nemen, omdat je suggereert dat niemand Gods wil kan weerstaan. Nou, wil je weten wie dat wel kan? Wat dacht je van jou? Ben jij niet degene die het op dit moment doet?

Wie ben jij dat je God tegenspreekt?

Paulus zegt hier nergens dat mensen Gods wil niet weerstaan. Als iemand zegt dat hij Paulus zo begrijpt, zegt Paulus: „Ik kan meteen bewijzen dat je het mis hebt. Je weerstaat Zijn wil op dit moment. Je gaat tegen God in. Is dat geen bewijs dat niet iedereen Gods wil doet?”

De leer van Gods twee willen

Niet iedereen doet Gods wil. Ik moet verduidelijken dat calvinisten natuurlijk erkennen dat er mensen zijn die niet doen wat God hun opdraagt. Maar ze betogen dat God twee willen heeft. De ene is de wil die Hij heeft voorgeschreven, namelijk:

Je mag niet doden.

God heeft kenbaar gemaakt dat het Zijn wil is dat wij niet moorden, maar mensen doen het toch. Gods wil wordt dus niet altijd gedaan. Ze zeggen dat mensen Gods voorgeschreven wil kunnen overtreden, maar dat ze Zijn soevereine, verborgen wil niet kunnen overtreden, waarmee Hij alles door verborgen besluiten heeft voorbestemd.

Dat wil zeggen: als je het gebod ‘Je mag niemand vermoorden’ overtreedt, dan komt dat doordat God heeft beschikt dat je dat gebod zou overtreden. Op het ene niveau was het Zijn wil dat je dat niet zou doen, maar op een dieper niveau was het Zijn wil dat je het wel zou doen, omdat het gebeurd is en Hij alles laat gebeuren. Ze betogen dus dat zelfs als je dingen doet die duidelijk niet Gods wil zijn — stel dat je hier zelfs tegen God ingaat — Paulus volgens de calvinisten niet zegt dat zulke mensen Gods wil met succes weerstaan. Zelfs hun ingaan tegen God is door God voorbestemd.

Paulus zegt dat niet. Dat wordt noodzakelijk gemaakt door calvinistische vooronderstellingen, die je helemaal niet in de tekst hoeft in te brengen. Zoals we hebben aangetoond, is er nog niet één ding dat calvinisten over ook maar één van deze verzen hebben gezegd dat in de context staat. Er is dus geen reden om het calvinistische idee aan te nemen dat mensen, zelfs wanneer ze zondigen, Gods verborgen, voorbestemde wil doen, omdat Hij heeft beschikt dat sommige mensen naar de hel gaan. Zij vermijden gerechtigheid, zondigen en weigeren in Christus te geloven. Hoewel men aanneemt dat God wil dat ze goed zijn, geldt dat volgens deze opvatting niet voor hen. Zijn verborgen wil is dat ze niet goed zullen zijn en dat ze naar de hel zullen gaan, omdat Hij Zichzelf in hun oordeel zal verheerlijken.

Dit is eenvoudigweg niet wat de Bijbel leert. Het is een calvinistisch idee dat afkomstig is van Augustinus, die een neoplatonistische Griekse filosoof was. Het stemt heel goed overeen met de neoplatonistische Griekse filosofie en het manicheïsme, waar Augustinus vandaan kwam. Hij voerde het in, en het werd calvinisme.

Mensen kunnen Gods wil verwerpen

Maar kijk eens even naar Lukas, hoofdstuk 7. We zouden naar andere verzen kunnen kijken, maar dit is voldoende om het punt duidelijk te maken. In Lukas, hoofdstuk 7, vers 30, staat:

maar de Farizeeën en de wetgeleerden verwierpen het raadsbesluit van God met betrekking tot zichzelf, omdat ze niet door hem gedoopt wilden worden.

Lukas 7:30

Het Griekse woord dat daar met „raadsbesluit” is vertaald, wordt op bepaalde plaatsen in de Engelse vertaling met „will” weergegeven, zoals in Efeze 1:11, waar staat dat God:

In Hem zijn wij ook een erfdeel geworden, wij , die daartoe voorbestemd waren, naar het voornemen van Hem Die alle dingen werkt overeenkomstig de raad van Zijn wil,

Efeze 1:11

Dat is hetzelfde woord als „raad” hier.

De wetgeleerden en de Farizeeën verwierpen Gods raad, oftewel Zijn wil, voor hun leven door zich niet door Johannes te laten dopen. Suggereert dit niet dat het werkelijk Gods wil was dat zij zich door Johannes zouden laten dopen, en dat ze die wil overtraden? Ze verwierpen die door zich niet te laten dopen. Wat zou dit anders kunnen betekenen? Gods wil was dat zij zich zouden laten dopen. Het was niet Zijn algemene wil, maar Zijn wil voor hen. Het was niet Zijn algemene, voorgeschreven wil dat alle mensen zich zouden laten dopen, terwijl Hij in werkelijkheid in het verborgene wilde dat bepaalde personen dat niet zouden doen. Ze verwierpen de wil die God voor henzelf had. God had een plan, een wil en een raad voor hun leven, en ze deden het eenvoudigweg niet. Gods wil werd in hun geval dus niet gedaan, want er wordt heel duidelijk gemaakt dat het Gods wil was dat zij zich door Johannes zouden laten dopen. Maar ze verwierpen dat en werden niet gedoopt.

Verzet tegen de Geest en Gods bepalingen

Verzetten sommigen zich tegen Gods wil? Absoluut. Toen Stefanus tot het Sanhedrin predikte, was een van zijn slotuitspraken:

Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, u verzet u altijd tegen de Heilige Geest; zoals uw vaderen deden , zo doet u ook.

Handelingen 7:51

En dat deden ze. Stefanus stenigen was beslist verzet tegen de rechtvaardige verordeningen van God. Zeggen dat God in het geheim had besloten dat zij Stefanus zouden stenigen, is wat het calvinisme noodzakelijkerwijs zou vereisen. Maar je zult nergens in de Bijbel iets vinden wat erop wijst dat dit Gods geheime wil was. Het geheim is dat God ons nergens in de Schrift heeft verteld dat Hij zo’n geheime wil heeft. Daarom zal die geheim moeten blijven en kunnen wij niet verklaren dat het waar is.

Mensen denken ten onrechte dat Paulus zegt dat alles wat God bepaalt, uitsluit dat mensen hun eigen keuzes maken. Nee, God kan sommige dingen bepalen zonder alles te bepalen. We hoeven niet te geloven dat God alles in het leven van de farao heeft bepaald. Maar Hij bepaalde wel dat de farao na een bepaald moment verhard zou worden. Dat was iets wat de farao verdiende vanwege de keuzes die hij had gemaakt. De farao werd niet in de baarmoeder verhard, zoals Jakob in de baarmoeder werd uitgekozen. De verharding van de farao is eenvoudigweg een oordeelsdaad van God tegen een man die meer dan genoeg had gedaan om het oordeel te verdienen. Hij zal verharden wie Hij wil verharden, maar Hij wil niet iedereen verharden.

Gods recht en de Joodse tegenwerper

De woorden van Paulus hierover suggereren niet dat niemand zich tegen Gods wil verzet. Aangezien niet iedereen Gods wil gehoorzaamt, kan God beslist verwijten maken. De tegenwerper zit hier dus op het verkeerde spoor, en Paulus wijst hem daarop: ‘Je zit op het verkeerde spoor.’ Hij bevestigt wel Gods recht om dingen te doen. Vooral de Joodse tegenwerper zou namelijk bezwaar kunnen maken tegen het feit dat God een deel van het volk Israël uitkoos, namelijk het gelovige deel, om via hen Zijn zegen voort te zetten, en het ongelovige deel verwierp. Als zij daarom tot het ongelovige deel behoren, zouden ze zeggen: ‘Dat is niet eerlijk van God. Hoe durft God slechts een deel van het volk Israël te nemen, terwijl wij allemaal van Abraham, Izak en Jakob afstammen?’

Nadat hij heeft gezegd:

Maar, o mens, wie bent u toch dat u God tegenspreekt? Zal ook het maaksel tegen hem die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt u mij zó gemaakt?

Romeinen 9:20

zegt hij:

Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp klei het ene voorwerp tot een eervol, het andere tot een oneervol voorwerp te maken?

Romeinen 9:21

Dit is beeldspraak uit Jeremia 18 en ook uit Jesaja. Op twee plaatsen in het Oude Testament wordt ons verteld dat Israël de klei is en God de pottenbakker. Paulus heeft het over Israël. Hij heeft het niet over Calvijn. Calvinisten doen vaak alsof Israël niet eens voorkomt in dit verhaal, in deze passage. Het is alsof hij in de eerste verzen over Israël begon te spreken en later weer over Israël zal spreken, maar ondertussen is afgedwaald naar de onvoorwaardelijke uitverkiezing en dat soort dingen. Met andere woorden, omdat er geen goede verzen in de Bijbel stonden ter ondersteuning van de calvinistische leer, besloot Paulus er hier een paar te geven, ook al onderbrak dat zijn bespreking van Israël. Maar je moet doen wat je moet doen. Hoe zou het calvinisme anders ooit voet aan de grond kunnen krijgen, als je geen verzen geeft om die leer te ondersteunen? Dus week Paulus een poosje af van het onderwerp Israël en ging hij over op het onderwerp calvinisme. Later komt hij terug op Israël.

Israël als één klomp en twee vaten

Maar als je begrijpt dat Paulus niet van het onderwerp Israël afweek, dan zie je dat hij al die tijd hierop heeft gewezen:

Niet iedereen die van Israël afstamt, hoort bij Israël.

Ismaël was dat niet, Ezau was dat niet, en nu zijn mensen die Christus niet volgen dat niet. God heeft binnen het volk altijd een selectie gemaakt en gezegd: ‘Sommigen van hen, maar niet allen, zijn Mijn volk.’ Maar sinds Jezus kwam, is die selectie volledig gebaseerd op de vraag of je wel of niet in de Messias gelooft. Het deel van Israël dat in de Messias gelooft, wordt behouden. God gebruikt hen als Abrahams zaad om de volken tot zegen te zijn. Het deel van Israël dat niet gelooft, wordt buitengesloten. Misschien klagen ze daarover: ‘Wij zouden toegelaten moeten worden, alleen al omdat wij Israëlieten zijn.’

Hij zegt dat de pottenbakker het recht heeft om de klomp klei te nemen. In het Joodse denken is de klomp klei, op grond van Jeremia en Jesaja, natuurlijk Israël, het volk. De pottenbakker kan één klomp nemen en er twee vaten van maken. Dat wil zeggen dat Hij het volk in twee categorieën kan verdelen: de behoudenen en de niet-behoudenen. Die categorieën zijn gebaseerd op datgene waarop Hij wil dat ze gebaseerd zijn. Hij wil toevallig dat ze gebaseerd zijn op geloof in Christus.

Hij kan dus het volk Israël nemen en zeggen: ‘Hier is één klomp klei. Ik ga van jullie niet allemaal één ding maken. Ik ga twee dingen maken. Degenen onder jullie die geloven, ga Ik maken tot een vat ter ere. Ik ga jullie voor eervolle doeleinden gebruiken, om Mijn doeleinden te vervullen. Degenen onder jullie die niet geloven, bevinden zich in dezelfde klomp klei. Jullie maken nog steeds deel uit van het volk Israël. Ik ga van jullie een ander vat maken, en jullie zullen niet geëerd worden. Ik hoef jullie niet te eren.

Wie Mij eren, zal Ik eren; wie Mij niet eren, zal Ik niet eren.

Als jullie Mijn Zoon niet aannemen, eren jullie Mij niet.’

Denk eraan, Jezus zei in het Evangelie van Johannes:

opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet, Die Hem gezonden heeft.

Johannes 5:23

Dus als zij Christus niet eren, eren zij God niet. En Hij zal degenen eren die Hem eren. Hier is niets onvoorwaardelijks aan. Degenen die Hem eren, heeft Hij ervoor gekozen in een vat te plaatsen: een segment, een deel van de klomp klei, een percentage van de Israëlieten dat gebruikt zal worden voor de eervolle doeleinden die Hij Abraham beloofd heeft. De anderen niet.

Vaten van toorn en barmhartigheid

Nu spreekt Paulus niet over vaten voor eervol en oneervol gebruik, maar over vaten van toorn en barmhartigheid, want hij zegt:

En is het niet zo dat God, omdat Hij Zijn toorn wilde bewijzen en Zijn macht bekendmaken, met veel geduld de voorwerpen van Zijn toorn, voor het verderf gereedgemaakt, verdragen heeft?

Romeinen 9:22

Hij had in vers 21 een vat voor eervol gebruik en een vat voor oneervol gebruik genoemd. We hebben het over de uitverkorenen, de gelovige Joden. Zij zijn het ene vat. De ongelovigen zijn het andere vat. Het vat is iets collectiefs, net zoals de klomp dat was. De klomp waaruit het wordt gemaakt, is een klomp klei. Dat is Israël. Dat is een collectief geheel, niet één persoon. Evenzo zijn de twee vaten die worden gemaakt niet elk één persoon. Dit zijn geen individuen. Dit zijn groepen Israëlieten. Het hele volk Israël valt nu in twee categorieën. Het ene vat gaat Hij voor eervolle doeleinden gebruiken en het andere niet.

Maar nu spreekt hij wel over vaten als individuen, al verandert hij zijn bewoording. Hij spreekt over vaten van toorn en vaten van barmhartigheid, want in elk van deze twee vaten bevinden zich individuen. Dit is niet ongebruikelijk voor Paulus. Hij spreekt op die manier ook over de tempel van de Heilige Geest. Hij zegt dat de gemeente de tempel van de Heilige Geest is. Vervolgens spreekt hij erover hoe je je lichaam op een bepaalde manier moet behandelen, omdat je lichaam de tempel van de Heilige Geest is. Wat geldt er voor mij als individu? Ben ik een tempel van de Heilige Geest, of is de hele gemeente dat? Beide. Hij kan beide in dezelfde context gebruiken. Paulus doet dat soort dingen. Zelfs wanneer hij over het lichaam van Christus spreekt, is de gemeente als geheel het lichaam van Christus, maar in zekere zin belichaamt ieder van ons Christus. Hij is in ons en leeft Zijn leven in ons uit. Het is niet ondenkbaar dat Paulus van beeldspraak wisselt of een bepaald aspect van de beeldspraak verandert.

Hij heeft over de hele categorie van gelovige Joden gesproken als een vat voor eervol gebruik, maar degenen die zich in dat vat bevinden, zijn zelf vaten die barmhartigheid zullen ontvangen. De hele categorie van ongelovige Israëlieten is een vat voor oneervol gebruik, en degenen die zich in dat vat bevinden, zijn individueel vaten van toorn.

Eervolle en oneervolle vaten

Dat vaten in sommige geschriften van Paulus individuele mensen zijn, is ook te zien in 2 Timotheus, hoofdstuk 2. Hier gebruikt hij eervol en oneervol gebruik, maar in deze bespreking gaat het over iets anders. Hij spreekt hier feitelijk over dingen binnen de christelijke gemeente. In 2 Timotheus 2:20 zegt hij:

Maar in een groot huis zijn niet alleen voorwerpen van goud en van zilver, maar ook van hout en aardewerk. Sommige zijn voor eervol, maar andere voor oneervol gebruik.

2 Timotheüs 2:20

Een individu kan een vat zijn dat door God geëerd zal worden, een gouden of zilveren vat in plaats van een aarden of houten vat. Dat wil zeggen dat je zelf iets te zeggen hebt over wat voor soort vat je bent. God kan de categorieën eenzijdig vaststellen. Hij heeft één klomp klei en gaat daar twee categorieën van maken: een vat voor eervol gebruik, met daarin vaten van eer en barmhartigheid, en een vat voor oneervol gebruik, met daarin individuen die vaten van toorn en oneer zijn.

Onder de Joden zal God sommigen eren en anderen oneer aandoen. Dat is het punt dat Paulus maakt. God gaat sommigen eren, zoals Hij Jakob eerde en Izak boven zijn broers eerde. Er zijn Joden die, omdat zij in Christus geloven, door God geëerd worden, terwijl anderen dat niet worden. Zij kwamen beiden uit dezelfde klomp klei, het volk Israël, maar zij zijn niet hetzelfde vat.

Gelovige Joden en heidenen als Gods volk

Een vat is een gebruiksvoorwerp, meestal een keukenvoorwerp, hoewel dat niet per se zo hoeft te zijn. Het kan een gebruiksvoorwerp voor de badkamer zijn. Een vat is iets waarin iets wordt gedragen, meestal iets begeerlijks: water, wijn of iets dergelijks, iets wat aan andere mensen wordt aangeboden. De gelovige Joodse gemeenschap vormde de Joodse gemeente. En het is dat deel van Israël waardoor God besloten heeft het water des levens aan de wereld aan te bieden, niet het andere deel. Het is een eervolle roeping om God te dienen, de wereld te dienen en de zegen van Abraham naar de wereld te brengen. Maar niet alle Joden maken deel uit van het vat dat die zegen naar de wereld zal brengen. De gemeente wel.

Hij maakt heel duidelijk dat hij niet alleen over de Joodse gemeente spreekt, want hij zegt:

23En dat met het doel om de rijkdom van Zijn heerlijkheid bekend te maken over de voorwerpen van Zijn ontferming, die Hij van tevoren bereid heeft tot heerlijkheid? 24Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.

Romeinen 9:23-24

Hij wijst erop dat de vaten van barmhartigheid niet alleen dat deel van Israël zijn dat zich bevindt in het vat dat God voor barmhartigheid heeft gemaakt, maar dat er nu ook heidenen in zitten.

Pas in hoofdstuk 11 maakt hij dit gemakkelijk te begrijpen, want het is als een olijfboom, en de heidenen zijn op deze olijfboom geënt. Voordat de heidenen erop worden geënt, zitten alleen de gelovige Joden eraan. De ongelovige takken worden afgebroken. De gelovige takken, de Joodse gelovigen, zitten er nog steeds aan, maar dan worden de heidenen toegevoegd. Dit vat, deze boom, of welke beeldspraak je ook voor Israël wilt gebruiken, is teruggesnoeid, zodat alleen de gelovigen uit Israël er nog bij horen, en vervolgens ook de heidenen die geloven.

We hebben daarom een nieuwe entiteit die Israël wordt genoemd. Wij zouden die vaak de gemeente noemen: de gelovige Joden en de gelovige heidenen. Dat is wat hij tot op dit punt zegt. We komen hierop terug om dit hoofdstuk af te maken en misschien ook hoofdstuk 10 te behandelen.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Romans 9:14 - 9:24. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.