Romeinen 13
Overheid heeft gezag binnen Gods grenzen
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/romeinen/13.pdf. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/romeinen/13.
Samenvatting
Gezag, liefde en leven als kinderen van het licht
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt de opdracht om je aan gezagsdragers te onderwerpen en betoogt dat hun door God gegeven gezag beperkt is tot het handhaven van het recht, het bestraffen van kwaad en het bevorderen van goed gedrag. Hij legt uit waarom christenen belastingen en verschuldigde eer behoren te geven, en nuanceert Paulus’ woorden over schulden door te stellen dat vooral geen verplichtingen onbetaald mogen blijven, terwijl de schuld om lief te hebben altijd voortduurt. Vervolgens laat hij zien dat liefde de wet vervult, omdat wie zijn naaste liefheeft hem geen kwaad doet. Ten slotte behandelt hij Paulus’ beeld van nacht en dag, de mogelijke nabijheid van Christus’ wederkomst en de oproep om waakzaam en nuchter te leven, de wapenrusting van het licht aan te doen en je met de Heere Jezus Christus te bekleden.
Christenen en de overheid #
Romeinen 13 gaat verder met praktische aanwijzingen voor het christelijke leven en behandelt heel concrete situaties. Aan het begin van dit hoofdstuk gaat het over de overheid en over de houding, reactie en verhouding van christenen ten opzichte van de overheid. In hoofdstuk 12 heeft Paulus gesproken over onze verhouding tot onze broeders en medegelovigen in het lichaam van Christus. Aan het einde van dat hoofdstuk sprak hij over onze verhouding tot onze vijanden. Maar alle mensen hebben ook een bijzondere verhouding tot hun gezagsdragers.
Of we het nu prettig vinden of niet, we leven allemaal binnen politieke stelsels: politieke eenheden die landen of naties worden genoemd. Elk daarvan heeft een bestuursorgaan met een bepaalde mate van gezag. In Bijbelse tijden werden de meeste landen uiteraard door koningen geregeerd. Binnen het Romeinse Rijk waren er koningen over afzonderlijke gebieden die onder een hogere heerser stonden: de keizer. Toen Paulus deze brief schreef, was Nero keizer en de hoogste politieke gezagsdrager aan wie alle Romeinen verantwoording verschuldigd waren, ook de christenen.
Misschien heb je het een en ander over keizer Nero gehoord. Hij was geen goed mens. Hij vermoordde zijn eigen moeder en zijn eigen zoon. Dat is niet bepaald het gedrag van goede mensen. Hij leidde een losbandig leven en had seks met jonge jongens. Wij hebben geen politici die zulke dingen openlijk doen, en toch vinden we dat wij het slecht getroffen hebben met onze politici. Nero was een verdorven man die niet kon worden weggestemd. Hij was een tiran. Hij liet zelfs de stad Rome in brand steken en gaf vervolgens de christenen daarvan de schuld, zodat hij hen ongestraft kon martelen en doden. Dat was dus de heerser toen Paulus deze brief schreef. Welke houding moeten christenen aannemen tegenover zulke overheidsfunctionarissen, en tegenover de overheid in het algemeen? Laten we eens kijken.
In Romeinen 13:1-7 staat dat ieder mens zich aan de gezagsdragers moet onderwerpen, omdat alle gezag van God komt en de bestaande gezagsdragers door God zijn aangesteld. Wie zich tegen het gezag verzet, verzet zich daarom tegen Gods verordening en haalt een oordeel over zichzelf. Gezagsdragers zijn niet angstaanjagend voor wie goeddoet, maar voor wie kwaad doet. Wie niets van het gezag te vrezen wil hebben, moet het goede doen en zal daarvoor lof ontvangen. De gezagsdrager is Gods dienaar, ons ten goede. Wie kwaad doet, moet echter vrezen, want hij draagt het zwaard niet zonder reden. Hij is Gods dienaar en voltrekt als wreker de toorn over wie kwaad doet. Daarom moeten wij ons onderwerpen, niet alleen uit vrees voor straf, maar ook omwille van het geweten. Om diezelfde reden betalen wij belasting: gezagsdragers zijn dienaren van God die zich voortdurend met deze taak bezighouden. Geef daarom iedereen wat hem toekomt: belasting, tol, ontzag en eer.
Petrus over door God gegeven gezag #
In 1 Petrus 2 staat een vergelijkbaar, maar korter gedeelte. De eerste brief van Petrus herhaalt veel uit de brieven van Paulus. We weten dat Petrus met Paulus’ brieven bekend was, want in 2 Petrus 3 beveelt hij ze aan. Daar zegt hij dat Paulus in al zijn brieven dezelfde dingen behandelt als Petrus. Petrus bewonderde Paulus en zijn brieven. Dat blijkt ook uit Petrus’ eigen brieven: het grootste deel van 1 Petrus komt inhoudelijk ook in Efeze voor. Wat niet in Efeze staat, vinden we vaak in andere brieven van Paulus terug. Er staat weinig in Petrus’ brieven dat niet nauw overeenkomt met wat Paulus heeft gezegd, soms zelfs in dezelfde volgorde. Denk bijvoorbeeld aan de aanwijzingen voor echtgenoten, kinderen en dienaren. Op bepaalde plaatsen zijn Petrus’ aanwijzingen feitelijk gelijk aan die van Paulus.
In 1 Petrus 2 lijkt Petrus door dit gedeelte uit Romeinen 13 te zijn beïnvloed. In 1 Petrus 2:13 zegt hij dat wij ons omwille van de Heere aan iedere menselijke instelling moeten onderwerpen: aan de koning als hoogste gezagsdrager en aan stadhouders die door hem zijn gezonden om kwaaddoeners te straffen en mensen die goeddoen te prijzen.
Zowel Paulus als Petrus leren dus dat politieke gezagsdragers door God zijn aangesteld. Beiden schreven in een tijd waarin de hoogste politieke heerser een buitengewoon verdorven man was, waarschijnlijk zelfs de man naar wie Openbaring verwijst als een beest, een belichaming van satan. Toch zijn gezagsdragers in zekere zin vertegenwoordigers van God. Ook Judas was, zonder het te beseffen, in zekere zin een werktuig van God. Hij probeerde God niet te dienen, maar God gebruikte hem voor Zijn doeleinden. De broers van Jozef probeerden God evenmin te dienen toen zij Jozef als slaaf verkochten, maar God gebruikte hen. Zonder het te weten dienden zij Gods plannen. Zo zijn kennelijk ook veel machthebbers onbewust dienaren van God. God werkt door gezagsdragers heen. Volgens het boek Daniël stelt God machthebbers aan en zet Hij hen af.
In Spreuken 21:1 staat dat het hart van de koning in de hand van de Heere is en dat Hij het leidt als waterbeken, waarheen Hij maar wil. God stuurt machthebbers, vervangt hen, stelt hen aan en zet hen af. Hij staat niet buiten het politieke bestel. Omdat God erbij betrokken en soeverein is, komt het gezag van machthebbers een zeker respect toe. Daarin kan men echter te ver gaan, want Paulus’ woorden vragen om nuancering. In vers 1 van hoofdstuk 13
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Romeinen 13.
Paulus zegt in vers 1:
Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn, want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld,
Later zegt hij dat zij aangesteld zijn om goddeloosheid te bestraffen. Bij Petrus zegt hij dat zij aangesteld zijn om goede daden te prijzen en slechte daden te bestraffen. Met andere woorden, God heeft politieke machthebbers aangesteld met een bepaalde opdracht: gerechtigheid hooghouden en het recht handhaven. Wanneer mensen andere mensen kwaad doen, moet de overheid hen bestraffen. Wanneer mensen goeddoen, moet de overheid hen belonen, prijzen en haar waardering voor hen uitspreken. Met andere woorden, het ideale gedrag van overheidsfunctionarissen is dat zij in de samenleving rechtvaardig handelen en het recht handhaven.
Tegen het einde van vers 4 zegt hij dat de overheidsfunctionaris Gods dienaar en wreker is, om Zijn toorn te voltrekken aan hem die het kwade doet. In het vorige hoofdstuk, waarvan Paulus niet wist dat het een vorig hoofdstuk was, omdat de hoofdstukindeling nog niet bestond, had Paulus tegen christenen gezegd:
Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe , Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
En nu wordt ons verteld dat de overheidsfunctionaris Gods dienaar is om wraak te oefenen. Met andere woorden, als iemand jou kwaad doet, neem je zelf geen wraak op die persoon. Maar als de politie komt en hem arresteert en de overheid hem in de gevangenis zet, is dat goed. Dan oefent God wraak. De politieagenten zijn Gods vertegenwoordigers en dienen de doeleinden van het recht.
De beperkte taak van de overheid #
Een van de problemen die natuurlijk altijd naar voren komen wanneer mensen dit lezen, is: dat is toch nogal idealistisch, of niet? Hoe vaak beperken overheden hun optreden werkelijk tot het prijzen van goed gedrag en het bestraffen van slecht gedrag? Gaan ze hun boekje niet heel vaak ver te buiten? Ze vertellen mensen bijvoorbeeld hoe ze hun kinderen moeten opvoeden, verplichten hen hun kinderen naar overheidsscholen te sturen en vertellen mensen welke gezondheidszorg ze moeten hebben. Wat heeft dat met strafrecht te maken? God heeft de overheid ingesteld om misdadig gedrag en kwaaddoeners te bestraffen. Daarvoor dienen ze God. Daarvoor zijn ze aangesteld.
Het feit dat overheden meer doen dan waarvoor ze zijn aangesteld, roept vragen op. Wat als ze verder gaan dan hun opdracht? Denk hier eens over na. In vers 1 zegt hij:
Er is geen gezag dat niet van God komt.
Dat betekent dat ze geen enkel gezag hebben, behalve het gezag dat God heeft gegeven.
Ik heb enig gezag over mijn eigen huis. Toen mijn kinderen jong waren en bij mij thuis woonden, had ik gezag over mijn kinderen. Ik kon hun zeggen wanneer ze naar bed moesten gaan. Ik kon hun zeggen wanneer ze hun tanden moesten poetsen. Ik kon hun zeggen wat ze als avondeten moesten eten. Ik had gezag over mijn kinderen. Ik was hun vader.
Ik had geen gezag over de kinderen van de buren. Waarom niet? God, Die mij gezag over mijn kinderen gaf, had mijn terrein afgebakend. Mijn kinderen vielen binnen mijn terrein. De kinderen van mijn buren niet. Dat betekent dat wanneer ik mijn kinderen zei wat ze moesten doen, dat Gods gebod aan hen was, omdat God mij als gezagsdrager over hen had aangesteld. Daarom was ongehoorzaamheid aan mij ongehoorzaamheid aan God. Maar als ik de kinderen van mijn buren op hun eigen terrein, in hun eigen huis, zei wat ze moesten doen, hoefden ze mij niet te gehoorzamen. Ze vielen niet binnen mijn terrein. Ze bevonden zich buiten mijn terrein. Ik was gewoon een andere man. Ik had geen bijzonder gezag. Er is geen gezag behalve wat God geeft.
Welk gezag heeft God de overheid binnen haar terrein toegekend? Misdadig gedrag bestraffen en goed gedrag aanmoedigen. Dat heeft God de overheid opgedragen. Wanneer de overheid dat doet, treedt zij op als Gods trouwe dienaar en doet zij waarvoor zij is aangesteld. Wie zich tegen zulk gezag verzet, verzet zich tegen God Zelf.
Gezag geldt alleen binnen zijn grenzen #
Maar wat als de overheid verder gaat en doet waarvoor God haar niet heeft aangesteld? Dan heeft zij geen gezag. Er is geen gezag behalve wat God geeft, en God heeft haar geen gezag gegeven om dat te doen. God heeft de overheid gemachtigd om bepaalde dingen te doen, maar niet om alles te doen. Niemand heeft absoluut gezag behalve Jezus, Die zei:
En Jezus kwam naar hen toe, sprak met hen en zei: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Jezus heeft absoluut gezag. Ieder ander die enig gezag heeft, heeft slechts zoveel gezag als God hem heeft gegeven.
Bedenk dat Jezus tegen Pilatus zei:
Jezus antwoordde: U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven gegeven was; daarom heeft hij die Mij aan u overgeleverd heeft, een grotere zonde dan u .
Er is een door God ingesteld gezag dat God aan machthebbers heeft gegeven. Dat betekent niet dat alles wat zij doen binnen hun gezagsterrein valt. Buiten zijn gezagsterrein is een machthebber gewoon een andere man. Als een machthebber mij opdraagt iets te doen waartoe hij niet bevoegd is, is hij gewoon een ander mens die mij vertelt wat hij vindt dat ik zou moeten doen. Ik hoef niet naar hem te luisteren. Hij heeft niet het gezag om dat te doen.
Als de politie aan mijn deur komt en zegt: ‘We komen binnen om je huis te doorzoeken,’ dan zeg ik: ‘Hebben jullie een huiszoekingsbevel?’ Als ze nee zeggen, hebben ze geen bevoegdheid om binnen te komen. Als ze een bevel krijgen, hebben ze die wel. Zo luidt de wet. Als ze met een bevel komen, moet ik hen binnenlaten. Ze zijn daartoe bevoegd. Dat is wettig. Als ze geen bevel hebben, zeg ik: ‘Sorry, maar op dit moment zijn jullie gewoon andere mensen die mijn huis proberen binnen te komen. Jullie hebben hier geen gezag. Jullie zijn niet bevoegd.’
Iemand met overheidsgezag heeft niet van nature het gezag om maar te doen wat hij wil. Hij heeft onder God niet het recht om eenvoudigweg terreinen aan zijn macht toe te voegen die niet binnen het gebied van de strafrechtspleging vallen. Wanneer de overheid je dus vertelt hoe je jouw kinderen moet onderwijzen, hoe je jouw gezondheidszorg moet regelen, of hoe je wat voor andere zaken dan ook moet doen die geen verband houden met het straffen van kwaaddoeners, dan heeft de overheid werkelijk geen gezag om dat te doen. Toen ik mijn kinderen thuis onderwijs gaf, schreef de wet van Oregon, waar ik woonde, voor dat ik mij bij de staat registreerde, hun vertelde wat ik mijn kinderen leerde en een bepaald leerplan volgde met wat ieder kind in de eerste klas, de tweede klas, de derde klas enzovoort geacht werd te leren. Wij negeerden dat gewoon. Dat valt niet binnen het terrein van de overheid. God heeft de overheid niet het gezag gegeven om mij te vertellen hoe ik mijn kinderen moet opvoeden of wat ik hun moet leren. Dat is iets tussen God en mij. God gaf mij gezag over mijn kinderen. Hij gaf de overheid geen gezag over mijn kinderen, tenzij ze misdrijven plegen. Dan vallen ze binnen de gezagssfeer van de overheid. Afgezien daarvan is de overheid gewoon weer een indringer die zich met mijn zaken bemoeit.
Dat is wat Paulus zegt. Buiten het gezag dat God geeft, bestaat er geen gezag. De gezagsdragers hebben het gezag om te doen waartoe God hun het gezag heeft gegeven, en niets meer. Als ze binnen hun gezagssfeer optreden, kun je je niet tegen hen verzetten zonder je tegelijkertijd tegen God te verzetten, omdat Hij hun het gezag heeft gegeven om dat te doen. Maar wanneer ze buiten hun gezagssfeer treden, zijn ze gewoon weer iemand op straat. Misschien dragen ze een uniform. Misschien gaan ze naar een kantoor waar ‘President van de Verenigde Staten’ op de deur staat, maar ze zijn gewoon een mens.
Overheidsgezag volgens de Grondwet #
Natuurlijk liggen de zaken in ons land heel vreemd, want wij hebben eigenlijk geen heersers. Onze Grondwet is zo ingericht dat wij de heersers zijn. De gekozen functionarissen zijn de dienaren van het volk. Ze worden ambtenaren genoemd. Dit is een regering door het volk, voor het volk en van het volk. Iedereen die een ambt bekleedt, is daar door onze beslissing geplaatst om onze belangen te dienen. Zo is de overheid hier nu eenmaal ingericht.
In de tijd van Paulus was dat niet zo. Je werd ergens geboren en je had gewoon de heersers die daar aan de macht waren. Je had daar niet bijzonder veel over te zeggen. Je moest gewoon erkennen dat God hen daar had geplaatst en hun het recht had gegeven misdadigers te straffen. Dat moest je dus aanvaarden.
In ons land ligt het iets anders, omdat het gezag aan het volk is gegeven. Zo heeft de Grondwet de zaken ingericht. Dat is het handvest van dit land. Daarom hebben de gekozen functionarissen in werkelijkheid nog minder gezag, behalve het gezag dat het volk hun heeft gegeven. Dat zou in feite het gezag zijn dat de Grondwet hun geeft.
Ik wil niet over politiek gaan praten, maar omdat we het over gezagsdragers en onderwerping hebben, en we in een land wonen waar deze kwesties aan de orde komen, is de vraag: worden we geacht alles te doen wat de overheid zegt? Onze ambtenaren, onze politici die voor een ambt worden gekozen, krijgen van ons en van de Grondwet een bepaalde mate van gezag. Maar één ding wordt in de Grondwet heel duidelijk gemaakt. Daarin staat uitdrukkelijk dat alle bevoegdheden die in dit document niet aan de president en de politici worden gegeven, hun niet toebehoren. De politieke gezagsdragers hebben geen ander gezag dan het gezag dat de Grondwet hun toekent. Zo heeft de regerende macht het bepaald. Onze president en onze leden van het Congres staan onder dat gezag. Ze zijn geen koningen. Wij staan niet onder hen, hoewel ze een terrein hebben waarop ze beslissingen kunnen nemen over bepaalde wetten enzovoort, en kunnen beslissen welke wetten moeten worden gehandhaafd, als die werkelijk met kwaad en goed te maken hebben.
Het punt dat ik maak, is dat de toepassing van Romeinen 13 voor mensen zeer verwarrend is geweest, omdat sommigen zeggen dat je de overheid gewoon moet gehoorzamen. Nou, wacht even. Waarom? Omdat God hun het gezag heeft gegeven. Goed, om wat te doen? Zij hebben geen gezag om te doen waarvoor Hij hun geen gezag heeft gegeven. Ze hebben alleen het recht om te doen waartoe God hun het gezag heeft gegeven.
Rechtmatig gezag en verdorven bestuur #
Paulus zegt dat er geen gezag is behalve wat God geeft, en dat gezag is altijd beperkt tot een bepaalde sfeer. Paulus zwijgt niet over wat die sfeer is, en Petrus evenmin. Ze zeggen allebei dat de overheid Gods aangestelde dienaar is om kwade daden te vergelden — dat wil zeggen, misdrijven — en vanzelfsprekend om het volk te beschermen, een veilige samenleving voor onschuldige mensen tot stand te brengen en goed gedrag te prijzen en aan te moedigen.
Alle overheden doen dat tot op zekere hoogte. Iedere overheid heeft wetten, en sommige van die wetten beschermen mensen. Alle overheden beschermen de burgers tot op zekere hoogte. In die zin doen ze inderdaad wat God hun heeft opgedragen. Als burgers moeten we erkennen dat dit Gods geschenk aan de samenleving is: er is iemand die de boeven kan uitschakelen.
Helaas zijn de boeven soms degenen die in de overheid zitten, en dan worden de zaken natuurlijk op hun kop gezet. Hoewel Paulus en de christenen erkenden dat Nero Gods aangestelde dienaar was om goed te doen, erkenden ze dat hij soms kwaad deed. Ze zouden nooit zeggen: ‘Caesar is Heer’, hoeveel druk Nero ook op hen uitoefende om dat te zeggen, want dat is iets slechts. God geeft de overheid niet het gezag om je slechte dingen te laten doen, maar om goed gedrag af te dwingen en slecht gedrag te straffen.
Soms worden de zaken bij de overheid op hun kop gezet. Soms worden degenen die slecht gedrag vertonen niet door de overheid gestraft, maar worden zij de overheid. Zo is het in de loop van de geschiedenis nu eenmaal soms gegaan.
Het is belangrijk om op te merken dat hij aan het einde van vers 1 zegt dat de bestaande gezagsdragers door God zijn aangesteld. Soms vatten mensen dat zo op dat alles wat zij zeggen van God komt. Je gehoorzaamt God door alles te doen wat de overheid zegt. Nee. Als zij door God zijn aangesteld, wil dat niet zeggen dat zij absoluut gezag hebben. Het betekent juist dat zij dat niet hebben. God, Die boven hen staat, heeft hen aangesteld. Er staat Iemand boven hen Die hen heeft aangesteld. Zij kunnen het gevoel hebben dat ze hun positie hebben bereikt via erfelijke dynastieën, verkiezingen of wat dan ook, maar zij bestaan alleen in ondergeschiktheid aan Gods doeleinden. Hij heeft hen aangesteld. Dat betekent dat zij onder Hem staan. Dat is Paulus’ argument.
De gezagsdragers hebben geen enkel gezag behalve wat God hun geeft. Zij zijn aan Hem onderworpen. Hij is Degene Die hen heeft aangesteld, en iemand is altijd onderworpen aan degene die hem heeft aangesteld. De overheid is dus aan God onderworpen. Wij zijn aan de overheid onderworpen binnen het gezagsgebied dat God haar heeft gegeven, maar overheden moeten zelf verantwoording afleggen aan God.
Onderwerping, straf en geweten #
Daarom verzet degene die zich tegen het gezag verzet — en in vers 2 zou dit de rechtmatige uitoefening van gezag door politici zijn — zich tegen Gods verordening. Degenen die zich verzetten, zullen zichzelf een oordeel op de hals halen. Dit oordeel kan natuurlijk bestaan uit de straffen die de rechtbanken hun opleggen als zij de wetten van de overheid overtreden, of het kan Gods oordeel zijn. Hij wekt eigenlijk de indruk dat beide een rol spelen.
In vers 5 zegt hij:
Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen omwille van de straf, maar ook omwille van het geweten.
Met andere woorden, niet alleen omdat de overheid boos zal worden en je in de gevangenis zal zetten, maar omdat je geweten voor God erkent dat hier een verplichting ligt. Je onderwerping aan de overheid komt deels voort uit het feit dat je weet dat er strafrechtelijke straffen over je kunnen komen als je niet gehoorzaamt. Maar ze komt ook voort uit het besef dat God belang heeft bij een juiste uitoefening van het recht door deze gezagsdragers. Als zij dat doen en jij je daartegen verzet, dan moet je geweten daartegen bezwaar maken. Zelfs als je niet in de gevangenis wordt gegooid, zelfs als je ermee wegkomt en niet wordt betrapt, moet je geweten je aanklagen omdat je je hebt verzet tegen Gods aangestelde dienaar en zijn wetten.
Er staat:
Want voor de overheid hoeft men niet te vrezen, wanneer men goede werken doet , maar wel als men kwade werken doet . Wilt u nu van het gezag niets te vrezen hebben, doe het goede en u zult er lof van ontvangen.
Nou, soms zijn ze dat wel. Paulus spreekt duidelijk over de ideale situatie. Echte gezagsdragers die doen wat God hun heeft opgedragen, zullen goede mensen niet terroriseren. In een samenleving waar goede mensen worden geterroriseerd en zich moeten verbergen, waar de gemeente ondergronds moet gaan uit angst dat christenen worden gearresteerd, zijn dat geen goede gezagsdragers. Dat zijn niet de gezagsdragers die Paulus voor ogen heeft. Deze gezagsdragers doen niet wat God hun heeft opgedragen, en als zodanig hebben ze niet werkelijk gezag. Zij hebben misschien een menselijke positie ingenomen die algemeen als een gezagspositie wordt erkend, maar God erkent hun gezag niet als zij niet handelen binnen het gebied dat Hij hun heeft toegewezen. Buiten dat gebied hebben zij geen gezag.
Hij zegt:
Want voor wie goeddoet, zijn machthebbers niet angstaanjagend, maar wel voor wie kwaad doet. Wil je niet bang hoeven zijn voor het gezag? Doe dan wat goed is, en datzelfde gezag zal je prijzen.
Dat geldt in het ideale geval van een echte gezagsdrager die door God is aangesteld en zijn taak gewetensvol vervult.
Zij is immers Gods dienares, u ten goede. Als u echter kwaad doet, vrees dan, want zij draagt het zwaard niet zonder reden. Zij is namelijk Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade doet.
Politie, het zwaard en bescherming #
Het is goed voor ons dat er politieagenten zijn. Waarom? Omdat er misdadigers zijn. Als er wel misdadigers maar geen politieagenten waren, dan zou de hele samenleving eenvoudigweg een strijd zijn waarin alleen de sterksten overleven. De man die mijn huis wil beroven, slaagt daar misschien in als hij groter is dan ik. Als ik groter ben dan hij, kan ik hem misschien tegenhouden. Degene die het snelst zijn wapen trekt, het beste met een vuurwapen overweg kan of het verrassingselement aan zijn kant heeft, zal winnen. Bij iedere onverwachte criminele aanval kan het alle kanten op. Wie zal in het voordeel zijn? Als er twee of drie boeven zijn en ik alleen ben, dan is er geen hoop, of heel weinig.
Als het eenvoudigweg iedereen tegen iedereen is, zonder iemand die boven hen staat om het recht te handhaven, dan zullen de agressiefsten, de sterksten en vaak de meest verdorvenen degenen zijn die misbruik maken van de goeden. Christenen zijn de goeden. God heeft dus gezagsdragers aangesteld om misdadigers te straffen. Zij zijn dienaren voor jou. Zij zijn dienaren van de samenleving. Zij zijn Gods dienaren voor jou, ten goede.
Dat wil zeggen dat God de overheid heeft toegestaan daadwerkelijk wapens te hebben, zodat het bij een confrontatie tussen een wetshandhaver en een misdadiger niet slechts een kwestie is van wie de sterkste is. In het ideale geval zijn wetshandhavers goed bewapend en misdadigers minder goed. Hoe dan ook, God heeft de gezagsdragers een wapen in handen gegeven, omdat een gezagsdrager soms tegenover een gewelddadige misdadiger staat, en dat wapen is er niet voor niets.
Daarom is het nodig onderworpen te zijn, niet alleen omwille van de straf, maar ook omwille van het geweten.
Wat duidelijk is, is dat dit hele gebod om je te onderwerpen, te gehoorzamen, te vrezen, het goede te doen en je te schikken, veronderstelt wat hij aanvankelijk zei. We hebben het over rechtmatig gezag. We hebben het over overheden die handelen binnen het terrein dat God hun heeft toegewezen. Je moet je onderwerpen. Doe je dat niet, dan kun je problemen krijgen met de wet. Waarschijnlijk gebeurt dat ook. En zelfs als dat niet gebeurt, zou je geweten je voor God moeten aanklagen, want God zal je niet voor onschuldig houden als je de rechtmatige wetten en het rechtmatige gezag van de overheid overtreedt.
Belasting voor dienaren van de overheid #
Om die reden immers betaalt u ook belastingen. Het zijn namelijk dienaars van God, die juist daarmee voortdurend bezig zijn.
Dienaren of dienstknechten, die zich voortdurend juist hiermee bezighouden. Met andere woorden, ze zijn voltijds in de bediening, dienen God en houden jou veilig. Ze houden zich hier voortdurend mee bezig. Dat betekent dat ze geen andere baan kunnen hebben. Ze zijn voltijds in deze bediening. Zoals je zendelingen en anderen die voltijds in de bediening zijn met je giften ondersteunt, zo ondersteun je degenen die voltijds in deze bediening zijn met je belastinggeld. Zo krijgen zij hun loon, via het belastingstelsel.
Je hebt profijt van hen. Het verkeer is nog enigszins veilig doordat er politie op de weg is. Als bekendgemaakt zou worden: ‘Er is geen politie meer. We gaan niet langer op de snelwegen patrouilleren,’ dan zou je op de weg nooit meer veilig zijn. Het is nu al nauwelijks veilig, maar dat komt doordat veel mensen denken: ‘Ik zal waarschijnlijk geen politieagent tegenkomen, dus misschien kom ik wel weg met dit roekeloze rijgedrag.’ Maar als ze wisten dat ze nooit ter verantwoording zouden worden geroepen, zou er veel meer roekeloos rijgedrag zijn en zouden er veel meer ongelukken gebeuren.
Je bent veiliger doordat er gezagsdragers zijn. Ze dienen jou. Ze voorzien in jouw behoeften en beschermen jouw lichamelijke, maatschappelijke en politieke vrijheden en veiligheid. Omdat dat zo is, moet je er natuurlijk voor zorgen dat ze hun loon krijgen, zodat ze hun baan niet hoeven op te geven en iets anders hoeven te gaan doen. Ze doen dit voortdurend.
Geef de keizer en God wat hun toekomt #
Geef dus aan allen wat u verschuldigd bent: belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eer aan wie eer toekomt .
Dit woord ‘geven’ is hetzelfde woord dat Jezus gebruikte toen Hij zei:
Zij zeiden tegen Hem: Van de keizer. Toen zei Hij tegen hen: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.
Het is niet zomaar een woord voor ‘betalen’ of ‘geven’; het gebruikte Griekse werkwoord kan ook ‘teruggeven’ betekenen. Geef aan Caesar terug wat van hem is. Het wekt de gedachte dat je iets van hem hebt wat je aan hem moet teruggeven.
Toen Jezus dit zei, weet je nog, zeiden ze:
Zeg ons dan: Wat denkt U? Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?
Jezus zei:
Huichelaars, waarom verzoekt u Mij? Toon Mij de belastingmunt. En zij brachten Hem een penning.
Ze gaven Hem een munt. Hij zei:
En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift?
Ze zeiden:
Van de keizer.
‘Nou, geef hem die dan terug. Het is zijn gezicht. Dan moet die wel van hem zijn. Geef hem die terug. Geef aan Caesar terug wat van hem is. Dit gezicht lijkt op dat van hem. Geef die munt aan hem. Maar geef aan God wat Zijn gezicht draagt.’
De mens is naar Gods beeld gemaakt. Het beeld van Caesar stond op de munt, maar het beeld van God staat op jou. Zorg ervoor dat God jou krijgt. Caesar mag de munt terughebben. Geef die aan hem. Begeer zijn geld niet. Als het van hem is, geef het hem dan terug. Maar zorg ervoor dat je God niet onthoudt wat van Hem is, namelijk jijzelf. Jij behoort Hem toe. Zijn gezicht staat in jou gegrift. Je bent naar Zijn beeld gemaakt.
Eer voor goede leiders en gezagsdragers #
Paulus ontleent dit woord ‘geven’ naar mijn overtuiging bewust aan Jezus, want het is niet het woord dat je het meest zou verwachten voor ‘betaal je belasting’. Het betekent meer zoiets als: ‘Geef aan Caesar terug wat van hem is.’ Ongetwijfeld wilde hij herhalen wat Jezus juist over dit onderwerp had gezegd. Hij zei:
Geef dus aan allen wat u verschuldigd bent: belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eer aan wie eer toekomt .
Aan mensen die hun bediening goed vervullen, is eer verschuldigd: een politieagent die geen steekpenningen aanneemt, die niet corrupt is, die corruptie vermijdt en werkelijk slechte mensen arresteert; een rechter die slechte mensen rechtvaardig veroordeelt, onschuldige mensen vrijlaat, hen in het gelijk stelt en recht doet. Ik weet niet zeker of ik iemand beschrijf die werkelijk bestaat, maar hypothetisch gesproken: een rechter die dat zou doen en een politieagent die die dingen zou doen. Zo iemand staat in de bediening. Misschien beseffen ze dat niet. Misschien kennen ze God niet, maar God heeft hen aangesteld. Hij heeft hen aangewezen. Ze dienen God, en jij moet ervoor zorgen dat je hen eert. Geef hun de eer die hun toekomt voor goed verricht werk, omdat ze doen wat ze behoren te doen in plaats van sommige slechte dingen die ze zouden kunnen doen.
Ze dragen tenslotte wel vuurwapens, en de meeste mensen niet. Als ze geen onschuldige mensen neerschieten, tonen ze in elk geval enige zelfbeheersing. Ze proberen het juiste te doen. Eer dat, als ze eerbaar zijn. We behoren eerbare heersers, bestuurders en wetshandhavers te eren, en natuurlijk ook ambtsdragers in de gemeente.
Weet je nog dat Paulus in 1 Timotheus 5 zei:
Laat ouderlingen die goed leiding geven, dubbele eer waard geacht worden, vooral diegenen die arbeiden in het Woord en in de leer.
Mensen die leidinggeven, moet je niet tegenwerken alsof je het hun kwalijk neemt dat ze leidinggeven. God wil waarde, veiligheid en zekerheid bevorderen door leiderschap in een samenleving te geven, zowel in de wereldlijke als in de christelijke samenleving. Schapen zijn veilig als er een goede herder is, en ze zijn aanzienlijk minder veilig als er geen herder is. Als er alleen maar schapen zijn en geen herders, verkeren de schapen in veel groter gevaar.
Leiding, zowel in de christelijke gemeenschap als in de wereldlijke gemeenschap, is iets waarin God voorziet omdat Hij zorg draagt voor de veiligheid en het welzijn van de schapen. Er wordt van ons gevraagd die dienaren te ondersteunen en hun de eer te geven. Dit is de houding van Paulus tegenover de overheid.
Paulus beschermd door Romeins gezag #
Paulus had deze ervaring nog niet gehad toen hij dit schreef, maar kort daarna kreeg hij die wel. Toen hij eens Jeruzalem binnenging, zagen de Joden hem in de tempel. Ze besloten een oproer te veroorzaken en te proberen hem aan stukken te scheuren. Zijn leven was beslist in gevaar. Paulus had geschreven:
Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe , Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
Natuurlijk vocht Paulus niet terug. Maar wie deed dat wel? De Romeinse gezagsdragers hoorden dat er opschudding was. Ze kwamen erop af om de vrede te bewaren. Ze redden Paulus uit hun handen. Zij zijn Gods dienaren, wrekers die toorn brengen over hen die het kwade doen. Wij wreken onszelf niet; God doet dat, maar soms doet Hij dat door middel van gezagsdragers. Paulus werd door het politieke bestel en het politieapparaat in veiligheid gebracht. Later, toen hij het gevaar liep te worden uitgeleverd aan de mensen die hem wilden vermoorden, beriep hij zich voor bescherming op de keizer, en kreeg hij wettelijke bescherming. Hij kon onder begeleiding van de overheid naar Rome gaan en onder de bescherming van de keizer staan totdat hij voor de keizer terecht kon staan. Daardoor werd hij weggehaald bij de Joden die hem probeerden aan te vallen en te doden. Hij werd beschermd door het gezag van de overheid.
Bij een aantal gelegenheden heeft Paulus zelf de dienst van de Romeinse overheid tot zijn bescherming ervaren. Ik geloof dat zelfs de gunst van Nero hem eenmaal heeft geholpen. Want zoals ik het begrijp, werd Paulus tijdens zijn eerste proces voor Nero vrijgesproken. De Joden hadden hem gevangengenomen, maar Nero liet hem vrij. We hebben daar geen rechtstreekse verwijzingen naar, behalve in 2 Timotheus, waar Paulus zegt:
16Bij mijn eerste verdediging was er niemand die mij bijstond, maar zij hebben mij allen verlaten. Moge het hun niet toegerekend worden. 17Maar de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij kracht gegeven, opdat door mij de prediking volbracht zou worden en alle heidenen die zouden horen. En ik ben uit de muil van de leeuw verlost.
waarmee hij bedoelt: voor Nero. Maar later werd hij opnieuw gevangengenomen, toen Nero de gemeente vervolgde, en liet Nero hem doden. Dezelfde heerser kan dus op verschillende momenten de dienaar van God zijn of het beest, de dienaar van satan. Want overheden kunnen God dienen, of ze kunnen zo verdorven raken dat ze satan dienen. Maar wanneer ze God dienen, verdienen ze ons respect en onze onderwerping. Dat is wat Paulus zegt.
Verbiedt Paulus het aangaan van schulden? #
Vers 8:
8Wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. 9Want dit: U zult geen overspel plegen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen vals getuigenis geven, u zult niet begeren, en welk ander gebod er ook is, wordt in dit woord samengevat, namelijk hierin: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. 10De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde de vervulling van de wet.
Hij begint met de woorden:
Wees niemand iets schuldig, behalve liefde.
Veel christenen halen dit aan om het aangaan van schulden als het ware zondig te verklaren. Als je iets op krediet koopt, als je iets koopt waarvoor je in termijnen betaalt, heb je een schuld en ben je iemand iets verschuldigd. De Bijbel verbiedt het nadrukkelijk:
Wees niemand iets schuldig.
Dus als de Bijbel gebiedt dat je niets verschuldigd mag zijn, zou het naar het schijnt een zonde zijn om schulden aan te gaan.
Toch moet hier meer nuance in zitten, want er zijn andere Bijbelse overwegingen. Jezus zei immers in Lukas 6 dat je aan mensen moet lenen, en je kunt niet aan iemand lenen zonder dat die persoon een schuld aangaat. Dat is nu juist wat een schuld is. In Lukas 6, vers 35, zei Jezus:
Maar heb uw vijanden lief en doe goed, en leen zonder te hopen iets terug te krijgen . Dan zal uw loon groot zijn en zult u kinderen van de Allerhoogste zijn, want Hij is goedertieren over de ondankbaren en slechten.
Jezus zei:
Leen zonder iets terug te verwachten.
Je zou kunnen zeggen: „Dan is dat gewoon een gift. Dat is geen lening. Dan is er geen schuld.” Dat is niet waar. Hij had „geven” kunnen zeggen. Er is een verschil, en Hij gebruikt dat woord „geven” ook. Bijvoorbeeld twee verzen later, in vers 38:
Geef en aan u zal gegeven worden: een goede, vastgedrukte, geschudde, overlopende maat zal men u in de schoot geven, want met dezelfde maat waarmee u meet, zal er bij u ook gemeten worden.
Geven en lenen zijn twee verschillende dingen. Waarom zei Hij niet gewoon „geven” als Hij bedoelt dat je niets terug moet verwachten?
Lenen, terugbetalen en kwijtschelden #
Dat komt eenvoudigweg doordat er mensen zijn die tijdelijk in moeilijkheden raken en een helpende hand nodig hebben, maar die geen bedelaars willen zijn. Ze hebben alleen een steuntje in de rug nodig. Ze hebben op dat moment wat hulp nodig. Ze kunnen je terugbetalen en zijn dat ook van plan. In sommige gevallen zou je hun waardigheid kunnen ontnemen als je hun een gift geeft. Ze voorzien dan niet zelf in hun onderhoud. Als ze gewoon voor korte tijd een lening krijgen en die terugbetalen, kan dat hen helpen zonder dat ze in hun eigen ogen bedelaars worden. Iemand iets lenen is iets anders dan iets geven.
Voor de geldschieter, voor de christelijke geldschieter, zou het echter bijna hetzelfde moeten zijn. De lener is van plan het terug te betalen. Als je een christelijke lener bent, moet je het altijd terugbetalen. Als je een christelijke geldschieter bent, moet je erop voorbereid zijn dat het misschien niet wordt terugbetaald. Dat wil zeggen: als zij je niet kunnen terugbetalen zoals ze van plan waren, kun je de schuld kwijtschelden en niets terugverlangen.
Maar dat betekent niet dat er iets mis is met geld uitlenen en het terugbetaald krijgen. Want degene die leent, kan heel goed in staat zijn het terug te betalen en kan dat ook willen. En het hoort bij de waardigheid die ermee gepaard gaat dat hij zichzelf en zijn gezin onderhoudt, dat hij zijn verantwoordelijkheden nakomt. Daar is niets mis mee.
Ik leen geen geld als het niet hoeft, en gelukkig hoeft het niet. Maar als ik geld moest lenen, zou ik het beslist terugbetalen, of in elk geval van plan zijn dat te doen. Ik zou alles doen wat ik kon om het terug te betalen. Ik zou geen geld aan mezelf uitgeven voordat ik de schuld had terugbetaald, omdat ik gewetensvol ben. Ik ben christen. Als ik zeg dat ik het ga terugbetalen, wil ik mijn woord houden. Ik wil een trouw mens zijn. Het ongemak voor mij weegt niet zo zwaar als het aantasten van mijn integriteit. Dus als het lastig is om het terug te betalen, zal ik het toch doen, omdat ik christen ben. Maar als ik het niet kan, zou het fijn zijn als degene die mij het geld heeft geleend meer van mij hield dan van zijn geld en zei: ‘Luister, ik scheld je deze keer de schuld kwijt. Ik ga niet van je eisen dat je het terugbetaalt.’ Oké, dat is geweldig. Ik heb dat tot nu toe nooit hoeven doen. Gelukkig maar, en ik vertrouw erop dat ik dat ook nooit zal hoeven doen. Het zou aan mijn geweten knagen als ik iets wat ik had geleend niet terugbetaalde.
Maar geld uitlenen is een ander verhaal. Wanneer ik degene ben die uitleent, en ik leen aan een christen, zal ik alleen iets uitlenen als ik het niet erg vind wanneer ik het niet terugkrijg. Want ik moet er rekening mee houden dat degene die leent, die in moeilijke omstandigheden terechtgekomen is, misschien niet snel uit die moeilijke omstandigheden komt. Misschien komt hij er nooit uit. Of als hij er wel uitkomt, kan hij zo zwaar onder zijn schulden gebukt gaan dat hij de rest van zijn leven bezig zou zijn zich eruit te werken. Ik vind het niet erg om hem ervan te ontslaan. Ik vind het niet erg om het op te geven. Met andere woorden, als geldschieter moet ik erop voorbereid zijn dat de schuld niet wordt terugbetaald.
Als degene die leent, ben ik er niet op ingesteld dat die schuld niet wordt terugbetaald. Ik ben vastbesloten hem terug te betalen. Ik ga deze persoon, die mij geld leende in het oprechte vertrouwen dat ik hem zou terugbetalen, geen onrecht aandoen. Hij kan mij de schuld kwijtschelden als hij dat wil, maar ik ga hem dat niet aandoen. Ik ga hem niet dwingen dat te doen.
Dus als het om schulden en uitlenen gaat, moet een christelijke geldschieter in zijn eigen hart zijn aanspraak op terugbetaling loslaten, hoewel er niets mis mee is wanneer hij toestaat dat er wordt terugbetaald. Als de man in een positie komt waarin hij de schuld kan terugbetalen, laat hem dat dan doen. Hij kan zijn waardigheid behouden. Hij kan zijn verantwoordelijkheid nakomen. Hij hoeft niet het gevoel te hebben dat hij zijn verantwoordelijkheid niet is nagekomen. Er valt veel voor te zeggen om hem zijn schuld aan jou te laten terugbetalen als hij dat wil en kan. Je moet alleen ruimhartig genoeg zijn om te zeggen: ‘Ik besef dat je eigenlijk niet in een positie bent om mij terug te betalen, dus daar ga ik me geen zorgen over maken.’
Schuld is geen zonde, maar wel slavernij #
Maar let op: uitlenen is iets goeds. Als uitlenen iets goeds is, kan het hebben van schulden op zichzelf niet volkomen slecht zijn. Want als het een zonde is om schulden te hebben, maak ik jou tot een zondaar door jou iets te lenen. Er ligt dus geen zonde in het hebben van schulden. Maar de Bijbel maakt heel duidelijk dat schulden, hoewel ze geen zonde zijn, niet wenselijk zijn. In Spreuken staat:
Een rijke heerst over armen, en wie leent, wordt slaaf van de uitlener.
Dat wil zeggen: een slaaf. Als je iemand geld schuldig bent, ben je zijn slaaf. Dat is niet wenselijk. Iedere christen moet dat vermijden als hij dat kan, maar het is geen zonde. Iets kan moreel neutraal zijn en toch vanuit praktisch oogpunt onwenselijk zijn. Je wilt niet iemands slaaf zijn. Leen niets als je geen slaaf wilt zijn. Dat is heel wijze raad.
Dave Ramsey staat natuurlijk zeer bekend om deze raad, en hij helpt veel mensen uit financiële problemen, omdat we in een maatschappij leven die op schulden is gebaseerd. De hele overheid heeft voor biljoenen dollars aan schulden. Dit is een maatschappij die schulden gewoon als een manier van leven beschouwt. Als de overheid het doet, doen de burgers het ook. We hebben nu allemaal creditcards. Toen mijn ouders jong waren, hadden ze geen creditcards. Misschien gaven enkele winkels creditcards uit. Ze hadden geen MasterCard en Visa, waarmee je alles op krediet kon kopen en het later kon terugbetalen, of niet. Dit is een maatschappij die al haar economische inzicht verloren heeft.
Iemand als Dave Ramsey, die tegen mensen zegt: ‘Kom uit de schulden, blijf uit de schulden en leef zonder schulden’, bewijst mensen een grote dienst, want schuld is slavernij en mensen raken tot over hun oren in de schulden. Geldschieters zijn meestal geen christenen die eenvoudigweg zullen zeggen: ‘Kun je het niet terugbetalen? Oké, ik scheld het je kwijt.’ De banken zullen dat over het algemeen zeker niet doen.
Laat geen verplichtingen onbetaald #
Schulden vermijden is dus iets goeds. Maar dat is niet eens wat Paulus hier zegt wanneer hij zegt:
8Wees niemand iets schuldig dan elkaar lief te hebben; want wie de ander liefheeft, heeft de wet vervuld. 9Want dit: U zult geen overspel plegen, u zult niet doden, u zult niet stelen, u zult geen vals getuigenis geven, u zult niet begeren, en welk ander gebod er ook is, wordt in dit woord samengevat, namelijk hierin: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. 10De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde de vervulling van de wet.
Dit volgt op zijn uitspraak:
Geef dus aan allen wat u verschuldigd bent: belasting aan wie belasting, tol aan wie tol, ontzag aan wie ontzag, eer aan wie eer toekomt .
Geef hun eer als hun eer toekomt, belastingen als die hun toekomen, heffing of wat dan ook. Wat je hun ook verschuldigd bent, betaal het. In wezen zegt hij: ‘Laat geen enkele schuld onbetaald.’ Wanneer hij zegt: ‘Wees niemand iets schuldig’, zegt hij niet: ‘Ga geen schuld aan.’ Hij zegt: ‘Laat je schuld niet onbetaald.’
Als je iets op krediet koopt — stel dat je een auto koopt; ik heb nog nooit een auto op krediet gekocht en ik hoop dat ik dat nooit hoef te doen. Ik koop altijd oudere auto's die ik contant kan betalen, of ik koop helemaal niets. Maar als je een auto koopt en er vijf of zes jaar lang voor afbetaalt, wat ben je dan voor die auto verschuldigd? Je bent elke maand een betaling verschuldigd. Ben je twintigduizend dollar verschuldigd? Nog niet. Je bent vierhonderd of driehonderd dollar verschuldigd, of wat het bedrag voor deze maand ook is. Dat ben je verschuldigd. Volgende maand ben je weer wat verschuldigd, en de maand daarna weer wat. Als je een van die betalingen niet doet, kan de auto worden teruggenomen en ben je er helemaal niets meer voor verschuldigd.
Maar het punt is dat je soms wel op krediet moet kopen. Je koopt je elektriciteit op krediet. Je betaalt het elektriciteitsbedrijf niet vooraf voor de stroom die je gebruikt. Je gebruikt die en daarna sturen ze je de rekening. Je gaat een schuld aan, maar je bent elke maand de betaling verschuldigd. Hetzelfde geldt voor een hypotheek op een huis. Sommige mensen zeggen: “Nou, ik vind niet dat ik een hypotheek op een huis moet hebben, want daardoor kom ik voor honderdduizenden dollars in de schulden.”
Nou, meestal doe je een aanbetaling die groot genoeg is om ervoor te zorgen dat het verschuldigde bedrag niet hoger is dan wat het huis waard zou zijn als je het moest verkopen. Natuurlijk zorgen omslagen in de economie er soms voor dat huizen onder water komen te staan, of dat de hypotheek hoger wordt dan de waarde van het huis. Maar de waarheid is dat het kopen van een huis je doorgaans niet op die manier in gevaar brengt. Je bent daarvoor elke maand een bedrag verschuldigd. Laat die niet onbetaald.
Wanneer hij zegt:
Wees niemand iets schuldig bedoelt hij volgens mij: laat onbetaalde verplichtingen zich niet opstapelen. Je bent belasting verschuldigd; betaal die. Je bent eer verschuldigd; bewijs die. Je bent het elektriciteitsbedrijf geld verschuldigd; betaal het. Ga geen schuld aan. Dat wil zeggen: laat geen schuld oplopen die je niet afbetaalt. Betaal al je schulden, wat voor schulden het ook zijn, op één na. Er is één schuld waarvan je nooit kunt menen dat je die volledig hebt afgelost, en dat is je schuld om elkaar lief te hebben. Liefhebben is een verplichting die nooit volledig zal zijn afbetaald. Het is je levenslange verplichting.
Liefde als blijvende schuld aan God #
Paulus probeert hier niet echt specifiek advies te geven over economische vrijheid, financiële vrijheid. Dit is niet zijn Universiteit voor Financiële Vrijheid of zoiets. Dit is zijn manier om te zeggen: geef mensen alles wat ze met recht van je mogen verwachten. Je bent het hun verschuldigd; geef het hun. Maar denk nooit dat je jouw voortdurende schuld aan God volledig kunt afbetalen, namelijk dat je jouw broeders moet liefhebben.
Ik zeg “aan God”, omdat het niet echt duidelijk is dat we het aan onze broeder verschuldigd zijn hem lief te hebben. Wat hebben zij ooit gedaan om dat te verdienen? Bij sommige mensen staan we in de schuld, maar we hebben ook mensen lief die nooit iets voor ons hebben gedaan. Bij hen staan we niet in de schuld. We staan bij God in de schuld. God is Degene Die zegt: “Ik ben jouw Eigenaar. Ik heb je gekocht. Heb die persoon lief.” Mijn schuld is dus aan God.
Ik herinner me een man die erg boos op me was om iets wat ik had gedaan en waarmee ik hem behoorlijk onrecht had aangedaan. Ik had hem onrecht aangedaan en ik had me bekeerd, maar hij was nog steeds boos. Hij bleef jarenlang boos en hij was een christen. Uiteindelijk schreef ik hem, want we zagen elkaar niet. We woonden in verschillende staten. Ik zei: “Je moet me vergeven, niet omdat je dat aan mij verschuldigd bent, want dat ben je niet. Ik kan geen aanspraak maken op jouw vergeving. Ik heb je onrecht aangedaan. Ik heb om vergeving gevraagd, maar ik kan die niet opeisen. Als je me vergeeft, is dat barmhartigheid. Ik kan geen aanspraak maken op barmhartigheid. Die wordt niet verdiend en is niemand verschuldigd. Ik verdien geen vergeving. Je bent mij geen vergeving verschuldigd, maar je bent het aan God verschuldigd mij te vergeven. Daar ligt jouw schuld.”
Hij en ik zijn later met elkaar verzoend. Maar het punt is dat je niet kunt zeggen: “Je bent het mij verschuldigd. Ik heb me bekeerd, dus je bent het mij verschuldigd mij lief te hebben en mij te vergeven.” Ik weet niet zo zeker of dat waar is. Maar je bent het wel aan God verschuldigd. Als je Gods dienaar bent, moet je doen wat Hij heeft gezegd, en Zijn grote gebod is lief te hebben en te vergeven. Je hebt dus de verplichting om dat te doen. Dat is een voortdurende schuld. Je kunt al je andere schulden afbetalen en niemand iets verschuldigd zijn, maar je zult dit nog steeds verschuldigd zijn: je naaste liefhebben.
Liefde vervult de hele wet #
Hij zegt:
Want wie liefheeft, heeft de wet vervuld.
Vergeet niet dat Paulus in hoofdstuk 8, vers 4, zei dat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen maar naar de Geest. Wat is deze vervulling van de rechtvaardige eisen van de wet die plaatsvindt wanneer we in de Geest wandelen? Liefde. Liefde is de vervulling van de wet. De vrucht van de Geest is liefde. Als je in de Geest wandelt, zul je liefhebben; je zult de wet vervullen.
Hoe kan dat? Omdat de geboden:
Pleeg geen overspel, pleeg geen moord, steel niet, zet je zinnen niet op wat van een ander is — en als er enig ander gebod is — allemaal worden samengevat in deze uitspraak:
Heb je naaste lief als jezelf.
Hoe dan? Dat zou heel duidelijk moeten zijn. Je hoeft er maar een ogenblik over na te denken. Als je iemand liefhebt, zul je hem niet doden. Je zult geen overspel plegen met zijn vrouw. Je zult niet stelen. Je zult niet begeren. Je zult geen vals getuigenis afleggen. Je zult dat niet doen tegen iemand die je liefhebt.
Het gaat er dus niet om dat je een heleboel regels onthoudt. Het gaat maar om één ding: heb altijd lief. Heb alle mensen lief. Heb hen onvoorwaardelijk lief. Als je dat doet, zul je de regels vervullen zonder aan de regels te denken. Je zult niet aan een stel regels worden onderworpen, want wat je doet, zal vanzelf binnen de grenzen van die regels blijven.
Paulus verwoordde het zo in Galaten. Bedenk dat Galaten en Romeinen vergelijkbare brieven zijn. Hij verwoordde het zo in Galaten 5, vers 22:
De vrucht van de Geest is echter: liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.
Er is geen wet tegen liefhebben. Er is geen wet tegen zachtmoedig, trouw of goed zijn. Daartegen bestaat zeker geen wet van God. Dus als je in de Geest wandelt, wat zal daar dan de vrucht van zijn? De vrucht van de Geest zal bestaan uit deze dingen, die ruimschoots binnen de wet vallen. Er is geen wet die deze dingen verbiedt. Je zult dus de rechtvaardige eisen van de wet vervullen, niet omdat je aan de wet denkt, maar omdat je in de Geest wandelt. Je hebt lief. Liefde is de vervulling van de wet. Als je dat eenmaal doet, overtreed je geen enkele wet. Jezus zei:
37Jezus zei tegen hem: U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. 38Dit is het eerste en het grote gebod. 39En het tweede, hieraan gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. 40Aan deze twee geboden hangt heel de Wet, en de Profeten.
Ik herinner me dat ik een reclame zag. Misschien heb je er zelfs een paar van in je kast: kleerhangers waaraan een heleboel andere kleerhangers vastzitten. Het lijkt alsof je tien kleerhangers in je kast hebt, maar als je je spullen mee wilt nemen, pak je er gewoon één en komt de rest allemaal mee, omdat ze allemaal aan elkaar hangen. Ik heb die nooit gehad, maar toen ik dat voor het eerst op televisie zag, dacht ik: ‘Dat is net als wat Jezus zei.’ Je hoeft alleen maar te onthouden dat je moet liefhebben, en de hele wet hangt daaraan. Je hoeft niet een heleboel regels te onthouden. Ze zitten allemaal vast aan die ene.
Als je die last van liefde draagt, draag je ook de last van alle andere kleerhangers, en je doet het met liefde. Wanneer je je aan wetten houdt, doe je dat uiteraard niet altijd met liefde. Maar als je liefhebt, gehoorzaam je uit liefde en doe je dat graag. Je houdt ervan de wet te houden. Als je liefhebt, vervul je de wet met veel blijdschap. Maar dat is natuurlijk een vrucht van de Geest, zoals Paulus elders heeft gezegd. Je wandelt in de Geest en je vervult de rechtvaardige eisen van de wet omdat je liefhebt, en dat vervult de wet.
De nacht wijkt voor de komende dag #
Nu de laatste paar verzen hier, de verzen 11 tot en met 14:
11En dit te meer , omdat wij het beslissende tijdstip kennen, namelijk dat de tijd reeds is aangebroken dat wij uit de slaap ontwaken. Want nu is de zaligheid dichter bij ons dan toen wij tot geloof kwamen. 12De nacht is ver gevorderd en de dag is nabijgekomen. Laten wij dus de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aandoen. 13Laten wij, als op klaarlichte dag, op een gepaste wijze wandelen, niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en losbandigheden, niet in ruzie en afgunst. 14Maar bekleed u met de Heere Jezus Christus, en verzorg het vlees niet om begeerten op te wekken.
Er is één probleem in deze passage. Het kan een groter of kleiner probleem zijn, afhankelijk van hoeveel moeite je ermee hebt. Paulus zei in vers 12:
De nacht is bijna voorbij, de dag komt eraan.
De dag lijkt de wederkomst van Christus te betekenen. In het vorige vers zei Paulus immers dat ons behoud dichterbij is dan toen we voor het eerst geloofden. Hij lijkt het dus over het einde van de wereld te hebben. Het klinkt alsof hij het over de wederkomst van Christus heeft.
Natuurlijk is de tijd waarin Christus aanwezig is dag. Jezus zei:
Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het Licht der wereld.
De tijd van Zijn afwezigheid is nacht. Daarom hebben wij dit weerkaatste licht van Christus, dat wij naar de wereld weerkaatsen, zoals de maan. De maan geeft ’s nachts licht, en Jezus zei tegen Zijn discipelen:
Jullie zijn het licht van de wereld. Maar Hij zei ook:
Zolang Ik hier ben, ben Ik het licht van de wereld.
Wanneer Jezus hier is, is het dag. Wanneer Jezus weg is, is het nacht, maar er is nog steeds licht, want net als de maan zijn wij nog steeds Gods licht. De maan weerkaatst het licht van de zon naar de aarde, en daarom is de aarde niet volledig zonder licht. Maar maanlicht is niet zo goed als zonlicht. ’s Nachts is het donkerder. Het is licht en dag wanneer de zon opkomt.
Toen Jezus kwam, zei Zacharias:
door de innige gevoelens van barmhartigheid van onze God, waarmee de Opgang uit de hoogte naar ons omgezien heeft,
Met ‘de Opgang’ wordt hier het aanbreken van de dag bedoeld. Jezus’ aanwezigheid in de wereld was dag. Toen het einde van Zijn tijd naderde, zei Hij:
Ik moet de werken doen van Hem Die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; er komt een nacht waarin niemand kan werken.
Jezus’ aanwezigheid was dus dag. Zijn afwezigheid is nacht. Zijn terugkeer is opnieuw dag. Wanneer Jezus terugkomt, breekt er een nieuwe dag aan. Dat is het beeld.
Was Paulus’ tijdsverwachting juist? #
Hij zegt:
11En dit te meer , omdat wij het beslissende tijdstip kennen, namelijk dat de tijd reeds is aangebroken dat wij uit de slaap ontwaken. Want nu is de zaligheid dichter bij ons dan toen wij tot geloof kwamen. 12De nacht is ver gevorderd en de dag is nabijgekomen. Laten wij dus de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aandoen. 13Laten wij, als op klaarlichte dag, op een gepaste wijze wandelen, niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en losbandigheden, niet in ruzie en afgunst. 14Maar bekleed u met de Heere Jezus Christus, en verzorg het vlees niet om begeerten op te wekken.
Het klinkt alsof Paulus zegt dat Jezus spoedig komt en dat de nacht al grotendeels voorbij is. Dit was, wat zal het zijn, nog geen vijfentwintig jaar na de hemelvaart van Christus. De nacht was niet grotendeels voorbij. We weten dat het sindsdien bijna tweeduizend jaar nacht is geweest. De dag was niet nabij.
Je zou kunnen zeggen: „Nou, nabij is een relatief begrip.” In feite zegt hij in het vorige vers dat het dichterbij is dan toen wij voor het eerst geloofden. Dat is een veilige uitspraak. Alles wat in de toekomst ligt, is dichterbij dan toen wij voor het eerst geloofden. In feite is alles wat in de toekomst ligt dichterbij dan vijf minuten geleden. Het is waar dat de wederkomst van Christus dichterbij is dan toen wij voor het eerst geloofden — in mijn geval ongeveer vijftig jaar dichterbij; in jouw geval veel minder, maar nog steeds dichterbij.
Dat is logisch, want als de dag nabij is, en daarmee bedoel ik dichterbij dan toen wij voor het eerst christen werden, dan is natuurlijk alles wat in de toekomst ligt nu dichterbij dan toen. Maar het gedeelte over de nacht die ver gevorderd is, doet het klinken alsof het niet alleen maar dichterbij is. Deze tijd van Christus’ afwezigheid is bijna voorbij. De nacht is bijna voorbij en de dag is nabij.
Profeten, apostelen en vergissingen #
Daarom moeten we ons afvragen: vergiste Paulus zich in zijn tijdsbepaling? Dat zou ondenkbaar zijn voor sommige mensen die geloven dat Paulus bijna als een profeet van God schreef. Veel christenen maken geen onderscheid tussen het gezag van het Oude Testament en dat van het Nieuwe Testament, en tussen de manier waarop God op die twee plaatsen spreekt. Het Oude Testament werd door profeten geschreven. Zij ontvingen rechtstreekse openbaring en een godsspraak van God, en zij spraken het Woord van God in de eerste persoon:
Ik, de Heer. Dit is wat ik zeg. Dit zegt de Heer.
Zo spraken de schrijvers van het Oude Testament. De schrijvers van het Nieuwe Testament spraken niet zo, omdat zij geen profeten waren. Zij waren apostelen. Een apostel heeft net als een profeet gezag, maar om een andere reden. Het gezag van een profeet is gebaseerd op het feit dat hij goddelijke openbaring ontvangt. Hij spreekt de woorden van God Zelf, bij voorkeur zonder fouten, want anders zou hij weleens een valse profeet kunnen zijn.
Een apostel daarentegen beweert niet dat hij voor ieder woord dat hij spreekt goddelijke openbaring ontvangt. Hij spreekt niet als God in de eerste persoon. Hij spreekt over God vanuit wat hij weet. Maar hij is een apostel omdat God hem gemachtigd heeft om namens God te spreken. Ik kan een advocaat inhuren om namens mij transacties te verrichten. Dat betekent niet dat alles wat hij doet woord voor woord door mij gedicteerd wordt. Ik vertrouw erop dat hij goed werk levert en hoop dat hij bekwaam is. Toen Jezus Zijn apostelen uitkoos, koos Hij mannen van wie Hij wist dat ze bekwaam zouden zijn, en Hij kon hen machtigen om Zijn woordvoerders te zijn.
Dat betekent niet dat ze nooit een fout zouden maken. Dat deden ze wel, want Paulus moest Petrus terechtwijzen, en ze waren allebei apostelen. Maar Paulus zei dat Petrus duidelijk verwijtbaar was. Petrus kon dus fouten maken. Paulus kon ook fouten maken. Hij is een man van God, maar dat betekent niet dat hij nooit enige fout kon maken.
Vergiste hij zich in de leer? Nee, hij ontving zijn leer door rechtstreekse openbaring van Christus. Dat zei hij zelf. Hij gokte niet als het om leerstellige zaken ging. Hoe zit het met zijn morele instructies? Vergiste hij zich daarin? Nee, voor het grootste deel herhaalde hij gewoon wat Jezus had gezegd. Paulus was een ware en nauwkeurige woordvoerder van God, maar hij beweerde niet dat hij onder een of andere bovennatuurlijke invloed schreef. Profeten beweerden dat wel. Apostelen hebben dat nooit over zichzelf beweerd. Hij zei eenvoudig: „Ik ben een apostel van Christus. Ik ben door Christus aangesteld om te spreken.” En dat was hij.
Kon hij een fout maken? Ik denk van niet als het om iets heel belangrijks ging, maar het is denkbaar dat hij bepaalde misvattingen had over hoe nabij toekomstige gebeurtenissen waren, omdat Jezus Zelf zei dat zelfs Jezus dat niet wist. Als Jezus het niet wist, zou Paulus het ook niet weten. Hoe zou hij er dan een uitspraak over kunnen doen? Vermoedelijk alleen door te gissen, want hij zou niet weten wat Jezus niet wist. Hij wist niet hoe spoedig de wederkomst zou plaatsvinden. Misschien had hij het intuïtieve gevoel dat die spoedig kon plaatsvinden, en hij spreekt er vaak over alsof die spoedig zal plaatsvinden.
Paulus’ verwachtingen over de toekomst #
Maar vervolgens spreekt hij in hoofdstuk 15 ook over zijn bezoek aan Rome alsof hij denkt dat dit spoedig zal plaatsvinden. In hoofdstuk 15 zegt hij: „Ik ga via Jeruzalem om een gift af te geven. Onderweg naar Spanje kom ik bij jullie langs om jullie te zien.” Paulus dacht beslist dat dit een tamelijk snelle reis zou worden. „Ik kom alleen even door Jeruzalem heen en dan kom ik naar jullie toe”, zegt hij. Maar hij werd uiteindelijk in Jeruzalem gearresteerd en zat twee jaar in Caesarea gevangen voordat hij ooit naar Rome ging. Dat was niet de bedoeling.
God kan iemand laten zien wat er gaat gebeuren zonder hem te vertellen hoelang het gaat duren. Daarom zou ik er niet eens moeite mee hebben, zoals sommige mensen dat wel zouden hebben, als Paulus dacht dat de wederkomst nabij was en zei dat die nabij was, maar er met zijn berekeningen naast zat, net zoals hij er met zijn berekeningen naast zat wat betreft het tijdstip waarop hij Rome zou bereiken.
Veel mensen vinden dat niet prettig. Er zijn volpreteristen die geloven dat ieder woord dat Paulus hierover zei, als betrouwbaar moet worden beschouwd. Paulus had dus gelijk en hij heeft het niet over de wederkomst van Christus. Zij zeggen dat hij het over het jaar 70 na Christus heeft. Iedere keer dat Paulus over de nabijheid van de wederkomst spreekt, zegt de volpreterist: „Nee, hij zei dat het nabij was, en het moest wel het jaar 70 na Christus zijn.” Volgens mij spreekt Paulus echter over een wederkomst die nog in de toekomst ligt.
Maar hij kon het mis hebben. Ik zeg niet dat hij het mis had. Misschien kunnen we manieren vinden waarop hij geen ongelijk heeft. Misschien is de dag waarover hij spreekt niet de wederkomst. Het klinkt er beslist wel naar. Misschien heeft hij een andere dag in gedachten. Misschien heeft hij het over het jaar 70 na Christus. Wie weet? Misschien heeft hij het over iets anders. Het is niet per se duidelijk, maar het klinkt alsof hij het over de wederkomst van Christus heeft.
Natuurlijk kunnen we dingen zeggen als:
Dit is betrekkelijk dichtbij vergeleken met toen we tot geloof kwamen. Het is dichterbij.
Dat zijn ware uitspraken. Er is alleen een kleine moeilijkheid in verband met het feit dat hij zegt:
De nacht is bijna voorbij.
Niemand kent het tijdstip van Jezus’ komst #
Ik zou er persoonlijk geen probleem mee hebben als Paulus te kennen gaf dat hij dacht dat het echt heel spoedig zou gebeuren. Veel christenen hebben gedacht dat het echt heel spoedig zou gebeuren. We weten niet eens of Jezus wist hoe ver weg het nog was, want toen Hem ernaar werd gevraagd, zei Hij:
Maar die dag en dat moment is aan niemand bekend, ook aan de engelen in de hemel niet, ook aan de Zoon niet, maar alleen aan de Vader.
Als alleen de Vader het weet, en de engelen en Jezus het niet weten, dan denk ik dat Paulus het ook niet zou weten. Misschien moet iemand die iets niet weet het ook niet zeggen, maar ik denk niet dat het kwaad heeft gedaan. De nacht zou tenslotte in zekere zin naar onze levensduur kunnen verwijzen. Onze levens zijn al ver gevorderd. De dag waarop we zullen sterven en Jezus zullen zien, zou nabij kunnen zijn. Je zou niet kunnen bewijzen dat dit onjuist is, maar het komt mij onnatuurlijk voor. Ik zeg niet dat hij dit niet gezegd kan hebben en dat hij het niet zo bedoeld kan hebben. Misschien deed hij dat wel. Dit is een punt waarover zijn bedoeling betwist zou kunnen worden, en de juistheid van de uitspraak zou ter discussie komen te staan als hij over de wederkomst lijkt te spreken. Ik maak me er niet druk om. Ik kan meegaan met alles wat Paulus zei, zelfs als hij zich vergiste in hoe spoedig het zou gebeuren. Hij geloofde dat het zou gebeuren. Er is een nacht waarin wij leven. Er komt een dag. Dat is waar. Hoe nabij die ook mag zijn, we weten dat hij in de tijd van Paulus niet heel spoedig kwam. Als hij dacht van wel, maakt dat hem niet ongeschikt om een goede woordvoerder van Christus te zijn.
Voor sommige mensen kan hij geen fout maken. Hij is Paulus. Maar ik denk dat Paulus ook een mens was. Wanneer hij brieven schreef, kwam hij niet plotseling in een bovennatuurlijke, tranceachtige toestand terecht. Hij dicteerde feitelijk een brief aan een andere man, die hem opschreef. Wanneer Paulus voor de vuist weg sprak, kon hij een uitspraak doen die technisch gezien niet juist was, als het een onschuldige uitspraak was. Ik denk niet dat zijn brief voor ons bewaard zou zijn gebleven als hij een ernstige vergissing had gemaakt over iets wat niet onschuldig was.
Maar dat is alles wat ik over die uitspraak kan zeggen. Misschien heeft hij het niet over de wederkomst van Christus. Of misschien heeft hij het er wel over en is er een manier waarop hij geen ongelijk heeft. Of misschien heeft hij het over de wederkomst van Christus en vergist hij zich in hoe ver weg die nog is, en maakt het niet uit dat hij zich daarin vergist. Je kunt hier met verschillende mogelijkheden werken. Ik leg me niet vast op de ene of de andere, maar het is niet het allerbelangrijkste.
Leven als kinderen van de komende dag #
Het voornaamste wat hij zegt, is dat wij in een nacht leven die ten einde zal komen. De dag komt. Jezus zal terugkeren. Hoewel we ’s nachts leven, kunnen we niet leven als mensen die ’s nachts leven, want mensen die ’s nachts leven, feesten in feite ’s nachts. Dat is wat hij ook in 1 Thessalonicenzen 5 zegt. Hij zegt hier hetzelfde over dronkenschap in de nacht, enzovoort.
In 1 Thessalonicenzen 5 zei Paulus in vers 5 en de verzen daarna:
U bent allen kinderen van het licht en kinderen van de dag. Wij zijn niet van de nacht en ook niet van de duisternis.
Het is nog geen dag, maar wij zijn kinderen van die komende dag. Wij behoren tot die dag, niet tot deze nacht.
Wij leven in deze wereld, maar behoren er niet toe. Deze wereld is duister en wij leven in deze duisternis, maar wij behoren niet tot deze duisternis. Wij zijn van het licht. Wij zijn van een andere dag, van een dageraad die nog moet komen.
6Laten wij dan niet, evenals de anderen, slapen, maar laten wij waakzaam en nuchter zijn. 7Want zij die slapen, slapen 's nachts en zij die dronken zijn, zijn 's nachts dronken. 8Maar laten wij, die van de dag zijn, nuchter zijn, bekleed met het borstharnas van geloof en liefde, en met de hoop op de zaligheid als helm.
Let hier op verschillende parallellen met Romeinen 13. Hij spreekt over de wapenrusting. In Romeinen 13 staat:
Laten wij dus de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aandoen.
In 1 Thessalonicenzen zegt hij:
Maar laten wij, die van de dag zijn, nuchter zijn, bekleed met het borstharnas van geloof en liefde, en met de hoop op de zaligheid als helm.
Dat is de wapenrusting, nietwaar? Een deel ervan. Hij zegt dat het nacht is en dat mensen ’s nachts slapen en dronken worden. Maar wij mogen dat niet doen, omdat wij niet tot de nacht behoren. Wij zijn van een andere orde. Wij behoren tot een orde die nog niet in de geschiedenis is doorgebroken, maar dat zal wel gebeuren. Wanneer dat gebeurt, zal die orde ons huidige gedrag rechtvaardigen als gedrag dat daarmee in overeenstemming is. Wij slapen niet. Wij worden niet dronken.
Zo zegt hij daar in vers 12, of vers 11:
En dit te meer , omdat wij het beslissende tijdstip kennen, namelijk dat de tijd reeds is aangebroken dat wij uit de slaap ontwaken. Want nu is de zaligheid dichter bij ons dan toen wij tot geloof kwamen.
Verderop, in vers 13, noemt hij ook dronkenschap:
Laten wij, als op klaarlichte dag, op een gepaste wijze wandelen, niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en losbandigheden, niet in ruzie en afgunst.
Waakzaam en nuchter in een donkere wereld #
Op beide plaatsen, in 1 Thessalonicenzen 5 en Romeinen 13, spreekt hij erover dat wij bij de dag horen. Het is nu nacht. Die gaat voorbij. De dag komt, maar wij zijn al burgers van die nieuwe orde. Wij maken deel uit van die dag die komt. Daarom moeten wij ons gedragen op een manier die bij de dag past, niet bij de nacht.
Wat doen mensen ’s nachts? Ze slapen. Ze worden dronken. Ze feesten. Dat is niet wat wij doen, want voor ons is het geen nacht. Het licht brandt in ons en wij maken deel uit van de dag. Wij gedragen ons niet zoals mensen zich in het donker gedragen, want wij zijn niet in het donker. Wij zijn verlicht. Wij kennen de waarheid. Wij behoren toe aan het Licht van de wereld en wij zijn het licht van de wereld.
Paulus zegt dat er een juiste manier is om je te gedragen en dat wij ons niet ongepast moeten gedragen. Wat betekent slapen dan? Is het verkeerd om te gaan slapen? Natuurlijk niet. Hij spreekt figuurlijk, en waarschijnlijk is zelfs dronkenschap figuurlijk bedoeld, hoewel wij ook niet letterlijk dronken moeten worden. Waarschijnlijk verwijzen deze dingen eenvoudigweg naar afgestompt zijn en jezelf te buiten gaan.
Dronkenschap betekent dat je iets neemt wat op zichzelf geoorloofd is, maar er meer van gebruikt dan gepast is en je eraan overgeeft. Daarom staat dronkenschap symbool voor elk gedrag dat van nature zelfzuchtig en genotzuchtig is. Slapen zou betekenen dat je geen idee hebt wat er gaande is. Wanneer je slaapt, weet je niet wat er om je heen gebeurt. Je bent afgestompt. Als je geestelijk slaapt, heb je geestelijk geen voeling met wat er gaande is.
Wij moeten dus waakzaam zijn. Petrus zei dat in 1 Petrus 5:
Wees waakzaam.
Wat betekent waakzaam? Blijf wakker. Tijdens een nachtwake houd je de wacht en blijf je wakker. Wij moeten, wij moeten waakzaam en nuchter zijn: niet slapen en niet dronken zijn. Dat zei Petrus in 1 Petrus 5. Laat ik je het versnummer geven, want daar komen dezelfde twee dingen voor. Petrus gaat ervan uit dat wij de wacht houden, wat betekent dat je een nachtwaker bent. Het is nacht. En toch staat er in 1 Petrus 5:8, hoewel het nacht is:
Wees nuchter en waakzaam; want uw tegenpartij, de duivel, gaat rond als een brullende leeuw, op zoek naar wie hij zou kunnen verslinden.
‘Nuchter’ betekent: niet dronken; ‘waakzaam’ betekent: niet slapen. Wat mensen ’s nachts doen, is dronken worden en slapen. Geestelijk gesproken mogen wij dat niet doen. Wij moeten nuchter en alert blijven, ons verstand erbij houden en niet zelfzuchtig en genotzuchtig leven.
De wapenrusting tegen geestelijk gevaar #
Waarom? Hij zegt in vers 8:
Want jullie tegenstander, de duivel, loopt rond als een brullende leeuw, op zoek naar iemand om te verslinden.
Er is gevaar. Wij leven in de nacht en de leeuw sluipt ’s nachts rond. Wij kunnen wakker en gedisciplineerd blijven en veilig zijn voor dat gevaar. Dat lijkt op wat Paulus zegt:
Trek de wapenrusting aan.
Doe de wapenrusting van het licht aan, of doe de helm van het behoud en het borstharnas van geloof en liefde aan. Het is nacht; er zijn gevaren. Zorg ervoor dat je jouw wapenrusting aanhebt. Waarom? Er is daarbuiten een duivel die je wil doden, die je wil verslinden.
Je ziet dat Paulus hier in Romeinen en in 1 Thessalonicenzen 5 hetzelfde doet als Petrus. Petrus was duidelijk door Paulus beïnvloed. Zij spreken over onze tijd in deze wereld als een leven in een donkere tijd. Het is een donkere tijd, maar wij hebben het licht al ontvangen. Daarom gedragen wij ons anders dan mensen die in het donker zijn. Eén verschil is dat wij weten dat er daarbuiten gevaren zijn en dat wij ons ertegen hebben bewapend. Ten tweede gedragen wij ons niet onverantwoordelijk, ongepast, als dronkaards of zelfzuchtig en genotzuchtig. En wij blijven niet ongevoelig voor of onwetend van wat er gaande is. Wij moeten alert zijn in plaats van slaperig of slapend.
Dat zijn de aansporingen die Paulus hier geeft. Aan het einde zegt hij:
11En dit te meer , omdat wij het beslissende tijdstip kennen, namelijk dat de tijd reeds is aangebroken dat wij uit de slaap ontwaken. Want nu is de zaligheid dichter bij ons dan toen wij tot geloof kwamen. 12De nacht is ver gevorderd en de dag is nabijgekomen. Laten wij dus de werken van de duisternis afleggen en de wapens van het licht aandoen. 13Laten wij, als op klaarlichte dag, op een gepaste wijze wandelen, niet in zwelgpartijen en dronkenschappen, niet in slaapkamers en losbandigheden, niet in ruzie en afgunst. 14Maar bekleed u met de Heere Jezus Christus, en verzorg het vlees niet om begeerten op te wekken.
Christus aandoen en het vlees weerstaan #
Dat is de wapenrusting: Jezus. Zie je, Jezus draagt de wapenrusting. De wapenrusting aandoen betekent Hem aandoen, want wij zijn Zijn lichaam. Als Zijn lichaam bewapend is, dan zijn wij dat lichaam. Wij doen de wapenrusting aan door Hem aan te doen. Dat is hetzelfde als de nieuwe mens aandoen. Het is hetzelfde idee. De nieuwe mens is Christus. De oude mens is Adam. Wij doen dus de nieuwe mens aan, Christus.
Wat betekent dat? Het betekent dat wij ons er bewust van zijn dat wij ons in Christus vereenzelvigen met Zijn lichaam, in tegenstelling tot het gevallen lichaam van Adam, de gevallen mensheid. Daarom houdt het natuurlijk in dat ons gedrag passend is voor iemand die een lid van Christus is, in plaats van een lid van Adam.
Hij zegt:
Geef niet toe aan het vlees om zijn begeerten te bevredigen.
Met ‘verzorg het vlees niet’ wordt hier bedoeld dat je niet van plan bent de begeerten van het vlees te vervullen en er daarom geen voorzieningen voor treft. Je bent niet van plan te zondigen. Helaas vallen wij soms wel, maar wij zijn dat niet van plan. Wij treffen er geen voorzieningen voor. Wij richten ons helemaal niet die kant op, maar wij zijn van plan die dingen te vermijden, zodat wij in een donkere wereld in het licht kunnen leven. In Filippenzen zegt hij dat ook over de wereld:
opdat u onberispelijk en oprecht zult zijn, kinderen van God, smetteloos te midden van een verkeerd en ontaard geslacht, waaronder u schijnt als lichten in de wereld,
Dat zegt hij volgens mij in Filippenzen, hoofdstuk 2.
Hiermee sluit Paulus dit hoofdstuk af. In hoofdstuk 14 en 15 staan aanwijzingen over gewetenskwesties en over hoe je vreedzaam samenleeft met iemand die een gevoeliger geweten heeft dan jij. Daar gaan hoofdstuk 14 en het begin van hoofdstuk 15 over, en dat zullen wij de volgende keer behandelen. Maar zodra wij dat gedaan hebben, werken wij in het latere deel van hoofdstuk 15 en in hoofdstuk 16 eigenlijk alleen nog wat losse eindjes af: groeten, hier en daar een paar aansporingen, de reisplannen van Paulus, wat hij zal gaan doen, wat hij heeft gedaan en dat soort dingen.
Het onderricht van Romeinen loopt zo ongeveer door tot het begin van hoofdstuk 15. Wat er daarom nog overblijft, is hoofdstuk 14 en dat kleine gedeelte van hoofdstuk 15. Dat gaat helemaal over de onderlinge verhoudingen tussen mensen wier gewetens niet even gevoelig zijn, en over hoe je in zulke gevallen de vrede bewaart en niet oordeelt. Dat zal zo ongeveer de rest van het onderricht van het boek zijn. Daarna volgen er aan het eind nog wat losse zaken, persoonlijke opmerkingen, groeten en dergelijke.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Romans 13. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/romeinen/13
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/romeinen/13.pdf
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Romeinen - Lezing 27 - 13.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/romeinen/13.mp3
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Romeinen - Lezing 27 - 13.mp3
Romeinen
Alle lezingen over Romeinen. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Intro deel 1 Spanning tussen Joodse en heidense christenen in Rome
- 2 Intro deel 2 Achtergrond en reisplannen van Paulus voor Romeinen
- 3 Intro deel 3 De indeling van Romeinen: een alternatief
- 4 1:1-15 Paulus: dienaar en apostel van Christus
- 5 1:8-17 Paulus dankt God voor het geloof van de Romeinen
- 6 1:18-32 De zonden van de Joden, niet de heidenen
- 7 2:1-10 De Jood die oordeelt, veroordeelt zichzelf
- 8 2:11-2:29 Wet horen is niet genoeg: besnijdenis van het hart
- 9 3:1-20 Joden zijn niet beter dan heidenen
- 10 3:21-26 God rechtvaardigt door geloof in Christus
- 11 3:27-4:25 Abraham gerechtvaardigd door geloof
- 12 5:1-11 Vrede met God door geloof in Christus
- 13 5:12-5:21 deel 1 Adam brengt de dood, Christus het leven
- 14 5:12-5:21 deel 2 Adam bracht de dood, Christus het leven
- 15 6:1-14 Met Christus gestorven, niet meer zondeslaaf
- 16 6:15-23 Van slaaf van de zonde naar slaaf van God
- 17 7:1-12 Vrij van de wet, verbonden met Christus
- 18 7:13-25 Paulus' strijd met de zonde in zijn vlees
- 19 8:1-14 Door de Geest wandelen en zonde overwinnen
- 20 8:15-39 Gods kinderen, geleid door de Geest
- 21 9:1-13 Niet iedereen uit Israël is echt Israël
- 22 9:14-24 God vormt Joden en heidenen voor ontferming
- 23 9:25-10:21 Jood en heiden gered door geloof in Christus
- 24 11 Heel Israël behouden door geloof in Christus
- 25 12:1-8 Een levend offer en een vernieuwd denken
- 26 12:9-21 Kwaad overwinnen zonder wraak te nemen
- 27 13 Overheid heeft gezag binnen Gods grenzen
- 28 14 Elkaar aanvaarden bij eten en heilige dagen
- 29 15-16 Elkaar aanvaarden, reisplannen en groeten
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/romeinen/13.srt
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Romeinen - Lezing 27 - 13.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/romeinen/13.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Romeinen 13:1
- Romeinen 12:19
- Mattheüs 28:18
- Johannes 19:11
- Romeinen 13:5
- Romeinen 13:3
- Romeinen 13:4
- Romeinen 13:6
- Romeinen 13:7
- Mattheüs 22:21
- Mattheüs 22:17
- Mattheüs 22:19
- Mattheüs 22:20
- 1 Timotheüs 5:17
- 2 Timotheüs 4:16-17
- Romeinen 13:8-10
- Lukas 6:35
- Lukas 6:38
- Spreuken 22:7
- Galaten 5:22
- Mattheüs 22:37-40
- Romeinen 13:11-14
- Johannes 9:5
- Lukas 1:78
- Johannes 9:4
- Markus 13:32
- 1 Thessalonicenzen 5:5
- 1 Thessalonicenzen 5:6-8
- Romeinen 13:12
- 1 Thessalonicenzen 5:8
- Romeinen 13:11
- Romeinen 13:13
- 1 Petrus 5:8
- Filippenzen 2:15