Romeinen 1:18-32
De zonden van de Joden, niet de heidenen
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/romeinen/1-18-32.pdf. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/romeinen/1-18-32.
Samenvatting
Steve Gregg betoogt dat deze beschrijving van zondigheid, ondanks de gangbare uitleg, eigenlijk over de Joden gaat en niet over de heidenen.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg wijkt hier bewust af van de gangbare indeling van Romeinen, waarin hoofdstuk 1 de schuld van de heidenen zou vaststellen. Hij laat aan de hand van taalgebruik en Oudtestamentische parallellen zien dat Paulus in 1:18-32 in werkelijkheid de geschiedenis van Israël beschrijft, zonder dat expliciet te zeggen, zodat de Joodse lezer zichzelf eerst instemmend hoort oordelen over 'de heidenen' voordat Paulus in hoofdstuk 2 onthult dat hij het over hem had. Hij vergelijkt deze aanpak met Nathan die David confronteert via de gelijkenis van het schaap, en met Jezus' gelijkenis van de wijngaardeniers. Vervolgens laat hij zien dat hetzelfde patroon doorloopt in hoofdstuk 3, waar Paulus zes Oudtestamentische teksten over goddeloosheid aanhaalt die stuk voor stuk over Joden gaan, niet om algehele verdorvenheid te bewijzen maar om te weerleggen dat Joden als groep moreel beter zijn dan heidenen. Zijn conclusie is dat de besnijdenis de Joden voorrechten gaf, maar geen morele superioriteit, en dat God zonder aanzien des persoons naar ieders daden oordeelt, Jood of heiden.
Inleiding en de gangbare uitleg van Romeinen #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Romeinen 1, vers 18 tot en met vers 32.
We waren uitvoerig aan het praten over Romeinen 1:16-17, waar Paulus in het kort samenvat wat in wezen de boodschap van het boek Romeinen is. In een paar woorden vertelt hij ons dat
16Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek. 17Want de gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.
Het is een gerechtigheid die tot ieder komt door geloof, zoals Habakuk zei:
Zie, zijn ziel is hoogmoedig, niet oprecht in hem, maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
We zullen daar niet verder op ingaan; het is te diepgaand en we hebben er de tijd niet voor. We gaan verder.
Veel van wat ik zeg over veel gedeelten van Romeinen zijn eigenlijk vrij standaard dingen, die je toch overal hoort waar Romeinen door protestanten wordt onderwezen. Maar er zijn een paar plekken waar ik de dingen aanzienlijk anders zie, en we komen nu bij een van die plekken. Ik heb je verteld dat er een standaard, populaire indeling van Romeinen bestaat die leraren gewoonlijk volgen, die ik ook volgde en die mij is aangeleerd, en die je in veel commentaren aantreft. En die komt hierop neer -- denk eraan -- dat Romeinen 1 tot en met 8 wordt gezien als een uiteenzetting van het behoud, waarvan de eerste drie hoofdstukken gewijd zijn aan het laten zien dat wij zondaars zijn. Dan zetten hoofdstuk 4 en 5 de rechtvaardiging door geloof uiteen. En hoofdstuk 6, 7 en 8 zetten de heiliging uiteen. Zo wordt er weleens gezegd dat Paulus, binnen de ruimte van hoofdstuk 1 tot en met 8, begint met ons onze behoefte aan behoud te laten zien, en dat hij vervolgens in de daaropvolgende hoofdstukken spreekt over de verschillende aspecten van het behoud, rechtvaardiging en heiliging.
Op maar een klein detail na ben ik het eens met die algemene indeling. Maar ik geloof wel dat er in de meeste behandelingen van deze eerste drie hoofdstukken iets belangrijks over het hoofd wordt gezien. En dat komt grotendeels doordat christenen de Bijbel vaak lezen met de bedoeling een theologisch standpunt te bewijzen dat zij als rechtzinnig beschouwen en waarvoor zij bewijs willen vinden. Romeinen 1 levert bruikbare teksten, en Romeinen 3 ook, die op het oppervlak misschien bepaalde opvattingen lijken te ondersteunen die standaard zijn geworden in het evangelische christendom -- opvattingen waar ik overigens zelf mee instem, maar waarvan ik niet denk dat ze noodzakelijkerwijs door deze teksten worden ondersteund. Het gaat mij er niet zozeer om een bepaald religieus systeem te steunen of te ontkrachten, als wel om te zien wat de tekst zegt en te zien waar dat ons brengt.
Mensen zouden achterdochtig kunnen zijn bij zo'n voorbehoud, omdat ze denken: nou, iedereen wil toch zijn eigen leerstellingen promoten. Nou, ik doe dat niet zozeer als sommige mensen, want het kan mij persoonlijk niet schelen of jij het met mijn leerstellingen eens bent. Ik ben er niet in geïnteresseerd om een gemeenschap van overeenstemming te creëren rond bepaalde leerstellige punten. Ik ben veel meer geïnteresseerd in het feit dat ik ooit voor God zal staan en Hem zal horen zeggen: 'Ik heb je de gelegenheid gegeven om te onderwijzen. Hoe heb je het gedaan?' En dan wil ik zeggen: 'Ik heb het gedaan zo eerlijk als ik kon.' Dus wat ik deed, was naar de tekst kijken, en als een vers een leerstelling niet ondersteunde -- zelfs een leerstelling die ik zelf mooi vond -- dan gebruikte ik het niet om die leerstelling te ondersteunen, omdat ik wilde zeggen wat het Woord van God zegt, waar ik dat maar kon. En in dit opzicht kan het lijken alsof ik het oneens ben met sommige leerstellingen die gewoonlijk uit deze gedeelten worden onderwezen, terwijl ik het in werkelijkheid misschien niet oneens ben met de leerstellingen zelf. Ik zeg alleen dat men de richting van het gedeelte verkeerd leest. Men haalt uit het gedeelte punten die, naar mijn mening, niet de punten van Paulus zijn.
De traditionele indeling van Jood en heiden #
Het belangrijkste van de standaardindeling is dat de eerste drie hoofdstukken van Romeinen over algemene schuld gaan, en dat ze als volgt zijn onderverdeeld. Hoofdstuk 1 stelt de schuld van de heidenen vast, de schuld van de heidense wereld. Hoofdstuk 2 stelt de schuld van de Joodse wereld vast. En hoofdstuk 3 sluit af met de samenvatting dat iedereen, Jood en heiden, schuldig is. En tegen het einde van hoofdstuk 3 staat er een reeks verzen, zes verzen uit het Oude Testament waar Paulus uit put, die vertellen hoe goddeloos bepaalde mensen zijn. En die verzen zijn vaak de favoriete verzen voor wie de leer van de algehele verdorvenheid wil vaststellen. Nu twijfel ik er geen moment aan dat de mens algemeen zondig is, maar ik denk niet dat Paulus met die verzen aan het eind van hoofdstuk 3 het punt probeert te maken dat theologen er doorgaans mee willen maken. En ik denk ook niet dat de verzen dat punt maken. Maar daar komen we op terug.
Hetzelfde geldt voor hoofdstuk 1, vers 18 tot en met 32. Over het algemeen wordt dit gezien als een beschrijving van de schuld van de heidenen, gevolgd in hoofdstuk 2 door een beschrijving van de schuld van de Joden. En door zowel de Joden als de heidenen te behandelen, heb je alle gevallen gedekt -- dus in wezen is de hele mensheid schuldig. Nogmaals, ik geloof dat de hele mensheid schuldig is, Joden en heidenen. Ik ben het met die leer eens. Maar het is mogelijk dat je mist waar Paulus met zijn betoog naartoe wil.
Denk eraan: ik denk niet dat Paulus de Romeinenbrief geschreven heeft als een traktaat, als een soort 'Vier Geestelijke Wetten', een Romeinenweg die mensen kunnen volgen voor evangelisatiedoeleinden. Sommige mensen zien het inderdaad zo. Ik denk dat hij een brief schrijft aan echte mensen, bij wie er iets speelt in hun gemeente dat bijgesteld moet worden. Alle andere brieven van Paulus zijn zo, en er is geen reden om te twijfelen dat de Romeinenbrief dat ook is. En we hebben gezien dat een van de belangrijkste kwesties in de gemeente in Rome waar Paulus over spreekt, een zekere wrijving is tussen het Joodse en het heidense element in de gemeente, zodat hij de heidenen moet zeggen dat ze de meer wetsgetrouwe Jood in de gemeente niet moeten verachten, en de Jood die meer wetsgetrouw is moet zeggen dat hij de heiden die vrijer leeft, niet moet veroordelen. En dit verschil tussen de Joden en de heidenen in hun culturele smaak, grotendeels — iets wat in hun eigen gedachten soms uitmondt in morele overtuigingen en tot oordelen leidt — is, denk ik, grotendeels waarvoor Paulus deze brief schrijft om het aan te pakken. Hij doet dat in het kader van het presenteren van het Evangelie op de zuiverste manier die hij kent, maar hij doet het met een reden: om het denken van bepaalde mensen die verkeerd denken, bij te stellen. Een van de groepen die verkeerd denkt, is de Joden in de gemeente.
Spanningen in de gemengde gemeente van Rome #
Zoals ik in de inleiding al noemde, waren de Joden in het jaar 49 na Christus door keizer Claudius uit Rome verbannen. Deze brief is ongeveer vijf of zes jaar later geschreven. Claudius was in 54 gestorven, en sommige Joden keerden na de dood van Claudius terug naar Rome uit die verbanning. We kunnen gemakkelijk zien wat voor impact dat gehad moet hebben op de gemeente, want in het jaar 49, toen keizer Claudius alle Joden uit Rome verbande, waren veel christenen Joods. De Joodse christenen moesten dus Rome verlaten, zoals Priscilla en Aquila deden. Zij waren Joodse christenen en moesten Rome verlaten, en Paulus ontmoette hen in Korinthe omdat ze door Claudius waren verbannen — dat staat zo in Handelingen 18:2. De Joodse christenen moesten dus voor ongeveer vier of vijf jaar Rome verlaten. In die tijd was er nog steeds een gemeente in Rome, maar die bestond volledig uit heidenen, omdat de Joden weg waren. Claudius sterft, de Joden komen terug, en ze gaan niet een tweede baptistengemeente verderop in de straat beginnen voor de Joden, met een eerste baptistengemeente voor de heidenen. Er is maar één gemeente. Dus de Joden komen terug in de gemeente, die vier of vijf jaar lang bijna helemaal, zo niet helemaal, uit heidenen had bestaan.
En met hen brengen ze natuurlijk hun culturele jodendom mee: hun voorkeur voor een koosjer dieet en hun afkeer van niet-koosjer voedsel, de aantrekkingskracht die ze voelen voor het houden van de sabbat en voor de feesten, waar de heidenen in de gemeente helemaal geen interesse in hebben. En zo heb je nu een gemeente die niet alleen raciaal maar ook cultureel gemengd is — iets wat vier of vijf jaar lang niet het geval was geweest. En nu heb je opeens deze samensmelting van twee botsende culturen, en we kunnen in de Romeinenbrief aanwijzingen zien dat er wat wrijving was.
Nu, het ene probleem lag bij de heidenen, en het andere bij de Joden. Paulus richt zich eerst tot de Joden. Waarom ook niet? Het is eerst de Jood en ook de Griek, en bovendien is hij zelf een Jood, dus hij kan net zo goed eerst tot zijn eigen volk spreken. Zodra hij hen aan de kaak heeft gesteld — dat kan hij doen omdat hij zelf een Jood is. Niemand kan zeggen dat hij antisemitisch is. Hij kan alle harde dingen zeggen die hij wil tegen de Joden, maar hij is zelf een Jood en een voormalige rabbi, een voormalige Farizeeër. Dus niemand kan zeggen: 'Jij bent een antisemiet.' Dus hij zal de Joden en hun probleem aanpakken. Zodra hij dat gedaan heeft, heeft hij de heidenen aan zijn kant. Dan kan hij zich tot hen wenden en zeggen: 'Nu doen jullie dit verkeerd.' Dus Paulus is heel diplomatiek en heel scherp in zijn aanpak.
Waarom Romeinen 1 over de Joden gaat #
Maar over het algemeen wordt gedacht dat hoofdstuk 1 over de heidenen gaat. Ik ga je voorstellen dat het over de Joden gaat. Nu, het ziet er niet naar uit dat het over de Joden gaat, maar dat is met opzet, zoals we zullen zien. Want wanneer Paulus hoofdstuk 1 afsluit, zegt hij in hoofdstuk 2, vers 1:
Daarom bent u niet te verontschuldigen, o mens, wie u ook bent die anderen oordeelt, want waarin u de ander oordeelt, veroordeelt u uzelf. U immers die anderen oordeelt, doet dezelfde dingen.
Wie zijn nu deze mensen die oordelen? Dat is duidelijk uit vers 17, hoofdstuk 2, vers 17:
Zie, u wordt Jood genoemd. U steunt op de wet en roemt in God,
Zijn publiek in hoofdstuk 2 is duidelijk de Jood. Je noemt jezelf een Jood, je steunt op de wet, je beroemt je op God, je denkt dat je een leraar van onmondigen en van heidenen bent. De Jood is dus degene tot wie in hoofdstuk 2 gesproken wordt. En hij begint hoofdstuk 2 door te zeggen:
Dus, meneer, u hebt geen excuus, want u oordeelt, en u doet zelf dezelfde dingen.
Waar heeft hij het dan over? Wat is er in hoofdstuk 1 gebeurd waardoor hij mag zeggen dat de Jood aan het oordelen is? Hij heeft de Joden in hoofdstuk 1, de verzen 18 tot en met 32, helemaal niet genoemd. Hoe komt de Jood hier dan bij betrokken? Dit is wat je gaat ontdekken: Paulus beschrijft in hoofdstuk 1 een door en door zondig volk. Hoe erg hij het ook maakt, hij noemt niets waarmee hij hen raciaal zou onderscheiden. Hij spreekt over hun afgoderij, hun onzedelijkheid en hun losbandigheid. En natuurlijk gaat de Joodse lezer dan zeggen: man, die heeft die heidenen goed door. Dat is ook mijn mening over hen. Paulus haalt fel uit naar dit zondige volk, maar hij zegt niets waaruit blijkt dat hij het over Joden heeft. Dus de Jood volgt hem de hele weg en zegt: "Zeg Paulus, jij staat toch aan onze kant hierin? Die heidenen zijn precies zoals jij zegt dat ze zijn." Maar dan draait Paulus het om en zegt: "Wacht even, ik heb het over jou. Jij bent degene die dit doet. Jij oordeelt mensen die deze dingen doen. Jij doet die dingen zelf."
Nathan laat David zichzelf veroordelen #
En als je hoofdstuk 1 in dat licht bekijkt, zul je merken dat er door het hele hoofdstuk heen aanwijzingen zijn dat hij het over de Joden heeft, zonder het woord 'Jood' te gebruiken of iets heel expliciets te zeggen, want hij verwijst keer op keer naar dingen uit het Oude Testament. Hij citeert zelfs vrijwel woordelijk zinnen uit het Oude Testament die over de Joden gaan, zoals we nog zullen zien. Wat hij hier doet, is volgens mij vergelijkbaar met wat de profeet Nathan bij David deed. David was ergens schuldig aan, maar hij rechtvaardigde zichzelf op de een of andere manier en was blind voor zijn eigen schuld. Hij had gezondigd met Bathseba, en ook in de zaak van Uria. En Nathan komt naar hem toe, en hij zegt niet zomaar: David, je hebt gezondigd en je moet je bekeren. David had zich misschien wel bekeerd, maar als je met zo'n directe aanpak komt, is het mogelijk dat hij in de verdediging schiet, omdat hij zichzelf al gerechtvaardigd heeft. Dan zegt hij: nou, er zijn verzachtende omstandigheden, of zoiets. Je kunt een man vaak niet objectief over zichzelf laten oordelen als hij zichzelf in zijn eigen gedachten al heeft gerechtvaardigd. Als je hem confronteert, kom je alleen maar te weten hoe hij zichzelf rechtvaardigt, want dat zal hij onder woorden brengen. Maar als je hem aan jouw kant kunt krijgen door hem te laten denken dat je het over iemand anders hebt, dan is hij objectief. Dan gaat hij de zaak objectief beoordelen.
Dus Nathan komt naar David toe en zegt: David, er was een man in onze gemeenschap — een echt arme man — maar hij had één schaapje, en dat was net een huisdier voor het gezin. De kinderen hielden ervan. Het sliep bij hen in bed. Het was als een gezinshond, dat schaapje. En de man aan de overkant was een rijke man; hij had een grote kudde schapen. Maar op een nacht kreeg hij een gast, en hij wilde hem te eten geven, dus ging hij naar de overkant, stal het schaap van zijn buurman, slachtte het en gaf het aan zijn gast te eten.
David had nu jarenlang als herder geleefd en zijn leven op het spel gezet om te voorkomen dat er schapen werden gestolen. Hij was herder; hij trotseerde beren en leeuwen om te voorkomen dat er schapen gestolen werden. Bij dit onderwerp kookt zijn bloed — ophangen is nog te goed voor van die paarden- of schapendieven. Hij is een voormalig herder. Het zit hem in het bloed. En Nathan wist hoe hij dat bij David naar boven kon halen.
Deze man stal een schaap van iemand die er maar één had, terwijl hijzelf er genoeg had. En David gaat natuurlijk een beetje te ver. Hij zegt: die man moet sterven. Volgens de wet zou de man natuurlijk niet sterven. Volgens de wet zou de man vier schapen moeten teruggeven voor dat ene schaap. Maar David is in zijn hart gewoon een herder, en hij reageert deels emotioneel, maar ook deels objectief. Hij ziet dat hier een verschrikkelijke schuld ligt. Hij zegt: die man moet sterven.
En Nathan zei: jij bent die man. Ik beschreef zojuist jou. Jij had genoeg vrouwen, en toch heb je de enige vrouw van je naaste afgenomen. Jij bent schuldiger dan de man die je zojuist veroordeeld hebt. Maar je hebt objectief een oordeel uitgesproken over een misdaad, en jij bent degene die die misdaad begaan heeft. Dus je hebt jezelf veroordeeld met je eigen vonnis, met je eigen uitspraak.
De wijngaard als spiegel voor Israël #
Jezus deed hetzelfde bij de Joden toen Hij vertelde over de eigenaar van de wijngaard, in Mattheüs 21. Aan het einde van Mattheus 21 staat een gelijkenis. Jezus zei dat er een man was die een wijngaard had, er een vruchtbare wijnstok in plantte, er een omheining en een toren bij bouwde, en dat allemaal erin aanbracht. En hij verpachtte hem aan pachters. Het was hun taak om voor de wijngaard te zorgen en hem aan het einde van het oogstjaar een deel van de druiven te geven; dat was de pacht die ze moesten betalen.
Toen het oogsttijd werd, stuurde de eigenaar zijn dienaren naar de pachters en liet vragen: waar is de oogst? En de pachters mishandelden de dienaren en zetten ze de wijngaard uit. Hij stuurde er nog meer. Die behandelden ze op dezelfde manier, en sommigen doodden ze zelfs. Uiteindelijk zei hij: deze keer stuur ik mijn zoon. Dat zullen ze mijn zoon niet aandoen. Maar toen ze de zoon zagen, zeiden ze: dit is de erfgenaam. Laten we hem doden, dan is de erfenis voor ons. En dus doodden ze hem.
En Jezus zei tegen de toehoorders:
Wanneer dan de heer van de wijngaard komen zal, wat zal hij met die landbouwers doen?
En het antwoord van de toehoorders was:
Zij zeiden tegen Hem: Hij zal die kwaaddoeners een kwade dood doen sterven en zal de wijngaard aan andere landbouwers verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen geven.
En Jezus zei, in essentie, jullie zijn die mannen.
Daarom zeg Ik u dat het Koninkrijk van God van u weggenomen zal worden en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan voortbrengt.
Want Israël was Gods wijngaard, bedoeld om vrucht voort te brengen. En Hij zei in Jesaja 5:7 dat de vrucht die Hij zocht, recht en gerechtigheid was. De profeten, Gods dienstknechten, kwamen opnieuw, en Hij zei: Waar is de vrucht? Waar is het recht? Waar is de gerechtigheid? God heeft jullie een wet gegeven. Hij heeft jullie bescherming gegeven. Hij heeft een haag om jullie heen gezet tegen jullie vijanden. En waar is de vrucht die Hij hieruit zou moeten krijgen? En ze mishandelden en doodden de profeten. Hij stuurde er meer, en ze deden hetzelfde. Uiteindelijk stuurde Hij Zijn Zoon naar hen toe, en ze deden hetzelfde met Hem.
Dus dit is Jezus die het verhaal van Israël vertelt, en doet alsof Hij het over iemand anders heeft, zodat het volk van Israël objectief kon zeggen: Die mannen zijn slechte mannen. Ze zouden volledig vernietigd moeten worden, en de wijngaard zou van hen moeten worden afgenomen. En Jezus zei: Ik ben het daar helemaal mee eens. Jullie zijn die man.
En zo heeft Nathan David te grazen genomen. Zo heeft Jezus de Farizeeën te grazen genomen. Zo neemt Paulus hier de Jood te grazen. Hij beschrijft iemand. Hij zegt niet wie het is. Hij wekt de indruk dat hij het misschien over de heidenen heeft, zodat ze niet op hun hoede zijn. Ze volgen zijn redenering, en zeggen ja. En aan het einde zegt hij: Maar dat ben jij. Je hebt hen zojuist veroordeeld, maar ik heb het over jou. Jij doet die dingen. Je hebt jezelf zojuist veroordeeld. Het is een goede manier om iemand tot een objectief oordeel over zichzelf te brengen.
Aanwijzingen voor Israël in Romeinen 1 #
Hier verschil ik dus van de meeste commentatoren: zij geloven bijna allemaal dat Romeinen 1 over de heidenen gaat. Dat dacht de Joodse lezer ook. Maar ik ga je laten zien waar Paulus, van begin tot eind, aanwijzingen gaf dat hij het eigenlijk over de Joden had.
Laten we de hele passage eerst snel doorlezen. Vers 18:
18Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken, 19omdat wat van God gekend kan worden, hun bekend is. God Zelf heeft het hun immers geopenbaard.
Of, zoals sommige vertalingen zeggen, 'among them'.
Dat is een behoorlijk lelijk rijtje zondige mensen, maar over welke mensen gaat het hier eigenlijk? Ik wil dit heel duidelijk maken. Met mijn suggestie dat dit niet over de heidenen gaat, zeg ik niet dat de heidenen niet zo waren. Dit zou in veel opzichten ook een goede beschrijving van de heidenen kunnen zijn, maar niet zo goed als van de Joden, want het begint met te zeggen dat zij God kenden. Wanneer hebben de heidenen God ooit gekend? Toen Paulus bijvoorbeeld in Athene kwam, een van de meest filosofische en religieuze steden in de omgeving, zei hij:
22En Paulus, die midden op de Areopagus stond, zei: Mannen van Athene! Ik merk dat u in alle opzichten zeer godsdienstig bent. 23Want toen ik de stad doorging en uw heiligdommen bekeek, trof ik ook een altaar aan waarop het opschrift stond: AAN EEN ONBEKENDE GOD. Deze dan, Die u dient zonder dat u Hem kent, verkondig ik u.
Jullie kennen God niet. Deze God die jullie onwetend aanbidden, over Hem kom ik jullie vertellen. Ze hadden veel goden, maar de ene God die ze hadden moeten aanbidden, kenden ze niet. Maar Paulus zegt dat de mensen over wie hij het heeft, God wél kenden. Ze kenden God. Hun probleem was niet dat ze het niet wisten, maar, zoals hij zegt:
En omdat het hun niet goeddacht God te erkennen, heeft God hen overgegeven aan verwerpelijk denken, om dingen te doen die niet passen.
Dus wie anders dan de Joden kenden God werkelijk?
God kennen door de schepping #
Nu is het waar dat hij de wet en de openbaring niet noemt. Hij noemt geen enkele bijzondere openbaring. Hij noemt alleen de schepping. Uit de dingen die gemaakt zijn, kun je God kennen. Welnu, de Joden wisten dat ook op die manier. Zij hadden zeker bijzondere openbaring die de heidenen niet hadden. Maar als Paulus de bijzondere openbaring had genoemd, zou dat het spel hebben verraden. Dan zouden ze weten dat hij het over hen had. Maar zowel Joden als heidenen kunnen uit de schepping weten dat er een God is. De Joden wisten dat trouwens ook — David schreef in Psalm 19:
2De hemel vertelt Gods eer, het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen. 3Dag op dag spreekt overvloedig, nacht op nacht geeft kennis door.
De kennis van God is door Zijn schepping bekendgemaakt aan de Joden zowel als aan de heidenen. Het is waar dat de Joden het extra voordeel hadden van bijzondere openbaring. Paulus komt daarop terug in hoofdstuk 3, maar hij noemt het hier niet, omdat dat het zou verraden, denk ik. Dit is wat ik denk.
En hij zegt opnieuw in vers 21:
Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar zij zijn verdwaasd in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd.
Nu staat er in vers 22 dat ze zich voordeden alsof ze wijs waren. In hoofdstuk 2 vertelt hij zijn Joodse lezers dat zij denken wijs te zijn, want in hoofdstuk 2, vers 19, staat er:
En u bent van uzelf overtuigd dat u een gids voor de blinden bent, een licht voor hen die in duisternis zijn,
Ze doen zich duidelijk voor als wijs, en toch zijn ze in hun verwerping van God dwazen. Hij zegt in vers 22:
Terwijl zij zich uitgaven voor wijzen, zijn zij dwaas geworden,
Israël ruilde Gods heerlijkheid voor afgoden #
Maar dan, in vers 23, veranderden zij de heerlijkheid van de onvergankelijke God. Deze uitdrukking wordt in het Oude Testament tweemaal gebruikt over de Joden. Kijk je naar Psalm 106, vers 19, waar het over Israël gaat — hij loopt hier gewoon Israëls geschiedenis langs — hij zegt dat ze een kalf maakten bij Horeb. Dit gaat over het gouden kalf aan de voet van de berg Sinaï. Er staat:
19Zij maakten een kalf bij de Horeb en bogen zich neer voor een gegoten beeld . 20Zij ruilden hun Eer in voor het evenbeeld van een rund, dat gras eet.
Zo veranderde Israël zijn heerlijkheid.
Trouwens, in de Engelse vertaling staat hier het woord 'changed', maar dat is eigenlijk het woord 'exchanged': zij wisselden hun heerlijkheid in. Wat ze deden, is dat ze God, die hun heerlijkheid was — de heerlijkheid van God — inruilden voor afgoden. Dat is werkelijk wat daar bedoeld wordt. In Jeremia 2, in vers 11, zegt God:
Heeft een volk ooit goden ingeruild? — en het zijn niet eens goden! — Toch heeft Mijn volk zijn Eer ingeruild voor wat niet van nut is.
Met andere woorden: voor afgoden. Zij hebben God, die hun heerlijkheid was, ingewisseld. Israël was Gods heerlijkheid. De heerlijkheid van Israël was dat zij Gods volk waren. Zij bezaten God op een bijzondere manier. De heidenen niet. God was niet hun heerlijkheid. Zij hadden hun eigen goden. Maar het is Israël dat de heerlijkheid van de onvergankelijke God veranderde in het beeld van vergankelijke mensen, enzovoort, zoals Paulus zegt in Romeinen 1:23.
Gods toorn: mensen aan zichzelf overlaten #
En dan gebruikt Paulus in de verzen 24, 26 en 28 een uitdrukking: God gaf hen prijs, of gaf hen over. Twee keer zegt hij dat Hij hen prijsgaf, in vers 24 en 26, en in vers 28 gaf Hij hen over. Maar waaraan gaf Hij hen prijs? Om hun eigen gang te gaan. Hij gaf hen prijs om hun eigen begeerten te volgen.
Trouwens, ik wil erop wijzen dat toen Paulus dit gedeelte begon, hij als eerste zei:
Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken,
De toorn van God — hij zei niet 'zal zijn', maar 'is', nu op dit moment. Je kunt de toorn van God zien, geopenbaard vanuit de hemel tegen mensen die de waarheid onderdrukken.
Op welke manier wordt die toorn van God geopenbaard? Ik geloof dat hij ons dat vertelt op het moment dat God hen overgaf. Gods toorn is niet altijd te zien in vuur uit de hemel, maar gewoon daarin dat Hij Zijn handen ervan aftrekt en zegt: 'Ik laat je nu je eigen weg gaan.' Bij Zijn eigen volk grijpt Hij in om hen tegen te houden, zoals een man dat doet bij zijn eigen kinderen. Je ziet je kind richting druk verkeer lopen, en je rent erheen en grijpt in. Als je je kind opgeeft, laat je hem gewoon gaan. Het gemeenste wat je kunt doen, is je kind overgeven om zijn eigen gang te gaan.
En God was Israëls heerlijkheid. Hij was hun bescherming tegen het kwaad, tegen rampspoed, enzovoort, omdat Hij hun wetten gaf. Hij zorgde voor hen, maar zij verwierpen Hem. En dus gaf Hij hen gewoon prijs om hun eigen gang te gaan.
God gaf het ongehoorzame Israël prijs #
En deze uitdrukking dat God hen prijsgaf, vind je op nog een paar andere plaatsen, allebei van toepassing op Israël. In Psalm 81 — ook Psalm 81 vat een deel van Israëls negatieve geschiedenis samen — zegt God in de verzen 11 en 12:
12Maar Mijn volk heeft naar Mijn stem niet geluisterd, Israël is tegenover Mij onwillig geweest. 13Daarom gaf Ik hen over aan hun verharde hart, zodat zij in hun eigen opvattingen voortgingen.
Er staat in de Psalmen specifiek dat God Israël prijsgaf om zijn eigen wegen te gaan. En dat is wat Paulus zegt dat God deed met de mensen die hier ter sprake zijn.
Ook in Handelingen 7, wanneer Stefanus zijn toespraak houdt, die ook de geschiedenis van Israël naloopt, zegt Stefanus in Handelingen 7 vers 42:
En God keerde Zich af en gaf hen over om het hemelleger te dienen, zoals er geschreven is in het boek van de Profeten: Hebt u de veertig jaar in de woestijn ook slachtoffers en offers aan Mij gebracht, huis van Israël?
De Psalmen en Stefanus zeggen dus allebei over Israël dat God hen heeft prijsgegeven. En dat zegt Paulus ook over de mensen die hij beschrijft. God gaf hen prijs. God gaf hen prijs.
Interessant genoeg zegt hij nu, in vers 18, aan het begin hiervan, dat de toorn van God vanuit de hemel geopenbaard wordt. Ik geloof dat het feit dat God hen prijsgeeft, de openbaring van Zijn toorn is. Dat Hij hen laat gaan, is het bewijs dat Hij boos op hen is. Dat Zijn toorn geopenbaard wordt, betekent dat het zichtbaar is; je kunt het zien. Maar Gods toorn is er over hen die de waarheid onderdrukken in hun ongerechtigheid.
Israël onderdrukte de waarheid #
En deze kwestie van het onderdrukken van de waarheid heeft specifiek betrekking op Israël. In 1 Thessalonicenzen hoofdstuk 2, dat Paulus ook al eerder had geschreven, vóór Romeinen, vertelt Paulus aan de Thessalonicenzen, die Grieken waren, dat zij vervolging ondervonden van hun eigen Griekse landgenoten, net zoals de Joodse christenen in Judea vervolging ondervonden van hun Joodse landgenoten. Dat zegt hij in de verzen 14 tot en met 16. Paulus zegt:
Want u, broeders, bent navolgers geworden van de gemeenten van God die in Judea zijn, in Christus Jezus, omdat ook u hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers als zij van de Joden,
Dat wil zeggen: de Joodse gemeenten.
Wanneer hij nu de Joden noemt die ongelovig waren, die de Joodse christenen vervolgden — de anti-christelijke Joden — zegt Paulus het volgende:
15die zowel de Heere Jezus als hun eigen profeten hebben gedood en ons hebben vervolgd. Zij behagen God niet en zijn alle mensen vijandig gezind . 16Zij verhinderen ons tot de heidenen te spreken opdat die zalig zouden worden. Zo maken zij voor altijd de maat van hun zonden vol. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.
Is dat niet het onderdrukken van de waarheid? Paulus probeert de waarheid aan de heidenen te prediken, en de Joden verbieden het. Zij onderdrukken het.
Let op: de toorn is gekomen. Hij heeft het niet over een toekomstige dag van toorn. Zij zijn al de ontvangers van de uiterste toorn, omdat zij de waarheid onderdrukken.
En zo begint Paulus Romeinen 1:18. Hij zegt dat de toorn van God vanuit de hemel geopenbaard wordt. Het is een actuele werkelijkheid die je kunt zien, als je weet waar je moet kijken, gericht tegen hen die de waarheid onderdrukken. En hij beschrijft hen: zij kenden God, zij keerden zich van God af, zij verwisselden Zijn heerlijkheid, God gaf hen prijs. Dit zijn allemaal termen die de Bijbel elders gebruikt over de Joden zelf. Hoewel Paulus niets zegt wat niet in zekere zin ook waar zou kunnen zijn van de heidenen, is het minder waar van de heidenen dan van de Joden, omdat zij God niet kenden. De heidenen kenden God vóór die tijd niet. God gaf hen niet prijs, omdat Hij hen nooit onder Zijn leiding, onder Zijn begeleiding had gehad. Hij gaf Israël prijs.
Israël volgde hetzelfde zondige spoor #
En dan gaat hij verder met te vertellen hoe verdorven en hoe losbandig zij werden. Je hoeft niet veel in het Oude Testament te lezen om te zien dat dat precies klopt. Zelfs de verwijzingen naar homoseksualiteit zijn interessant, want in het boek Richteren staat het verhaal van een man, een Leviet, die een bijvrouw had, en hij trok door een bepaalde stad van de Benjaminieten, een Joodse, Israëlitische stad, en de mannen van de stad omsingelden het huis en wilden de man verkrachten. In plaats daarvan namen ze zijn bijvrouw en verkrachtten haar tot de dood erop volgde. Dit zijn Joden. Dat klinkt als Sodom en Gomorra. Sodom was niet Joods. Sodom was heidens. Maar de Joden deden precies dezelfde dingen, bijna identiek.
Wat zegt Paulus hiermee? Paulus zegt dat hoe donker je het beeld van de zonde van de heidenen ook wilt schilderen, als je het zo wilt zien, de Joden precies hetzelfde spoor hebben gevolgd als de heidenen. Het enige verschil is dat zij het beter wisten. De heidenen wisten het niet — zij waren onwetend. Maar de Joden kenden God en vonden het niet goed om God te blijven erkennen. Zij wilden God, de heerlijkheid van God, verruilen voor afgoden.
Wat ik hier zie, is niet een soort algemene beschrijving van menselijke schuld, maar een specifiek gerichte beschrijving van de geschiedenis van Israël, waarbij zo veel mogelijk de kenmerkende elementen worden vermeden die zouden verraden dat hij het over Israël heeft. Maar als je terugkijkt, zeg je: wacht eens, hij was — want al deze dingen worden over hen gezegd in het Oude Testament, en ook in het Nieuwe Testament.
Daarom kan hij, wanneer hij aan het eind daarvan komt, zeggen: daarom, o mens, die een Jood bent — dat zegt hij in vers 17 van hoofdstuk 2 — jij bent niet te verontschuldigen. Jij bent de man die ik zojuist heb beschreven. Je stond aan mijn kant zolang je dacht dat het over de heidenen ging. Welnu, nu kun je een objectief oordeel vellen. Je bent het ermee eens dat deze mensen de dood verdienen. Welnu, jij bent hen. Je hebt jezelf veroordeeld, want jij doet precies dezelfde dingen.
Trouwens, nog iets dat ik in dit verband wil aanwijzen, wat naar de Joden wijst, is dat hij in vers 32, 1:32, zegt:
Zij kennen het recht van God, namelijk dat zij die zulke dingen doen de dood verdienen, en toch doen zij niet alleen zelf deze dingen, maar stemmen ook van harte in met hen die ze doen.
Wie kende nu de rechtvaardige oordelen van God? De rechtvaardige oordelen van God waren eigenlijk Zijn wet. In Psalm 119 is de uitdrukking 'Uw rechtvaardige oordelen' behoorlijk vaak een synoniem voor 'Uw wet', 'Uw geboden', 'Uw inzettingen'. Psalm 119 noemt Gods wet steeds opnieuw 'Uw rechtvaardige oordelen'. De Joden kenden de rechtvaardige oordelen van God, in de wet, in de inzettingen. Maar hoewel ze de rechtvaardige oordelen van God kenden — niet alleen dát deze dingen slecht waren, maar ze kenden zelfs de straf die God had voorgeschreven, dat ze de dood verdienden — maar zie je, de mensen die hij hier beschrijft, zijn geen heidenen. In veel opzichten loopt hun geschiedenis parallel aan de geschiedenis van de heidenen, maar met meer schuld dan de heidenen zelf ooit hadden.
Besnijdenis en Joodse groepsTrots #
Ik wil je nu heel even meenemen naar Romeinen 3. Daar komen we apart op terug, in een andere lezing, maar het hoort nog bij dezelfde bespreking. Ik denk dat Paulus in deze hoofdstukken — de eerste vier hoofdstukken van Romeinen, denk ik — probeert de raciale, elitaire trots van de Joden te ontkrachten. Want zij voelden zich beter, niet omdat ze beter waren, maar omdat ze besneden waren. En dat brengt hij dan ook flink vaak ter sprake. Kijk maar naar wat hij later, in hoofdstuk 2, zegt:
Wat doet de besnijdenis ertoe als je de wet niet houdt? Zelfs een onbesneden man zal als besneden worden beschouwd als hij de wet houdt.
Maar het gaat om de Joodse mentaliteit, waar wij ons nauwelijks iets bij kunnen voorstellen. Je zou kunnen denken: nou, de Joden waren beter dan de heidenen omdat ze die mooie wetten hadden, de Tien Geboden. Dat waren niet de wetten waar ze op roemden. Ze roemden niet op de Tien Geboden. De meeste heidenen hadden diezelfde wetten, de meeste van hen. Moord, overspel, diefstal — dat was in de meeste samenlevingen verboden, ook bij de heidenen. Wat de Joden onderscheidde, waren niet de morele geboden. De wetten van Hammurabi in Babylon bevatten dezelfde morele geboden. Wat de Joden onderscheidend hadden, was de besnijdenis. Dat was het teken van hun verbond met God. En zolang ze besneden waren, dacht men, maakte dat hen anders. Je kon een goede Jood zijn of een slechte Jood, maar als je besneden was, hoorde je bij Gods volk. Een goede of een slechte heiden bleef een slechterik, omdat hij niet besneden was.
Voor de Joden was besnijdenis de definitie zelf van het erbij horen in Israël. Daarom werden zij de besnijdenis genoemd. En de heidenen werden de onbesnedenen genoemd. Zo noemden ze dat. Denk aan het moment waarop Paulus tot de heidenen spreekt en zegt:
Jullie die onbesnedenen werden genoemd door hen die zichzelf besnedenen noemen.
Dat staat in Efeze 2. De Joden noemden zichzelf de besnedenen — wij zijn de besnedenen. En daarom moet Paulus hen aan het einde van hoofdstuk 2 terechtwijzen:
Het gaat niet om uiterlijke besnijdenis, in het vlees; het gaat om besnijdenis van het hart. Niet wie het uiterlijk is, is een Jood, maar wie het innerlijk is.
Het punt dat Paulus door dit hele gedeelte heen maakt, is dit: jullie Joden roemen op iets waarvan jullie denken dat het jullie als groep superieur maakt aan de heidenen, omdat jullie als groep besneden zijn en zij als groep niet. Maar kijk — als het aankomt op werkelijk moreel gedrag, zijn de Joden als groep niet bepaald een verbetering ten opzichte van de heidenen als groep. Alles wat de heidenen hebben gedaan dat verachtelijk is, hebben de Joden ook gedaan, en dat betekent dat het een waanidee is als jullie denken dat je superieur bent aan andere mensen die niet besneden zijn. En dat is waar hij doorheen gaat, van hoofdstuk 1 tot en met 4.
Wel voorrechten, maar niet beter #
Maar in hoofdstuk 3 — waar we nu even naartoe springen, we komen er over een paar lezingen op terug — begint hij hoofdstuk 3 met de vraag:
Wat heeft de Jood dan voor op anderen ? Of wat is het voordeel van het besneden zijn?
Hij heeft net aan het einde van hoofdstuk 2 gezegd dat het niet uitmaakt of je uiterlijk een Jood bent; het gaat om innerlijk Jood zijn. Het maakt niet uit of je uiterlijk besneden bent; het gaat om innerlijk besneden zijn. Je zou verwachten dat hij, als hij vraagt wat voor voordeel de Jood heeft, gaat zeggen: geen — kom van je hoge paard af, je hebt geen enkel voordeel als Jood. Maar hij zegt het tegenovergestelde:
Veel, in alle opzichten. Want in de eerste plaats zijn hun de woorden van God toevertrouwd.
Wat dan wel? Nou:
vooral dit: jullie hebben de woorden van God gekregen De Schriften zijn aan jullie, Joden, gegeven. Dat is dus wél een voordeel.
Maar wat is dat voordeel dan precies? Nou, er is wel degelijk een voordeel. God heeft jullie voorrechten gegeven die niemand anders had, vooral de Schriften. Maar dan zegt hij in vers 9:
Wat dan wel ? Zijn wij voortreffelijker? Beslist niet! Wij hebben immers zojuist én Joden én Grieken beschuldigd dat zij allen onder de zonde zijn,
Oké, wij Joden, wij hebben een voordeel dat zij niet hebben. Wij hebben de woorden van God. Ja, er is een voordeel omdat wij Joden zijn, maar zijn we beter dan zij? Hij zegt: niet echt.
En dan somt hij zes Schriftplaatsen uit het Oude Testament op die gaan over hoe goddeloos mensen zijn. Maar toevallig gaat elke Schriftplaats die hij noemt, in zijn context, over goddeloze Joden. Het zijn geen beschrijvingen van de heidenen. En de reden dat hij deze Schriftplaatsen opsomt, is dat hij net de vraag heeft gesteld: zijn wij Joden beter dan de andere mensen? Het antwoord is nee, zoals geschreven staat. Bam, bam, bam — hij raakt ze steeds opnieuw, steeds opnieuw met deze Schriftplaatsen. Wat bewijzen ze? Dat wij Joden niet beter zijn dan de heidenen. Deze Schriftplaatsen beschrijven Joodse mensen, en laten zien dat zij, in het algemeen, moreel niet superieur zijn aan wie dan ook.
De wet klaagt Israël zelf aan #
En nadat hij al die Schriftplaatsen heeft aangehaald, staat er in vers 19, hoofdstuk 3:19:
Wij weten nu dat alles wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat elke mond gestopt wordt en de hele wereld doemwaardig wordt voor God.
— en met "de wet" bedoelt hij de Schriftplaatsen die hij zojuist heeft aangehaald; eigenlijk gebruikt hij het woord "wet" voor het hele Oude Testament —
Wie zijn dat? De Joden. Zie je, hij heeft een hele reeks Schriftplaatsen aangehaald over de goddeloosheid van bepaalde mensen. Hij zegt: nu, dit staat in jullie wet, aan jullie geschreven. Wat de wet ook zegt, het is geschreven aan jullie die onder de wet zijn. Dit gaat over jullie.
De hele lijst van Schriftplaatsen is geen poging van Paulus om calvinisten een bewijstekst te geven voor de totale verdorvenheid — verre van dat. Hij probeert simpelweg te bewijzen dat de Joden net zo slecht zijn als ieder ander. En hoewel sommige van de Schriftplaatsen die hij aanhaalt hyperbolen gebruiken — bijvoorbeeld:
Er is niemand die God zoekt.
Nou, David is daar een uitzondering op, en David is degene die dat geschreven heeft, in Psalm 14.
Nou, is David dan geen zoeker van God? Hij kan dat niet absoluut bedoelen. Verderop in diezelfde psalm zegt hij:
God is bij het geslacht van de rechtvaardigen.
Maar hij heeft net in de openingsverzen gezegd dat er niemand rechtvaardig is. Het is dus duidelijk dat wanneer David zegt:
Er is niemand rechtvaardig, er is niemand die goeddoet, er is niemand die God zoekt.
dit gedichten zijn. Het zijn diatribes. Het zijn hyperbolen die zeggen dat de wereld gek geworden is. Er is niemand meer die het goed doet. Dit zijn profetische aanklachten. Het zijn geen theologische uitspraken op zich. Theologen willen altijd bewijsteksten voor een leerstelling. David geeft geen bewijsteksten. Hij zegt in wezen: ik kan niet geloven dat mijn volk zo ver afgedwaald is. Er is niemand die het goede doet. Iedereen gaat de verkeerde kant op.
En dat is wat al deze passages zijn — vijf ervan komen eigenlijk uit de Psalmen, één uit Jesaja, maar ze hebben allemaal dezelfde functie. Ze zijn profetisch. Ze zijn niet bedoeld voor theologische studieboeken. Ze zijn bedoeld als profetische uitroepen tegen het volk Israël. En hoewel het natuurlijk waar is dat bijna al deze dingen ook op de heidenen van toepassing zouden zijn, is dat niet het punt. Het punt dat Paulus maakt, is dat deze dingen wel degelijk op Israël van toepassing zijn, omdat het net zo goed van hen waar is als van de heidenen. Laten we ons geen zorgen maken over de heidenen. Iedereen weet dat zij slecht zijn. Je hoeft geen zaak op te bouwen om te bewijzen dat de heidenen afgodendienaars zijn. Dat zijn ze allemaal, behalve de christelijke onder hen. Je hoeft geen zaak op te bouwen om te bewijzen dat de heidenen immoreel zijn. Ze zijn allemaal immoreel, behalve de christelijke onder hen. Paulus probeert niet de schuld van de heidenen te bewijzen. Dat staat al vast. Hij pleit voor gelijke schuld bij de Joden, en daarom is zijn hele betoog in de eerste vier hoofdstukken gericht tegen de Jood die denkt dat hij beter is dan de heidenen, alleen omdat hij deel uitmaakt van deze besneden groep die God voor Zichzelf apart gezet heeft.
Ja, je had wel voordelen, maar je bent er niet beter van geworden. Heeft de Jood voordelen? Ja, veel voordelen. Zijn we daarom beter? Niet echt. En dat is zijn betoog.
Geen bewijs voor totale verdorvenheid #
Nu, nogmaals, hoe verschilt dit van — ik zei dat ik op een aantal punten verschil van hoe velen hier tegenaan kijken. Ik zie Paulus niet als iemand die gewoon een theologisch bewijsboek probeert te maken om universele verdorvenheid te bewijzen, en al helemaal geen totale verdorvenheid. Deze verzen bewijzen eigenlijk geen totale verdorvenheid. Ten eerste, als er al iets is, dan zegt Paulus dat deze dingen op de Joden van toepassing zijn. Als ze dus al iets van totale verdorvenheid zouden leren, dan zou dat alleen de totale verdorvenheid van de Joden bewijzen. Voor de heidenen zouden we het dan op een andere manier moeten uitzoeken. Maar zelfs de verzen die klinken als totale verdorvenheid —
— zijn hyperbool, omdat David, die dit zegt, er zelf een uitzondering op was, en er waren anderen die hij kende. De Bijbel spreekt over veel mensen die God zoeken. Als je een concordantie pakt en het woord "zoeken" opzoekt, zul je zien hoeveel tientallen teksten er spreken over mensen die God zoeken.
Dus om te zeggen dat er niemand is die God zoekt — ik zal je vertellen wat de calvinist hierover zegt: nou, de uitverkorenen zoeken God, maar hier gaat het over de niet-uitverkorenen. Nee, het gaat niet over de niet-uitverkorenen. Het begint zo:
kijkt God vanuit de hemel of er onder de mensen iemand is die goeddoet Het gaat niet over de niet-uitverkorenen; het gaat over het menselijk geslacht. Hij maakt geen onderscheid tussen uitverkoren en niet-uitverkoren. Hij hekelt gewoonweg het menselijk geslacht, vooral het deel daarvan dat David kon zien, namelijk de Israëlieten om hem heen — God ziet hier niets wat Hij fijn vindt. Nou, er zouden uitzonderingen zijn. Hij hield van David, Hij hield van sommige andere mensen, maar over het geheel genomen is het beeld somber. En zoals dichters vaak doen — de Psalmen zijn allemaal poëzie, en de profeten ook — overdrijven ze een beetje om indruk te maken.
Maar het doel van Paulus met het aanhalen hiervan is niet om een zaak op te bouwen voor een totale verdorvenheid waarbij er niet één mens op aarde is die God zoekt, maar om te laten zien dat er geen volk is dat God zoekt. De Joden dachten dat zij het volk waren dat God zoekt. Zeker, sommigen van de Joden onder hen deden dat niet, en sommige heidenen deden dat juist wel. Cornelius zocht God zeker. Hij was geen christen; hij was een heiden. Maar zeker, sommige mensen zoeken God, zowel Joden als heidenen. Maar er is geen volk dat als geheel beter is dan andere volken omdat het als volk God zoekt. Nee. Je kunt veel Schriftplaatsen vinden in het Oude Testament over Israël die laten zien dat zij dat niet doen. En dat is het punt van Paulus.
Dus ik denk dat wanneer we naar Romeinen kijken vanuit de gedachte: we hebben een leerstelling die we willen bewijzen — o, hier, dit vers klinkt precies goed, o, dat is een mooie, die gaat mijn punt bewijzen — dan klinkt het misschien alsof het jouw punt bewijst, maar het is misschien niet iets waarvan Paulus zou vinden dat het jouw punt bewijst. Hij bewijst misschien een heel ander punt. Hij is ergens naartoe op weg in zijn betoog. Hij bouwt een argument op, en wij moeten bepalen wat zijn argument is, in plaats van te zeggen wat wij willen dat het argument is.
De misvatting van Joodse superioriteit #
Wat hij duidelijk wil maken, is dat hij de houding van de zelfingenomen, zelfrechtvaardige, superieure Jood heel goed kent. En hoewel de meeste Joden die wij kennen die houding misschien niet hebben, kan dat komen doordat zij in een beschaafde, verchristelijkte samenleving leven. De meeste Joden kunnen waarschijnlijk niet volhouden dat ze beter zijn dan de meeste heidenen, omdat de meeste heidenen die zij kennen ook een behoorlijk fatsoenlijk leven leiden. Maar in een heidense wereld, waar de heidenen met prostituees sliepen in de tempels van hun valse goden en godinnen, waar zij hun ongewenste zuigelingen te vondeling legden en doodden, waar zij zichzelf vermaakten met gladiatorengevechten — dan hoeft er niet veel voor nodig te zijn om te kijken en te zeggen: 'Wij Joden zijn beter dan die mensen,' want hoe konden ze zich niet beter voelen? De Joden keurden die verschrikkelijke dingen niet goed, maar de heidenen leken dat wel te doen.
Maar het zou een vergissing zijn — en het was ook een vergissing die zij maakten — om te denken dat wij, omdat we sommige van deze heidense praktijken afkeuren, een beter volk zijn, en dat we een beter volk zijn omdat wij besneden zijn en Joden zijn en zij niet. Dat zou betekenen dat je voorbijgaat aan het feit dat sommige Joden God niet zoeken, en sommige heidenen wel. We doen hier geen uitspraak over ieder afzonderlijk mens. We hebben het hier over categorieën. Je denkt niet dat Joden beter zijn omdat werkelijk iedere Jood beter is, want je weet dat sommigen van hen dat niet zijn. Er zijn Judassen. Er zijn ook oneerlijke Joden. Dat wisten ze. Ze ontkenden niet dat er slechte Joden waren. Wat ze ontkenden, was dat dat er werkelijk toe deed. Zolang ze besneden waren, hoorden ze bij het goede volk, en dat gaf hun een bijzondere status. Het is voor ons moeilijk om ons daar iets bij voor te stellen, maar zo dacht de Jood erover. De besnijdenis maakte het hele verschil.
God oordeelt zonder aanzien van ras #
En daarom moet Paulus twee keer — in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 4 — op de kwestie van de besnijdenis ingaan. Hij zegt dat Abraham voor rechtvaardig werd gehouden toen hij nog onbesneden was.
Want de besnijdenis heeft wel nut als u de wet houdt, maar als u een overtreder van de wet bent, is uw besneden zijn tot onbesneden zijn geworden.
Paulus moet stevig ingaan tegen deze kwestie van de besnijdenis, want die zit al eeuwenlang in het hoofd van iedere Jood: wij zijn besneden, dat is het teken van ons verbond met God, wij zijn een beter volk, wij zijn een beter ras, God houdt van ons omdat wij dit teken op onze huid hebben. En Paulus zegt: kom nou, God gaat het om gerechtigheid, niet om het snijden in je huid.
Sterker nog, als je kijkt naar hoofdstuk 2, waar hij spreekt tot deze Joodse, oordelende mensen — ik ga hoofdstuk 2 nu nog niet echt behandelen, dat komt in een latere lezing — maar ik wil hier even vooruitspringen en hiernaar kijken. Hij zegt in vers 6 dat God ieder zal vergelden naar zijn werken:
Die ieder vergelden zal naar zijn werken,
Je zou misschien denken dat God, door te zeggen 'the Jew first', partijdig is ten gunste van de Joden. Wel, dat is nou precies wat Hij zegt dat Hij niet doet. Ja, de Jood had de eerste keus, maar de Griek hoort er net zo goed bij als de Jood. Doe je kwaad, dan word je gestraft door God, of je nu Jood bent of Griek. Zeker, God heeft de Joden eerst geoordeeld — in het jaar 70 na Christus kwam hun samenleving onder verwoesting terecht. De heidense samenlevingen zullen ook hun beurt krijgen.
En als het gaat om gerechtigheid, kregen de Joden hun kans als eerste. Jezus kwam naar hen toe. Aan het begin van Zijn bediening zei Hij:
Hij antwoordde en zei: Ik ben alleen maar gezonden naar de verloren schapen van het huis van Israël.
Hij ging niet naar de heidenen. De gerechtigheid en de goddeloosheid worden bij individuen in overweging genomen, ongeacht hun ras. En dat is wat de Joden niet wisten, of waar ze niet over wilden nadenken. En dat is wat Paulus probeert duidelijk te maken.
Zowel de Jood als de heiden, als zij zoeken naar heerlijkheid, onsterfelijkheid en gerechtigheid, zullen gezegend worden, Jood of heiden. Ga je de verkeerde kant op, dan zul je daaronder lijden, Jood of heiden. Er is geen partijdigheid. En dat is het wezenlijke punt dat de Jood nooit begrepen heeft: dat God geen partijdigheid toont jegens jou omdat je Joods bent of jezelf besneden hebt. God gaat ieder mens beoordelen op zijn verdiensten, niet op zijn ras.
Dat is eigenlijk de boodschap, en daar werkt hij naartoe in hoofdstuk 1. We gaan hoofdstuk 2 en 3 straks apart in meer detail bekijken, maar we moeten begrijpen dat hoofdstuk 1 op deze boodschap uitloopt: Joden zijn niet beter dan heidenen. God vertoont geen partijdigheid jegens jou alleen omdat je Joods bent. Jij moet net zo goed zijn als een heiden moet zijn. Jij moet een gelovige zijn, net zoals een heiden een gelovige moet zijn. Je kunt niet gewoon zeggen: "Ik ben besneden en dat is goed genoeg." Dat is het niet. Zelfs niet een klein beetje.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Romans 1 (Part 3). Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/romeinen/1-18-32
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/romeinen/1-18-32.pdf
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Romeinen - Lezing 06 - 1.18-32.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/romeinen/1-18-32.mp3
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Romeinen - Lezing 06 - 1.18-32.mp3
Romeinen
Alle lezingen over Romeinen. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Intro deel 1 Spanning tussen Joodse en heidense christenen in Rome
- 2 Intro deel 2 Achtergrond en reisplannen van Paulus voor Romeinen
- 3 Intro deel 3 De indeling van Romeinen: een alternatief
- 4 1:1-15 Paulus: dienaar en apostel van Christus
- 5 1:8-17 Paulus dankt God voor het geloof van de Romeinen
- 6 1:18-32 De zonden van de Joden, niet de heidenen
- 7 2:1-10 De Jood die oordeelt, veroordeelt zichzelf
- 8 2:11-2:29 Wet horen is niet genoeg: besnijdenis van het hart
- 9 3:1-20 Joden zijn niet beter dan heidenen
- 10 3:21-26 God rechtvaardigt door geloof in Christus
- 11 3:27-4:25 Abraham gerechtvaardigd door geloof
- 12 5:1-11 Vrede met God door geloof in Christus
- 13 5:12-5:21 deel 1 Adam brengt de dood, Christus het leven
- 14 5:12-5:21 deel 2 Adam bracht de dood, Christus het leven
- 15 6:1-14 Met Christus gestorven, niet meer zondeslaaf
- 16 6:15-23 Van slaaf van de zonde naar slaaf van God
- 17 7:1-12 Vrij van de wet, verbonden met Christus
- 18 7:13-25 Paulus' strijd met de zonde in zijn vlees
- 19 8:1-14 Door de Geest wandelen en zonde overwinnen
- 20 8:15-39 Gods kinderen, geleid door de Geest
- 21 9:1-13 Niet iedereen uit Israël is echt Israël
- 22 9:14-24 God vormt Joden en heidenen voor ontferming
- 23 9:25-10:21 Jood en heiden gered door geloof in Christus
- 24 11 Heel Israël behouden door geloof in Christus
- 25 12:1-8 Een levend offer en een vernieuwd denken
- 26 12:9-21 Kwaad overwinnen zonder wraak te nemen
- 27 13 Overheid heeft gezag binnen Gods grenzen
- 28 14 Elkaar aanvaarden bij eten en heilige dagen
- 29 15-16 Elkaar aanvaarden, reisplannen en groeten
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/romeinen/1-18-32.srt
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Romeinen - Lezing 06 - 1.18-32.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/romeinen/1-18-32.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Romeinen 1:16-17
- Habakuk 2:4
- Romeinen 2:1
- Romeinen 2:17
- Mattheüs 21:40
- Mattheüs 21:41
- Mattheüs 21:43
- Romeinen 1:18-19
- Handelingen 17:22-23
- Romeinen 1:28
- Psalmen 19:2-3
- Romeinen 1:21
- Romeinen 2:19
- Romeinen 1:22
- Psalmen 106:19-20
- Jeremia 2:11
- Romeinen 1:18
- Psalmen 81:12-13
- Handelingen 7:42
- 1 Thessalonicenzen 2:14
- 1 Thessalonicenzen 2:15-16
- Romeinen 1:32
- Romeinen 2:25-26
- Efeze 2:11
- Romeinen 2:28-29
- Romeinen 3:1
- Romeinen 3:2
- Romeinen 3:9
- Romeinen 3:19
- Psalmen 14:2-3
- Psalmen 14:5
- Psalmen 14:1-3
- Romeinen 2:25
- Romeinen 2:6
- Mattheüs 15:24