Romeinen 12:9-21

Kwaad overwinnen zonder wraak te nemen

1 uur 13 min · Lezing 26 van 29 ·

Van geestelijke gaven naar praktisch leven
Lees de tekst

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/romeinen/12-9-21.pdf. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/romeinen/12-9-21.

Samenvatting

Oprechte liefde blijkt uit goeddoen, dienen en het kwaad overwinnen zonder wraak te nemen.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt Paulus’ praktische aansporingen als uitwerking van een vernieuwd denken en een leven dat aan God is toegewijd. Hij legt uit dat oprechte liefde het kwaad haat, het goede vasthoudt, anderen voorrang geeft en zich uit in ijver, volharding, gebed, vrijgevigheid en gastvrijheid. Ook benadrukt hij het belang van meeleven met anderen, omgaan met nederige mensen en waar mogelijk vrede houden met iedereen. Ten slotte betoogt hij dat christenen hun vijanden moeten zegenen en goeddoen, de wraak aan God moeten overlaten en zo het kwaad door het goede moeten overwinnen.

Van geestelijke gaven naar praktisch leven

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Romeinen 12, vers 9 tot en met vers 21.

We hervatten onze behandeling van Romeinen hoofdstuk 12 en gaan verder bij vers 9. Wat eraan voorafging in de verzen 1 tot en met 8 is zo rijk, dat iedere Bijbelleraar die zijn vak verstaat verscheidene bijeenkomsten zou willen besteden aan het verder uitwerken van de gaven van de Heilige Geest. Daarvoor hebben we veel andere kruisverwijzingen. Er komen daar zeker veel vragen over op, en die kunnen worden beantwoord. Ik heb volledige lezingen over deze passages. In mijn serie Charisma and Character staan bijvoorbeeld veel lezingen over de gaven van de Geest, waarin juist deze dingen die Paulus opsomt uitvoerig worden behandeld.

Bij een behandeling waarin we Romeinen doorlopen, kunnen we echter niet te lang bij ieder onderwerp blijven stilstaan. Dat geldt vooral voor dit soort onderwerpen, waarbij er heel veel Bijbels materiaal te bespreken is. Als we onbeperkt de tijd hadden, zouden we dat kunnen doen, maar die hebben we niet. Dus gaan we verder. We merken alleen op dat Paulus zei dat we moeten beseffen dat we deel uitmaken van een lichaam. Afzonderlijk vormen wij niet het hele lichaam. Het is niet zo dat we op onszelf werkelijk zo belangrijk zijn. We leveren allemaal wel een belangrijke bijdrage, maar het is een bijdrage aan een groter geheel. Dat is het lichaam van Christus. Het gaat niet om mijn identiteit. Het gaat er niet om dat ik aandacht krijg of dat ik de eer krijg. Het gaat erom dat ik een bijdrage lever.

God heeft mij een gave gegeven om bij te dragen aan het welzijn van het lichaam als geheel, en dat behoort mijn manier van denken te zijn. Ik behoor veranderd te worden door de vernieuwing van mijn denken. Een van de dingen die vernieuwd moeten worden, is mijn radicale individualisme, waardoor ik denk dat het eigenlijk vrijwel helemaal om mij draait. Die manier van denken moet ik veranderen. Ik moet beginnen te beseffen dat andere mensen precies even belangrijk zijn als ik, en dat het lichaam van Christus als geheel voorrang moet hebben boven mijzelf.

En zo spreekt hij over elk van de gaven. Als Bijbelleraar is het zo verleidelijk om naar die gaven te kijken en te zeggen: ‘Ik wil over die gave spreken. Ik wil daar meer over zeggen.’ Maar dat heb ik op andere plaatsen gedaan, en als je daar behoefte aan hebt, kun je die lezingen op de website vinden. We zullen verder moeten gaan.

Ik zei in onze vorige lezing dat Paulus in hoofdstuk 12 werkelijk heel veel preekstof samenperst. Als iemand tien of twaalf preken uit dit hoofdstuk zou houden, zou hij de stof nog niet uitputten. Er worden zoveel verschillende onderwerpen aangestipt. We hebben er al enkele genoemd. Zeker:

Ik roep u er dan toe op, broeders, door de ontfermingen van God, om uw lichamen aan God te wijden als een levend offer, heilig en voor God welbehaaglijk: dat is uw redelijke godsdienst.

Romeinen 12:1

Dat is een geweldige tekst voor een hele preek. Of:

En word niet aan deze wereld gelijkvormig, maar word veranderd door de vernieuwing van uw gezindheid om te kunnen onderscheiden wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is.

Romeinen 12:2

Dat is een tekst voor een hele preek.

Want door de genade die mij gegeven is, zeg ik ieder onder u niet hoger te denken dan hij moet denken, maar laat hij denken in bescheidenheid, naar de mate van geloof zoals God die aan ieder heeft toebedeeld.

Romeinen 12:3

Dat is een tekst voor een hele preek. De verwijzing naar de gaven in de verzen 4 tot en met 8 biedt zeker stof voor een hele serie.

Je ziet dus dat hier heel veel is samengeperst. Ik denk opnieuw dat dit komt doordat Paulus gewend is om in zijn brieven evenveel ruimte te besteden aan praktisch onderwijs als aan theologisch onderwijs. Maar hij heeft in de eerste elf hoofdstukken al zoveel van zijn perkament gebruikt voor het theologische onderwijs, dat hij nog maar een klein gedeelte over heeft. Hij moet alles daarin proppen, in korte aansporingen, in plaats van die verder uit te werken.

Er komen hier dus veel onderwerpen aan bod, maar die houden natuurlijk allemaal verband met onze reactie op Gods barmhartigheden. Hij zei in vers 1:

Daarom smeek ik jullie, vanwege Gods barmhartigheid, om dit te doen: stel je lichaam ter beschikking en verander je denken. Je verstandelijke en lichamelijke activiteiten moeten dus anders worden. Op welke manieren? Hier volgt een aantal manieren:

9Laat de liefde ongeveinsd zijn. Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede. 10Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde. Ga elkaar voor in eerbetoon. 11Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heere. 12Verblijd u in de hoop. Wees geduldig in de verdrukking. Volhard in het gebed. 13Wees deelgenoot in de noden van de heiligen. Leg u toe op de gastvrijheid.

Romeinen 12:9-13

Alleen daar al heb je genoeg voor een hele prekenserie van verscheidene maanden. Elk van die zinsneden spreekt over een afzonderlijke plicht, en niet over een kleine, maar over een veelomvattende plicht die uitgebreid kan worden behandeld. Het is heel goed mogelijk dat de eerste regel van vers 9 gezien moet worden als een overkoepelende plicht die door alle andere verder wordt uitgewerkt:

Oprechte liefde haat wat mensen schaadt

Heb oprecht lief.

Het betekent eenvoudig: ‘Heb oprecht lief.’ Omdat de hele plicht van de christen uit liefde bestaat, zou dit de paraplu kunnen zijn waaronder al deze andere plichten hangen.

Wat zou het betekenen om zonder huichelarij lief te hebben? Het betekent niet dat je het kwaad liefhebt. Het betekent dat je het kwaad haat. Hoe kun je liefhebben en het kwaad haten? Hoe kun je een liefdevol mens zijn en het kwaad haten? Je haat het kwaad omdat de mensen die je liefhebt er schade door lijden. Het kwaad is als kanker in het menselijk ras. Het kwaad vernietigt mensen. Het vernietigt gezinnen. Het vernietigt relaties. Het vernietigt kinderen. Het vernietigt huwelijken. Het kwaad vernietigt.

Als je mensen liefhebt, zul je haten wat hen vernietigt, net zoals je kanker haat in iemand om wie je geeft. Je zou alles doen om die kanker weg te krijgen. Je verafschuwt die. Je kunt geen liefdevol mens zijn en onverschillig staan tegenover het kwaad, tenzij je eenvoudigweg niet nadenkt. Misschien denk je niet na over de schade die het kwaad aanricht. Misschien zeg je: ‘Niemand is volmaakt. Ik kan hier of daar wel een beetje kwaad verdragen.’ Het probleem is dat het kwaad als kanker is. Het verspreidt zich. Het is als melaatsheid. Het neemt steeds meer over. Zo is het ook met een klein beetje zuurdeeg: het doortrekt de hele deegklomp, zoals Paulus in 1 Korinthe 5 zei. Je moet het dus haten. Als je een rat in huis ziet en je hebt een baby in huis, dan moet je die rat weg zien te krijgen. Als je dat niet snel doet, zullen er nog veel meer achteraan komen. Of kakkerlakken, of wat dan ook — afschuwelijke beesten — je beseft dat hun aantal niet gewoon gelijk blijft. Als ze niet worden aangepakt, nemen ze in aantal toe en nemen ze alles over. Zo is het ook met het kwaad. Je moet ervan walgen, het verafschuwen en het niet tolereren. Neem krachtig stelling tegen het kwaad.

Als je dat doet, zul je er natuurlijk vaak van beschuldigd worden dat je liefdeloos bent. Want zodra je je tegen het kwaad begint uit te spreken, vereenzelvigen veel slechte mensen zich zozeer met hun gedrag dat ze kritiek op dat gedrag opvatten als een persoonlijke aanval op henzelf. Dat geldt zelfs voor mensen die niet zo slecht zijn, maar die niettemin met slechte dingen spelen en compromissen sluiten met slechte dingen.

Als je mij op een leugen betrapte en zei: ‘Steve, dat was een leugen. Dat is niet goed,’ zou ik niet zeggen dat je mij haat. Ik zou denken: ‘Ja, ik geloof dat ik inderdaad een leugen heb verteld. Dat moet ik niet doen,’ want ik vereenzelvig mezelf niet met het feit dat ik een leugenaar ben. Ik ben niet volmaakt. Dus wanneer ik ontdek dat ik niet volmaakt ben, moet ik me bekeren en proberen het beter te doen. Maar sommige mensen zijn zo verknocht aan hun zonden dat het lijkt alsof je hen aanvalt wanneer je de zonde bekritiseert. Je kunt niet laten blijken dat je haat wat hen vernietigt, zonder dat men denkt dat je henzelf haat.

Hier moet het denken vernieuwd worden, want wij zouden allemaal het gevaar lopen in deze dwaling te vervallen. Wanneer je prostitutie bekritiseert, denken mensen dat je prostituees haat. Wanneer je homoseksualiteit bekritiseert, denken mensen dat je homoseksuelen haat. Wanneer je gokken bekritiseert, denken mensen dat je gokkers haat. Er zijn gedragingen die mensen zullen vernietigen als ze niet worden beteugeld. Je moet van die gedragingen walgen. Je moet die gedragingen haten.

De Bijbel zegt in Spreuken 8:

De vreze des HEEREN is het kwade te haten; hoogmoed, trots en de verkeerde weg en een mond vol verderfelijke dingen haat Ik.

Spreuken 8:13

Als je God vreest, zul je het kwaad haten. Maar dat komt alleen doordat je van de slachtoffers van het kwaad houdt. Je haat misdaad omdat er slachtoffers van misdaad zijn. Je haat de slachtoffers niet, en je hoeft zelfs de mensen die de misdaad plegen niet per se te haten, want vaak zijn zij ook slaven van het kwaad. Het kwaad is het probleem. Veel mensen raken zo doordrenkt van het kwaad en vereenzelvigen zich er zozeer mee, dat je het kwaad nauwelijks kunt bekritiseren zonder dat dit wordt opgevat als kritiek op hen of als haat jegens hen.

Zondaars liefhebben en de zonde haten

Niettemin moeten we in ons eigen denken kunnen doen wat Jezus deed. Jezus ging om met mensen die walgelijke dingen deden. Daar werd Hij om bekritiseerd, alsof Hij die walgelijke gedragingen niet haatte. Dat deed Hij wel, maar Hij koesterde duidelijk geen enkele haat tegen de mensen. Hij zocht contact met hen. Hij wilde dat ze behouden werden. Hij was als een dokter die naar de zieken toe gaat. Toen Hij bekritiseerd werd, zei Hij:

31Maar Jezus antwoordde en zei tegen hen: Wie gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar wie ziek zijn. 32Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen tot bekering te roepen, maar zondaars.

Lukas 5:31-32

Een dokter die een door de pest geteisterd gebied binnengaat, haat zijn patiënten niet, maar hij haat de pest. Hij is daar om die te vernietigen. De dokter houdt trouwens werkelijk van de patiënten. De zondaars met wie Jezus omging, waren door de pest getroffen, en Hij hield van hen. Hij was een dokter. Zo moeten we de rol van Christus en onze rol in de wereld begrijpen: als genezers, als mensen die naar een wereld komen die ziek is van kwaad, zonde, misleiding en verkeerde gerichtheid. Wij zijn daar om licht, genezing en bevrijding te brengen. Dat is de rol van de kerk. Om dat te doen, moeten we onderkennen waartegen we ons verzetten. Wij verzetten ons tegen het kwaad.

Rechtvaardig oordelen is noodzakelijk

Je moet mensen liefhebben zonder huichelarij. Je moet verafschuwen wat kwaad is en je vastklampen aan wat goed is. Dat betekent dat je moet oordelen. Je kunt het kwaad niet verafschuwen en je vastklampen aan wat goed is zonder een oordeel tussen die twee te vellen. Hoe weet ik wat kwaad en wat goed is? Hoe weet ik of ik me hieraan moet vastklampen of het moet haten? Ik moet toch een oordeel vellen?

Oordelen is absoluut noodzakelijk. Het is een onvermijdelijke functie van het verstand van morele wezens. Alleen amorele schepselen vellen geen oordelen. Wanneer mensen zeggen dat christenen niet behoren te oordelen, begrijpen ze niet wat oordelen inhoudt. De Bijbel zegt dat we geen onrechtvaardig oordeel behoren te vellen. We behoren niet op het uiterlijk af te oordelen. We behoren niet huichelachtig te oordelen. We behoren niet met twee maten te meten. We behoren niet te oordelen over zaken die we niet bekwaam zijn om te beoordelen. De Bijbel zegt al die dingen. Op verschillende plaatsen spreekt hij erover dat we niet op die manieren moeten oordelen, maar hij spreekt net zo goed over de noodzaak om te oordelen.

Jezus zei:

Oordeel niet naar wat voor ogen is, maar vel een rechtvaardig oordeel.

Johannes 7:24

Oordeel niet op deze manier, maar oordeel wel op die manier. Je moet oordelen. Als je niet oordeelt, betekent dat dat je nooit onderscheid zult maken tussen wat goed en verkeerd is. Je zult het nooit weten. Je zult verkeerd handelen zonder te weten dat je verkeerd handelt. Dat is niet goed.

Bedenk hoe vaak Paulus ons in 1 Korinthe aanspoorde om te oordelen. Hij zei in 1 Korinthe 2:

De geestelijke mens beoordeelt wel alle dingen, zelf echter wordt hij door niemand beoordeeld.

1 Korinthe 2:15

Op een bepaald moment spreekt hij de Korinthiërs in hoofdstuk 10 toe en zegt:

Ik spreek toch tot verstandige mensen; beoordeelt u zelf wat ik zeg.

1 Korinthe 10:15

Ik verwacht dat je in staat bent te beoordelen wat ik zeg.

Hij zegt:

En laten twee of drie profeten spreken, en laten de anderen het beoordelen.

1 Korinthe 14:29

Over de man die met de vrouw van zijn vader samenleeft, zegt hij:

Ik heb, hoewel afwezig met het lichaam, maar aanwezig met de geest, namelijk reeds besloten — alsof ik aanwezig was — om hem die dat zo gedaan heeft,

1 Korinthe 5:3

Hij zegt:

12Het is toch niet aan mij om hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u immers niet alleen hen die binnen zijn? 13Maar hen die buiten zijn, oordeelt God. En doe de kwaaddoener uit uw midden weg.

1 Korinthe 5:12-13

Paulus zei:

Tot beschaming zeg ik u dit . Is er dan onder u niemand die wijs is, zelfs niet één, die in staat zou zijn een oordeel te vellen in een geschil tussen zijn broeders?

1 Korinthe 6:5

Keer op keer, in bijna elk hoofdstuk van 1 Korinthe, staat een aansporing: je moet oordelen. Beoordeel profeten; ga na of ze vals of echt zijn. Oordeel onder de broeders over wat goed en verkeerd is. Ga niet naar de rechters van de wereld. Beoordeel wat ik zeg.

Wat betreft hen die nog maagd zijn, heb ik geen bevel van de Heere. Ik geef echter mijn mening als iemand die barmhartigheid van de Heere heeft gekregen om trouw te zijn.

1 Korinthe 7:25

zegt hij. Oordelen vellen is de normale functie van een moreel wezen, en we moeten oordelen. Zonder dat kunnen we niet verafschuwen wat kwaad is en ons vastklampen aan wat goed is, want dan weten we hoe dan ook niet wat het verschil tussen die twee is.

We kunnen geen kleurloze, amorele, sociopathische mensen zonder geweten worden, die geen onderscheid maken tussen goed en verkeerd. Dat zouden niet-christenen graag van ons christenen willen. Ze zouden het waarschijnlijk niet fijn vinden als iedereen ter wereld dat deed, want als de wereld vol sociopaten was, zouden zij vaak het slachtoffer worden. Christenen die oordelen, onderscheiden tenminste goed van verkeerd en proberen te doen wat goed is. Maar mensen die geen christen zijn, geen onderscheid kunnen maken tussen goed en verkeerd en zijn overgegeven aan het verwerpelijke denken waar Paulus over spreekt, weten niet wanneer ze goed of verkeerd handelen. Zulke mensen doen gewoon wat ze willen doen, en meestal blijkt dat verkeerd te zijn en meestal worden anderen daar het slachtoffer van. Niemand wil een wereld waarin helemaal geen morele oordelen worden gevormd.

Liefde als keuze en zelfopoffering

We moeten dus stelling nemen voor wat goed is en ons daaraan vastklampen. Laat het niet los. Hij zei in vers 10:

9Laat de liefde ongeveinsd zijn. Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede. 10Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde. Ga elkaar voor in eerbetoon. 11Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heere. 12Verblijd u in de hoop. Wees geduldig in de verdrukking. Volhard in het gebed. 13Wees deelgenoot in de noden van de heiligen. Leg u toe op de gastvrijheid.

Romeinen 12:9-13

Liefde is in het Nieuwe Testament trouwens in de eerste plaats een daad, geen emotie. Maar hij spreekt wel over genegenheid, en dat is een emotie. Jezus zei:

Niemand heeft een grotere liefde dan deze, namelijk dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden.

Johannes 15:13

Dat is een daad, geen emotie. Ik zou er daadwerkelijk voor kunnen kiezen voor jou te sterven zonder je erg aardig te vinden, als ik besloot dat het goed was om dat te doen. Als ik God vrees, weet ik: God houdt van jou. God acht jou even waardevol als Hij mij acht. Misschien vind ik je heel onaangenaam. Misschien ben ik niet graag bij je. Misschien mag ik je niet, maar toch zou ik kunnen zeggen: ‘Ik ga mijn leven voor die persoon geven.’ Dan zou het iets zijn wat ik doe, niet iets wat ik voel. Dat is wat liefde is.

We leggen ons leven voor de broeders af en geven onze rechten voor iemand anders op. We gaan een tweede mijl, terwijl we hun spullen maar één mijl hoeven te dragen. We keren de andere wang toe, terwijl we alle recht hebben om terug te slaan. We geven aan iedereen die ons iets vraagt, hoewel we het recht hebben om iets achter te houden omdat zij geen aanspraak op onze bezittingen kunnen maken. Telkens wanneer we zo onze rechten voor iemand anders opgeven, is dat liefde—als we het voor de Heere doen en omdat we die ander waardevol achten.

We kunnen dat doen voor mensen die we niet eens kennen. We kunnen het doen voor mensen die we niet mogen. We kunnen het doen voor onze vijanden. Jezus zei:

Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen;

Mattheüs 5:44

Je kunt geen positieve gevoelens voor je vijanden koesteren als ze je vervolgen, maar je kunt hen liefhebben door goed voor hen te doen. Dat is wat Jezus zei:

Heb je vijanden lief. Doe goed voor degenen die je vervolgen.

Liefde is in het Nieuwe Testament niet in de eerste plaats een emotie. Het is een keuze, een daad. Wat ik ook voor je voel, ik zal mijn leven voor je afleggen. Ik zal mijn rechten voor jou opgeven, omdat Jezus dat voor mij heeft gedaan. Natuurlijk denk ik dat Hij iets positiefs voor ons voelde, maar er waren beslist mensen die Hij niet erg mocht. De Bijbel zegt dat er veel mensen zijn die de Heere haat. Dat betekent eenvoudigweg dat Hij hen weerzinwekkend vindt, maar toch is Hij voor hen gestorven. Hij had hen lief, en dat moeten wij ook doen.

Broederlijke genegenheid aankweken

We moeten iedereen liefhebben, maar voor onze broeders moeten we inderdaad ook de emotie van genegenheid voelen. Hij zei:

Heb elkaar lief als broers en zussen.

Hij bedoelt: tegenover broeders. Misschien voel je geen genegenheid voor iedereen voor wie je uit liefde een offer moet brengen, maar liefde is aangenamer als er ook emotie bij komt kijken.

Mannen en vrouwen kunnen hun liefde voor elkaar tonen door trouw te blijven, zelfs wanneer hun genegenheid is afgenomen of verdwenen en alles alleen nog mechanisch gaat. Ze kunnen nog steeds hun leven voor elkaar afleggen. Ze kunnen elkaar nog steeds dienen. Ze kunnen nog steeds doen wat liefdevol is. Maar het is veel plezieriger als ze hun genegenheid voor elkaar niet zijn kwijtgeraakt. Genegenheid maakt liefde aangenaam. Liefde gaat niet altijd gepaard met emotie, maar idealiter zou dat wel zo moeten zijn, vooral onder familieleden en je broeders.

Kweek dus genegenheid en goede gevoelens voor iemand aan. Dat betekent dat je iets moet doen met de eigenschappen of gedragingen waardoor je negatief over die persoon denkt: je moet ze over het hoofd zien, proberen te verhelpen of erlangs kijken en je richten op iets wat je werkelijk in die ander waardeert. Je kunt zo naar iemand kijken dat je genegenheid voor hem krijgt, maar ook zo dat die genegenheid juist wordt tegengewerkt. Iedereen met wie je leven dat van een ander raakt — of het nu gaat om huwelijkspartners, ouders en kinderen, huisgenoten, collega’s, gemeenteleden of mensen met een andere onderlinge band — zal al snel ontdekken dat er in de ander zowel aangename als ergerlijke eigenschappen zijn. Hoe kweek je dan genegenheid voor die persoon aan? Door je te richten op wat zulke gevoelens bevordert. Denk aan zijn goede kanten. Dat is geen trucje waarmee je jezelf iets wijsmaakt; iedereen heeft werkelijk iets wat jouw genegenheid waard is, naast eigenschappen die dat niet zijn. Richt je dus op wat die genegenheid wel waard is.

Kijk eens naar Filippenzen 4. Je kent dit gedeelte vast wel. Paulus zegt in Filippenzen 4:8:

Ten slotte, broeders, al wat waar is, al wat eerbaar is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat welluidend is, als er enige deugd is en als er iets prijzenswaardigs is, bedenk dat.

Ik geloof dat hij daarmee doelt op wat er in andere mensen prijzenswaardig, lieflijk, deugdzaam en goed is. Denk daaraan wanneer je aan je broeders en zusters denkt. Zulke dingen zijn er werkelijk in hen. Je zou je ook op andere eigenschappen kunnen richten, maar die zullen je genegenheid voor hen niet bevorderen. We hebben in zekere zin de plicht selectief te zijn in wat we overdenken. Zo moeten we er bewust voor kiezen dag en nacht de Schrift te overdenken. Evenzo moeten we de betere eigenschappen van onze broeders en zusters overdenken.

Dat betekent niet dat we blind zijn voor hun gebreken. Als een broeder door een overtreding overvallen wordt, moeten we dat juist onderkennen en hem in een geest van zachtmoedigheid herstellen, zoals Paulus in Galaten 6:1 zegt. Maar onze gewone gedachten over onze broeders moeten gericht zijn op wat in hen gunstig, lieflijk en rechtvaardig is. We zijn niet blind voor hun gebreken en soms hebben we zelfs de plicht die te bespreken, om hen te helpen en na een misstap te herstellen. Toch moeten we in onze houding genegenheid aankweken, en dat is mogelijk.

Als je je afvraagt hoe je liefdevolle gevoelens voor iemand kunt krijgen, kweek dan dankbaarheid aan. Dankbaarheid wekt bijna altijd genegenheid. Als je God niet liefhebt zoals je zou moeten, of niet het gevoel hebt dat je Hem genoeg liefhebt, denk dan na over alles waarvoor je dankbaar behoort te zijn. Overdenk dagelijks wat Hij je gegeven heeft. David zei in Psalm 103: ‘Loof de HEERE, mijn ziel, en vergeet niet een van Zijn weldaden.’ Vergeet Zijn weldaden niet, want dan zul je dankbaar zijn; en wie dankbaar is, zal God vanzelf liefhebben. Zo werkt het ook bij andere mensen.

Wanneer een huwelijk begint te verzuren, doet een huwelijkspartner er goed aan te denken aan alles wat de ander heeft gedaan en waarvoor dankbaarheid passend is. Er zal bijna geen huwelijk bestaan waarin de ene partner nooit enig offer voor de ander heeft gebracht. Alleen al trouwen brengt een offer mee: je ziet af van alle andere mogelijkheden en van een deel van je vrijheid. Wees dankbaar dat je partner dat voor jou heeft gedaan. Heeft je partner je vrijwillig ook op andere manieren gediend, wees daar dan eveneens dankbaar voor. Is dat offer jaar na jaar gebracht, dan is er des te meer reden tot dankbaarheid. Hoe meer je nadenkt over wat prijzenswaardig is en waar je werkelijk dankbaar voor mag zijn, des te meer zal je genegenheid voor die persoon groeien.

De ander voorgaan in eerbetoon

Paulus draagt ons dus werkelijk op elkaar met broederlijke liefde hartelijk lief te hebben. Het gaat niet alleen om het offer of om mijn leven voor mijn broeder af te leggen; ik moet ook doen wat ik kan om daadwerkelijk genegenheid voor hem te voelen. Vervolgens zegt Paulus dat we elkaar in eerbetoon moeten voorgaan.

Dat lijkt te betekenen dat je soms afstand doet van je rechten. Stel dat je in een kamer slaapt met een kamergenoot die tijdens het slapen het raam dicht wil hebben, terwijl jij het raam open wilt hebben. Jullie maken allebei gebruik van hetzelfde raam, en jij hebt het graag open wanneer je slaapt. Je kamergenoot wil het dicht hebben. Sommige mensen kunnen daar heel onverdraagzaam over zijn. Ik hoorde over zo’n geval in een soort christelijke woongemeenschap. Twee vrouwen die ik kende, deelden daar een kamer. De een wilde met het raam open slapen en de ander met het raam dicht, en ze waren daar onverdraagzaam over. Daardoor stonden ze voortdurend vijandig tegenover elkaar. Ze moesten een kamer en een raam delen, maar waren het er niet over eens of het raam open of dicht moest zijn wanneer ze sliepen.

Nou, wat doe je dan? Wat dacht je ervan om uit eerbied de ander voor te laten gaan? Nou, dat betekent dat ik niet mijn zin krijg. Precies. Is dat niet wat liefde doet? Je geeft je rechten op. Jij hebt evenveel recht als de ander om te bepalen of het raam open- of dichtgaat, maar geef je recht op. Geef de voorkeur aan wat de ander wil. Waarom niet? Dit is de weg van de vrede. De goddelozen kennen de weg van de vrede niet. Paulus zei:

en de weg van de vrede hebben zij niet gekend.

Romeinen 3:17

Maar de weg van de vrede houdt in dat je leert je rechten op te geven. De ander heeft misschien niet meer recht dan jij, maar er zal voortdurend spanning zijn totdat iemand toegeeft.

Je bent geen watje wanneer je zegt: „Ik geef mijn rechten op”, want ik win. Ik ben de eerste die het doet. Degene die als eerste zegt: „Uit liefde voor jou en uit eerbied voor jou laat ik jou je zin krijgen”, wint. Diegene was er het eerst. Dat is het punt dat ze allebei zouden moeten bereiken.

In Filippenzen, hoofdstuk 2, vers 4, zegt Paulus:

Laat eenieder niet alleen oog hebben voor wat van hemzelf is, maar laat eenieder ook oog hebben voor wat van anderen is.

Filippenzen 2:4

Dit is wat liefde is. Eis niet alleen je eigen rechten op. Houd rekening met de belangen van andere mensen. Omdat hun belangen en die van jou misschien met elkaar botsen en geen van beiden meer recht heeft dan de ander, zul jij misschien degene zijn die volwassen is. Jij zult degene zijn die liefdevol is. Jij zult degene zijn die op Christus lijkt.

Op Christus lijkt? Precies, want in het direct daaropvolgende vers in Filippenzen staat:

Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,

Filippenzen 2:5

Daarmee wordt duidelijk gemaakt dat Hij niet alleen Zijn eigen belangen voor ogen hield, maar ook die van anderen. Hij bestond in de gestalte van God. Hij had alle voorrechten, maar Hij ontledigde Zichzelf en nam de gestalte van een dienaar aan. Hij stelde de belangen en behoeften van anderen boven die van Zichzelf. Dat hoefde Hij niet te doen. Hij gaf Zijn rechten als God op om een slaaf van mensen te worden. Dat is de gezindheid van Christus. Laat die gezindheid ook in jou zijn. Zo zul je veranderd worden door de vernieuwing van je denken: geef uit eerbied de voorkeur aan andere mensen boven jezelf.

Ik heb dit verhaal over mijn vriend John Wickham soms verteld. Toen we jonge tieners waren, speelden we samen in een christelijke band. We traden op in een christelijk koffiehuis, en we kwamen vroeg aan en zetten alles klaar. Op dat moment moesten we allebei naar het toilet, maar er was maar één toilet waar slechts één persoon tegelijk in kon. Zonder te weten dat de ander er ook heen moest, liepen we allebei tegelijk naar de deur. Toen we daar allebei aankwamen, leek het wel de Three Stooges: „Wie gaat erdoorheen? Gaan we er allebei tegelijk doorheen en breken we de deur af terwijl we erdoorheen gaan?”

Hij liet mij voorgaan. Ik zou hem ook graag hebben laten voorgaan, maar hij liet mij voorgaan. Ik bedankte hem voor zijn grootmoedigheid, en hij zei eenvoudigweg: „Voor zover.” Omdat we allebei de Bijbel goed kenden, begrepen we dat hij verwees naar de Bijbeltekst die luidt:

En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan.

Mattheüs 25:40

Dat wil zeggen: voor zover je het aan een christen doet, doe je het aan Jezus.

Als Jezus tegelijk met jou naar het toilet wil, wie gaat er dan eerst als jij dat mag bepalen? Het is duidelijk: wat je aan je broeders doet, doe je aan Hem. Je geeft de voorkeur aan de ander boven jezelf. Waarom? Omdat Christus dat doet. Eigenlijk is het zo dat, als jij daar met Jezus stond, Hij je waarschijnlijk niet zou toestaan om Hem voor te laten gaan. En jij zou Hem niet moeten toestaan om jou voor te laten gaan. Dat lijkt wel de Three Stooges. Iedereen laat de ander voorgaan, niemand wil als eerste door de deur, en plotseling gaan ze allemaal tegelijk naar binnen.

Het kan een klucht vol vergissingen worden wanneer iedereen degene is die de ander laat voorgaan, maar meestal loopt het niet zo. Meestal is de ene persoon eerder bereid om toe te geven dan de andere, en jij zou die persoon moeten zijn. Dat is de manier waarop je het meest op Christus lijkt.

IJverig werken in dienst van God

Dan vers 11:

9Laat de liefde ongeveinsd zijn. Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede. 10Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde. Ga elkaar voor in eerbetoon. 11Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heere. 12Verblijd u in de hoop. Wees geduldig in de verdrukking. Volhard in het gebed. 13Wees deelgenoot in de noden van de heiligen. Leg u toe op de gastvrijheid.

Romeinen 12:9-13

Dus niet lui, niet traag. Waarom niet? Waarom is dat een morele kwestie? Wat als ik de hele dag wil slapen? Wat als ik wat wil rondhangen en maar heel weinig wil doen dat productief is? Waarom is dat een zonde?

Het is zonde, omdat ik onder werktijd val—Gods werktijd. Zodra ik wakker ben, ben ik in Zijn dienst. Ik ben een dienaar. Ik heb een Meester. Ik heb plichten. God wil dat ik Hem dien. Hij wil dat ik Zijn Koninkrijk bevorder. Hij wil dat ik Zijn gezin dien. Als ik dat niet doe, neem ik zonder toestemming pauze van mijn dienst voor mijn Meester. Het is zonde om lui te zijn.

De energie die God ons geeft, moet worden ingezet, gebruikt en beheerd voor het Koninkrijk van God. Tekortschieten in ijver, zelfs door je werk langzamer te doen dan je zou moeten of zou kunnen, is luiheid. Meer slapen dan je zou moeten, wordt in Spreuken heel nadrukkelijk verboden. De luie man is in Spreuken het slechtste van alle personages in Spreuken. De dwaas is bijna de slechtste, maar hij zegt: "Hebt u iemand gezien die lui is in zijn werk?" Er is meer hoop voor de dwaas dan voor hem. Wat Salomo betreft, kun je niet veel erger zijn dan de dwaas, maar het kan wel. Nog erger is de luie man.

Redactionele toelichting: de spreker citeert hier onnauwkeurig. Spreuken 26:12 gaat over iemand die wijs is in eigen ogen, niet over iemand die lui is in zijn werk. Spreuken 26:16 verbindt luiheid wel met wijs zijn in eigen ogen, maar bevat niet de uitspraak dat er voor een dwaas meer hoop is.

Broederliefde vraagt om eigen arbeid

Waarom? Kijk naar 1 Thessalonicenzen, hoofdstuk 4. Paulus geeft hier zijn redenering. 1 Thessalonicenzen 4, vanaf vers 9:

Wat nu de broederliefde betreft, hebt u het niet nodig dat ik u schrijf, want u bent zelf door God onderwezen om elkaar lief te hebben.

1 Thessalonicenzen 4:9

Dat is ook waar Paulus het over heeft in de verzen die wij bekijken.

Want u doet dat ook ten opzichte van alle broeders die in heel Macedonië zijn. Wij roepen u er echter toe op, broeders, dat nog veel meer te doen,

1 Thessalonicenzen 4:10

Dezelfde zin gaat verder:

11en er een eer in te stellen rustig te zijn en uw eigen zaken te behartigen en te werken met uw eigen handen, zoals wij u bevolen hebben, 12opdat u op een gepaste wijze wandelt ten opzichte van hen die buitenstaan, en niets nodig hebt.

1 Thessalonicenzen 4:11-12

Broederliefde houdt in dat je met je eigen handen werkt, niet lui bent en je werk doet. Waarom? Omdat iemand anders extra werk voor jou zal moeten doen als jij je werk niet doet. Voedsel komt niet zomaar als manna uit de lucht vallen. Volgens Genesis 3 moeten mensen sinds de zondeval werken voor hun eten.

In het zweet van uw gezicht zult u brood eten.

Genesis 3:19

Je zult de grond bewerken. Misschien bewerk jij geen grond, maar iemand doet het. Jij zou een of ander werk moeten doen dat ten goede komt aan degene die de grond bewerkt en jouw voedsel verbouwt.

In een goed functionerende economie werkt iedereen en doet iedereen iets wat waarde heeft voor de gemeenschap. Iedereen profiteert van het werk van de anderen. Maar als je niet werkt, verbruik je nog steeds dingen. Dat betekent dat je iets verbruikt wat iemand anders voor jou heeft moeten produceren. Misschien wilde diegene dat niet. Misschien zou diegene dat liever niet doen. Misschien zou diegene het liever alleen voor zichzelf produceren, maar nu moet diegene extra werk voor jou doen. Dat is niet liefdevol.

Luiheid legt lasten op anderen

Als voor wat jij verbruikt een bepaalde hoeveelheid werk moet worden verricht, en dat is zo, dan is het niet liefdevol als jij minder dan jouw deel van het werk doet en toch jouw deel verbruikt. Want zo leg je de last van het produceren van wat jij verbruikt op andere mensen. Daarom is zoveel in een verzorgingsstaat niet werkelijk liefdevol en rechtvaardig.

Er zijn ongetwijfeld mensen die terecht hulp nodig hebben. Het is echter het beste als die hulp kan worden gegeven door de vrijgevigheid van gevers, want dan vindt er een daad van vrijgevigheid plaats. En de Bijbel moedigt zeker aan om de armen te helpen als een daad van vrijgevigheid. Maar een uitkeringsstelsel moedigt mensen er vaak toe aan om gewoon een uitkering van de overheid te krijgen en niet te werken. Ze denken: ‘Wie wordt daar nu door benadeeld? Er komt een uitbetaling van de overheid. Geweldig.’ Waar komt dat geld vandaan? Iemand doet meer werk dan nodig is voor zijn eigen verbruik om daarmee te voorzien in het verbruik van degene die de uitkering krijgt.

Het voedsel en de rijkdom komen niet uit het niets. Ze komen voort uit werk. Wie niet werkt maar wel eet, maakt het noodzakelijk dat iemand anders meer werkt dan voor zijn eigen eten nodig zou zijn, om zichzelf en ook jou te voeden. Dat is niet liefdevol. Het liefdevolle is om ijverig te zijn. Als iemand meer werk zal doen dan nodig is voor wat hij zelf verbruikt, dan zou ik dat moeten zijn. Wanneer ik deze wereld verlaat, moet mijn aanwezigheid hier per saldo winst hebben opgeleverd. Natuurlijk moet ik dingen verbruiken. Iedereen moet dingen verbruiken, maar we kunnen ook produceren. Ik hoop dat ik bij mijn dood meer voordeel voor anderen zal hebben voortgebracht dan ik heb verbruikt. Als ik meer heb verbruikt dan voortgebracht, ben ik een last voor de wereld geweest. Ik ben een last geweest voor andere mensen die niet zo lui waren als ik. Dat is niet liefdevol.

Liefhebben betekent dat ik mijn rechten opgeef voor iemand anders. Ik geef hun de voorkeur boven mijzelf. Als iemand meer zal moeten werken dan nodig is om te overleven en daarmee iemand anders te onderhouden, dan wil ik degene zijn die meer werkt. Dan zal ik voor die ander zorgen. Ik zal aan hem en zijn behoeften de voorkeur geven boven mijzelf en mijn eigen behoeften. Ik zal niet aan die van mij de voorkeur geven en zeggen: ‘Jij verdient meer geld dan ik. De overheid kan een deel van jouw geld afromen en het aan mij geven.’ Wat voor aanspraak kan ik daarop maken? Dat is onrecht. Dat is geen liefde.

Als ik in staat ben om te werken, behoor ik te werken. Als ik niet in staat ben een baan te krijgen, moet ik toch mensen dienen. Mijn bezigheden moeten in dienst staan van God en de mensheid. Als ik om de een of andere reden geen baan kan vinden of niet inzetbaar ben, kan ik wel een manier vinden om andere mensen tot zegen te zijn. Maar gewoon lui zijn en zeggen: ‘Ik zal alleen maar ontvangen, ontvangen, ontvangen, omdat ik niet wil werken,’ is zo ongeveer de weerzinwekkendste karaktertrek die Salomo zich in zijn Spreuken kon voorstellen.

Paulus zegt:

Nee, verslap niet in je inzet.

Het tegenovergestelde van ijver is luiheid. Wees niet lui. Wees geen luie nietsnut, maar wees vurig van geest en dien de Heere. Je moet God vol ijver dienen, vurig, vanuit een vurige geest, met enthousiasme, met ijver. Dien God ijverig. En trouwens, je dient God over het algemeen door mensen te dienen. ‘Voor zover.’

Hoop geeft geduld in verdrukking

Hij zegt in vers 12:

Verblijd u in de hoop. Wees geduldig in de verdrukking. Volhard in het gebed.

Romeinen 12:12

We moeten ons verblijden in de hoop en geduldig zijn in de verdrukking. Die twee houden verband met elkaar. Wanneer je in verdrukking bent, komt geduld voort uit het hebben van hoop. Als je geen hoop hebt, wanhoop je. Hoop betekent dat je verwacht dat het op de een of andere manier, op een bepaald moment, beter zal worden. Daar hoop ik op, en dat zal mij volharding geven.

Als ik denk dat het niet uitmaakt of ik bezwijk, blijf drijven of verdrink, omdat het nooit beter zal worden, kan ik net zo goed nu al opgeven. Waarom zou je volharden als er aan de andere kant niets is waarvoor je volhardt? Dan geef ik het gewoon op, zoals de ratten waarover we gelezen hebben, die in een laboratorium juist op deze eigenschap werden getest. Ze werden in een vat met water gezet om te zien hoelang ze zouden blijven zwemmen. Ze zwommen lange tijd, misschien twintig minuten. Maar al snel ontdekten ze dat er geen uitweg was. Dus gaven ze de hoop op, hielden op met zwemmen en zonken. Voordat ze verdronken, werden ze door de onderzoekers gered, afgedroogd en teruggezet in hun kooien. Daar kregen ze enige tijd om bij te komen. Daarna werden ze opnieuw in het water gezet. Deze keer zwommen ze niet twintig minuten om het daarna op te geven. Ze zwommen urenlang en gaven het niet op.

Wat maakte het verschil? Ze herinnerden zich blijkbaar dat ze eerder gered waren. Het was mogelijk dat ze opnieuw gered zouden worden. Ze wisten dat het mogelijk was om hieruit te komen. Zolang er hoop is, blijf je met korte slagen doorzwemmen. Je blijft watertrappelen. Als je denkt dat er geen hoop is, redeneer je gewoon: ‘Oké, ik heb alle uitwegen geprobeerd. Er is geen uitweg. Ik denk dat ik maar zal zinken en sterven. Wat heeft het voor zin?’ Als je wanhopig bent, probeer je het niet meer.

Hoop en volhardend gebed

Als je vasthoudt aan je hoop en je verheugt in de hoop dat God goed zal zijn en dat God je hieruit zal redden, zo niet in dit leven, dan ten minste in het volgende — en zeer waarschijnlijk in dit leven, want beproevingen komen niet om te blijven. Ze komen om voorbij te gaan. Ze komen niet om te blijven. Heb daarom de hoop dat God je zal redden en dat God alle dingen zal laten meewerken ten goede. Hij heeft dat nog niet gedaan, maar het is gaande. Hij heeft beloofd dat het zo zal zijn. Dat is mijn hoop. Op een dag zal dit voor mij goed aflopen. Paulus zei in een van zijn brieven:

Want ik weet dat dit mij tot zaligheid strekken zal, door uw gebed en de ondersteuning van de Geest van Jezus Christus,

Filippenzen 1:19

Deze hoop die hij heeft, geeft volharding, geduld in verdrukking en volharding in moeilijke omstandigheden. Als je aan je hoop vasthoudt, zul je door de moeilijke tijden heen kunnen volharden. Het is namelijk een donkere tunnel, maar je gelooft dat er licht is aan het einde van de tunnel. Als je gelooft dat je gewoon een diepe grot in loopt, kun je net zo goed stoppen met lopen. Je zult aan het einde immers tegen een rots aanlopen en het zal de rest van de tijd donker zijn. Maar als je erdoorheen loopt en denkt: ‘Volgens mij is daar om de hoek licht. Ik blijf vooruitgaan. Volgens mij wordt het verderop beter,’ dan zorgt hoop ervoor dat je doorgaat. Wanhoop zorgt er alleen maar voor dat je gaat zitten en het opgeeft.

En dan standvastig blijven in het gebed. Natuurlijk bid je tijdens je verdrukkingen, en in je hoop dat het beter zal worden, om die uitkomst. Je bidt je door de verdrukking heen. Je blijft ermee doorgaan. Je geeft het niet op. Als je de hoop opgeeft, geef je ook het gebed op. Waarom zou je bidden? Niets zal beter worden. Maar als je denkt dat het beter zal worden — als ik God aanroep, als ik op God vertrouw, zal Hij ervoor zorgen dat het beter wordt — dan blijf ik Hem erom smeken totdat dat gebeurt. Ik blijf tijdens deze verdrukkingen volharden in het gebed, ik houd vast aan mijn hoop en ik houd niet op.

Gastvrijheid als liefde voor vreemden

Vers 13 zegt:

Wees deelgenoot in de noden van de heiligen. Leg u toe op de gastvrijheid.

Romeinen 12:13

Dat zijn soortgelijke dingen. Gastvrijheid is natuurlijk dat je vreemden toelaat in je eigen ruimte, die je liever privé zou houden als het alleen aan jou lag. Het Griekse woord voor gastvrijheid betekent liefde voor vreemden. De meesten van ons betonen natuurlijk gastvrijheid aan vrienden, en dat is redelijk en goed. Het is beter dan het niet te doen. Als je je vrienden niet in je eigen ruimte toelaat en je vrienden nooit dient, dan ben je zo ongeveer een boeman. Maar wanneer je het werkelijk voor vreemden doet, is dat een echt blijk van gastvrijheid: je ontvangt mensen die je niet kent, maar om wie je wel geeft.

Een lifter meenemen is gastvrijheid. Je laat iemand toe in je auto. Je laat diegene toe in jouw wereld, waarin jij je zonder hem op je gemak voelde, terwijl hij zich daarbuiten niet op zijn gemak voelde, en je laat hem binnen. Je deelt je warmte, je voordeel, je beschutting, je veiligheid en je rit met iemand die dat nodig heeft. Dat is gastvrijheid.

Voorzien in noden lijkt daar sterk op, in het bijzonder in die van de heiligen. Als het om geven gaat, zouden we ons ook moeten bekommeren om de noden van niet-christenen. Toen Jezus tegen de rijke jongeling sprak, specificeerde Hij niet welke armen Hij bedoelde. Hij zei:

Jezus zei tegen hem: Als u volmaakt wilt zijn, ga dan heen, verkoop wat u hebt, en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel; en kom dan en volg Mij.

Mattheüs 19:21

Er zijn arme mensen; help hen. Het feit dat ze arm zijn, betekent dat ze iets nodig hebben. En als je een liefdevol mens bent, zul je hen op een praktische manier helpen als je dat kunt.

Voorrang geven aan geloofsgenoten

Maar als er meer arme mensen zijn dan er geholpen kunnen worden, geldt er een prioriteit. Je moet prioriteiten stellen. Er bestaat zoiets als triage: wie kan ik helpen en wie kan ik niet helpen? Als het daarop aankomt, moet ik de christenen helpen. Waarom? Omdat ze familie zijn. Er bestaat tenslotte een verplichting tegenover familie. Paulus zei dat in Galaten, hoofdstuk 6. In Galaten 6:10 zei hij:

Laten wij dus, terwijl wij gelegenheid hebben, goeddoen aan allen, maar vooral aan de huisgenoten van het geloof.

Galaten 6:10

We moeten onze vrijgevigheid niet beperken tot christenen, maar we moeten er wel voor zorgen dat christenen bovenaan de lijst staan. We hebben inderdaad een verplichting tegenover de familie. Als we iedereen konden helpen, zouden we dat doen. Maar we hebben niet de gelegenheid om iedereen te helpen. Binnen de grenzen van onze mogelijkheden kunnen we een bepaald aantal mensen helpen. Om je de waarheid te zeggen, zijn er misschien christenen die ik niet heb geholpen, terwijl ik soms toch iemand help van wie ik niet weet of hij christen is. Maar als ik het verschil weet, ligt daar mijn prioriteit. Stel dat er twee gezinnen in nood zijn. Het ene is een christelijk gezin, met een werkende man die gewoon niet rond kan komen, en het andere is niet christelijk. Dan heb ik een verplichting tegenover de christen. Het is niet zo dat ik niet evenveel medeleven heb met het andere gezin. Ik heb gewoon niet genoeg om iedereen te helpen, dus moet ik een keuze maken. Ik moet voor de broeder kiezen. Ik wou dat God het mogelijk maakte dat ik voor iedereen kon kiezen. Ik zou graag alle armen helpen, maar dat kan gewoon niet. Dus wanneer de gelegenheid zich voordoet, moeten we vrijgevig zijn tegenover iedereen. Maar waar nood is, moeten we vooral prioriteit geven aan het helpen van de christelijke familie.

Paulus zegt:

9Laat de liefde ongeveinsd zijn. Heb een afkeer van het kwade en houd vast aan het goede. 10Heb elkaar hartelijk lief met broederlijke liefde. Ga elkaar voor in eerbetoon. 11Wees niet traag wat uw inzet betreft. Wees vurig van geest. Dien de Heere. 12Verblijd u in de hoop. Wees geduldig in de verdrukking. Volhard in het gebed. 13Wees deelgenoot in de noden van de heiligen. Leg u toe op de gastvrijheid.

Romeinen 12:9-13

Meeleven met vreugde en verdriet

Dan zegt hij — en vrijwel de rest van dit hoofdstuk gaat over hoe je je moet gedragen tegenover mensen die je niet vriendelijk gezind zijn. Hij heeft het gehad over algemene zaken: andere mensen voorrang geven, hen eren, afstand doen van je rechten, ijverig zijn, een afkeer hebben van het kwaad, enzovoort. Maar in vers 14 zegt hij:

Zegen wie u vervolgen. Zegen hen en vervloek hen niet.

Romeinen 12:14

Dit is in wezen bijna een rechtstreeks citaat uit Mattheüs 5:44. Jezus zei dit in de Bergrede.

Hij komt in vers 17 terug op deze gedachte, hoewel hij die gedachte eerst onderbreekt en dan niet over je vervolgers of je vijanden spreekt. In de verzen 15 en 16 zegt hij:

15Verblijd u met hen die blij zijn, en huil met hen die huilen. 16Wees eensgezind onder elkaar. Streef niet naar de hoge dingen, maar houd u bij de nederige. Wees niet wijs in eigen oog .

Romeinen 12:15-16

Dit zijn allerlei losse aanwijzingen. Natuurlijk moet je met anderen meevoelen. Wanneer iemand anders zich verheugt, deel je in zijn vreugde. Misschien gaat het met jou niet zo goed, maar je geeft evenveel om hem als om jezelf, en liefst nog meer. Dus verheug je je over zijn vreugde. Misschien maak jij geen goede tijden door, maar je kunt wel in zijn vreugde delen.

Toen mijn kinderen klein waren, hadden we niet veel geld. Ze zagen vaak dingen die andere kinderen hadden en die zij ook wilden. Ik zei: ‘Dat kunnen we niet betalen. Sorry, dat kunnen we niet betalen. Waarom genieten jullie er niet gewoon van dat zij het hebben? Dat is iets goeds. Geniet van wat zij hebben. Geniet van hun blijdschap. Deel in hun blijdschap. Jullie kunnen er zelf geen hebben, maar zij hebben er een. Wees daar blij om. Waarom genieten jullie er niet van dat zij het hebben?’

Geniet ervan dat iemand anders het beter heeft dan jij. Waarom niet? Wat houdt je tegen om dat te doen? Je kunt ervoor kiezen dat te doen. Verheug je met hen die zich verheugen en huil natuurlijk met hen die huilen.

Meehuilen zonder ongevoeligheid

Wanneer jij je goed voelt en iemand anders terneergeslagen is, moet je oppassen dat je niet ongevoelig bent. Er zijn momenten waarop mensen iemand nodig hebben die met hen meeleeft en zijn medeleven betuigt. Alleen maar opgewekt doen, zal hen niet per se helpen. Er is een spreuk die ik onlangs tegenkwam toen ik Spreuken las. Die staat in Spreuken 25:20:

Wie liederen zingt bij een treurig hart, is als wie kleren uittrekt op een koude dag en zure wijn doet op loog.

Spreuken 25:20

Iemand huilt, iemand heeft een bezwaard hart, en jij komt vrolijk binnen terwijl je liedjes zingt, een vrolijk lied zingt. Dat is ongevoelig. Dat zorgt voor een heftige reactie. Heb je ooit azijn op baksoda gegoten? Het gaat bruisen. De twee reageren heftig op elkaar. Niet heftig genoeg om je huis op te blazen, maar als je ze samen in een afgesloten fles of bak doet, kan daardoor in sommige gevallen de fles zelfs breken. Het is een heftig mengsel.

Als je in de kou een deken afpakt van iemand die het koud heeft, zul je waarschijnlijk geen goede reactie van die persoon krijgen. Je bezorgt hem ongemak. Als je liederen zingt voor iemand die een bezwaard hart heeft, is dat niet echt de oplossing. Huil met hen die huilen, verheug je met hen die zich verheugen en wees niet ongevoelig.

Paulus zei elders, in 1 Korinthe 12:

En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee.

1 Korinthe 12:26

Paulus zei dit omdat hij het erover had dat het lichaam één is. Paulus heeft dat punt eerder in dit hoofdstuk al naar voren gebracht. Het geluk van iemand anders is ook jouw geluk, omdat je met hem tot één lichaam behoort. Als het lichaam van Christus in enig deel iets goeds ontvangt, zou het hele lichaam moeten zeggen: „Dat is iets goeds. Dat ben ik ook.” Want het gaat niet alleen om mij. Mijn broeders en ik zijn allemaal één lichaam. Hun voordeel is mijn voordeel. Hun ramp is mijn ramp.

Hij zegt:

Wees eensgezind met elkaar, wat waarschijnlijk hetzelfde betekent. Waarschijnlijk vat hij die uitspraak daarmee samen. Stem je af op hoe anderen zich voelen. Als ze huilen, leef dan met hen mee, deel op een bepaalde manier in hun verdriet en toon medeleven. Als ze zich verheugen, verheug je dan gerust met hen. Wees eensgezind met hen. Wees eensgezind met elkaar.

Nederigheid en omgaan met eenvoudigen

15Verblijd u met hen die blij zijn, en huil met hen die huilen. 16Wees eensgezind onder elkaar. Streef niet naar de hoge dingen, maar houd u bij de nederige. Wees niet wijs in eigen oog .

Romeinen 12:15-16

Door de tegenstelling met de volgende regel:

ga om met eenvoudige mensen, betekent dit duidelijk dat je niet naar hoge posities moet streven. Dat is wat het betekent, want het is het tegenovergestelde van omgaan met nederige mensen, mensen met een lage positie. Als je een hoge positie wilt hebben, ga je om met de mensen die opklimmen, degenen die een hoge positie hebben of daarnaar op weg zijn. Je lift mee op hun succes of je klimt zelf samen met hen omhoog. Het punt is dat mensen die roem, rijkdom, aandacht en respect willen, een hoge positie in de samenleving willen, een hoge status. Ze zullen niet omgaan met de nederigen, de mensen met een lage positie, de armen, de rechtelozen en degenen die aan de rand van de samenleving staan. Dat zal niet de groep zijn waarmee ze omgaan, want daar zit voor hen geen voordeel in. Die mensen kunnen hen niet meenemen naar de top. Paulus zegt: „Wees niet zo. Streef niet naar hoge dingen.

In de ogen van de samenleving brengt dat je nergens, maar in Gods ogen brengt het je wel ergens.

Je weet maar nooit: een van die nederige mensen zou weleens een engel kunnen blijken te zijn zonder dat je het beseft. Sommigen hebben zonder het te weten engelen gastvrij ontvangen. Sterker nog, in zekere zin kan die persoon Jezus zijn. En wees niet wijs in je eigen ogen. Denk niet dat je zo slim bent. Dat ben je niet.

Vijanden zegenen en goeddoen

Deze laatste verzen gaan opnieuw over hoe je mensen behandelt die niet vriendelijk tegen je zijn. Hij heeft in vers 14 al gezegd:

Zegen wie u vervolgen. Zegen hen en vervloek hen niet.

Romeinen 12:14

Hij gaat beschrijven wat het betekent om iemand te zegenen en niet te vervloeken als die persoon je vijand is en je vervolgt.

Hij zegt in vers 17:

Vergeld niemand kwaad met kwaad. Wees bedacht op wat goed is voor alle mensen.

Romeinen 12:17

wat kennelijk betekent dat je voor alle mensen het beste, het goede, wenst, zelfs voor degene die je kwaad doet.

Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe , Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

Romeinen 12:19

Dit staat geschreven in Deuteronomium 32:35. Hij zegt:

Als dan uw vijand honger heeft, geef hem te eten, als hij dorst heeft, geef hem te drinken, want door dat te doen, zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen.

Romeinen 12:20

Ook dat is een citaat, uit Spreuken 25, vers 21 en 22.

Word niet overwonnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

Romeinen 12:21

Dit gedeelte bevat praktische instructies over wat het betekent om degenen die je vervloeken te zegenen en hen niet te vervloeken. Ze vervloeken je met woorden of op een andere manier. Ze brengen een vloek in je leven door je slecht te behandelen, je te bedriegen of door iets dergelijks te doen. Door hun daden en hun invloed rust er een vloek op je leven en is je leven slechter af. Je leven zou gezegend kunnen worden door mensen die je zegenen. Je kunt degenen die je vervloeken zegenen. Je kunt hun goeddoen.

Toen Jezus zei dat we onze vijanden moesten liefhebben, zei Hij:

27Maar Ik zeg tegen u die dit hoort: Heb uw vijanden lief; doe goed aan hen die u haten. 28Zegen hen die u vervloeken, en bid voor hen die u belasteren.

Lukas 6:27-28

Deze dingen houden verband met elkaar. Ik ben door de daden van veel mensen gezegend, en door anderen ben ik enigszins vervloekt. Door de daden van sommige mensen is er in bepaalde opzichten een vloek over mijn leven gekomen. Maar ik ben verplicht goed te doen aan degenen die mij vervloekt hebben.

Voor zover mogelijk in vrede leven

Waarom? Hij zegt in vers 18:

Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen.

Romeinen 12:18

Vrede is iets goeds. Niet iedereen zal vreedzaam met je omgaan. Je hebt niet iedereen in de hand. Het ligt niet allemaal binnen jouw macht. Het is niet altijd mogelijk, want er is maar één persoon nodig om een relatie te verbreken.

Dit wordt soms ontkend in bepaalde bijzondere christelijke leerstellingen. Ik heb vaak horen zeggen dat er bij een echtscheiding geen onschuldige partij is. Heb je dat weleens gehoord? Niemand is volkomen onschuldig. Er is niemand zoals Jezus, die nooit enig kwaad van welke aard dan ook heeft gedaan. Maar er zijn beslist mensen die onschuldig zijn aan de echtscheiding.

Soms zijn er mensen die willen scheiden terwijl de andere partij dat niet wil, en de partij die het niet wil, heeft niets gedaan wat de scheiding rechtvaardigt. Als degene die de scheiding aanvraagt geen grond voor echtscheiding heeft, dan is er een onschuldige partij. Die onschuldige partij is geen volmaakt mens en heeft soms misschien dingen gedaan die niet bepaald liefdevol waren. Met andere woorden, die persoon is ongeveer zoals de gemiddelde mens. Dat is niet hetzelfde als grond geven voor echtscheiding. Dat je een mens bent en gebreken hebt waaraan je werkt, geeft je huwelijkspartner geen grond om van je te scheiden. Als een huwelijkspartner dus zonder grond tot echtscheiding overgaat, heeft die huwelijkspartner het huwelijk stukgemaakt. En dan is er een onschuldige partij die eraan wilde blijven werken, enzovoort.

Dat gebeurt vaak. Het gebeurt ook bij vriendschappen en in relaties tussen buren. Wij hebben iemand bij ons in de buurt die erg vijandig is, en we weten niet eens waarom. Vooral Dana heeft goede dingen gedaan. Ze heeft met Kerst koekjes langsgebracht en groet die persoon geregeld. De man is gewoon nors, kijkt weg, wil niet praten en lijkt erg vijandig. Dan denk je: wat is daar toch mee? Voor zover het van ons afhangt, proberen we in vrede met hem te leven.

Maar het hangt niet allemaal van jou af, want voor een relatie moeten twee mensen samenwerken. Zorg ervoor dat jij niet degene bent die niet wil meewerken. Zorg ervoor dat jij niet degene bent die het probleem veroorzaakt. Zorg ervoor dat je die persoon rechtvaardig, vriendelijk en liefdevol behandelt. Als er dan geen vrede is, is dat niet jouw schuld. De andere persoon moet zich ook fatsoenlijk en beleefd gedragen, en niet iedereen is daartoe bereid.

Er zullen gelegenheden zijn waarop je geen goede relatie met mensen hebt, ook al heb je alles gedaan waarvan je weet dat je het moet doen. Paulus weet dat. Hij zegt:

Als het mogelijk is, waarmee hij aangeeft dat er tijden zullen zijn waarop het niet mogelijk is, en:

voor zover het aan jou ligt, waarmee hij aangeeft dat niet alles in de relatie aan jouw kant ligt.

Het is niet allemaal jouw verantwoordelijkheid. Er is ook een andere kant. Maar voor zover je er zeggenschap over hebt, leef in vrede met alle mensen. Zorg ervoor dat als er een breuk is tussen jou en iemand anders, jij die niet hebt veroorzaakt en die ander geen onrecht hebt aangedaan. Doe wat de vrede zou bevorderen. En als er geen vrede komt, dan is je geweten zuiver.

Jezus’ voorbeeld: niet terugslaan

Er zijn mensen die je zullen vervolgen omdat je goeddoet. Er zijn mensen die je zullen haten omdat jij ergens voor staat waarvan zij weten dat zij er ook voor zouden moeten staan, maar dat willen ze niet, en hun geweten zit hen dwars. Ze zijn jaloers, boos of overtuigd van hun schuld, en daarom zullen ze je haten omdat je goeddoet. Dat deden ze ook met Jezus. En wat deed Hij? Hij zei:

En Jezus zei: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En ze verdeelden Zijn kleren en wierpen het lot.

Lukas 23:34

Hij sloeg niet terug toen Hij beschimpt werd. Hij schold niet terug toen Hij gedood werd. Hij doodde hen niet op Zijn beurt. Hij riep geen twaalf legioenen engelen om Hem te redden en Zijn vijanden te doden. Zo leefde Hij niet, en zo leven wij niet.

Hij zei:

Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe , Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

Romeinen 12:19

Als dit zonder context zou staan, zouden we kunnen denken dat ‘ruimte geven aan de toorn’ betekent dat je je woede niet moet inhouden, maar die moet uiten en loslaten. Laat je woede gaan. Geef die lucht. Laat die gewoon verdwijnen. Word niet boos. Dat is niet wat hij bedoelt. Hij bedoelt dat je binnen die relatie niet vol toorn en uit wraak moet reageren op iemand die je onrecht heeft aangedaan, maar dat je ruimte moet geven aan God en Zijn toorn. Laat God in Zijn toorn wraak voor je nemen.

Ik weet dat hij dat bedoelt, want Paulus zegt:

Want er staat geschreven: De wraak is aan Mij, Ik zal het vergelden, zegt de Heer.

Met andere woorden, aangedaan onrecht moet vergolden worden. Maar onrecht dat jou is aangedaan, moet niet door jou vergolden worden. Je kunt een stap terugdoen, je vijand liefhebben en God op Zijn tijd en op Zijn manier laten wreken. Dat is altijd veel beter, want wanneer wij onszelf wreken, weten we nooit of we misschien overdreven reageren. Misschien hebben we zelfs de ernst van de belediging of de bedoelingen van die persoon verkeerd begrepen. Wanneer wij ons wreken op mensen die ons onrecht hebben aangedaan, zijn we in staat het onrecht te vergroten, de balans te ver te laten doorslaan en verder te gaan dan wat verschuldigd is.

Wraak overlaten aan God

Het is dus beter om van begin tot eind als een christen te handelen. Als iemand je vervolgt of je onrecht aandoet, wreek jezelf dan niet. Blijf die persoon gewoon liefhebben. Jezus zei:

Maar Ik zeg u: Heb uw vijanden lief; zegen hen die u vervloeken; doe goed aan hen die u haten; en bid voor hen die u beledigen en u vervolgen;

Mattheüs 5:44

Wat zal dat teweegbrengen? Daardoor neemt God de zaak op Zich. Als je jezelf wreekt, zal God Zich afzijdig houden en zeggen: ‘Jij wilt het doen, dus doe jij het maar. Je gaat er een puinhoop van maken, maar ga je gang. Ik blijf erbuiten. Ik zal je niet wreken als jij dat zelf gaat doen. Het heeft geen zin dat wij het allebei doen.’

Maar als je jezelf niet wreekt, is er onrecht dat niet is rechtgezet. Je hebt onrecht geleden en er is geen recht gedaan. Nu gaat de Rechter van het heelal aan het werk. Hij moet het onrecht rechtzetten. Jij hebt het niet gedaan, dus dat geeft Hem ruimte om het te doen. Zo laat je het werk aan Hem over. Zo geef je ruimte aan Zijn toorn, want Hij heeft gezegd dat dit Zijn taak is.

‘Dat is Mijn zaak, niet die van jou,’ zegt God. ‘Dat is aan Mij om te doen.

Ik zal het vergelden.

Vertrouw Mij hierin.’ Het kan lijken alsof de goddelozen ermee wegkomen. Het kan lijken alsof degenen die je vervolgen niet worden gestraft. ‘Vertrouw Mij.

Ik zal het vergelden, heeft God gezegd.

De betekenis van vurige kolen

Wanneer hij hier uit Spreuken 25, vers 21 en 22 citeert, zegt hij:

21Als iemand die u haat, hongerlijdt, geef hem brood te eten, en als hij dorstig is, geef hem water te drinken, 22want zo zult u vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.

Spreuken 25:21-22

Dit is je vijand over wie we het hebben.

Hij is niet goed voor jou; hij is een vijand. Maar jij kunt op praktische manieren goed voor hem zijn. Dit is je vijand liefhebben. Als hij honger heeft, geef hem dan te eten.

Nu staat deze regel daadwerkelijk in de spreuk:

Want door dat te doen, stapel je gloeiende kolen op zijn hoofd, en sommige mensen hebben daar moeite mee gehad. Veel predikers hebben geprobeerd het aanstootgevende van deze uitspraak weg te nemen. Je bent goed voor je vijand, maar eigenlijk is dat slechts een passief-agressieve manier om vijandig te zijn, want je hoopt vurige kolen op zijn hoofd. Dat klinkt niet erg christelijk.

Predikers die zich hierbij ongemakkelijk voelen, hebben daarom een verklaring bedacht voor dat ophopen van vurige kolen op het hoofd die naar mijn mening absurd is. Maar ze doen het toch, omdat de gemeente zich daardoor iets beter voelt over wat de Bijbel zegt dan wanneer ze zouden opperen dat ik, door goed te zijn, via een bepaalde list in werkelijkheid een zwaarder oordeel over deze mensen bewerkstellig. Ik ben gewoon op een aardige manier gemeen, toch? Omdat dat hypocriet lijkt en niet werkelijk liefdevol is, moet ik ook dit goed begrijpen. Wat betekent het om kolen op hun hoofd te hopen?

Predikers zeggen vaak, en ik heb dit keer op keer gehoord, dat ze in die tijd geen lucifers hadden. Ze konden niet gewoon een lucifer aanstrijken om het fornuis aan te steken. Het was moeilijk om zonder lucifers een vuur aan te maken, dus hielden ze de hele nacht een vreugdevuur brandend op de binnenplaats van een groep huizen. Ze maakten allemaal gezamenlijk gebruik van dat gemeenschappelijke vuur. Wanneer ze iedere ochtend vuur in hun ovens nodig hadden, moesten ze naar het vreugdevuur gaan, de kolen verzamelen en die meenemen naar hun huis. In het Midden-Oosten dragen mensen dingen op hun hoofd. De vrouwen gingen dus ’s morgens naar buiten om de kolen te halen. Ze brachten die naar huis, maakten het vuur aan en bereidden de maaltijd voor het gezin. En ze namen kruiken mee om de kolen in te doen. Ze zetten die op hun hoofd en droegen ze naar huis. Het is allemaal heel huiselijk, allemaal heel aardig, zonder ook maar enig onheilspellend aspect. Hen met die last helpen en de kolen op hun hoofd hopen, zodat ze die naar hun huizen konden terugdragen, betekent gewoon dat je een aardige kerel bent. Dat is een handje helpen. Dat is hoffelijk zijn. Als je deze aardige dingen doet, help je hen daarmee. Je hoopt de kolen op hun hoofd, waar zij ze willen hebben.

Dit maakt het tot iets heel alledaags, en tot iets heel doms om te zeggen voor iemand die zo verstandig was als Salomo.

Dat is alsof je hem een gunst bewijst. Nou, dat hoef je niet eens te zeggen. En als je wilt zeggen dat dit betekent dat je hem een gunst bewijst, waarom dan juist dit voorbeeld? Is die gunst dat je iemand helpt om ’s morgens kolen op haar hoofd te zetten wanneer ze die naar haar huis wil meenemen? Is dat het beste voorbeeld dat je kunt bedenken van iemand een dienst bewijzen? De meeste van die vrouwen hebben er geen enkele moeite mee ze zelf op hun hoofd te zetten. Het lijkt erop dat andere praktische hulp een beter voorbeeld zou zijn, want de hongerigen te eten geven en de dorstigen te drinken geven is in werkelijkheid een veel grotere gunst dan iemand helpen een kruik met kolen op haar hoofd te zetten. Wat heeft het überhaupt voor zin om dat te zeggen?

Vurige kolen als Gods oordeel

Het punt van de spreuk is hetzelfde als het punt dat Paulus maakt door de spreuk te citeren, en hij werkt verder uit wat hij zojuist uit Deuteronomium heeft geciteerd. In Deuteronomium zei God:

Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe , Ik zal het vergelden, zegt de Heere.

Romeinen 12:19

Paulus zegt dat je jezelf niet moet wreken wanneer je de gelegenheid hebt om wraak te nemen op je vijand. Blijf hem gewoon vriendelijkheid betonen.

Wat zal er dan gebeuren? Uiteindelijk zal het oordeel van God over hem losbarsten. De vurige kolen worden opgehoopt. Als iemand je iets aandoet, is het alsof het oordeel van God hem toekomt. Als jij jezelf wreekt, neutraliseert dat het. De rekening is vereffend en daarom worden er geen vurige kolen meer opgehoopt. Hij verdient geen verder oordeel. Jij hebt dat oordeel al aan hem voltrokken.

Als hij jou kwaad doet en jij hem goeddoet, en hij jou kwaad blijft doen terwijl jij goeddoet, hopen de kolen van het oordeel zich op. Je hoopt vurige kolen op. Nergens in de Bijbel betekenen vurige kolen ooit iets anders dan het oordeel van God. Vurige kolen zijn een veelvoorkomend beeld van het oordeel van God. Er wordt mee gezegd dat die man niet onmiddellijk door jou wordt geoordeeld, en zelfs niet onmiddellijk door God, maar dat hij geoordeeld zal worden. God houdt alles bij. De straf die hem toekomt, stapelt zich op. Je hoopt vurige kolen op.

Ze zijn nog niet op die persoon neergekomen, maar je doet dit juist door het niet te doen. Door hen geen kwaad te doen, laat je een onvereffende rekening openstaan die God moet vereffenen. Hoe meer jij hun goeddoet, des te meer zij jou zouden moeten goeddoen, maar dat doen ze niet. Daardoor stapelt hun schuld zich op. Dit gaat beslist over het oordeel dat zich boven hun hoofden ophoopt en waarvan God heeft beloofd dat Hij het op een zeker moment zal vergelden. Totdat Hij dat doet, is dat oordeel niet verdwenen. Het bouwt zich op. Terwijl je je vijanden goeddoet, stapelt Gods oordeel over hen zich op en wordt het steeds zwaarder. Je hoopt kolen op hun hoofd.

Is dit een manier om gemeen of passief-agressief tegen hen te doen? Nee, je wilt niet dat het oordeel hen treft. Je bent juist vriendelijk tegen hen, omdat je oprecht om hen geeft. Maar voor het geval je je afvraagt of er nooit recht zal worden gedaan, of hen helpen eenvoudigweg betekent dat het onrecht voorgoed zal zegevieren: nee, dat zal niet gebeuren. Er staat nog een rekening open die vereffend moet worden. God houdt alles bij. Je hoopt natuurlijk dat ze zich op een dag zullen bekeren en dat die emmer met kolen geleegd kan worden, maar niet op hun hoofd. We weten echter dat bij degenen die zich niet bekeren, iedere dag waarop ze in zonde leven, meer schuld zich ophoopt. Dat is waar hij het daar over heeft.

Hij heeft het er niet over dat je iemand helpt kolen naar zijn huis te brengen. Volgens mij zou dat een volkomen belachelijke uitspraak in die spreuk zijn. Het slaat helemaal nergens op. Het is gewoon een manier om het niet zo gemeen te laten klinken, want christenen houden niet van gemeen. Christenen houden van aardig. Daarom maken predikers iets aardigs van iets gemeens, of van een eenvoudig oordeel.

Het kwade overwinnen door het goede

Dit is niet gemeen. De vijand is degene die gemeen is. Dat God hem zou oordelen, is niet gemeen. Dat betekent eenvoudigweg dat God ervoor zorgt dat er recht wordt gedaan en dat het onrecht niet zegeviert.

Word niet overwonnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.

Romeinen 12:21

Dit zegt eenvoudigweg hetzelfde op een andere manier. Als je vijand jou iets aandoet wat verkeerd is en jij je omdraait en hem iets aandoet wat verkeerd is, dan ben je door dat kwaad overwonnen. Hij heeft het kwaad in gang gezet en jij hebt met hetzelfde gereageerd. Je bent overweldigd. Zijn handelen heeft jouw handelen bepaald: iets wat je liever niet zou doen en wat van jouw kant zelfs een slechte daad kan zijn. Maar je bent door zijn daad overwonnen.

Je kunt zijn kwaad overwinnen door goed te doen, of op zijn minst het kwaad in jezelf overwinnen dat erop zou reageren. Je draait je om, doet goed en overwint het kwaad. Wanneer iemand jou ten onrechte kwaad doet, is het kwaad in de situatie binnengebracht. Wat ga je doen? Ga je het op jezelf nemen, zelf kwaad doen en met hetzelfde vergelden? Dan word je overwonnen door het kwaad in de daden van iemand anders.

Je hoeft hen niet te laten bepalen of jij wel of niet kwaad zult doen. Die beslissing neem je zelf. Je zegt: ‘Misschien wil je dat ik boos ben. Misschien wil je dat ik je haat. Misschien wil je dat ik een langdurige vete met je heb, maar daar heb ik gewoon geen belangstelling voor. Ik denk dat ik je hiermee toch zal helpen. Ik denk dat ik toch als een liefdevolle naaste met je zal omgaan.’ Dan heb je, door goed te zijn, het kwaad overwonnen dat jou probeerde te overwinnen. Dat is wat Paulus zegt dat christenen moeten doen.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Romans 12:9 - 12:21. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.