Romeinen 7:1-12

Vrij van de wet, verbonden met Christus

1 uur 5 min · Lezing 17 van 29 ·

Opbouw van Romeinen 7: wet en gelovige
Lees de tekst

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/romeinen/7-1-12.pdf. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/romeinen/7-1-12.

Samenvatting

De gelovige is vrij van de wet om voor Christus vrucht te dragen, terwijl de wet zonde zichtbaar maakt en aanwakkert.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt Paulus’ huwelijksanalogie: gelovigen zijn door hun verbondenheid met Christus gestorven voor de wet en behoren nu toe aan Hem Die uit de doden is opgewekt. Hij betoogt dat zij niet door de wet van Mozes, maar door hun nieuwe verhouding tot Christus tot een heilig leven en vrucht voor God komen. Vervolgens legt hij uit dat de wet zonde niet alleen bekendmaakt en veroordeelt, maar door de opstandige menselijke natuur ook zondige verlangens opwekt. Bij Paulus’ uitspraak dat hij door het gebod stierf, verdedigt Gregg de uitleg dat Paulus vanaf het moment van morele verantwoordelijkheid veroordeeld en ten dode opgeschreven was, terwijl de wet zelf heilig, rechtvaardig en goed blijft.

Opbouw van Romeinen 7: wet en gelovige

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Romeinen 7, vers 1 tot en met vers 12.

We komen nu bij Romeinen 7. Je zou kunnen zeggen dat dit hoofdstuk uit drie gedeelten bestaat. Ze gaan allemaal op de een of andere manier over de wet en de gelovige. Ik zou zeggen dat de eerste zes verzen uitleggen waarom we niet onder de wet zijn. Dan wordt er in de verzen 7 tot en met 12 — of misschien 7 tot en met 11, ergens daaromtrent — op gewezen dat de wet, in plaats van een hulp te zijn, er juist toe leidde dat er meer veroordeling kwam. We zijn dat idee eerder al tegengekomen, in hoofdstuk 5. In feite zijn we de meeste ideeën uit de rest van Romeinen al tegengekomen, op zijn minst terloops, in enkele van de eerdere hoofdstukken. De meeste van zijn ideeën werden namelijk ergens al aangeduid, waarna ze in deze hoofdstukken verder worden uitgewerkt. En dan is het laatste gedeelte van Romeinen 7 — laten we zeggen de verzen 13 tot en met 25 — een zeer bekende passage waarin iedere christen die Romeinen heeft gelezen zichzelf heeft herkend en die hem is bijgebleven. Dat is de bekende passage waarin Paulus zegt:

15Wat ik namelijk teweegbreng, doorzie ik niet, want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik. 16En als ik dat doe wat ik niet wil, val ik de wet bij dat zij goed is. 17Nu ben ik het echter niet meer die dit teweegbrengt, maar de zonde die in mij woont. 18Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, niets goeds woont. Immers, het willen is er bij mij wel , maar het goede teweegbrengen, dat vind ik niet. 19Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.

Romeinen 7:15-19

En dit laat zien dat de wet op zichzelf geen innerlijke voldoening of vrijheid van zonde kan brengen. De drie gedeelten van hoofdstuk 7 hebben dus allemaal op de een of andere manier iets met de wet te maken.

En vergeet niet dat de laatste vraag die Paulus eerder, in hoofdstuk 6, vers 15, had gesteld, deze was:

Wat dan? Zullen wij zondigen omdat wij niet onder de wet maar onder de genade zijn? Volstrekt niet!

Romeinen 6:15

Hij had die vraag in de rest van hoofdstuk 6 voorlopig beantwoord door te zeggen: nee, dat moeten we niet doen. Want onder de genade zijn betekent dat we nu het eigendom van de genade zijn, zoals we vroeger min of meer het eigendom van de zonde waren. Vroeger waren we slaven van de zonde. Nu zijn we slaven van de genade, en de genade zal ons er niet toe aanmoedigen in zonde te leven. Als we in zonde leven, zijn we nog steeds slaven van de zonde. De manier waarop je leeft, laat zien wie je meester is, zei hij.

Nu komt hij bij het andere deel van die vraag:

Zullen we zondigen omdat we niet onder de wet vallen, maar onder de genade?

Van slavernij naar huwelijk en vrucht

Hij wil uitleggen hoe het feit dat we niet onder de wet zijn, noodzakelijkerwijs toch betekent dat we niet zondigen. En hij gaat de huwelijksanalogie gebruiken. In hoofdstuk 6, de verzen 15 tot en met 23, gebruikte hij de analogie van de slavenmarkt: we waren slaven van de zonde en nu zijn we slaven van de gerechtigheid. Nu gaat hij een huwelijksanalogie gebruiken: we waren met de wet getrouwd, maar nu zijn we met een Ander getrouwd, namelijk met Hem Die uit de dood is opgewekt.

In dit hele gedeelte, vanaf Romeinen 6:15 tot en met, laten we zeggen, hoofdstuk 7:6, ligt zijn nadruk op vrucht. Je herinnert je dat hij aan het einde van hoofdstuk 6, in vers 21, zei:

Wat voor vrucht dan had u toen van de dingen waarover u zich nu schaamt? Immers, het einde daarvan is de dood.

Romeinen 6:21

En toen zei hij in vers 22:

Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en aan God dienstbaar gemaakt, hebt u uw vrucht, die tot heiliging leidt , met als einde eeuwig leven.

Romeinen 6:22

Zo wordt er ook verder over vrucht gesproken, want in hoofdstuk 7 behandelt hij nog steeds hetzelfde onderwerp. Aan het einde van vers 4 zegt hij bijvoorbeeld:

Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God.

Romeinen 7:4

En dan zegt hij in vers 5, hoofdstuk 7, vers 5:

Want toen wij in het vlees waren, waren de hartstochten van de zonden, die geprikkeld worden door de wet, in onze leden werkzaam om vrucht te dragen voor de dood.

Romeinen 7:5

We zien dus dat ook dat hele gebeuren met die vrucht hier aan de orde is.

Goede vrucht komt voort uit een nieuwe natuur

En dat komt doordat vrucht, zoals ik aan het einde van de vorige lezing over hoofdstuk 6 zei, het natuurlijke product van een bepaalde natuur is. Als je een zondige natuur hebt, zal je vrucht zondig zijn. Je leven zal zondige vrucht voortbrengen. Als je een goddelijke natuur hebt ontvangen, als de genade in je regeert, dan zal er een ander soort vrucht worden voortgebracht.

Dit vormt het antwoord op de vraag welke invloed het op onze manier van leven heeft dat we niet onder de wet maar onder de genade zijn.

O ja, dat heeft wel degelijk invloed, want de wet is niet het enige wat invloed heeft op de manier waarop we leven. Niet onder de wet zijn betekent niet dat we zondigen, alsof de wet het enige is wat iemand ervan zou weerhouden te zondigen. De wet is een uitwendige gedragscode die tegen je natuur in aan je wordt opgelegd om je in bedwang te houden, zodat je niet overeenkomstig je natuur leeft. Je slechte natuur, die zonde is, moet door de wet beteugeld en in bedwang gehouden worden. Maar dat is uitwendige beheersing. Misschien is dat de enige manier waarop je je kunt voorstellen dat goed gedrag tot stand komt: dat er een wet op je drukt en je in boeien houdt, zodat je niet kunt doen wat je wilt doen. Maar er is nog een andere mogelijkheid, en dat is dat je daadwerkelijk vrucht kunt dragen doordat je een nieuwe natuur hebt.

Als je een doornstruik in een sinaasappelboom zou kunnen veranderen, zou die sinaasappels voortbrengen, maar alleen omdat hij dan de natuur van een sinaasappelboom zou hebben. Als je eenvoudigweg sinaasappels op een doornstruik plakt, zullen die sinaasappels niet blijven leven. Ze zullen doodgaan. Ze zullen verschrompelen, omdat de doornstruik niet de natuur heeft die ze voortbrengt of in leven houdt. Hij wordt geen vruchtboom doordat er vruchten aan worden toegevoegd. Vrucht wordt voortgebracht door wat zich vanbinnen in de natuur bevindt. De wet wordt opgelegd om te beperken wat er in die natuur zit. En toen je niet beperkt werd, droeg je vrucht voor de dood. Je droeg vrucht waar je je voor schaamt.

Wat voor vrucht dan had u toen van de dingen waarover u zich nu schaamt? Immers, het einde daarvan is de dood.

Romeinen 6:21

Maar wanneer je uit God geboren bent, wanneer je een slaaf van God bent en wanneer je met God getrouwd bent, gebeurt er iets anders. De vergelijking met het huwelijk biedt ons zelfs meer dan de vergelijking met de slaaf, omdat zij twee aspecten heeft. In zekere zin wordt een vrouw geacht haar man te gehoorzamen. Dat illustreert de verplichting om te gehoorzamen net zo goed als de vergelijking met de slaaf. Maar er is een verschil, want een vrouw en haar man hebben een liefdesrelatie, die slaven vaak niet met hun meesters hebben. Slaven gehoorzamen hun meesters vaak wettisch of onder dwang, terwijl wat een vrouw voortbrengt vrucht is. En natuurlijk gaat het hier om een kind. Het gaat om de vrucht van de schoot.

Bijbelse beelden van geestelijke vrucht

De Bijbel spreekt in het Oude Testament over Gods hartstocht voor goede vrucht. En de beelden voor vruchtdragen die het Oude Testament gebruikt, hebben meestal enerzijds te maken met wijnstokken of een andere vruchtdragende plant, en anderzijds met de vrucht van de schoot, het baren van kinderen. Dat wil zeggen dat geestelijke vrucht soms wordt vergeleken met wat uit een schoot voortkomt. Een geestelijke ontwikkeling wordt vergeleken met de geboorte van een baby.

Jezus zei bijvoorbeeld zelfs in de bovenzaal tegen Zijn discipelen dat een vrouw pijn heeft wanneer ze aan het bevallen is, maar dat ze zich verheugt nadat de baby geboren is, omdat er een mens ter wereld is gekomen. Ze vergeet alle pijn.

21Wanneer een vrouw baart, heeft zij droefheid, omdat haar tijd gekomen is, maar wanneer zij het kind gebaard heeft, denkt zij niet meer aan de benauwdheid, vanwege de blijdschap dat een mens ter wereld gekomen is. 22Ook u hebt dan nu wel droefheid, maar Ik zal u weerzien, en uw hart zal zich verblijden, en niemand zal uw blijdschap van u wegnemen.

Johannes 16:21-22

Hij zegt:

Toch hebben jullie nu verdriet, maar jullie zullen weer blij zijn.

Hij zegt dat er geestelijke ontwikkelingen zullen plaatsvinden. Er zal hier iets geboren worden. Wij maken de pijn door die ermee gepaard gaat wanneer we dat zien gebeuren, maar het zal tevoorschijn komen.

En Jesaja spreekt ook zo over hoe Sion haar kind, haar nageslacht, voortbracht voordat zij barensweeën had.

7Voordat zij weeën kreeg, heeft zij gebaard. Nog voor een wee over haar kwam, heeft zij een jongetje ter wereld gebracht. 8Wie heeft ooit zoiets gehoord? Wie heeft iets dergelijks gezien? Zou een land geboren kunnen worden op één dag? Zou een volk geboren kunnen worden in één keer? Maar Sion heeft nauwelijks weeën gekregen, of zij heeft haar zonen al gebaard.

Jesaja 66:7-8

En hij spreekt over een volk dat vandaag geboren wordt. Volgens mij verwijst dat naar de geboorte van de gemeente.

Met andere woorden, de Bijbel legt in het Oude en het Nieuwe Testament grote nadruk op de noodzaak om vrucht te dragen. En bij vrucht wordt vaak het beeld van plantaardige vrucht gebruikt, zoals toen Jezus zei:

Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen.

Johannes 15:5

Daar wordt het beeld van druiven gebruikt. Hier is het beeld dat van een vrouw die vrucht draagt, dat wil zeggen dat ze een kind krijgt. Het kind dat een vrouw baart, heeft natuurlijk de natuur van de vader van dat kind in zich, en ook de natuur van de moeder. Maar het kind mist de natuur van de vader niet. De vader levert op zijn minst een aanzienlijke bijdrage aan de natuur van het kind. Een kind dat geboren wordt, heeft dus geen andere natuur dan de vader. Het is een afspiegeling van de vader, soms een heel nauwkeurige afspiegeling, soms zijn evenbeeld, maar niet altijd.

Romeinen 7:1-6: gestorven voor de wet

Wanneer Paulus hier dus uiteenzet waarom we de wet niet nodig hebben om te voorkomen dat we in zonde leven, wijst hij erop dat we met Christus getrouwd zijn en dat Zijn vrucht door ons wordt voortgebracht. De gemeente is Zijn bruid. Hij is onze Man.

Terwijl hij dit punt naar voren brengt, zegt hij in hoofdstuk 7, vers 1:

1Of, broeders, weet u niet — ik spreek immers tot mensen die de wet kennen — dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft? 2Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond . 3Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden. Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt. 4Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God. 5Want toen wij in het vlees waren, waren de hartstochten van de zonden, die geprikkeld worden door de wet, in onze leden werkzaam om vrucht te dragen voor de dood. 6Maar nu zijn wij ontslagen van de wet, gestorven aan dat waaraan wij vastgebonden zaten, zodat wij in nieuwheid van Geest dienen, en niet in oudheid van letter.

Romeinen 7:1-6

Leven door de Geest in plaats van de wet

Deze verwijzing naar de Geest zal in hoofdstuk 8 verder worden uitgewerkt. Hij brengt hier het feit ter sprake dat we dienen in een nieuw leven dat door de Geest gegeven is. Maar in plaats van dat nu verder uit te werken, zoals hij in hoofdstuk 8 zal doen, heeft hij in de tussentijd nog enkele dingen over de wet te zeggen.

De Geest is natuurlijk de Geest van Christus. Als we de Geest van Christus in ons hebben, is dat dus een innerlijke geestelijke verandering, en dan is de natuur van Christus in ons. Als we dus de vrucht van Christus dragen, als we met Hem getrouwd zijn en Zijn vrucht dragen, dan zal de vrucht van ons leven op Zijn leven lijken. Daarom hebben we de wet niet nodig. Hij zei zelfs dat we juist vrij van de wet moeten zijn om dit te laten gebeuren. Want hij zegt in vers 5:

Toen we ons door onze menselijke natuur lieten leiden, wakkerde de wet onze zondige verlangens aan.

Weet je, het is niet de wet die ons ervan weerhoudt te zondigen. In sommige opzichten verergert de wet het probleem van de zonde in ons leven. Nu ligt dat helemaal niet voor de hand. Hij stelt het alsof het een vaststaand gegeven is, maar hij heeft het nog niet echt bewezen. Daarom gaat hij in de verzen 7 tot en met 12 duidelijk maken wat hij bedoelt wanneer hij zegt dat de hartstochten van de zonde door de wet werden aangewakkerd of aangevuurd. Want de vragensteller in hoofdstuk 6, vers 15, heeft aangegeven dat de wet nu juist datgene is wat ons ervan zou weerhouden te zondigen. Maar we staan niet onder de wet, dus kunnen we zondigen. Maar hij zegt: nee, de wet weerhoudt ons er niet van te zondigen. De wet wakkert ons zondigen juist aan, als ze al iets doet.

De huwelijksanalogie en het nieuwe verbond

We zullen zijn argument daarvoor pas bespreken nadat we naar deze analogie van het huwelijk hebben gekeken. Want tijdens het uitwerken van deze analogie zegt Paulus duidelijk dat wij met de wet getrouwd waren. Zoals een vrouw verplicht is zich aan de wet van haar man te houden, zo moesten wij ons aan de wet houden. Wij stonden onder de wet zoals een vrouw onder het hoofdschap van haar man staat. Maar wanneer haar man dood is, staat ze niet langer onder haar man. Ze kan met een ander trouwen en in plaats daarvan onder zijn hoofdschap komen te staan. Dat is onze situatie. Wij stonden als het ware onder het hoofdschap van de wet. We waren eraan gebonden en verplicht haar te gehoorzamen. Maar in Christus zijn wij daarvoor gestorven. Ook dit is de verbondenheid die wij hebben in de nieuwe mens, Christus. Zijn dood geldt als onze dood. En omdat we gestorven zijn, is het huwelijk beëindigd.

Nu zit er enige onnauwkeurigheid in de analogie die hij gebruikt. Want in zijn analogie sterft de man van de vrouw en blijft zij in leven om opnieuw te trouwen. In de analogie zijn wij in werkelijkheid degenen die voor de wet gestorven zijn. Toch leven wij, nadat we gestorven zijn, en trouwen we opnieuw. Wat de illustratie van het huwelijk en het punt dat hij maakt met elkaar gemeen hebben, is dat er een verbond was waarin wij aan de wet verbonden waren. Maar wij staan niet meer onder dat verbond. Er is een nieuw verbond met Christus, en dat kan alleen gebeuren als het eerste verbond door de dood beëindigd is. In dit geval was het de dood van Christus, en onze dood in Hem. In een huwelijk zou het niet hetzelfde gevolg hebben, tenzij het de man was die stierf. Maar een sterfgeval binnen het huwelijk beëindigt een verbond.

Paulus over echtscheiding en hertrouwen

Nu zegt hij in de eerste drie verzen wel dingen die bepaalde mensen in verwarring hebben gebracht over Gods houding tegenover echtscheiding en hertrouwen. Want als je zijn woorden los van elke andere context neemt, zouden ze lijken te zeggen dat een gescheiden vrouw niet zou mogen hertrouwen, omdat haar man nog leeft. Over een vrouw die een man heeft, zei Paulus in vers 2:

De vrouw in vers 2 die een man heeft, is volgens de wet aan hem gebonden zolang hij leeft.

En in vers 3 zegt hij:

Dus als ze met een andere man trouwt terwijl haar man nog leeft, pleegt ze overspel.

Het klinkt alsof een vrouw nooit kan hertrouwen voordat haar man sterft.

Zo hebben we in 1 Korinthe 7 een soortgelijke uitspraak van Paulus. 1 Korinthe 7, de verzen 39 en 40, of alleen vers 39 is al voldoende. 1 Korinthe 7, vers 39, zegt:

Een vrouw is door de wet gebonden, zolang haar man leeft. Als haar man echter ontslapen is, is zij vrij om te trouwen met wie zij wil, maar alleen in de Heere.

1 Korinthe 7:39

Dus zowel in 1 Korinthe 7, vers 39, als in de openingsverzen van Romeinen 7, vooral de verzen 2 en 3, wordt betoogd dat een vrouw aan haar man gebonden is zolang hij leeft. Als hij sterft, kan ze hertrouwen. Maar als ze hertrouwt terwijl hij leeft, is ze een overspelige vrouw.

Hoe zouden die woorden dan enige mogelijkheid kunnen openlaten voor een gescheiden vrouw om te hertrouwen als haar man nog leeft? We weten wel dat Paulus elders in 1 Korinthe 7 zei:

Maar als de ongelovige scheiden wil, laat hij scheiden. De broeder of de zuster is in zulke gevallen niet gebonden. God heeft ons echter tot vrede geroepen.

1 Korinthe 7:15

En er zijn andere dingen in wat Jezus en Paulus onderwezen die erop lijken te wijzen dat er bepaalde gronden voor echtscheiding zijn. En waar gronden voor echtscheiding zijn, is hertrouwen niet noodzakelijkerwijs verboden.

Maar Paulus bespreekt het onderwerp echtscheiding niet. Hij spreekt over een vrouw die een man heeft. Dat zou geen gescheiden vrouw zijn. Een gescheiden vrouw heeft een ex-man. Ze heeft geen man. De echtscheiding heeft het huwelijk beëindigd. Als het een rechtmatige echtscheiding is, heeft ze geen man. Hij spreekt over een vrouw die er wel een heeft. Niet over een gescheiden vrouw, maar over een levende vrouw met een levende man. Ze zijn getrouwd en zij gaat met iemand anders trouwen terwijl haar man, haar huidige man, nog leeft en zij nog steeds met hem getrouwd is. Zij zal een overspelige vrouw worden genoemd.

Nu zou dit zelfs van toepassing kunnen zijn als ze wettelijk gescheiden is, maar niet rechtmatig gescheiden. Wat God betreft heeft ze nog steeds een man. Dus als ze hertrouwt, zal ze een overspelige vrouw worden genoemd. Jezus heeft dat gezegd. Jezus zei:

Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot anders dan om hoererij en met een ander trouwt, die pleegt overspel, en wie met de verstotene trouwt, pleegt ook overspel.

Mattheüs 19:9

Daarbij gaat Hij ervan uit dat zij hertrouwt. Dus zelfs een wettelijke echtscheiding is niet noodzakelijkerwijs een garantie dat een vrouw kan hertrouwen. Maar er zijn echtscheidingen die in Gods ogen rechtmatig zijn, en Paulus denkt niet aan die gevallen. Hij spreekt over een vrouw die een man heeft.

Een man hebben en rechtmatig gescheiden zijn

Wat betekent het om een man te hebben? Denk eraan dat Jezus met de vrouw bij de bron sprak. Hij zei:

Ga je man halen.

En zij zei:

De vrouw antwoordde en zei tegen Hem: Ik heb geen man. Jezus zei tegen haar: U hebt terecht gezegd: Ik heb geen man,

Johannes 4:17

Nu had zij wel mannen gehad, maar op dat moment had ze er geen. Waarom niet? Ze was weduwe geworden of gescheiden, of een combinatie van die twee, en dat vijf keer. Ze had vijf eerdere mannen gehad, maar ze had geen man. En Jezus was het daarmee eens. Hij zei:

17De vrouw antwoordde en zei tegen Hem: Ik heb geen man. Jezus zei tegen haar: U hebt terecht gezegd: Ik heb geen man, 18want vijf mannen hebt u gehad en die u nu hebt, is uw man niet; dat hebt u naar waarheid gezegd.

Johannes 4:17-18

Ze sprak dus de waarheid: ze had geen man.

Wat Jezus betreft, heeft een gescheiden vrouw dus geen man. Ze had er vijf gehad, maar ze had geen van hen meer. Een man hebben is dus de toestand van iemand die getrouwd is en niet wettig gescheiden is. Als ze wettig gescheiden is, heeft ze zeker geen man meer, en daarom zijn de woorden van Paulus niet op haar van toepassing. Hij heeft het over een getrouwde vrouw die niet op de een of andere manier wettig gescheiden is. Het spreekt vanzelf dat ze niet met iemand anders kan trouwen zolang ze nog een man heeft. Ze kan niet twee mannen tegelijk hebben, anders is ze een overspelige vrouw. Dat is wat hij zegt.

We kunnen er vrij zeker van zijn dat Paulus echtscheiding niet als mogelijkheid in sommige gevallen wilde uitsluiten. Want voordat hij dit voorbeeld geeft, zegt hij in vers 1:

Of, broeders, weet u niet — ik spreek immers tot mensen die de wet kennen — dat de wet over de mens heerst zolang hij leeft?

Romeinen 7:1

Welke wet zou dat zijn? Dat zou de Joodse wet zijn. Wat zegt die over zulke dingen? Daarover zegt die maar één ding, één enkele keer, en dat staat in Deuteronomium 24. In de eerste drie verzen van Deuteronomium 24 neemt een man een vrouw, maar vindt hij iets onreins in haar en geeft hij haar een scheidbrief. Zij verlaat zijn huis en trouwt opnieuw. Als haar tweede man haar vervolgens ook een scheidbrief geeft, mag zij niet naar haar eerste man terugkeren. Let er nu op dat er niet staat dat ze niet naar een tweede man mag gaan. Het enige wat daar verboden wordt, is dat ze teruggaat naar haar eerste man nadat ze met een tweede man getrouwd is geweest. Ze kan niet opnieuw naar de eerste teruggaan. Ze kan niet van de ene man naar de andere worden doorgegeven. Volgens mij zou dit vrouwen van hun waarde beroven, als mannen zouden zeggen: ‘Goed, nu neem ik haar. Ik neem haar terug. Goed, nu wil ik haar terug.’ Haar doorgeven als een volleybal — je weet wel, ik bedoel, een bonenzak. Dat was verboden. Maar als haar man van haar scheidde, was het haar niet verboden met een andere man te trouwen. Het is alleen zo dat ze, als hij van haar scheidde, niet naar de eerste kon teruggaan.

Er staat dus niets in de wet dat een vrouw onder geen enkele omstandigheid mag scheiden en hertrouwen, en Paulus probeert niet verder te gaan dan de wet. Hij zegt: ‘Ik geef jullie een illustratie uit de wet, en jullie weten wat de wet zegt.’ Wat hij hier dus ook zegt, hij geeft geen nieuwe leer over het recht van een gescheiden vrouw om te hertrouwen. Hij herhaalt alleen wat zij al wisten dat de wet leert. En zij wisten wat die leert. Wij weten dat ook. Een vrouw die een man heeft, kan niet zomaar weggaan en tegelijkertijd een tweede man nemen. De vraag wordt niet aan de orde gesteld of een vrouw die een man heeft in een toestand kan komen waarin ze geen man meer heeft, hoewel de man met wie ze getrouwd was nog leeft. Zij wisten dat het antwoord soms ja was, dat ook dat kon gebeuren. Dat is niet het geval waar hij het over heeft. Hij heeft het over het geval van een vrouw die niet op de juiste manier gescheiden is. Ze heeft een man. Misschien heeft ze helemaal niet geprobeerd te scheiden. En toch denkt ze: ‘Ik zou liever twee mannen hebben dan één.’ Nu weet ik niet of dit ooit in Israël is voorgekomen. Natuurlijk hadden vrouwen wel affaires. Ik denk niet dat ze ooit twee mannen hadden, maar het punt dat hij hier maakt, is in ieder geval niet eens dat een vrouw onder absoluut alle omstandigheden aan haar man gebonden is zolang hij leeft. Het punt dat hij maakt, is dat ze niet meer aan hem gebonden is nadat hij sterft. De nadruk zou beter kunnen worden uitgedrukt door het woord ‘alleen’ toe te voegen: een vrouw is door de wet alleen aan haar man gebonden zolang hij leeft. Daarna niet meer.

De dood maakt vrij van de huwelijksband

En daar is hij heel duidelijk over. Zelfs in vers 1 zegt hij:

Of weten jullie niet, vrienden — ik spreek immers tegen mensen die de wet kennen — dat de wet alleen over iemand heerst zolang die leeft?

En toch gaat hij betogen dat het niet geldt zolang wij leven, want wij zijn gestorven en toch leven wij. Het geldt alleen totdat je sterft, en daarna niet meer. Wat ik hier duidelijk probeer te maken, is dat wanneer Paulus zegt: ‘zolang hij leeft’, hij bedoelt: alleen zolang hij leeft, niet voorbij dat punt. Want je kunt het heel duidelijk zien in vers 2:

Want de gehuwde vrouw is door de wet gebonden aan de man zolang hij leeft. Als de man echter gestorven is, is zij ontslagen van de wet die haar aan de man bond .

Romeinen 7:2

Niet langer dan zijn leven duurt, maar alleen zolang hij leeft. Nadat hij sterft, verandert het beeld. Zelfs als ze nooit gescheiden is, is ze niet meer aan haar man gebonden zodra hij dood is. Ze heeft geen enkele verplichting meer tegenover hem. Dus:

Daarom dan, als zij de vrouw van een andere man wordt terwijl haar man leeft, zal zij een overspelige genoemd worden. Als haar man echter gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspelige is als zij de vrouw van een andere man wordt.

Romeinen 7:3

De nadruk ligt hier dus niet zozeer op de vraag of het ooit mogelijk is om tijdens het leven van je man van een huwelijk bevrijd te worden. Er wordt juist benadrukt dat iedereen weet dat je na de dood van je man van het huwelijk bevrijd bent. Je bent niet langer gebonden dan zijn leven duurt, alleen zolang hij leeft.

En dat is natuurlijk ook het punt dat hij hier probeert te maken, want hij maakt niet werkelijk een punt over het huwelijk en echtscheiding onder christenen. Hij maakt een punt over christenen en de wet. Hij gebruikt een illustratie van iets wat al bekend is, helemaal niet over echtscheiding, maar over huwelijk en weduwschap, om een heel ander punt te maken. Vers 4:

Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren, namelijk aan Hem Die uit de doden opgewekt is, opdat wij vrucht zouden dragen voor God.

Romeinen 7:4

Het punt hier is dat wij met Jezus getrouwd willen zijn, maar dat is een nieuw verbond. Er was een oud verbond. Daar kunnen we niet zonder de dood uit komen. Of laat ik het zo zeggen: misschien waren er manieren om er zonder de dood uit te komen, maar dat is hier niet aan de orde. Na de dood ben je er niet meer aan gebonden. Dat is het punt dat hij maakt.

De sabbat en gehoorzaamheid aan Christus

Nu gebruik ik deze illustratie van Paulus hier vaak wanneer ik spreek met mensen die zeggen dat we de sabbat moeten houden. Want zij zeggen: je houdt duidelijk negen van de Tien Geboden. Waarom houd je dan niet het vierde gebod, de sabbat? Hoe heb je dat ene uitgesloten, terwijl je de andere wel houdt en handhaaft? Het antwoord is: ik houd geen enkel van de Tien Geboden. Het lijkt alleen alsof ik dat doe, omdat ik de geboden van Christus houd. En wanneer ik dat doe, lijk ik negen van de Tien Geboden te houden. Maar de Tien Geboden waren een geheel van wetgeving dat onder het oude verbond aan de Joden werd gegeven. De Tien Geboden zijn niet de verplichting van de christen. Dat was de wet. En toen ik voor de wet stierf, was ik niet langer verplicht ook maar iets ervan te houden. Maar nu ben ik met een Ander getrouwd, en ik ben verplicht alles te doen wat Hij zegt. En wanneer ik doe wat Jezus zegt, blijkt dat ik geen moord pleeg, niet steel, geen overspel pleeg, God niet laster en mijn ouders niet onteer. Waarom niet? Omdat Jezus ook geboden in die richting gaf. De geboden van Jezus overlappen dus met sommige geboden van de wet, maar ze zijn niet hetzelfde.

Het is alsof een vrouw met haar eerste man getrouwd was en hij zei: luister, ik wil dat we hier in dit huis wonen, niet in een andere stad. Ik wil om zes uur ’s morgens ontbijten. Ik wil om zes uur ’s avonds eten. Dus de vrouw zegt: goed, we wonen in dit huis. We ontbijten om zes uur ’s morgens en eten om zes uur ’s avonds. Dan gaat haar man naar zijn werk en komt hij om het leven. Moet ze nu nog in dat huis wonen? Nee. Moet ze wakker worden en om zes uur ontbijten? Niet als ze dat niet wil. Moet ze om zes uur ’s avonds het eten klaar hebben? Helemaal niet. Er is niemand meer voor wie ze verplicht is dat te doen. Hij is dood. Hij is er niet meer.

Goed, dus ze hertrouwt, en haar nieuwe man zegt: ik zou graag in die andere plaats willen wonen, in dat andere huis. En ik zou graag om zes uur ’s morgens ontbijten en om zes uur ’s avonds eten.

Goed, dus de vrouw serveert nog steeds om zes uur ’s morgens het ontbijt en om zes uur ’s avonds het eten. Nu wonen ze in een ander huis, omdat haar nieuwe man dat wil, maar hij wil zijn maaltijden nog steeds op dezelfde tijden. Dus haar buurvrouw zegt: waarom maak je nog steeds maaltijden klaar op de tijden waarop je overleden man dat van je verlangde? Weet je niet dat hij dood is? Je hoeft hem niet te gehoorzamen. Dan zal ze zeggen: ja, dat klopt. Ik maak deze maaltijden niet klaar omdat mijn overleden man ze op dat tijdstip wilde eten, maar omdat mijn huidige man dat wil. Ik doe wat hij wil. We doen niet alles wat mijn eerste man wilde, omdat de wensen van mijn huidige man niet op alle punten hetzelfde zijn. Maar op sommige punten zijn ze dat wel. Daarom lijkt mijn leven onder mijn nieuwe man in sommige opzichten op mijn leven onder mijn vroegere man.

Christus vervangt de wet als onze Meester

En zo is het ook met ons. Onze oude man, de wet, is gestorven. We hoeven niets te doen van wat de wet zegt. Maar we moeten wel alles doen wat Jezus heeft gezegd. Hij is onze nieuwe Man. En zie, sommige dingen die Hij heeft gezegd, zijn dezelfde dingen die de wet zei, maar niet allemaal. En we gehoorzamen Jezus niet vanuit de wet, maar vanuit het feit dat we met Hem getrouwd zijn in een relatie die vrucht draagt, een vruchtbare relatie, zoals een vrouw door kinderen te baren vrucht voortbrengt voor haar man.

En zo laat Paulus zien dat je de wet niet nodig hebt om te zorgen dat je niet zondigt. Je hebt Jezus nodig. En als je Jezus gehoorzaamt, wordt het gehoorzamen van de wet iets wat niet aan de orde is. Nou, het wordt wel een kwestie voor wetticisten, want zij willen dat je bepaalde dingen uit de wet onderhoudt. Ze willen dat je de feesten en de sabbat en de koosjere wetten en al die dingen onderhoudt, en misschien zelfs dat je besneden wordt. Maar Jezus heeft geen van die dingen geboden. De wet deed dat wel, maar Jezus niet, dus doen wij dat niet. We zijn niet onder de wet. Dat is een vroegere echtgenoot die helemaal uit beeld is verdwenen. Niets van de wet, in de zin van de wet van de berg Sinaï, blijft behouden als regel voor ons leven. Maar alles wat Jezus heeft gezegd wel. We zullen dus onder de heerschappij van Christus uiteindelijk zelfs een beter leven leiden dan de Joden ooit onder de wet bij Sinaï hebben geleid. En omdat we voor Hem vrucht dragen, plant Hij Zichzelf in ons voort. De wet heeft dat nooit gedaan, maar Jezus plant Zichzelf in ons voort, zoals een man zich voortplant door zijn vrouw en zijn kinderen. En zo worden Zijn karakter en Zijn natuur deel van ons. Dat is iets wat ons van nature geneigd maakt de juiste soort vrucht te dragen, in plaats van dat ons wetten worden opgelegd om ons ervan te weerhouden uit te leven wat we innerlijk van nature zouden willen doen.

Zo geeft Paulus dus antwoord. Als je dacht dat de wet er was om je van zondigen te weerhouden, en dat we, nu we niet onder de wet zijn, gewoon kunnen gaan zondigen, dan besef je ten eerste niet dat het ongepast is om de meester van de zonde te volgen wanneer je een slaaf van de gerechtigheid bent. En ten tweede hebben we de wet niet nodig om een heilig leven te leiden. We hebben een andere Man, en ook Hij verlangt van ons dat we een heilig leven leiden. In de loop van zijn betoog had hij in vers 5 gezegd: toen we in het vlees waren. Daarmee bedoelt hij de tijd waarin we nog niet wedergeboren waren. In hoofdstuk 8 zal hij deze tegenstelling tussen in het vlees zijn en in de Geest zijn uitleggen. Hij legt die hier niet uit. Hier gebruikt hij die termen zonder uitleg. In hoofdstuk 8 zal hij uitleggen dat in de Geest zijn betekent dat je de Geest van God in je hebt. Dat zegt hij in Romeinen, hoofdstuk 8, vers 9. Hij zegt:

In het vlees en in de Geest

Maar u bent niet in het vlees, maar in de Geest, wanneer althans de Geest van God in u woont. Maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die is niet van Hem.

Romeinen 8:9

Goed, nu je christen bent en de Geest van God in je woont, behoor je dus tot de categorie die hij ‘in de Geest’ noemt. En daarom, zegt hij, ben je niet in het vlees. Hij gebruikt de termen ‘in het vlees’ en ‘in de Geest’ dus in de betekenis van wel of geen christen zijn. Als je in het vlees bent, bedoelt hij dat je in Adam bent. Je bent dan nog geen gelovige. Wanneer je een gelovige wordt, ben je niet in het vlees, maar in de Geest. Als de Geest in je woont, ben je in Christus, ben je in Zijn Geest. We hebben het over de Geest van Christus.

Romeinen 8:9 zegt zelfs, nadat er staat dat je niet in het vlees bent maar in de Geest, als de Geest van God tenminste in je woont:

Als iemand de Geest van Christus niet heeft, hoort die niet bij Hem.

De Geest Die in ons woont, is de Geest van Christus. We zijn dus in Christus, in de Geest van Christus, in plaats van in het vlees, dat wil zeggen: in Adam.

We zouden ons kunnen afvragen waarom Paulus ervoor gekozen heeft dit op deze specifieke manieren en in deze bewoordingen uit te drukken. En als we ooit de kans krijgen om met hem te praten, wat ik hoop, zou ik hem misschien vragen waarom hij ‘in het vlees’ en ‘in de Geest’ heeft gekozen als uitdrukkingen voor deze begrippen. Maar tot die tijd kom ik er misschien niet achter waarom hij daarvoor gekozen heeft. Het is voldoende te weten dat hij ze gekozen heeft en dat dit is wat hij bedoelt wanneer hij ‘in het vlees’ zegt. Hij bedoelt: voordat je christen bent. ‘In de Geest’ betekent: sinds je christen bent.

In sommige christelijke kringen waar ik deel van heb uitgemaakt, worden deze termen ook gebruikt, maar met een andere betekenis. Als iemand bijvoorbeeld niet echt in gehoorzaamheid aan God wandelt, of gewoon geen erg goede christen is, zegt hij misschien: ‘Nou, vandaag ben ik echt in het vlees’, of: ‘Toen ik dat zei, was ik echt in het vlees.’ Of: ‘Op dit moment ben ik echt in de Geest.’ Met ‘op dit moment’ bedoelt hij dan dat hij de Geest voelt, of dat hij zich op de een of andere manier geestelijker voelt dan gewoonlijk. Wij gebruiken de woorden ‘in het vlees’ en ‘in de Geest’ dus soms in een iets andere betekenis dan Paulus, maar we moeten ons ervan bewust zijn dat er een verschil is. Hij gebruikt ze niet zoals wij dat doen. Hij gebruikt ze zoals hij ze gebruikt.

En dus zegt hij in Romeinen 7:5:

Want toen wij in het vlees waren, waren de hartstochten van de zonden, die geprikkeld worden door de wet, in onze leden werkzaam om vrucht te dragen voor de dood.

Romeinen 7:5

Dat betreft de tijd waarin we nog niet behouden zijn.

Door de wet leren we de zonde kennen

Nu zal dat gedeelte, „opgewekt door de wet”, waarschijnlijk bij sommige mensen de aandacht hebben getrokken. Wacht eens even, je praat alsof we het hierover eens zijn. Ik weet niet eens wat je bedoelt. Je zegt dat de hartstochten van de zonde door de wet werden opgewekt, en je praat alsof dat vaststaat. Maar waarom zou ik dat aannemen? Op welke manier wekt de wet hartstochten van de zonde op? Zeg je nu… het klinkt alsof de wet iets slechts is en niet iets goeds. Is het niet de wet van God? Is die niet heilig?

Je zult zien dat Paulus zegt: ja, dat is zo. Kijk naar vers 12.

Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

Romeinen 7:12

Maar als de wet dan heilig is en het gebod heilig, rechtvaardig en goed is, waarom zeg je dan dat de wet zonde opwekt? Wel, dat gaat hij uitleggen. Hij beseft dat dit verwarrend kan zijn.

Vers 7.

Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen dan door de wet. Ik zou immers ook niet geweten hebben dat begeerte zonde was , als de wet niet zei: U zult niet begeren.

Romeinen 7:7

Dit is niet de eerste keer dat hij dit punt naar voren heeft gebracht. Hij deed dat voor het eerst al in Romeinen 3:20. In Romeinen 3:20 zei Paulus:

Daarom zal uit werken van de wet geen vlees voor Hem gerechtvaardigd worden. Door de wet is immers kennis van zonde.

Romeinen 3:20

We weten dus wat zonde is omdat de wet die voor ons omschrijft. We zouden ongetwijfeld dezelfde zonden begaan als we de wet nooit hadden gekend. We zouden alleen niet weten dat het zonden waren. We zouden gewoon doen wat van nature in ons opkomt en geen enkele mogelijkheid hebben om de morele status daarvan te beoordelen. Maar wanneer de wet komt en zegt dat het verkeerd is, weet ik dat wat ik doe zonde is. Anders zou ik dat niet hebben geweten.

Dus zegt hij in vers 7:

Zonder de wet zou ik niet hebben geweten wat zonde was, want ik zou niet hebben geweten wat hebzucht was als de wet niet had gezegd: je mag niet begeren.

Dit is een heel eenvoudig idee. Ik denk niet dat iemand moeite zal hebben om te begrijpen wat hij zei. Het behoeft nauwelijks commentaar. Hij zegt gewoon: toen ik begeerde, wist ik niet dat ik zondigde totdat ik een wet zag die zei:

Je mag niet begeren.

Toen besefte ik: o, wat ik doe is zondigen, en daardoor werd ik mij van mijn schuld bewust.

De wet wekt opstandigheid en begeerte op

Maar nu gaat hij verder en brengt hij een punt naar voren dat niet zo vanzelfsprekend is, maar waarvan je ook niet kunt denken dat het onwaar is. Hij zegt in vers 8:

Maar de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en in mij allerlei begeerte teweeggebracht, want zonder de wet is de zonde dood.

Romeinen 7:8

Kijk, dat is wat hij eerder in vers 5 zei: dat de hartstochten van de zonden in ons door de wet werden opgewekt. Nu zegt hij hetzelfde. Dat is iets anders dan dat de wet alleen maar voor mij omschrijft wat zonde is. De wet vertelt me dat wat ik al deed zonde is. Dat is één ding, en dat is waar, en hij heeft dat punt naar voren gebracht. Dat was een punt dat hij in vers 7 wilde maken.

Maar hij wil nog een ander punt maken. De wet heeft nog een andere nadelige uitwerking: ze wakkert de zonde aan, want er is iets aan een wet wat opstandigheid oproept. Ik wilde niet over het gras lopen totdat ik een bordje zag waarop stond: „Niet over het gras lopen.” Nu is er ineens iets in mij dat dat wil doen. Volgens mij was het F.F. Bruce die vertelde dat er in Engeland een vrouw was die haar beklag deed bij de dominee van de Anglicaanse Kerk. Ze zei: we zouden de Tien Geboden niet aan de muur van het kerkgebouw moeten hangen. Ze brengen mensen op te veel ideeën. Het is alsof je leest:

U zult niet echtbreken.

Exodus 20:14

O, daar had ik tot nu toe nog niet aan gedacht. Maar nu je het zegt: door de geboden op te hangen, breng je mensen op te veel ideeën. Ze dachten er eerst niet aan om te zondigen, maar nu werd die mogelijkheid echt voor hun neus gezet. En dat wekt iets in hen op, wat uiteraard niet de schuld van de wet is. Het is iets wat er aan ons mankeert. Er is iets in ons wat naar zonde neigt en wat ook een afkeer heeft van gezag en van regels. Er zijn veel dingen die ik niet eens wilde doen totdat me werd gezegd dat ik ze niet mocht doen. En toen wilde ik bewijzen dat ik het toch wel kon. Het is iets opstandigs in de zondige natuur. De wet heeft dus de neiging hartstochten op te wekken, verlangens naar datgene wat zij verbiedt.

Dit is nu het aanvullende punt van Paulus. Het belangrijkste punt dat hij maakte, is natuurlijk dat de wet ons niet helpt. Zij omschrijft alleen zonde en veroordeelt ons. Maar er is nog dit andere probleem: het gaat verder dan dat. Zij brengt ons er daadwerkelijk toe zonden te begaan, of maakt dat we zonden willen begaan die we eerder niet begingen. Zij verergert onze zondigheid, niet alleen door er een vergrootglas op te leggen en haar zichtbaar te maken, maar door er daadwerkelijk een groter probleem uit voort te brengen. Hij zegt dat zij in hem allerlei kwade begeerten voortbracht, want zonder de wet was de zonde dood. Wat bedoel je met: de zonde was dood? Wel, in zekere zin was hij minder zondig totdat de wet kwam, nieuwe verlangens opwekte en hem zondiger maakte. En toen kreeg de zonde door de wet meer macht over hem dan zij daarvoor had.

De zonde gebruikt de wet om te doden

En dus zegt hij in vers 9:

Ik nu leefde voorheen zonder wet, maar toen het gebod kwam, is de zonde weer levend geworden. Ik echter ben gestorven.

Romeinen 7:9

En:

En het gebod, dat tot leven had moeten leiden , bleek voor mij de dood te betekenen .

Romeinen 7:10

Want:

Want de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en mij misleid en daardoor gedood.

Romeinen 7:11

Nu wordt er veel gesproken over levend en dood. In vers 9 staat:

Ik stierf.

In vers 10 staat:

Ik ontdekte dat het me de dood bracht.

In vers 11 staat:

Het doodde me.

Wat deed dat? Nou, de zonde deed dat, maar die gebruikte de wet als medeplichtige, misschien als de knuppel waarmee ze me doodsloeg. Hij zegt:

Ik nu leefde voorheen zonder wet, maar toen het gebod kwam, is de zonde weer levend geworden. Ik echter ben gestorven.

Romeinen 7:9

Het was de zonde die mij doodde, niet het gebod. Maar het gebod zorgde ervoor dat de zonde plotseling klaarwakker werd. Het wekte hartstochten in mij op die er eerder niet waren. Hij zegt:

En het gebod, dat tot leven had moeten leiden , bleek voor mij de dood te betekenen .

Romeinen 7:10

Niet dat het gebod mij doodde. Dat deed de zonde. In vers 11 staat:

Want de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en mij misleid en daardoor gedood.

Romeinen 7:11

Hij maakt heel duidelijk dat de zonde de moordenaar is, niet het gebod. Maar zoals de zaken nu eenmaal hebben uitgepakt met onze zondige natuur en onze opstandige neigingen, heeft het gebod er alleen maar toe geleid dat wij meer zondigen en sterker aan de zonde gebonden raken.

Wat Paulus met dood en leven bedoelt

Nu staat deze bespreking van dood zijn tegenover wat er in vers 9 staat:

Ik leefde.

Maar wat bedoelt hij hier met leven en dood? Paulus zegt niet dat hij lichamelijk leefde en vervolgens lichamelijk stierf, want als dat zo was, zou hij deze woorden niet schrijven. Dan zou hij dood zijn geweest. Dode mensen vertellen geen verhalen, en hij vertelt hier verhalen, dus hij is niet dood. In welke zin bedoelt hij dan dat hij stierf? Het is duidelijk beeldspraak. Het gaat niet over een letterlijke dood. Dus wat is het dan? Nou, sommigen zouden kunnen zeggen dat het over geestelijke dood gaat, en daar zou ik geen bezwaar tegen hebben. Alleen ben ik bang dat de term ‘geestelijke dood’ enigszins dubbelzinnig is. Sommige mensen denken namelijk dat geestelijke dood veel lijkt op echte dood, gewone dood, maar dan de dood van de geestelijke mens. Ze gaan zelfs zover dat ze zich beroepen op wat Paulus in Efeze 2 zegt, en ook in Kolossenzen 2:

Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt , u die dood was door de overtredingen en de zonden,

Efeze 2:1

Volgens hen betekent dit dat er gewoon niets in je is wat geestelijk leeft. Maar ik denk niet dat dat waar is. Ik denk dat mensen die geen christen zijn enige geestelijke neiging hebben. Ik denk dat Cornelius, die niet wedergeboren was, zich geestelijk tot God aangetrokken voelde. Ik denk dat er in veel godsdiensten mensen zijn die wensen dat ze God konden vinden, omdat er ergens in hen een vonkje van geestelijke dorst is. Als we de term ‘geestelijk dood’ gebruiken — en tussen haakjes, de Bijbel gebruikt die nooit, de Bijbel gebruikt de term ‘geestelijk dood’ nooit — dan gebruiken we gewoon een term die een theologisch begrip is geworden. Meestal wordt die gebruikt voor de passages waarin Paulus zei dat wij:

Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt , u die dood was door de overtredingen en de zonden,

Efeze 2:1

waren. Dat is niet dezelfde uitdrukking als ‘geestelijk dood’, en het zou in feite een andere betekenis kunnen hebben. Het grootste probleem met het gebruik van de term ‘geestelijk dood’ is dat er misschien wel een werkelijk Bijbels begrip is dat je zo zou kunnen noemen, maar dat die term vaak verkeerd wordt opgevat als ‘geestelijk niet-bestaand’, alsof er geen enkele vorm van geestelijkheid is. Ik ben bang dat de Bijbel geen steun biedt voor het idee dat iedereen die geen christen is, volkomen verstoken is van elke geestelijke belangstelling. En de geschiedenis en de werkelijkheid bieden daar beslist geen steun voor. Er is veel geestelijkheid in de newagebeweging en in het hindoeïsme. Maar luister, dat zijn geestelijke dingen. Het zijn alleen geen dingen die behoud brengen. Mensen hebben geestelijke belangstelling, of zoals Tim zei: de mens is een religieus wezen. Dus als we de term ‘geestelijk dood’ gebruiken, of zeggen: ‘Ik stierf geestelijk’, dan kunnen we er maar beter voor zorgen dat we niet allerlei bagage in die uitdrukking binnenhalen die de indruk zou wekken dat mensen geen enkele geestelijke belangstelling hebben tenzij ze wedergeboren zijn.

Eén reden waarom ik dat punt naar voren breng, is dat onze calvinistische vrienden zeggen dat totale verdorvenheid betekent dat wij dood waren:

Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt , u die dood was door de overtredingen en de zonden,

Efeze 2:1

of geestelijk dood. Daarom waren wij volgens hen totaal niet in staat om aan bekering of geloof te denken, of God te willen behagen, omdat wij geestelijk dood waren. Voor hen betekent dat dat wij absoluut geen enkele geestelijke belangstelling hadden, omdat onze geest dood was. Nu gebruikt Paulus de term ‘geestelijke dood’ niet. Als je zijn woorden letterlijk neemt, klinkt het alsof hij het eigenlijk over de lichamelijke dood heeft. Maar waarschijnlijk heeft hij het daar ook niet over, want hij spreekt in de verleden tijd:

9Ik nu leefde voorheen zonder wet, maar toen het gebod kwam, is de zonde weer levend geworden. Ik echter ben gestorven. 10En het gebod, dat tot leven had moeten leiden , bleek voor mij de dood te betekenen . 11Want de zonde heeft door het gebod een aanleiding gevonden en mij misleid en daardoor gedood.

Romeinen 7:9-11

Dood als beeld voor ten dode opgeschreven

Nu moeten we begrijpen hoe het woord ‘dood’ wordt gebruikt. We zagen dit in Romeinen 4. Daar staat dat Abraham, toen hem werd verteld dat hij kinderen zou krijgen, zijn lichaam niet als reeds gestorven beschouwde, omdat hij ongeveer honderd jaar oud was, en evenmin de doodsheid van Sara’s moederschoot. Dat is Romeinen 4:19. Abrahams lichaam was dood toen hij honderd jaar oud was, maar hij werd honderdvijfenzeventig. In welke zin was zijn lichaam dan dood?

Toen we Romeinen 4 behandelden, zagen we dat er een kruisverwijzing in Hebreeën 11 staat die over hem op dat moment spreekt. Daar staat dat hij

zo goed als dood was

Hebreeën 11:12

Het woord dood klinkt nogal absoluut, maar het is een beeldspraak voor zo goed als dood zijn. Niet letterlijk dood, maar zo goed als dood. In welke zin? Het kan betekenen: zo goed als dood als het gaat om het krijgen van kinderen, zoals bij hem het geval is. Dat wil zeggen dat hij in dat opzicht niet méér tot stand kon brengen dan een dode man. Maar zo goed als dood kan ook betekenen: ten dode opgeschreven, zonder enige hoop gedoemd om te sterven. Zo goed als dood.

Dus wanneer het vliegtuig brandend neerstort en de persoon die naast je zit zich omdraait en zegt: „We zijn dood”, dan gebruikt diegene een uitdrukking die we volkomen begrijpen. Die persoon zegt niet letterlijk dat we gestorven zijn, maar maakt duidelijk dat het onvermijdelijk is. We kunnen hier onmogelijk levend uit komen. We zijn dood.

In de Schrift wordt het woord dood dus vaak precies zo gebruikt. Toen Abimelech bijvoorbeeld Sara in zijn harem had opgenomen, wist hij niet dat zij Abrams vrouw was. Hij dacht dat zij zijn zus was, dus hij deed dat tamelijk onschuldig. God verscheen ’s nachts aan Abimelech en zei, in de Engelse vertaling waarop Gregg zijn woordspel baseert:

Je bent een dood man.

Welnu, de man was niet dood. Niet letterlijk, en zelfs niet noodzakelijkerwijs geestelijk dood. Hij was zo goed als dood. Hij zou sterven. Hij bevond zich op een weg die onvermijdelijk in de dood zou eindigen, tenzij hij natuurlijk zijn handelwijze veranderde. En hij kreeg de kans om dat te doen.

Van iemand kon dus worden gezegd dat hij dood was, zoals van Abimelech, eenvoudigweg omdat hij ten dode opgeschreven was. De dood is onvermijdelijk. De dood is het volgende wat hij kan verwachten. Het is een manier van spreken, zowel in de Bijbel als tegenwoordig, en waarschijnlijk in alle culturen. Dus dood of gestorven zou eenvoudig kunnen betekenen: ik kwam in de situatie terecht waarin ik ten dode opgeschreven was. Ik was veroordeeld om te sterven.

Dood betekent veroordeeld en verloren

Dit zou ook passen bij Paulus’ uitspraken dat wij dood waren door overtredingen en zonden voordat we christenen waren. Hij spreekt dan niet over een subjectieve toestand van geestelijk verlies, over het ontbreken van hersengolven in de geest, of over het volkomen ontbreken van levenstekenen. Hij bedoelt veeleer dat we ten dode opgeschreven waren. Door onze overtredingen en zonden waren we tot het oordeel gedoemd. We waren gedoemd te sterven. Het loon van de zonde is de dood, en daar bevonden wij ons. Dat was wat ons te wachten stond.

Ik denk persoonlijk dus dat Paulus hier eenvoudigweg zegt dat de zonde hem ten dode opschreef, wanneer hij zegt dat de zonde hem doodde, hem dood maakte, dat hij dood werd en dat de zonde voor hem de dood betekende. Toen de wet eenmaal kwam en mijn zonde werd omschreven, kon ik zien dat ik misdrijven had begaan waarop de doodstraf stond. Ik ben ten dode opgeschreven. Ik ben dood. Ik ga sterven. Dat is wat ik verdien. Ik ben een zondaar.

Het interessante hiervan is dat, als we concluderen dat hij met dood zoiets als verloren bedoelt, dat een redelijke manier zou zijn om het te zeggen. Denk tenslotte aan de verloren zoon die thuiskwam. Wat zei zijn vader? Hij zei:

Want deze, mijn zoon, was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn.

Lukas 15:24

Hij was verloren, maar nu is hij gevonden. Het is duidelijk dat dood en verloren daar als onderling verwisselbare woorden werden gebruikt. Hij was dood, dat wil zeggen: ik was hem kwijt. Hij was... Hij leeft nu, dat wil zeggen: hij is gevonden. Ik heb hem teruggekregen. Je kunt dus zien dat dood als beeldspraak verloren kan betekenen, en waarschijnlijk betekent het veroordeeld, veroordeeld om te sterven. Als Paulus dus zegt dat het gebod hem veroordeelde toen het kwam, zou dat heel redelijk zijn, want hij had eerder gezegd:

Want totdat de wet er kwam , was er wel zonde in de wereld. Zonde wordt echter niet toegerekend als er geen wet is.

Romeinen 5:13

Dat zei hij in Romeinen 5:13.

De wet en de leeftijd van verantwoordelijkheid

Als dat is wat Paulus zegt, kunnen we een nogal interessante constatering doen, namelijk dat er een moment was waarop hij niet op die manier dood was. Hij zei:

Ik nu leefde voorheen zonder wet, maar toen het gebod kwam, is de zonde weer levend geworden. Ik echter ben gestorven.

Romeinen 7:9

Welnu, als dood veroordeeld en verloren en ten dode opgeschreven betekent, dan zou levend zijn betekenen dat dit niet zo was.

Als dood betekent dat iemand dood is voor God, zoals de vader van de verloren zoon zei dat zijn zoon dood voor hem was — dat betekent niet dat de man letterlijk dood was, maar dat ze zodanig van elkaar vervreemd waren dat de zoon voor de vader zo goed als dood was — wanneer werden wij dan dood voor God? Werden we zo geboren? Dat is de vraag. Paulus niet. Hij zei dat hij oorspronkelijk levend was op de specifieke manier waarover hij het heeft. Hij was niet altijd dood. Hij werd dood toen hij zich bewust werd van de wet, toen het gebod tot hem kwam en hij toerekeningsvatbaar werd.

Ik wil niet verder gaan dan Paulus doet, maar de bewoording lijkt noodzakelijkerwijs te betekenen dat hij niet geloofde dat een baby ten dode opgeschreven geboren wordt. Het lijkt erop dat ieder mens een punt van toerekeningsvatbaarheid bereikt wanneer hij zich bewust wordt van de morele wet. Mensen worden zich bewust van morele eisen, en ze worden zich ervan bewust dat ze zich daar niet aan hebben gehouden. Op dat moment doodt het hen.

Toen Paulus zei dat de Efeziërs en de Kolossenzen dood waren in zonden, zei hij niet dat ze zo geboren waren. Hij zei dat ze zo waren voordat ze behouden werden, maar ze waren allemaal volwassen bekeerlingen, of de meesten van hen waren dat. Paulus was naar Efeze gekomen, en ook Kolosse was geëvangeliseerd. Dit waren geen mensen die als christenen waren opgevoed. Dit waren mensen die op volwassen leeftijd behouden werden, lang nadat ze de leeftijd van toerekeningsvatbaarheid hadden bereikt. Tegen de tijd dat ze gevonden werden, waren ze dood. Maar Paulus zegt nergens dat iemand zo geboren werd.

Totale verdorvenheid en de schuld van kinderen

Toen we naar hoofdstuk 1 keken, zagen we dat dit hoofdstuk vaak wordt gebruikt ter ondersteuning van de calvinistische leer van de totale verdorvenheid. Dat is natuurlijk een leer die inderdaad stelt dat mensen geboren worden als volkomen geestelijk dood en slecht, als mensen die God haten en verloren zijn, enzovoort. En daarbij komt natuurlijk de vraag kijken waarover we eerder gesproken hebben, over de schuld van zuigelingen en wat er gebeurt met een zuigeling die sterft. Volgens sommige opvattingen worden ze als zondaars geboren. Ze worden schuldig geboren. Ze worden verloren geboren. Ze worden geboren met hun ondergang al vaststaand. Dus een baby die sterft, gaat naar de hel. Waar zou die anders heen moeten?

Maar Paulus leert die leer niet. Zelfs in Romeinen 1 leert Paulus dat de mensen die slecht werden, slecht werden vanuit een toestand waarin ze niet zo slecht waren. Ze begonnen met kennis van God, maar daarna veranderden ze. Ze verdrongen God uit hun gedachten, hun hart werd verduisterd, hun denken werd zinloos en ze werden steeds slechter en slechter en slechter. Hij beschrijft geen mensen die geboren werden in een toestand waarin ze God haatten. Hij zei dat dit mensen waren over wie Gods toorn kwam, omdat ze God kenden en de waarheid onderdrukten. Kleine kinderen zijn daar gewoonlijk niet schuldig aan, en zuigelingen zeker niet. Mensen komen echter wel op dat punt wanneer ze de leeftijd van morele verantwoordelijkheid bereiken. Ze kennen dan het verschil tussen goed en kwaad en doen toch wat verkeerd is. Dat doodt hen. Daardoor worden ze moreel verantwoordelijk. Ze hebben een misdaad begaan en zullen hun straf moeten uitzitten.

Zuigelingen en het Koninkrijk van God

Dit is dus wat ik Paulus hoor zeggen: later in mijn leven ontdekte ik dat de wet waarmee ik bekend was, mij alleen maar ter dood had veroordeeld. Maar er was een tijd daarvoor waarin de wet dat niet deed, omdat ik de wet niet kende. Volgens mij verwijst hij naar een periode in mijn zuigelingentijd en vroege kinderjaren waarin ik nog niet met de wet bekend was geraakt. Ik had die nog niet geleerd.

Nu is het interessant dat Paulus de zoon van een farizeeër was. Daarom zal de wet van Mozes hem thuis waarschijnlijk vanaf zijn vroegste jeugd zijn onderwezen, maar een zuigeling kan die niet begrijpen. Een zuigeling kan het gewicht van morele kwesties niet beoordelen. Een kind moet een bepaald niveau van moreel inzicht bereiken voordat het zegt: dat is echt verkeerd. Niet alleen omdat iemand tegen mij heeft gezegd dat het verkeerd is, maar omdat ik in mijn hart weet dat het verkeerd is. Iedereen bereikt dat punt, behalve misschien mensen met een zeer ernstige verstandelijke beperking die dat niveau van volwassenheid nooit bereiken. Maar normaal gesproken bereiken mensen een toestand waarin ze het verschil kennen tussen goed en kwaad. Ze overtreden dan wat volgens hun eigen kennis juist is, en worden zondaars.

Maar dit lijkt er wel op te wijzen dat de toestand van een zuigeling niet de toestand is van dood en verloren zijn, enzovoort. Toen mensen zuigelingen bij Jezus brachten — Lukas 18:15 noemt hen uitdrukkelijk zuigelingen en Markus 10 beschrijft dezelfde gebeurtenis — probeerden de discipelen de ouders weg te sturen en de zuigelingen te laten vertrekken. En Jezus zei:

Maar toen Jezus dat zag, nam Hij het hun zeer kwalijk en zei tegen hen: Laat de kinderen bij Mij komen en verhinder hen niet, want voor zodanigen is het Koninkrijk van God.

Markus 10:14

Daarmee zei Hij dat deze baby’s bij het Koninkrijk van God hoorden. Ze hoorden niet bij het koninkrijk van de hel. Ze hoorden niet bij het koninkrijk van de duisternis omdat ze nog niet oud genoeg waren om Jezus als hun persoonlijke Zaligmaker aan te nemen, of iets dergelijks, zoals wij soms in ons christelijke jargon zouden zeggen. Als zuigelingen waren ze al in het Koninkrijk. Pas wanneer ze het stadium van morele verantwoordelijkheid bereiken, zoals iedereen vrij vroeg in zijn leven doet, worden ze door de zonde gedood. Dan zijn ze dood in hun overtredingen en zonden. Daarna zullen ze niet opnieuw leven, tenzij ze opnieuw geboren worden. En misschien wijst zelfs het beeld van opnieuw geboren worden juist op ditzelfde. Want om als volwassene behouden te worden, moet je opnieuw geboren worden. Betekent dit misschien dat je daardoor tegenover God weer de positie krijgt die je had toen je de eerste keer geboren werd, maar die je verloor toen je een zondaar werd die wist wat hij deed? Ik weet het niet. Ik wil dit soort dingen niet al te sterk doordrijven, omdat het alleen van belang is in gevallen waarin baby’s sterven. Wat mij betreft is de Schrift tamelijk duidelijk. Baby’s die sterven, zijn in Gods handen. Over zulke kinderen, namelijk deze zuigelingen, zegt Jezus immers dat het Koninkrijk van God voor hen is. Zodra iemand de leeftijd van morele verantwoordelijkheid heeft bereikt, heeft hij hoe dan ook gezondigd. Dan wordt het een irrelevante vraag of zulke mensen verloren of behouden waren toen ze zuigelingen waren. Ze zijn geen zuigelingen meer, dus het doet er niet toe. Veel hiervan is dus theoretisch, tenzij je echt iemand bent die een baby heeft verloren, of probeert te praten met iemand die dat heeft meegemaakt.

De wet is goed, maar de mens is zondig

Paulus zegt dus inderdaad dat de wet de zaken voor hem ingewikkelder maakte. De wet maakte hem niet tot een beter mens. Ze maakte hem tot iemand die zich bewuster was van zijn zondigheid. Hij droeg schuld met zich mee, en de wet wekte hartstochten in hem op waaraan hij eigenlijk nooit had gedacht, totdat de wet kwam en zei: doe dit niet. En daarom zegt hij in vers 12:

Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

Romeinen 7:12

Waarom staat daar dan ‘daarom’? Alles wat hij eerder heeft gezegd, lijkt erop te wijzen dat de wet helemaal niet zo goed was. De wet is het werktuig dat de zonde gebruikte om hem ermee op zijn hoofd te slaan en hem te doden. Hoe kan daar dan als uiteindelijke conclusie uit volgen: daarom is de wet goed? Nou, het klinkt juist alsof de wet niet mijn vriend was. Het klinkt juist alsof ze een werktuig van de vijand was. Hoe kom je dan tot die conclusie?

Nou, Paulus gaat zeggen: als christen moet ik toegeven dat de norm in de wet een heilige norm is. Het is een goede norm. Het probleem was niet dat de wet geen goede norm was. Het probleem zat in mij. En dat gaat hij in vers 14 zeggen:

Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde.

Romeinen 7:14

Begrijp dus dat hier een conflict is. Daarom doet de wet mij kwaad: omdat ze te heilig voor mij is. Ze is geestelijk en heilig en rechtvaardig en goed, maar ik ben geen van die dingen. En omdat ze niet naar beneden toe verandert, omdat ze de lat niet verlaagt om zich aan mijn toestand aan te passen, is ze gewoon heilig. Ze is volmaakt. Tenzij ik volmaakt ben, zal ze mij veroordelen.

En dus wil hij niet dat iemand de indruk krijgt dat hij niet van de wet houdt, of dat hij denkt dat de wet iets slechts is. De psalmist hield beslist van de wet van God, en eerlijk gezegd houden alle vrome Joden van de wet. En Paulus hield ervan. Zelfs als christen hield hij ervan. Let op wat hij in vers 22 zegt. Hij zegt:

22Want naar de innerlijke mens verheug ik mij in de wet van God. 23Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die tegen de wet van mijn verstand strijd voert en mij tot gevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is.

Romeinen 7:22-23

Paulus heeft dus niets slechts te zeggen over Gods wet, voor zover je haar als het ware wilt beoordelen op goedheid of slechtheid. Ze is volkomen goed. En als ik volkomen goed was, zouden de wet en ik heel goed bij elkaar passen. Maar wij passen niet bij de wet, en dat gaat hij in de verzen 13 tot en met 25 uiteenzetten, waarop we zullen terugkomen.

Maar het punt hier is: ik heb gezegd dat de wet niets heeft geholpen. Ik heb gezegd dat de wet alleen maar veroordeelde en de zonde in mij verergerde. Maar ik wil dat je weet dat dit geen gebrek in de wet is. De wet heeft geen enkel gebrek. Het is een volmaakte wet. Maar er is iets in mij dat verslagen moet worden. En daar gaat hij het over hebben in de rest van hoofdstuk 7, het derde gedeelte ervan. En dan zal dat ons natuurlijk leiden naar de oplossing van het probleem. Die oplossing is niet de wet, maar wordt in hoofdstuk 8 naar voren gebracht. Dus stoppen we hier en komen we terug bij de rest van hoofdstuk 7.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Romans 7:1 - 7:12. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.