Romeinen 15-16
Elkaar aanvaarden, reisplannen en groeten
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/romeinen/15-16.pdf. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/romeinen/15-16.
Samenvatting
Paulus roept christenen op elkaar te aanvaarden en rondt zijn brief af met zijn reisplannen, groeten en laatste aansporingen.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt hoe sterke christenen rekening moeten houden met zwakkeren, anderen boven zichzelf moeten stellen en elkaar moeten aanvaarden zoals Christus hen heeft aanvaard. Hij legt uit dat het Oude Testament christenen blijft onderwijzen en dat de opname van de heidenen volgens Paulus altijd deel uitmaakte van Gods plan en in de gemeente wordt vervuld. Vervolgens behandelt hij Paulus’ bediening onder de heidenen, zijn reisplannen, de collecte voor de gelovigen in Jeruzalem en zijn verzoek om gebed. Ten slotte bespreekt hij de vele groeten aan gelovigen in Rome, de waarschuwing tegen verdeeldheid zaaiende leraren en Paulus’ afsluitende lofprijzing over het geopenbaarde Evangelie.
De sterken dragen de zwakken #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Romeinen 15 en 16.
Wanneer we aan Romeinen hoofdstuk 15 beginnen, gaan we duidelijk verder met de bespreking uit hoofdstuk 14. Dat hoofdstuk was gewijd aan de spanning die bestond in de gemeente van Rome, en die werkelijk overal in het lichaam van Christus bestaat waar christenen te vinden zijn: de spanning tussen mensen met de ene reeks overtuigingen en mensen met een andere reeks overtuigingen. Paulus’ vrijheidsgezinde houding was dat je je niet hoeft te onderwerpen aan de overtuigingen van iemand anders. Je hebt vrijheid. Maar belangrijker dan je eigen vrijheid is je liefde voor je broeder. Als je gebruik van die vrijheid je broeder ten val zal brengen, dan moet je je vrijheid beperken, ten minste in het bijzijn van die persoon, om hem niet ten val te brengen. Dat is wat hij helemaal tot aan het einde van hoofdstuk 14 heeft gezegd.
Hij gaat verder in hoofdstuk 15:
Maar wij die sterk zijn, zijn verplicht de zwakheden van hen die niet sterk zijn te dragen, en niet onszelf te behagen.
Opnieuw zijn de zwakken degenen die een gevoelig geweten hebben, degenen die kwetsbaar zijn en gemakkelijk ten val worden gebracht. Ze hebben misschien een wat wettischer aard, en hun geweten geeft hun niet zoveel vrijheid. Ze zijn zwak in hun geweten. De sterken zijn degenen die geen gevoelig of kwetsbaar geweten hebben en niet gemakkelijk van hun stuk worden gebracht. Ze weten wat ze geloven, ze weten dat ze vrijheid hebben en ze maken zich daar geen zorgen over.
Het spreekt vanzelf dat van de zwakken niet gevraagd kan worden dat zij de kracht van de sterken verdragen, want zij zijn zwak. Juist hun zwakheid maakt het onmogelijk om van hen te eisen dat ze doen wat alleen sterke mensen kunnen doen. De sterkere partij moet dus de zwakheden van de zwakken verdragen en zich aan hen aanpassen. Net zoals je niet van een kind kunt verwachten dat het zijn ouders onderhoudt — de ouders moeten het kind onderhouden — is de zwakkere afhankelijk van de sterke. Als jij toevallig meer vrijheid in je christelijke leven hebt dan iemand anders, dan is het aan jou om je aan te passen aan degene die niet zo veel vrijheid heeft.
Hij zegt:
Wij die sterk zijn, moeten rekening houden met de gewetensbezwaren van de zwakken en niet alleen doen waar we zelf zin in hebben.
Onszelf behagen zou betekenen dat we zeggen: ‘Waarom zou ik hem mijn gedrag laten beperken? Ik drink graag wijn. Ik kleed me graag zoals ik me wil kleden. Ik eet graag vlees waarvan zij vinden dat ze het niet moeten eten. Waarom zou ik mezelf beperken?’ Hij zegt: ‘Omdat je hier niet bent om jezelf te behagen. Je bent hier om God te behagen, niet jezelf.’
God en de naaste behagen boven jezelf #
Laat daarom ieder van ons zijn naaste behagen ten goede, tot opbouw.
Dat wil zeggen dat we onze naaste vóór onszelf moeten stellen. En nog meer dan onze naaste moeten we God vooropstellen. Als je als klein kind op de zondagsschool hebt gezeten, heb je geleerd dat het geheim van vreugde is om alles in deze volgorde te zetten: Jezus, anderen en jij. Eerst Jezus behagen, als tweede anderen behagen en als laatste jezelf behagen. Dat is de volgorde van belangrijkheid. Zo kun je gelukkig zijn in Jezus. Dat is het geheim van het Engelse woord ‘joy’, vreugde: J-O-Y — Jesus, others, you, oftewel Jezus, anderen en jij.
Paulus zou aanvoeren dat God behagen, Jezus behagen, het belangrijkste is. Maar zelfs op menselijk niveau moet het behagen van anderen vóór het behagen van jezelf komen. Hij zegt: ‘We moeten niet onszelf behagen; laten we onze naaste vóór onszelf behagen.’
In Romeinen 15:3 voegt Paulus daaraan toe dat ook Christus Zichzelf niet behaagde, waarna hij de volgende woorden uit Psalm 69 aanhaalt:
Want de ijver voor Uw huis heeft mij verteerd; al de smaad van wie U smaden, is op mij gevallen.
Dit is een citaat uit het Oude Testament, uit Psalm 69:9, en het is een Messiaanse psalm. Christus aanvaardde de smaad van degenen die God smaadden. Iemand kan afstand nemen van God en daardoor verkeren in het gezelschap van mensen die God smaden, maar die smaad treft jou niet, omdat je niet met Hem verbonden bent. Maar door je met God te verbinden, aanvaard je dat de smaad die over Hem komt, ook over jouzelf komt. Je deelt in het lijden van Christus doordat je je met Hem verbindt.
Christus deed dat in Zijn verhouding tot Zijn Vader. Christus behaagde Zichzelf niet. Hij nam onaangename omstandigheden op Zich doordat Hij God behaagde. De vervolging en smaad die over God kwamen, sijpelden nu door naar Hem vanwege Zijn verbondenheid met Zijn Vader. Wij moeten dus ook de gezindheid van Christus hebben. Onszelf behagen is iets wat we soms moeten opofferen om God en anderen te behagen, want wanneer wij anderen meer behagen dan onszelf, behaagt dat God.
Wanneer hij zegt dat we anderen moeten behagen, moeten we oppassen dat we dit niet verkeerd opvatten. Paulus gaf in Galaten 1:10 aan dat hij geen mensen behaagt. Hij zegt:
Want ben ik nu bezig mensen te overtuigen, of God? Of probeer ik mensen te behagen? Als ik immers nog mensen behaagde, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn.
Wat hij bedoelt, is dat hij weet wat hij bij de prediking van het Evangelie moet doen. Als wat hij predikt de mensen niet behaagt, dan zij het zo. Hij moet God gehoorzamen, ook als dat de mensen niet behaagt.
Petrus zei hetzelfde toen het Sanhedrin er zeer ontstemd over was dat hij het Evangelie predikte. Ze zeiden:
En na hen geroepen te hebben, gaven zij hun het bevel helemaal niet meer te spreken of te onderwijzen in de Naam van Jezus.
Hij zei:
Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen.
Wanneer het erom gaat God of mensen te behagen, moeten we God behagen, niet mensen. Wanneer het erom gaat mensen te behagen of alleen onszelf, moeten we anderen vóór onszelf stellen. God heeft de hoogste prioriteit. We moeten Hem behagen, ook als dat betekent dat we mensen mishagen. Maar als we mensen zouden kunnen behagen door eenvoudigweg ons eigen genoegen op te offeren, dan is dat de betere handelwijze: anderen behagen in plaats van alleen onszelf.
De Schrift onderwijst en geeft hoop #
Want alles wat eertijds geschreven is, is tot onze onderwijzing eerder geschreven, opdat wij in de weg van volharding en vertroosting door de Schriften de hoop zouden behouden.
De dingen die vroeger geschreven zijn, verwijzen ongetwijfeld naar de Schrift die hij zojuist aanhaalde en die eerder geschreven was, in Psalm 69:9. Die gaat in wezen over Christus, maar is geschreven tot onze onderwijzing, om ons iets te leren. Wij proberen tenslotte navolgers van Christus te zijn. Wij streven ernaar Zijn gezindheid te hebben. Deze Schriften, die ons vertellen wat de gezindheid van Christus is, zijn geschreven om ons te onderwijzen over onze gezindheid. Wij moeten Hem navolgen.
Blijkbaar is alles wat in de Schrift geschreven staat tot ons nut, om ons iets te leren, want Paulus zei dat ook in 2 Timotheus 3. Hij had het beslist over het Oude Testament toen hij in vers 16 zei:
Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid,
— nuttig voor ons. Voor welke doeleinden? Hij zei: om te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en te onderrichten in de gerechtigheid. In 2 Timotheus 3:17 gaat hij verder:
opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust.
De Schriften, de Schriften van het Oude Testament, zijn nuttig om te onderwijzen. We weten dat 2 Timotheus 3 over de Schriften van het Oude Testament gaat, omdat hij in het voorgaande vers, vers 15, zegt dat Timotheus van kinds af in die Schriften was onderwezen. Timotheus had geen enkele Schrift van het Nieuwe Testament tot zijn beschikking. Het waren dus de Schriften van het Oude Testament waarin zijn Joodse moeder hem had onderwezen. Paulus zegt:
en u van jongs af de heilige Schriften kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof dat in Christus Jezus is.
Hij verwijst dus naar het nut van de Schriften van het Oude Testament.
Hier zegt hij dat de dingen die vroeger geschreven zijn, waarmee hij het Oude Testament bedoelt, geschreven zijn om ons iets te leren. Dit is een belangrijk punt, want veel christenen zeggen:
Omdat we onder het nieuwe verbond vallen en niet onder het oude, waarom zouden we dan niet gewoon het Nieuwe Testament lezen? Wie heeft het Oude Testament nodig?
Het Oude Testament is de enige Bijbel die Jezus ooit had of gebruikte. Het Oude Testament is de enige Bijbel die Paulus of de apostelen ooit gebruikten. Ze citeerden er overvloedig uit. Blijkbaar vonden ze het relevant. Het is relevant. Alleen is het voor ons niet op dezelfde manier relevant als voor degenen die onder het oude verbond stonden. Voor ons is het in een andere betekenis relevant. Degenen onder het oude verbond moesten zich aan de wetten daarin houden. Wij niet.
De blijvende waarde van het Oude Testament #
Maar slechts een klein gedeelte van het Oude Testament bestaat uit wetten. Slechts een deel van de Pentateuch is wet. De rest is geschiedenis en wijsheidsliteratuur, en de Psalmen zijn materiaal voor aanbidding. Er is profetie. Er staan veel profeten in. Een groot deel van het Oude Testament is geen wet. Hoewel wij ons dus niet aan de wetten hoeven te houden, terwijl de Joden in het Oude Testament zich daar wel aan moesten houden, is het in alle andere opzichten vrijwel hetzelfde. Wij hebben nog steeds baat bij Gods openbaring van Zijn hart en Zijn gedachten, Zijn waarden en Zijn prioriteiten.
Alles wat Jezus in de Bergrede onderwees, is in het Oude Testament te vinden. Jezus onderwees geen radicaal andere dingen. Alles wat Hij daar onderwees, is te vinden in de Psalmen, de Spreuken, de profeten of de wet. Jezus onderwees ons duidelijk dingen die wij moeten doen. Het zijn geen nieuwe dingen. Ook voor die doeleinden werd het Oude Testament geschreven.
Jezus onderwees of herhaalde echter niet alles wat de wet zei. Hij eiste bijvoorbeeld niet van ons dat we dierenoffers brachten, zoals de wet dat wel deed. Hij eiste niet van ons dat we pelgrimstochten naar Jeruzalem maakten, zoals de wet dat deed. Hij eiste niet van ons dat we ons van bepaalde voedingsmiddelen onthielden of heilige dagen hielden, zoals de wet dat deed. Er waren wetten die Jezus niet bevestigde, maar alles wat Hij wel bevestigde, maakte ook deel uit van wat God in het Oude Testament had geopenbaard.
Geestelijke lessen uit de oudtestamentische wet #
Het hele Oude Testament is nuttig voor ons. Het is allemaal nuttig als onderricht. Maar wanneer wij de wetten van het Oude Testament lezen, zijn die op een andere manier nuttig voor ons dan voor de Jood. De Jood kreeg namelijk de opdracht dierenoffers te brengen. Het was zijn plicht dat te doen. Onze plicht is te beseffen dat deze offers een voorafschaduwing van Christus zijn en er geestelijke waarheid in te zien.
De Joden kregen tenslotte in de wet de opdracht:
U mag niet ploegen met een rund en een ezel tegelijk.
Ik denk nauwelijks dat dit iets is waaraan we ons nu nog moeten houden, maar het had wel een geestelijke betekenis. Paulus zei:
Vorm geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met wetteloosheid, en welke gemeenschap is er tussen licht en duisternis?
als een heel duidelijke toepassing van dat beginsel. Een os en een ezel zijn een rein en een onrein dier. Je brengt ze niet samen onder hetzelfde juk om te ploegen. Paulus zag dat reine en onreine dieren een symbool waren van reine en onreine mensen. Jij, een rein mens, een christen, moet je niet onder een ongelijk juk verbinden met een ongelovige, een onrein mens.
Er zijn dus wetten die als wetten werden gegeven, zelfs landbouwvoorschriften. Hoewel er misschien niet van ons wordt geëist dat we ons aan die voorschriften houden, zijn zelfs die leerzaam wat het beginsel betreft. Paulus had het over het onderhouden van dienaren en hij zei:
Er staat geschreven — en hij citeert de wet:
Een rund mag u niet muilkorven als hij aan het dorsen is.
Opnieuw is het een landbouwvoorschrift. Ze mochten de os tijdens zijn werk geen muilkorf omdoen.
Paulus haalt dat in 1 Korinthe 9 aan en zegt:
Is het God om de runderen te doen? Of zegt Hij dit vooral met het oog op ons?
Vervolgens zei hij dat dit bedoeld is om ons te leren dat mensen die arbeiden niet beperkt mogen worden in het ontvangen van wat ze nodig hebben. Hij gebruikte dat dus als argument voor het ondersteunen van mensen die in de bediening werkzaam zijn. Dat waren dingen die in de wet stonden. Wij staan niet onder de wet. De wet bevat echter wel geestelijke lessen die Paulus eruit wist te halen, en die wij er volgens mij ook vaak uit kunnen halen.
Want alles wat eertijds geschreven is, is tot onze onderwijzing eerder geschreven, opdat wij in de weg van volharding en vertroosting door de Schriften de hoop zouden behouden.
Dat betekent niet dat wij alle wetten daarin moeten onderhouden. Maar zelfs die wetten bevatten geestelijke beginselen die bedoeld zijn om ons iets te leren. Jezus is niet gekomen om ze teniet te doen, maar om ze te vervullen, zei Hij. De Bijbel die Paulus en Jezus gebruikten, was dus het Oude Testament. En kennelijk moesten de Romeinse christenen die ook gebruiken en erkennen dat wat eerder in het Oude Testament geschreven was, bedoeld is om ons iets te leren.
Eensgezindheid en aanvaarding in Christus #
Nu vers 5:
En de God van de volharding en van de vertroosting moge u geven onderling eensgezind te zijn in overeenstemming met Christus Jezus,
Hij zegt niet: ‘eensgezind met elkaar’, hoewel dat ook niet verkeerd is. Maar hij zegt iets anders: wees eensgezind jegens elkaar. Maar eensgezind met Wie? Met God.
Laat daarom die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,
Hij beschrijft hier de houding van Christus. Hij zegt dat God een God van vertroosting is en dat Hij een God van geduld is. Wees eensgezind met Hem in je houding tegenover elkaar. Neem Gods gezindheid over en laat die in jullie onderlinge relaties blijken, overeenkomstig het voorbeeld van Christus Jezus: wees geduldig en vertroost elkaar,
opdat u eensgezind, met één mond, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus verheerlijkt.
Als jullie geduldig met elkaar zijn, elkaar vertroosten en gevoelig voor elkaar zijn, zal dat niet de verdeeldheid veroorzaken die verhindert dat jullie eensgezind God aanbidden, Hem eensgezind prijzen en eensgezind christelijke dienst verrichten. Dat is wat hij zegt:
Zodat jullie eensgezind en uit één mond God, de Vader van onze Heer Jezus Christus, verheerlijken.
Daarom, aanvaard elkaar zoals ook Christus ons aanvaard heeft, tot heerlijkheid van God.
Hoe heeft God ons aangenomen? Op welke grond heeft Hij ons aangenomen? Dat was op grond van het feit dat wij Christus toebehoren, want als wij in Christus zijn, neemt God ons in Hem aan. Vervolgens moeten wij anderen op dezelfde grond aannemen. Als zij in Christus zijn, nemen wij hen aan zoals God ons in Christus aanneemt.
Wat dit natuurlijk betekent, is dat wij niet het recht hebben om iets engere criteria op te stellen op grond waarvan wij mensen in onze gemeenschap, in de familie, aannemen of afwijzen. Als God hen aanneemt, moeten wij hen aannemen. Als zij tot God zijn gekomen op dezelfde voorwaarden waarop wij tot God zijn gekomen, en God ons op die voorwaarden heeft aangenomen, kunnen wij onze gemeenschap en onze liefde niet onthouden aan mensen die door God worden aangenomen op dezelfde grond als wij.
Dit is echt iets belangrijks om ter sprake te brengen wanneer christenen problemen met elkaar hebben en zeggen: ‘Ik weet niet of wij met zo iemand gemeenschap moeten hebben.’ De echte vraag is niet: ‘In hoeverre lijken zij op mij?’ De echte vraag is: ‘Neemt God hen aan? Hebben zij voldaan aan de voorwaarden van discipelschap en geloof in Christus die hun aanvaarding door God zouden garanderen?’ Als dat zo is, dan moet ik hen aannemen. Ook als zij bepaalde heilige dagen onderhouden die ik niet onderhoud, hun voeding beperken op manieren waarop ik dat niet doe, en op andere punten anders tegen de dingen aankijken dan ik. Wij nemen elkaar aan zoals Christus ons heeft aangenomen, tot heerlijkheid van God.
Joden en heidenen in Gods heilsplan #
8En ik zeg dat Jezus Christus een Dienaar van de besnijdenis is geworden ter wille van de waarheid van God om de beloften aan de vaderen te bevestigen, 9en opdat de heidenen God zouden verheerlijken vanwege de barmhartigheid, zoals geschreven staat: Daarom zal ik U belijden onder de heidenen, en Uw Naam lofzingen.
Dat wil zeggen: de Joden. Christus heeft de Joden niet verworpen. Hij is werkelijk gekomen als dienaar van de Joden, van de besnedenen, om de beloften aan de vaderen te bevestigen. Hij heeft ze bevestigd door ze te vervullen en bewezen dat ze juist waren door Zelf de vervulling van die beloften te zijn. Hij heeft de Jood gediend, maar Hij heeft de Joden ook gediend zodat de heidenen behouden kunnen worden.
Denk eraan dat God de Joden nooit zomaar heeft uitgekozen om alleen Zijn eigen bijzondere volk te zijn. Hij koos de Joden om de heidenen te bereiken. De belofte aan Abraham hield in dat zijn zaad degene zou zijn door wie alle volken gezegend zouden worden. Dus alle volken, alle heidenen, zouden door het zaad van Abraham gezegend worden.
De Joden hebben het eigenlijk nooit helemaal zo gezien. Zij dachten dat zij uitgekozen waren voor een voorrecht, niet voor een opdracht. Wanneer zij zichzelf als het uitverkoren volk beschouwden, dachten zij dat dit eenvoudig betekende dat God ons boven alle andere mensen begunstigt, zodat wij binnen zijn en alle anderen erbuiten. Zij begrepen niet dat Hij hen had uitgekozen voor een missie onder de heidenen.
Christus is gekomen en heeft die missie vervuld. Ten eerste vervult Hij de beloften die aan de vaderen zijn gedaan. En het gevolg is ook dat de heidenen erbij betrokken zullen worden. De Romeinen aan wie dit geschreven is, zijn naar alle waarschijnlijkheid grotendeels heidenen. Maar misschien is het citaat uit de Schriften dat hierna volgt bedoeld voor de Joodse lezer. Want Paulus laat vanuit de Joodse Schriften zien dat het altijd Gods plan is geweest om de heidenen erbij te betrekken. Het is nooit Zijn plan geweest dat de Joden het enige volk zouden zijn. Zij moesten het eerste volk zijn aan wie God Zichzelf openbaarde, zodat zij die kennis naar de heidenen konden brengen. Dan konden de heidenen samen met hen God prijzen en kon God de God van alle volken zijn. Dat was de missie van Israël. En daarom zegt hij in vers 9:
Zodat de niet-Joden God om Zijn barmhartigheid zouden verheerlijken, zoals er geschreven staat.
Profetieën over de roeping van de heidenen #
In de volgende paar verzen wordt een aantal verzen aangehaald, vier om precies te zijn. Het eerste komt uit de Psalmen, dan is er één uit Deuteronomium, dan nog één uit de Psalmen en vervolgens één uit Jesaja. We hebben dus de Wet, de Profeten en de Psalmen, die allemaal van één feit getuigen, namelijk dat God altijd van plan was de heidenen erbij te betrekken en niet buiten te sluiten.
Hij zegt:
Want er staat geschreven: Daarom zal ik U onder de niet-Joden eren en voor Uw Naam zingen.
De woordvoerder van Israël, de Messias, zou Hem dus belijden onder de heidenen. Dat betekent dat Hij aan de heidenen verkondigd zou worden. Dat zou natuurlijk betekenen dat van hen verwacht wordt dat zij op dat getuigenis ingaan, dat ook zij christenen of volgelingen van de Messias worden en dat zij voor Gods Naam zingen.
Dat citaat komt trouwens uit Psalm 18, vers 49. Die psalm komt tweemaal in de Schrift voor. Hij staat ook in het verhaal van David, die hem geschreven heeft, in 2 Samuel 22:50. Dat vers staat daar, maar het komt uit Psalm 18.
Hij zegt:
Juich, heidenen, met Zijn volk! Want Hij zal het bloed van Zijn dienaren wreken. Hij zal de wraak laten terugkomen op Zijn tegenstanders, en Zijn land en Zijn volk verzoenen!
Dat wil zeggen: met Israël. Heidenen en Israël die zich samen verheugen. Dit moet worden opgevat als zich verheugen in God, zich verheugen in de zegeningen van God: de heidenen en de Joden die zich samen verheugen in Gods zegen. Dit stond in Deuteronomium 32, vers 43. Dus helemaal teruggaand tot Mozes wordt al gesuggereerd dat de heidenen en de Joden geen groepen zullen zijn die elkaar uitsluiten, waarbij de ene groep wordt aangenomen en de andere verloren gaat. Ze zullen daarentegen allebei Gods volk zijn, Joden en heidenen samen, die God prijzen.
Dan zegt hij in vers 11:
Loof de HEERE, alle heidenvolken; prijs Hem, alle natiën.
Dat wil zeggen: Jahweh.
Dit is een citaat uit Psalm 117, het eerste vers, Psalm 117:1. Dit vers zegt dat de heidenen worden opgeroepen om de God van Israël, Jahweh, te aanbidden. Dat gebeurde natuurlijk nooit in aantallen van enige betekenis, totdat het Evangelie aan de heidenen werd verkondigd.
Dat is nu juist het punt. Paulus zegt hier dat zijn bediening onder de heidenen niet gebaseerd is op een of ander nieuw, vreemd beleid dat God nu heeft aangenomen om de heidenen erbij te betrekken, terwijl Hij hen eerder eigenlijk nooit op het oog had. Het is juist volkomen in overeenstemming met wat de Joodse Schriften zeiden dat er zou gebeuren. Hij had veel meer teksten kunnen citeren dan deze, maar hij heeft een vrij goede selectie gegeven uit verschillende delen van het Oude Testament.
En waarom? Omdat hij ervan uit moet gaan dat sommige van zijn lezers, hoogstwaarschijnlijk de Joden, dit zonder voldoende ondersteuning vanuit de Schrift niet gemakkelijk zouden kunnen slikken. Het zou zelfs bemoedigend kunnen zijn voor de heidenen om dit te zien. Want sommigen van hen zouden zelf misschien het gevoel kunnen hebben: „Wij zijn er pas laat bij gekomen. God was altijd met de Joden bezig. Hij zal ons wel minder graag mogen.” Paulus zou zeggen: „Zelfs toen al zei God dat jullie, heidenen, hierbij betrokken zouden worden.”
Maar ik denk dat hij deze Schriften vooral aanhaalt ten behoeve van de Joden, om elk vooroordeel weg te nemen waardoor zij zouden denken dat er iets ongepasts aan is dat de heidenen samen met de Joden in hetzelfde lichaam zijn en God en Christus aanbidden.
Jesaja 11 en het messiaanse tijdperk #
Vers 12 is het laatste vers dat hij in dit verband aanhaalt. Dit komt uit Jesaja 11. Het is eigenlijk een combinatie van twee gedeelten uit dat hoofdstuk. Een deel komt uit vers 1 en een deel uit vers 10. Hij zegt:
De Wortel van Isaï zal opstaan om over de heidenen te regeren; op Hem zullen de heidenen hopen.
Dit is een soort parafrase van twee verzen uit hetzelfde hoofdstuk van Jesaja.
Het maakt duidelijk dat een hoofdstuk als Jesaja 11 gaat over het opnemen van heidenen in de gemeente. Eén reden waarom ik daarop wijs, is dat Jesaja 11 een van de vele hoofdstukken in het Oude Testament is die we zouden beschouwen als hoofdstukken over de messiaanse tijd. Er zijn zeer veel gedeelten in het Oude Testament die over de messiaanse tijd of de tijd van het Koninkrijk gaan. Ze beschrijven het Koninkrijk van de Messias.
Er bestaat een meningsverschil, en dat bestaat al lange tijd, over de vraag of deze messiaanse tijd de gemeentetijd is of een toekomstige tijd van het duizendjarig rijk. Het verschil ontstaat door de vraag of we moeten aannemen dat deze messiaanse tijd werd ingeluid bij de eerste komst van Christus of bij Zijn wederkomst. Het is duidelijk dat de messiaanse tijd over Jezus gaat en dat Zijn komst die tijd doet aanbreken. Maar gaat het om Zijn eerste komst of om Zijn wederkomst?
Premillennialistische denkers geloven dat het tijdperk van het Koninkrijk, of het messiaanse tijdperk, zal aanbreken wanneer Jezus terugkomt. De aanhangers van de bedelingenleer onder hen geloven, omdat ze premillennialistisch zijn, dat Jezus daadwerkelijk kwam en het tijdperk van het Koninkrijk aanbood, maar dat de Joden het verwierpen en dat het werd uitgesteld tot het duizendjarig rijk. Jezus kwam dus om dit tijdperk te brengen, maar deed dat niet. Het gebeurde niet, en dat tijdperk is nu uitgesteld tot het duizendjarig rijk.
Alle passages zoals Jesaja 11, en de vele andere soortgelijke passages die over deze specifieke periode spreken, dit tijdperk van de Messias, worden door premillennialisten dus toegeschreven aan een toekomstig duizendjarig rijk. Daaronder vallen ook de aanhangers van de bedelingenleer. De andere opvatting is de opvatting die de kerk gedurende het grootste deel van haar geschiedenis heeft gehuldigd. Die houdt in dat Jezus deze beloften bij Zijn eerste komst vervulde, dat Hij de Messias is. Hij stelde het niet uit. Hij liet het wel degelijk aanbreken. Hij vervulde de profetieën die God erover had gegeven. Hij is Degene Die het Koninkrijk van God heeft gevestigd. Deze passages over het Koninkrijk gaan over de orde die Christus bij Zijn eerste komst heeft gevestigd, die we vaak het gemeentetijdperk zouden noemen, het huidige tijdperk.
Het Koninkrijk vervuld in de gemeente #
Wat ik altijd heb betoogd, is dat telkens wanneer je een van deze passages over het tijdperk van het Koninkrijk in het Nieuwe Testament aangehaald ziet worden, de apostelen die ze aanhalen ze altijd op het gemeentetijdperk toepassen. Met andere woorden, de apostelen geloofden dat deze passages over het tijdperk van het Koninkrijk bij de eerste komst van Christus in vervulling begonnen te gaan. Om diezelfde reden leerde de kerk dit ook — niet altijd, maar wel gedurende het grootste deel van haar geschiedenis. Gedurende minstens driekwart van de kerkgeschiedenis was het, voor zover ik weet, de officiële opvatting van alle kerken dat Jezus dit tijdperk bij Zijn eerste komst liet aanbreken. En wanneer je deze passages over het tijdperk van het Koninkrijk leest, lees je over het huidige tijdperk van de gemeente.
Alleen in de eerste paar honderd jaar van de kerkgeschiedenis waren sommige mensen ook premillennialistisch. Beide opvattingen bestonden. Daarna verdwenen de premillennialisten ongeveer vijftienhonderd jaar lang en verschenen ze rond 1800 weer. De premillennialisten brachten de opvatting naar voren dat Jezus de profetieën niet vervulde. Jezus liet dit niet aanbreken. Het tijdperk van het Koninkrijk is uitgesteld en is er nu niet. Het zal komen wanneer Jezus terugkomt.
De meesten van ons zijn opgegroeid met de bedelingenleer, dus we zouden geneigd zijn het zo te zien. Zo heeft het Amerikaanse evangelicalisme het grotendeels gezien, al strookt dat niet met de manier waarop de kerk het door de geschiedenis heen heeft gezien. Het strookt ook niet met de manier waarop Paulus het zag. Paulus spreekt hier namelijk duidelijk over de heidenen in de gemeente, die samen met de Joden als één lichaam God loven. Hij haalt Jesaja 11 aan als iets wat in de huidige tijd wordt vervuld. Daar wordt gesproken over hoe de scheut zal opkomen uit droge grond, de Zoon van Isaï, Christus, en hoe de heidenen op Hem zullen hopen.
Dat is wat wij op dit moment doen. Dat is wat heidenen over de hele wereld doen. Ze hopen op Christus. Ze stellen hun vertrouwen op Christus. Ze zijn christenen. Paulus geeft hier geen informatie over eschatologie. Hij spreekt alleen over de rechtvaardiging van het feit dat heidenen op dezelfde basis als Joden deel uitmaken van de gemeente. Paulus ziet de messiaanse passages als vervuld in de gemeente, net als Petrus en, eerlijk gezegd, alle schrijvers van het Nieuwe Testament die uit die passages citeren. Ze zijn niet uitgesteld tot een ander tijdstip.
Dus zegt Paulus in vers 13:
De God nu van de hoop moge u vervullen met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig bent in de hoop, door de kracht van de Heilige Geest.
Dit klinkt als een afsluitende zegenbede:
24De HEERE zegene u en behoede u! 25De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig!
Zo’n soort afsluiting. Het is alsof dit het einde van de brief is, en in zekere zin is dat ook zo. Het is werkelijk het einde van het hoofdgedeelte van de brief.
Wat nog overblijft, bestaat uit wat ik volgens mij eerder losse stukken heb genoemd, allerlei afzonderlijke zaken. In de rest van dit hoofdstuk wil hij spreken over enkele dingen die te maken hebben met zijn bediening, zijn reizen, zijn plannen, waar hij vervolgens naartoe gaat, wanneer ze hem waarschijnlijk zullen zien en dat soort zaken. In hoofdstuk 16 bestaat het grootste deel uit het overbrengen van groeten aan mensen.
Het is niet zo dat deze passages niets waardevols of interessants bevatten, en we zullen zien dat ze dat wel degelijk doen. Tegelijkertijd moeten we beseffen dat we klaar zijn met het voornaamste betoog van het boek. We rapen nu alleen nog de losse eindjes bij elkaar voordat hij afsluit en zegt: ‘Dat was alles, mensen.’
Christenen kunnen elkaar raad geven #
Dus zegt hij in vers 14:
Nu ben ik ervan overtuigd, mijn broeders — ook ikzelf met het oog op u — dat u zelf ook vol bent van goedheid, vervuld met alle kennis, in staat ook elkaar terecht te wijzen.
Hij vertrouwt erop dat de christenen elkaar kunnen vermanen. Wat betekent ‘vermanen’? Er is één vertaling van dit vers waarin de laatste regel luidt:
dat jullie in staat zijn elkaar raad te geven. Dat is geen slechte vertaling.
Vermanen omvat een hele reeks betekenissen: waarschuwen, onderrichten en meer van dat soort dingen. In wezen betekent het mensen helpen op het juiste pad te blijven. ‘Counsel’ is geen slecht Engels woord. De formulering uit die vertaling werd gebruikt als titel van een bekend boek uit de jaren zeventig, Competent to Counsel. Ze hebben die titel aan dit vers ontleend.
Jay Adams, een gereformeerd theoloog, schreef over hoe christenen elkaar zouden moeten counselen. Hij zei in wezen dat hij op het seminarie was opgeleid om bij het counselen allerlei soorten psychologie te gebruiken. Maar wat hij in de praktijk van de psychologie had gezien, wees erop dat die eigenlijk niet zo goed te rijmen viel met het christendom en vaak heel andere vooronderstellingen had over wat de problemen van mensen werkelijk zijn. De Bijbel leert dat de problemen van mensen te maken hebben met problemen in hun relatie met God. Ze zijn niet psychisch ziek. Er is een probleem in hun relatie met God.
In zijn boek pleitte hij ervoor dat mensen elkaar vanuit de Schriften zouden counselen over hoe ze hun leven in overeenstemming konden brengen met wat de Bijbel leert. Zo zouden ze betere, gezondere relaties en gezondere houdingen krijgen, en dergelijke. Zijn boek bracht een hele omwenteling op gang die nouthetische counseling werd genoemd. Ik geloof dat ik heb vermeld dat het Master’s College van John MacArthur een hele afdeling voor nouthetische counseling heeft, die de ideeën van Jay Adams volgt. Eerlijk gezegd denk ik dat het een goede benadering is. Ik denk dat hij gelijk heeft.
Bijbelse raad tegenover psychologische hulp #
Het punt dat hij aan het begin maakt, is dat we zijn gaan denken dat er een hele categorie bijzondere problemen bestaat die mensen kunnen hebben en die geestesziekten worden genoemd. En dat wij hen niet kunnen helpen, omdat we hen naar deskundigen moeten sturen die voor dit soort dingen zijn opgeleid. Hij wees erop dat hem op het seminarie werd geleerd, zoals aan de meeste voorgangers wordt geleerd, dat je zulke mensen niet zelf moet proberen te helpen. Je moet hen doorverwijzen naar deskundigen in de geestelijke gezondheidszorg. Als iemand echt helemaal in de war is, zijn jullie als voorgangers niet voor dit soort dingen opgeleid. Verwijs zo iemand naar een deskundige in de geestelijke gezondheidszorg.
Hij zei: ‘Dat is niet wat Paulus zei.’ Paulus zei dat hij christenen in staat achtte elkaar te counselen. Er was geen deskundige voor nodig om je te vertellen wat je verkeerd doet in je relatie met God en wat Gods Woord daarover zegt. Als je kennis hebt van Gods Woord, met God wandelt en christelijke wijsheid bezit, dan ben je zoals deze mensen die vol goedheid zijn, vervuld met alle kennis en in staat elkaar te counselen en te vermanen.
Ik breng dit ter sprake omdat er rond 1970, door dit boek, Competent to Counsel, een grote omslag plaatsvond in het evangelische denken. Hoewel er nog steeds genoeg evangelischen zijn die pleiten voor psychologen, psychiaters en deskundigen in de geestelijke gezondheidszorg, is er ook een sterke opkomst geweest van wat volgens mij een gezond alternatief is: christenen hebben het Woord van God en de Geest van God. We zouden elkaar moeten kunnen counselen. De gebieden waarop mensen problemen in hun leven hebben, zijn gebieden waarop hun relatie met God niet in orde is. Ze zijn ongehoorzaam, bang of bezorgd, of er is iets dergelijks aan de hand. Dat zijn geestelijke problemen. Dat zijn geen geestelijke gezondheidsproblemen. Dat zijn geestelijke toestanden.
Eeuwenlang hadden christenen geen deskundigen in de geestelijke gezondheidszorg om hen te helpen met God te wandelen. Ze hadden alleen wat God in de Schriften geeft, de Heilige Geest, de genade van God en al dat soort dingen. Deze beweging bevrijdde mensen dus om te beseffen: ‘Ik heb geen ziekte die ik de rest van mijn leven alleen maar met medicijnen en counseling onder controle zal moeten houden. Ik heb levenspatronen die ik in overeenstemming moet brengen met Gods Woord, en dan zal ik deze problemen niet meer hebben. Er is hier hoop.’
Het probleem met die hele mentaliteit rond geestelijke gezondheid is dat niemand het kan genezen. Psychiaters proberen het nooit te genezen. Ze behandelen het. Ze geven je medicijnen om het onder controle te houden. Als je schizofreen bent, hebben ze daar geen genezing voor. Als je een bipolaire affectieve stoornis hebt, geloven ze niet eens dat ze daar een genezing voor hebben. Ze hebben alleen medicijnen die ze je kunnen geven om het onder controle te houden. Het is alsof je aspirine krijgt tegen hoofdpijn. Dat geneest niet wat de hoofdpijn veroorzaakt.
In zekere zin wekt de geestelijke gezondheidszorg de indruk dat er gewoon iets mis is met je hersenen. Je hersenen zijn kapot: een chemische onbalans, een soort slechte bedrading daarbinnen, of iets dergelijks. Je zult dat de rest van je leven gewoon met medicijnen onder controle moeten houden. De christelijke kijk biedt meer hoop. Nee, je hebt een probleem met je gedrag en je relaties, omdat je leven niet in overeenstemming is met wat God heeft gezegd dat je moet doen. Laten we aan die dingen werken, en dan zul je deze problemen niet meer hebben. Je zult niet alleen maar een ongeneeslijk probleem onder controle hoeven te houden. Je kunt werkelijk geheiligd worden. Je kunt werkelijk een volwassen, evenwichtige christen worden.
Dat is wat Jay Adams uit dit vers afleidde, en ik denk niet dat hij verder ging dan wat Paulus vanuit deze passage over hetzelfde onderwerp zou hebben gezegd.
Paulus’ roeping als apostel voor de heidenen #
15Maar ik heb u ten dele op nogal gedurfde toon geschreven, broeders, als om u hieraan te herinneren, vanwege de genade die mij door God gegeven is, 16om een dienaar van Jezus Christus te zijn voor de heidenen, door het Evangelie van God als een priester te dienen, opdat het offer van de heidenen welgevallig zou zijn aan God , geheiligd door de Heilige Geest. 17Zo heb ik dan roem in Christus Jezus in de dingen die God aangaan. 18Want ik durf het niet aan iets te zeggen wat Christus niet door mij teweeggebracht heeft, om de heidenen tot gehoorzaamheid te brengen , in woord en daad, 19door de kracht van tekenen en wonderen en door de kracht van de Geest van God. Zo heb ik dan van Jeruzalem af en rondom, tot Illyricum toe, het Evangelie van Christus vervuld. 20En evenzo stelde ik er een eer in om het Evangelie daar te verkondigen waar Christus nog niet genoemd was, om niet op het fundament van een ander te bouwen. 21Maar zoals geschreven staat: Zij aan wie niets over Hem verkondigd was, zullen het zien, en zij die het niet gehoord hebben, zullen het begrijpen.
Dit is een citaat uit Jesaja 52:15. Wat Paulus hier heeft gezegd, is: ‘Het is niet zo dat ik denk dat jullie niet verstandig genoeg zijn om elkaar terecht te wijzen. Ik heb jullie een lange brief geschreven. Daardoor zou het kunnen lijken alsof ik denk dat jullie niet verstandig zijn, dat jullie terechtgewezen moeten worden en dat jullie mij nodig hebben om jullie op het rechte spoor te brengen. Eigenlijk heb ik die houding niet. Ik geloof dat jullie veel in je voordeel hebben. Jullie zijn vol goedheid en kennis, en ik geloof dat jullie elkaar kunnen vermanen. Maar ik heb jullie toch geschreven, omdat het mijn plicht is. Ik ben een apostel die naar de heidenen is gezonden, en er is niemand heidenser dan de gemeente van Rome.’
Hoewel hij zelf nog nooit in Rome was geweest, zegt hij: ‘Ik heb jullie beschouwd als mensen binnen het werkterrein dat God mij heeft toegewezen.’ Hij schrijft hun dus niet als iemand die zegt: ‘Jullie zijn een stelletje domkoppen die moeten horen wat ik te zeggen heb. Ik denk dat jullie veel hiervan al onder de knie hebben. Maar ik voel nog steeds de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat ik het Evangelie duidelijk aan jullie heb uitgelegd. Dat is mijn opdracht: het Evangelie aan de heidenen verkondigen en ervoor zorgen dat niemand op een dwaalspoor raakt, zodat het offer van de heidenen dat ik aanbied, voor God aanvaardbaar kan zijn.’
Dat zegt hij in vers 16:
Zodat het offer van de heidenen aanvaardbaar zou zijn, geheiligd door de Heilige Geest.
De heidenen als offer aan God #
Hij noemt de heidenen die hij tot Christus leidt een offer dat hij aan Christus aanbiedt. Bedenk dat hij sprak over het aanbieden van je lichaam als een levend offer. Welnu, hij biedt hun lichamen ook als levende offers aan. Hij offert hen aan God. Hier zijn mensen die heidenen waren, en door de inspanningen en offers van Paulus heeft hij christenen van hen gemaakt. Hij biedt hen als een offer aan God aan, als de vrucht van zijn arbeid.
Het is nog een ander offer dat wij aanbieden. Mensen die wij tot Christus brengen, maken deel uit van onze geestelijke aanbidding. Ze maken deel uit van het aanbieden van een offer dat wij hebben gebracht om mensen tot God te brengen en Hem iets van waarde aan te bieden door de heidenen aan Hem op te dragen.
Bij zijn uitspraak over het offer van de heidenen zullen bijna alle Bijbels met kruisverwijzingen erop wijzen dat hij zinspeelt op Jesaja 66 en ons zo vertelt hoe hij dat hoofdstuk opvat. Ook hierover bestaan verschillende meningen, maar Paulus citeert talloze malen uit dit gedeelte—ik zou zeggen uit de hoofdstukken 60 tot en met 66 van Jesaja—en hij past het anders toe dan velen dat doorgaans zouden doen. Hij past het toe op de gemeente, terwijl sommigen het op het duizendjarig rijk of iets anders zouden toepassen.
Waar hij in dit specifieke vers naar verwijst, is Jesaja 66:20. Hij zegt:
En zij zullen al uw broeders uit alle heidenvolken brengen als graanoffer aan de HEERE, op paarden en op wagens, met huifkarren, op muildieren en op snelle kamelen, naar Mijn heilige berg toe, naar Jeruzalem, zegt de HEERE, zoals de Israëlieten het graanoffer in rein vaatwerk naar het huis van de HEERE brengen.
Dit verwijst naar de evangelisatie van de volken. Paulus zegt dat hij precies dit doet. Hij brengt de heidenen als een offer aan de Heere, en hij zinspeelt op het feit dat God had gezegd dat de heidenen uit alle volken als een offer tot Hem gebracht zouden worden. Hij ziet zichzelf dus als degene die dit uitvoert en die door zijn inspanningen de heidenen aan de Heere aanbiedt. De bewoording die hij in Romeinen 15:16 kiest, is aan dat beeld ontleend.
Evangelisatie waar Christus onbekend is #
Hij beroemt zich niet op dingen die hij niet heeft gedaan. Hij wil dat ze weten wat hij door tekenen en wonderen tot stand heeft gebracht. Hij zegt dat het is wat God door hem tot stand heeft gebracht, niet wat hij zelf heeft gedaan. Hij zegt dat hij heeft geprobeerd niet te prediken waar anderen prediken, omdat dat niet nodig is. Hij wil overal fundamenten van het Evangelie leggen. En als iemand vóór hem al een fundament heeft gelegd, gaat hij daar niet heen om op het fundament van een ander te bouwen. Hij gaat eraan voorbij en besteedt zijn tijd op plaatsen waar het Evangelie nog niet is verkondigd.
Dat is zijn beleid, en hij citeert Jesaja 52:15, waar staat:
zó zal Hij vele heidenvolken besprenkelen, koningen zullen vanwege Hem sprakeloos staan. Want zij aan wie het niet verteld was, zullen het zien, en zij die het niet gehoord hebben, zullen het begrijpen.
Hij vat dat op als zijn opdracht. Degenen die het niet hebben gehoord, zijn degenen die het door hem zullen begrijpen. Ze zullen het van hem horen, degenen aan wie Hij niet is verkondigd. Dus als hij het kan vermijden, gaat hij niet naar plaatsen waar iemand anders al heeft gepredikt en waar ze het al hebben gehoord.
Hij zegt echter in vers 19:
Ik heb het evangelie helemaal van Jeruzalem tot Illyrië verkondigd, wat betekent: zo ongeveer overal tussen Jeruzalem en Rome.
Hoewel Rome als zodanig geen doelgebied van zijn bediening is, omdat iemand anders die gemeente heeft geplant en niet hij, gaat hij verder dan Rome en zal hij daar een tussenstop maken. Naar alle waarschijnlijkheid is hij van plan om vanuit Rome een nieuwe uitvalsbasis voor evangelisatie te vestigen. Later zegt hij inderdaad dat hij verwacht dat zij hem verder zullen helpen in de bediening. Misschien betekent dit zelfs dat ze hem uitzenden of ondersteunen. Misschien zouden sommigen uit de gemeente in Rome als teamleden met hem mee kunnen gaan. We weten niet precies wat hij bedoelt.
Zijn uitvalsbasis voor zijn bediening is tot nu toe Antiochië geweest. Hij werd vanuit Antiochië uitgezonden, maar zijn werkterrein verschuift nu zo ver naar het westen dat Syrië nogal ver weg is als thuisbasis. Dus volgens mij zegt hij: ‘Ik spring over het hele gebied heen dat ik al geëvangeliseerd heb, en misschien ga ik hier in Rome een basis vestigen, en kunnen jullie mij helpen bij verdere evangelisatie naar het westen.’
Paulus’ reisplan naar Rome en Spanje #
In het volgende gedeelte vermeldt hij dat hij wil dat ze dat doen. In vers 22 zegt hij:
Daarom was ik ook vaak verhinderd om naar u toe te komen.
omdat er eerst zo veel gebied te bezoeken was waar het Evangelie nog niet was verkondigd.
Nu ik echter in deze streken geen arbeidsveld meer heb, en ik sinds vele jaren een groot verlangen heb naar u toe te komen,
dat wil zeggen, omdat hij geen enkel onontgonnen gebied meer heeft waar het Evangelie nog niet verkondigd is. Hij heeft het hele gebied bestreken.
zal ik, wanneer ik naar Spanje reis, naar u toe komen. Ik hoop u namelijk op doorreis te zien en door u op weg daarheen verder geholpen te worden, als ik eerst wat van de ontmoeting met u genoten zal hebben.
Zie je, hij wil enige hulp, enige ondersteuning voor de missie naar Spanje. Heel mogelijk zou hij vanaf dat moment Rome als zijn uitvalsbasis beschouwen voor plaatsen verder naar het westen. Dit is waarschijnlijk nooit echt gebeurd, omdat hij niet in Rome aankwam zoals hij had verwacht, als vrij man op weg naar Spanje. Hij kwam geboeid in Rome aan, zat daar twee jaar lang vastgeketend en stond terecht. Hij werd wel vrijgelaten en deed nog meer bedieningswerk, maar of de gemeente in Rome zijn basis werd of niet, weten we niet. We hebben daar geen precieze informatie over. Niets daarvan staat in het boek Handelingen, omdat dat boek de periode na de gevangenschap in Rome niet behandelt.
De collecte voor de gelovigen in Jeruzalem #
Maar hij zegt:
Ik zou graag door jullie op weg naar Spanje worden geholpen, nadat ik eerst een tijdje van jullie gezelschap heb kunnen genieten. Maar nu ga ik naar Jeruzalem. Dat is de tegenovergestelde richting.
Maar nu reis ik naar Jeruzalem om de heiligen te dienen,
Dat wil zeggen, hij brengt geld naar de arme heiligen. Het is geld dat onder de gemeenten van de heidenen was ingezameld om de arme christenen in Jeruzalem te ondersteunen. Er staat:
want de gemeenten van Macedonië en Achaje hebben het goedgevonden enige handreiking te doen aan de armen onder de heiligen in Jeruzalem.
Dat is Griekenland.
Zij hebben het namelijk goedgevonden, en zij zijn het ook aan hen verplicht. Immers, als de heidenen aan hun geestelijke weldaden deel gekregen hebben, zijn zij ook verplicht hen met stoffelijke te dienen.
Er staat dat de christenen uit de heidenen de plicht hebben de Joodse christenen te ondersteunen, omdat wij voordeel hebben gehad van geestelijke dingen die van hen afkomstig zijn. En het is alleen maar juist dat wij hen helpen nu zij materiële behoeften hebben. Ik weet niet of dit nog even vaak gezegd wordt als in de jaren zeventig. In sommige kringen waarschijnlijk wel. Maar toen ik een aanhanger van de bedelingenleer was, had ik geleerd en begreep ik het zo dat wij christenen zonder meer een verplichting tegenover de Joden hebben. Wij hebben uit hun geestelijke overvloed ontvangen. Per slot van rekening hebben zij ons de Schriften gegeven. Zij hebben ons Christus gegeven. Wat ons tot christenen maakt, is iets wat wij van de Joden hebben ontvangen. Dus behoren wij Israël te ondersteunen. Wij behoren hen economisch, militair of op welke manier dan ook te ondersteunen. Wij staan bij hen in het krijt. Wij staan bij de Joden in het krijt, omdat wij voordeel hebben van hun geestelijke dingen. Dit vers werd gebruikt om dat standpunt te bewijzen.
Het grootste probleem met dit gebruik van dit vers is dat Paulus het niet over de Joden in het algemeen heeft, maar over de Joodse gelovigen. De christenen uit de heidenen waren geëvangeliseerd door Joodse gelovigen zoals Paulus. Daarom stonden ze rechtstreeks bij hen in het krijt, omdat zij hun het Evangelie hadden gebracht. Het is waar dat we in zekere zin zouden kunnen zeggen dat de Joden ons de Schriften hebben gegeven, dat de Joden ons Jezus en zelfs de apostelen hebben gegeven. Maar dat is niet helemaal juist, want in werkelijkheid heeft God ons die dingen gegeven en hebben de Joden geprobeerd te verhinderen dat wij ze kregen. Ze achtervolgden Paulus en lieten hem niet tot de heidenen prediken. Het Joodse establishment wilde die dingen niet delen. Zij hebben ons Jezus niet gegeven. Zij hebben Jezus gedood. Zij hebben ons de profeten niet gegeven. Ze hebben zelfs de profeten gedood. God heeft ons de profeten gegeven en ons Jezus gegeven, ondanks het verzet van de Joden.
Maar er waren Joden, een overblijfsel van hen, die Christus volgden. Bij hen staan wij in het krijt: bij de apostelen en de gemeente in Jeruzalem. Hij zegt dat zij degenen zijn die arm zijn. Hij brengt geen algemene gift naar de regering van Israël om het leger te helpen opbouwen. Hij stuurt hulp naar de arme christenen in Jeruzalem, die als eersten zendelingen hebben uitgezonden om deze gemeenten te bereiken. Dus zegt hij: ‘Jullie staan bij hen in het krijt, omdat jullie voordeel hebben gehad van hun geestelijke dingen, en het is alleen maar juist om hen materieel te ondersteunen.’
28Als ik deze zaak dan volbracht zal hebben en hun deze vrucht officieel afgedragen zal hebben, zal ik via u naar Spanje reizen. 29En ik weet dat ik, als ik naar u toe kom, met de volle zegen van het Evangelie van Christus zal komen.
Hij wist niet dat hij geboeid zou zijn wanneer hij bij hen kwam, maar dat verhindert hem niet om in de volheid van de zegen van Christus te komen. Zelfs toen hij geboeid was, was Paulus vervuld met de Geest. Zelfs als gevangene leidde hij mensen tot de Heere, hele dorpen tot de Heere.
Op weg naar Rome leed hij, zoals je je misschien herinnert, schipbreuk op Malta en werd hij door een giftige slang gebeten. Het deed hem geen kwaad, en dus bekeerden alle mensen zich toen ze zagen dat de slang hem geen kwaad had gedaan. De bestuurder van het eiland was ziek, en Paulus ging naar hem toe en genas hem. Zo werd zelfs de bestuurder gelovig. Hier is Paulus, geboeid en op weg naar Rome. Hij is beslist nog steeds aan het dienen. Hij komt nog steeds in de volheid van de zegen van het Evangelie van Christus, hoewel zijn omstandigheden niet zo wenselijk zijn als ze anders hadden kunnen zijn. Dat hield hem niet tegen. Het Evangelie was niet gebonden.
Gebed voor Paulus en zijn komende gevangenschap #
Vers 30:
30En ik roep u ertoe op, broeders, door onze Heere Jezus Christus en door de liefde van de Geest, om samen met mij te strijden in de gebeden tot God voor mij, 31dat ik verlost mag worden van de ongehoorzamen in Judea en dat mijn dienstbetoon, namelijk dat aan Jeruzalem, de heiligen welgevallig is, 32zodat ik met blijdschap naar u toe kom door de wil van God en bij u tot rust zal mogen komen. 33En de God van de vrede zij met u allen zijn. Amen.
Hij zegt:
dat ik verlost mag worden van de ongehoorzamen in Judea en dat mijn dienstbetoon, namelijk dat aan Jeruzalem, de heiligen welgevallig is,
Dat gebeurde niet. Hij werd niet bevrijd. Zij namen hem gevangen. Door hen zat hij twee jaar in de gevangenis, en daarna ging hij geboeid naar Rome. Hebben deze mensen dan niet gebeden? Hij zei:
Bid met me mee dat dit niet zou gebeuren, dat ze mij geen kwaad zouden doen, mij niet zouden tegenhouden en mij niet zouden vertragen. Nu ja, misschien hebben ze niet erg goed gebeden, of misschien was het eenvoudigweg niet overeenkomstig de wil van God en wilde God dat hij geboeid zou komen. Het is moeilijk te weten.
Het is verdrietig wanneer we beseffen dat hij dit schrijft zonder te weten hoe het in Jeruzalem zal aflopen. Maar wij hebben het boek Handelingen, dat ons vertelt hoe het afliep. Het was veel, veel, veel minder bevredigend dan wat hij op dat moment verwachtte. Het is ergens verdrietig om te zien hoe optimistisch hij was, maar hij wist dat er enig gevaar bestond. Hij zei:
Bid voor me dat ik van deze mensen bevrijd zal worden.
Hij wist dat er een risico was.
Nadat hij dit had geschreven, bond de profeet Agabus zichzelf, terwijl Paulus op weg was naar Jeruzalem, vast met de gordel van Paulus en zei:
En hij kwam naar ons toe, pakte de gordel van Paulus, en nadat hij zijn eigen handen en voeten daarmee gebonden had, zei hij: Dit zegt de Heilige Geest: De man van wie deze gordel is, zullen de Joden op deze manier in Jeruzalem binden en in de handen van de heidenen overleveren.
Agabus deed dit nadat Paulus deze brief had geschreven. Paulus schreef deze brief dus in de hoop dat hij niet gebonden of gehinderd zou worden. Maar voordat hij Jeruzalem bereikte, werd hij door Agabus gewaarschuwd dat het zou gebeuren, en dat is ook wat er gebeurde. We lezen het in Handelingen.
Febe en haar aanbevelingsbrief #
Nu lijkt het erop dat de brief daar eindigt. Aan het einde staat een amen. Er volgt echter nog een hoofdstuk, maar dat bestaat min of meer uit allerlei losse zakelijke mededelingen. We hoeven daar niet lang bij stil te staan. Hij zegt:
1En ik beveel u Febe, onze zuster, aan, die een dienares is van de gemeente die in Kenchreeën is, 2opdat u haar ontvangt in de Heere op een wijze die de heiligen waardig is, en haar bijstaat in elke zaak waarin zij u nodig heeft, want ook zij heeft zelf bijstand verleend aan velen, ook aan mijzelf.
Wanneer christenen door het rijk reisden, kregen ze vaak een aanbevelingsbrief mee als ze in de ene gemeente goed bekend waren en naar een ander gebied gingen waar ze onbekend waren. Dat gold in het bijzonder voor leraren en predikers. Als ze in de ene gemeente bekend waren, maar naar een gebied gingen om te prediken waar de gemeente hen niet kende, waren ze vreemdelingen. Hoe kon de gemeente weten of ze hen kon vertrouwen? Als de gemeente waaruit ze kwamen een brief stuurde waarin stond:
Ontvang deze man. Hij heeft in onze gemeente gediend. We kennen hem goed. Hij heeft een goed karakter. Zijn leer is betrouwbaar. Neem hem aan.’ Met zo’n geloofwaardige aanbevelingsbrief van een gerespecteerde gemeente kon deze man vervolgens in het nieuwe gebied aantonen dat men hem in zijn gemeente van herkomst vertrouwde. Maar als hij een vreemdeling was zonder zo’n brief, moest hij helemaal vanaf het begin hun respect en vertrouwen zien te verdienen. Aanbevelingsbrieven waren dus heel gebruikelijk.
In dit geval krijgt een vrouw die Febe heet een aanbevelingsbrief van Paulus. Blijkbaar reisde ze vanuit Kenchreeën, een van de twee zeehavens van Korinthe. Paulus schreef vanuit Korinthe, en zij ging om de een of andere reden naar Rome. Er is geen reden om aan te nemen dat ze daarheen ging om er te wonen. Misschien was dat wel zo, maar het kan ook zijn dat ze voor een korte reis naar Rome ging om een of andere zaak af te handelen, want er staat:
Help haar met alles waarbij ze jullie nodig heeft.
Wat die zaak geweest kan zijn, wat haar reden was om naar Rome te gaan, weten we niet. Maar ze stond goed aangeschreven, en Paulus wilde dat zij dat wisten.
Febe als dienares of diaken #
Ze was een dienares. Het woord voor dienaar is diaken, en veel vertalingen zeggen dat ze een diaken was in de gemeente in Kenchreeën. Dat kan heel goed zo zijn geweest, want wanneer Paulus in 1 Timotheüs 3 over diakenen spreekt, noemt hij vereisten voor mannelijke diakenen en ook voor vrouwelijke diakenen. Er waren dus vrouwelijke diakenen. Maar het Griekse woord voor diaken, diakonos, is eenvoudigweg het woord voor dienaar. Of je het met diaken of met dienaar vertaalt, hangt ervan af of er over haar wordt gesproken als iemand die een bepaalde officiële rol in de gemeente vervulde, of dat ze gewoon een goede christelijke dienares was. Iedereen hoort een dienaar te zijn. Als er wordt gezegd dat ze werkelijk een dienares in de gemeente was geweest, kan dat eenvoudig betekenen dat ze wordt aanbevolen als een gewoon lid van de gemeente dat heel behulpzaam was geweest. Hij zei zelfs dat ze hem in veel dingen behulpzaam was geweest, en hij hoopte dat zij haar zouden helpen met alle zaken waarvoor ze hen nodig had.
Aan de andere kant, als ze werkelijk een diaken was, reisde ze misschien naar Rome voor diaconale zaken van de gemeente. Diakenen regelden praktische zaken voor de gemeente. Ik weet niet wat voor dingen. Misschien moest ze naar Costco om een paar klapstoelen voor de gemeente te halen, omdat de gemeente te snel groeide en zij hulp nodig had om die naar de auto te dragen. Ik weet niet wat voor zaken een diaken in een andere stad dan zijn eigen woonplaats zou moeten regelen. Maar het kan heel goed zijn dat hij zegt: ‘Ze is hier in Korinthe een van onze diaconessen en ze komt voor bepaalde zaken naar Rome. Ik hoop dat jullie haar zullen helpen. Ze is betrouwbaar. Ze is een helper. Help haar met alle zaken waarvoor ze jullie nodig heeft.’ Hoe dan ook, ze ging op reis met deze aanbevelingsbrief van Paulus.
De vele bekenden van Paulus in Rome #
Dan volgt er een hele reeks groeten. Paulus groet in deze gemeente zelfs niet minder dan 26 mensen. Het lijkt misschien vreemd dat er in een gemeente die Paulus nooit had bezocht 26 mensen waren die hij goed kende. Het lijkt er zelfs op dat hij vijf afzonderlijke huisgemeenten aanspreekt, samen met de mensen die daar leiding aan geven. Het klinkt bijna alsof hij aan een gemeente schrijft waarvan hij de bijzonderheden heel goed kent. Daarom hebben sommigen geopperd dat dit laatste hoofdstuk misschien per ongeluk aan het boek Romeinen gehecht is geraakt en oorspronkelijk naar een gemeente was gestuurd waarmee Paulus heel vertrouwd was. Maar dat hoeft niet zo te zijn. Mensen uit het hele rijk reisden naar Rome. Soms gingen ze daar wonen. Soms verbleven ze daar een tijdlang voor zaken. Het is niet moeilijk je voor te stellen dat Paulus wel 26 mensen kende die hij in andere delen van het rijk had ontmoet en die zich op dat moment in de gemeente in Rome konden bevinden. Misschien omdat ze daarheen waren verhuisd, zoals Priscilla en Aquila, of om andere redenen.
De laatste keer dat we over Priscilla en Aquila lazen, waren ze in Efeze en kwam er een gemeente in hun huis samen. Paulus vermeldt in 1 Korinthe 16 dat Priscilla en Aquila in Efeze een gemeente in hun huis hadden, en dat is de laatste plaats waar we hen in het boek Handelingen aantreffen. Maar nu zijn ze in Rome en hebben ze daar ook een gemeente in hun huis. Waar ze ook naartoe gaan, ze stellen hun huis open en komen er gemeenten samen.
Hij zegt in vers 3:
Groet Priscilla en Aquila, mijn medearbeiders in Christus Jezus.
Ze hebben dus een huisgemeente. Hij gaat nog enkele andere groepen noemen waarbij hij waarschijnlijk huisgemeenten in gedachten heeft. Wetenschappers nemen dat gewoonlijk aan.
Priscilla en Aquila als medearbeiders #
Hier zijn dus zijn vrienden Priscilla en Aquila. Ze waren in het jaar 49 na Christus uit Rome verbannen en waren naar Korinthe gekomen. Ze waren verbannen omdat alle Joden uit Rome waren verbannen, en naar alle waarschijnlijkheid waren zij gelovige Joden. Ze kwamen naar Korinthe, en Paulus kwam ook naar Korinthe. Hij ontmoette hen en werkte met hen samen, omdat ze allemaal tentenmakers waren. Toen Paulus Korinthe verliet om naar Efeze te gaan, gingen zij met hem mee en begonnen ze in hun huis in Efeze een gemeente. Paulus reisde verder naar Jeruzalem, kwam daarna terug naar Efeze en trok vervolgens verder naar andere plaatsen. Maar tegen die tijd waren zij weer in Rome. Blijkbaar kwam dat doordat Claudius, die de Joden uit Rome had verbannen, gestorven was. Ze verhuisden terug naar hun eigen huis in Rome en hadden daar opnieuw een huisgemeente.
Paulus stuurt hun dus zijn groeten. Ze hadden voor hem hun leven gewaagd. We weten niet precies onder welke omstandigheden, maar ze waren bij hem in Efeze en daar was zijn leven in gevaar. Hij vertelt de Korinthiërs:
Als ik, naar de mens gesproken , tegen wilde dieren heb gevochten in Efeze, wat voor nut heeft dat dan voor mij, als de doden niet opgewekt worden? Laten wij dan maar eten en drinken, want morgen sterven wij.
We weten niet wie die wilde beesten waren. Misschien is het een beeldspraak voor slechte mensen, of misschien was hij werkelijk voor de leeuwen geworpen. Waarschijnlijk niet, maar het punt is dat zijn leven in Efeze in gevaar was. Priscilla en Aquila waren daar zijn medewerkers. Het is heel goed mogelijk dat zij samen met hem in gevaar waren. Hij zegt dat zij ter wille van hem hun eigen leven hadden gewaagd. Groet ook de gemeente die in hun huis samenkomt.
Epenetus, Maria, Andronicus en Junia #
Ook vers 5:
Groet ook de gemeente bij hen aan huis. Groet mijn geliefde Epenetus, die de eersteling is voor Christus van Achaje.
De oudere handschriften zeggen: „de eersteling van Asia”, waarschijnlijk de eerste bekeerling die Paulus maakte in Efeze toen hij daar voor het eerst kwam. Asia is waarschijnlijk beter, omdat het huisgezin van Stefanas de eersteling van Achaje was. Paulus zegt dat in 1 Korinthe 16:15:
En ik roep u ertoe op, broeders — u weet dat het huis van Stefanas de eersteling van Achaje is en dat zij zichzelf ten dienste van de heiligen beschikbaar hebben gesteld —
Achaje is het zuiden van Griekenland. De eerste bekeerlingen in het zuiden van Griekenland waren de leden van het huisgezin van Stefanas. De eerste bekeerling in Efeze was naar alle waarschijnlijkheid deze man Epenetus. De oudere handschriften zeggen dus niet Achaje, maar Asia. Waarschijnlijk hebben zij de oorspronkelijke tekst beter bewaard.
Groet Maria, die zich veel moeite voor ons heeft getroost.
We weten niet wie deze Maria is. Er zijn zes verschillende Maria’s in de Bijbel. We weten niet welke van hen dit is. Waarschijnlijk niet de moeder van de Heere, waarschijnlijk niet Maria Magdalena, en waarschijnlijk een Maria over wie we verder niets weten.
Groet Andronicus en Junias, mijn familieleden en mijn medegevangenen, die in aanzien zijn bij de apostelen, die al eerder dan ik in Christus waren.
We weten niets over deze twee. Velen hebben gedacht dat dit twee mannen zijn en dat Junia eigenlijk Junius moet zijn, een mannennaam. Maar anderen denken dat het een echtpaar is: Andronicus, de man, en Junia, de vrouw. In oude Romeinse documenten lijkt meer bewijs te bestaan voor een vrouwelijke Junia dan voor een mannelijke Junius. Daarom denken de meesten dat deze Junia een vrouw is en waarschijnlijk de vrouw van Andronicus.
Ze zijn verwanten van Paulus. Dat kan alleen betekenen dat ze net als hij Joden zijn, en niet dat ze naaste familieleden zijn. Er staat dat ze vóór hem behouden waren en ook samen met hem gevangengezet waren geweest. We weten niets over de geschiedenis van deze mensen.
Junia en de verschillende soorten apostelen #
Wat vaak besproken wordt, is zijn uitspraak dat zij „in aanzien zijn onder de apostelen”. Sommigen menen dat dit betekent dat de apostelen deze mensen waarderen: ze staan in aanzien bij de apostelen. Maar het taalgebruik lijkt meer de gedachte te ondersteunen dat zij apostelen waren. Onder degenen die apostelen worden genoemd, zijn deze twee opmerkelijke gevallen. Ze staan in aanzien onder de apostelen. Dit wordt vaak aangehaald ter ondersteuning van vrouwen in de bediening. Want als Junia een vrouw was en als zij een van de apostelen was, wijst dat erop dat er vrouwelijke apostelen waren. Men denkt dat dit de opvatting ondersteunt dat er vrouwelijke voorgangers zouden moeten zijn.
Maar zelfs als Junia een vrouwelijke apostel was, kan dat alleen in de betekenis zijn geweest waarin een aantal medewerkers van Paulus apostelen werden genoemd, omdat zij met de apostolische kring meereisden. Als een vrouw met haar man meereisde, die zelf zendeling was, zou dat ook haar tot zendeling maken. Het betekent niet dat zij apostolisch gezag hadden zoals de apostelen van Christus.
In 2 Korinthe 8 noemt Paulus een andere rang van apostelen, die apostelen van de gemeenten zijn, in tegenstelling tot hemzelf, die een apostel van Christus is.
Het zou niets veranderen aan het feit dat Paulus over een heel ander soort bediening sprak, namelijk die van de oudsten van de gemeente, en zei:
Want ik sta niet toe dat een vrouw onderwijs geeft, en ook niet dat zij de man overheerst, maar ik wil dat zij zich stil houdt.
en dat een oudste de man van één vrouw moet zijn. Paulus beperkte de plaatselijke ambten van oudste dus duidelijk tot mannelijke kandidaten. Dat verandert niet, zelfs niet als hij het echtpaar in zekere zin als zendelingen erkende. Dat is een ander soort bediening.
Groeten aan medewerkers en huisgemeenten #
Hij zegt in vers 8:
8Groet Amplias, mijn geliefde broeder in de Heere. 9Groet Urbanus, onze medearbeider in Christus, en mijn geliefde Stachys.
We weten niets over deze mensen. Urbanus is een woord dat eigenlijk afkomstig is van het woord urbs, dat ook terugkomt in woorden als suburbaan en urbaan, en het betekent stad. Urbanus betekent een man van de stad. Er zijn zelfs verscheidene Romeinen met die naam die in niet-religieuze documenten vermeld staan. Hij was waarschijnlijk afkomstig uit de stad Rome, een stadsbewoner.
Groet Apelles, de beproefde dienaar in Christus. Groet hen die tot het huis van Aristobulus behoren .
Het huisgezin van Aristobulus kan mogelijk doelen op een huisgemeente in het huis van Aristobulus. We weten het niet echt. Soms wordt gedacht dat dit zo is.
Groet Herodion, die aan mij verwant is. Groet hen die tot het huis van Narcissus behoren , die in de Heere zijn.
Ook over Herodion weten we niets. Misschien is hij alleen een Jood en daarom een verwant.
Ook het huisgezin van Narcissus zou een huisgemeente kunnen zijn, maar dat is niet met zekerheid bekend.
Groet Tryfena en Tryfosa, vrouwen die zich veel moeite getroost hebben in de Heere. Groet Persis, de geliefde zuster , die zich veel moeite getroost heeft in de Heere.
Dit soort namen lijkt zoveel op elkaar, bijna als Tweedledie en Tweedledom. Het was niet ongebruikelijk om tweelingen zulke op elkaar lijkende namen te geven. Dit zijn vrouwennamen, en sommige geleerden menen dat dit tweelingzussen in de Romeinse gemeente kunnen zijn geweest: Tryfena en Tryfosa. De naam Tryfena is bekend uit andere Romeinse documenten. Niet dezelfde persoon, maar andere mensen met de naam Tryfena. Tryfosa is niet zo goed gedocumenteerd. Maar als het tweelingzussen waren, kunnen ouders die een van hen de naam Tryfena gaven, voor haar tweelingzus een naam hebben gekozen die daar sterk op leek. Er staat dat ze zich in de Heere hebben ingespannen.
Persis betekent eigenlijk een vrouw uit Perzië. Waarschijnlijk was het een vrouw uit Perzië die daarom zo genoemd werd en die zich veel had ingespannen in de Heere.
Rufus en zijn mogelijke familiegeschiedenis #
Groet Rufus, de uitverkorene in de Heere, en zijn moeder en de mijne.
Dit is een interessant vers. Hoewel er veel mensen waren die Rufus heetten, zegt hij namelijk alleen maar Rufus. Dit is dus een bekende Rufus. Misschien was er niet meer dan één Rufus in de gemeente van Rome. We weten niet hoe groot de gemeente van Rome was. Hoewel Rufus een veelvoorkomende Romeinse naam was, was er in de gemeente van Rome misschien maar één Rufus, of één heel bekende Rufus, die Paulus zou groeten.
Wat daar interessant aan is, is dat het Evangelie van Markus volgens de wetenschappelijke consensus aan Romeinse christenen geschreven is. Toen Markus het Evangelie van Markus schreef, bestond zijn publiek uit Romeinen. Waarschijnlijk schreef hij het tijdens de tweede generatie van het christendom in Rome. Toen Jezus in Markus 15:21 Zijn kruis droeg en niet in staat was het helemaal naar Golgotha te dragen, staat er:
En zij dwongen een voorbijganger, Simon van Cyrene, die van de akker kwam, de vader van Alexander en Rufus, dat hij Zijn kruis droeg.
Cyreneeër betekent dat hij afkomstig was uit Cyrene, een gebied in Afrika. Hij was een zwarte man uit Cyrene. Het is interessant dat er later, in de gemeente van Antiochië, een van de oudsten was die Simon heette en Niger genoemd werd, wat ‘zwart’ betekent. Het is mogelijk dat deze Simon van Cyrene een van de oudsten van de gemeente van Antiochië werd, samen met Paulus. In Handelingen 13:1 lezen we over deze vijf leiders in de gemeente van Antiochië, onder wie Simon de zwarte man, Paulus, Barnabas en nog een paar anderen.
Paulus spreekt over Rufus en zijn moeder. De moeder van Rufus zou de vrouw van Simon zijn. Paulus zegt dat de moeder van Rufus ook als een moeder voor hem is. Het is mogelijk dat Barnabas Paulus uit Tarsus ging halen en hem naar Antiochië bracht, en dat ze daar in Antiochië een jaar lang samen dienden, aan het einde van Handelingen 11. En het is niet bekend of dit inderdaad zo was. Maar als Simon van Cyrene een van de oudsten in Antiochië was, hebben hij en zijn vrouw Paulus misschien als kostganger in huis genomen. Ze dienden samen als leiders in de gemeente. Het is mogelijk dat de vrouw van Simon als een moeder voor Paulus zou zijn geweest. We kennen geen andere omstandigheid waarin een vrouw uit de gemeente van Rome als een moeder voor Paulus zou kunnen zijn geweest. Maar als ze vroeger in Antiochië hadden gewoond, en als hier over de vrouw van Simon van Cyrene wordt gesproken, en Rufus de zoon van Simon is, dan zegt hij in wezen:
Doe Rufus en zijn moeder de groeten, die ook voor mij als een moeder is. Het is waarschijnlijk dezelfde Rufus, omdat Markus aan Romeinse christenen schrijft en een man noemt die uitgekozen werd om het kruis van Jezus te dragen, Simon van Cyrene. Hij is de vader van Alexander en Rufus. De gedachte is: misschien kennen jullie Simon niet, maar jullie kennen ongetwijfeld zijn zonen. De Simon over wie ik het heb, is de vader van Rufus en Alexander. Met andere woorden, Rufus was een bekende christen in de gemeente van Rome toen Markus dit schreef. Hij verwachtte dat de Romeinse christenen Rufus beter zouden kennen dan Simon. Daarom verwijst hij naar Rufus om duidelijk te maken wie Simon is.
Paulus schrijft eveneens aan een Rufus die verder niet nader wordt aangeduid en die een moeder had die bijzonder was voor Paulus. Hoe zou een vrouw in Rome ooit bijzonder geweest kunnen zijn in het leven van Paulus, tenzij ze ergens anders had gewoond waar Paulus ook woonde? Antiochië is een mogelijkheid. Ze kan de vrouw van Simon van Cyrene zijn geweest. Daarom konden zowel Rufus als Paulus haar als een moederfiguur beschouwen.
Groet hen allemaal. Dan noemt hij nog enkele namen:
Groet Asyncritus, Flegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders die bij hen zijn.
Mogelijk was dit een huisgemeente die door die groep mensen geleid werd. Degenen die bij hen zijn, worden onderscheiden van alle anderen in Rome. Er zijn mensen in deze ene groep.
Groet Filologus en Julia, Nereus en zijn zuster, en Olympas, en alle heiligen die bij hen zijn.
Er is dus nog een groep. Er zijn mensen die bij de groep in vers 14 zijn, en er zijn mensen bij de groep in vers 15. Er lijken verschillende groepen christenen te zijn, waarschijnlijk afzonderlijke gemeenten in verschillende huizen.
Groet elkaar met een heilige kus. De gemeenten van Christus groeten u.
Waarschuwing tegen misleidende leraren #
17En ik roep u ertoe op, broeders, hen in het oog te houden die onenigheden teweegbrengen en struikelblokken opwerpen tegen het onderricht dat u hebt ontvangen, en keer u van hen af. 18Want zulke mensen dienen niet onze Heere Jezus Christus, maar hun eigen buik, en door fraaie woorden en mooie praat bedriegen zij de harten van de argeloze mensen . 19Want uw gehoorzaamheid is tot allen doorgedrongen. Ik verblijd mij dan ook over u en ik wil dat u wijs bent wat het goede betreft, maar ook oprecht wat het kwade betreft. 20En de God van de vrede zal de satan spoedig onder uw voeten verpletteren. De genade van onze Heere Jezus Christus zij met u. Amen.
We komen hier bij nog een amen. Deze aansporing houdt in dat je niet moet omgaan met mensen die de neiging hebben verdeeldheid in de gemeente te veroorzaken over onderwijs dat afwijkt van wat de apostelen onderwezen en wat de gemeente eerder gehoord had. Ze veroorzaken verdeeldheid. Ze veroorzaken verdeeldheid en struikelblokken die in strijd zijn met het onderwijs.
Vergeet niet dat het woord voor onderwijs in het Grieks didache is. Dat is het onderwijs waarover we in hoofdstuk 6 lazen, waar staat dat we ons gevoegd hebben naar die vorm van onderwijs die aan ons overgeleverd is. Wanneer Paulus over didache spreekt, het onderwijs van de gemeente, heeft hij het gewoonlijk over praktische instructies. We zien dit in de andere gevallen waarin hij die term gebruikt, vooral in 1 en 2 Timotheus en Titus. Mensen die binnenkomen en onderwijzen dat je niet hoeft te leven zoals Christus zegt dat je moet leven, zullen de gemeente verdelen over morele kwesties.
Wat theologische kwesties betreft, weten we niet welke theologische kwesties er misschien in de gemeente in Rome broeiden, omdat Paulus er niet veel besprak. Hij sprak over de verkeerde houding van de Joden ten aanzien van hun eigen besnijdenis, maar hij ging nooit echt in op specifieke valse leerstellingen die in de gemeente werden onderwezen. Het kan dus zijn dat hij denkt aan onderwijs over gedrag als het onderwijs waarover de verdeeldheid ontstaat. In dit boek benoemt hij nauwelijks juiste of onjuiste leerstellingen in theologische zin, tenzij het misschien gaat om een soort theologie van gerechtigheid uit werken, tegenover gerechtigheid uit genade. Dat is beslist iets wat in het boek besproken is.
Maar mensen die valse leerstellingen brachten, hadden meestal een verborgen motief. Gewoonlijk gaven ze mensen toestemming om dingen te doen die zondig waren, en dat trok menigten aan. Mensen houden van een godsdienst die hun toestemming geeft om zelfzuchtig te zijn, of die hun nu gezondheid en rijkdom belooft, vrijheid om te zondigen, of wat het vlees ook maar verlangt. Predikers die deze dingen aanbieden, zullen menigten trekken.
Deze predikers dienen Christus niet. Ze dienen hun eigen buik, hun eigen begeerten. Ze zorgen dat ze te eten krijgen. Ze krijgen betaald. Ze maken misbruik van mensen. Ze misleiden de harten van simpele mensen. De wijzen zullen er niet intrappen, maar de simpele mensen wel. Daarom vormen deze leraren een gevaar voor de simpele mensen en moet je niet met hen omgaan.
Terwijl je dit doet, zegt hij:
De God van de vrede zal satan binnenkort onder jullie voeten verpletteren.
Dit kan eenvoudig betekenen dat satan in korte tijd onder jullie verslagen zal worden, wanneer jullie de valse leraren mijden en zelf op de juiste weg blijven.
Groeten van Paulus’ medewerkers in Korinthe #
Hij brengt groeten over van verscheidene andere mensen die hij bij name noemt:
Timotheüs, mijn medearbeider, groet u, evenals mijn verwanten Lucius, Jason en Sosipater.
We kennen Timotheüs. We kennen enkele van de andere namen, maar Tertius kennen we niet. Het is interessant dat vers 22 zegt:
Ik, Tertius, die de brief geschreven heb, groet u in de Heere.
Het is duidelijk dat hij degene is die als secretaris van Paulus de brief opschrijft. Verder is hij ons onbekend.
Hij noemt:
Gajus, de gastheer van mij en van de hele gemeente, groet u. Erastus, de rentmeester van de stad, en de broeder Quartus groeten u.
Paulus schreef dit vanuit Korinthe, en we lezen in Handelingen 18 dat een man die Gajus heette Paulus destijds in zijn huis onderdak bood. Dit was waarschijnlijk op een later tijdstip, maar misschien was het tijdens datzelfde bezoek. Het punt is dat we Gajus inderdaad kennen als degene die Paulus onderdak bood. En hij zegt dat Gajus gastheer is voor de hele gemeente. Met andere woorden, zijn huis staat open voor iedereen in de gemeente. Hij is bijzonder gastvrij. Hij groet jullie.
Erastus, de schatbewaarder van de stad, groet jullie. Het is interessant dat er buitenchristelijke bevestiging bestaat dat er een man was die Erastus heette en die schatbewaarder was van Korinthe, waar Paulus zich bevond. De schatbewaarder van de stad Korinthe, de stad vanwaar Paulus schreef, brengt de gemeente in Rome de groeten over. Archeologen hebben in Korinthe een plaveisel gevonden waarop staat dat dit plaveisel is aangelegd door Erastus, de stedelijke — ik ben de term vergeten — iets wat overeenkomt met schatbewaarder, die het op eigen kosten heeft aangelegd. Het bestaan van deze Erastus, een christelijke broeder die een plaatselijk ambt bekleedde in de stad Korinthe, en het ambt dat hij bekleedde, worden dus door de archeologie bevestigd, los van alle christelijke bronnen. Natuurlijk vertelt de archeologie ons niet dat hij een christelijke man in Korinthe was, een vriend van Paulus, en dat hij de gemeente in Rome de groeten liet doen.
Er staat:
En Quartus, een broeder.
Waarom staat er nu dat Quartus een broeder is? Zijn niet alle mensen over wie hij het heeft broeders? Waarom vermeldt hij dat deze man een broeder is? Zegt hij eenvoudigweg: „Ik kan niets opmerkelijkers over deze man bedenken om te zeggen dan dat hij, net als de rest van jullie, een broeder is”? Dat lijkt overbodig. Hij had gewoon Quartus kunnen zeggen. Of is hij iemands broer, een broer van iemand die eerder genoemd is? Niemand weet het.
Het is interessant dat het woord Quartus ‘vierde’ betekent, zoiets als de vierde. Het woord Tertius, degene die daar aan het schrijven is, betekent de derde. Tertius betekent de derde; Quartus betekent de vierde. Het is mogelijk dat iemand vier kinderen had en dat Tertius en Quartus broers waren, het derde en vierde kind in hetzelfde gezin. Het is niet bekend of dat zo is, en mogelijk is het niet zo. Maar waarom noemt Paulus Quartus een broeder, terwijl dat vanzelfsprekend lijkt? Als hij niet bedoelt dat hij iemands broer is, een echte biologische broer, waarom vermeldt hij dan alleen dat hij een christelijke broeder is? Alle mensen over wie hij schrijft, zijn dat. Hoe dan ook, dat zijn enkele interessante dingen over die namen.
Het geopenbaarde geheim van het Evangelie #
Ten slotte vers 25:
25Hem nu Die in staat is u vast te doen staan, overeenkomstig mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, overeenkomstig de openbaring van het geheimenis dat door de tijden der eeuwen heen verzwegen was, 26maar dat nu geopenbaard is en door de profetische Schriften onder alle heidenen bekendgemaakt is, overeenkomstig het bevel van de eeuwige God, om hen tot geloofsgehoorzaamheid te brengen , 27aan Hem , de alleen wijze God, zij door Jezus Christus de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen.
Dit is ongeveer de derde keer dat Paulus bij een amen is aangekomen. Hij heeft verscheidene lofprijzingen uitgesproken. Eén stond eerder in hoofdstuk 15, vers 13. Daar stond geen amen, maar wel aan het einde van hoofdstuk 15. Daarna stonden er in hoofdstuk 16 nog twee die we eerder hebben gezien, in vers 20 en vers 24, en nu gaan we naar vers 27. Er staan heel wat amens. Het lijkt erop dat Paulus telkens denkt dat hij klaar is, maar dat niet is, en nog wat materiaal toevoegt, nog een bijlage.
Eén ding waarop ik hier wil wijzen, is dat hij in een heel lange en ingewikkelde zin maar blijft uitweiden over het Evangelie. Maar wat hij over het Evangelie zegt, is:
de openbaring van het geheim dat sinds het begin van de wereld verborgen is gebleven, maar nu bekend is geworden.
Natuurlijk zegt Paulus dit in verscheidene van zijn brieven over zijn Evangelie. In Efeze en Kolossenzen noemt hij het het geheimenis van God, dat niet bekendgemaakt was aan vroegere generaties, maar nu door de Geest bekendgemaakt is aan de heilige apostelen en profeten. Dat is hetzelfde als wat hij hier zegt. Het was vroeger verborgen, maar nu is het bekendgemaakt. God wist ervan. God had er zelfs al op gezinspeeld, maar het werd pas werkelijk begrepen toen het door de Heilige Geest aan de apostelen en profeten werd geopenbaard.
Paulus zei hetzelfde in 1 Korinthe 2. Hij sprak daar over de verborgen wijsheid van God, die niet bekendgemaakt was:
Maar het is zoals geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart is opgekomen, dat is wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben.
zegt hij. Dat wil zeggen: aan Paulus en de apostelen.
Als enig onderdeel van dit Evangelie dat hij verkondigde de lezers onbekend in de oren klonk, bevestigt hij dat het van zijn kant niet nieuw, nieuwsoortig of vernieuwend is. Het is iets wat God vanaf het begin in gedachten had. Het was een geheimenis dat Hij niet had geopenbaard, maar het was er wel, zorgvuldig verborgen. Nu heeft Hij het geopenbaard en nu wordt het aan alle volken bekendgemaakt, opdat zij het geloof gehoorzamen, zegt hij.
Hij had die gehoorzaamheid aan het geloof al helemaal aan het begin van het boek genoemd. Hij zei dat hij genade en het apostelschap had ontvangen om onder de heidenen gehoorzaamheid aan het geloof tot stand te brengen. Het geloof moet geloofd en gehoorzaamd worden: gehoorzaamheid aan het geloof.
Zo komen we aan het einde van een tamelijk lange studie van een tamelijk lang boek. Hopelijk hebben jullie al die dingen nu uit het hoofd geleerd, zodat jullie je, telkens wanneer jullie Romeinen lezen, al die dingen zullen herinneren die we hebben behandeld.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Romans 15 - 16. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/romeinen/15-16
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/romeinen/15-16.pdf
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Romeinen - Lezing 29 - 15-16.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/romeinen/15-16.mp3
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Romeinen - Lezing 29 - 15-16.mp3
Romeinen
Alle lezingen over Romeinen. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Intro deel 1 Spanning tussen Joodse en heidense christenen in Rome
- 2 Intro deel 2 Achtergrond en reisplannen van Paulus voor Romeinen
- 3 Intro deel 3 De indeling van Romeinen: een alternatief
- 4 1:1-15 Paulus: dienaar en apostel van Christus
- 5 1:8-17 Paulus dankt God voor het geloof van de Romeinen
- 6 1:18-32 De zonden van de Joden, niet de heidenen
- 7 2:1-10 De Jood die oordeelt, veroordeelt zichzelf
- 8 2:11-2:29 Wet horen is niet genoeg: besnijdenis van het hart
- 9 3:1-20 Joden zijn niet beter dan heidenen
- 10 3:21-26 God rechtvaardigt door geloof in Christus
- 11 3:27-4:25 Abraham gerechtvaardigd door geloof
- 12 5:1-11 Vrede met God door geloof in Christus
- 13 5:12-5:21 deel 1 Adam brengt de dood, Christus het leven
- 14 5:12-5:21 deel 2 Adam bracht de dood, Christus het leven
- 15 6:1-14 Met Christus gestorven, niet meer zondeslaaf
- 16 6:15-23 Van slaaf van de zonde naar slaaf van God
- 17 7:1-12 Vrij van de wet, verbonden met Christus
- 18 7:13-25 Paulus' strijd met de zonde in zijn vlees
- 19 8:1-14 Door de Geest wandelen en zonde overwinnen
- 20 8:15-39 Gods kinderen, geleid door de Geest
- 21 9:1-13 Niet iedereen uit Israël is echt Israël
- 22 9:14-24 God vormt Joden en heidenen voor ontferming
- 23 9:25-10:21 Jood en heiden gered door geloof in Christus
- 24 11 Heel Israël behouden door geloof in Christus
- 25 12:1-8 Een levend offer en een vernieuwd denken
- 26 12:9-21 Kwaad overwinnen zonder wraak te nemen
- 27 13 Overheid heeft gezag binnen Gods grenzen
- 28 14 Elkaar aanvaarden bij eten en heilige dagen
- 29 15-16 Elkaar aanvaarden, reisplannen en groeten
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/romeinen/15-16.srt
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Romeinen - Lezing 29 - 15-16.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/romeinen/15-16.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Romeinen 15:1
- Romeinen 15:2
- Psalmen 69:10
- Galaten 1:10
- Handelingen 4:18
- Handelingen 5:29
- Romeinen 15:4
- 2 Timotheüs 3:16
- 2 Timotheüs 3:17
- 2 Timotheüs 3:15
- Deuteronomium 22:10
- 2 Korinthe 6:14
- Deuteronomium 25:4
- 1 Korinthe 9:9-10
- Romeinen 15:5
- Filippenzen 2:5
- Romeinen 15:6
- Romeinen 15:7
- Romeinen 15:8-9
- Deuteronomium 32:43
- Psalmen 117:1
- Romeinen 15:12
- Romeinen 15:13
- Numeri 6:24-25
- Romeinen 15:14
- Romeinen 15:15-21
- Jesaja 66:20
- Jesaja 52:15
- Romeinen 15:22
- Romeinen 15:23
- Romeinen 15:24
- Romeinen 15:25
- Romeinen 15:26
- Romeinen 15:27
- Romeinen 15:28-29
- Romeinen 15:30-33
- Romeinen 15:31
- Handelingen 21:11
- Romeinen 16:1-2
- Romeinen 16:3
- 1 Korinthe 15:32
- Romeinen 16:5
- 1 Korinthe 16:15
- Romeinen 16:6
- Romeinen 16:7
- 1 Timotheüs 2:12
- Romeinen 16:8-9
- Romeinen 16:10
- Romeinen 16:11
- Romeinen 16:12
- Romeinen 16:13
- Markus 15:21
- Romeinen 16:14
- Romeinen 16:15
- Romeinen 16:16
- Romeinen 16:17-20
- Romeinen 16:21
- Romeinen 16:22
- Romeinen 16:23
- Romeinen 16:25-27
- 1 Korinthe 2:9