Hebreeën 12:18-13:25

Jeruzalem valt, Gods Koninkrijk blijft

Luisteren 1 uur 35 min Lezen ± 1 uur 17 min · Lezing 15 van 15

Schrijver / bijdrager
Tijdperiode van de inhoud
Mijn VVV

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/hebreeen/12-18-13-25.pdf?v=a9eaab33f14e. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/hebreeen/12-18-13-25.

Samenvatting

Het onwankelbare Koninkrijk en de aansporingen voor het leven onder het nieuwe verbond.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt het contrast tussen de berg Sinaï en het hemelse Sion, dat hij uitlegt als de gemeente op aarde en in de hemel. Hij verbindt het wankelen van hemel en aarde met het verdwijnen van het oude verbondsstelsel en het oordeel over Jeruzalem, terwijl Gods Koninkrijk blijft bestaan. Vervolgens behandelt hij de aansporingen over broederliefde, gastvrijheid, gevangenen, huwelijk, tevredenheid en geestelijk leiderschap, waarbij het gezag volgens hem bij Gods Woord ligt. Hij legt uit waarom gelovigen Jezus buiten de legerplaats moeten volgen en God offers van lof, goede daden en onderlinge hulp brengen. In de slotzegen ziet hij de vervulling van Ezechiëls beloften: Jezus is de beloofde Herder, Hij regeert nu en heeft het eeuwige verbond al door Zijn bloed tot stand gebracht.

Volhouden onder Gods opvoeding

Illustratie bij: Volhouden onder Gods opvoeding.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Hebreeën 12 vers 18 tot en met hoofdstuk 13 vers 25.

We gaan terug naar Hebreeën 12. We zijn aan het begin van onze vorige bijeenkomst begonnen met Hebreeën 12, maar eigenlijk hebben we toen nog wat restjes uit hoofdstuk 11 meegenomen. Daarmee ging kostbare tijd voor hoofdstuk 12 verloren. Het ging zo goed bij het grootste deel van Hebreeën. We behandelden één heel hoofdstuk per bijeenkomst. Dat is altijd overzichtelijker en wenselijk als het kan, maar niet ten koste van de inhoud.

In hoofdstuk 12 heeft de schrijver hen aangespoord om moedig een wedloop te lopen en niet moe te worden of de wedloop op te geven. Met andere woorden, om niet van Christus af te vallen. Natuurlijk gaan ze, als ze dreigen af te vallen, in de richting van het jodendom. Daarom spoort hij hen aan om op koers te blijven en niet terug te gaan naar het jodendom, dat ongetwijfeld de godsdienst van hun jeugd was, voordat ze christenen waren. Hij vergelijkt het met het lopen van een wedloop.

Hij vergelijkt het ook met kinderen die opgroeien. Hij zegt dat opgroeien voor een kind niet altijd aangenaam is. Een kind opvoeden houdt in dat je het niet altijd prettige dingen laat meemaken. Een kind is niet altijd blij met de lessen die het moet leren, vooral niet met de straffen die daarbij kunnen horen. Maar niet alle tuchtiging is straf. Het is allemaal opvoeding. God voedt ons op als kinderen, en Hij stelt ons bloot aan dingen waarbij we ons misschien niet op ons gemak voelen, zodat we sterker kunnen worden.

Zoals je dat bij ieder kind doet: je helpt je kind zich te ontwikkelen, verstandelijk, op het gebied van onderwijs, geestelijk en lichamelijk. Bij die groei horen altijd nieuwe lessen die verder gaan dan wat het kind met gemak aankan. Maar daardoor wordt het kind ook uitgedaagd om naar volwassenheid toe te groeien. De schrijver vergelijkt het lijden dat de lezers doormaken met dat verschijnsel van God Die Zijn kinderen tuchtigt. De verzen 5 tot en met 11 behandelen dat punt dus uitvoerig.

Dan krijgen we in de verzen 12 tot en met 17 een aansporing om moed te vatten. Want de dingen die op dit moment zo ontmoedigend lijken in hun leven, zijn in werkelijkheid Gods manier om hen tot volwassenheid te brengen. Dat zou dus bemoedigend moeten zijn. Diezelfde ervaringen die hen eerder zouden ontmoedigen, moeten ze nu vanuit een ander gezichtspunt bekijken, zodat ze nu bemoedigd worden en niet ontmoedigd.

Ze moeten beslist de valkuil vermijden waarin de Israëlieten in het Oude Testament vaak terechtkwamen. Ezau wordt genoemd als een opmerkelijk voorbeeld van iemand die denkt dat je je geestelijke eerstgeboorterecht kunt veronachtzamen. Dat je je eigen weg kunt gaan en jezelf kunt behagen in plaats van God, of de gemakkelijke weg kunt nemen in plaats van de weg van tucht die God voor je heeft, en dat het dan toch goed met je zal aflopen.

Als ze in dit specifieke geval de weg van de minste weerstand zouden nemen, zouden ze teruggaan naar het jodendom, want dat was de samenleving waarin ze leefden. Hun ouders en hun vrienden waren Joods en vervolgden hen omdat ze het jodendom hadden verlaten. Het gemakkelijkste zou zijn om terug te gaan, hun ouders te behagen, hun buren en hun familieleden te behagen, en zich van de vervolging te verlossen. Dat is de gemakkelijke weg, maar het is niet Gods weg. God leidde hen over de moeilijkere weg van tucht om volwassen christenen te worden, zodat ze zich door die tucht niet zouden laten terugdrijven en ontmoedigen.

Als ze denken dat ze terug kunnen gaan, de dingen anders kunnen doen dan op Gods manier en daar geen gevolgen van zullen ondervinden, dan maken ze juist in dit geval een grote misrekening. Want het stelsel waarnaar ze teruggaan, staat op het punt onder het goddelijke oordeel te komen. Als je teruggaat en een huis binnenrent dat op het punt staat gesloopt te worden, ga je je eigen ondergang tegemoet. Dat wordt op tal van plaatsen in deze brief zowel geïmpliceerd als uitgesproken.

De Sinaï: een berg die niemand mocht aanraken

Illustratie bij: De ontoegankelijke berg Sinaï.

Nu zegt vers 18:

Hebreeën 12:18

Want u bent niet tot een tastbare berg genaderd, en tot een brandend vuur, tot donkerheid, duisternis en stormwind,

Hij heeft het over de berg Sinaï. Hij noemt het een berg die aangeraakt kon worden. Zoals het hier staat, zou dat betekenen dat het een fysieke berg is. De berg waartoe wij wél komen, die hij later in vers 22 noemt, is geen berg die aangeraakt kan worden. Het is een geestelijk verschijnsel, geen fysiek verschijnsel.

Ik wil erop wijzen dat er in sommige Engelse vertalingen niet staat: ‘een berg die je kon aanraken’, maar: ‘een berg die je niet mocht aanraken’. Het maakt eigenlijk niet uit welke van de twee er staat. Als het een berg is die aangeraakt kon worden, betekent het een fysieke berg. Een berg die niet aangeraakt mocht worden, is een verwijzing naar de berg Sinaï, in elk geval de fysieke berg, die ze niet mochten aanraken. Dat is het punt dat hij maakt. Je mocht die berg niet aanraken. Ze hadden er een afzetting omheen aangebracht. Als zelfs maar een dier hem aanraakte, moest het ter dood gebracht worden. Het idee is dat hij te heilig was om aan te raken, als je uitgaat van de lezing dat de berg niet aangeraakt mocht worden.

Verschillende vertalingen geven het verschillend weer. Ik neem aan dat het een verschil tussen handschriften is. Maar het idee verandert niet wezenlijk, zelfs als je er het omgekeerde van maakt: wel of niet aanraken. In Exodus 19:12, daar heeft hij het over. Er staat in Exodus 19:12:

Exodus 19:12-13

12U moet voor het volk een grens stellen rondom de berg door te zeggen: Wees op uw hoede dat u de berg niet beklimt of ook maar de voet ervan aanraakt. Ieder die de berg aanraakt, zal zeker gedood worden. 13Geen hand mag hem aanraken, want hij zal zeker gestenigd of met pijlen doorschoten worden. Of het nu een dier of een mens is, hij mag niet blijven leven. Pas als de ramshoorn een langgerekte toon laat horen, mogen zíj de berg beklimmen.

Ze mogen die niet aanraken. Ze mogen er wel dichtbij komen. [Vertalersnoot: De spreker leest in zijn Engelse vertaling dat zij na het hoornsignaal dicht bij de berg mogen komen. De hierboven aangehaalde HSV zegt dat zij dan de berg mogen beklimmen.] Maar als ze die aanraken, zijn ze blijkbaar zo onrein geworden dat zelfs de mensen die hen doden hen niet mogen aanraken. Ze moeten worden gedood zonder te worden aangeraakt, omdat er zoveel ontzag en eerbied met deze berg verbonden is.

De angst en het oordeel van het oude verbond

Illustratie bij: Mozes en het volk beven bij Sinaï.

De schrijver van Hebreeën zegt dat jullie niet tot die berg gekomen zijn. Als je teruggaat, ga je naar die berg, want dat is de wet. Daar werd het oude verbond gesloten, bij die berg. Maar let eens op wat voor berg het was. Het was iets angstaanjagends. Zelfs Mozes zei dat hij bang was. Dat lezen we in vers 21:

Hebreeën 12:21

En wat zij zagen was zo verschrikkelijk, dat Mozes zei: Ik ben zeer bevreesd en sta te beven.

Die specifieke uitspraak van Mozes staat niet in onze Bijbel, maar wel in de Septuaginta, in Deuteronomium 9:19. In Exodus 19:16 staat in onze Bijbel het volgende:

Exodus 19:16

En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde.

Ze waren dus bang, maar er staat niet dat Mozes beefde. Hoewel hij in het kamp was, dus ik neem aan dat hij daar ook onder viel. In onze weergave ervan wordt niet specifiek vermeld dat Mozes zei dat hij vreesde en beefde. Maar in Deuteronomium 9:19 in de Septuaginta wordt het zo weergegeven dat Mozes dat zei. Dus niet alleen het volk, maar ook Mozes zelf was er doodsbang voor.

Is dit het verbond waar je naar terug wilt? Iets wat zo angstaanjagend is? Waarom zou het angstaanjagend zijn? Omdat op het overtreden ervan de doodstraf stond. Alleen al het aanraken van de berg was een overtreding die je het leven kon kosten. Om nog maar te zwijgen van de regels en voorschriften die werden opgelegd en die je het leven konden kosten als je ze overtrad. Dit is geen vriendelijke berg. Dit is geen aangename plek om naartoe te gaan. Het is niet het verbond waartoe je als christen gekomen bent, en het is ook geen verbond waarnaar het erg aantrekkelijk is terug te gaan. Je bent dus niet tot die berg gekomen.

Sion: de gemeente in hemel en op aarde

Illustratie bij: De gemeente verbonden met het hemelse Sion.

Maar in vers 22:

Hebreeën 12:22-24

22Maar u bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen, 23tot een feestelijke vergadering en de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid zijn gekomen, 24en tot de Middelaar van het nieuwe verbond, Jezus, en tot het bloed van de besprenkeling, dat van betere dingen spreekt dan dat van Abel.

Deze opsomming hier van dat waartoe we gekomen zijn, in tegenstelling tot het oude verbond: hij stapelt verschillende namen voor het nieuwe verbond en de dingen die ermee verbonden zijn op elkaar. Het eerste wat hij noemt, is de berg Sion. En daaraan voegt hij de stad van de levende God toe, het hemelse Jeruzalem. Dat zouden natuurlijk allemaal synoniemen zijn. Het aardse Sion was de berg waarop Jeruzalem lag. De aardse stad Jeruzalem was de stad van God. Dus in zekere zin zouden deze termen, Jeruzalem, Sion en stad van God, synoniemen zijn. Maar hij heeft het niet over het fysieke Jeruzalem, de fysieke berg Sion of de fysieke stad. Hij heeft het over het geestelijke, het hemelse Jeruzalem.

Om duidelijk te maken wat hij daarmee bedoelt, zegt hij in vers 23:

Naar de hele gemeenschap van eerstgeborenen die in de hemel staan ingeschreven.

Onze namen staan in de hemel ingeschreven, en we zijn gekomen tot de gemeente van Christus, de Eerstgeborene. [Vertalersnoot: De spreker betrekt het Engelse ‘the firstborn’ hier op Christus. De hierboven aangehaalde HSV heeft het meervoud ‘eerstgeborenen’.] En dat is het Sion waartoe we gekomen zijn. Dat is het hemelse Jeruzalem, de gemeente.

Een deel van deze gemeente is in de hemel. Een deel ervan is op aarde, maar het is één gemeente. We zijn als één organisme met de hemel verbonden, omdat een deel van het lichaam waar wij deel van uitmaken daar al is. Het Hoofd is daar. Wij zijn nog het deel dat de aarde raakt, dus volgens deze vergelijking zijn we, denk ik, de voeten. Maar een lichaam met zijn voeten op aarde en zijn hoofd in de hemel hoort op beide plaatsen thuis. En zo maken we deel uit van de hemelse orde, het hemelse Jeruzalem, hoewel we als afzonderlijke personen misschien nog op aarde leven.

De engelen delen in onze aanbidding

Illustratie bij: Aanbidding in verbondenheid met de engelen.

Maar dit is ongetwijfeld waar hij aan denkt aan het einde van vers 22, wanneer hij zegt:

Naar een ontelbare menigte engelen.

Ik vraag me af hoe de schrijver van Hebreeën zich een beeld heeft gevormd van hoeveel engelen er zijn. Ik vraag me soms af of sommige auteurs van de andere boeken van het Nieuwe Testament Openbaring daadwerkelijk als bron tot hun beschikking hadden. Het Evangelie van Johannes lijkt terug te verwijzen naar Openbaring. Jakobus doet dat ook, en 2 Petrus misschien ook. Er zijn minstens drie boeken in het Nieuwe Testament waarvan je kunt betogen dat ze terugverwijzen naar Openbaring. Dit boek doet dat misschien ook, vooral als het heel kort voor of na de val van Jeruzalem geschreven is, wat best het geval zou kunnen zijn, als je het zo leest. Het zou na Openbaring geschreven kunnen zijn, en dan zou de schrijver daarmee bekend kunnen zijn geweest.

In Openbaring lezen we, zoals nergens anders in de Schrift, inderdaad over een ontelbare menigte engelen waartoe we gekomen zijn. In Openbaring hoofdstuk 5 en vers 11 staat:

Openbaring 5:11

En ik zag, en hoorde een geluid van vele engelen rondom de troon, van de dieren en van de ouderlingen. En hun aantal bedroeg tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen.

Dat zou honderd miljoen zijn, denk ik. [Vertalersnoot: De spreker leest hier ‘tienduizend maal tienduizend’ in zijn Engelse vertaling.] En tel daar duizenden en duizenden duizendtallen bij op. Dan heb je dus ongeveer honderd miljoen plus nog duizenden duizendtallen. Duizend maal duizend is nog eens een miljoen. Dus tien miljoen plus nog miljoenen en miljoenen meer. Zoveel engelen zijn het dus eigenlijk waartoe we gekomen zijn. Zoveel engelen aanbidden God samen met ons.

De gemeente is dus tegelijkertijd in de hemel en op aarde. Wij zijn toevallig leden van dat lichaam die hier beneden nog wat rondploeteren. Maar we zijn gekomen tot een gemeente die al in de hemel is aangekomen. Ons Hoofd is daar. Veel van onze leden zijn daar; ze zijn gestorven en verdergegaan. En de engelen zijn daar om de aanbidding en de zang van de gemeente te begeleiden.

De geesten van rechtvaardigen, volmaakt gemaakt

Illustratie bij: De gemeenschap van gereinigde gelovigen.

Nu zegt hij aan het einde van vers 23:

naar de geesten van rechtvaardige mensen die volmaakt zijn gemaakt.

Dit kan slaan op de geesten van de mensen die in hoofdstuk 11 werden opgesomd, de oudtestamentische heiligen, die zonder ons niet tot volmaaktheid konden komen. Maar nu zijn ze niet zonder ons. Ze zijn tot volmaaktheid gebracht. Daar zou hij dus op kunnen doelen. Of hij zou kunnen zeggen dat de gemeente die we hier op aarde bezoeken, bestaat uit rechtvaardige mensen van wie de geesten tot volmaaktheid zijn gebracht. Hij heeft het er eerder over gehad hoe Christus met één offer de christenen voor altijd tot volmaaktheid heeft gebracht, het geweten tot volmaaktheid heeft gebracht. En zo zijn de geesten van rechtvaardige mensen tot volmaaktheid gebracht. De mensen zijn niet bepaald volmaakt, maar hun geesten wel. Het zou kunnen verwijzen naar de gemeenschap waar we nu op aarde deel van uitmaken.

Het is heel onduidelijk wat hij hier precies bedoelt. Maar één ding lijkt duidelijk: hij stapelt synoniem op synoniem voor wat hij noemt:

Hebreeën 12:22-24

22Maar u bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen, 23tot een feestelijke vergadering en de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid zijn gekomen, 24en tot de Middelaar van het nieuwe verbond, Jezus, en tot het bloed van de besprenkeling, dat van betere dingen spreekt dan dat van Abel.

Het hemelse Jeruzalem is de gemeente

Illustratie bij: Het hemelse Jeruzalem als beeld van de gemeente.

Dat de gemeente het hemelse Jeruzalem is, wordt hier onmiskenbaar duidelijk gemaakt. En zoals ik al zei, als hij ook maar enigszins door het boek Openbaring is beïnvloed, weten we welk gedeelte dat was. Want het was in Openbaring 21 dat we voor het eerst een visioen van het hemelse Jeruzalem zien, en dat is duidelijk de gemeente.

In Openbaring 21, vers 9, staat bijvoorbeeld:

Openbaring 21:9

En een van de zeven engelen die de zeven schalen hadden, vol van de zeven laatste plagen, kwam naar mij toe en hij sprak met mij en zei: Kom, ik zal u de bruid, de vrouw van het Lam, laten zien.

Dit is een ondubbelzinnige verwijzing naar de gemeente. De gemeente is de vrouw van het Lam, de bruid van Christus.

Openbaring 21:10

En hij voerde mij weg in de geest op een grote en hoge berg en liet mij de grote stad zien, het heilige Jeruzalem, dat neerdaalde uit de hemel, bij God vandaan.

Dat is het hemelse Jeruzalem, dat van God neerdaalt. Dit is de bruid van het Lam. Dit is de gemeente, de stad.

En we zagen dit eerder in Openbaring 21, waar in vers 2 staat, Openbaring 21:2:

Openbaring 21:2

En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalen van God uit de hemel, gereedgemaakt als een bruid die voor haar man sierlijk gemaakt is.

In vers 9 kwamen we te weten dat het de bruid van het Lam was. Het is de gemeente. Het hemelse Jeruzalem is de gemeente.

De schrijver van Hebreeën neemt dat natuurlijk als vanzelfsprekend aan. Neemt hij dat als vanzelfsprekend aan omdat alle christenen dat toch al wisten? Of omdat hij het boek Openbaring had gelezen? Hij verwacht dat zijn medelezers van het boek Openbaring die conclusie hebben getrokken. Hoe dan ook, hij gebruikt ze als synoniemen: het hemelse Jeruzalem en de gemeente.

En Paulus doet dat geheel onafhankelijk hiervan en lang voordat dit werd geschreven. Want Galaten is een van de oudste boeken van het Nieuwe Testament, een van de boeken die het vroegst zijn geschreven. Het zal tientallen jaren vóór het boek Hebreeën zijn geschreven. In Galaten 4 maakt Paulus onderscheid tussen het oude verbond en het nieuwe verbond. Hij vergelijkt het oude verbond met het Jeruzalem dat er nu is. En het nieuwe verbond vergelijkt hij met het Jeruzalem dat boven is. Het is opmerkelijk dat hij in Galaten 4:26 zegt:

Galaten 4:26

Maar het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is de moeder van ons allen.

Voor ons allemaal als christenen is onze moeder dus het Jeruzalem dat boven is. De gemeente is de moeder van de christenen. De gemeente is de bruid. De gemeente is de moederschoot waardoor God Zijn kinderen voortbrengt. En het hemelse Jeruzalem is duidelijk de gemeente. Dat is ondubbelzinnig in Hebreeën, minder duidelijk in Openbaring en nog minder duidelijk in Galaten. Maar we zien dat ze allemaal met elkaar overeenstemmen: de vroege gemeente beschouwde zichzelf als het hemelse Jeruzalem en zag zichzelf als de vervulling van veel van de oudtestamentische profetieën over Jeruzalem.

Profetieën over Sion toegepast op de gemeente

Illustratie bij: Met vreugde behoren tot Sion.

Dit is een terrein waarop de vroege gemeente andere uitgangspunten lijkt te hebben gehad dan bijvoorbeeld hedendaagse aanhangers van de bedelingenleer. Telkens wanneer hedendaagse aanhangers van de bedelingenleer in het Oude Testament een passage over Jeruzalem tegenkomen, vooral over het messiaanse tijdperk enzovoort, en Jeruzalem en dat alles, zeggen ze: ‘Nou, Jeruzalem moet het letterlijke Jeruzalem zijn. Dit kan allemaal daar in Israël gebeuren, in het Midden-Oosten, ergens in de toekomst.’

Dat is redelijk genoeg als de vroege gemeente de dingen zo begreep. Maar dat leek niet het geval te zijn. Ze haalden passages over Jeruzalem uit het Oude Testament aan en pasten die toe op zichzelf, op de gemeente. Ze vergeestelijkten het, met andere woorden. Hij zegt dus dat we al tot Sion zijn gekomen. En we lazen in onze vorige bijeenkomst in Jesaja 35:10, daar staat:

Jesaja 35:10

Want wie door de HEERE zijn vrijgekocht, zullen terugkeren; zij zullen Sion binnenkomen met gejuich. Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd zijn, vreugde en blijdschap zullen zij verkrijgen, verdriet en gezucht zullen wegvluchten.

Hij zei: ‘Nou, dat hebben jullie gedaan. Jullie zijn de vrijgekochten van de Heere. Jullie zijn tot Sion gekomen. Waarom zou je teruggaan naar de berg Sinaï? Waarom zou je teruggaan naar een verbond dat verbonden is met vreeswekkende oordelen en duisternis en angstaanjagende dreigementen? Je kunt immers deel uitmaken van een verbond dat vol is van engelen en licht en rechtvaardige mensen van wie de geesten tot volmaaktheid zijn gebracht en dat alles.’ Je wilt beslist niet teruggaan.

Het bloed van Jezus en het bloed van Abel

Illustratie bij: Abels bloed roept uit de aarde.

Je bent ook gekomen, vers 24,

Hebreeën 12:22-24

22Maar u bent genaderd tot de berg Sion en tot de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem en tot tienduizendtallen van engelen, 23tot een feestelijke vergadering en de gemeente van de eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten van de rechtvaardigen, die tot volmaaktheid zijn gekomen, 24en tot de Middelaar van het nieuwe verbond, Jezus, en tot het bloed van de besprenkeling, dat van betere dingen spreekt dan dat van Abel.

Het bloed van Christus werd natuurlijk eerder genoemd. We zijn immers door het bloed van Christus besprenkeld en zo gereinigd van een slecht geweten, staat er in hoofdstuk 10, vers 22. We zijn gekomen tot het bloed van de besprenkeling, dat van betere dingen spreekt dan dat van Abel. Wat betekent deze uitspraak dat het bloed van Christus van betere dingen spreekt dan het bloed van Abel? Dat veronderstelt dat het bloed van Abel iets zegt, en het bloed van Jezus iets beters. Wat zegt het bloed van Abel? Daar vinden we inderdaad een verwijzing naar in Genesis hoofdstuk 4, in het gedeelte dat over het verhaal van Kaïn en Abel gaat. Nadat Abel gestorven was, sprak zijn bloed.

We lezen in Genesis 4:10. In vers 9 zei de Heere tegen Kaïn:

Genesis 4:9

En de HEERE zei tegen Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet het niet; ben ik de hoeder van mijn broer?

En hij zei:

Ik weet het niet. Moet ik soms op mijn broer passen?

En vers 10 zegt:

Genesis 4:10

En Hij zei: Wat hebt u gedaan! Er is een stem van het bloed van uw broer, dat van de aardbodem tot Mij roept.

Het bloed van Abel sprak dus, het riep, het schreeuwde zelfs. Waarom? Om wraak, om de rekening te vereffenen, om straf. Hij was vermoord. Zijn bloed roept erom dat het onrecht wordt rechtgezet. Het bloed van Abel, het eerste onschuldige mensenbloed dat op aarde werd vergoten, riep om wraak. Het bloed van Christus roept om iets beters dan dat: barmhartigheid. Dat spreekt van betere dingen dan het bloed van Abel.

De laatste waarschuwing: wijs God niet af

Illustratie bij: De waarschuwing om Gods spreken niet af te wijzen.

Nu vers 25. Deze laatste paar verzen, de laatste vijf verzen van Hebreeën 12, vormen het vijfde en laatste waarschuwingsgedeelte van het boek. We hebben er eerder vier gezien. Dit is een kort gedeelte, net als het eerste, en het bevat deels dezelfde gedachte als het eerste. In het eerste, in hoofdstuk 2, vers 3, staat:

Hebreeën 2:3

hoe zullen wij dan ontvluchten, als wij zo'n grote zaligheid veronachtzamen, die in het begin door de Heere is verkondigd, en die aan ons is bevestigd door hen die Hem gehoord hebben.

Ook dit gedeelte stelt die vraag aan de orde. Er staat:

Hebreeën 12:25

Let er dan op dat u Hem Die spreekt, niet verwerpt. Want als zij niet zijn ontkomen die hem verwierpen die op aarde aanwijzingen van God deed horen, veelmeer zullen wij niet ontkomen , als wij ons afkeren van Hem Die vanuit de hemelen spreekt .

Dit lijkt sterk op de aansporing aan het begin van hoofdstuk 2, waar hij zegt:

Hebreeën 2:2-4

2Want als het woord dat door engelen gesproken werd, al bindend was en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontving, 3hoe zullen wij dan ontvluchten, als wij zo'n grote zaligheid veronachtzamen, die in het begin door de Heere is verkondigd, en die aan ons is bevestigd door hen die Hem gehoord hebben. 4God heeft er bovendien mede getuigenis aan gegeven door tekenen, wonderen en allerlei krachten, en gaven van de Heilige Geest, overeenkomstig Zijn wil.

Opnieuw hebben we het over ontkomen. Dat is een vreemd woord om te gebruiken als we het hebben over eeuwige bestemmingen. Hij zou natuurlijk kunnen bedoelen: ‘Hoe zullen we aan de hel ontkomen?’ Maar hij heeft in zijn boek nooit de hel genoemd. Ook geen enkele andere brief in de Bijbel noemt de hel als een plaats waar mensen naartoe gaan. De enige verwijzingen naar de hel in het Nieuwe Testament staan in Openbaring en in het onderwijs van Jezus. En zelfs in het onderwijs van Jezus is het de vraag of Hij het daarover heeft, afhankelijk van wat Gehenna is.

Het interessante is dat Paulus de hel nooit heeft genoemd. De schrijver van Hebreeën heeft de hel nooit genoemd. Petrus noemt in 2 Petrus de hel, maar hij heeft het niet over onze hel. Hij heeft het over Tartarus, waar de gevallen engelen naartoe gaan. Afgezien daarvan wordt er niet over de hel gesproken. Ik moet zeggen: het woord ‘hel’. Er zijn zeker verwijzingen, en enkele daarvan zijn we al tegengekomen, naar

Hebreeën 10:27

maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden.

We zijn verwijzingen tegengekomen naar een zwaar oordeel, en het zou heel goed kunnen dat dit met de hel in verband gebracht moet worden. Maar hij heeft nergens aangegeven dat hij dat bedoelt.

Ontkomen aan het oordeel over Jeruzalem

Illustratie bij: Ontkomen aan het naderende oordeel.

We weten wel dat er op het moment van schrijven zo’n oordeel dreigde, want hij zegt dat het oude stelsel op het punt staat te verdwijnen. En we weten iets over hoe dat is gebeurd. De verschrikkelijke holocaust die in het jaar 70 na Christus plaatsvond en de Joden trof, past bij alle beschrijvingen van het oordeel waarop de schrijver van Hebreeën heeft gezinspeeld of die hij heeft uitgesproken.

En wanneer hij zegt:

Hoe kunnen wij dan ontkomen?

is dat opnieuw een vreemde formulering als we behoud zien als een ontkomen. Ik zie behoud niet als een ontkomen. Ik denk dat behoud betekent dat je met God verzoend wordt. Als gevolg daarvan ontkomen we misschien inderdaad ergens aan, maar behoud — ik weet het niet. Het zou kunnen. Maar ik denk dat hij het heeft over ontkomen aan dat oordeel dat eraan komt.

En de christelijke Joden zijn eraan ontkomen. Dat is het juiste woord voor wat er gebeurde. Voordat de Romeinen kwamen, kreeg de gemeente in Jeruzalem een godsspraak die zei: ‘Ga de stad uit, de Romeinen komen eraan.’ Ze vertrokken. De Romeinen kwamen en belegerden de stad. Alle christenen waren weg. Zij ontkwamen. De rest niet. Degenen die nog steeds vasthielden aan het oude stelsel, ontkwamen niet.

Nu staat hier:

Zorg dat je niet weigert te luisteren naar Hem Die spreekt. Want als de mensen die weigerden te luisteren naar hem die op aarde sprak niet ontkwamen.

Waaraan ontkwamen zij niet? Aan de hel? Wel, we weten niet of dat het geval is of niet. We weten dat ze niet aan de dood ontkwamen. Dat is het punt dat hij verschillende keren in zijn waarschuwingen heeft gemaakt: de mensen die de wet van Mozes overtraden, stierven. Dat is lichamelijk oordeel, lichamelijke dood. Ze ontkwamen niet. Hoe kunnen wij ontkomen als we Hem afwijzen Die vanuit de hemel spreekt en een grotere waardigheid heeft,

God doet hemel en aarde beven

Illustratie bij: De belofte dat hemel en aarde zullen beven.
Hebreeën 12:26

Zijn stem bracht indertijd de aarde aan het wankelen. Nu echter heeft Hij openlijk verkondigd: Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde, maar ook de hemel doen beven.

Daarmee wordt bedoeld: bij de berg Sinaï. Daar deed die stem de aarde beven. Daar hadden we het een paar verzen eerder over. De berg Sinaï beefde. Gods stem deed de aarde beven. Iedereen beefde.

Er staat: ‘Zijn stem bracht indertijd de aarde aan het wankelen’ — bij de berg Sinaï. ‘Nu echter heeft Hij openlijk verkondigd: Nog eenmaal zal Ik niet alleen de aarde, maar ook de hemel doen beven.’

Dat is eigenlijk een citaat uit Haggai hoofdstuk 2, vers 4. Het is een interessante passage. Het is een passage die volgens mij alleen te begrijpen is als je die op het nieuwe verbond toepast. Dat lijkt in elk geval de manier te zijn waarop de schrijver van Hebreeën die toepast. Maar hij zegt: kijk wat Hij zegt. God zegt dat Hij nog eenmaal niet alleen de aarde zal doen beven, zoals Hij bij de Sinaï deed, maar ook de hemelen.

Toen Jezus stierf en weer opstond, vond er een omwenteling plaats in de hemelen. De overheden en machten werden ontwapend. De satan werd uitgeworpen, dat soort dingen. De hemelen werden door elkaar geschud. Maar misschien verwijst dit hier daar niet eens naar. Het kan zijn dat hij spreekt over de hele geestelijke wereld die wordt omvergeworpen en door elkaar geschud. Het ene verbond wordt opgegeven en vervangen door een ander. Een heel stelsel waardoor mensen tot God naderen, de God van de hemel, dat hele stelsel wordt door elkaar geschud. Volgens mij moeten we misschien overwegen dat het beven van hemel en aarde hiermee te vergelijken is: Hij deed de aarde beven toen Hij het oude verbond sloot. Hij doet hemel en aarde beven wanneer Hij het oude verbond vernietigt.

Het oude stelsel wijkt voor Gods Koninkrijk

Illustratie bij: Een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen.

Met die mogelijkheid in gedachten, in elk geval iets om te overwegen, zegt vers 27:

Hebreeën 12:27

Dit ‘nog eenmaal’ duidt op de verandering van de dingen die kunnen wankelen als van dingen die gemaakt zijn, opdat de dingen die onwankelbaar zijn, zouden blijven.

Tegenwoordige tijd, geen toekomende tijd. Op dit moment worden deze dingen door elkaar geschud. [Vertalersnoot: De spreker baseert deze uitleg op zijn Engelse vertaling, die hier ‘are being shaken’ heeft: ‘aan het wankelen worden gebracht’. De aangehaalde HSV heeft ‘kunnen wankelen’. Dit verschil geldt ook voor zijn verdere bespreking van de werkwoordstijd in dit vers.] Dit ‘nog eenmaal’, wanneer Hij hemel en aarde doet beven, gebeurt nu al, zegt hij. Dit verwijst naar het wegnemen van dingen die aan het beven worden gebracht, zoals misschien de tempel en het stelsel.

Hebreeën 12:27

als van dingen die gemaakt zijn, opdat de dingen die onwankelbaar zijn, zouden blijven.

Volgens mij bedoelt hij: door mensen gemaakt. Alles wat mensen maken, kan aan het beven worden gebracht. Hij stelt wat aan het beven kan worden gebracht gelijk aan wat gemaakt is. Natuurlijk zou wat God maakt tegen dat beven bestand kunnen zijn. Maar door mensen gemaakte bouwwerken zijn heel kwetsbaar voor aardbevingen en dat soort dingen, of ze verdwijnen gewoon met de tijd. Hij zegt dat het weggenomen zal worden.

Wat kan niet aan het beven worden gebracht? Hij zegt:

Hebreeën 12:28

Laten wij daarom, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, aan de genade vasthouden en daardoor God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied.

Tegenwoordige tijd.

Dus wat hebben we? We hebben een oud stelsel dat aan het beven kan worden gebracht en aan het beven gebracht zal worden. Het zal worden weggenomen. Maar het Koninkrijk dat we hebben ontvangen, zal tegen dat beven bestand zijn. Het kan niet door elkaar worden geschud. Er zijn dingen die aan het beven kunnen worden gebracht, de dingen die door mensen gemaakt zijn. Dat geldt niet voor het Koninkrijk van God. Dat is door God gemaakt. Dat kan niet aan het beven worden gebracht.

Het klinkt dus alsof hij hierover spreekt: Haggai spreekt over de omwenteling bij de ondergang van het oude stelsel en over het voortbestaan, ondanks die omwenteling, van een onwankelbaar Koninkrijk. Christus heeft ons daarin binnengebracht, en we ontvangen het op dit moment. Let op, het gaat om de tijden van deze werkwoorden. Hij spreekt niet over eschatologie. Hij zegt niet dat dit gaat over dingen die aan het beven gebracht zullen worden. In vers 27 staat:

Hebreeën 12:27

Dit ‘nog eenmaal’ duidt op de verandering van de dingen die kunnen wankelen als van dingen die gemaakt zijn, opdat de dingen die onwankelbaar zijn, zouden blijven.

Hij zegt niet dat we een Koninkrijk zullen ontvangen. Hij zegt dat we een Koninkrijk ontvangen. Dit gaat over iets wat op het moment van schrijven gebeurde.

God dienen door genade, met ontzag

Illustratie bij: God dienen met genade en eerbied.

Trouwens, ik zou dit willen zeggen. Jezus deed deze heel bekende uitspraak:

Markus 9:1

En Hij zei tegen hen: Voorwaar, Ik zeg u dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood niet zullen proeven voordat zij gezien zullen hebben dat het Koninkrijk van God met kracht gekomen is.

En hij zegt dat we dat Koninkrijk nu ontvangen. Het komt met kracht. We ontvangen het zelfs op dit moment. En de oude dingen die aan het beven worden gebracht, worden weggenomen.

Hij zegt:

Laten we daarom genade hebben, omdat we een koninkrijk ontvangen dat niet aan het wankelen kan worden gebracht.

De wet zal niet veel helpen. De tempel gaat ten onder. Het hele wettelijke stelsel zal geen enkele waarde hebben. Laten we in plaats daarvan aan de genade vasthouden.

Hebreeën 12:28

Laten wij daarom, omdat wij een onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, aan de genade vasthouden en daardoor God dienen op een Hem welgevallige wijze, met ontzag en eerbied.

De Joden dachten dat ze God dienden wanneer ze naar de tempel gingen en daar offers brachten. Dat was de dienst aan God. Maar wij dienen God op een manier die Hem meer behaagt, door genade.

Hebreeën 12:29

Want onze God is een verterend vuur.

Dat houdt in dat er een vurig oordeel is dat God over Zijn vijanden zal brengen. Daar heeft hij al naar verwezen.

Je wilt God dienen op een manier die Hem behaagt, niet binnen een oude orde die God heeft verworpen. David zei, zoals in hoofdstuk 10 van Hebreeën werd aangehaald:

Hebreeën 10:6

Brandoffers en offers voor de zonde hebben U niet behaagd.

Dat is een citaat uit Psalm 40. We zagen dit in Hebreeën 10, vers 5 tot en met 7, dat David zei dat God geen behagen had in offers en offergaven. Dus als we God willen dienen op een manier die Hij aanvaardt, of op een manier die God behaagt, dan moet dat met genade zijn, niet met de wet. Niet met het oude stelsel, maar met de nieuwe orde. Johannes zei in Johannes hoofdstuk 1:

Johannes 1:17

Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn er door Jezus Christus gekomen.

Dus genade en waarheid komen ervoor in de plaats.

Broederliefde en gastvrijheid aan engelen

Illustratie bij: Lot biedt twee vreemdelingen onderdak.

We zullen zien dat het laatste hoofdstuk hier in wezen gewoon een verzameling uiteenlopende aansporingen is. Elk daarvan is een hele preek waard. Maar we moeten weten dat er in hoofdstuk 13 geen doorlopende redenering meer is waarbij je een paar verzen kunt nemen en zeggen: ‘Dit is eigenlijk waar hij hiermee naartoe wil.’ Hij wil er nergens mee naartoe. Het is net popcorn: aansporingen over allerlei verschillende dingen. Het is alsof hij beseft dat hij bijna aan het einde van zijn perkament is en zegt: ‘Ik had nog zo veel meer te zeggen. Ik kan het maar beter heel kort zeggen.’ Een heleboel verschillende dingen.

Zo vinden we in hoofdstuk 13:

Hebreeën 13:1

Laat de broederliefde blijven.

Dat is een goede aansporing die op zichzelf staat: broederliefde. Dat is wat christenen kenmerkt, dus houd dat vol.

Hebreeën 13:2

Vergeet de gastvrijheid niet, want hierdoor hebben sommigen zonder het te weten engelen onderdak geboden.

Dit is een klassiek vers over gastvrijheid. Je weet nooit wie die vreemdelingen zijn aan wie je gastvrijheid kunt bieden. Misschien is het wel een engel.

Op wie doelt hij? Wie ontving er in het Oude Testament engelen in huis zonder te weten dat het engelen waren? Lot waarschijnlijk. De twee mannen die Lot in Sodom in zijn huis haalde, waren beslist engelen, en misschien had hij dat aanvankelijk niet door. Voor zover we weten, bood hij gewoon gastvrijheid aan een paar mannen die anders op straat zouden gaan slapen, waar het gevaarlijk was. Dus zegt hij:

Genesis 19:2

Hij zei: Zie toch, mijne heren, wijk toch af van uw weg en kom naar het huis van uw dienaar en overnacht daar en was uw voeten; morgen vroeg kunt u opstaan en uw reis vervolgen. Maar zij zeiden: Nee, wij zullen wel op het plein overnachten.

Als hij wist dat het engelen waren, zou hij waarschijnlijk niet denken dat ze zijn bescherming nodig hadden.

Of het zou Abraham kunnen zijn, een hoofdstuk eerder, in hoofdstuk 18 van Genesis. Daar kwamen God en twee engelen bij hem op bezoek, en hij maakte een maaltijd voor hen klaar, enzovoort. Uiteindelijk wist hij dat het God was, maar aanvankelijk klinkt het verhaal alsof hij niet wist dat het God was. Hij was gewoon gastvrij. Toen bleek dat God een woord voor hem had, en hij herkende dat het God was. Daar stond hij even van te kijken.

Er zijn ongetwijfeld meer van zulke gevallen in de Bijbel, of misschien ook buiten de Bijbel. Misschien in de moderne tijd. We hebben heel wat verhalen over lifters gehoord, over iemand die een lifter meeneemt die een engel blijkt te zijn. Ik geloof geen van die verhalen. Het is een soort broodjeaapverhaal dat al heel lang in het lichaam van Christus de ronde doet. Ik zou niet zeggen dat het onmogelijk is dat je een engel meeneemt. Een lifter meenemen is gastvrijheid: je nodigt iemand uit in je auto en biedt beschutting tegen het weer. Dat is een vorm van gastvrijheid. Het is niet onmogelijk dat een lifter die je meeneemt een engel is. Maar ik geloof gewoon geen van de verhalen die ik heb gehoord, omdat ze allemaal zo veel op elkaar lijken, en ze doen inderdaad de ronde.

Maar het punt dat hier wordt gemaakt, is dat het niet zonder precedent is dat iemand die gewoon gastvrij was voor een vreemdeling, uiteindelijk gastvrijheid aan engelen bleek te hebben geboden zonder het te weten.

Christus ontvangen door gastvrij te zijn

Illustratie bij: Christus dienen door vreemdelingen te ontvangen.

Er is een nog betere reden om gastvrij te zijn. Jezus zei:

Mattheüs 25:40

En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan.

Mensen hebben niet alleen gastvrijheid aan engelen geboden zonder het te weten, ze hebben ook gastvrijheid aan Jezus geboden zonder het te weten. Jezus zegt:

Mattheüs 25:35

Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij gastvrij onthaald.

Zij zeiden:

Wanneer was je een vreemdeling en hebben we je in huis genomen?

Met andere woorden, als we naar de mensen in ons huis kijken en zeggen: ‘Wie zijn deze mensen? Misschien zijn het engelen.’ Ik weet niet of er engelen bij zijn, maar ik weet dat ze allemaal Jezus zijn, want als we het voor hen doen, doen we het voor Jezus. Dat is nog beter. Mijn vrouw is een engel, maar zij is degene die de gastvrijheid biedt, dus dat past hier niet.

Het punt hier is dat je gastvrij hoort te zijn, gewoon om gastvrij te zijn, gewoon om liefdevol te zijn. Je weet maar nooit. Misschien heb je een gast in vermomming die je later weer tegenkomt, misschien in de hemel. Hij zegt: ‘Weet je nog wie ik ben? Ik was een engel. Ik kwam langs en je nam me in huis.’ Of Jezus Zelf Die zegt:

Ik was een vreemdeling en jullie hebben me in huis genomen.

Dit is dus een krachtige aansporing om gastvrij te zijn.

Het woord ‘gastvrijheid’ betekent in het Grieks eigenlijk ‘liefde voor vreemdelingen’. Iedereen in ons huis kan een vriend zijn, in plaats van een vreemdeling. Het is nog steeds gastvrijheid. Ze zijn vreemden in ons huis. Ze zijn buitenstaanders in ons huis. Ze wonen hier niet. Maar liefde voor vreemdelingen gaat zelfs zo ver dat je niet alleen iets doet voor een vriend. Je doet iets gewoon omdat iemand een mens is. Gewoon omdat het een mens is die iets nodig heeft. Je weet niet eens wie die persoon is. Het is een vreemde voor je. Een lifter meenemen zou zeker dat soort gastvrijheid zijn. En de nadruk ligt hier natuurlijk op het feit dat je misschien meer goed doet dan je weet. Misschien help je iemand die belangrijker is dan je beseft. Doe het gewoon als vaste gewoonte, en misschien kom je er later achter wie sommige van die gasten waren.

Meeleven met gevangenen en vervolgden

Illustratie bij: Gevangenen met daadwerkelijk medeleven bezoeken.

Vers 3:

Hebreeën 13:3

Denk aan de gevangenen alsof u zelf ook gevangen bent, en denk aan hen die slecht behandeld worden, alsof u ook zelf lichamelijk slecht behandeld wordt.

Daarmee bedoelt hij ongetwijfeld christenen in de gevangenis. De schrijver was zelf ooit een christen in de gevangenis, en zij dachten aan hem. Denk maar aan hoofdstuk 10, vers 34:

Hebreeën 10:34

Want u hebt ook medelijden gehad met mij, in mijn boeien, en de beroving van uw eigendommen met blijdschap aanvaard, in de wetenschap dat u voor uzelf een beter en blijvend bezit in de hemelen hebt.

Ze vergaten hem niet. Hij was een gevangene, en ze vergaten hem niet. Nu zegt hij: ‘Ik ben geen gevangene meer, maar er zitten nog steeds mensen daarbinnen. Er zijn nog andere christenen die in de boeien zitten, dus vergeet hen niet.’

Wij zijn één lichaam. Paulus zei in 1 Korinthe 12:

1 Korinthe 12:26

En als één lid lijdt, lijden alle leden mee. Als één lid eer ontvangt, verblijden alle leden zich mee.

Dus ook al zitten wij niet in de gevangenis, als een lid van ons lichaam, het lichaam van Christus waar wij deel van uitmaken, in de gevangenis zit, zitten wij met hen in de gevangenis. Zo zouden we erover moeten denken. We zouden voor hen moeten doen wat we zouden hopen dat er voor ons gedaan werd als wij daar zaten. In zekere zin zitten we daar ook.

Daar voel ik me op aangesproken, want ik ken inderdaad een paar christenen die vrienden van me zijn. Ze zijn voor misdrijven in de gevangenis terechtgekomen, maar dat paste niet bij hun normale christelijke levenswandel. Ze waren echt christenen, maar ze waren op dat moment wat afgedwaald en deden iets waarvoor ze in de gevangenis werden gegooid. Daarna kwamen ze opnieuw tot bekering. Hun bekering past trouwens meer bij het patroon dat hun leven grotendeels heeft gekenmerkt. Eigenlijk denk ik aan één man in het bijzonder die een heel lange straf uitzit voor iets verkeerds wat hem niet veel tijd kostte om te doen. Ik ben het contact met hem kwijtgeraakt. Ik wou dat ik hem vaker had geschreven. Hij zit niet in deze staat.

Misschien kunnen we denken aan mensen, christenen, die op dit moment niet kunnen doen wat wij kunnen: vrij rondlopen, ergens heen gaan om ons te vermaken. Zij zitten in de gevangenis. In andere landen zitten veel mensen in de gevangenis alleen maar omdat ze christen zijn, en dat is veel erger dan hier in de gevangenis zitten. Het kan echt verschrikkelijk zijn. Bedenk dat als zij daar zitten en tot ons lichaam behoren, wij met hen in de gevangenis zitten. We moeten met dat soort medeleven aan hen denken.

Het huwelijk en het vermijden van ontucht

Illustratie bij: Het huwelijk in ere houden.

Vers 4:

Hebreeën 13:4

Laat het huwelijk bij allen in ere zijn en het huwelijks bed onbevlekt, want ontuchtplegers en overspelers zal God oordelen.

Het is interessant dat hij tegenover juist dit publiek een paar keer ontucht noemt. Dit zijn Joodse christenen die erover denken om terug te gaan naar het jodendom. Toch zegt hij eerder, in hoofdstuk 12, tegen hen:

Hebreeën 12:16

Laat niemand een ontuchtpleger zijn of een onheilige, zoals Ezau, die voor één enkele maaltijd zijn eerstgeboorte recht verkocht.

Dat is hoofdstuk 12, vers 16. Alsof sommigen van hen misschien in ontucht vervielen. Hier zegt hij het opnieuw: ontuchtplegers zullen geoordeeld worden. Doe dat niet.

Natuurlijk zou dat niet al te verrassend moeten zijn, want ook in onze gemeenten vervallen mensen tenslotte in ontucht. Ontucht is voor iedereen een verleiding. Maar binnen de Joodse godsdienst moet het zo zijn geweest dat sommige zonden waarvoor ze af en toe offers brachten, seksueel wangedrag van hun kant waren. Dat is niet al te verrassend, want mensen worden op die gebieden verzocht. Vanwege die verleiding beveelt hij het huwelijk aan.

Paulus gaf niet aan dat iedereen zou trouwen of zou moeten trouwen. Hij zei dat de een deze gave heeft en de ander een andere. Hij zegt dat je ontucht moet vermijden. Dit is 1 Korinthe 7. Paulus zegt:

1 Korinthe 7:2

Maar laat vanwege allerlei vormen van hoererij iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.

Hij zegt:

1 Korinthe 7:6-7

Dit zeg ik als tegemoetkoming, niet als bevel. Want ik zou willen dat iedereen was zoals ikzelf.

Daarmee bedoelt hij ongehuwd. Hij zegt dus dat ongehuwd blijven zeker een mogelijkheid is. Maar hij zegt:

1 Korinthe 7:35 en 7:7

Ik wil jullie hierin niet aan banden leggen. De een heeft deze gave, de ander een andere.

Met andere woorden, Paulus zegt dat het huwelijk iets goeds is om ontucht te vermijden. Maar als je de gave hebt om ongehuwd te blijven, zou ik niet willen dat je die opgeeft, want dat is ook iets waardevols.

Een eervol huwelijk en een zuiver huwelijksbed

Illustratie bij: Trouw en zuiverheid binnen het huwelijk.

Hier zegt de schrijver dat het huwelijk bij allen in ere is. Dat wil zeggen: iedereen die trouwt, moet dat als iets rechtmatigs en eervols beschouwen, aangenomen dat degene met wie je getrouwd bent daadwerkelijk vrij is om te trouwen en niet de vrouw van iemand anders is. Trouwens, veel christenen trouwen met iemand die de vrouw van een ander is. Ze weten het alleen niet, omdat die mensen gescheiden zijn. Ze zijn wettelijk gescheiden en hertrouwen, ook al hebben ze geen rechtmatige gronden voor echtscheiding. Jezus zei dat dat overspel is. Hij zei:

Mattheüs 5:32

Maar Ik zeg u dat wie zijn vrouw verstoot om een andere reden dan hoererij, maakt dat zij overspel pleegt; en wie met de verstotene trouwt, pleegt ook overspel.

Het huwelijk is dus niet eervol als je trouwt met iemand die in werkelijkheid de vrouw van een ander is, of met een gescheiden persoon die niet rechtmatig van het vorige huwelijk is vrijgemaakt. Ontuchtplegers en overspelers zullen geoordeeld worden.

Maar er staat dat het bed onbevlekt is. Ik wil erop wijzen dat in de Engelse vertaling die we lezen, in de woorden ‘marriage is honorable’, het woord ‘is’ cursief staat. Dat betekent dat het woord ‘is’ niet in het Grieks staat. Er staat alleen ‘marriage honorable’. Veel vertalers denken dat wat hij zegt geen aantonende wijs is, maar een gebiedende wijs:

Hebreeën 13:4

Laat het huwelijk bij allen in ere zijn en het huwelijks bed onbevlekt, want ontuchtplegers en overspelers zal God oordelen.

Niemand weet het. Niemand kan echt uitmaken wat het is. Geeft hij hier een gebod of doet hij een uitspraak? Zegt hij eenvoudigweg dat het huwelijk en seks binnen het huwelijk goed zijn, eervol en onbevlekt? Of zegt hij:

Zorg dat je je huwelijk in ere houdt en je huwelijksbed zuiver houdt.

Dat zou kunnen betekenen dat er bepaalde seksuele handelingen zijn die zelfs een man en zijn vrouw samen zouden kunnen doen, die niet eervol zouden zijn en niet vrij van bezoedeling. Ik weet niet welke van de twee het is. Eén ding is echter duidelijk: dit leert dat seks binnen het huwelijk in elk geval onbevlekt kan zijn en dat ook hoort te zijn, en dus dat seks niet iets vies is. Seks is iets goeds op de juiste plaats en uiteraard op de juiste manier.

Als hij zegt: ‘Laat het zo zijn’, dan zou hij betogen dat jullie die getrouwd zijn, je op seksueel gebied op een eervolle en onbevlekte manier moeten gedragen. Dat suggereert dat er ook andere mogelijkheden zouden kunnen zijn. Maar zoals het er staat in de King James en de New King James, die we gebruiken, is het gewoon de aantonende wijs:

Het huwelijk verdient bij iedereen respect.

Zonder geldzucht leven, tevreden met wat je hebt

Illustratie bij: Tevreden leven zonder geldzucht.

Vervolgens zegt hij in vers 5 en 6:

Hebreeën 13:5

Laat uw handelwijze zonder geldzucht zijn. Wees tevreden met wat u hebt, want Hij heeft Zelf gezegd: Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten.

Het Engelse woord dat hier met ‘geldzucht’ is weergegeven, betekent hebzucht: steeds meer dingen willen verwerven.

Hebreeën 13:6

Daarom zeggen wij met goede moed: De Heere is voor mij een Helper en ik zal niet vrezen. Wat zal een mens mij doen?

Let erop dat er in deze eerste zes verzen verschillende aansporingen staan die heel verschillende kanten op gaan. De algemene aansporing is om lief te hebben. Je zou eigenlijk kunnen stellen dat alle andere in zekere zin een uitwerking daarvan zijn. Dit zijn verschillende manieren waarop liefde tot uiting komt. Ten eerste door gastvrijheid te tonen aan vreemdelingen. Ten tweede door mee te leven met degenen uit het lichaam van Christus die lijden op manieren waarop wij niet lijden, in de gevangenis enzovoort. Ten derde in het huwelijk: een liefdevolle relatie hebben, ook in de seksuele relatie. Zorgen dat het een liefdevolle relatie is, in plaats van alleen maar hartstochtelijk en zelfzuchtig gebruik te maken van iemand anders voor je eigen bevrediging. Bij het huwelijk en seks hoort het te gaan om liefde. Soms is dat bij mensen die meer vleselijk ingesteld zijn, eigenlijk niet zozeer het geval.

En dan niet begeren wat andere mensen hebben, maar tevreden zijn met wat je hebt. Ook dat is liefdevol. Je ziet liever dat zij van hun spullen genieten dan dat je hun spullen van hen afpakt en ze meeneemt om er zelf van te genieten.

Hij zegt dat je niet hebzuchtig naar dingen hoeft te verlangen. Je kunt tevreden zijn met wat je hebt, omdat God heeft gezegd:

Ik zal je nooit in de steek laten of aan je lot overlaten.

Gods blijvende nabijheid maakt tevreden

Illustratie bij: Jozua ontvangt de belofte van Gods nabijheid.

Het is interessant dat dit een uitspraak is die God tegen Jozua deed in Jozua hoofdstuk 1. Ik vind dit citaat hier mooi, om de eenvoudige reden dat we ons vaak afvragen: beloften die in het Oude Testament aan afzonderlijke personen worden gedaan, zijn die alleen voor hen, of kunnen wij sommige daarvan ook voor onszelf opeisen? Toch is de oorspronkelijke context van deze uitspraak, die in vers 5 wordt aangehaald, Jozua 1:5. Ze staat in Gods opdracht aan Jozua persoonlijk. Toch doet de schrijver alsof wij die gewoon voor onszelf kunnen opeisen. God zei tegen Jozua:

Jozua 1:5

Niemand zal tegenover u standhouden al de dagen van uw leven. Zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn. Ik zal u niet loslaten en u niet verlaten.

Vat dat dus ook op als een belofte aan jou.

Het is interessant om erover na te denken hoeveel beloften die in het Oude Testament aan afzonderlijke personen zijn gedaan, op ons van toepassing zouden kunnen zijn. Waarschijnlijk zijn sommige daarvan dat niet. Wanneer je bijvoorbeeld leest dat God zei dat Hij hem tot de vader van een menigte zou maken, kan niet iedere christen erop rekenen dat dit voor hemzelf zal gelden. Maar er zijn algemene dingen over Gods relatie met Zijn volk en Zijn zegeningen over hen, die toegepast zouden kunnen worden zoals dat in deze passage gebeurt.

Als God je nooit zal verlaten of in de steek zal laten, waarom zou je dan ooit ontevreden zijn? Dit veronderstelt dat je boven alles naar God verlangt. Als je niet boven alles naar God verlangt, zou je ontevreden kunnen zijn, ook al is God bij je, omdat je niet veel om Hem geeft. Je geeft meer om andere dingen. Maar de veronderstelling is dat je God liefhebt, toch? Nou, Hij is altijd bij je. Je hoeft nergens hebzuchtig naar te verlangen. Je hoeft niet meer dingen te willen verwerven.

Paulus zei tegen Timotheüs in 1 Timotheüs 6:

1 Timotheüs 6:8

Als wij echter voedsel en kleding hebben, zullen wij daarmee tevreden zijn.

Hij zegt dus niet dat mensen het met zo weinig moeten doen, dat we alleen voedsel en kleding mogen hebben. Maar in feite was dat alles wat Paulus en Timotheüs en sommige zendelingen zoals hij hadden. Hij zei:

We zullen tevreden zijn met wat we hebben.

Het suggereert wel dat, hoewel het heel goed kan zijn dat God ons zegent met veel meer dingen dan voedsel en kleding, we tevreden zouden moeten zijn als we het daarmee moeten doen. Als we ooit uit ons huis worden gezet en geen auto’s hebben, geen computers hebben, geen luxe dingen van welke aard dan ook hebben, en we alleen kleding hebben om ons te bedekken en voedsel om te eten, wees daar dan tevreden mee, omdat Hij heeft gezegd:

Ik zal je nooit in de steek laten of aan je lot overlaten.

Tegen deze mensen zegt hij:

Wees tevreden met wat je hebt.

Wat hebben ze? Eerder hebben ze met vreugde verdragen dat hun bezittingen werden geroofd. Ze zijn veel spullen kwijtgeraakt. Dat heeft hij genoemd. Als ze veel spullen zijn kwijtgeraakt, hebben ze misschien niet veel spullen. Hij zei:

Wees tevreden met wat je hebt.

Je hebt God. Dat is genoeg. Zodat we vrijmoedig kunnen zeggen:

Hebreeën 13:5-6

5Laat uw handelwijze zonder geldzucht zijn. Wees tevreden met wat u hebt, want Hij heeft Zelf gezegd: Ik zal u beslist niet loslaten en Ik zal u beslist niet verlaten. 6Daarom zeggen wij met goede moed: De Heere is voor mij een Helper en ik zal niet vrezen. Wat zal een mens mij doen?

De King James zegt:

Ik zal niet bang zijn voor wat mensen me kunnen aandoen.

Ik vind beide formuleringen mooi. Het is een citaat uit Psalm 118, vers 6.

De vroegere en huidige leiders van de gemeente

Illustratie bij: Het geloof van eerdere leiders navolgen.

Dan staat er in vers 7:

Hebreeën 13:7-8

7Denk aan uw voorgangers, die het Woord van God tot u gesproken hebben. Let op de uitkomst van hun levenswandel, en volg hun geloof na. 8Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.

Dus als Hij op een bepaalde manier met hen omging, als hun gedrag werd beloond, dan is God niet veranderd. Je kunt hun voorbeeld volgen. Denk terug aan wat ze hebben gedaan en je hebben geleerd. Ze zijn er misschien niet meer, maar Jezus blijft Dezelfde.

In onze inleiding op Hebreeën heb ik genoemd dat veel commentatoren zeggen dat dit een tweede generatie christenen was en dat hun eerste groep leiders gestorven was. Ze gebruiken dit vers om dat te zeggen. Ik heb in de inleiding eigenlijk gezegd dat ik niet goed weet waarom ze zouden zeggen dat die gestorven waren. Vooral als je in vers 17 en 24 opnieuw over de leiders leest, waar beslist niet wordt aangegeven dat hun leiders dood zijn. Vers 17 zegt:

Hebreeën 13:17

Gehoorzaam uw voorgangers en wees hun onderdanig, want zij waken over uw zielen omdat zij rekenschap moeten afleggen, opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend. Dat heeft immers voor u geen nut.

In vers 24:

Hebreeën 13:24

Groet al uw voorgangers en al de heiligen. De broeders uit Italië groeten u.

De Engelse vertaling „rule over you”, over je heersen, is een slechte vertaling. Het Griekse woord betekent „die je leiden”. Maar het is duidelijk dat degenen die je leiden in vers 17 en 24 niet dood zijn. Daarom vroeg ik me af waarom ze dachten dat die mensen dood moesten zijn, alleen maar omdat er in vers 7 staat dat je aan hen moet denken. Ik heb dat sindsdien in het Grieks opgezocht, en ik begrijp nu waarop ze zich baseren, hoewel ik niet zeker weet of ze gelijk hebben.

Hoewel we in onze Engelse vertaling in alle drie de verzen dezelfde uitdrukking hebben, is er een verschil. Want in vers 7 staat het zelfstandig naamwoord „jouw leiders”. In de andere twee verzen waar die uitdrukking voorkomt, staat er eigenlijk „degenen die je leiden”. Degenen die je leiden in vers 17 en 24 zijn dus duidelijk levende mensen. Degenen die je leiden: gehoorzaam hen, onderwerp je aan hen, groet hen van mij. Maar in vers 7 wordt de uitdrukking „degenen die je leiden” niet gebruikt. Er staat eenvoudig „jouw leiders”. Het is een zelfstandig naamwoord in plaats van het werkwoord, en daarom is de vertaling anders.

Dat heeft ertoe geleid, moet ik zeggen, dat ik niet begreep waarom sommigen zo denken. Want er staan in het Grieks in vers 7 een paar werkwoorden in de verleden tijd:

Denk aan jullie leiders die jullie over Gods woord hebben verteld.

Sommige vertalers en commentatoren geloven dus dat dit verwijst naar een eerdere generatie leiders die ze in de gemeente hadden. Ze hebben een nieuwe generatie leiders. Er zijn mensen die hen nu leiden, zoals in vers 17 en 24 wordt genoemd. Maar misschien hadden ze een eerdere groep leiders, die destijds het Woord van God tot je spraken.

Laat ik ermee volstaan dat de mogelijkheid bestaat dat vers 7 gaat over leiders die in het verleden hebben gesproken. Naar mijn mening hoeft dat niet zo te zijn. Het zouden hun huidige leiders kunnen zijn, die al eerder tot hen hebben gesproken en hun de wegen van God hebben geleerd. Naar mijn mening kun je dus uit dat vers niet met zekerheid opmaken dat er een groep leiders gestorven is. Maar ik begrijp nu waarom commentatoren dat vers zo hebben opgevat, omdat daar de verleden tijd van „spreken” staat. Er staat niet „degenen die je leiden”, zoals op de andere twee plaatsen. Er staat „jouw leiders”, en dat zou vroegere leiders kunnen betekenen, als dat de situatie was.

Geestelijke leiders volgen en gehoorzamen

Illustratie bij: Leiders die Gods Woord spreken en voorleven.

Laten we het in elk geval hebben over die verzen over de leiders. We zullen ze alle drie bespreken, omdat dit gaat over hoe je met het leiderschap in de gemeente omgaat. Er worden ons meer dan drie dingen gezegd. In vers 7: denk aan hen en volg hun geloof. Volg hun voorbeeld van geloof. Leiders zijn mensen aan wie je moet denken en wier voorbeeld je moet volgen. Vervolgens in vers 17: gehoorzaam hen. En dan natuurlijk in vers 24: groet hen.

Over dat groeten zou niet al te veel onenigheid bestaan. Maar dat gehoorzamen roept soms vragen op. Sommige mensen zeggen: „In hoeverre moeten we onze leiders gehoorzamen?” Er was een beweging die de Shepherding Movement werd genoemd, en er zijn veel sekten die nadruk leggen op dit vers 17, waarin staat dat je je leiders moet gehoorzamen. Het lijkt geestelijke leiders de vrije hand te geven om je leven te beheersen op elke manier die ze maar willen. Wanneer vleselijke mensen leidinggevende posities bekleden, is dat helaas in de meeste gevallen precies wat ze willen doen. Ze kunnen zich op dit vers beroepen en zeggen: „Je moet mij gehoorzamen. Er staat dat je je leiders moet gehoorzamen.”

Maar we moeten bedenken dat de schrijver leiders van een bepaald kaliber voor ogen had. We lezen over hun kaliber in vers 7: mensen die het Woord van God tot je hebben gesproken en die je een voorbeeld hebben gegeven van het christelijke leven dat je moet volgen. De veronderstelling is dat dit mensen zijn die op Christus lijken en die je trouw vertellen wat God in het Woord heeft gezegd. Gehoorzaam die mensen, vanwege wat ze je hebben verteld. Het gaat daarbij niet om wie ze zijn. Ze hebben je het Woord van God verteld. Je gehoorzaamt het Woord van God.

Zoals ik het begrijp, is geestelijk leiderschap geen ambt in een instelling zoals een geïnstitutionaliseerde kerk. Een geestelijk leider is iemand die geestelijk is en die anderen geestelijk leidt. Misschien bekleedt hij geen ambt, of misschien bekleedt hij wel een ambt. Dat doet er niet toe. Als een man me zegt iets te doen waarvan de Bijbel inderdaad zegt dat ik het moet doen, zal ik hem gehoorzamen. Het maakt me niet uit of hij een ambt in de gemeente bekleedt of niet. Ik ben onderworpen aan het Woord van God, en hij wordt geacht mij het Woord van God te vertellen. Dat staat er: de leiders die het Woord van God tot je hebben gesproken, gehoorzaam hen omdat ze het Woord van God tot je spreken.

Wanneer iemand iets tegen me zegt dat in strijd is met het Woord van God, ga ik diegene niet gehoorzamen. Het maakt me niet uit of diegene een titel heeft of niet. Diegene kan binnen een organisatie een leider zijn of geen leider. Als iemand me iets zegt dat in strijd is met het Woord van God, ga ik daar niet aan gehoorzamen. Als iemand me iets zegt dat overeenstemt met het Woord van God, zal ik daaraan gehoorzamen. Diegene hoeft geen leider te zijn. Dat wil zeggen: diegene hoeft geen ambtsdrager in een religieuze organisatie te zijn.

Geestelijk leiderschap is het Woord van God aan mensen overbrengen. Wij zijn de schapen van Jezus. Wij horen Hem te volgen. Een goede herder die als onderherder voor de schapen zorgt, zoals een voorganger of een oudste of wat dan ook, of zelfs gewoon een vriend, zal je leiden door je te vertellen wat Jezus heeft gezegd, wat God zegt. Als iemand het Woord van God tegen je spreekt, gehoorzaam daar dan aan. Dan voldoet diegene aan de voorwaarden voor een geestelijk leider. Als iemand in strijd met het Woord van God spreekt, voldoet diegene niet aan de voorwaarden voor een geestelijk leider. Zo eenvoudig is het. Het is niet een man die een ambt bekleedt en een onderscheidingsteken draagt, die gezag heeft. Het is het Woord van God dat gezag heeft. Een goede leider zal er alleen op uit zijn het Woord van God aan mensen over te brengen, zonder daar zijn eigen plannen doorheen te mengen waarmee hij over anderen wil heersen.

Genade, ons altaar en onze offers

Illustratie bij: Jezus lijdt buiten de stadspoort.

Nu vers 9:

Hebreeën 13:9

Laat u niet meeslepen door veelsoortige en vreemde leringen, want het is goed dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door voedsel; zij die het daarin zochten, hebben daar geen baat bij gevonden.

Daarmee wordt een koosjer voedingspatroon bedoeld.

Deze vreemde leringen zijn duidelijk de judaïserende leer, het idee dat je je moet gaan bezighouden met voedsel, koosjer voedsel enzovoort. Nee, laat je hart gesterkt worden in genade. Dit zou, denk ik, een goed vers zijn voor velen in de huidige Hebrew Roots-beweging. Ze zijn erg gefascineerd door voedsel en door vreemde leringen over de noodzaak om de Joodse wet te gehoorzamen. Nee, je moet je hart laten sterken in de genade van God. Dat is iets anders dan de wet.

Hebreeën 13:10-16

10Wij hebben een Altaar waarvan zij die in de tabernakel dienen, niet bevoegd zijn te eten. 11Want van de dieren waarvan het bloed als verzoening voor de zonde door de hogepriester het heiligdom werd binnengedragen, werden de lichamen buiten de legerplaats verbrand. 12Daarom heeft ook Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort geleden. 13Laten wij dan naar Hem uitgaan buiten de legerplaats en Zijn smaad dragen. 14Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomstige. 15Laten wij dan altijd door Hem een lofoffer brengen aan God, namelijk de vrucht van lippen die Zijn Naam belijden. 16En vergeet het weldoen en het onderlinge hulpbetoon niet, want aan zulke offers heeft God een welgevallen.

Hij begint met te zeggen dat wij een altaar hebben waarvan wij mogen eten, maar waarvan degenen in de tabernakel niet mogen eten. Hij verwijst waarschijnlijk naar de avondmaalstafel, naar alle waarschijnlijkheid. Als je weet hoe de vroege christenen over avondmaalsgemeenschap dachten, is het waarschijnlijk dat hij eraan denkt dat wij, wanneer wij het brood en de wijn nuttigen, deelnemen aan een offermaaltijd. Die is veel beter dan de offermaaltijd die de priesters eten wanneer zij de offers eten die naar hun altaar zijn gebracht. Wij hebben een beter altaar. Maar omdat het een altaar is, moeten er offers worden gebracht, en wij zijn een priesterschap om die te brengen.

Dus zegt hij in vers 15:

Laten we daarom door Hem God voortdurend een offer van lof brengen, met de woorden die we uitspreken om Hem te danken.

Dat is één offer dat we brengen, maar er is meer. Vers 16:

Vergeet niet goed te doen en te delen wat je hebt.

Dat zal gaan om financieel delen.

Dus de offers die we bij dit altaar brengen, zijn lof aan God, goede daden doen en delen met mensen.

Midden in dit gedeelte zegt hij dat ze in het offersysteem van het Oude Testament de delen van het dier namen die onrein waren. Bij het zondoffer deden ze dat in ieder geval. Je kunt hierover lezen in Leviticus 4, vers 11 en 12. Ze namen delen van het karkas en verbrandden die buiten het kamp als iets onreins. Hij zei dat ze Jezus eigenlijk ook zo behandelden. Ze behandelden Hem als het onreine deel van het offer. Ze offerden Hem buiten de poort, buiten Jeruzalem.

Dus net zoals ze een deel van de offers als onrein behandelen en buiten het kamp verbranden, zo behandelden ze Jezus. Als ze Jezus zo gaan behandelen, laten we hen ons dan ook zo laten behandelen. Laten we met Hem buiten de poort gaan en ook Zijn smaad dragen. Als ze onze Heere zo gaan behandelen, laten we hen ons dan ook zo laten behandelen, want we hebben hier toch geen blijvende stad. Laat de Joden ons maar verwerpen zoals ze Christus hebben verworpen. Wat maakt dat uit? Hun stad gaat ten onder; de onze blijft overeind. Die van hen zal aan het wankelen worden gebracht; die van ons kan niet aan het wankelen worden gebracht. Dat is wat hij zegt.

Laat de Joodse vervolgers je gerust verwerpen omdat je christen bent. Onze stad is duurzamer dan die van hen. Die van hen zal spoedig verdwijnen. Daarna spreekt hij over het gehoorzamen van de leiders, en dan volgen er algemene aansporingen waarmee het boek wordt afgesloten.

Gebed en de zegen van de God van vrede

Illustratie bij: Bidden om herstel en Gods zegen.
Hebreeën 13:18-19

18Bid voor ons, want wij zijn ervan overtuigd dat wij een goed geweten hebben, omdat wij in alle dingen goed willen wandelen. 19En ik roep u er te meer toe op dit te doen, opdat ik des te eerder aan u zal worden teruggegeven.

Blijkbaar wil hij hen eerder komen bezoeken, en zal hun gedrag eraan bijdragen dat dit sneller gebeurt. Ik weet niet precies hoe. Misschien doordat ze gehoorzaam zijn in plaats van terug te keren naar het jodendom.

In vers 20 staat:

Hebreeën 13:20-21

20De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, onze Heere Jezus Christus, uit de doden heeft teruggebracht, op grond van het bloed van het eeuwige verbond, 21moge u toerusten tot elk goed werk om Zijn wil te doen, en in u werken wat in Zijn ogen welbehaaglijk is, door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

Dit is een van de langere zinnen in dit hoofdstuk, en hij zit vol toespelingen op andere delen van de Schrift. Vooral vers 20 is volgens mij een bewuste samenvatting of toepassing van een paar passages in Ezechiël. Twee passages, maar ze hebben zo ongeveer dezelfde betekenis. Het boek Ezechiël is een van de boeken in de Bijbel met de meeste herhalingen. Het is veel langer dan je zou denken dat nodig is. Het telt namelijk 48 hoofdstukken, maar het meeste wat erin staat, zou waarschijnlijk in 35 hoofdstukken gezegd kunnen worden, omdat Ezechiël bijna alles herhaalt. Verschillende hoofdstukken worden in het boek grotendeels herhaald. Ik zeg ‘grotendeels’; meestal bevat de herhaling een paar andere punten die niet in het oorspronkelijke gedeelte stonden. Maar sommige gedeelten zijn woordelijke of bijna woordelijke herhalingen.

Dat geldt voor hoofdstuk 34 en 37. Niet voor de hele hoofdstukken, maar voor gedeelten van die hoofdstukken. Er staat een gedeelte in Ezechiël 34 dat ook in Ezechiël 37 staat. Volgens mij heeft deze schrijver dat in gedachten wanneer hij sommige van deze uitspraken doet. Daarom wil ik die passages in Ezechiël bekijken en vervolgens zien wat de schrijver hier ermee doet.

De herders van Israël misbruiken hun macht

Illustratie bij: Israëls herders zorgen alleen voor zichzelf.

In Ezechiël hoofdstuk 34 wil ik je er alleen even op wijzen dat het hele hoofdstuk over herders van Israël gaat. In de beeldspraak van de Bijbel werden de leiders van het volk Israël herders genoemd, en Israël was Gods kudde schapen. Als zodanig werd Israël als kwetsbaar beschouwd. Dom. Schapen zijn behoorlijk dom. Ze brengen zichzelf in de problemen. Sterker nog, ze zullen zichzelf de dood in jagen als niemand voor ze zorgt. Bovendien zijn het heel weerloze dieren, zo ongeveer het weerloosste dier dat er bestaat met veel vlees aan zijn botten. Dat maakt ze tot een aantrekkelijke prooi voor vleeseters. Ze kunnen zichzelf niet verdedigen en er zit veel vlees aan.

Schapen lopen dus altijd gevaar door wolven en poema's en beren en dat soort dieren. Daar zijn herders voor. Herders zijn er om voor ze te zorgen en ze naar plaatsen te leiden waar voedsel is, waar volop gras te vinden is. In hoofdstuk 34 van Ezechiël beschouwt God de leiders van Israël, de godsdienstige en politieke leiders, als mensen met de opdracht om voor Zijn schapen te zorgen, het volk Israël. Het is een kudde schapen, en de leiders die God aanstelt, worden gezien als de verzorgers die de schapen moeten beschermen en voeden.

Hij begint het hoofdstuk met de woorden:

Ezechiël 34:1-2

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?

Deze herders gebruikten hun leidinggevende positie, zoals de meeste politici doen en, eerlijk gezegd, ook veel geestelijken, om er zelf beter van te worden. Ze buitten de mensen uit die ze dienden, in plaats van de mensen te voeden, in plaats van de belangen van de mensen te behartigen. Geef een man, de gemiddelde man, macht over andere mensen, en hij zal manieren bedenken om hen uit te melken. Hij zal manieren bedenken om hen kaal te plukken. Hij zal proberen zichzelf te voeden en zijn levensstandaard te verhogen, desnoods ten koste van hen. Waarom niet? Hij heeft zeggenschap over hen. Hij kan misbruik van hen maken.

Dat is wat mensen gewoonlijk doen wanneer ze de leiding over andere mensen krijgen, tenzij het goede mensen zijn. Als het mensen met karakter zijn, is dat anders. Maar mensen met karakter vormen niet de meerderheid van de bevolking. Geef de verkeerde persoon de leiding en hij zal daar misbruik van maken. Dat deden deze mensen. Dit waren corrupte leiders, en ze deden de mensen over wie ze regeerden geen goed. Dat gold ook voor de godsdienstige leiders.

God komt Zelf als de goede Herder

Illustratie bij: Jezus verkondigt dat Hij de goede Herder is.

Dit hoofdstuk gaat verder, nadat het heeft besproken hoe boos God op deze herders is. Hij wijst erop dat ze de schapen niet voeden. Ze beschermen ze niet tegen roofdieren enzovoort. Wanneer de schapen afdwalen, gaan ze hen niet achterna om ze terug te brengen. Ze doen niets van wat een herder moet doen om de schapen veilig en gezond te houden. Maar in vers 11 zegt Hij:

Ezechiël 34:11-12

11Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan. 12Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van wolken en donkerheid.

Wat God zegt, is: ‘De herders van Israël hebben gefaald, maar Ik geef Mijn schapen niet op. Ik zal Zelf moeten komen om dit te doen.’ Stuur nooit een jongen om te doen wat een man moet doen. Deze mensen kunnen het werk niet aan, dus: ‘Ik zal Zelf moeten komen om het te doen.’

Toen Jezus in Johannes hoofdstuk 10 zei:

Johannes 10:11

Ik ben de goede Herder; de goede herder geeft zijn leven voor de schapen.

sprak Hij alsof ze een bepaald referentiekader hadden. De goede Herder, niet een goede herder. Hij zei niet: ‘Ik ben een goede herder. Ik wil jullie een gelijkenis vertellen met het beeld van Mij als Iemand Die voor schapen zorgt. Ik ben als een herder.’ Nee, Hij zegt:

Johannes 10:11

Ik ben de goede Herder

alsof er een bepaalde goede Herder is Die ze verwachtten. En ik geloof persoonlijk dat Jezus zinspeelde op hoofdstuk 34 van Ezechiël, waar God zei:

Ezechiël 34:11-16

11Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan. 12Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van wolken en donkerheid. 13Ik zal ze uitleiden uit de volken, ze bijeenbrengen uit de landen en ze brengen naar hun land. Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de water stromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land. 14In goede weide zal Ik ze weiden en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Ze zullen daar neerliggen in een goede weideplaats en ze zullen grazen in de voortreffelijkste weide op de bergen van Israël. 15Ik zal Zelf Mijn schapen weiden en Ik zal ze Zelf doen neerliggen, spreekt de Heere HEERE. 16Het verlorene zal Ik zoeken, het afgedwaalde zal Ik terugbrengen, het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik versterken, maar het welgedane en het sterke zal Ik wegvagen. Ik zal ze weiden zoals het hoort.

Ik denk dat Jezus zegt: ‘Ik ben God. Ik ben gekomen om deze belofte uit Ezechiël te vervullen. En Ik ben die Herder.’

Jezus als God en als de gezonden Herder

Illustratie bij: Jezus spreekt met Filippus over de Vader.

Als je de passage doorloopt, staat er in hoofdstuk 34:23:

Ezechiël 34:23

Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn.

Dat is interessant. God zegt: ‘Ik zal hun Herder zijn, maar Ik zal een herder aanstellen.’ En dat is dat geheimenis van Wie Jezus is. Hij is God, maar Hij is door God gezonden. Hoe werkt dat? Nou, God bestaat in Jezus, en ook buiten Jezus. Jezus zei:

Johannes 14:9

Jezus zei tegen hem: Ben Ik zo'n lange tijd bij u, en kent u Mij niet, Filippus? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien?

maar Hij zei ook:

Johannes 14:28

U hebt gehoord dat Ik tegen u gezegd heb: Ik ga heen maar kom weer naar u toe. Als u Mij liefhad, zou u zich verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen naar de Vader; want Mijn Vader is meer dan Ik.

Hij zegt daarmee: ‘Ik ben de lichamelijke, tastbare verschijning van God onder jullie, maar God is meer dan wat jullie hier zien.’ Hij vervult ook het hele heelal. Jezus werd door God gezonden, maar Hij werd gezonden als God Die Zichzelf in een mens begaf.

Zo hebben we dus de paradox dat Jezus, zelfs in het Nieuwe Testament, over de Vader spreekt alsof dat iemand anders is dan Hij, en ook zegt: ‘Ik ben de Vader. De Vader is in Mij en Ik ben in Hem. En wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.’

En dit heeft mensen altijd in verwarring gebracht. Ik ga niet proberen dat probleem voor ons op te lossen. Dat is het geheimenis van de Drie-eenheid. Maar we zien hier hetzelfde verschijnsel. God zegt in vers 11:

Ezechiël 34:11

Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan.

Vervolgens zegt Hij:

Ezechiël 34:23

Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn.

Het is eigenlijk hetzelfde. Hij heeft het over hetzelfde: Jezus Die komt als God, of als een mens Die door God is gezonden, in Wie God in menselijke gedaante woont.

Hij zegt:

Ezechiël 34:22

Ik zal Mijn schapen verlossen, zodat ze niet meer tot een prooi zullen zijn. Ik zal oordelen tussen schaap en schaap.

Vers 23 zegt:

Ik zal één Herder over hen aanstellen en Hij zal hun te eten geven.

Dan zegt Hij:

Ezechiël 34:23-25

23Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn. 24En Ik, de HEERE, zal een God voor ze zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in hun midden. Ík, de HEERE, heb gesproken. 25Ik zal een verbond van vrede met ze sluiten en de wilde dieren uit het land wegdoen. Ze zullen onbezorgd wonen in de woestijn en slapen in de wouden.

Hij bedoelt de vervolgende volken die de schapen, Israël, vervolgen. Hij zegt:

En ze zullen veilig in de wildernis wonen en in de bossen slapen.

David als naam en voorafschaduwing van de Messias

Illustratie bij: Rehabeam en het verzet tegen Davids huis.

Let op een paar dingen. God zegt dat Hij een herder gaat aanstellen. Hij duidt die herder aan als David. We moeten bedenken dat David meer dan vijfhonderd jaar daarvoor was gestorven. David was dood en komt niet werkelijk terug. Dit verwijst niet werkelijk naar de historische David. De naam David wordt om een paar redenen gebruikt. Eén daarvan is dat David in de geschiedenis een herder was, en ook een goede leider van Israël. Hij was dus alles wat deze leiders niet waren. David had in zijn vroegere leven echte kudden schapen gehoed. Later werd hij de herder of de leider van het volk Israël, en de beste die ze in hun geschiedenis hadden gehad.

De Joden zagen dus uit naar de komst van een nieuwe heerser, de Messias, Die zou komen en meer op David zou lijken dan wie ook sinds David. En David wordt gezien als wat we een type van Christus noemen. Hij is een voorafschaduwing van Christus. In het Oude Testament wordt heel duidelijk gemaakt dat de Messias, wanneer Hij zou komen, van David zou afstammen. Hij zou de nieuwe koning zijn uit het geslacht van Davids koninklijke lijn. Hij zou de laatste koning van die lijn zijn en eeuwig regeren op de troon van David. Dit wordt allemaal op verschillende plaatsen in het Oude Testament bevestigd, en het Nieuwe Testament bevestigt dat dit voor Jezus geldt.

Wat interessant is, is dat de naam David de naam werd van de dynastie van David. Farao is bijvoorbeeld niet alleen een eigennaam, maar ook een titel van alle koningen van Egypte. Abimelech was een soortgelijke naam voor de koningen van Gerar, een Filistijnse stad. David werd niet alleen de naam van de man David, de stichter van de dynastie, maar van de hele dynastie. Toen het volk dus tegen zijn kleinzoon Rehabeam in opstand kwam, zeiden ze:

1 Koningen 12:16

Toen heel Israël zag dat de koning niet naar hen geluisterd had, gaf het volk de koning ten antwoord: Wat voor deel hebben wij aan David? Wij hebben geen erfelijk bezit met de zoon van Isaï. Naar uw tenten, Israël! Zorg nu voor uw eigen huis, David! En Israël ging naar zijn tenten.

Ze spraken Rehabeam aan en noemden hem David. Hij was de toenmalige heerser van de dynastie van David. Hij was de kleinzoon van David. Zijn naam was niet David, maar hij was een Davidische koning uit de lijn van David. De dynastie wordt David genoemd. De schrijvers van het Oude Testament verwezen vaak naar de Messias, maar ze wisten niet wat Zijn naam zou zijn. In het Oude Testament werd nooit gezegd wat de eigennaam van de Messias zou zijn. Elke naam die ze Hem zouden geven, zou daarom enigszins symbolisch zijn. Het zou geen naam zijn waaronder wij Hem later zouden kennen, nadat Hij op aarde was geboren. Hij is de Zoon van David, zegt de Bijbel, dus Hem David noemen is een even goede keuze als welke andere naam ook.

Het is net als aan het einde van Maleachi, wanneer God zegt:

Maleachi 4:5

Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de HEERE komt, die grote en ontzagwekkende dag .

en Hij Johannes de Doper bedoelt. Je herinnert je dat Jezus zei:

Mattheüs 11:14

En als u het wilt aannemen: hij is Elia, die komen zou.

Waarom noemde Hij hem Elia? Eenvoudigweg omdat God in het Oude Testament de werkelijke eigennamen van deze personen niet bekendmaakte. Hij maakte niet bekend dat de Messias Jezus zou heten of dat Zijn voorloper Johannes zou heten. Maar Elia is een voorafschaduwing van Johannes de Doper. David is een voorafschaduwing van Jezus. Om hun dus een naam te geven, kiezen profeten soms een naam die de persoon nauwkeurig voorafschaduwt.

Er staat dus dat David hun vorst zal zijn. Daarmee wordt een heerser uit de dynastie van David bedoeld, een soort tweede David, Degene van Wie David een type en schaduw zou zijn. Dit zou Degene zijn Die David voorafschaduwde. Ik leg dat allemaal uit omdat het verwarrend is. Er zijn mensen die niet begrijpen hoe de naam David wordt gebruikt. Zij geloven werkelijk dat deze profetie over een toekomstig duizendjarig rijk gaat, en dat David uit de dood zal worden opgewekt en in het duizendjarig rijk als vorst onder Jezus zal dienen. Ze zeggen: er staat:

Ezechiël 34:24

En Ik, de HEERE, zal een God voor ze zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in hun midden. Ík, de HEERE, heb gesproken.

Ze herkennen dit niet als een symbolische verwijzing naar de Messias Zelf.

Het beloofde verbond van vrede is eeuwig

Illustratie bij: De beker van het nieuwe verbond.

Maar Hij spreekt er ook over dat Hij een verbond met hen zal sluiten. Natuurlijk sloot Jezus in de bovenzaal een verbond met Zijn discipelen. Hij zei:

Lukas 22:20

Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed.

Hij noemt het in vers 25 een verbond van vrede. We zien dat deze kenmerken terugkomen in Hebreeën 13:20. Maar voordat we weer naar die passage kijken, moet je eens een paar hoofdstukken verder kijken, in Ezechiël 37. We zullen dezelfde kenmerken zien, maar er wordt nog iets aan toegevoegd. In hoofdstuk 37 van Ezechiël, vers 24 tot en met 26, staat:

Ezechiël 37:24-26

24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden. 25Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn. 26Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun een plaats geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.

Dezelfde uitdrukking die in Ezechiël 34 wordt gebruikt.

Hier hebben we duidelijk dezelfde profetie als in hoofdstuk 34, met iets meer details. Je hebt David die over hen regeert als een herder over Gods volk. Hij wordt David genoemd, maar het gaat over de Messias. Vervolgens staat er dat God een verbond met hen zal sluiten, en dat wordt een verbond van vrede genoemd. Maar dan komt er meer. Al die dingen stonden in hoofdstuk 34, maar deze onderdelen zijn nieuw. Er staat dat het een eeuwig verbond zal zijn.

Dit is belangrijk, want er waren verbonden die God in het Oude Testament sloot die niet eeuwig duurden. Bij het verbond dat God met Israël sloot op de berg Sinaï, stelde Hij de wet, de tabernakel en het priesterschap in. Het hele punt van Hebreeën is dat dit niet eeuwig blijft bestaan. Dat is voorbij. Er is een nieuw verbond. Maar in tegenstelling tot eerdere verbonden is dit een verbond voor altijd. Dit is een eeuwig verbond. Dit zal niet verouderen en verdwijnen en door een ander worden vervangen. Dit is het laatste. Dit is het verbond dat Hij door Jezus met Israël zou sluiten. Het is het verbond van vrede, en er staat dat God Zijn tabernakel onder hen zal plaatsen.

Jezus vervult de profetie en regeert nu

Illustratie bij: De opgestane Jezus als blijvende Herder.

Laten we nog eens naar Hebreeën kijken. Let in Hebreeën 13:20 op de bewoording, vooral in vers 20:

Hebreeën 13:20

De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, onze Heere Jezus Christus, uit de doden heeft teruggebracht, op grond van het bloed van het eeuwige verbond,

Dat is niet het einde van de zin. Maar dit verwijst naar Jezus als de Herder, die grote Herder van de schapen, een verwijzing naar Ezechiël 34 en 37. Hij wordt hier de God van de vrede genoemd. Van het verbond in die passages uit Ezechiël wordt gezegd dat het een verbond van vrede is. En van God wordt uitdrukkelijk gezegd dat Hij de God van de vrede is Die een verbond sluit. Dan gebruikt hij de uitdrukking:

Hebreeën 13:20-21

20De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, onze Heere Jezus Christus, uit de doden heeft teruggebracht, op grond van het bloed van het eeuwige verbond, 21moge u toerusten tot elk goed werk om Zijn wil te doen, en in u werken wat in Zijn ogen welbehaaglijk is, door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

De schrijver van Hebreeën verwijst naar wat hij eerder het nieuwe verbond heeft genoemd. Hij voegt er alleen het gegeven aan toe dat dit niet het laatste verbond is. Het is het eeuwige verbond. [Vertalersnoot: De spreker zegt hier ‘niet het laatste’, maar noemt dit verbond eerder het laatste en sluit verderop een volgend verbond uit.] Het gaat niet verdwijnen. In dat opzicht ontleent hij zijn bewoordingen aan Ezechiël 37, vers 25 of 26. Hij heeft dus deze passage uit Ezechiël in gedachten. Het interessante eraan is dat hij dit toepast op de huidige omstandigheden. Ik vind dat interessant omdat ik altijd geïnteresseerd ben in theologische geschilpunten en manieren waarop mensen dingen verschillend zien, zelfs in de Bijbel. De opvatting van de bedelingenleer houdt in dat Ezechiël 34 en Ezechiël 37 spreken over het toekomstige duizendjarige rijk nadat Jezus terugkomt. Daarom zeggen ze dat David zal worden opgewekt wanneer Jezus terugkomt, en dat hij in het duizendjarige rijk zal leven en met Christus zal regeren, omdat er staat dat David hun vorst zal zijn. Dus zeggen ze dat dit gaat over de tijd nadat Jezus terugkomt.

Maar zo ziet de schrijver van Hebreeën het niet. Hij neemt de kenmerken van die passage over. Daarmee geeft hij aan dat God het beloofde verbond al heeft gesloten: het verbond van vrede, het eeuwige verbond. Die Herder is al gekomen. Het is Jezus over Wie hij het heeft. Dit is dus opnieuw een van een hele reeks passages in het Oude Testament waarvan sommige christenen denken dat ze over een toekomstige situatie gaan die bij de wederkomst van Christus zal ontstaan. Maar de schrijvers van het Nieuwe Testament pasten die passages steevast toe op hun eigen tijd en op deze tegenwoordige tijd.

Het uitgangspunt is dat we niet hoeven te wachten tot Jezus terugkomt voordat Hij kan regeren. Hij zal terugkomen. De Bijbel zegt dat Hij zal terugkomen, maar we hoeven niet tot dan te wachten voordat Hij regeert. Hij regeert nu. Hij zit aan de rechterhand van God. Dat is in het boek Hebreeën een aantal keren benadrukt: Hij is aan de rechterhand van God. Dat is een plaats van priesterschap en van koningschap. David regeert in de persoon van zijn Nakomeling Jezus. Hij is de Vorst en Hij heeft een eeuwig verbond gesloten. Er is niet nog een ander verbond dat Hij in de toekomst zal sluiten. Hij heeft het eeuwige verbond al door Zijn bloed tot stand gebracht.

Hoewel dit niet voor iedereen even belangrijk zal zijn, gaat het voor degenen die betrokken zijn bij de controverse tussen premillennialisme en amillennialisme om de vraag of passages over de regering van de Messias bij de wederkomst vervuld zullen worden of bij Zijn eerste komst vervuld zijn. De apostelen die het Nieuwe Testament schreven, geloofden allemaal dat die passages bij de eerste komst vervuld waren, dat Jezus nu regeert en dat Hij nu een Koninkrijk heeft. Paulus zegt in Kolossenzen 1:13 dat we al zijn overgebracht:

Kolossenzen 1:13

Hij heeft ons getrokken uit de macht van de duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde.

Dit is dus nog iets om mee te wegen wanneer je oudtestamentische profetie naast het inzicht legt dat in het Nieuwe Testament wordt gepresenteerd. Het laat zien dat men die profetieën op een bepaalde manier als vervuld beschouwde, anders dan veel populaire leraren misschien zeggen.

Een gereinigd geweten en goede werken

Illustratie bij: Een gereinigd geweten krijgt gestalte in goede werken.

Dan zegt hij in vers 21 — het is een lange zin. Het onderwerp van de zin is:

‘de God van vrede’. Dat staat aan het begin van vers 20. Nu komt, na al die bijzinnen, de afronding van de zin. Moge die God, de God van de vrede:

‘jullie alles geven wat jullie nodig hebben om goed te doen en Zijn wil uit te voeren’.

Door heel Hebreeën heen is gezegd dat God ons volmaakt heeft gemaakt wat het geweten betreft. Wat ons geweten betreft zijn we volmaakt. We zijn geen volmaakte mensen, maar ons geweten is volmaakt gemaakt door wat Christus heeft gedaan. We hoeven geen schuld meer met ons mee te dragen. Die is volledig uitgewist door wat Jezus heeft gedaan. Daar is in de laatste vier of vijf hoofdstukken de nadruk op gelegd.

Maar nu zegt hij:

‘Moge Hij jullie nu volmaakt maken in jullie werken.’ [Vertalersnoot: De spreker gebruikt hier het Engelse ‘make you complete’, waarop zijn uitleg over volmaaktheid aansluit. De HSV gebruikt in vers 21 ‘toerusten’.]

Je bent als het ware al volmaakt in Hem, maar je werken moeten beter worden. Je gedrag. Werken betekent gewoon gedrag, de manier waarop je handelt. De manier waarop je handelt moet overeenkomen met wat God al heeft gedaan door je in Zijn ogen te reinigen. Wees nu rein. Leef rein. Maak je gedrag volmaakt. God heeft je positie in Hem volmaakt gemaakt, maar het is aan jou om iets te doen aan het voltooien van de goede werken, of aan het volmaakt worden in goede werken om Zijn wil te doen.

Maar er staat dat Hij:

God werkt in ons het willen en het doen

Illustratie bij: Genade, goede werken en de slotgroeten.
Hebreeën 13:20-21

20De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, onze Heere Jezus Christus, uit de doden heeft teruggebracht, op grond van het bloed van het eeuwige verbond, 21moge u toerusten tot elk goed werk om Zijn wil te doen, en in u werken wat in Zijn ogen welbehaaglijk is, door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

Dat maakt het wat gemakkelijker. Als iemand zegt: ‘Luister, je moet alles goed doen. Je moet alles doen zoals God wil dat het gedaan wordt. Je moet God behagen met elk van je handelingen’, dan is dat een behoorlijk zware opdracht. God legt de lat heel hoog voor ons en we kunnen daar eigenlijk niet aan voldoen. Israël kon het niet. Daarom nemen zij niet meer op dezelfde manier als vroeger een plaats in het geheel in. Ze konden niet over de lat komen die Hij had gelegd.

Wij zijn niet beter dan zij. Heidenen zijn niet beter dan Joden wat persoonlijke vroomheid, intelligentie of goedheid betreft. Maar wij hebben nog iets anders dat in ons voordeel werkt. De lat ligt er: doe dit, word volmaakt in al je werken, terwijl God in je werkt, terwijl God in je werkt wat Hem welbehaaglijk is. Het is een stuk gemakkelijker om het goede te doen als God je hart heeft veranderd en je geneigd heeft gemaakt tot het goede. Als je niet geneigd bent tot het goede, is het een enorme worsteling en slaagt niemand er echt in volmaakt te zijn. Zelfs christenen zijn er trouwens nooit in geslaagd helemaal volmaakt te zijn. Maar het doel is realistischer als God in je werkt aan een verandering van je neigingen. Als je geneigd bent God te behagen in plaats van alleen jezelf te behagen, maakt dat een enorm verschil voor hoe gemakkelijk of moeilijk het is om de dingen te doen die God behagen. Zoals ik eerder al zei, lijkt dit vers sterk op Filippenzen 2:13. Het is een vers dat heel erg als Paulus klinkt. Paulus zei:

Filippenzen 2:13

want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.

De schrijver van Hebreeën verwoordt in wezen dezelfde gedachte, met maar heel weinig verschil in bewoording. God werkt in je het willen. Hij werkt aan je wil, zodat je die niet helemaal zelf hoeft te veranderen. En het doen:

Filippenzen 2:12-13

12Daarom, mijn geliefden, zoals u altijd gehoorzaam geweest bent, niet alleen zoals in mijn aanwezigheid, maar nu veelmeer in mijn afwezigheid, werk aan uw eigen zaligheid met vrees en beven, 13want het is God, Die in u werkt zowel het willen als het werken, naar Zijn welbehagen.

Dat is zo ongeveer wat hier ook wordt gezegd.

Dan vervolgt hij:

Hebreeën 13:22

Ik vraag jullie, broeders, dit woord van aansporing te verdragen.

Hij bedoelt deze brief.

Hebreeën 13:22

Want ik heb jullie maar kort geschreven.

Hebreeën 13:23

U moet weten dat broeder Timotheüs losgelaten is. Samen met hem zal ik u zien, zodra hij komt.

Met ‘uw voorgangers’ in vers 24 bedoelt hij degenen die jullie leiders zijn:

Hebreeën 13:24

Groet al uw voorgangers en al de heiligen. De broeders uit Italië groeten u.

Hebreeën 13:25

Genade zij met jullie allen. Amen.

We hebben enkele van deze verzen in onze inleiding besproken, omdat ze iets zeggen over de achtergrond en de lezers: wie ze zijn, waar ze waren, enzovoort.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Hebrews 12:18 - 13:25. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.

Hoe wil je deze lezing volgen?

Je kunt deze keuze altijd wijzigen in de speler.

We onthouden je voorkeur op dit apparaat.

De lezing wordt geladen…

Beeld en tekst laden…