Johannes 10:1-21
Jezus als deur en herder van de schapen
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/johannes/10-1-21.pdf. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/johannes/10-1-21.
Samenvatting
Steve Gregg bespreekt Jezus’ beeldspraak over de schaapskooi tegen de achtergrond van de genezen blinde man en het falen van de religieuze leiders van Israël. Hij legt uit dat Jezus zowel de Deur als de Goede Herder is en dat rechtmatige geestelijke leiders alleen onder Zijn gezag en door hun voorbeeld leidinggeven. Ook betoogt hij dat het overvloedige leven niet uit materiële voorspoed bestaat, maar uit het eeuwige, goddelijke leven dat Christus aan Zijn schapen geeft. Verder duidt hij de andere schapen als gelovigen uit de heidenen, die samen met de gelovige Joden één kudde onder één Herder vormen, en bespreekt hij hoe Jezus vrijwillig Zijn leven aflegt en het weer opneemt.
De blindgeborene en de schaapskooi #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Johannes 10, vers 1 tot en met vers 21.
Laten we naar Johannes 10 gaan. Het vorige hoofdstuk ging bijna volledig over de karakterstudie van één man: de man die blind geboren was en door Jezus werd genezen met de vreemde methode waarbij Hij modder maakte, die op zijn ogen deed en hem die er weer af liet wassen. Daarna raakte de man in conflict met de religieuze autoriteiten. Het was eigenlijk Jezus Die de aanstootgevende daad had verricht. Jezus had iets op de sabbat gedaan. De man had niets verkeerds gedaan, maar hij kwam in moeilijkheden omdat hij zich niet tegen Jezus wilde uitspreken. Hij vertelde gewoon zijn verhaal, en hij had het onmogelijk anders kunnen vertellen. Maar daardoor kwamen de religieuze leiders in een lastig parket. Hij verklaarde namelijk dat hij blind geboren was en dat Jezus hem had genezen. Dat was het ware verhaal, de dingen die hij niet kon aanpassen en niet kon weglaten. Toch wezen die twee dingen er op zichzelf al op dat Jezus van God kwam. En dat was nu juist wat de Farizeeën koste wat het kost wilden ontkennen. Daarom wilden ze die informatie niet onder ogen zien.
Dit gebeurt kennelijk in die situatie, terwijl Jezus aan het einde van hoofdstuk 9 nog steeds met de Farizeeën in gesprek is. Er staat:
40En sommigen van de Farizeeën die bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tegen Hem: Zijn wij dan soms ook blind? 41Jezus zei tegen hen: Als u blind was, zou u geen zonde hebben, maar nu u zegt: Wij zien, zo blijft dan uw zonde.
Hij gaat verder in hoofdstuk 10, vers 1:
1Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie de schaapskooi niet door de deur binnengaat, maar van elders naar binnen klimt, die is een dief en een rover. 2Maar wie door de deur naar binnen gaat, die is herder van de schapen. 3Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen zijn stem, en hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. 4En wanneer hij zijn eigen schapen naar buiten gedreven heeft, gaat hij voor hen uit, en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. 5Maar een vreemde zullen zij beslist niet volgen, maar zij zullen van hem wegvluchten, omdat zij de stem van vreemden niet kennen.
Deze gelijkenis sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet wat datgene wat Hij tot hen sprak, betekende.
De schaapskooi en de valse herders #
Dus Hij zou verdergaan en meer over hetzelfde onderwerp zeggen. Maar waarom zei Hij dit bij deze gelegenheid? Er was een enorm contrast tussen Jezus, de Goede Herder van de schapen, en de valse herders. De Farizeeën, die de godsdienstleraren van de Joden waren, en de overpriesters, die de politiek-religieuze leiders van de Joden waren, waren geen goede herders. De reden daarvoor was dat ze niet bereid waren door de deur binnen te komen.
Herders in Israël namen hun schapen mee de heuvels op, en het was niet altijd praktisch om ze ’s avonds allemaal terug naar het dorp te brengen. Soms waren ze bij het zoeken naar weidegrond een hele dag onderweg, of misschien wel meerdere dagen, naar nieuwe weidegronden, zodat de schapen genoeg te eten zouden hebben. Het zou niet praktisch of mogelijk zijn om de schapen aan het einde van elke dag helemaal terug naar hun dorp te brengen. Daarom kampeerden ze soms ’s nachts buiten in het gebied waar ze hun schapen lieten grazen.
Op zulke plaatsen bouwden ze wat ze schaapskooien noemden. Een schaapskooi was eigenlijk gewoon een omheining, meestal van steen gemaakt. Afhankelijk van wat er beschikbaar was, kon hij ook van heggen of iets dergelijks worden gemaakt, iets stekeligs. Maar vaak was hij van steen. Het was een lage muur. Hij hoefde niet erg hoog te zijn. Hij kon maar drie of vier voet hoog zijn. De schapen konden er niet overheen. Op één plek zat een opening, de enige plek waar de schapen naar binnen en naar buiten konden.
De herder leidde de schapen er ’s avonds in en ging dan dwars voor de deuropening slapen. Hij was de deur van de schaapskooi. Zo konden wilde dieren de schapen niet roven en konden dieven de schapen evenmin stelen zonder door de deur te gaan. Ze konden het proberen. Ze konden over de muur springen en misschien konden ze één schaap over de muur krijgen of iets dergelijks, maar het zou moeilijk zijn om op die manier een aantal schapen te stelen. Daarom was de deur de belangrijkste manier waarop mensen de schaapskooi in en uit konden komen. De herder bewaakte de deur met zijn eigen leven, omdat hij voor de schapen zorgde.
Als iemand over de muur van de schaapskooi klom, dat wil zeggen, als diegene niet door de deur ging, had hij geen goede bedoelingen. Iedereen die enig recht op de schapen had, of iedereen die goede bedoelingen met de schapen had, zou op rechtmatige wijze naar de herder gaan en met zijn goedkeuring toegang tot hen proberen te krijgen. Maar iemand die over de muur klom, ontweek de herder. Daarom waren zulke mensen geen herders. Het waren dieven.
Wat Hij zegt, is dat de leiders van Israël slechte herders zijn. Ze lijken meer op dieven dan op herders. Ze komen niet door Jezus bij de schapen. Ze handelen niet onder Zijn gezag. Ze zoeken Zijn goedkeuring of Zijn toestemming niet. Hij is natuurlijk de Zoon van God, de Eigenaar van de schapen en de Goede Herder van de schapen. Daarom moet iedereen die de schapen wil leiden, dat met Zijn goedkeuring doen. Elke poging om Hem te ontwijken of om Hem heen te gaan, om Hem te omzeilen en de macht over de schapen te krijgen, is het werk van een dief die de schapen niet werkelijk bezit en geen recht op hen heeft. De leiders van Israël hadden in dit laatste verhaal met de blinde man hun ware aard laten zien. Ze deden alles wat ze konden om te vermijden dat ze Jezus moesten erkennen. Hij had de man met medeleven behandeld. Zij hadden geen medeleven met de man. Ze zetten hem zelfs buiten, hoewel hij geen misdaad had begaan. Hij had niets verkeerds gedaan. Ze vonden het niet prettig wat hij zei, omdat het hen dwong Jezus te erkennen: dat Jezus inderdaad door God gezonden was, dat Jezus de Herder was Die God zou zenden. Maar dat wilden ze niet erkennen. Ze wilden het volk leiden, maar ze wilden dat niet door Jezus doen. Ze wilden niet dat Jezus er iets mee te maken had. Hiermee lieten ze zien dat ze het verkeerde soort leiders waren, het verkeerde soort herders.
Ezechiël 34 en de verstrooide schapen #
In Ezechiël hoofdstuk 34, waar we naar hebben gekeken, staat die veroordeling van de leiders van Israël. Ze worden daar herders genoemd, slechte herders van Israël. In Ezechiël 34:1 staat:
Het woord van de HEERE kwam tot mij:
Vervolgens noemt Hij wat herders voor de schapen zouden moeten doen, maar wat deze herders nalaten. Hij doelt op de leiders van Israël in de tijd van Ezechiël, maar het was duidelijk ook van toepassing op de leiders van Israël in de tijd van Jezus.
Deze herders bekleden hun positie terwijl ze de schapen kwellen en mishandelen en hun plicht tegenover hen verwaarlozen. De Farizeeën lieten zeker zien dat ze dit deden tegenover deze man die blind geboren was. Ze hadden hem moeten verwelkomen. Ze hadden zijn getuigenis moeten verwelkomen. Ze hadden hem geluk moeten wensen met zijn voorspoed en met de zegen die hem ten deel was gevallen. Maar in plaats daarvan zagen ze hem alleen maar als een probleem, omdat hij hen confronteerde met de aanspraken van Christus, en daar wilden ze zich niet mee bezighouden.
En dus zegt God in Ezechiël hoofdstuk 34, vers 11:
Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan.
Merk op dat de verkeerde herders de schapen feitelijk verstrooien. Vers 6 zegt:
Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar ze vraagt, en niemand die ze zoekt.
Deze man was uit de synagoge gezet. Hij was verstrooid, weg van de herders en van de schaapskooi. Maar Jezus ging hem zoeken en vond hem. Dat is wat we in Johannes hoofdstuk 9 zagen. Johannes 9, vers 35 zegt:
Jezus hoorde dat zij hem uit de synagoge geworpen hadden, en toen Hij hem gevonden had, zei Hij tegen hem: Gelooft u in de Zoon van God?
Jezus zocht het verstrooide schaap op dat de andere herders ver weg hadden gejaagd.
En zo zegt Hij in Ezechiël 34:
Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van wolken en donkerheid.
En Hij gaat verder.
God Zelf zegt dat Hij hun Herder zal zijn, omdat de herders die Hij heeft aangesteld, gefaald hebben. Jezus spreekt erover dat Hijzelf de Goede Herder is. Hij heeft die uitdrukking in de eerste zes verzen van hoofdstuk 10 nog niet gebruikt. Dat zal Hij doen. Maar waar het hier om gaat, is dat Hij komt en doet wat een herder hoort te doen. Hij zorgt voor Gods schapen, het huis van Israël. Wanneer ze buitengeworpen en verstrooid worden, brengt Hij hen weer bij Zich bijeen.
Het trouwe overblijfsel herkent zijn stem #
De mensen die hen verstrooien, lijken zelfs helemaal niet op herders. Het zijn slechte herders. Het zijn slechte leiders, maar eigenlijk zouden ze eerder als dieven kunnen worden aangemerkt. Het zijn geen rechtmatige leiders. Ze komen niet door Christus. Ze willen Hem buiten beeld houden, dus klimmen ze over de muur in plaats van door de deur te gaan. Ze proberen macht over de schapen te krijgen, maar ze hebben niet het hart van een herder voor de schapen. Dat is wat Jezus zegt.
Wat de schapen betreft: zij kennen de stem van hun echte Herder. Ze zullen de vreemde niet volgen. Ze zullen de echte Herder volgen. Natuurlijk volgde niet iedereen in Israël Jezus. Niet iedereen in Israël herkende Hem. Maar later in Zijn uiteenzetting wijst Hij erop dat sommigen van hen niet Zijn schapen waren. Zijn schapen waren niet alleen het volk Israël, maar het overblijfsel van Israël.
In het hele Oude Testament was er altijd een overblijfsel van Israël dat trouw was aan God. De meeste Israëlieten deden waar ze zelf zin in hadden en aanbaden vaak andere goden. Ze waren afvallig, niet trouw aan God, hielden zich niet aan Zijn wetten en erkenden Hem niet als hun Koning. Toch waren er altijd enkelen, altijd een overblijfsel in Israël, die God werkelijk volgden. In het Oude Testament kwamen de profeten om het volk terecht te wijzen. Maar er was een overblijfsel dat trouw was, dat zich daadwerkelijk bij de profeten aansloot en naar de profeten luisterde. Zij hoorden van God, omdat zij van God wilden horen. Zij waren de echte schapen. De rest van Israël was, zoals Jezus het in Johannes 8 verwoordde,
kinderen van hun vader, de duivel.
Maar degenen die werkelijk kinderen van God waren, kinderen van Abraham, de echte gelovigen, waren de schapen van Jezus. Hij zei:
Jezus is de deur voor de schapen #
3Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen zijn stem, en hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. 4En wanneer hij zijn eigen schapen naar buiten gedreven heeft, gaat hij voor hen uit, en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. 5Maar een vreemde zullen zij beslist niet volgen, maar zij zullen van hem wegvluchten, omdat zij de stem van vreemden niet kennen.
En zo gebruikte Hij deze beeldspraak. Vers 6 zegt:
Deze gelijkenis sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet wat datgene wat Hij tot hen sprak, betekende.
Toen zei Jezus opnieuw tegen hen:
7Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de Deur voor de schapen. 8Allen die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. 9Ik ben de Deur; als iemand door Mij naar binnen gaat, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. 10De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en verloren te laten gaan; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed hebben.
Pas in het volgende vers zegt Hij:
Ik ben de goede Herder; de goede herder geeft zijn leven voor de schapen.
Voordat Hij Zichzelf de Herder noemt, noemt Hij Zichzelf de Deur. De reden daarvoor is dat Hij eerder in het hoofdstuk het beeld van de deur heeft geïntroduceerd. Daar heeft Hij duidelijk gemaakt dat de deur de enige rechtmatige toegang tot Gods schapen is. Hij zegt:
1Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie de schaapskooi niet door de deur binnengaat, maar van elders naar binnen klimt, die is een dief en een rover. 2Maar wie door de deur naar binnen gaat, die is herder van de schapen.
Hij had over de deur gesproken, maar ze begrepen niet wat Hij zei. Ze begrepen de beeldspraak niet. Daarom maakt Hij het duidelijk:
Ik ben de deur. Als je een leider in Israël wilt zijn, moet je via Mij binnenkomen. Als God Zijn schapen aan iemand toevertrouwt, dan zullen dat mensen zijn die zich aan Mij onderwerpen.
Herders onder de Opperherder #
Natuurlijk riep Jezus Zijn eigen discipelen, die zich aan Hem onderwierpen. Zij kwamen door de Deur. Ze kwamen tot Jezus en Hij vertrouwde hun inderdaad de zorg voor Zijn schapen toe. Weet je nog dat Jezus later met Petrus sprak, aan het einde van dit boek, in hoofdstuk 21? Hij zei:
Petrus, hebt u Mij lief?
Petrus zei:
Ik heb U lief.
Jezus zei:
Hoed dan Mijn schapen, weid Mijn schapen en hoed Mijn lammeren.
Jezus vertrouwde de zorg voor Zijn schapen toe aan de leiders die Hem als hun Leider erkenden. Hij was de Goede Herder van de schapen.
Petrus, tegen wie Jezus dat allemaal zei, schreef daar in 1 Petrus 5 op een vergelijkbare manier over. Hij schrijft aan christelijke leiders, leiders van de gemeenten. 1 Petrus 5, vers 1, zegt:
De ouderlingen onder u roep ik ertoe op, als medeouderling en getuige van het lijden van Christus en deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden:
Dit zijn de oudsten, de leiders van de gemeenten.
Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op, niet gedwongen, maar vrijwillig; niet uit winstbejag, maar bereidwillig;
Hetzelfde wat Jezus Petrus opdroeg, draagt Petrus nu de oudsten van de gemeenten op: hoed de kudde,
ook niet als mensen die heerschappij voeren over het erfdeel van de Heere , maar als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn.
Je leidt de schapen. Je drijft de schapen niet voort.
En als de Opperherder verschijnt, zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen.
Petrus erkent dus dat er een Opperherder is. Dat is Jezus. Jezus is de Goede Herder. Hij is de Opperherder. Alle anderen die Gods volk leiden, zijn herders die onder Hem staan. Zij zijn de oudsten van de gemeenten. Zij zijn de leiders die God heeft aangesteld of gegeven om de schapen te leiden. Ze moeten Jezus erkennen. Ze moeten door de Deur van de schaapskooi komen om toegang te krijgen tot Zijn schapen. Zijn schapen zullen Zijn stem herkennen wanneer die door echte herders klinkt.
Iemand die een rechtmatige herder is, zal door Gods schapen worden herkend. Dat is een van de redenen waarom veel mensen die echte christenen zijn, de gemeenten verlaten waar ze bij horen: ze horen daar de stem van hun Herder niet. Ze horen de stem van mensen. Ze horen de meningen van mensen. Ze horen God daar niet tot hen spreken. Daarom gaan ze weg, net zoals deze man uit de synagoge werd gestoten.
Christenen die Jezus proberen te volgen, zijn vaak niet welkom in de institutionele kerken. Dat komt doordat de institutionele kerk sterk is gaan lijken op de synagoge in de tijd van Jezus: een organisatie waarin leiders politieke macht hebben en heersen over de schapen. De schapen zoeken iemand die hen door zijn voorbeeld zal leiden.
Schapen leiden door voorop te gaan #
Jezus zei over de Goede Herder:
En wanneer hij zijn eigen schapen naar buiten gedreven heeft, gaat hij voor hen uit, en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen.
Dat betekent dat Hij hen leidt. Hij geeft het voorbeeld. Hij gaat Zelf waar zij heen moeten. Zijn leven is wat zij moeten navolgen, omdat Hij datgene wat Hij hun opdraagt Zelf al doet. Dat is wat Jezus zegt.
Een tijdlang was onze school in Bandon, in Oregon, aan de kust van Oregon. Mijn zwager had destijds een ranch. Die was niet van hem; het was de ranch van onze schoonvader, en die had zijn schoonzoon de leiding gegeven. Maar de schoonzoon had nog nooit schapen gehoed. Er waren schapen op de ranch. Kenny, mijn zwager, was eens bij onze school en stond met me te praten. Ik vroeg hem hoe het met de schapen ging, omdat het voor hem een nieuw project was. Hij zei: ‘Ik heb het ontzettend moeilijk met de schapen.’
Hij zei: ‘Er loopt een beek door de weilanden, en er ligt een soort smalle brug over de beek. Ik moet de schapen daaroverheen brengen, omdat ze aan de andere kant moeten grazen. Ik krijg de schapen maar heel moeilijk die brug op, omdat ze bang zijn voor het water en niet in de buurt van de beek willen komen.’
Ik was gewoon nieuwsgierig. Zelf weet ik niets van het leiden van schapen. Ik zei: ‘Loop je voor de schapen uit, of loop je achter ze en probeer je ze vooruit te krijgen?’ Ik vroeg het uit nieuwsgierigheid, omdat ik niet veel van schapen weet. Ik wist niet hoe hij te werk ging. Ik vroeg het me gewoon af. Ik bedoelde het niet om hem van iets te overtuigen of iets dergelijks.
De volgende dag kwam hij terug en zei: ‘Wat je zei, heeft me echt overtuigd dat ik verkeerd bezig was.’
Ik zei: ‘Overtuigd dat je verkeerd bezig was? Waarom zou dat je daarvan overtuigen?’
Hij zei: ‘Omdat ik de schapen eigenlijk niet leidde. Ik probeerde ze alleen van achteren op te drijven. Ik heb geprobeerd voor ze uit de brug over te gaan, en toen volgden ze me allemaal over de brug.’
Leiden door voorbeeld, niet door macht #
Ik kwam niet met een of ander geweldig geestelijk inzicht. Ik stelde eigenlijk gewoon een vraag waar ik nieuwsgierig naar was. Ik vroeg het omdat ik wist dat Jezus zei dat de herder voor de schapen uit gaat en dat zij hem volgen. Ik dacht dat dit misschien beter zou werken. Runderen drijf je van achteren op; schapen leid je van voren. De schapen zijn bang. Ze weten niet of het veilig is. Maar wanneer de herder die zij vertrouwen voor hen uit gaat, laat hij hun zien dat het veilig is en dat zij hem kunnen volgen. Ze willen dicht bij de herder zijn en ze zien wat hij doet. Hij heeft als het ware het pad gebaand. Hij is dat smalle bruggetje overgegaan en ze kunnen zien dat het in orde is, dus volgen ze hem.
Geestelijke leiders horen dat te doen. Ze horen te doen wat ze willen dat de schapen doen, voor hen uit te gaan en het voorbeeld te zijn. Dat is wat Petrus tegen deze herders zegt. Hij zegt:
Wanneer je Gods kudde hoedt, moet je allereerst beseffen dat je als herder onder de Opperherder staat. Je mag niet de baas over hen spelen.
Je wilt hen niet opdrijven zoals je runderen opdrijft. Je wilt hen leiden door het goede voorbeeld te geven.
Dat is wat de Farizeeën niet deden. Zoals Jezus het in Mattheüs 23 verwoordde:
Zij binden zware, moeilijk te dragen lasten samen en leggen die op de schouders van de mensen.
Hij zegt:
Zelf willen zij geen vinger uitsteken om die lasten te dragen.
Ze leggen mensen verplichtingen op, maar zelf houden ze zich niet aan die verplichtingen. Hij zegt:
De schriftgeleerden en de Farizeeën zitten op de stoel van Mozes. Neem daarom in acht wat zij u zeggen, maar handel niet naar hun werken, want zij zeggen het wel, maar doen het niet.
Dit staat allemaal in Mattheüs 23. Jezus spreekt over de schriftgeleerden en de Farizeeën. Hij zegt dat de Farizeeën je vertellen wat je moet doen, maar het zelf niet doen. Ze zijn geen leiders; ze zijn heren. Ze geven bevelen, terwijl een goede herder voor zijn schapen uit gaat. Dat is wat Jezus in vers 4 zei:
1Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie de schaapskooi niet door de deur binnengaat, maar van elders naar binnen klimt, die is een dief en een rover. 2Maar wie door de deur naar binnen gaat, die is herder van de schapen. 3Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen zijn stem, en hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. 4En wanneer hij zijn eigen schapen naar buiten gedreven heeft, gaat hij voor hen uit, en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. 5Maar een vreemde zullen zij beslist niet volgen, maar zij zullen van hem wegvluchten, omdat zij de stem van vreemden niet kennen.
Dieven en rovers onder Israëls leiders #
Hij heeft nog niet over Zichzelf als de Herder gesproken, maar Hij spreekt wel over Zichzelf als de Deur. Als iemand Gods schapen wil leiden, moet hij door Jezus binnenkomen. Zo iemand moet eerst Zijn volgeling zijn en kan daarna een leider van de schapen zijn.
Hij zei in vers 8:
7Jezus dan zei opnieuw tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de Deur voor de schapen. 8Allen die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. 9Ik ben de Deur; als iemand door Mij naar binnen gaat, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. 10De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en verloren te laten gaan; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed hebben.
Met ‘allen die vóór Mij gekomen zijn’ verwijst Hij waarschijnlijk niet naar alle verschillende godsdiensten die daarvoor al bestonden — de Boeddha, het hindoeïsme en zulke dingen — want die mensen kwamen niet echt naar Israël. Hij verwijst waarschijnlijk zelfs niet naar de profeten in het Oude Testament. Zij kwamen vóór Jezus en waren in zekere zin geestelijke leiders, maar ze werden nooit echt de herders genoemd. De herders waren de politieke leiders en de tempelleiders van Israël.
De dief rooft de kwetsbare schapen #
Hij zegt dat Israël eigenlijk nooit goede herders heeft gehad. Allen die vóór Hem kwamen, met inbegrip van degenen die er nu zijn, degenen die deze man uit de synagoge hebben geworpen — die herders waren dieven en rovers. Ze zijn het niet waard om herders genoemd te worden. Ze eigenen zich gezag toe dat eigenlijk niet van hen is. God heeft hun dat gezag niet gegeven, omdat ze Jezus niet erkennen. Hij zegt dat ze alleen maar dieven en rovers zijn. De schapen luisteren niet naar hen.
Blijkbaar was dat waar. Hoewel het overblijfsel van de kudde naar de synagoge ging, had het eigenlijk geen respect voor de huichelaars die daar de leiding hadden. In Jezus hoorden zij de stem van de waarheid en van een echte geestelijke Herder.
Hij zegt in vers 10:
De dief komt alleen om te stelen, te doden en te verwoesten.
Deze uitspraak wordt door christenen vaak aangehaald als een uitspraak over de duivel, nietwaar? Hoor je mensen niet voortdurend zeggen: „De duivel komt alleen maar om te roven, te doden en te vernietigen”? Ze halen dit vers aan. Jezus heeft dat niet over de duivel gezegd, al kan het wel waar zijn. Het kan heel terecht zijn om zulke dingen over de duivel te zeggen. Maar dat is niet wat dit vers zegt. Het vertelt ons niet werkelijk iets over de duivel. Het gaat over de dief, en Hij heeft al gezegd wie de dieven zijn. De dieven zijn de valse herders, deze mensen die zichzelf opwerpen als leiders van de schapen, maar die geen rechtmatige leiders zijn en niet door Christus binnenkomen. Het zijn valse herders. Het zijn dieven. Wanneer Hij zegt: ‘de dief’, dan heeft Hij het niet over één individu, zoals de duivel. Hij heeft het over een categorie, de dief in algemene zin, zoals elk van deze dieven hier. Een dief komt met het doel schade toe te brengen, niet met het doel de schapen goed te doen.
Schapen zijn heel kwetsbare dieren. Ze hebben geen natuurlijke verdedigingsmiddelen. Het zijn geen agressieve dieren en ze zijn weerloos. Het is moeilijk te begrijpen hoe schapen ooit geëvolueerd zouden kunnen zijn als er geen mensen waren geweest om voor ze te zorgen. Buiten de zorg van mensen zijn ze niet in staat te overleven. Bergschapen en dergelijke kunnen zich redden door hoog in de ruige bergen te gaan zitten, waar roofdieren maar moeilijk bij ze kunnen komen. Maar een gemiddeld grazend dier, en vooral een schaap, is zwak. Vergeleken met roofdieren, wolven en beren, is het klein, en het heeft bescherming nodig.
Jezus brengt eeuwig leven #
Maar er zijn mensen die tegenover de schapen net zo roofzuchtig zijn als beren en wolven. Een schaap heeft mensen nodig, maar mensen kunnen net zo slecht voor het schaap zijn en kunnen het kwetsbare schaap net zo goed uitbuiten als roofdieren dat kunnen. Een goede herder is er om ze te helpen, om hun goed te doen, om hun leven te verlengen, niet om ze te doden zoals een dief dat wil doen.
Hij zegt: „Ik ben gekomen, anders dan de dieven die heersen in de synagogen en in de tempel. Anders dan zij ben Ik gekomen, opdat zij leven hebben, en wel in overvloed.”
Dat Hij gekomen is om leven te brengen, is iets wat helemaal aan het begin van het boek Johannes al naar voren werd gebracht, toen er stond dat Hij het Woord was. Er staat:
In het Woord was het leven en het leven was het licht van de mensen.
Jezus heeft bij veel gelegenheden gesproken over de taak die God Hem heeft gegeven om mensen leven te geven. En daarmee bedoelt Hij natuurlijk eeuwig leven.
Johannes 5:21 zegt:
Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil.
Jezus is Degene Die leven geeft. Hij zegt in Johannes 5:24:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie Mijn woord hoort en Hem gelooft Die Mij gezonden heeft, die heeft eeuwig leven en komt niet in de verdoemenis, maar is uit de dood overgegaan in het leven.
Hij komt en geeft hun leven, en hier noemt Hij het eeuwig leven. De Vader heeft Jezus deze taak gegeven: Zijn volk, Zijn schapen, leven—eeuwig leven—te brengen. Hij is gekomen om hun leven te geven.
In Johannes hoofdstuk 8, tijdens Jezus’ woordenwisseling met die Joden die aanvankelijk in Hem geloofden maar van gedachten leken te veranderen, zegt Hij in Johannes 8:51:
Jezus kwam om levens te redden #
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Als iemand Mijn woord in acht genomen heeft, zal hij beslist de dood niet zien tot in eeuwigheid.
Dat wil zeggen dat hij eeuwig leven zal hebben, uiteraard. Jezus heeft al duidelijk gemaakt dat het Zijn taak is leven te geven.
Hij zegt dit in tegenstelling tot de leiders, die de dood brachten. Zij komen om iets van de schapen af te nemen, misschien zelfs om hen te doden. Niet dat de religieuze leiders daadwerkelijk mensen aan het doden waren, hoewel ze Jezus wel hebben gedood en de apostelen en de discipelen wel hebben vervolgd. De apostel Paulus werd, voordat hij een apostel was en voordat hij een christen was, door juist deze leiders eropuit gestuurd om christenen te arresteren en de schapen kwaad te doen, en in sommige gevallen om hen te doden. Ze hebben Stefanus met hun eigen handen gedood.
Dus hoewel deze religieuze leiders er op dat moment nog niet hun werk van hadden gemaakt om het Joodse volk, de kudde die aan hen was toevertrouwd, daadwerkelijk te doden, lieten ze uiteindelijk hun moorddadige aard zien door Jezus en Zijn discipelen te vervolgen en hen in veel gevallen te doden. Het waren echte dieven. Ze komen om te roven, ze komen om te doden, ze komen om te vernietigen. Maar Jezus zei: „Ik kom niet om ook maar iets daarvan te doen. Ik ben gekomen om hun leven te geven.”
Overigens was er een moment waarop de discipelen ten onrechte dachten dat ze God een dienst zouden bewijzen door enkele mensen te doden. In hoofdstuk 9 van Lukas staat dat de Samaritanen, in vers 53, Jezus niet ontvingen toen Hij op doorreis was en Hij en Zijn discipelen daar onderdak wilden hebben. De Samaritanen waren ongastvrij tegenover Hem.
Overvloedig leven is geen rijkdom #
Er staat in vers 54:
Toen de discipelen Jakobus en Johannes dat zagen, zeiden zij: Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook Elia gedaan heeft?
Zelfs in dit geval, toen deze stad Hem beledigde — beslist het soort situatie waarvoor Elia een paar berinnen zou hebben laten komen, of vuur uit de hemel — zei Jezus: „Dat is niet waarvoor Ik hier ben. Ik ben hier niet om leven te vernietigen. Ik ben hier om leven te redden.”
_[Vertalersnoot: Greggs woordverbinding met Johannes 10:10 berust hier op de Engelse formulering „destroy/save lives”. De HSV spreekt in Lukas 9:56 over het te gronde richten en behouden van „zielen van mensen” en herhaalt het woord „leven” daarom niet.]_
Evenzo geldt hier dat Jezus anders is dan de valse herders, de dieven die de Israëlieten in die tijd leidden:
De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en verloren te laten gaan; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed hebben.
Aan dit vers, Johannes 10:10, ontlenen mensen vaak de uitdrukking ‘het overvloedige leven’.
Veel mensen die tegenwoordig over een overvloedig leven spreken, denken dat dit een overvloed aan spullen betekent. Dit is een uitdrukking die voorstanders van het gezondheids- en welvaartsevangelie vaak gebruiken om te zeggen: ‘God wil niet dat je arm bent. Hij wil dat je een overvloedig leven hebt.’ Daarmee bedoelen ze duidelijk dat Hij wil dat je veel spullen hebt. Hij wil dat je een overvloed aan spullen hebt.
Dat is niet wat Hij bedoelt, want Jezus zei ergens anders
En Hij zei tegen hen: Kijk uit en wees op uw hoede voor de hebzucht. Immers, al heeft iemand overvloed, zijn leven behoort niet tot zijn bezit.
Er was eens een man die naar Jezus kwam en Hem vroeg als scheidsrechter op te treden in een geschil tussen hem en zijn broer. Jezus zei:
Pas op voor hebzucht, want je leven wordt niet bepaald door de hoeveelheid bezittingen die je hebt.
Jezus omschrijft leven dus niet als een overvloed aan bezittingen.
Wanneer Hij zegt:
Ik ben gekomen zodat ze leven hebben, en wel in overvloed.
bedoelt Hij meer leven, niet meer spullen in je leven. Je leven bestaat niet uit de overvloed van de dingen die je bezit. Wat je bezit, is meer leven. Als je geen eeuwig leven hebt en vervolgens wel eeuwig leven krijgt, heb je meer leven. Niet alleen kwantitatief meer, maar ook kwalitatief meer, want het leven dat je hebt, is leven in Christus. Het is goddelijk leven. Het is een ander soort leven, niet alleen een leven dat langer voortduurt, maar een ander soort leven. Het is Gods leven.
In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Je ontvangt dus een ander soort leven. Je wordt een ander soort mens, omdat je een ander soort leven hebt wanneer Gods goddelijke natuur je gegeven wordt. In 2 Petrus 1:4 staat
Christus geeft zijn leven aan de schapen #
Daardoor heeft Hij ons de grootste en kostbare beloften geschonken, opdat u daardoor deel zou krijgen aan de Goddelijke natuur, nadat u het verderf, dat er door de begeerte in de wereld is, ontvlucht bent.
en dat komt doordat Zijn leven ons door de Geest gegeven wordt.
Jezus kwam dus om een andere soort, een andere hoeveelheid, een andere kwaliteit te geven: een overvloed aan leven in plaats van minder leven. Leven geven in plaats van doden en afnemen. Hij is gekomen om het in overvloed te geven.
Nu zeggen ze: ‘Maar dit wordt afgezet tegen de dief die komt om te stelen. Dat betekent toch dat er spullen worden weggenomen? Is het niet de duivel die spullen wil wegnemen, terwijl Jezus juist overvloed wil brengen, als tegenstelling daarmee?’ Nee, de dief in deze uitspraak probeert geen spullen van de schapen weg te nemen. Ze proberen de schapen te stelen, niet de spullen van de schapen. Het is niet alsof ze in het huis van de schapen inbreken en hun meubels meenemen. De dief neemt de schapen bij de Herder weg. Dat is wat het stelen inhoudt. Het gaat niet om het wegnemen van de bezittingen van christenen. De dief wil christenen bij God wegnemen.
De diefstal heeft niets te maken met iemand zijn spullen ontnemen. Het gaat erom de schapen van het leven te beroven, de schapen te beroven van hun rechtmatige eigenaar, de Goede Herder.
Vers 11 zegt:
Ik ben de goede Herder; de goede herder geeft zijn leven voor de schapen.
Hij kwam niet om de schapen te stelen en te doden. Hij kwam om Zelf voor de schapen te sterven, zodat zij leven konden hebben. Hij geeft Zijn leven, zodat zij leven kunnen hebben. Welk leven krijgen zij? Ze krijgen het Zijne. Het leven van Christus wordt gegeven, niet alleen in Zijn sterven, maar ook in Zijn opstanding. Het opstandingsleven van Christus wordt ons vervolgens door de Heilige Geest gegeven.
De apostel Paulus maakt in dat verband enkele interessante opmerkingen in 2 Korinthe 4. Hij zegt in vers 10:
Wij dragen altijd het sterven van de Heere Jezus in het lichaam mee, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam openbaar wordt.
Dit gebeurt niet bij de opstanding op de laatste dag, maar in ons sterfelijke vlees. Niet in onze onsterfelijkheid bij de opstanding, maar in ons huidige leven. In dit sterfelijke lichaam ervaren we voortdurend het sterven van de Heere. Hij heeft het over de vervolging die hij ondergaat. Hij heeft het over het lijden dat hij ter wille van Jezus doormaakt. Hij ervaart de afwijzing, het sterven en het lijden zoals Jezus die had ervaren.
De huurling vlucht voor de wolf #
Maar als gevolg daarvan ziet hij ook het leven van Jezus zichtbaar worden in zijn lichaam. Dat wil zeggen dat mensen, wanneer ze Paulus zagen, het leven van Jezus in hem zagen. Niet het leven van Saulus van Tarsus, maar dat van de veranderde persoon die hij nu was, zoals hij in Galaten 2:20 verwoordde:
Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven.
Hij zei:
Want het leven is voor mij Christus en het sterven is voor mij winst.
Dat zei hij in Filippenzen 1. In Kolossenzen zegt hij:
Wanneer Christus geopenbaard zal worden, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.
Dit alles verwijst ernaar dat Christus ons leven is.
Het leven van Jezus wordt zichtbaar in ons lichaam wanneer wij ondanks ons lijden vreugde vinden in Hem. Jezus zei dat de Goede Herder kwam om Zijn leven te geven voor de schapen. Natuurlijk verwijst Hij naar sterven, naar het geven van Zijn leven in die betekenis. Maar in een andere betekenis heeft Hij al gezegd dat Hij gekomen is opdat zij leven zouden hebben, en dat is Zijn leven. Hij geeft Zijn leven op, zodat zij Zijn leven in zich kunnen hebben.
Hij zei dat de huurling in vers 12 anders is:
12Maar de huurling en wie geen herder is, die de schapen niet tot eigendom heeft, ziet de wolf komen en laat de schapen in de steek en vlucht; en de wolf grijpt ze en drijft de schapen uiteen. 13En de huurling vlucht, omdat hij een huurling is en zich niet om de schapen bekommert.
Hij zal zijn leven niet voor de schapen geven. Ze zijn niet van hem. Hij is niet aan ze gehecht. Hij is een betaalde arbeider. Hij is een opdrachtnemer. Hij is een huurling.
Ik weet niet of Jezus nu het beeld van de geestelijke leiders van Zijn tijd verschuift, van dieven naar huurlingen. Je kunt hen op verschillende manieren zien in verband met de schapen. Je zou hen kunnen zien als dieven die Gods schapen bij Hem vandaan proberen te halen, omdat ze niet door Christus binnenkomen. Ze komen niet door de deur binnen, en daarom zijn ze dieven en rovers. Je zou hen ook kunnen zien als mensen die hun taak alleen voor het geld vervullen, als huurlingen. Of misschien gaat het om verschillende personen. Een herder die een huurling is, is iemand anders dan een dief. Maar het is mogelijk dat Hij gemengde beeldspraak gebruikt om dezelfde mensen te bekritiseren. Aan de ene kant zijn het leiders die daar niet rechtmatig aangesteld zijn. Aan de andere kant doen ze het alleen voor het geld. Voor hen is het gewoon een baan. Als er werkelijk gevaar komt, zullen ze voor zichzelf zorgen, niet voor de schapen.
Andere schapen worden één kudde #
David was beslist een goede herder, en daarom kwam hij ervoor in aanmerking om de herder van Israël te zijn. Wanneer hij een wolf zag aankomen, ging hij eropuit om de wolf tegemoet te treden. Als hij een beer zag aankomen, die nog veel geduchter was, ging hij eropuit, trad hij de beer tegemoet en doodde hem. Hij deed dit met zijn handen. Hij zei dat hij de leeuw neersloeg en dat hij hem, toen die tegen hem opstond, bij zijn baard greep en opnieuw neersloeg. Hij deed dit niet van een afstand met zijn slinger. Hij was daarbuiten aan het worstelen met een leeuw of een beer.
Waarom laat je hem niet gewoon een schaap meenemen en ermee wegrennen? Waarom zou je je leven riskeren? Dat is eenvoudigweg de opdracht van een herder. Zijn gehechtheid aan zijn schapen is heel sterk. Hij weet dat het schaap van hem afhankelijk is en niet voor zichzelf kan zorgen. Daarom heeft hij deze instinctieve drang om de schapen te beschermen. Hij zal zelfs zijn leven voor hen afleggen.
Dit betekent niet dat schapen even waardevol zijn als mensen, of dat we het leven van een schaap even waardevol moeten vinden als het leven van een mens. De herder is niet werkelijk van plan zijn leven in te ruilen voor het leven van het schaap, maar hij is wel bereid zijn leven te riskeren voor het leven van het schaap. Dat is iets anders. Hij hoopt eigenlijk in leven te blijven. Hij valt de leeuw niet aan en zegt: ‘Neem mij. Neem het schaap niet. Ik zal jouw slachtoffer zijn.’ Nee, hij zal de leeuw tot slachtoffer maken. Hij is niet van plan zijn leven af te leggen, maar hij is er wel toe bereid. Hij stelt zichzelf bloot aan gevaar, zelfs aan levensgevaar, om zijn schapen te beschermen.
Zo is Jezus. Een huurling doet dat niet. Als iemand betaald wordt en het gewoon een baan is, doet hij zo weinig mogelijk en probeert hij zijn werkgever tevreden te houden.
Hij zei:
14Ik ben de goede Herder en Ik ken de Mijnen en word door de Mijnen gekend, 15zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik geef Mijn leven voor de schapen. 16Ik heb nog andere schapen, die niet van deze schaapskooi zijn; ook die moet Ik binnenbrengen, en zij zullen Mijn stem horen en het zal worden één kudde en één Herder.
Dit is een heel belangrijk vers. Het is zeer verkeerd begrepen. Mensen die geen christen zijn, maken soms de fout te denken dat Hij het over leven op andere planeten heeft: ‘Ik heb elders nog andere schapen. Ik moet ook naar die planeten gaan om ze op te halen.’ De mormonen geloven dat Hij het over de Amerikaanse indianen heeft. Zij denken dat Jezus heeft gezegd: ‘Ik moet naar Amerika gaan. Daar heb Ik ook schapen, en Ik ga hen verzamelen en bij de kudde brengen.’ Dit is letterlijk wat zij geloven. Ze gebruiken dit vers om het te bewijzen.
Maar de meest voor de hand liggende betekenis van het vers is dat de andere schapen, die niet uit deze schaapskooi zijn, heidenen zijn die niet bij Israël horen. Israël bestond uit Gods schapen. De heidenen waren Zijn schapen niet. In het Oude Testament werden de heidenen juist op dit punt vaak tegenover Israël gesteld. Israël was als de schapen en de heidenen waren als de roofdieren.
In Ezechiël 34 en 37 spreekt hij erover dat God zal komen en Zijn volk zal weiden. Hij zegt dat Hij hen zal bevrijden uit de muil van de roofdieren, de volken die op hen hadden gejaagd. De heidenen waren als wolven en beren. Zo werden ze afgebeeld in Daniël 7, waar vier heidense volken uit de zee omhoogkomen: Babylon, Medië-Perzië, Griekenland en Rome. Ze worden afgebeeld als een leeuw, een beer, een luipaard en een ander soort vleesetend beest dat niet te identificeren is, omdat het tien horens heeft. Maar het punt is dat dit het soort dieren is waartegen herders hun schapen moeten beschermen. Dit zijn de vijanden van schapen. De heidenen waren de vijanden van Israël. Israël was Gods kudde. De heidenen vormden het gevaar waartegen God Zijn kudde beschermde. Hij zegt:
Jezus legt vrijwillig zijn leven af #
Daar komt nu verandering in. Net zoals Ik hier in Israël een aantal schapen heb die tot het overblijfsel behoren, zo zijn er ook onder de heidenen schapen van Mij. Ook in die gebieden moet Ik het goede nieuws verkondigen. De heidenen die Mijn schapen zijn, moeten er ook bij komen. Ik moet naar hen toe.
En Hij zegt dat er dan één kudde en één herder zal zijn. Dat wil zeggen: wanneer de heidenen in Christus gaan geloven, bevinden ze zich in één lichaam, in één kudde, niet in twee, met één Herder, Jezus.
In Efeze 2 zegt Paulus dat God de Jood en de heiden, dat wil zeggen de gelovige Jood en de gelovige heiden, heeft samengebracht. Hij heeft de middelste scheidsmuur tussen hen afgebroken en in Zichzelf één nieuwe mens gemaakt, en zo vrede tot stand gebracht. Dit is heel belangrijk, want er zijn tegenwoordig mensen die denken dat God twee kudden heeft: het nationale Israël en de gemeente. Velen geloven dat het etnische Israël Gods uitverkoren volk is op grond van de ene reeks beloften, en dat de gemeente Gods uitverkoren volk is op grond van een andere reeks beloften. Sommigen van hen zeggen zelfs dat het etnische Israël voor altijd een andere bestemming zal hebben dan de gemeente. God heeft een positieve bestemming voor Israël en een positieve bestemming voor de gemeente, maar ze staan los van elkaar.
Jezus wist daar niets van. Hij zei:
Ik heb hier Mijn Joodse schapen. Daarbuiten zijn schapen onder de heidenen. Ik ga hen halen. Wanneer Ik hen erbij haal, zal er één kudde zijn, geen twee. Eén herder. Ik wil geen twee kuddes.
Er zijn geen twee uitverkoren volken. Er is één uitverkoren volk. Dat zijn de mensen die de Herder volgen.
17Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik Mijn leven geef om het opnieuw te nemen. 18Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf; Ik heb macht het te geven, en heb macht het opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
Toen Hij eerder in vers 11 zei:
Ik ben de goede Herder; de goede herder geeft zijn leven voor de schapen.
wekte Hij niet alleen de indruk dat goede herders, anders dan huurlingen, bereid zijn hun leven op het spel te zetten. Hij bedoelde ook dat Hij, als de goede Herder, verder zal gaan. Hij zal de hele kudde redden door letterlijk Zijn leven af te leggen.
Hij doet dat niet omdat Zijn leven minder waard is dan dat van hen. Hij zal het weer opnemen. Dit is geen blijvend verlies. Hij zal het afleggen en het weer opnemen. Hij zei:
Ik heb de macht om dat te doen.
Hij had eerder, in Johannes 2, iets gezegd wat daar sterk op leek. Ze zeiden:
Laat ons een teken zien waaruit blijkt dat U het gezag hebt om deze dingen te doen.
Hij zei:
Jezus antwoordde en zei tegen hen: Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen.
Ze zeiden:
Er is zesenveertig jaar aan deze tempel gebouwd. Hoe kunt U hem dan weer laten herrijzen?
Maar in werkelijkheid sprak Hij over Zijn lichaam. Hij sprak erover dat zij Hem zouden doden en dat Hij Zichzelf uit de dood zou opwekken.
Jezus was niet de eerste gestorven mens die weer tot leven kwam. Jezus Zelf had mensen uit de dood opgewekt. De dochter van Jaïrus, de zoon van de weduwe van Naïn en Lazarus werden allemaal uit de dood opgewekt voordat Jezus werd opgewekt. Zelfs in het Oude Testament wekten Elia en Elisa beiden doden op. Elia wekte een dode jongen op en de beenderen van Elisa wekten een dode soldaat op. Nadat Elisa gestorven en begraven was, werd deze dode soldaat in een spelonk geworpen waar zijn beenderen lagen. Hij raakte de beenderen van Elisa aan en sprong weer tot leven. Dat mensen uit de dood weer tot leven kwamen, was vóór Jezus niet iets ongehoords.
Maar geen van die mensen wekte zichzelf uit de dood op. Toen al die mensen eenmaal dood waren, waren ze niet bij machte iets voor zichzelf te doen. Niet alleen konden ze zichzelf niet uit de dood opwekken, ze konden zelfs hun tenen niet bewegen. Ze konden niets voor zichzelf doen. Ze waren dood. Ze waren hulpeloos.
Jezus is niet hulpeloos. Hij kan Zijn leven afleggen. Niemand kan het Hem afnemen en Hij kan het weer opnemen. [Vertalersnoot: Gregg legt „Niemand neemt het Mij af” hier uit als: niemand kán het Hem afnemen.] De reden is natuurlijk dat Hij het niet verdiende te sterven. Ieder ander is aan de dood onderworpen. Hij niet. Wij zijn aan de dood onderworpen omdat wij allemaal gezondigd hebben. Zoals Romeinen 6:23 zegt:
Want het loon van de zonde is de dood, maar de genadegave van God is eeuwig leven, door Jezus Christus, onze Heere.
Verdeeldheid over Jezus en het wonder #
Jezus heeft nooit gezondigd. Daarom had de dood geen aanspraak op Hem.
Hij is de enige Mens van Wie dit gezegd kon worden. Want hoewel wij ons leven kunnen afleggen, hebben mensen ook de macht het ons af te nemen. De dood heeft aanspraak op ons en zal op de een of andere manier komen om die aanspraak te doen gelden, omdat wij zondaars zijn en alle zondaars moeten sterven. Jezus was geen zondaar. Daarom hoefde Hij niet te sterven. Niemand kon Hem werkelijk doden.
Dat is in het Evangelie al talloze keren gebleken.
Zij namen dan stenen op om ze op Hem te werpen. Maar Jezus verborg Zich en ging de tempel uit; Hij ging midden tussen hen door en zo ging Hij weg.
Hij zou niet sterven, tenzij Hij Zich vrijwillig aanbood om te sterven. Hij was niet onderworpen aan de dood. De enige manier waarop Hij kon sterven, was als Hij Zijn leven aflegde.
Dat deed Hij door Zich vrijwillig aan te bieden als het offer voor onze zonden en onze ongerechtigheden op Zich te nemen. Daardoor werd Hij onderworpen aan de dood. Anders had Hij niet kunnen sterven. Hij moest de zonde op Zich nemen. De dood is het loon van de zonde, en niemand kon Hem het leven ontnemen. Dus wie heeft Christus werkelijk gekruisigd? De Bijbel geeft aan dat de Joden Christus in zekere zin hebben gekruisigd, omdat zij degenen waren die de Romeinen ertoe aanzetten. De Bijbel zegt dat de Romeinen de spijkers door Zijn handen sloegen, dus zij kruisigden Hem. Maar in zekere zin heeft iedereen voor wie Jezus stierf Hem gekruisigd. Niemand kon Hem het leven ontnemen. Hij legde het vrijwillig af voor iemand, voor Zijn schapen. Daarom waren het onze zonden die Hem kruisigden. In zekere zin waren wij het. Als wij niet gezondigd hadden, had Hij niet hoeven sterven. Dan had Hij Zijn leven niet voor ons hoeven afleggen. Maar dat deed Hij wel. Hij kwam om de afgedwaalde en verloren schapen te redden.
Hij zegt:
Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf; Ik heb macht het te geven, en heb macht het opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
Daarom ontstond er vanwege deze uitspraken opnieuw verdeeldheid onder de Joden. Velen van hen zeiden:
En velen van hen zeiden: Hij is door een demon bezeten en is buiten zinnen, waarom luistert u naar Hem?
Ook hier is „Hij is bezeten” synoniem met zeggen dat Hij krankzinnig of gek is. Waarom zou je luisteren? Tot nu toe hebben ze dit al verscheidene keren over Jezus gezegd.
Bij één gelegenheid, hoewel die niet in het Evangelie van Johannes is opgetekend, zeiden Zijn vijanden dat Hij met de macht van demonen werkte en demonen uitdreef door de vorst van de demonen. Maar in het Evangelie van Johannes staat dat niet opgetekend. Er worden in het Evangelie van Johannes zelfs helemaal geen uitdrijvingen van demonen vermeld. Wel zijn er meerdere gevallen waarin wordt erkend dat bezetenheid door demonen een verschijnsel was dat bij de mensen bekend was. Ze dachten dat Jezus door een demon bezeten was, niet omdat Hij dingen deed die duivels doen, maar omdat Hij dingen zei die hun onredelijk in de oren klonken. Ze konden Hem niet begrijpen, dus dachten ze eenvoudigweg dat Hij niet goed bij Zijn hoofd was en onverstaanbare dingen zei.
Velen van hen zeiden:
Hij is bezeten en gek. Waarom luisteren jullie naar Hem?
Anderen zeiden:
Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden van een bezetene; kan een demon soms ogen van blinden openen?
Dit wonder dat Hij in het vorige hoofdstuk verrichtte, vormt dus nog steeds heel duidelijk de achtergrond. Ze zeggen nog steeds hetzelfde. Sommige Farizeeën hadden juist dit punt al naar voren gebracht, in hoofdstuk 9, vers 16:
Sommigen dan van de Farizeeën zeiden: Deze Mens is niet van God, want Hij neemt de sabbat niet in acht. Anderen zeiden: Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen? En er was verdeeldheid onder hen.
Ze zeggen dat de bewering dat Hij slecht is, niet helemaal recht doet aan de feiten, omdat Hij dit teken heeft gedaan. Hij heeft de ogen van een blinde man geopend. Op dit punt blijft er onder hen dus dezelfde verdeeldheid bestaan als in het vorige hoofdstuk.
Hiermee eindigt eigenlijk het verhaal uit het vorige hoofdstuk, want het volgende vers brengt ons naar een andere situatie, weken of maanden later: het Inwijdingsfeest. Dat zou eind december zijn. De laatste datum waarvan we bericht kregen, was het Loofhuttenfeest, dat in september viel. In de volgende verzen komen we dus uit bij eind december. Jezus krijgt opnieuw de gelegenheid om te spreken over Zijn schapen en over Hemzelf als de Herder, maar met enige tijd tussen deze bespreking en de vorige. Daarom stoppen we bij deze natuurlijke onderbreking.
Herkomst
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als John 10:1 - 10:21. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/johannes/10-1-21
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/johannes/10-1-21.pdf
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 21 - 10.1-21.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/johannes/10-1-21.mp3
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 21 - 10.1-21.mp3
Johannes
Alle lezingen over Johannes. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Inleiding Auteur, datum en betrouwbaarheid van Johannes
- 2 1:1-9 Het Woord: Jezus vóór zijn geboorte in Bethlehem
- 3 1:10-18 Waarom de wereld het Woord niet herkende
- 4 1:19-51 Johannes wijst naar het Lam van God
- 5 2:1-12 Bruiloft in Kana: water wordt wijn
- 6 2:13-25 Jezus jaagt handelaars uit de tempel
- 7 3:1-12 Nicodemus komt 's nachts en hoort over wedergeboorte
- 8 3:13-36 Johannes 3:16 en het getuigenis van de Doper
- 9 4:1-26 Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de put
- 10 4:27-42 Samaritaanse vrouw vertelt stad over Jezus
- 11 4:43-5:23 Zoon geneest op afstand, gelijkheid met de Vader
- 12 5:17-47 Jezus verdedigt zijn werk op de sabbat
- 13 6:1-21 Vijfduizend gevoed, en Jezus loopt over het water
- 14 6:22-45 Werk voor het brood dat blijft tot in het eeuwige leven
- 15 6:46-71 Vlees eten en bloed drinken: wat Jezus bedoelt
- 16 7:1-31 In het geheim naar het feest, en verdeeldheid in Jeruzalem
- 17 7:32-52 Jezus belooft levend water, men is verdeeld
- 18 8:1-11 Jezus veroordeelt de overspelige vrouw niet
- 19 8:12-59 Jezus is het Licht van de wereld
- 20 9 De blindgeborene ziet, de Farizeeën niet
- 21 10:1-21 Jezus als deur en herder van de schapen
- 22 10:22-42 Jezus’ schapen zijn veilig in Zijn hand
- 23 11:1-44 Jezus wekt Lazarus op uit de dood
- 24 11:45-12:19 Kajafas: Jezus sterft voor het volk
- 25 12:20-50 Jezus’ dood draagt veel vrucht
- 26 13:1-17 Jezus wast de voeten van zijn discipelen
- 27 13:18-13:38 Jezus voorzegt verraad en verloochening
- 28 14:1-14:6 God maakt Zijn woning in gelovigen
- 29 14:7-14 Wie Jezus ziet, ziet de Vader
- 30 14:15-31 Jezus komt terug in de Heilige Geest
- 31 15:1-8 Jezus is de wijnstok, wij zijn de ranken
- 32 15:9-27 Jezus’ vrienden: geliefd en gehaat
- 33 16 Jezus vertrekt, de Geest komt
- 34 17 Jezus bidt voor Zijn discipelen
- 35 18 Jezus gearresteerd en door Petrus verloochend
- 36 19 Jezus veroordeeld, gekruisigd en begraven
- 37 20 Jezus staat op en verschijnt aan de discipelen
- 38 21 Jezus herstelt Petrus bij het meer
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/johannes/10-1-21.srt
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 21 - 10.1-21.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/johannes/10-1-21.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Johannes 9:40-41
- Johannes 10:1-5
- Johannes 10:6
- Ezechiël 34:1
- Ezechiël 34:11
- Ezechiël 34:6
- Johannes 9:35
- Ezechiël 34:12
- Johannes 8:44
- Johannes 10:3-5
- Johannes 10:7-10
- Johannes 10:11
- Johannes 10:1-2
- Johannes 21:15-17
- 1 Petrus 5:1
- 1 Petrus 5:2
- 1 Petrus 5:3
- 1 Petrus 5:4
- Johannes 10:4
- Mattheüs 23:4
- Mattheüs 23:2-3
- Johannes 1:4
- Johannes 5:21
- Johannes 5:24
- Johannes 8:51
- Lukas 9:54
- Johannes 10:10
- Lukas 12:15
- Johannes 1:1
- 2 Petrus 1:4
- 2 Korinthe 4:10
- Galaten 2:20
- Filippenzen 1:21
- Kolossenzen 3:4
- Johannes 10:12-13
- Johannes 10:14-16
- Johannes 10:17-18
- Johannes 2:18
- Johannes 2:19
- Johannes 2:20
- Romeinen 6:23
- Johannes 8:59
- Johannes 10:18
- Johannes 10:20
- Johannes 10:21
- Johannes 9:16