Johannes 18
Jezus gearresteerd en door Petrus verloochend
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/johannes/18.pdf. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/johannes/18.
Samenvatting
Steve Gregg bespreekt Jezus’ arrestatie in Gethsémané en benadrukt dat Jezus de situatie beheerst, Zijn discipelen beschermt en vrijwillig de beker aanvaardt die Zijn Vader Hem geeft. Hij vergelijkt Johannes met de synoptische evangeliën en laat zien hoe hun verslagen van de arrestatie, Petrus’ verloochening en Jezus’ zes verhoren elkaar aanvullen. Vervolgens behandelt hij het verhoor door Annas en de onregelmatige rechtsgang waarmee de Joodse leiders Jezus bij Pilatus ter dood proberen te laten veroordelen. Ten slotte bespreekt hij Jezus’ verklaring dat Zijn Koninkrijk niet uit deze wereld voortkomt, Pilatus’ overtuiging dat Jezus geen Romeinse wet heeft overtreden en de keuze van de menigte voor Barabbas.
Johannes naast de andere evangeliën #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Johannes 18.
Johannes 18. In Johannes 17 hebben we het gebed dat Jezus voor Zijn discipelen bad. Johannes slaat bewust belangrijke dingen over die in de andere evangeliën al voldoende aan bod zijn gekomen, en neemt dingen op die daarin helemaal niet aan bod zijn gekomen. De andere evangeliën bevatten bijvoorbeeld niet de rede in de bovenzaal. Ze vertellen wel dat Jezus in de nacht voordat Hij werd verraden in de bovenzaal was, maar ze vertellen alleen dat Hij daar het laatste avondmaal hield. Johannes neemt zelfs het laatste avondmaal niet op, maar heeft wel vier of vijf hoofdstukken over wat er in de bovenzaal gebeurde. Johannes bevat dit lange gebed van Jezus, maar noemt niet de drie gebeden van Jezus in de hof van Gethsémané. Daar bad Hij dat de beker aan Hem voorbij zou gaan. De synoptische evangeliën bevatten die gebeden in de hof, maar niet dit gebed.
Door het hele Evangelie van Johannes heen zien we dat Johannes bewust overlap vermijdt tussen zijn verslag en wat de synoptische evangeliën vertellen. Dat kan geen toeval zijn. De dingen die hij weglaat zijn zo belangrijk dat hij er onmogelijk niet van op de hoogte kan zijn, en hij kan onmogelijk denken dat ze onbelangrijk zijn. Zijn redenering was ongetwijfeld dat ze in de andere evangeliën al voldoende aan bod waren gekomen en dat hij de leemten opvulde die zij hadden gelaten.
Het zou moeilijk zijn om aan deze werkwijze vast te houden in het gedeelte waar we nu zijn aangekomen. Dat gaat over de arrestatie en de processen van Jezus die tot Zijn kruisiging leidden. Alle vier de evangeliën geven ons veel informatie over dit onderwerp. Aan de arrestatie en de processen van Jezus worden in de evangeliën meer hoofdstukken besteed dan aan enige andere vergelijkbare korte tijdsperiode. Hij werd laat in de avond van een bepaalde dag van de week gearresteerd. Volgens de traditie was dat op donderdagavond. Vervolgens werd Hij de volgende dag rond negen uur in de ochtend gekruisigd. Traditioneel wordt aangenomen dat dit vrijdag was.
Ik zeg ‘volgens de traditie’, omdat bekwame geleerden argumenten hebben aangevoerd dat Jezus niet op vrijdag, maar op donderdag werd gekruisigd. Anderen hebben woensdag voorgesteld. Ik heb hun volledige argumentaties gelezen en het is voor mij vrijwel onmogelijk vast te stellen welke datum de juiste is. Het maakt mij ook helemaal niets uit. Ik heb nooit enige belangstelling voor deze discussie gehad, maar die discussie bestaat wel. Ik zal eenvoudigweg zeggen dat Hij volgens de traditie op vrijdag werd gekruisigd en laat in de voorgaande nacht werd gearresteerd. Dat betekent dat er tussen Zijn arrestatie en Zijn kruisiging nauwelijks twaalf uur kunnen hebben gezeten. Toch gaan er in alle vier de evangeliën veel hoofdstukken over dit gedeelte van Zijn leven.
Met zoveel overlapping over zo’n korte periode zou je denken dat Johannes onmogelijk kon blijven vasthouden aan zijn werkwijze om weg te laten wat de andere evangeliën opnemen, en op te nemen wat zij weglaten. Hij doet dat inderdaad niet helemaal, maar wel in zeer grote mate. Er zijn gebeurtenissen uit die avond die door de andere evangeliën worden weggelaten en die Johannes wel opneemt. En er zijn gebeurtenissen die de andere evangeliën opnemen en die Johannes weglaat. Wanneer we dit gedeelte doornemen, zullen we ons voornamelijk op Johannes richten, omdat dat het boek is dat we bestuderen. Maar ik zal je wijzen op de gedeelten in de andere evangeliën die Johannes weglaat.
Gethsémané en de drinkbeker #
Hoofdstuk 18, vers 1:
Nadat Hij dit gezegd had, vertrok Jezus met Zijn discipelen naar de overkant van de beek Kedron, waar een hof was, die Hij met Zijn discipelen inging.
Dat betekent het gebed uit Johannes 17 en de voorafgaande rede in de bovenzaal.
Die hof wordt in een paar van de evangeliën voor ons bij naam genoemd. Het is de hof van Gethsémané. De beek Kidron ligt ten oosten van Jeruzalem. Vanaf de eigenlijke muur van Jeruzalem daalt het terrein zestig meter af naar de beek. Aan de andere kant begint de Olijfberg dan omhoog te lopen. Een klein eindje de Olijfberg op ligt deze hof. Het is een van de weinige plaatsen in het Heilige Land waar ik werkelijk ben geweest. Ik ben maar één keer in Israël geweest. Ik gaf twee weken les in Jeruzalem en kwam niet veel buiten, hoewel ik er wel een beetje op uit ben geweest. Het is niet zo moeilijk om van Jeruzalem naar de Olijfberg te gaan. Het is maar een klein stukje, over de geleidelijk oplopende hellingen van de Olijfberg aan de kant van Jeruzalem. Dit is de hof waar Hij naartoe ging.
Gethsémané betekent blijkbaar olijvenpers of oliepers, en dat is interessant. Het is de Olijfberg. Daar staan olijfbomen en olijven worden geperst om er olijfolie van te maken. Daarvoor verbouwden ze olijven. In de tijd van Jezus moeten daar olijvenpersen hebben gestaan, en daarom noemden ze die plek de Hof van het Olijvenpersen. Jezus werd op die plaats beslist verdrukt en onder druk gezet, zozeer zelfs dat:
En Hij kwam in zware zielenstrijd en bad des te vuriger. En Zijn zweet werd als grote druppels bloed, die op de aarde neervielen.
De synoptische evangeliën vermelden op dit punt dat Jezus drie keer bad dat God, als het mogelijk was, deze beker van Hem zou wegnemen. Toch zei Hij:
Maar laat niet mijn wil, maar die van u gebeuren.
Interessant genoeg neemt Johannes dat niet op, maar vers 11 van dit hoofdstuk lijkt er wel op te zinspelen. Toen Jezus werd gearresteerd en Petrus Hem probeerde te redden, zei Jezus tegen Petrus:
Jezus dan zei tegen Petrus: Steek uw zwaard in de schede. De drinkbeker die de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?
Johannes heeft die beker hiervoor nergens genoemd, hoewel de synoptische evangeliën dat wel deden. We kunnen zien hoe de synoptische evangeliën en Johannes in elkaar grijpen. Johannes gaat er kennelijk van uit dat zijn lezers van die gebeden weten:
Laat deze beker aan Mij voorbijgaan, want hij vermeldt dat Jezus zegt:
Zal Ik de beker die Mijn Vader Mij gegeven heeft niet drinken?
Toch zijn er veel andere manieren waarop Johannes zinspeelt op dingen die de andere evangeliën zeggen. Daardoor weten we dat het niet gaat om afzonderlijke overleveringen die met elkaar in strijd zijn, zoals sommige mensen graag zouden beweren.
Veel mensen hebben geopperd dat het Evangelie van Johannes eigenlijk niet te vertrouwen is, omdat het beeld van Jezus dat daarin wordt gegeven zo anders is dan het beeld in de drie synoptische evangeliën. Jezus was natuurlijk de Jezus van de synoptische evangeliën, en daarom zou Hij niet de Jezus van het Evangelie van Johannes kunnen zijn, omdat Zijn manier van spreken zo anders is. In Zijn onderwijs in Johannes staan geen gelijkenissen, terwijl Hij in de synoptische evangeliën bijna uitsluitend met gelijkenissen onderwees, enzovoort.
We hebben hier eerder al iets over gezegd. De algemene gedachte dat Johannes niet met de synoptische evangeliën overeenstemt, is behoorlijk misleidend en berust zelf op een misvatting, want het Evangelie van Johannes grijpt in feite wel degelijk ineen met de synoptische evangeliën. Johannes vermijdt duidelijk heel bewust te herhalen wat de synoptische evangeliën hebben gezegd. Het lijkt er zelfs op dat hij dat nooit zo succesvol had kunnen doen als hij niet zeer goed bekend was geweest met wat de synoptische evangeliën wél zeiden en met wat hij zelf niet wilde zeggen, zodat hij andere dingen kon zeggen dan zij. Geen dingen die ermee in strijd waren, maar aanvullende dingen. Toch vinden we zelfs in wat hij vermeldt zinspelingen op de dingen die hij heeft weggelaten en die de synoptische evangeliën wel vermelden. Daaronder valt ook deze uitspraak over de beker.
De Romeinse en Joodse arrestatieploeg #
Nu vers 2:
2En Judas, die Hem verraadde, kende die plaats ook, omdat Jezus daar vaak met Zijn discipelen samengekomen was. 3Judas dan nam de afdeling soldaten en enige dienaars van de overpriesters en Farizeeën mee en kwam daar met lantaarns, fakkels en wapens.
Deze verwijzing naar een afdeling soldaten duidt in het Grieks op een Romeins cohort. In de burcht Antonia, die in Jeruzalem stond, waren duizend Romeinse soldaten gelegerd. Zij stonden onder een overste. Een latere overste daar redde Paulus op een bepaald moment uit een menigte in de straten van Jeruzalem. Dat gebeurde tijdens het laatste bezoek dat Paulus aan Jeruzalem bracht, toen hij er ten onrechte van werd beschuldigd dat hij een heiden had meegenomen naar de voorhof van de Joden bij de tempel. De Joden kwamen in opstand en probeerden hem te doden. Een van deze oversten, degene die er destijds was, Claudius Lysias, als ik me goed herinner dat hij zo heette, kwam daadwerkelijk naar beneden, hielp Paulus en redde hem.
Deze overste met zijn afdeling Romeinse soldaten wordt voor ons niet bij naam genoemd. Maar het is interessant dat de Romeinen erbij betrokken raakten, want Jezus was nog niet voor een Romeinse rechtbank gebracht. Jezus vormde geen bedreiging voor de Romeinen. Hij vormde een bedreiging voor het Sanhedrin. Het is heel belangrijk dat we beseffen dat de Romeinen, hoewel zij Hem kruisigden, er geen belang bij hadden Hem te kruisigen. Dat wil heel wat zeggen voor Romeinen, want Romeinen kruisigden graag mensen. Ze vonden het heerlijk om iedereen te kruisigen die hen zelfs maar boos aankeek of op wat voor manier dan ook ongunstig tegenover hun bewind leek te staan.
Toch is het duidelijk dat de Romeinen er geen bijzonder belang bij hadden Jezus te arresteren of te veroordelen. De leider van de Romeinen, Pilatus, probeerde Jezus keer op keer vrij te laten en tegen de wens van de Joden in te gaan dat hij Hem zou doden. Hij leverde Jezus alleen maar aan hen over om gedood te worden, omdat ze uiteindelijk beweerden dat hij geen vriend van de keizer was als hij dat niet deed. Dat zou niet goed staan op het cv van een Romeinse procurator.
Wat interessant is, is dat er wel Romeinen hierheen kwamen. Maar het was niet alleen een Romeinse afdeling. Er waren ook dienaren van de overpriesters en Farizeeën bij. Dat zal de tempelpolitie zijn geweest. Dit zijn dezelfde mensen die er in Johannes 7 op uit werden gestuurd met de opdracht Jezus te arresteren, en die met lege handen terugkwamen. Dit waren de tempelwachters. Het waren Levieten. Een bepaalde groep Levieten was aangesteld als tempelpolitie, om de orde in de tempel te bewaren. Kennelijk kwamen zij en de Romeinen samen om Jezus op te halen.
Het plan voor de nachtelijke processen #
Waarom de Romeinen erbij waren, is een merkwaardige zaak. Maar blijkbaar hadden de Joden dit hele gebeuren al gepland. Ze waren van plan Jezus de volgende ochtend voor Pilatus te brengen. Romeinse procurators stonden gewoonlijk op en probeerden hun werkdag rond zonsopgang te beginnen, omstreeks zes uur. Ze probeerden dan rond tien of elf uur klaar te zijn met hun werkzaamheden voor die dag. Dat was de normale Romeinse werkwijze van een overheidsfunctionaris.
We zien dat de Joden Jezus inderdaad rond zes uur ’s morgens naar Pilatus brachten, en waarschijnlijk moesten ze hun zaak op zijn agenda zien te krijgen. Het was een beetje haastwerk, omdat het de tijd van het Pascha was en ze dit alles vóór het Pascha afgehandeld en opgeruimd wilden hebben. Ze moesten Hem dus op die specifieke dag meteen ’s morgens vroeg voor de rechtbank van Pilatus zien te krijgen. Om dat te kunnen doen, moesten ze Jezus meenemen en onder elkaar gronden zien te vinden om Hem te veroordelen, zodat ze de volgende ochtend een beschuldiging bij Pilatus konden indienen.
Daarom hielden ze de hele nacht rechtszittingen. Dat was trouwens in strijd met hun eigen rabbijnse wetten. ’s Nachts een rechtszitting houden was in strijd met de rabbijnse wet, om de eenvoudige reden dat het te verdacht leek. Waarom zou je ’s nachts een rechtszitting houden, wanneer de mensen slapen? Waarom zou je in het geheim een procedure tegen iemand voeren? Midden in de nacht zou het voor hem moeilijker zijn om getuigen voor zijn verdediging op te roepen, enzovoort. Daarom hadden de rabbijnen daadwerkelijk een wet die bepaalde dat ze ’s nachts geen rechtszitting mochten houden. Maar het Sanhedrin was er in dit geval niet in geïnteresseerd zijn eigen wetten te gehoorzamen. Het wilde alleen de gewenste zaak op tijd afhandelen. Om de volgende ochtend op de zittingsagenda van Pilatus te komen, moesten ze Pilatus blijkbaar iets laten weten over de zaak die ze zouden voorleggen. Blijkbaar vroegen ze ook om een detachement Romeinse soldaten om met hen mee te gaan. Daarmee suggereerden ze dat Jezus misschien enkele discipelen had die zich zouden kunnen verzetten, en dat de Romeinen aanwezig konden zijn om bij de arrestatie te helpen, zodat ze een gevangene voor hun eigen rechtbank konden brengen.
Jezus houdt de arrestatie in handen #
Ze hadden zich niet vergist. Een van Jezus’ discipelen bood inderdaad kortstondig verzet, hoewel Jezus hem daarmee liet ophouden. Uiteindelijk leverde de arrestatie voor de Romeinen of de Joden helemaal geen probleem op, behalve dat Jezus hen met een paar woorden allemaal omver wierp. Hoeveel Romeinen ze ook bij zich hadden, dat zou hen niet geholpen hebben, want Jezus beschikte blijkbaar over oneindige macht tegenover elk aantal mensen dat tegen Hem zou optrekken.
Maar we zien in vers 3 dat het Romeinse cohort en dienaren van de overpriesters en de Farizeeën daarheen kwamen met lantaarns, fakkels en wapens.
Jezus dan, Die alles wist wat er over Hem komen zou, trad naar voren en zei tegen hen: Wie zoekt u?
Nu neemt Jezus de leiding over de situatie. Hij is Degene Die ze komen arresteren, en Hij wacht niet tot zij iets zeggen. Hij ziet hen aankomen, loopt recht op hen af en zegt:
Wie zoeken jullie?
Hij neemt het initiatief in deze situatie. Hij neemt de leiding. Uit wat volgt kunnen we zien dat Hij werkelijk de leiding heeft. Hij heeft de situatie werkelijk in de hand, hoewel Hij zwaar in de minderheid is tegenover degenen die gekomen zijn om Hem te arresteren.
5Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazarener. Jezus zei tegen hen: Ik ben het. En Judas, die Hem verraadde, stond ook bij hen. 6Toen Hij dan tegen hen zei: Ik ben het, deinsden zij terug en vielen op de grond.
Het is niet bekend waarom ze dit deden. Sommigen denken misschien dat ze dit deden om Hem te bespotten, maar het lijkt nauwelijks waarschijnlijk dat Romeinse soldaten gewoon wat plezier wilden maken. Dat denk ik niet. Het zijn geen jongens die van een lolletje houden. Ze zijn duidelijk gedisciplineerde beroepssoldaten die geen onzin dulden. Het lijkt erop dat ze achterovervielen omdat ze niet anders konden dan achterovervallen.
Jezus zei:
Ik ben het.
In het Grieks is dat ego eimi. Dat kan vertaald worden als ‘Ik ben Hem’, of het kan vertaald worden als ‘Ik ben’. Het woord ‘Hem’ staat er niet. Ego eimi betekent letterlijk: ‘Ik, Ik ben.’ Maar het is ook de normale manier om te zeggen: ‘Ik ben Hem.’ We moeten dus oppassen dat we er niet te veel uit afleiden. Wanneer Jezus ‘Ik ben’ zei, verbinden we dat in gedachten uiteraard met de goddelijke Naam in het Oude Testament, en waarschijnlijk terecht. Eerder, in Johannes 8 vers 58, zei Jezus:
Jezus beschermt Zijn discipelen #
Jezus zei tegen hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham geboren was, ben Ik.
oftewel ego eimi. Zo kunnen Zijn woorden nu ook opgevat zijn.
Jezus sprak natuurlijk geen Grieks. Hij zei niet ego eimi. Hij zei wat het Aramese equivalent ook was, want dat was de taal die Hij sprak. Niettemin heeft Johannes het weergegeven met de woorden ego eimi. Daarmee bedoelt hij blijkbaar ofwel ‘Ik ben Hem’, of eenvoudigweg ‘Ik ben’. Wat Hij ook precies zei, het was krachtig. Daardoor vielen de mensen achterover op de grond.
Toen vroeg Hij hun opnieuw, blijkbaar nadat ze weer overeind waren gekomen:
Hij vroeg hun dan opnieuw: Wie zoekt u? En zij zeiden: Jezus de Nazarener.
En zij zeiden:
Jezus van Nazareth.
Jezus antwoordde:
8Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben. Als u dan Mij zoekt, laat dezen weggaan. 9Dit zei Hij opdat het woord vervuld zou worden dat Hij gesproken had: Uit hen die U Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren laten gaan.
opdat het woord vervuld zou worden dat Hij gesproken had:
Van degenen die U Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren.
Het woord dat Hij gesproken had, verwijst naar iets wat Hij in Zijn gebed in hoofdstuk 17 vers 12 zei. Hij zei:
Toen Ik met hen in de wereld was, bewaarde Ik hen in Uw Naam. Hen die U Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard en niemand uit hen is verloren gegaan dan de zoon van het verderf, opdat de Schrift vervuld wordt.
Dat is wat hier in hoofdstuk 18 vers 9 wordt aangehaald. Johannes haalt het aan met een soort dubbele betekenis.
Johannes wist uiteraard dat Jezus’ uitspraak in Johannes 17 vers 12 over geestelijke veiligheid ging. Hij had geen van hen aan de vijand verloren. Hij sprak er niet over dat Hij hen lichamelijk veilig hield. In dit geval ziet Johannes blijkbaar wel hoe Jezus hen voor de lichamelijke dood behoedt, als een beeld van hoe Hij hen ook van de geestelijke dood redt. Hij spreekt hier namelijk over de manier waarop Jezus hen bevrijdde van arrestatie en de waarschijnlijke kruisiging die ze zouden hebben ondergaan.
Maar Zijn strategie was om degenen die Hem kwamen arresteren, hardop te laten bevestigen wiens naam op het arrestatiebevel stond. ‘Wie komen jullie arresteren?’ ‘Op het arrestatiebevel staat Jezus van Nazareth.’ ‘Goed, dat ben Ik. Dat zijn deze mensen niet. Laat hen dan gaan. Jullie hebben Me zojuist gezegd dat Ik Degene ben Die jullie zoeken. Ik geef Me over. Laat hen gaan.’
Door dat te doen voorkwam Hij dat ze iedereen zonder onderscheid zouden arresteren en meenemen. Als Hij hen het initiatief had laten nemen, hadden ze misschien eenvoudigweg gezegd: „Hier, pak ze allemaal. Neem ze allemaal mee.” In plaats daarvan begon Hij het gesprek door hen ertoe te brengen zich vast te leggen op de persoon die ze waren komen arresteren. Maar eerst liet Hij hun zien dat Hij de situatie volledig meester was. Als Hij dat had gewild, had Hij hen de hele nacht telkens opnieuw tegen de grond kunnen slaan. Hij sprak beide keren dezelfde woorden uit, maar de tweede keer hadden die niet hetzelfde effect. Hij wilde hen niet alleen maar tegen de grond slaan. Hij wilde volgens mij gewoon laten zien wat Hij kon doen. Hij wilde laten zien dat niemand Hem Zijn leven kan afnemen.
Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf; Ik heb macht het te geven, en heb macht het opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
Dat had Hij in Johannes hoofdstuk 10 gezegd. Niemand zou Hem Zijn leven afnemen. Hij zou het vrijwillig overgeven.
Judas’ kus en de genezing van Malchus #
Toen deze afdeling Romeinse soldaten en tempelpolitie kwam, liet Hij dus eenvoudigweg zien dat Hij niet aan hen was overgeleverd. Zij waren aan Hem overgeleverd. En toen Hij zei:
„Ik ben het”, en daarop vielen ze achterover. Toen ze weer waren opgestaan, besloot Hij dat dit soort vertoon nu wel genoeg was geweest. Nu weer ter zake. Voor wie zijn jullie hier? Voor Mij. Ik ben het. Dan hebben jullie je nu vastgelegd. Ik ben degene voor wie jullie een arrestatiebevel hebben. Deze mannen staan duidelijk niet op jullie arrestatiebevel. Zij kunnen dan gaan, toch?
En zo bevrijdde Hij Zijn discipelen bij deze gelegenheid van arrestatie en vervulde Hij daarmee in tweede instantie de uitspraak die Hij had gedaan:
Dit zei Hij opdat het woord vervuld zou worden dat Hij gesproken had: Uit hen die U Mij gegeven hebt, heb Ik niemand verloren laten gaan.
Dat wil zeggen: niemand van hen werd samen met Hem gearresteerd en niemand van hen stierf bij deze gelegenheid samen met Hem.
De synoptische evangeliën vermelden hier natuurlijk iets heel belangrijks, en het is interessant dat Johannes het weglaat. Namelijk dat Judas Jezus op een bepaald moment met een kus verraadde. Alle drie de synoptische evangeliën vermelden dat en beschrijven Jezus’ reactie op hem. Hij zei zoiets als:
En Jezus zei tegen hem: Judas, verraadt u de Zoon des mensen met een kus?
Maar dit wordt in Johannes niet vermeld. Daarom is het niet duidelijk of dit gebeurde voordat Jezus deze woordenwisseling met de soldaten had of erna. In ieder geval speelde Judas hier wel een rol bij het aanwijzen van Hem.
Simon Petrus dan, die een zwaard had, trok dat, trof de dienaar van de hogepriester en sloeg zijn rechteroor af. En de naam van de dienaar was Malchus.
Een paar dingen hierover. De andere synoptische evangeliën vermelden ook dat Petrus het oor van deze man afhakte. Alleen Lukas vermeldt dat Jezus het oor genas. Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes vermelden allemaal dat het oor werd afgehakt. Alleen Lukas vermeldt dat Jezus het oor van de man aanraakte, het genas en het weer heel maakte. Dat moet voor de man zelf iets verbazingwekkends zijn geweest. De man was daar om Jezus te arresteren, en hier genas Jezus hem, bewees hem een dienst en zei tegen Petrus dat hij zijn zwaard moest opbergen.
Alleen Johannes vertelt ons dat deze man een naam had, Malchus. Dat betekent dat Johannes deze man bij naam kende. Kende hij hem op dit moment al? Misschien wel, want de schrijver was, zoals we later zullen zien, bekend met de familie van de hogepriester, en Malchus was een dienaar van de hogepriester. Misschien kende Johannes dus de naam van de dienaar. Hij was immers bekend met de familie van de hogepriester. We zullen bij een later vers bespreken hoe dat mogelijk het geval kon zijn. Het hangt ervan af hoe goed hij de familie van de hogepriester kende.
Petrus’ vergeefse verzet met het zwaard #
Een andere opvatting is dat deze man, Malchus, later een gelovige was geworden en dat tegen de tijd dat Johannes dit schreef de hele gemeente de naam van de man kende, omdat zijn getuigenis bij hen goed bekend was. Hij was een van degenen geweest die Jezus arresteerden, en toch had Jezus hem genezen. Misschien was zijn naam onder de discipelen algemeen bekend. Maar de andere synoptische evangeliën vermelden zijn naam niet. Dat zou juist meer kunnen pleiten voor het idee dat Johannes, de schrijver van dit Evangelie, toevallig zijn naam kende doordat hij bekend was met de familie van de hogepriester. Het is voor ons niet belangrijk om die vraag op te lossen, maar het is wel een interessante vraag.
Daarna bestrafte Jezus Petrus in dit geval. Petrus had ongetwijfeld goede bedoelingen, maar zijn poging om Jezus te redden was duidelijk een amateuristische poging. Petrus was visser, geen vechter. Er waren twee zwaarden onder de discipelen. De andere discipel, wie dat ook was, had het andere zwaard en was blijkbaar verstandig genoeg om het in zijn schede te laten. Uit het Evangelie van Lukas weten we dat ze twee zwaarden bij zich hadden. Helaas had Petrus er een van.
Petrus trok zijn zwaard. Misschien was hij net wakker geworden uit zijn slaap, terwijl hij wakker had moeten blijven. Bedenk dat de andere evangeliën ons vertellen dat Jezus had gezegd:
Waak en bid, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.
Welnu, ze bleven niet wakker en baden niet, en daarom vielen ze inderdaad in verzoeking. Jezus maakte hen wakker terwijl de groep die Hem kwam arresteren, eraan kwam.
Petrus was misschien nog wat versuft en had de avond ervoor bij de Paschamaaltijd misschien iets meer wijn gedronken dan raadzaam was. En ik wil niet suggereren dat een van de discipelen een dronkaard was, maar er rustte geen stigma op het drinken van vier bekers wijn tijdens de maaltijd. Misschien was hij dus een beetje duizelig. Wie weet? Het punt is dat hij hoopte de aanvallers op de een of andere manier dodelijk letsel toe te brengen. En het beste wat hij voor elkaar kreeg, was het rechteroor van een man afhakken. Dat was bijzonder onhandig, want Petrus was waarschijnlijk rechtshandig. Het meest voor de hand liggende zou zijn geweest dat hij het linkeroor afhakte van een man die tegenover hem stond. Maar misschien stond de man met zijn rug naar hem toe en hakte Petrus zijn oor af. Of hij was gewoon zo onhandig dat hij zelfs van dichtbij zijn doel niet kon raken en het rechteroor afhakte. Hoe dan ook, Petrus’ ingrijpen zou opnieuw niet helpen. Dus Jezus zegt tegen hem dat hij zijn zwaard moet wegdoen. In dit geval vertelt Johannes ons dat Hij Petrus opdraagt zijn zwaard weg te doen, omdat Jezus nu bereid was de beker te drinken die de Vader Hem gaf. Hij had driemaal gebeden of die beker van Hem weggenomen mocht worden, maar Hij zei:
Lijden aanvaarden als Gods wil #
Laat niet mijn wil, maar die van U gebeuren.
En zowaar, het bleek niet Gods wil te zijn dat Hem de beker bespaard zou blijven. Dus Hij herkende het lijden dat Hem te wachten stond als de beker die Zijn Vader Hem aanreikte, en Hij zou die aanvaarden. Hij zou hem aannemen.
Zoals Job zei:
Maar hij zei tegen haar: Je spreekt zoals één van de dwaze vrouwen spreekt. Zouden wij het goede wel van God ontvangen en zouden we het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.
Soms weet je dat iets Gods wil is, terwijl je geen controle over de situatie hebt. God heeft dan door voorzienigheid of openbaring bepaald dat je erdoorheen moet gaan. Je legt je daarbij neer, onderwerpt je eraan en zegt:
Jezus dan zei tegen Petrus: Steek uw zwaard in de schede. De drinkbeker die de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?
— dat is heel sterk de houding van zowel Job als Jezus en, eerlijk gezegd, van iedere godvrezende man die we in de Bijbel tegenkomen: het besef dat bepaald lijden niet vermeden kan worden, omdat het de wil van God is.
Petrus zei in 1 Petrus, hoofdstuk 4, ik denk vers 19:
Daarom, laten ook zij die lijden naar de wil van God, hun zielen aan Hem , als de getrouwe Schepper, toevertrouwen in het doen van het goede.
Dat wil zeggen: als het Gods wil is dat je lijdt — Petrus begint met:
degenen die lijden omdat God dat wil — wat moeten we dan doen? We moeten ons aan onze trouwe Schepper toevertrouwen, terwijl we onze zaak in Zijn handen leggen in plaats van in onze eigen handen.
Hoe leggen we onze zaak in Zijn handen? Door hetzelfde te blijven doen waardoor we in moeilijkheden komen, door goed te blijven doen. Als je lijdt omdat je goeddoet, zegt Petrus, blijf dan goeddoen. Zo leg je jouw zaak volledig in Gods handen. Je redt jezelf niet door compromissen te sluiten. Je sluit geen compromis, maar laat de zaak in Gods handen en laat Hem beslissen wat er zal gebeuren.
Waarom Petrus zijn zwaard moest wegdoen #
Denk eraan, David zei:
Toen zei David tegen Gad: Het benauwt mij zeer. Laten wij toch in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheid is groot. Laat mij echter niet in de hand van mensen vallen.
Jezus legde Zichzelf natuurlijk in Gods handen. Zijn laatste woorden waren zelfs:
En Jezus riep met luide stem en zei: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.
Dat redde Zijn leven natuurlijk niet. Dat is het belangrijke om op te merken: wanneer je jezelf overgeeft in Gods handen en je neerlegt bij Zijn wil, is dat geen onderhandelingsmiddel tegenover God, zodat Hij je nu, omdat je dat gedaan hebt, wel moet verlossen. Nee, wanneer je jezelf overgeeft, betekent dat dat je onderworpen moet zijn aan wat Hij ook beslist, zelfs als dat je dood betekent. Maar omdat Hij in Gods hand stierf, kon Hij in Gods hand ook worden opgewekt. Uiteindelijk werd Hij dus toch in het gelijk gesteld. Maar Hij moest deze beker drinken die Zijn Vader Hem gaf.
In de versie van Mattheüs is het interessant om de verschillende manieren te zien waarop Jezus volgens Mattheüs Petrus bij deze gelegenheid antwoord gaf. In Mattheüs 26:52 zei Jezus tegen hem:
Toen zei Jezus tegen hem: Doe uw zwaard terug op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.
In Mattheüs voert Jezus tegenover Petrus twee verschillende argumenten aan waarom hij zijn zwaard moet wegdoen, en in Johannes een derde. In Mattheüs is het eerste:
Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.
Eerlijk gezegd is dit niet noodzakelijkerwijs een absoluut ware stelregel. Veel mensen hebben een leven als militair of politieagent geleid. Veel mensen hebben van hun wapens geleefd, hebben gevochten en oorloggevoerd, en zijn niet in een oorlog gestorven. Ze zijn met pensioen gegaan, hebben het overleefd en zijn vredig in hun bed gestorven. Het is geen spreekwoord, stelregel of vanzelfsprekende waarheid dat mensen die het zwaard gebruiken noodzakelijkerwijs door het zwaard zullen omkomen.
Het is natuurlijk wel zo dat iemand die voor zijn veiligheid op zijn zwaard vertrouwt, niets beters heeft om op te vertrouwen. Hij kan ontdekken dat zijn tegenstander zwaarder bewapend is en loopt beslist het risico om om te komen door hetzelfde middel waarmee hij probeert in leven te blijven. Maar ik denk dat Jezus’ woorden in dit geval voor Petrus ongeveer dit moeten betekenen:
We zijn hier in de minderheid. Ieder van jullie die zijn leven met het zwaard probeert te redden, zal op die manier sterven.
Dat zou zeker het geval zijn als de discipelen hun zwaarden trokken en deze Romeinen begonnen te bevechten. Tegen het einde van die schermutseling zou iedere discipel dood op de grond liggen. Ieder van ons die in deze situatie probeert te overleven door zijn zwaard te gebruiken, zal merken dat hij door het gebruik van zijn zwaard zal sterven. Het lijkt op wat Jezus zei:
Wie zijn leven vindt, zal het verliezen; en wie zijn leven verliest omwille van Mij, zal het vinden.
Hij zegt in wezen dat wij hier geen zwaarden nodig hebben om ons te beschermen, want als Hij dat wilde, zou Hij twaalf legioenen engelen kunnen oproepen. Dat zou meer dan genoeg zijn om ons uit deze situatie te redden. Maar hoe zou dan de Schrift worden vervuld die zegt dat dit moet gebeuren?
Jezus voert tegenover Petrus dus drie argumenten aan om zijn zwaard weg te doen. Het eerste is dat Petrus zijn eigen dood over zich afroept als hij probeert te overleven door zijn zwaard te gebruiken. Doe het dus weg. Ten tweede hebben wij geen zwaarden nodig. Wij hebben de engelen. Als wij dat wilden, zouden wij de engelen kunnen aanroepen. God zou hen sturen en wij zouden goed beschermd zijn.
Jezus wordt naar Annas gebracht #
11Want Hij zal voor u Zijn engelen bevel geven dat zij u bewaren op al uw wegen. 12Zij zullen u op de handen dragen, zodat u uw voet aan geen steen stoot.
Wij hoeven ons dus geen zorgen te maken over menselijke aanvallers wanneer Gods engelen beschikbaar zijn om ons binnen de wil van God te beschermen.
Maar het derde wat Hij zei, is blijkbaar wat Johannes optekent. Hij zegt:
Jezus dan zei tegen Petrus: Steek uw zwaard in de schede. De drinkbeker die de Vader Mij gegeven heeft, zal Ik die niet drinken?
En als het Hem behaagt Hem te verbrijzelen — en dat is wat er in Jesaja 53 staat:
Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen, Hij heeft Hem ziek gemaakt.
dat wil zeggen, Jezus — dan is dat de beker die Zijn Vader Hem wil geven. Als het Hem behaagt, behaagt het Jezus.
Dat is de houding van Jezus, de houding van ieder godvruchtig mens in een soortgelijke situatie.
Dan staat er in vers 12:
12De afdeling soldaten dan en de overste over duizend en de dienaars van de Joden namen Jezus gevangen en boeiden Hem. 13En zij leidden Hem weg, eerst naar Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die de hogepriester van dat jaar was. 14Kajafas nu was het die de Joden de raad gegeven had dat het nuttig zou zijn dat één Mens voor het volk zou sterven.
Dit verhoor voor Annas wordt door de synoptische evangeliën volledig weggelaten. Als je de synoptische evangeliën leest, richten die zich uitsluitend op het feit dat Jezus voor het Sanhedrin werd gebracht, dat onder leiding stond van Kajafas. Johannes erkent dat dit ook gebeurde. Maar Johannes geeft aan dat Hij, voordat Hij voor het Sanhedrin werd gebracht, voordat Hij naar Kajafas werd gebracht, eerst naar de hogepriester Annas werd gebracht.
Annas was de oudere hogepriester. In Lukas 3:2 geeft Lukas ons een overzicht van de politieke verhoudingen in Jeruzalem, Judea en Galilea in de tijd dat Johannes de Doper begon te prediken. Hij noemt Annas en Kajafas als hogepriesters. Er waren dus twee hogepriesters. De wet van Mozes stond slechts één hogepriester toe. Maar in de tijd van de Makkabeeën, na de Makkabese Opstand — of zelfs al daarvoor, in de tijd van Antiochus Epiphanes en de Syrische overheersing — was het hogepriesterschap ernstig aangetast doordat het in feite aan de hoogste bieder werd gegeven. De Syrische overheerser Antiochus Epiphanes verkocht het hogepriesterschap aan de Jood die hem het meeste geld wilde geven. Er waren veel intriges en veel hogepriesters werden door rivalen vermoord, enzovoort. Het was werkelijk een puinhoop. Het erfelijke priesterschap van Aäron was in de twee eeuwen vóór de tijd van Christus ernstig aangetast.
Ik weet niet precies op grond van welke erfelijke aanspraak Annas het hogepriesterschap kon bekleden, maar onder de Joden was hij de populairdere hogepriester. Hij was hogepriester geweest van het jaar 6 tot het jaar 15 na Christus, vanaf het moment dat Jezus ongeveer tien jaar oud was totdat Hij ongeveer negentien was. Annas was om te beginnen in het jaar 6 na Christus aangesteld door Quirinius, de gouverneur van Syrië. Vervolgens was hij in het jaar 15 afgezet door Valerius Gratus, die destijds prefect van Judea was, een ambt dat Pilatus later bekleedde.
Petrus’ eerste verloochening #
Drie jaar later, in het jaar 18 na Christus, werd Kajafas, de schoonzoon van Annas, door diezelfde Valerius Gratus aangesteld. Hij bekleedde dat ambt achttien jaar, langer dan enige andere hogepriester in de eerste eeuw. Hij bleef hogepriester nadat Valerius Gratus die functie aan Pontius Pilatus had overgelaten. Om de een of andere reden liet Pontius Pilatus Kajafas in zijn functie. Waarschijnlijk was dat omdat hij onder de Joden minder populair en minder machtig was dan Annas, en dus minder met Pilatus wedijverde om hun loyaliteit.
Kajafas was de schoonzoon van Annas. Vijf eigen zonen van Annas volgden hem op als priester, evenals één schoonzoon en één kleinzoon. De familie van Annas beheerste het priesterschap dus werkelijk enige tijd. Maar hoewel Annas door de Romeinen was afgezet, hadden veel Joden meer respect voor hem dan voor Kajafas. Hij was de emeritus-hogepriester, met pensioen, ongeveer zoals wij over voormalige presidenten spreken alsof ze nog steeds president zijn.
Jezus was een belangrijke gevangene en Annas had belangstelling voor Hem. Uit eerbied voor de oudere man brachten ze Jezus eerst voor Annas, zodat hij ook de kans kreeg om Hem aan te pakken. Daarna zouden ze Hem officieel voor het gerecht brengen, dat onder leiding van Kajafas zou staan.
Dus Hij kwam voor Annas te staan. Voordat we lezen wat daar gebeurde, is dit korte verhaal tussengevoegd over de eerste van de drie keer dat Petrus Hem verloochende. Anders dan de andere evangeliën verdeelt Johannes Petrus’ verloocheningen van Jezus over verschillende delen van het verhaal en vlecht hij ze ertussendoor. Er staat in vers 15:
15En Simon Petrus volgde Jezus, evenals een andere discipel. Die discipel nu was een bekende van de hogepriester, en hij ging met Jezus het paleis van de hogepriester binnen. 16Petrus echter stond buiten bij de deur. De andere discipel dan, die een bekende van de hogepriester was, ging naar buiten, sprak met de portierster en bracht Petrus binnen. 17Het dienstmeisje dan, de portierster, zei tegen Petrus: Bent ook u niet een van de discipelen van deze Mens? Hij zei: Dat ben ik niet. 18En de slaven en de dienaars hadden een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en stonden zich te warmen. Petrus stond zich bij hen te warmen.
Johannes bij het huis van de hogepriester #
Dit was natuurlijk de eerste keer dat Petrus Christus verloochende. Het zou drie keer gebeuren. In het evangelie van Markus, in Markus 14:68, staat dat de haan kraaide zodra Petrus Hem deze eerste keer had verloochend. Je zou kunnen zeggen: „Is dat niet een beetje vroeg? Ik dacht dat de haan pas zou kraaien nadat Petrus Hem drie keer had verloochend.” Wanneer Jezus in het evangelie van Markus de voorspelling doet, in Markus 14:30, zegt Hij tegen Petrus:
En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, Ik zeg u dat u vandaag, in deze nacht, voordat de haan twee keer gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.
Zoals Markus het verhaal vertelt, hoorde Petrus dus de haan voor de eerste keer kraaien toen hij de Heere voor de eerste keer had verloochend. Dat had hem tot waarschuwing moeten dienen: „Dat klinkt als het begin van de vervulling van deze voorspelling. Ik kan maar beter oppassen dat ik dat niet nog eens doe.” Maar in plaats daarvan verloochende hij Jezus nog twee keer, en toen kraaide de haan voor de tweede keer. Op dat moment besefte Petrus dat hij Jezus’ voorspelling hierover had vervuld.
De andere evangeliën vermelden alleen dat Jezus zei:
Jezus zei tegen hem: Voorwaar, Ik zeg u dat u in deze nacht, voordat de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen.
Maar er is geen reden om aan te nemen dat dit niet in overeenstemming is met:
Voordat de haan twee keer kraait.
De andere evangeliën vertellen het verhaal duidelijk in verkorte vorm. Markus geeft meer details. De haan kraaide één keer na deze eerste verloochening, hoewel geen van de evangeliën dat vermeldt, behalve Markus.
Wat Johannes wel vermeldt en de anderen niet, is dat Petrus en een andere, niet bij naam genoemde discipel Jezus volgden, kennelijk op een afstand. Ze hadden Hem in de tuin verlaten. Maar toen ze eenmaal zagen dat zij niet werden achtervolgd en dat Jezus geboeid werd weggevoerd, volgden ze op een afstand.
Over het algemeen wordt aangenomen dat de niet bij naam genoemde discipel dezelfde is die de discipel wordt genoemd die Jezus liefhad. In het algemeen is een niet bij naam genoemde discipel in dit evangelie de schrijver. Het is Johannes zelf. Maar velen hebben het zeer onwaarschijnlijk gevonden dat een visser uit Galilea persoonlijk bekend zou zijn met een vooraanstaande Leviet uit Jeruzalem die de hogepriester was. Dat is alsof een aartsbisschop bevriend is met zijn visboer. Veel mensen vinden dat gewoon niet waarschijnlijk.
Maar we moeten iets bedenken. Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, waren volle neven van Jezus. Hun moeder was een zus van Maria, de moeder van Jezus. We zullen dat zelfs nog zien voordat dit hoofdstuk afgelopen is, als je dat nog niet wist. De moeder van Jezus was een zus van de moeder van Jakobus en Johannes. Daarom waren zij volle neven.
De moeder van Jezus en de moeder van Jakobus en Johannes waren familie van Elizabeth, die met een priester getrouwd was. Deze familie was door een huwelijk verbonden met een priesterlijke familie. We hebben geen idee hoeveel sociaal contact deze families met elkaar hadden toen de kinderen opgroeiden. Maar het is duidelijk dat de familie van Jezus, en dus ook de familie van Johannes, door familiebanden op de een of andere manier met de priesters verbonden was. Ze zouden heel goed bekend geraakt kunnen zijn met de hogepriester. Misschien waren ze geen goede vrienden, maar ze kunnen hem wel gekend hebben, zo goed dat de dienaren in het huis van de hogepriester Johannes zouden herkennen en hem zouden binnenlaten.
De zes processen tegen Jezus #
Petrus wist niet zo zeker of hij wel op de binnenplaats wilde worden binnengelaten. Als hij eenmaal op de binnenplaats was, zou de poortwachter hem er misschien niet zo snel weer uit laten. Interessant is dat Johannes, hoewel hij een discipel van Jezus was, niet bang was om regelrecht het huis van de hogepriester binnen te gaan. Hij was niet zo achterdochtig en angstig als Petrus. Petrus was bang.
Petrus had in de bovenzaal beweerd dat hij moediger was dan de andere discipelen aan tafel. Weet je nog, hij zei:
Maar Petrus antwoordde Hem en zei: Al zouden zij ook allen aanstoot aan U nemen, ik zal nooit aanstoot aan U nemen.
Dat was het moment waarop Jezus tegen hem sprak en hem vertelde dat hij veel te zelfverzekerd was en dat hij Hem in werkelijkheid drie keer zou verloochenen.
Toch blijkt dat er nog iemand aan tafel zat, waarschijnlijk Johannes, die in werkelijkheid moediger was dan Petrus. Hij ging regelrecht het huis van de hogepriester binnen om te zien wat er zou gebeuren. Petrus was nauwelijks bereid om überhaupt de binnenplaats op te gaan en ging niet met Johannes het huis binnen.
Johannes kwam naar buiten en zei tegen het dienstmeisje dat ze Petrus moest binnenlaten. Kennelijk wist ze dat Johannes een discipel was. Hij deed daar niet geheimzinnig over. Hij volgde Jezus. Daarvoor was hij daar. Toen ze tegen Petrus zei:
Jij bent toch niet een van de leerlingen van deze man?
was het bijna alsof ze zei: „Ik weet dat Johannes er een is. Ben jij er ook een van? Hoor jij bij hem?” En Petrus zei: „Nee, ik hoor niet bij hem. Ik ben niet een van de discipelen.” Dus hier vindt Petrus’ eerste verloochening plaats.
In vers 19 pakken we het verhaal weer op van wat er in het huis van Annas gebeurt. De synoptische evangeliën vermelden hier niets over. Maar in de verzen 19 tot en met 24 zien we Jezus voor Annas staan. Aan het einde van dit gedeelte, in vers 24, staat:
Annas nu had Hem gebonden naar Kajafas, de hogepriester, gezonden.
Het is Zijn verhoor voor Kajafas dat de synoptische evangeliën uitvoerig beschrijven. Johannes vermeldt alleen dat Hij voor Kajafas verscheen, maar vertelt ons er verder niets over. Want in vers 28 zegt hij vervolgens:
Ze brachten dan Jezus van Kajafas naar het gerechtsgebouw, en het was 's morgens vroeg. En zij gingen het gerechtsgebouw niet in, opdat zij niet bezoedeld zouden worden, maar het Pascha konden eten.
Daar bevond Pilatus zich.
Wat er feitelijk gebeurde wanneer je het verhaal van alle vier de evangeliën samenvoegt, is dit: Jezus stond in één nacht drie keer terecht voor Joodse rechtbanken, en de volgende dag drie keer voor Romeinse rechtbanken. Dat alles vind je niet in één enkel evangelie. Maar wanneer we Johannes samenvoegen met de synoptische evangeliën, zien we dat Jezus eerst werd verhoord in het huis van Annas, een Jood. De tweede plaats was voor het Sanhedrin, met Kajafas als voorzitter. Dat was nadat Hij in het huis van Annas was geweest. Dat zien we hier in vers 24.
Het onrechtmatige verhoor door Annas #
Vervolgens vertellen Mattheüs en de andere synoptische evangeliën ons dat het Sanhedrin, nadat zij Hem voor het Sanhedrin hadden veroordeeld, vlak voor zonsopgang opnieuw bijeenkwam om te overleggen hoe zij hun zaak aan Pilatus zouden voorleggen. De Joden hadden volgens het Romeinse recht niet het recht een man terecht te stellen voor het soort zaken waarvoor zij Hem gedood hoopten te krijgen. Ze moesten een ander soort verhaal bedenken om aan Pilatus voor te leggen, zodat Pilatus, de Romein, toestemming zou geven om Hem te laten doden.
’s Morgens brachten ze Hem naar Pilatus en stond Hij terecht voor Pilatus. Toen ontdekte Pilatus, volgens het evangelie van Lukas, dat Jezus uit Galilea kwam. Dus dacht hij: ‘Dit valt niet onder mijn rechtsgebied. Dit valt onder het rechtsgebied van Herodes.’ Hij stuurde Hem naar Herodes. Zo stond Hij terecht voor Herodes, waarbij Jezus volkomen stil bleef. Herodes had gehoopt een wonder te zien, maar zag er geen. Teleurgesteld in Hem stuurde Herodes Hem terug naar Pilatus, zodat Pilatus Zijn proces moest afmaken en Hem veroordeelde.
We hebben dus drie verschijningen voor een Joodse rechtbank en drie verschijningen voor een Romeinse rechtbank binnen een tijdsbestek van twaalf uur. Binnen twaalf uur moest Jezus in zes verschillende processen terechtstaan. Alleen over dat ene Joodse proces hier in het huis van Annas lezen we echt bijzonderheden. Johannes slaat beide andere keren dat het Sanhedrin bijeenkwam over. Hij vermeldt ze, maar slaat de bijzonderheden over.
Dit is wat hij vertelt over wat er in het huis van Annas gebeurde. Vers 19:
De hogepriester dan ondervroeg Jezus over Zijn discipelen en over Zijn onderricht.
Jezus en Paulus geslagen tijdens een proces #
Waarom? Dat weten we niet. Blijkbaar probeert hij erachter te komen hoe groot de beweging is, wat voor ondermijnende dingen Jezus hun heeft geleerd, hoeveel schade er is aangericht en hoeveel mensen ze zullen moeten oppakken. Jezus beschermt Zijn discipelen natuurlijk en geeft hun geen antwoord op die vragen.
20Jezus antwoordde hem: Ik heb openlijk gesproken tot de wereld; Ik heb altijd onderwezen in de synagoge en in de tempel, waar de Joden altijd samenkomen, en Ik heb niets in het verborgen gesproken. 21Waarom ondervraagt u Mij? Ondervraag hen die gehoord hebben wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten wat Ik gezegd heb.
Wat Jezus in wezen zegt, is: ‘Als dit een proces is, zou je Mij de aanklacht moeten kunnen voorlezen, in plaats van Mij te vragen de aanklacht tegen Mijzelf op te sommen. Heb je getuigen? Is dat niet hoe rechtszaken worden gevoerd? Er zijn genoeg getuigen van wat Ik heb gezegd. Je hoeft het Mij niet te vragen. Ik hoef Mijzelf in deze rechtbank niet te beschuldigen. Als je wilt weten wat Ik onderwees: dat werd in het openbaar onderwezen. Er zijn veel getuigen, waarschijnlijk zijn sommigen van hen hier aanwezig. Vraag het hun.’
Degenen die Annas goedgezind waren, vonden het een beetje te vrijpostig dat een man die terechtstond op deze manier tegen de rechter sprak.
22En toen Hij dit zei, gaf een van de dienaars die daarbij stond, Jezus een slag in het gezicht en zei: Antwoordt U zo de hogepriester? 23Jezus antwoordde hem: Als Ik verkeerd gesproken heb, bewijs dan wat er verkeerd is; maar als het terecht was , waarom slaat u Mij dan ?
Annas nu had Hem gebonden naar Kajafas, de hogepriester, gezonden.
Het antwoord van Jezus was: ‘Luister, als Ik iets verkeerds heb gedaan, lees dan de aanklacht voor. Vertel Mij wat Ik verkeerd heb gedaan. Als Ik niets verkeerds heb gedaan, waarom word Ik dan geslagen? Waarom sta Ik terecht? Vertel Mij wat de aanklacht is. Als Ik kwaad heb gedaan, vertel Mij dan wat het is.’ Dat konden ze natuurlijk niet.
Ook Paulus bevond zich tijdens een proces in een soortgelijke situatie. Hij werd geslagen omdat hij de hogepriester een beetje te vrijpostig antwoordde. Dat staat in Handelingen 23. Het liep anders af, maar er zijn enkele overeenkomsten. In Handelingen 23 stond Paulus terecht voor het Sanhedrin. Vers 1 zegt:
En Paulus zei, terwijl hij de ogen op de Raad gevestigd hield: Mannenbroeders, ik heb voor God met een volkomen zuiver geweten gewandeld tot op deze dag.
Petrus verloochent Jezus opnieuw #
Dat zou voor een man niet iets aanstootgevends moeten zijn om te zeggen. In feite zegt hij: „Ik ben onschuldig aan alle beschuldigingen.” Mag een man niet onschuldig pleiten?
De hogepriester Ananias gaf daarop degenen die bij Paulus stonden bevel hem op de mond te slaan. Paulus noemde hem toen een gewitte muur en verweet hem dat hij in strijd met de wet bevel gaf hem te slaan. De omstanders wezen Paulus erop dat hij Gods hogepriester uitschold.
Paulus bond dus in dit geval in. Hij zegt dat hij niet wist dat de man de hogepriester was. Dat roept een vraag op: waarom zou Paulus dat niet weten?
Hoe kon Paulus dat niet weten? Hij had ooit zelf in het Sanhedrin gezeten, of was op zijn minst als beschermeling van Gamaliël aan het Sanhedrin verbonden geweest. Hoe kon hij dan niet weten wie de hogepriester was? Sommigen hebben gezegd dat Paulus slechte ogen had en dat hij al vele tientallen jaren niet meer in Jeruzalem was geweest, omdat hij op reis was. Er was ongetwijfeld een andere hogepriester gekomen, en Paulus was halfblind. Daarom besefte hij niet dat de man die bevel gaf hem te slaan de hogepriester was. Dat is heel goed mogelijk.
Anderen denken dat hij heel goed wist dat het de hogepriester was, maar dat hij iets zei als: „Ik wist niet dat iemand die zo’n bevel geeft de hogepriester kon zijn.” Ironisch of sarcastisch dus: „Bedoel je dat een hogepriester zo’n onrechtvaardig bevel zou geven? Dat had ik nooit gedacht.” Hoe dan ook, hij bond wel in en zei:
Toen zei Paulus: Ik wist niet, broeders, dat hij hogepriester is; want er staat geschreven: U mag geen kwaad spreken van de leider van uw volk.
Paulus bood zijn verontschuldigingen aan, omdat hij de hogepriester daadwerkelijk had beledigd. Maar Jezus had niemand beledigd. Hij zei alleen: „Ik zal Mijzelf niet beschuldigen, maar je kunt getuigen laten komen als je dat wilt. Als je wilt weten wat Ik heb gezegd, kunnen zij het je vertellen.” Dat is geen belediging van de hogepriester. Het was alleen niet wat hij wilde horen. Daarom sloegen ze Jezus, en Hij bond niet in. Hij maakte duidelijk dat zij degenen waren die verkeerd handelden, en niet Hij.
Reinheidsregels en de misdaad tegen Jezus #
Dan vers 24:
Toen stuurde Annas hem geboeid naar de hogepriester Kajafas.
Nu stond Simon Petrus zich te warmen. Daarom zeiden ze tegen hem:
En Simon Petrus stond zich te warmen. Zij zeiden dan tegen hem: Bent ook u niet een van Zijn discipelen? Hij ontkende het en zei: Dat ben ik niet.
En hij ontkende het en zei:
Dat ben ik niet.
Tussen die ontkenning en de laatste, waarover in de volgende verzen wordt verteld, zat volgens Lukas ongeveer een uur. In Lukas 22:59 staat na de tweede ontkenning:
En ongeveer een uur later bevestigde een ander met stelligheid: Het is werkelijk waar, ook hij was bij Hem, want hij is ook een Galileeër.
Toen vond deze derde gelegenheid plaats. Hier wordt ons niets over dat uur verteld, maar Lukas 22:59 vertelt ons dat er een uur verstreek tussen de tweede en de derde ontkenning.
Een van de dienaren van de hogepriester, een familielid van de man bij wie Petrus het oor had afgeslagen, zei:
Een van de dienaren van de hogepriester, die familie was van hem bij wie Petrus het oor afgeslagen had, zei: Heb ik u niet met Hem in de hof gezien?
Petrus ontkende het opnieuw, en onmiddellijk kraaide er een haan. Petrus werd steeds zenuwachtiger. De laatste man die hem ondervroeg, was zelfs een familielid van de man die hij had aangevallen. Hij was erbij geweest en had hem gezien. Toegeven dat hij degene was voor wie die man hem hield, terwijl hij als het ware opgesloten zat op de binnenplaats van het huis van de hogepriester, zou hem in een zeer gevaarlijke situatie brengen. Petrus was op dat moment niet echt bereid om voor Jezus te sterven, dus ontkende hij het opnieuw. Toen ontkende Petrus het opnieuw. Onmiddellijk kraaide er een haan.
Pilatus eist een geldige aanklacht #
De andere evangeliën vermelden dat Petrus, toen hij besefte wat hij had gedaan, naar buiten ging en bitter huilde. Dat wordt hier niet vermeld. Maar in hoofdstuk 21 wordt wel vermeld dat Jezus blijkbaar op deze zaak zinspeelde, Petrus herstelde en vaststelde dat hij daarvan tot inkeer was gekomen.
In vers 28 leidden ze Jezus bij Kajafas vandaan. Dit was na twee rechtszaken voor Kajafas, waarover in Mattheüs 26 wordt verteld. Ze leidden Jezus van Kajafas naar het pretorium, wat het officiële hoofdkwartier van de Romeinse procurator betekent. Het was vroeg in de morgen, maar zelf gingen ze het pretorium niet binnen, om niet verontreinigd te worden, maar het Pascha te kunnen eten.
Het Pascha moest kennelijk die dag geslacht worden, net als Jezus, als het Pascha. Ze verwachtten het dus die avond te eten, maar ze wilden niet verontreinigd worden door het huis van een heiden binnen te gaan. Er stond niets in de wet wat zei dat ze het huis van een heiden niet mochten binnengaan. Maar misschien waren ze bang dat er zuurdesem in het huis aanwezig was en wilden ze daar in de tijd van het Pascha niet mee in aanraking komen. Ze moesten alle zuurdesem koste wat het kost vermijden.
De Joden in het algemeen vonden het om verschillende redenen niet goed om het huis van een heiden binnen te gaan. In het huis van een heiden bevinden zich veel onreine dingen die de Joden als onrein zouden beschouwen. Daarom was het altijd riskant om het huis van een heiden binnen te gaan als je niet ceremonieel verontreinigd wilde worden. Dus gingen ze niet bij Pilatus naar binnen. Hij moest naar buiten komen, naar hen toe.
Maar dit is misschien een van die gevallen van johanneïsche ironie, zoals ze dat noemen. Johannes zegt dan iets wat eigenlijk humoristisch is, maar ook bijtend. Het is ironisch. Het is geen regelrechte grap, maar je moet er wel om grinniken als je erover nadenkt. Er staat dat ze zijn huis niet binnengingen, omdat ze niet verontreinigd wilden worden. Ze waren bezig de grootste misdaad tegen een onschuldige te plegen. Ze probeerden het rechtssysteem te corrumperen om een Man ter dood te laten veroordelen Die niets verkeerds had gedaan. En ze wilden niet verontreinigd worden door het huis van een heiden binnen te gaan, omdat ze het Pascha wilden eten. De huichelarij van deze mensen ligt hier duidelijk bloot.
Pilatus ging toen naar hen toe en zei:
Pilatus dan ging naar buiten, naar hen toe en zei: Welke aanklacht brengt u tegen deze Mens in?
Ze antwoordden hem:
Zij antwoordden en zeiden tegen hem: Als Deze geen misdadiger was, zouden wij Hem niet aan u overgeleverd hebben.
Hun antwoord klinkt een beetje verontwaardigd. Zijn vraag is de gebruikelijke manier waarop een rechtszitting geopend werd. De rechter zou zeggen: ‘Wat zijn de aanklachten tegen deze man?’ Dat was alles wat hij vroeg, en ze waren een beetje boos op Pilatus omdat hij die vraag stelde. Waarom? Naar alle waarschijnlijkheid hadden ze, toen deze rechtszaak op de agenda werd gezet, gehoopt dat Pilatus hen gewoon zou laten beslissen of deze Man de dood verdiende of niet. Ze hoopten dat hij hun vonnis gewoon zonder meer zou bekrachtigen. De samenwerking tussen de Romeinen en de Joodse rechtbanken verliep niet erg soepel. Maar soms wilden de Romeinen geen moeilijkheden, en het bloed van onschuldige Joden kon de Romeinen niets schelen. Het Sanhedrin had dus waarschijnlijk gehoopt dat Pilatus gewoon zou zeggen: ‘Goed, ga je gang.’ Ze hoefden hem alleen vooraf te vertellen — en dat hadden ze ongetwijfeld gedaan — dat ze een Man hadden Die de dood verdiende, dat hun rechtbanken Hem schuldig zouden bevinden en dat ze alleen Pilatus nodig hadden om Zijn dood formeel goed te keuren.
Maar toen Pilatus zei: ‘Welke aanklachten brengen jullie tegen deze Man in?’, was het duidelijk dat Pilatus van plan was de rechtszaak helemaal vanaf het begin te openen. Met andere woorden, hij zou niet zomaar vertrouwen op wat zij in hun rechtbank hadden besloten. Hij zou Hem volgens het Romeinse recht berechten. Dat zou voor hen iets lastiger zijn, want Jezus had duidelijk geen enkele Romeinse wet overtreden. Nu moesten ze een zaak opbouwen om de Romeinse rechter ervan te overtuigen dat Jezus iets had gedaan waaraan de Romeinen aanstoot zouden nemen.
Waarom Pilatus Jezus wilde vrijlaten #
Waarvan hadden ze Jezus beschuldigd? De synoptische evangeliën vertellen ons dat ze tijdens de nachtelijke rechtszitting voor de Sanhedrin uiteindelijk iets tegen Hem vonden toen de hogepriester Hem vroeg:
Maar Hij zweeg en antwoordde niets. Opnieuw stelde de hogepriester Hem een vraag, en zei tegen Hem: Bent U de Christus, de Zoon van de Gezegende?
En Hij zei:
Ja.
De priester scheurde zijn bovenkleed en zei:
63Toen scheurde de hogepriester zijn kleren en zei: Waar hebben wij nog getuigen voor nodig? 64U hebt de gods lastering gehoord. Wat is uw mening? En zij allen oordeelden over Hem dat Hij schuldig was en de dood verdiende .
Natuurlijk was zeggen dat je de Messias bent nooit een vorm van godslastering — in de Joodse rechtspraak bestaat daar geen precedent voor. Veel Joden zeiden dat ze de Messias waren, en daarvoor werden ze nooit door de Joden berecht. Gewoonlijk werden ze door de Romeinen berecht. Dat kwam doordat de Messias in hun ogen de leider van een opstand tegen Rome was. Maar Jezus was dat duidelijk niet, en zelfs daarvan konden ze Hem niet erg overtuigend beschuldigen. Maar ze dachten dat Hij had gelasterd door Zichzelf de Zoon van God te noemen.
Godslastering zou volgens de Joodse wet met de dood bestraft worden. Het probleem was dat het de Romeinen werkelijk niets kon schelen dat een man de God van de Joden lasterde. De Romeinen zouden waarschijnlijk met plezier de God van de Joden lasteren en dat grappig vinden. De God van de Joden kon hun niets schelen. De Joodse rechtbank had Jezus dus veroordeeld wegens godslastering tegen Jahweh, maar die aanklacht zou in een Romeinse rechtbank geen stand houden. Waarom zouden de Romeinen zich daarom bekommeren?
Ze moesten een volledig nieuwe aanklacht tegen Jezus bedenken. Zoals we zullen zien, brachten ze naar voren dat Hij had gezegd dat Hij de Koning van de Joden was. Als Hij de Koning van de Joden was, klonk dat alsof Hij een politieke opstandeling was, een Man Die Zichzelf als heerser van Judea tegenover de keizer stelde. Dat kon worden gezien als een politieke aanklacht die de Romeinen misschien wel serieus zouden nemen.
Maar als ze Pilatus vóór die tijd ook maar enige aanwijzing over deze aanklachten hadden gegeven, geloofde hij er niets van. We kunnen gedurende deze hele rechtsgang zien dat Pilatus geen van deze beschuldigingen geloofde. Tijdens de hele rechtsgang stond hij buitengewoon welwillend tegenover Jezus. Zelfs Petrus zei in Handelingen 2, toen hij met Pinksteren het Evangelie aan de Joden verkondigde:
U hebt Jezus overgeleverd en Hem tegenover Pilatus verloochend, hoewel Pilatus van oordeel was dat Hij losgelaten moest worden.
Waarom stond Pilatus zo welwillend tegenover Jezus? Pilatus was geen barmhartig man. Zijn gruweldaden zijn uit de wereldlijke geschiedenis bekend. Zoals de meeste Romeinen was hij een harteloze heerser over een onderworpen volk. Zelfs in Lukas, hoofdstuk 13, wordt ons verteld hoe Pilatus het bloed van onschuldige Galileeërs vergoot terwijl zij hun offers in de tempel brachten. Blijkbaar aanbaden ze daarbinnen God en stuurde Pilatus zijn troepen naar binnen om hen zonder meer af te slachten. Pilatus was een bloeddorstig en onrechtvaardig man. Waarom was hij dan zo welwillend tegenover Jezus?
Daar zijn verschillende redenen voor. Een van de belangrijkste was waarschijnlijk dat de houding van Jezus indruk op hem maakte toen hij oog in oog met Hem stond. Misschien was hij zelfs daarvoor al onder de indruk. Jezus had veel openbaar dienstwerk in Jeruzalem gedaan, en Pilatus was daar. Ongeveer vijf dagen daarvoor was Jezus op een ezel de stad binnengereden, terwijl een hele menigte palmtakken voor Hem op de grond wierp. Dat zag eruit als precies het soort gebeurtenis dat de Romeinen zouden willen onderzoeken.
De mensen zeiden:
9En zij die vooropliepen en zij die volgden, riepen: Hosanna! Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heere! 10Gezegend het Koninkrijk van onze vader David, dat komt in de Naam van de Heere! Hosanna in de hoogste hemelen !
Dat zeiden ze over Jezus. Dat was nu precies het soort dingen dat de Romeinen graag de kop indrukten. Het gebeurde openlijk en luidruchtig. De Joodse leiders maakten er zelfs bezwaar tegen en zeiden tegen Jezus: ‘Hierdoor komen we allemaal in de problemen. Zeg tegen Uw mensen dat ze stil moeten zijn. De Romeinen zullen hierheen komen en ons hierom iets aandoen.’ Maar de Romeinen deden dat niet.
De doodstraf en Jezus’ voorzegde kruisiging #
Ik vraag me af hoeveel onderzoek Pilatus eerder al naar Jezus van Nazareth had gedaan. Jezus was al enkele jaren een publiek figuur en in heel Jeruzalem werd over Hem gesproken. Ik weet zeker dat Pilatus overal zijn ogen en oren had en alle inlichtingen verzamelde over bewegingen die een bedreiging voor zijn macht konden vormen. Hij kon bijna niet anders dan over Jezus gehoord hebben. Naar mijn mening had hij waarschijnlijk een volledig dossier over Hem.
Denk eraan, er waren eens mensen naar Jezus toe gekomen die Hem vroegen:
Zeg ons dan: Wat denkt U? Is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet?
Als Jezus een leider van de zeloten was geweest, zou Hij gezegd hebben:
Nee, het is niet toegestaan om belasting aan de keizer te betalen.
Dat was het standpunt van de zeloten. Maar Jezus zei:
20En Hij zei tegen hen: Van wie is deze afbeelding en het opschrift? 21Zij zeiden tegen Hem: Van de keizer. Toen zei Hij tegen hen: Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.
Jezus klonk niet als iemand die probeerde het Romeinse gezag omver te werpen. Hij zei: ‘Geef hun wat hun toekomt, wat ze nodig hebben, wat ze behoren te krijgen, en geef God wat Hem toekomt.’
Ik geloof dat Pilatus waarschijnlijk al een dossier over Jezus had en heel goed wist dat Jezus geen bedreiging voor Rome vormde. Alleen al het feit dat de Joden Jezus dood wilden, bewees dat. Want de Joden zouden gunstig tegenover Jezus hebben gestaan als Hij tegen Rome was geweest. De Joden waren tegen Rome. Hij kon niet begrijpen waarom de leiders van de Joden Jezus dood wilden, want voor zover hij kon zien, leek Jezus geen bedreiging voor de Joden te vormen. Hij wist dat als Jezus werkelijk een bedreiging voor Rome was, de Joden Hem met rust zouden laten en Hem waarschijnlijk als een held zouden beschouwen. Waarom brachten de Joden Jezus dan bij hem? Ik denk dat Pilatus benieuwd was naar de reden.
Pilatus vraagt naar het koningschap van Jezus #
We weten uit Mattheüs dat de vrouw van Pilatus hem tijdens deze processen een boodschap stuurde. Ze zei:
Toen hij op de rechterstoel zat, stuurde zijn vrouw hem een boodschap : Laat je toch niet in met deze Rechtvaardige, want ik heb vandaag in een droom veel om Hem geleden.
Ik denk dat hij echt van deze zaak af wilde, Jezus wilde vrijspreken en Hem wilde laten gaan. Ik denk dat hij de Joden zelfs wilde ergeren, omdat hij niet vriendelijk tegenover hen stond. Zij wilden Jezus zo graag dood hebben, en hij kon geen enkele aanklacht tegen Hem vinden die voor Rome standhield. Daarom denk ik dat hij de Joden ook wilde dwarszitten door Hem vrij te laten. Maar zo liep het niet.
We zien echter wel dat Pilatus het verhaal van de Joden niet zomaar gelooft. Hij begint de procedure helemaal van voren af aan en zegt:
Pilatus dan ging naar buiten, naar hen toe en zei: Welke aanklacht brengt u tegen deze Mens in?
Als ze zien dat hij hun oordeel over Jezus niet zonder meer aanvaardt, zeggen ze:
We zouden hem niet bij u hebben gebracht als hij niets verkeerds had gedaan. Wilt u soms zeggen dat hij niets verkeerds heeft gedaan? Onze rechtbanken hebben hem schuldig bevonden. We zouden hem niet bij u hebben gebracht als hij geen misdadiger was.
Vers 31:
Pilatus dan zei tegen hen: Neemt u Hem en oordeel Hem volgens uw wet. De Joden dan zeiden tegen hem: Het is ons niet geoorloofd iemand te doden.
Hiermee bespotte hij hen ongetwijfeld een beetje, want hij wist dat ze Hem wilden doden. Ze hadden zijn toestemming nodig, maar hij speelde met hen. Daarom zeiden de Joden tegen hem:
Wij mogen niemand ter dood brengen.
Johannes zegt dat dit gebeurde:
Dat gebeurde opdat het woord vervuld zou worden dat Jezus gesproken had, toen Hij aanduidde wat voor dood Hij zou sterven.
Eerder, in Johannes hoofdstuk 12, had Jezus gezegd:
Een Koninkrijk dat niet van deze wereld is #
En Ik, als Ik van de aarde verhoogd ben, zal allen naar Mij toe trekken.
Johannes zei:
En dit zei Hij om aan te duiden welke dood Hij zou sterven.
Opgeheven worden betekende: aan een kruis. Als de Joden Hem hadden gedood, zou Hij gestenigd zijn, zoals Stefanus. De Joden hingen geen mensen op; ze stenigden hen. Maar Jezus had voorzegd dat Hij opgeheven zou worden. Johannes had in Johannes hoofdstuk 12 gezegd:
En dit zei Hij om aan te duiden welke dood Hij zou sterven.
waarmee hij kruisiging bedoelde.
Alleen de Romeinen kruisigden mensen. De erkenning van de Joden dat zij volgens de Romeinse wet niet bevoegd waren Hem terecht te stellen, betekende dus dat Hij niet gestenigd maar gekruisigd zou worden, zoals Hij had voorzegd. Dat is waar Johannes op wijst.
Pilatus dan ging het gerechtsgebouw weer in, riep Jezus en zei tegen Hem: Bent U de Koning van de Joden?
Hier hebben we een persoonlijk gesprek tussen Pilatus en Jezus dat niet in de andere evangeliën is opgetekend. Johannes vermeldt natuurlijk wat zij niet vermelden.
Dit was tot nu toe niet tijdens de procedure genoemd, althans niet in wat hier is opgetekend. Het kan dus zijn dat de Joden, toen ze deze zaak vooraf op de rol lieten zetten, al hadden gezegd: ‘We gaan je een man brengen die zegt dat Hij de Koning van de Joden is, dus zorg dat je klaarstaat om Hem te veroordelen.’ Hoe dan ook, hij zei:
Bent U de Koning van de Joden?
Jezus antwoordde hem:
Jezus antwoordde hem: Zegt u dit uit uzelf of hebben anderen het u over Mij gezegd?
Is dit wat jij van Mij denkt? Vraag je je dit af omdat het voor jou van belang is, of is dit het idee van iemand anders dat je eenvoudigweg napraat?
Pilatus antwoordde:
Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw eigen volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt U gedaan?
Met andere woorden: waarom zou het mij iets kunnen schelen? Ik ben geen Jood; ik ben een Romein. Waarom zou het mij iets kunnen schelen of U de Koning van de Joden bent?
Jezus getuigt als Koning van de waarheid #
Dat is wat Pilatus gedurende deze hele rechtsgang maar niet kon begrijpen. Waarom haatten de Joden Jezus? Wat had Hij gedaan? Hij had beslist niets tegen Rome gedaan. Hier vraagt hij Jezus om hem in vertrouwen te nemen: vertel het me, gewoon onder ons, wat hebt U gedaan waardoor deze mensen zo kwaad op U zijn geworden?
Het is duidelijk dat Pilatus niet dacht dat Jezus iets tegen Rome had gedaan. Anders zou hij Jezus niet gevraagd hebben er zo openhartig over te zijn. Maar hij wist dat het de Joden waren die tegen Hem waren. In de andere evangeliën staat dat Pilatus wist dat de Joden Hem uit jaloezie aan hem hadden overgeleverd. Hij wist dus dat Jezus onschuldig was.
Jezus antwoordde:
Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden, maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.
Zijn Koninkrijk kwam niet hiervandaan. Het was beslist wel hier. Hij erkent dat Hij een Koning is en een Koninkrijk heeft. Het is alleen geen Koninkrijk dat uit deze wereld voortkomt. Er zijn koninkrijken die dat wel doen. In feite doen alle andere koninkrijken dat. Alleen het Zijne komt uit de hemel voort. Het Zijne is het Koninkrijk uit de hemel, het Koninkrijk van God. Alle andere koninkrijken waren wereldse koninkrijken. Ze zijn ontstaan door menselijke politieke en militaire staatsgrepen en dat soort dingen. Zo ontstaan de koninkrijken van deze wereld.
Pilatus vindt geen schuld in Jezus #
Hij zegt dat als Hij zo’n koninkrijk had, Zijn dienaren er vanzelfsprekend niet gewoon werkeloos bij zouden hebben gestaan terwijl Hij werd gearresteerd. Er waren andere zelotenleiders die zichzelf tot messias uitriepen en door de Romeinen gedood werden, maar hun mensen vochten. Hun mensen waren strijdlustig. Hun mensen waren bereid Romeinen te doden. Jezus zei dat ze Hem niet zo gemakkelijk zouden hebben meegenomen als Zijn Koninkrijk van deze wereld was, en als Zijn discipelen mochten vechten. En dat zouden ze mogen als het een koninkrijk van deze wereld was.
Let daar eens op. Jezus gaf aan dat als Hij een aards koninkrijk had, het natuurlijk gepast zou zijn als Zijn dienaren vochten. Blijkbaar is er niets werkelijk mis mee wanneer een aardse natie zich militair verdedigt tegen een invasie en een aanval. Koninkrijken van deze wereld doen dat. Jezus zei dat als Zijn Koninkrijk daar een van was, het dat ook zou doen. Dan zouden zij dat doen. Maar wij vormen niet zo’n soort koninkrijk. Het is een ander soort Koninkrijk. Het komt uit de hemel en daarom handelen zij niet volgens dezelfde beginselen. Hun strijd is geen aardse strijd. Het is een geestelijke strijd. Zijn Koninkrijk komt dus niet werkelijk hiervandaan.
Pilatus zei daarom tegen Hem:
Pilatus dan zei tegen Hem: U bent dus toch een koning? Jezus antwoordde: U zegt dat Ik een Koning ben. Hiervoor ben Ik geboren en hiervoor ben Ik in de wereld gekomen: om voor de waarheid te getuigen. Iedereen die uit de waarheid is, geeft aan Mijn stem gehoor.
Hebt U nu zojuist toegegeven dat U een Koning bent? U zei: Mijn Koninkrijk. Betekent dit dat U zegt dat U een Koning bent? Misschien zit er toch iets in wat deze Joden tegen U zeggen. Geeft U toe dat U een Koning bent?
Jezus antwoordde:
U zegt dat Ik een koning ben.
De New King James voegt het woord ‘terecht’ in, maar dat staat cursief gedrukt. De woorden die Jezus werkelijk sprak, zijn:
U zegt dat ik een koning ben.
Met andere woorden, Hij legde Zich tegenover Pilatus niet vast. Hij zei alleen dat Pilatus dat zei. Het waren Pilatus’ woorden. Jezus had die woorden niet gebruikt.
Zijn doel is niet om een of ander politiek koninkrijk op te richten dat zich tegen Rome verzet, als Pilatus zich daar zorgen over maakt. Hij is hier om van de waarheid te getuigen. Dat is alles. Iedereen die uit de waarheid is, hoort en gelooft wat Hij te zeggen heeft. Als Pilatus Hem een Koning wil noemen, kan hij Hem de Koning van de Waarheid noemen, want Hij is hier uitsluitend om de waarheid te vertellen.
De vrijlatingsregeling tijdens het Pascha #
Pilatus zei:
Pilatus zei tegen Hem: Wat is waarheid? En nadat hij dat gezegd had, ging hij opnieuw naar buiten naar de Joden, en zei tegen hen: Ik vind geen schuld in Hem.
Toen hij dit gezegd had, ging hij weer naar buiten, naar de Joden, en zei tegen hen:
Ik kan helemaal niets vinden waaraan hij schuldig is.
Toen hij vroeg wat waarheid is, nemen de meeste mensen aan dat Pilatus een diepzinnige filosofische vraag stelde: wat is waarheid? Alsof hij een groot filosoof was die zich afvroeg: ik heb me altijd afgevraagd wat waarheid is. Hoe definieer je waarheid? Volgens mij uitte Pilatus gewoon zijn frustratie. Hij vroeg wat de waarheid van deze zaak was. Wat was hier de waarheid? Jezus gaf hem geen duidelijkheid. Hij wist dat de Joden hem niet de waarheid vertelden. Wat was hier de waarheid? Hij was een rechter. Hij hoorde te beslissen ten gunste van wat juist was. Jezus zei dat Hij gekomen was om van de waarheid te getuigen. Wat was hier dan de waarheid?
Ik weet niet of dat is wat hij zegt. Misschien zegt hij inderdaad: wat is waarheid? Iedereen wil het laten voorkomen alsof Pilatus die vraag stelde. Natuurlijk zeggen ze vervolgens dat hij de vraag stelde aan de ene Persoon Die hem het antwoord kon geven, en zich toen omdraaide en wegging voordat hij het antwoord kon horen. Er staat inderdaad dat Pilatus, nadat hij dit gezegd had, Jezus’ aanwezigheid verliet, naar buiten ging en met de mensen sprak. We weten niet of hij zich op dat moment gewoon op zijn hakken omdraaide en Jezus geen kans gaf om te antwoorden.
Maar Jezus was terughoudend. We weten uit de andere evangeliën dat Pilatus Hem daadwerkelijk naar Herodes stuurde, en Jezus zweeg volkomen tegenover Herodes. Jezus zou spreken wanneer Hij wilde spreken, en op andere momenten niet. Hij gaf hier eigenlijk niet veel informatie prijs, behalve dat Zijn koninklijke gezag niet noodzakelijk van politieke aard was. Het was het gezag dat verbonden is aan de waarheid die Hij spreekt. Het is altijd de waarheid die gezag heeft.
Pilatus was ongetwijfeld gefrustreerd door Jezus, maar moest toegeven:
Ik heb geen enkele Romeinse wet kunnen vinden die deze man heeft overtreden. Ik kan helemaal niets vinden waaraan hij schuldig is.
Barabbas en de onlogische aanklacht #
Hij zegt niet dat Jezus een zondeloos Mens is, hoewel christenen vaak bevestigen dat dit waar is, en dat was Hij ook. Soms zeggen ze:
Zelfs Pilatus zei dat hij zonder zonde was.
Dat is niet precies wat Pilatus zegt. Pilatus zegt: ‘Jullie hebben Hem hier gebracht zodat ik Hem zou veroordelen, en ik zie geen enkele wetsovertreding waaraan Hij schuldig is. Ik zie niet dat Hij iets heeft gedaan waar ik me ook maar enigszins zorgen over zou moeten maken. Ik denk dat ik Hem zal moeten laten gaan.’
Maar hij zegt:
Maar u hebt de gewoonte dat ik op het Pascha iemand voor u loslaat. Wilt u dan dat ik de Koning van de Joden voor u loslaat?
Met die benaming, Koning van de Joden, stak hij een beetje de draak met hen, omdat hij de Joden niet mocht. Later zien we zelfs dat hij boven Jezus aan het kruis een opschrift aanbracht waarop stond:
En Pilatus schreef ook een opschrift en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS DE NAZARENER, DE KONING VAN DE JODEN.
toen kwamen de Joodse leiders en zeiden:
De overpriesters van de Joden dan zeiden tegen Pilatus: Schrijf niet: De Koning van de Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning van de Joden.
En Pilatus zei:
Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.
Nu kan dat betekenen dat Pilatus erg onder de indruk was van Jezus, of het kan hebben betekend dat hij de Joden gewoon wilde ergeren, omdat ze het niet prettig vonden dat Hij de Koning van de Joden werd genoemd. Hij wilde het zo laten staan. Maar er staat:
Zij dan schreeuwden allemaal opnieuw: Niet Deze, maar Barabbas! En Barabbas was een misdadiger.
En ons wordt verteld:
Barabbas was een rover.
Het bestaan van dit Romeinse gebruik om ten tijde van het Pascha één gevangene vrij te laten, wordt door geen enkele buitenbijbelse bron bevestigd of gedocumenteerd. Veel mensen hebben vermoed dat het niet werkelijk zo was. Maar alle vier de evangeliën vermelden het, en dat zijn vier onafhankelijke historische getuigen. Dat zijn meer getuigen dan we voor veel dingen hebben. Het getuigenis van de evangeliën is dus duidelijk voldoende om vast te stellen dat dit gebruik bestond.
Hoe het is ontstaan, weten we niet. Sommigen menen dat de Romeinen het eenvoudigweg hadden overgenomen van de eerdere Herodiaanse dynastie, en dat de Herodianen het weer hadden overgenomen van de Hasmonese dynastie vóór hen. Dat was een Joods bewind over het land, waaraan een einde kwam toen de Romeinen het gebied veroverden. De Romeinen lieten eenvoudigweg een aantal beleidsregels van kracht om de Joden niet al te zeer voor het hoofd te stoten. Maar zelfs als dat waar is, weten we niet hoe de Joden met dit gebruik zouden zijn begonnen.
Het is mogelijk dat ze dat deden omdat het Pascha hun bevrijding uit de gevangenschap in Egypte herdacht. Als zinnebeeld daarvan lieten ze met het Pascha één gevangene uit de gevangenis vrij. Het was dan een soort ceremoniële manier om de bevrijding uit de slavernij of uit de gevangenschap in Egypte te vieren, die ze met het Pascha herdachten. Niemand weet of het zo is begonnen, maar het is wel geopperd. Het is een mogelijk antwoord dat enigszins logisch zou zijn.
Wat we echter over Barabbas moeten zeggen, is dat zowel in Lukas als in Markus de misdaden van Barabbas worden vermeld als moord en opstand. Maar hier zegt onze vertaling dat hij een rover was, wat nogal onschuldig klinkt in vergelijking met moord en opstand. Zowel Mattheüs als Markus zeggen dat hij in opstand was gekomen tegen Rome, en dat is precies het soort daad waarvoor Rome iemand zou kruisigen. Ook had hij een moord gepleegd. Sommigen hebben er daarom moeite mee gehad dat Johannes alleen maar zegt dat hij een rover was.
Maar het probleem verdwijnt wanneer je beseft dat het Griekse woord dat hier voor ‘rover’ wordt gebruikt, lestes, door Josephus consequent wordt gebruikt voor iemand die in opstand is gekomen tegen Rome. Met andere woorden, het gaat niet echt over een rover zoals wij ons die voorstellen. Het is meer een struikrover, meer iemand die in algemene zin vogelvrij is. Josephus gebruikt ditzelfde woord altijd voor een zelotische opstandeling tegen Rome. Dat komt dus overeen met wat zowel Mattheüs als Markus over hem zeggen, maar in het Engels lijkt dat niet zo.
Hier hebben we dus de ironie. Ze klagen Jezus bij Pilatus aan en proberen Pilatus zover te krijgen dat hij instemt met Zijn terechtstelling, door te zeggen: ‘Hij is een opstandeling tegen Rome. Hij is een vijand van Rome.’ En dus zegt Pilatus: ‘Wie zal ik op dit feest vrijlaten?’ Ze zeggen: ‘Wat dacht je van Barabbas?’ Wacht eens even, is hij niet een opstandeling tegen Rome? Deze mensen zijn niet logisch bezig. Pilatus kan niet begrijpen wat er met deze mensen aan de hand is. Ze willen Jezus dood zien, en ze zeggen dat dit is omdat Hij een opstandeling is. Maar als dat waar was, waarom zouden ze Barabbas dan niet dood willen hebben? Hij was een opstandeling. Ze willen dat hij wordt vrijgelaten.
En dus weet Pilatus dat hier iets anders aan de hand is, maar hij kan niet doorgronden wat het is. Wij kunnen dat evenmin, want er is geen werkelijke, rationele reden waarom de Joden zo kwaad op Jezus zouden zijn. Behalve natuurlijk dat ze, zoals in een van de Evangeliën staat, jaloers waren. Ze waren jaloers omdat Hij te populair was en geen van hen was. Te veel mensen erkenden Hem als de Messias. En als Hij aan de macht kwam, zou dat betekenen dat de huidige leiders van de Joden hun macht zouden verliezen, want zij hoorden duidelijk niet bij Zijn partij — of andersom: Hij niet bij die van hen. Er was dus sprake van jaloezie, en dat is blijkbaar het enige motief dat hiervoor te bedenken valt. Dat was ook de conclusie van Pilatus zelf.
We zitten midden in dit proces tegen Jezus, maar we zullen ermee verdergaan.
Herkomst
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als John 18. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/johannes/18
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/johannes/18.pdf
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 35 - 18.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/johannes/18.mp3
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 35 - 18.mp3
Johannes
Alle lezingen over Johannes. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Inleiding Auteur, datum en betrouwbaarheid van Johannes
- 2 1:1-9 Het Woord: Jezus vóór zijn geboorte in Bethlehem
- 3 1:10-18 Waarom de wereld het Woord niet herkende
- 4 1:19-51 Johannes wijst naar het Lam van God
- 5 2:1-12 Bruiloft in Kana: water wordt wijn
- 6 2:13-25 Jezus jaagt handelaars uit de tempel
- 7 3:1-12 Nicodemus komt 's nachts en hoort over wedergeboorte
- 8 3:13-36 Johannes 3:16 en het getuigenis van de Doper
- 9 4:1-26 Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de put
- 10 4:27-42 Samaritaanse vrouw vertelt stad over Jezus
- 11 4:43-5:23 Zoon geneest op afstand, gelijkheid met de Vader
- 12 5:17-47 Jezus verdedigt zijn werk op de sabbat
- 13 6:1-21 Vijfduizend gevoed, en Jezus loopt over het water
- 14 6:22-45 Werk voor het brood dat blijft tot in het eeuwige leven
- 15 6:46-71 Vlees eten en bloed drinken: wat Jezus bedoelt
- 16 7:1-31 In het geheim naar het feest, en verdeeldheid in Jeruzalem
- 17 7:32-52 Jezus belooft levend water, men is verdeeld
- 18 8:1-11 Jezus veroordeelt de overspelige vrouw niet
- 19 8:12-59 Jezus is het Licht van de wereld
- 20 9 De blindgeborene ziet, de Farizeeën niet
- 21 10:1-21 Jezus als deur en herder van de schapen
- 22 10:22-42 Jezus’ schapen zijn veilig in Zijn hand
- 23 11:1-44 Jezus wekt Lazarus op uit de dood
- 24 11:45-12:19 Kajafas: Jezus sterft voor het volk
- 25 12:20-50 Jezus’ dood draagt veel vrucht
- 26 13:1-17 Jezus wast de voeten van zijn discipelen
- 27 13:18-13:38 Jezus voorzegt verraad en verloochening
- 28 14:1-14:6 God maakt Zijn woning in gelovigen
- 29 14:7-14 Wie Jezus ziet, ziet de Vader
- 30 14:15-31 Jezus komt terug in de Heilige Geest
- 31 15:1-8 Jezus is de wijnstok, wij zijn de ranken
- 32 15:9-27 Jezus’ vrienden: geliefd en gehaat
- 33 16 Jezus vertrekt, de Geest komt
- 34 17 Jezus bidt voor Zijn discipelen
- 35 18 Jezus gearresteerd en door Petrus verloochend
- 36 19 Jezus veroordeeld, gekruisigd en begraven
- 37 20 Jezus staat op en verschijnt aan de discipelen
- 38 21 Jezus herstelt Petrus bij het meer
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/johannes/18.srt
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 35 - 18.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/johannes/18.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Johannes 18:1
- Lukas 22:44
- Johannes 18:11
- Johannes 18:2-3
- Johannes 18:4
- Johannes 18:5-6
- Johannes 8:58
- Johannes 18:7
- Johannes 18:8-9
- Johannes 17:12
- Johannes 10:18
- Johannes 18:9
- Lukas 22:48
- Johannes 18:10
- Mattheüs 26:41
- Job 2:10
- 1 Petrus 4:19
- 2 Samuel 24:14
- Lukas 23:46
- Mattheüs 26:52
- Mattheüs 10:39
- Psalmen 91:11-12
- Jesaja 53:10
- Johannes 18:12-14
- Johannes 18:15-18
- Markus 14:30
- Mattheüs 26:34
- Mattheüs 26:33
- Johannes 18:24
- Johannes 18:28
- Johannes 18:19
- Johannes 18:20-21
- Johannes 18:22-23
- Handelingen 23:1
- Handelingen 23:5
- Johannes 18:25
- Lukas 22:59
- Johannes 18:26
- Johannes 18:29
- Johannes 18:30
- Markus 14:61
- Markus 14:63-64
- Handelingen 3:13
- Markus 11:9-10
- Mattheüs 22:17
- Mattheüs 22:20-21
- Mattheüs 27:19
- Johannes 18:31
- Johannes 18:32
- Johannes 12:32
- Johannes 12:33
- Johannes 18:33
- Johannes 18:34
- Johannes 18:35
- Johannes 18:36
- Johannes 18:37
- Johannes 18:38
- Johannes 18:39
- Johannes 19:19
- Johannes 19:21
- Johannes 19:22
- Johannes 18:40