Johannes 14:7-14
Wie Jezus ziet, ziet de Vader
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/johannes/14-7-14.pdf. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/johannes/14-7-14.
Samenvatting
Steve Gregg bespreekt hoe Jezus de Vader zichtbaar maakt, omdat de Vader en de Zoon in elkaar zijn en Jezus Zijn woorden en werken door de Vader verricht. Hij legt de belofte van grotere werken zo uit dat de apostelen en de gemeente Jezus’ verkondiging van het Koninkrijk op veel grotere schaal zouden voortzetten, niet dat iedere christen grotere wonderen zou doen. Ook betoogt hij dat bidden in Jezus’ Naam betekent dat je de Vader benadert met Jezus’ gezag en bidt om wat Jezus Zelf zou willen. Volgens Gregg worden deze beloften verwezenlijkt door de komst van de Heilige Geest, Die de gemeente tot het lichaam van Christus maakt en haar in staat stelt Zijn werk op aarde voort te zetten.
Inleiding en hoofdthema’s van Johannes 14 #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Johannes 14, vers 7 tot en met vers 14.
We gaan terug naar Johannes 14. We hebben de eerste zes verzen behandeld, waarover veel te zeggen viel. Ook over de rest valt genoeg te zeggen, al denk ik dat we iets sneller door de stof heen zullen gaan. Laten we enkele van die verzen nog eens lezen, te beginnen bij het eerste vers:
Laat uw hart niet in beroering raken; u gelooft in God, geloof ook in Mij.
Thomas zei tegen Hem: Heere, wij weten niet waar U heen gaat, en hoe kunnen wij de weg weten?
6Jezus zei tegen hem: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. 7Als u Mij gekend had, zou u ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu af kent u Hem en hebt u Hem gezien.
Filippus zei tegen Hem: Heere, laat ons de Vader zien en het is ons genoeg.
9Jezus zei tegen hem: Ben Ik zo'n lange tijd bij u, en kent u Mij niet, Filippus? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien? 10Gelooft u niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken. 11Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is , en zo niet, geloof Mij dan om de werken zelf.
12Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen naar Mijn Vader. 13En wat u ook zult vragen in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden. 14Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen. ::: In de rede in de bovenzaal heeft Jezus een aantal thema’s waarop Hij in de hoofdstukken 14, 15 en 16 herhaaldelijk terugkomt. Een van die thema’s is natuurlijk dat Hij weggaat en terugkomt. Hij heeft dat in vers 3 ter sprake gebracht. In vers 18 brengt Hij het opnieuw ter sprake. Hij zegt: ::: {.bijbelcitaat data-ref="John 14:18" data-label="Johannes 14:18" data-kind="verbatim"} Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe.
In vers 19 brengt Hij het opnieuw ter sprake. Hij zegt:
Nog een korte tijd en de wereld zal Mij niet meer zien, maar u zult Mij zien, want Ik leef en u zult leven.
En zo ook in vers 28:
U hebt gehoord dat Ik tegen u gezegd heb: Ik ga heen maar kom weer naar u toe. Als u Mij liefhad, zou u zich verblijden, omdat Ik gezegd heb: Ik ga heen naar de Vader; want Mijn Vader is meer dan Ik.
Er zijn dus veel verwijzingen naar het feit dat Hij weggaat, telkens met de belofte dat Hij naar hen zal terugkeren.
Dit is natuurlijk de achtergrond van deze hele rede. Jezus zou spoedig van hen worden weggenomen. Dit was de nacht vóór Zijn kruisiging. Later die avond werd Hij gearresteerd en de volgende ochtend werd Hij gekruisigd. Omdat dit zo was, moesten de discipelen op de hoogte worden gebracht van de verandering in omstandigheden waarmee ze te maken zouden krijgen. Dus zegt Hij allereerst: ‘Jullie zullen Mij verliezen, maar jullie zullen Mij terugkrijgen.’ We zullen de precieze betekenis daarvan nader onderzoeken wanneer we bij vers 15 en de verzen daarna komen, want na dat punt lijkt Hij het te verduidelijken.
Wie Jezus ziet, ziet de Vader #
Maar Hij wil hun ook andere dingen vertellen. Een van de dingen die Hij hun gaat vertellen, is dat ze in Zijn Naam kunnen bidden. Iets anders wat Hij hun wil vertellen, is dat Hij hun een andere Trooster zal zenden. Dit zijn enkele van de hoofdthema’s die in dit hoofdstuk aan bod zullen komen en in de rest van de rede herhaaldelijk zullen terugkeren.
Maar voordat we bij enkele van die terugkerende thema’s komen, zoals vanaf vers 12 het geval zal zijn, is er dit gedeelte, de verzen 7 tot en met 11, waarin Hij zegt:
Als u Mij gekend had, zou u ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu af kent u Hem en hebt u Hem gezien.
Vanaf nu hebben jullie Hem gekend en Hem gezien.
Ze hadden Hem al gezien. Ze hadden Jezus gezien, en daar heeft Hij het over. Hem zien is de Vader zien, maar dat hadden ze niet geweten. Ze hadden Hem gezien, maar ze hadden Hem niet gekend.
En vanaf nu zullen jullie Hem kennen en zien.
Jullie zullen begrijpen dat jullie in Degene Die jullie gezien hebben, de Vader hebben gezien. Dat is wat Hij zegt, maar zij begrijpen niet wat Hij bedoelt.
Dus zegt Filippus:
Filippus zei tegen Hem: Heere, laat ons de Vader zien en het is ons genoeg.
Jezus zei tegen hem:
9Jezus zei tegen hem: Ben Ik zo'n lange tijd bij u, en kent u Mij niet, Filippus? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien? 10Gelooft u niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken. 11Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is , en zo niet, geloof Mij dan om de werken zelf.
Hier hebben we enkele van de krachtigste verklaringen van de godheid van Christus. Als mensen dachten dat Jezus hier niet uitdrukkelijk had gezegd: ‘Ik ben de Vader’, dan moeten ze niettemin rekening houden met wat Jezus zegt. Hij zegt: ‘Wil je de Vader zien? Hoe lang ben Ik al bij jullie, en weten jullie nog steeds niet Wie Ik ben?’
Als Hij nu alleen dat had gezegd en niets meer, zou dat op zichzelf al sterk suggereren dat Hij de Vader is. En het zou voor ieder mens zeer godslasterlijk zijn om dat te suggereren, tenzij hij dat werkelijk is. Stel dat je een voorganger hoorde zeggen: ‘Wil je God zien? Naar wie denk je dat je hier voor je zit te kijken? Ik ben God.’ Dat zou dan de strekking zijn. ‘Ben ik al zo lang je voorganger en weet je nog steeds niet wie ik ben? En nadat je mij hebt gezien, moet je God nog steeds zien?’ Dat zou zo schaamteloos zijn, zo buitensporig.
De wederzijdse inwoning van Vader en Zoon #
En daarom ging Hij verder en zei:
Geloven jullie niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij?
Dit is de leer van de wederzijdse inwoning van de Vader en de Zoon: Zij zijn in elkaar. Dat is natuurlijk iets wat op de een of andere manier bepalend moet zijn voor onze kijk op de Drie-eenheid. Als wij een bepaalde kijk op de Drie-eenheid hebben, en die heb ik, dan moeten we begrijpen dat die zodanig is dat de Vader en de Zoon in elkaar zijn.
Ik zou kunnen begrijpen hoe een kind in zijn moeder kan zijn, namelijk in de baarmoeder van de moeder. Maar de moeder kan niet tegelijkertijd in het kind zijn. Het kleinere voorwerp past in het grotere voorwerp, maar het grotere voorwerp kan niet tegelijkertijd in het kleinere voorwerp zijn. Hoe zou de Vader in de Zoon kunnen zijn en de Zoon ook in de Vader?
Ik vermoed dat we, aangezien God Geest is, beter vergelijkingen met vloeistoffen kunnen gebruiken dan vergelijkingen met vaste voorwerpen. Je kunt verschillende vloeistoffen met elkaar vermengen en dan wonen ze als het ware wederzijds in elkaar. Ze zijn in elkaar. De ene is in de andere, en de andere is in die ene. Twee of drie vloeistoffen, of welk aantal vloeistoffen dan ook, kunnen bij elkaar worden gevoegd en in elkaar opgaan. Ze vormen natuurlijk een mengsel. Ze vormen een mengsel dat weer iets anders is.
Als je room in je koffie doet, dan is de koffie in de room en de room in de koffie. Ze zijn in elkaar en samen zijn ze nu iets wat een beetje anders is dan elk van beide afzonderlijk was. Toch kun je, wanneer je het drinkt, het deel proeven dat koffie is. Je kunt dat onderscheiden. Je kunt zeggen: ‘Dit is goede koffie,’ of: ‘Dit is sterke koffie,’ of wat dan ook. Je kunt de koffiesmaak op zichzelf onderscheiden, en je kunt ook de smaak van de room onderscheiden.
Zelf houd ik van koffie met heel veel room. Wanneer mensen mij koffie met magere melk erin geven, begrijp ik niet waarom iemand magere melk in koffie zou doen. Zelfs de kleur verandert er niet van. Maar ook gewone melk, zelfs volle melk, is gewoon niet romig genoeg. Als ik een kop koffie drink, kan ik proeven of er genoeg romige room in zit. Dat kun jij ook, als je koffie met room drinkt. Hoewel het één mengsel is, kun je onderscheid maken tussen de room en de koffie, maar je kunt ze niet meer uit elkaar halen. Ze wonen wederzijds in elkaar.
Als we de Drie-eenheid door middel van zulke vergelijkingen begrijpen, kunnen we zeggen dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest als het ware één in wezen zijn, maar drie onderscheiden karakters hebben. We zouden kunnen zeggen: drie smaken. Er is onderscheid tussen Hen, maar samen vormen Zij één geheel. Dat heb ik altijd veel gemakkelijker gevonden dan te proberen me een comité van drie voor te stellen en te zeggen: ‘Hoe zijn deze mensen allemaal één? Hoe zijn deze Personen van de Godheid allemaal één?’
Ik denk dat we bijna wel zoiets als uitgangspunt moeten nemen als we willen begrijpen hoe:
de Vader is in Mij en Ik ben in de Vader.
Tenzij er een andere uitleg is, en sommige mensen hebben inderdaad voor een andere uitleg gekozen. Volgens die uitleg betekent het: ‘Ik ben in Zijn hart en Hij is in Mijn hart.’ Met andere woorden, dat betekent alleen maar dat Wij van elkaar houden. Ik zou kunnen zeggen dat ik in het hart van mijn kinderen ben, of dat ik in het hart van mijn ouders ben, en dat zij in mijn hart zijn. Maar daarmee zeg je eigenlijk niets meer dan dat we van elkaar houden. Het vertelt je eigenlijk niets geheimzinnigs over ons. Iedereen van wie ik houd, zou in die zin in mijn hart zijn.
Persoonlijk denk ik dat Jezus iets openbaart wat veel moeilijker te bevatten is dan dat. Als we de Drie-eenheid al te goed proberen te begrijpen, raken we waarschijnlijk in de war, want ik weet niet of er werkelijk een aardse vergelijking bestaat die volledig opgaat. Maar zoals ik al zei, heb ik gemerkt dat juist dit vers mij ertoe aanzet om te denken in termen van de eigenschappen van vloeistoffen, in plaats van de eigenschappen van vaste stoffen.
Gods geduld en strengheid in de Bijbel #
Natuurlijk is Hij noch vloeibaar noch vast. Hij is geen materie. Hij is Geest. Maar Geest wordt in de Bijbel vergeleken met water en olie, met andere woorden, met vloeistoffen. Dat betekent niet dat Geest vloeibaar is. Maar als het gaat om hoe we ons de werking daarvan moeten voorstellen, lijkt Geest misschien meer op een vloeistof dan op een vaste stof. Geest wordt ook vergeleken met gassen, zoals wind, lucht, enzovoort.
Jezus zegt dat de Vader en Hij in elkaar zijn. Als je Hem hebt gezien, heb je daarom de Vader al gezien. Als je enigszins hebt ervaren hoe het is om naar Hem te luisteren, Hem te zien en te zien hoe Hij handelt, dan is het de Vader Die je ziet en hoort. Daarom weten we dat Jezus gekomen is om de Vader in Zijn eigen Persoon aan ons te openbaren.
Als je aan God in de Bijbel denkt, en je denkt daarbij aan het Oude Testament en aan specifieke verhalen over God, dan is de kans groot dat je denkt aan verhalen die misschien over Zijn strengheid gaan. Ik denk dat die kans groot is vanwege het enorme aantal mensen dat dit bij mij ter sprake brengt en vragen: “Hoe komt het dat de God van het Oude Testament zo streng en zo veroordelend is, zo toornig, terwijl Jezus in het Nieuwe Testament zo anders is?”
Maar de waarheid is dat de God van het Oude Testament niet toornig is. Hij wordt wel boos, zoals zelfs goede, vriendelijke en geduldige mensen soms boos worden. Maar Hij is:
Barmhartig en genadig is de HEERE, geduldig en rijk aan goedertierenheid.
Dat is wat het Oude Testament vele malen over Hem zegt: dat Hij een barmhartige God is. Hij had Israël lief met een eeuwige liefde, hoewel zij Hem niet terug liefhadden. Hij heeft heel veel verdragen. Hij heeft een heel lange lont.
Ja, je leest in de Bijbel over die gevallen waarin Zijn geduld met iemand op was en Hij iets met die persoon moest doen. Maar soms raakt ook het geduld van ouders met hun kinderen op. Of misschien is het niet zozeer dat hun geduld op is, maar beseffen ze eenvoudigweg dat het voor het kind, of voor wie dan ook, niet goed is om niets te doen aan een kwestie die streng ingrijpen vereist.
De God van het Oude Testament wordt soms ten onrechte aangezien voor een strenge God, omdat we vooral lezen over gevallen waarin Zijn volk ongehoorzaam is. En we lezen veel gevallen waarin Hij moet tuchtigen of oordelen. Een groot deel van het Oude Testament bestaat natuurlijk uit de boeken van de profeten. De profeten traden vrijwel uitsluitend op om te waarschuwen dat God boos was. De profeten spraken niet altijd, maar wanneer ze dat deden, was het gewoonlijk omdat God hen had gezonden omdat Hij boos was. Hun boodschap is dus een boodschap over Gods strengheid.
Maar als je het Oude Testament leest en geen rekening houdt met de lange perioden tussen de specifieke verhalen over Gods oordeel, dan zul je het niet begrijpen. Je moet beseffen dat Hij honderden en honderden jaren lang generatie na generatie na generatie van opstandige, koppige en verwoestende mensen verdraagt, voordat Hij uiteindelijk hard tegen hen optreedt en hen de volle laag geeft. Anders zie je het niet in het juiste perspectief.
God is zoals Jezus. Veel mensen die zich een voorstelling van God proberen te maken, stellen Hem zich meer voor zoals Jonathan Edwards God voorstelde in zijn preek Sinners in the Hands of an Angry God. Maar Jonathan Edwards wist blijkbaar niet veel over God. Ik zeg dat niet graag, want hij wordt beschouwd als een van de grootste theologen en filosofen uit de hele Amerikaanse geschiedenis. Dat is althans wat calvinisten over hem denken. Toch schildert zijn beroemdste preek, Sinners in the Hands of an Angry God, een God af Die helemaal niet op Jezus lijkt. Sterker nog, Hij lijkt zelfs helemaal niet op hoe God Zichzelf in het Oude Testament openbaart.
Jezus als het volmaakte beeld van God #
Desondanks was Jezus een vriend van zondaars en was Hij geduldig. Hij werd boos op religieuze mensen die de tempel ontwijdden en tegenover het gewone volk een verkeerde voorstelling van God gaven. Maar Hij was vriendelijk en geduldig met allen, en vooral met mensen die gevallen waren. Jezus zei:
Jezus zei tegen hem: Ben Ik zo'n lange tijd bij u, en kent u Mij niet, Filippus? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien?
Daarom kwam Jezus.
Onze misverstanden over de Vader blijven helaas tot op de dag van vandaag bestaan bij mensen die niet zorgvuldig lezen en slechts enkele Bijbelverhalen hebben gehoord. Richard Dawkins bijvoorbeeld heeft de Bijbel blijkbaar helemaal niet echt bestudeerd, maar weet heel zeker dat hij de God van het Oude Testament begrijpt als een God Die vrouwen haat, een slavenhandelaar is, homofoob is, homoseksuelen haat en hele bevolkingen uitroeit. Dat is de God die Richard Dawkins beschrijft, en hij denkt dat hij de God van het Oude Testament beschrijft.
De God van het Oude Testament is de God van het Nieuwe Testament. Kijk naar Jezus en je zult zien hoe de God van het Oude Testament is. Jezus kent wel degelijk momenten van boosheid. Ook Jezus Zelf toont af en toe boosheid. Als je ergens in de Bijbel de meest ongeremde woede van Jezus wilt zien, kijk dan in het boek Openbaring, waar je leest over:
En zij zeiden tegen de bergen en de rotsen: Val op ons en verberg ons voor het aangezicht van Hem Die op de troon zit, en voor de toorn van het Lam.
Het Lam is Jezus. Het is de toorn van het Lam.
Jezus is dus zowel goed als streng. Hij is geduldiger dan ieder van ons zou zijn, maar Hij is ook een volmaakte Rechter. Hij zal volmaakter over zonde oordelen dan enige menselijke rechter of rechtbank ooit zou kunnen. Jezus is voor ons het volmaakte beeld van God. Dat is wat Hij zei:
6Jezus zei tegen hem: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij. 7Als u Mij gekend had, zou u ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu af kent u Hem en hebt u Hem gezien.
Dit is wat er over Hem staat aan het begin van het boek Hebreeën. Hebreeën 1, vers 1 tot en met 3, zegt:
1Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon, 2Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft. 3Hij , Die de afstraling van Gods heerlijkheid is en de afdruk van Zijn zelfstandigheid, Die alle dingen draagt door Zijn krachtig woord, heeft, nadat Hij de reiniging van onze zonden door Zichzelf tot stand had gebracht, Zich gezet aan de rechter hand van de Majesteit in de hoogste hemelen .
Hij heeft het hier over Jezus. Jezus is de afstraling van Gods heerlijkheid. Hij is de afdruk van Gods wezen. In Kolossenzen 1, vers 15, zei Paulus:
Hij is het Beeld van de onzichtbare God, de Eerstgeborene van heel de schepping.
Jezus is het beeld van de onzichtbare God. Je kunt de onzichtbare God niet zien, maar je kunt wel het beeld van Hem zien dat Hij heeft neergezonden om Zichzelf in Jezus aan ons te tonen. Daarom kan Jezus zeggen:
Jezus zei tegen hem: Ben Ik zo'n lange tijd bij u, en kent u Mij niet, Filippus? Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien?
De Vader spreekt en werkt door Jezus #
Dat komt doordat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben, en Wij één zijn. Nu zegt Hij in deze passage niet:
Wij zijn één.
Natuurlijk zijn we die uitspraak van Jezus al tegengekomen, waar Hij in hoofdstuk 10, vers 30, zei:
Ik en de Vader zijn Één.
in hoofdstuk 10, vers 30. Hoewel die uitspraak gemakkelijk verkeerd begrepen zou kunnen worden, gaat hij niet echt over de aard van de Drie-eenheid. Hij gaat er meer over dat Jezus en de Vader dezelfde missie hebben en eensgezind zijn. Maar hier vertelt Hij ons dat Hij in de Vader is en de Vader in Hem, zodat Hem zien niet anders is dan de Vader zien.
Hij zegt in vers 10:
Gelooft u niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken.
Let erop dat de woorden en de werken hier bij elkaar worden gezet. Jezus staat bekend om twee dingen: wat Hij zei en wat Hij deed, Zijn woorden en Zijn werken. Hij zegt dat geen van beide werkelijk van Hem is. De dingen die Ik gesproken heb, zijn niet werkelijk van Mij. Het is Mijn Vader Die ze zegt.
Dit is niet de eerste keer dat Jezus dit zei, want eerder in Johannes was er een moment waarop de mensen zich verwonderden en zeiden:
En de Joden verwonderden zich en zeiden: Hoe kent Hij de Schriften zonder daarin onderwezen te zijn?
Dit staat in hoofdstuk 7, vers 15. In Johannes 7, vers 15, staat:
En de Joden waren verbaasd en zeiden: Hoe kan deze man zo veel weten zonder ooit gestudeerd te hebben?
Jezus antwoordde in vers 16 en zei:
16Jezus antwoordde hun en zei: Mijn onderricht is niet van Mij, maar van Hem Die Mij gezonden heeft. 17Als iemand de wil heeft om Zijn wil te doen, zal hij van dit onderricht weten of het uit God is, of dat Ik vanuit Mijzelf spreek.
Nu zegt Hij hier tegen de discipelen in de bovenzaal:
Ik spreek niet op eigen gezag. Het komt van Mijn Vader.
Daarom hoef je, als je de Vader wilt zien en de Vader wilt horen, alleen maar naar Mij te luisteren. Je hoort Zijn woorden uit Mijn mond komen. Als je ziet wat Ik doe, zie je wat God doet. Dat is wat Hij aan het einde van vers 10 zegt:
Gelooft u niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken.
De Vader doet Zijn werken door Mij heen. De Vader spreekt Zijn woorden door Mij heen en geeft Zijn onderwijs door Mij heen. Alles wat je aan Mij kunt waarnemen, of het nu is wat Ik doe of wat Ik zeg, maakt de Vader zichtbaar, omdat Hij die dingen door Mij heen doet.
Toen Jezus naar de aarde kwam, staat er in Filippenzen hoofdstuk 2, ontledigde Hij Zichzelf. In Filippenzen hoofdstuk 2 staat dat Jezus van tevoren in de gestalte van God bestond. De Engelse vertaling die hier wordt gevolgd, zegt dat Hij het aan God gelijk zijn niet beschouwde als iets waaraan Hij Zich moest vastklampen. Hij hield daar niet aan vast. In plaats daarvan staat er:
maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden.
Dat zeggen de New King James en de King James. Die lange zinsnede bestaat in het Grieks uit slechts twee woorden: Hij ontledigde Zichzelf. Hij ontledigde Zichzelf, nam de gestalte van een dienaar aan en verscheen in menselijke gedaante.
Toen Jezus naar de aarde kwam, ontledigde Hij Zichzelf. Hij was in de gestalte van God, maar daarna ontledigde Hij Zichzelf. Dat is het Griekse woord kenosis. De gedachte dat Jezus Zijn goddelijke voorrechten aflegde om mens te worden, wordt de kenosisleer genoemd. Jezus ontledigde Zichzelf en werd een mens, maar de Vader Die in Hem woonde, deed en sprak alles door Hem heen. Hij zegt dat hetzelfde voor ons kan gelden.
De belofte van grotere werken #
In vers 11 zegt Hij:
Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is , en zo niet, geloof Mij dan om de werken zelf.
Zoals ik al zei: als je Mij niet gelooft alleen omdat Ik het zeg, kijk dan naar de werken en zie of het de werken van God zijn of niet. Eerder had Hij al gezegd:
37Als Ik niet de werken van Mijn Vader doe, geloof Mij dan niet, 38maar als Ik ze doe en u Mij niet gelooft, geloof dan de werken, opdat u erkent en gelooft dat de Vader in Mij is en Ik in Hem.
Nu vers 12:
Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen naar Mijn Vader.
Dit vers brengt veel moeilijkheden met zich mee. Eén daarvan is dat het een algemene uitspraak lijkt te zijn over iedereen die in Hem gelooft. Dat zou, naar ik vertrouw, iedereen hier zijn, en iedere christen die oprecht in Hem gelooft. Als dit een uitspraak over iedere christen is, moeten we begrijpen wat er over iedere christen wordt gezegd. Wie in Mij gelooft, zal dezelfde werken doen als Ik, en grotere werken dan Ik. Hij zal de werken doen die Ik doe, en grotere werken dan Ik.
De werken waarvan we vaak denken dat Jezus ze deed, zijn zieken genezen, doden opwekken, over water lopen en water in wijn veranderen. Worden wij geacht deze werken te doen? Wordt iedere christen geacht ze te doen? Als Hij het over dit soort werken heeft, wat zou
13En wat u ook zult vragen in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden. 14Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.
dan in vredesnaam kunnen betekenen? Wat kan groter zijn dan doden opwekken? Wat kan groter zijn dan een melaatse reinigen, de ogen van blinden openen of over water lopen? Worden christenen zelfs geacht te proberen zich dingen voor te stellen die groter zijn dan deze wonderen, en vervolgens te verwachten dat ze die zullen doen? Ik ben er nog lang niet aan toe om zelfs maar die dingen te doen, laat staan iets wat nog groter is. Ik moet je eerlijk zeggen: zoals ik het boek Handelingen en het Nieuwe Testament in het algemeen begrijp, denk ik niet dat ik die dingen waarschijnlijk zal doen, in elk geval niet regelmatig. Als God mij in de toekomst ooit een of ander wonder laat doen, zal dat waarschijnlijk niet kenmerkend voor mijn bediening zijn, maar een bijzondere gebeurtenis. Jezus daarentegen deed voortdurend wonderen.
Wonderen als werk van de apostelen #
Het is door dit vers, en door niet veel anders, dat veel mensen de indruk krijgen dat alle christenen overal zieken horen te genezen, doden op te wekken en alles te doen wat Jezus deed. Toch was het zelfs in het Nieuwe Testament niet precies zo. De apostelen deden die dingen. En je zou misschien kunnen betogen dat Jezus, omdat Hij in een persoonlijk gesprek met Zijn apostelen is, met de woorden Wie in Mij gelooft, iedereen van jullie in deze kamer bedoelt:
Wie van jullie in Mij gelooft.
Dat wil zeggen: door geloof zullen jullie, Mijn apostelen, Mijn wonderen herhalen.
Dat is mogelijk. De bewoording kan zo worden opgevat, en dat haalt de druk een beetje van de rest van ons af. We denken: „Wat is er mis met mij? Ik heb in mijn hele leven nog niet één melaatse genezen.” We zouden dus kunnen zeggen dat dit misschien alleen voor de apostelen bedoeld is. Maar ik denk niet dat het alleen voor de apostelen bedoeld is. Het kan inderdaad in de eerste plaats voor de apostelen bedoeld zijn. En het kan zich uitstrekken tot anderen met een soortgelijke bediening, want in het boek Handelingen zie je dat er wonderen worden gedaan van hetzelfde soort als de wonderen die Jezus deed. Maar bijna altijd worden ze door de apostelen gedaan. Ik zeg „bijna”, omdat er op zijn minst een paar uitzonderingen zijn, zo niet drie.
In het Nieuwe Testament lezen we steeds weer dat de apostelen getuigden van de opstanding van Jezus en dat er door de handen van de apostelen grote tekenen en wonderen werden verricht. We lezen dat toen Paulus naar Efeze ging, volgens Handelingen 19 bijzondere wonderen door de handen van Paulus werden verricht. Zelfs schorten en zweetdoeken werden van zijn lichaam genomen en naar mensen gebracht die ziek of door demonen bezeten waren. De zieken werden genezen en de door demonen bezetenen werden bevrijd doordat ze deze voorwerpen van Paulus ontvingen.
Wondergaven buiten de apostelen #
In Handelingen 19:11 staat inderdaad dat dit bijzondere wonderen waren. Met andere woorden, Paulus deed dit soort dingen niet voortdurend. Dit waren geen gewone wonderen. Dit was iets bijzonders wat God door Paulus in Efeze deed. Hij deed dit niet door Paulus op elke plaats waar hij kwam, en ook niet door alle apostelen op elke plaats waar zij kwamen.
Jezus deed dat soort dingen wel. We lezen niet dat Hij zakdoeken en dergelijke rondstuurde, maar Jezus kon op afstand genezen. Jezus kon eenvoudig bevelen dat iemand genezen werd die Hij nog nooit had gezien en die zich in een naburige stad bevond, en die persoon werd dan genezen. Dus zelfs van deze bijzondere wonderen die Paulus deed, kon niet gezegd worden dat het grotere werken waren dan wat Jezus deed.
Naast de apostelen zijn er in het boek Handelingen nog drie bekende gevallen van mensen die wonderen verrichtten. De een was Filippus en de ander was Stefanus. Filippus en Stefanus waren beiden wat wij diakenen zouden noemen. Ze behoorden tot de zeven die waren gekozen om de tafels te bedienen, maar uiteindelijk waren zij ook actief in evangelisatie en geloofsverdediging, die door wonderen werden ondersteund. In Handelingen 6 lezen we dat Stefanus wonderen deed. In Handelingen 8 lezen we dat Filippus wonderen deed. En dan lezen we in hoofdstuk 9 over Ananias, een broeder in Damascus. Hij kwam en legde Saul de handen op, zodat Saul weer kon zien en met de Heilige Geest vervuld kon worden, nadat hij onderweg blind was geworden.
Die drie gevallen naast de apostelen zijn de enige werkelijk opgetekende gevallen in het Nieuwe Testament waarin andere personen dan de apostelen wonderen verrichtten. Het was duidelijk in de eerste plaats apostolisch werk, dat zich tot anderen kon uitstrekken als God dat wilde. Paulus zei in 1 Korinthe 12 dat er veel gaven van de Geest zijn. Onder de gaven die hij opsomde, zei hij:
Aan de een wordt geloof gegeven, aan een ander het verrichten van wonderen, aan een ander profetie en aan weer een ander het onderscheiden van geesten.
enzovoort. Aan één persoon, dat wil zeggen, aan sommige mensen, wordt het verrichten van wonderen gegeven.
Stefanus en Filippus behoorden duidelijk tot degenen die naast de apostelen die gave hadden. Maar zelfs in de gemeente van de eerste eeuw moet het betrekkelijk zeldzaam zijn geweest dat mensen wonderdoeners waren en de gave van wonderen hadden. Paulus kon in 2 Korinthe 12:12 namelijk over zulke wonderen spreken als de tekenen van een apostel.
Werken groter dan Jezus’ wonderen #
In 2 Korinthe 12:12 herinnert Paulus de Korinthiërs aan zijn bediening onder hen, die op het moment dat hij schreef nog niet zo lang geleden was. Hij zei:
De tekenen van een apostel zijn onder u verricht, in al mijn volharding, in tekenen, wonderen en krachten.
Hij sprak over de tekenen en wonderen die als apostolische tekenen dienden. Met andere woorden, als bewijs dat hij een apostel was.
Als allerlei christenen die geen apostel waren op grote schaal wonderen deden, dan zouden zulke wonderen nauwelijks als teken van het apostelschap kunnen dienen. Hoewel sommige mensen die geen apostel waren, zoals Stefanus en Filippus en enkele anderen, misschien de gave hadden om wonderen te doen, waren het voornamelijk de apostelen die dat deden. Waarschijnlijk was het in de eerste plaats iets apostolisch, zodat men werkelijk over zulke dingen kon spreken als een bevestiging van iemands aanspraak op het apostelschap.
Wanneer Jezus zegt:
12Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, zal de werken die Ik doe, ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, want Ik ga heen naar Mijn Vader. 13En wat u ook zult vragen in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden. 14Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.
weet ik niet of Hij daarmee grotere wonderen kan bedoelen dan de wonderen die Hij deed. Want als je alle wonderen van Jezus op een rij zet, is het moeilijk om je ook maar grotere wonderen voor te stellen. Hoewel er in het Oude Testament enkele bijzonder ontzagwekkende wonderen staan die Jezus nooit heeft verricht, zoals de zon stil laten staan, het drieënhalf jaar niet laten regenen, of de Rode Zee uiteen laten gaan zodat er droog land tevoorschijn kwam, heeft Jezus die specifieke dingen niet gedaan. Maar Hij liep wel over het water. Hij hoefde het niet uiteen te laten gaan en in droge grond te veranderen. Hij kon er gewoon bovenop lopen. Hij had wel gezag over het weer. Hij liet de regen niet drieënhalf jaar ophouden, maar Hij bracht wel op Zijn bevel een bepaalde storm tot bedaren.
Grotere werken door evangelieverkondiging #
Jezus deed zo ongeveer elk soort wonder dat je je maar kunt voorstellen, met uitzondering van onzinnige dingen. Alles wat Jezus deed, was redelijk. Alles wat Hij deed, was nuttig. Hij gaf hongerige mensen te eten en genas zieke mensen. De dingen die Hij deed, waren óf nuttig, óf op zijn minst symbolisch doordat ze een geestelijke les overbrachten, zoals toen Hij de vijgenboom vervloekte.
Wat zouden dan werken zijn die groter waren dan de Zijne? Hij zei niet dat het wonderbaarlijke werken zouden zijn, en toch denken we vaak dat Hij het daarover heeft. Als we denken aan de grote werken die Jezus deed, denken we aan Zijn wonderen. Maar werken betekent eenvoudigweg wat iemand in het algemeen doet. Zijn bezigheden en Zijn daden zijn Zijn werken. De werken van Jezus bestonden niet alleen uit het genezen van zieken enzovoort. Hij deed veel daarvan juist om het woord dat Hij predikte te bevestigen. Hij was in de eerste plaats een verkondiger van het Koninkrijk van God. Zijn wonderen dienden om te bevestigen dat het Koninkrijk van God gekomen was. Hij zei:
Maar als Ik door de Geest van God de demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij u gekomen.
Je kunt aan Zijn daden zien dat het Koninkrijk van God gekomen is. Om hen te laten weten dat de Zoon des mensen op aarde macht heeft om zonden te vergeven, zei Hij tegen de verlamde man:
Maar opdat u zult weten dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven (toen zei Hij tegen de verlamde): Sta op, neem uw bed op en ga naar uw huis.
Jezus deed deze wonderen om Zijn boodschap te bevestigen. Hij was in de eerste plaats de boodschapper, niet de wonderdoener. De wonderen waren een uitvloeisel van Zijn verkondiging van het Koninkrijk van God. Jezus verkondigde het Koninkrijk van God, maar Hij deed dat minder dan drie jaar in het openbaar, en Hij deed dat nooit buiten Zijn Joodse gemeenschappen. Hij ging nooit naar de heidenen.
De apostelen zouden echter hetzelfde werk van prediking doen als Hij en dat bevestigen met tekenen die erop volgden, maar zij zouden dat op veel grotere schaal doen dan Hij. Hij bereikte slechts een zeer beperkt publiek. Hij had maar een beperkt gebied bereisd. Hij had tot een betrekkelijk klein aantal mensen gepredikt — duizenden, ja, maar nog altijd betrekkelijk weinig vergeleken met wat de apostelen later zouden doen. Zij zouden hele steden en hele landen bereiken buiten de plaatsen die Jezus had bereikt. Als we daar uiteraard de evangelisten en zendelingen met gaven bij rekenen die de gemeente sindsdien heeft gehad, hebben zij miljoenen, en zelfs miljarden, mensen met het evangelie bereikt.
Christus’ lijden voortgezet in Zijn lichaam #
De verspreiding van het Evangelie was het voornaamste werk waarvoor Jezus gekomen was. De wonderwerken enzovoort dienden als bevestiging van Zijn boodschap. De apostelen zouden eropuit gaan en hetzelfde werk doen als Jezus. Zij zouden het Evangelie prediken en hun boodschap bevestigen met tekenen die erop volgden. Dat staat in het laatste vers van Markus 16. Markus 16:20 zegt dat de discipelen overal heen gingen en het Evangelie predikten, terwijl de Heere met hen meewerkte en hun woord bevestigde door de tekenen die erop volgden. Zoals de Vader de woorden van Jezus bevestigde door tekenen en wonderen te geven, zo bevestigde Jezus de woorden van de apostelen door tekenen en wonderen te geven. Zij deden het werk dat Jezus deed, maar zij deden het op grotere schaal. Zij deden grotere werken dan Jezus.
Sommige dingen die Jezus deed, konden niet worden geëvenaard, of konden beslist niet worden overtroffen, zoals het werk waarmee Hij de mensheid redde en haar door Zijn eigen dood verloste. De apostelen deden dat niet, hoewel zij hun eigen lijden wel zagen als een voortzetting van dat werk. Weet je nog wat Paulus in Kolossenzen 1 zei? Veel mensen breken zich het hoofd over deze merkwaardige uitspraak van Paulus. Paulus vertelt hoeveel hij lijdt, en in Kolossenzen 1:24 zegt hij:
Nu verblijd ik mij in mijn lijden voor u en vervul in mijn vlees wat overblijft van de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van Zijn lichaam, dat is de gemeente.
Paulus zegt dat hij in zijn vlees — hij bedoelt in zijn lichamelijke leven — aanvult wat er ontbreekt aan het lijden van Christus ten behoeve van de gemeente. Het is alsof Paulus van mening is dat het lijden van Christus nog niet helemaal voorbij is, want het lijden van Christus zal voortduren zolang Zijn volk lijdt. Weet je nog dat Paulus daarover een goddelijke openbaring ontving toen hij de vervolger was en Jezus op de weg naar Damascus aan hem verscheen?
Waarom vervolg je Mij?
Saul was zich er niet van bewust dat hij Jezus persoonlijk vervolgde. Hij dacht dat hij de discipelen van Jezus vervolgde. Maar we weten dat Jezus ergens anders zei:
En de Koning zal hun antwoorden: Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan.
Als je Mijn lichaam iets aandoet, doe je Mij iets aan. Als je Mijn hand, Mijn voet of Mijn teen iets aandoet, doe je Mij iets aan. Wanneer je christenen pijn doet, doe je Jezus pijn. Op de weg naar Damascus hoorde Saul dat rechtstreeks uit Jezus’ eigen mond. Jezus zei:
Waarom vervolg je Mij?
Dus hij besefte dat wanneer christenen vervolgd worden, Christus vervolgd wordt. Zijn lichaam lijdt nog steeds.
Waarvoor? Had Zijn lijden niet aan het kruis voltooid moeten zijn? Voor de verzoening door voldoening voor zonden wel. Alleen Jezus leed voor de verzoening door voldoening, maar wij lijden voor de verbreiding. Dat wil zeggen: bij het verbreiden van het Evangelie zal Jezus nog steeds met tegenstand te maken krijgen. Jezus ondergaat nog steeds lijden in de vervolging van Zijn volk. Paulus sprak blijkbaar alsof hij geloofde dat er een totale hoeveelheid lijden is die Jezus door Zijn gemeente heen moet ondergaan voordat het werk voltooid is. Paulus nam daar graag zijn deel van op zich. ‘Ik neem die last wel op me. Hoe meer ik ervan op me neem, hoe meer last ik een ander uit handen neem. Als er een bepaalde totale hoeveelheid lijden is die christenen moeten ondergaan, die Christus moet ondergaan voordat de wereld bereikt is en het Koninkrijk van God zich tot ieder volk heeft uitgebreid, laat mij dan mijn deel op me nemen. Ik verheug me erover dat ik in mijn lichaam zo veel als ik kan aanvul van wat nog ontbreekt aan wat Christus moet lijden ter wille van de gemeente.’
Jezus zet Zijn werk voort door de gemeente #
Dus zelfs het werk van lijden voor de verbreiding van het Evangelie was iets wat de apostelen op zich namen. Zij zetten dat werk voort door eveneens te lijden. Christus leed voor ons behoud, maar Hij lijdt nog steeds voor het behoud van mensen die het Evangelie nog niet hebben gehoord. Zij moeten het horen. Daarom zetten de apostelen hetzelfde werk voort dat Jezus deed, en sommigen van ons doen dat ook.
Ik geloof niet dat wie in Mij gelooft noodzakelijkerwijs iedere christen betekent. Ik geloof dat Hij in de eerste plaats sprak tot degenen die in de kamer waren: ‘Jullie hier, die in Mij geloven.’ Hij riep juist hen op om te geloven wat Hij in het vorige vers had gezegd. In vers 11 zegt Hij:
Geloof Mij, dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is , en zo niet, geloof Mij dan om de werken zelf.
En met de woorden ‘wie in Mij gelooft’ spreekt Hij hen aan en spoort Hij hen aan Hem te geloven: ‘Ieder van jullie die in Mij gelooft, zal dezelfde werken doen. Jullie zien de werken die Ik heb gedaan. Geloof Mij op grond van die werken en verwacht dat jullie ze zelf zullen doen. Verwacht dat jullie zelf hetzelfde zullen doen. Dat is wat jullie zullen gaan doen terwijl Ik weg ben. In feite zal Ik ze door jullie heen blijven doen, omdat jullie Mijn handen en voeten zullen zijn. Jullie zullen Mijn lichaam zijn.’
Dat is wat Lukas dacht toen hij het boek Handelingen schreef. In Handelingen, hoofdstuk 1, vers 1, verwijst Lukas naar zijn vorige boek, het Evangelie van Lukas. Het Evangelie van Lukas begon vóór de geboorte van Jezus en eindigde na Zijn opstanding. Het omvat dus het hele verhaal van het leven van Jezus op aarde. Over dat geschrift zegt Lukas:
Jezus’ vertrek en de komst van de Geest #
Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, over alles wat Jezus begonnen is te doen én te onderwijzen,
enzovoort.
Merk op dat hij het over het boek Lukas heeft. Hij zegt:
In dat boek heb ik alles beschreven wat Jezus begon te doen en te onderwijzen.
Opnieuw: wat Hij zei en wat Hij deed, Zijn werken en Zijn woorden. Over het boek Lukas zegt hij: ‘Ik begon het verhaal te vertellen over wat Jezus begon te doen en te onderwijzen.’ Daarmee zegt hij in feite: ‘In dit deel ga ik spreken over wat Hij bleef doen en onderwijzen.’ Maar Hij is nu naar de hemel gegaan, dus Hij zal door Zijn gemeente heen blijven handelen en onderwijzen. Dat is het verhaal dat Lukas daar wil vertellen. Zijn eerste boek ging over Jezus’ aanwezigheid op aarde. Dat was het begin van Zijn bediening. Na Zijn hemelvaart bestaat het andere deel van Zijn bediening erin dat Hij door Zijn volk heen handelt. Het is Zijn lichaam. Zij zijn Hem.
Dus Jezus zei: ‘Jullie hebben de werken gezien die Ik heb gedaan. Jullie zullen dezelfde werken doen. Jullie zullen die werken voortzetten, omdat Ik naar Mijn Vader ga.’ Nu kan ‘omdat Ik naar Mijn Vader ga’ twee mogelijke betekenissen hebben. De ene is: ‘Omdat Ik weg zal zijn, zullen jullie Mijn werk moeten voortzetten. Ik ga weg. Ik ga naar huis. Ik ga terug naar Mijn Vader. Dus jullie zullen de werken doen die Ik heb gedaan, omdat Ik weg zal zijn en iemand het moet doen. Jullie zullen het dus doen.’ Dat is een van de betekenissen: ‘Omdat Ik naar Mijn Vader ga, zullen jullie deze werken doen.’
Maar de andere mogelijkheid is:
Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb.
Dat is iets wat Hij ter sprake brengt in de context die direct hierna volgt. Vanaf vers 15 introduceert Hij het idee dat Hij de Heilige Geest zal zenden. De verzen 15 tot en met 17 vormen de eerste van vier of vijf passages in de rede in de bovenzaal die de Parakleetpassages worden genoemd. Ze gaan over de Parakleet, de Heilige Geest. Het punt is:
Bidden in de Naam van Jezus #
Omdat Ik naar de Vader ga, kan Ik jullie deze andere Trooster sturen. Als Ik niet ga, komt Hij niet. Omdat Ik ga, zal Hij komen. En omdat Hij zal komen en jullie de volheid van de Heilige Geest zullen ontvangen, zullen jullie de werken doen die Ik heb gedaan. Ik zal ze door Mijn Geest en door jullie heen blijven doen.
Dat is wat Hij bedoelt met:
omdat Ik naar Mijn Vader ga.
Opnieuw probeert Hij hun duidelijk te maken wat de gevolgen en verdere consequenties zijn van Zijn weggaan. Ze hebben niet gewild dat Hij wegging. Ze hadden niet eens geweten dat Hij weg zou gaan. Hij spreekt heel openlijk over het feit dat Hij hen gaat verlaten, en zij zeggen: ‘Wat? Waar gaat U heen? We begrijpen het niet. We dachten dat U de Messias was. Zou U niet de Romeinen verdrijven en het Koninkrijk oprichten? Wat doet U? Wat bedoelt U ermee dat U weggaat?’ Hij zegt:
Ik ga weg, maar jullie zullen hier Mijn plaats innemen. De Heilige Geest zal aan jullie gegeven worden. Mijn Geest zal aan jullie gegeven worden en dan zullen jullie het werk overnemen dat Ik heb gedaan. Jullie zullen hetzelfde werk doen, maar dan nog meer. In jullie leven zullen jullie meer bereiken voor de verspreiding van het Koninkrijk van God dan Ik in Mijn leven heb gedaan.
In vers 13 voegt Hij hier nog een andere vertroosting aan toe:
13En wat u ook zult vragen in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden. 14Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.
Strikt genomen werd dit alleen tegen de apostelen gezegd, dezelfde mensen tegen wie gezegd was dat zij grotere werken zouden doen dan Hij. Maar ik weet niet of het terecht zou zijn om dit tot de apostelen te beperken. De hele gemeente draagt beslist de Naam van Christus en mag daarom in Zijn Naam bidden.
Maar wat betekent het om in Zijn Naam te bidden? In vers 14 staat in sommige handschriften een extra woord. Volgens mij zul je dat aantreffen als je de New American Standard of de NIV hebt. Sommige handschriften luiden:
Als jullie Mij in Mijn naam iets vragen, zal Ik het doen.
De Vader vragen in Jezus’ Naam #
Wat de bewijskracht van de handschriften betreft, is het handschriftelijke bewijs voor het opnemen van het woord ‘Mij’ ongeveer even sterk als het bewijs voor het weglaten ervan. De handschriften die het bevatten, wegen ongeveer even zwaar als de handschriften die het niet bevatten. Wat de bewijskracht van de handschriften betreft, houden beide mogelijkheden elkaar in evenwicht.
Logischerwijs moet het woord ‘Me’ echter worden weggelaten, want je vraagt niet iets aan Mij in Mijn Naam. Dit is iets wat christenen in hoge mate verkeerd hebben begrepen. Het is namelijk heel gebruikelijk dat christenen bidden en zeggen: ‘Wij vragen dit in Uw Naam.’ Aan wie vraag je het? ‘Ik neem aan dat ik het aan Jezus vraag.’ Dus je vraagt iets aan Jezus in de Naam van Jezus? Wat betekent dat? ‘Ik weet het niet. Mij is gewoon geleerd zo te bidden.’ Misschien bid je tot de Vader. Dus je bidt tot de Vader in de Naam van de Vader? Waar heb je het over wanneer je zegt: ‘Ik vraag het U in Uw Naam’?
Daaruit blijkt dat je niet werkelijk begrijpt wat het betekent om iets in de Naam van Jezus te vragen. Je vraagt Jezus niet iets in Zijn Naam. Daarom is de uitspraak in vers 14:
De uitspraak ‘Wat jullie Mij ook in Mijn Naam vragen’ is onzinnig. De handschriften die ‘Me’ weglaten, moeten beslist de juiste zijn.
Voordat deze rede voorbij is, gaat Hij in hoofdstuk 16 vrij uitvoerig in op het bidden in Zijn Naam. In Johannes 16:23 zegt Hij:
En op die dag zult u Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.
Je zult niet iets aan Mij vragen. Je zult Mijn Vader iets vragen in Mijn Naam. Je zult de Vader niet iets vragen in de Naam van de Vader, en Jezus niet iets vragen in de Naam van Jezus. Je zult de Vader iets vragen in de Naam van Jezus.
Hij zegt:
Tot nu toe hebt u niets gebeden in Mijn Naam; bid, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap volkomen zal worden.
Dan zegt Hij in vers 26:
Op die dag zult u in Mijn Naam bidden, en Ik zeg u niet dat Ik de Vader voor u vragen zal,
Aan wie vraag je het? In vers 23 zei Hij:
Vraag het aan Mijn Vader.
Je zult Mijn Vader iets vragen in Mijn Naam. We zouden ‘de Vader’ kunnen invoegen, want dat is wat Hij in vers 23 zei:
Door Jezus toegang tot de Vader #
26Op die dag zult u in Mijn Naam bidden, en Ik zeg u niet dat Ik de Vader voor u vragen zal, 27want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij hebt liefgehad en hebt geloofd dat Ik van God ben uitgegaan.
Veel mensen geloven dat ze tot Jezus moeten bidden. Andere mensen geloven dat ze door Jezus tot de Vader moeten bidden, en ‘door Jezus’ betekent voor hen: ‘Ik praat met Jezus, en Hij kan er namens mij met de Vader over praten.’
Toen ik ongeveer twaalf jaar oud was, las ik een boek van een zeer bekende christelijke leider, en hij legde het op die manier uit. Hij zei: ‘Als ik een verzoek aan de president van de Verenigde Staten wilde doen, betwijfel ik of ik bij hem op audiëntie zou kunnen komen. Hij heeft belangrijkere mensen aan wie hij aandacht moet besteden, en ik ben niemand. Maar als ik persoonlijk bevriend zou zijn met zijn zoon, dan zou zijn zoon voor mij naar hem toe kunnen gaan. Ik zou met mijn vriend kunnen praten, en hij zou met zijn vader kunnen praten, want zijn zoon zou altijd toegang hebben tot zijn vader.’
Ik kreeg de indruk dat hij zei dat we tot de Vader bidden, niet door met de Vader te spreken, maar door met Jezus te spreken. We bidden tot Jezus, en Hij zal voor ons naar de Vader gaan en met Hem praten. Dat is precies wat Jezus zei dat Hij niet zou doen. Hij zei:
En op die dag zult u Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven.
Dat is niet wat hier zal gebeuren.
Dat is nu juist het hele punt. Jezus kwam niet om een buffer tussen ons en de Vader te zijn, zoals veel mensen aannemen. Hij kwam om ons tot de Vader te brengen. Dat is wat Hij zei in Johannes 14:6:
Jezus zei tegen hem: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.
Handelen met het gezag van Christus #
Maar door Hem kom je wel tot de Vader. Dat is het hele punt. Het hele doel van Jezus’ missie was wat in de gelijkenis van de verloren zoon wordt uitgelegd: de zoon ertoe brengen terug te keren naar de Vader. Kinderen die van hun Vader vervreemd zijn, moeten met hun Vader worden herenigd. Dat kwam Jezus doen: mensen terugbrengen naar God, terug naar de Vader. Niet om God in hun gedachten en in hun relatie te vervangen, maar om de weg te zijn waarlangs ze tot de Vader komen.
Wat betekent dat? Bedenk dat Paulus zei:
Want er is één God. Er is ook één Middelaar tussen God en mensen, de mens Christus Jezus.
Dat klinkt voor ons alsof ik met Jezus praat en Hij met de Vader praat. Dat is niet wat een middelaar is. Een middelaar zit met beide partijen aan dezelfde tafel. Wij komen door Jezus tot de Vader, maar Hij gaat niet in onze plaats. Door de verdiensten van Christus, die ons worden toegerekend, hebben wij toegang tot de Vader.
Christus is daar voortdurend. Hij is onze Voorbidder. Hij is Degene Die ons bij God aanbeveelt. Hij is Degene Die ons gemachtigd heeft om daar binnen te komen. Hij is Degene Wiens Naam wij dragen, omdat wij van Zijn vlees en van Zijn beenderen zijn. Wij zijn leden van Zijn lichaam. Zijn Naam is de onze. Wanneer wij voor God komen, komt Jezus voor God, omdat wij Zijn lichaam zijn. Wij zijn Zijn vlees en Zijn beenderen. Wij komen in de persoon van Christus, met het gezag van Christus, door Hem gemachtigd, en we bidden zoals Hij zou bidden.
Dat is wat bidden in Jezus’ Naam betekent. Net zoals handelen in de naam van iemand anders betekent dat je onder diens volmacht handelt zoals die persoon zou handelen. Die persoon geeft je een volmacht of iets dergelijks, en je ondertekent documenten voor hem, koopt dingen voor hem, verkoopt dingen voor hem en doet zaken voor hem. Je handelt in zijn naam. Dat betekent dat zijn volledige kredietwaardigheid achter je staat, zijn financiële middelen achter je staan, zijn reputatie achter je staat en zijn gezag achter je staat. Hij heeft je gemachtigd om in zijn naam te handelen. Maar het betekent natuurlijk dat je alleen de dingen hoort te doen waarvan hij wil dat ze gedaan worden. Je gebruikt zijn kredietwaardigheid, gezag en financiële middelen niet om eropuit te gaan en je eigen zelfzuchtige zin door te drijven. Je handelt namens hem. Dat is wat het betekent om in iemands naam te handelen.
Wie het gebed in Jezus’ Naam verhoort #
Wanneer we in Jezus’ Naam bidden, betekent dit dat we om dingen bidden die Hij zou goedkeuren. We bidden om dingen waar Hij Zelf om zou bidden. We doen dat in het besef dat het gezag van Christus en de toegang die Christus heeft, ons toebehoren. De Vader aanvaardt ons in Zijn tegenwoordigheid alsof wij Christus Zelf waren.
Hij zei:
23En op die dag zult u Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven. 24Tot nu toe hebt u niets gebeden in Mijn Naam; bid, en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap volkomen zal worden. 25Deze dingen heb Ik in beeldspraak tot u gesproken, maar de tijd komt dat Ik niet meer in beeldspraak tot u spreken zal, maar u openlijk de dingen over de Vader zal verkondigen. 26Op die dag zult u in Mijn Naam bidden, en Ik zeg u niet dat Ik de Vader voor u vragen zal, 27want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij hebt liefgehad en hebt geloofd dat Ik van God ben uitgegaan.
Je gaat niet naar iemand toe om in zijn eigen naam met hem te spreken. Wat betekent dat? Het slaat helemaal nergens op. Dus de handschriften waarin Jezus in Johannes 14:14 zegt:
Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.
doen een onzinnige uitspraak, die volkomen in strijd is met wat Jezus twee hoofdstukken later zei, in hoofdstuk 16, vers 23:
Op die dag zullen jullie Mij niets vragen. Jullie zullen het de Vader in Mijn naam vragen.
Toch is het, als je naar Johannes 14:13 en 14 kijkt, Jezus Die zal doen wat er gevraagd wordt. Misschien is dat de reden waarom een kopiist, een schriftgeleerde of zoiets, het woord ‘Me’ aan vers 14 heeft toegevoegd. Hij zegt in vers 13:
De Geest als grond van Jezus’ beloften #
En wat u ook zult vragen in Mijn Naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt zal worden.
Hij bedoelt: wat je de Vader vraagt.
Omdat Hij zegt:
Omdat Hij zegt: ‘Ik zal het doen’, zou iemand de indruk kunnen krijgen dat Hij Degene moet zijn aan Wie wij het vragen. We vragen het aan Jezus, omdat Hij zei dat Hij Degene is Die het zal doen. Hij zei ook in vers 14:
Als u iets vragen zult in Mijn Naam, Ik zal het doen.
Misschien is dat de reden waarom mensen aannemen dat wij tot Jezus bidden, omdat Hij Degene is Die in antwoord op onze gebeden zal handelen.
In zekere zin maakt het waarschijnlijk niet zo heel veel verschil, want Jezus zei:
Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij. Als jullie Mij zien, zien jullie de Vader.
Als je tot Jezus bidt, hoewel dat niet is wat Hij zei dat je moest doen — het is in feite in strijd met wat Hij zei dat je moest doen — is dat waarschijnlijk niet zo'n groot probleem. Maar Jezus wil dat Gods van Hem vervreemde kinderen bij God terugkomen.
Paulus zei:
God heeft in Christus de wereld met Zichzelf verzoend door hun overtredingen niet toe te rekenen, en heeft ons de bediening van de verzoening toevertrouwd.
Hij zegt:
Wij treden dan op namens Christus en roepen u op: Laat u met God verzoenen.
Dat zijn de laatste verzen van 2 Korinthe, hoofdstuk 5. De apostelen staan in de plaats van Christus en smeken de mensen zich met God te laten verzoenen, want dat is wat Jezus ons probeert te laten doen, en zij handelen in Zijn Naam.
Hij vertelt de discipelen hier dat zij Zijn Naam zullen hebben. Hij heeft de onderliggende grond voor al deze beloften nog niet uitgelegd. Hij zal opnieuw komen en bij hen zijn. Zij zullen macht hebben zoals Hij en Zijn werken verrichten, zoals Hij de werken van de Vader verrichtte. Ook zullen zij Jezus' Naam hebben en zal God die eren. Wat is de grond voor al die drie beloften? Dat is dat de Heilige Geest komt. Hij zegt in het volgende gedeelte:
De Geest maakt ons tot Christus’ lichaam #
En Ik zal de Vader bidden, en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Hij bij u blijft tot in eeuwigheid,
Dit is de Geest van de Waarheid. In vers 17 noemt Hij Hem de Geest van de Waarheid. In vers 26 noemt Hij Hem de Heilige Geest, de Parakleet:
Maar de Trooster, de Heilige Geest, Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u in alles onderwijzen en u in herinnering brengen alles wat Ik u gezegd heb.
Nu is de komst van de Heilige Geest de komst van de Geest van Christus om in ons te wonen. Hij legt dat zelfs uit in de verzen die volgen, en we zullen daarop terugkomen. Het is de komst van de Heilige Geest om in de christenen, in de gemeente, te wonen, waardoor Christus in zekere zin komt en altijd bij ons is. Wanneer Hij in Mattheüs 28 zegt:
En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Amen.
bedoelt Hij dat Hij in Zijn Geest altijd bij ons is.
Wanneer Hij in vers 18 zegt:
Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom weer naar u toe.
heeft Hij het in deze context over de Heilige Geest. Dit is de samenvatting van Zijn uitspraak:
Maar wanneer de Trooster is gekomen, Die Ik u zenden zal van de Vader, de Geest van de waarheid, Die van de Vader uitgaat, zal Die over Mij getuigen.
Hij zal op die manier, in die vorm, komen: door de komst van de Heilige Geest, de Geest van Christus.
Het is ook de Heilige Geest Die hen in staat zal stellen de werken van Christus te doen die Hij heeft beloofd. Het is ook de Heilige Geest Die ons het recht geeft in de Naam van Jezus te bidden. Vergeet niet dat Paulus zegt:
terwijl u bij elke gelegenheid met alle gebed en smeking bidt in de Geest en daarin waakzaam bent met alle volharding en smeking voor alle heiligen.
Judas zegt:
Maar u, geliefden, bouw uzelf op in uw allerheiligst geloof en bid in de Heilige Geest,
De Heilige Geest Die ons gegeven is, is Degene Die ons in staat stelt en ons het recht geeft in Jezus' Naam te bidden. Waarom? Omdat wij, wanneer de Heilige Geest ons gegeven wordt, deel worden van het lichaam van Jezus. De Heilige Geest plaatst ons in het lichaam van Christus, en het bezit van de Geest van Christus maakt ons tot Zijn lichaam.
De gemeente neemt Jezus’ werk over #
Toen Jezus op aarde was, zei Hij dat de Vader Hem, Jezus, de Geest zonder mate gaf. Maar toen Hij wegging, gaf Hij Zijn Geest aan ons, en ieder van ons heeft een mate. Ieder van ons is een deel van het lichaam. Het lichaam als geheel bezit, belichaamt en herbergt de Heilige Geest in dezelfde zin waarin het ene lichaam van Jezus dat deed toen Hij op aarde was. Maar de gemeente is nu Zijn lichaam, en het is het bezit van de Heilige Geest dat de gemeente tot het lichaam van Christus maakt.
Je menselijke geest bepaalt dat jij jij bent en dat elk deel van je lichaam bij jou hoort. Hoewel je die geest alleen in je hoofd waarneemt, bezielt diezelfde geest je hele lichaam. Wanneer je geest weg is, is je lichaam dood. Dat staat in Jakobus:
Want zoals het lichaam zonder geest dood is, zo is ook het geloof zonder de werken dood.
Jakobus zei dat in Jakobus, hoofdstuk 2. Wanneer je geest weg is, ben je dood. Alle delen van je lichaam zijn dood, omdat je menselijke geest elk deel van je lichaam bezielt en levend maakt. Wanneer de geest weg is, is het hele lichaam dood. Geen enkele cel leeft. Doordat elk deel van je lichaam in je geest deelt, is het een deel van jou, een deel van je leven en een deel van je persoon.
Het is de Heilige Geest Die ons als gemeente gezamenlijk gegeven is, Die ons tot het lichaam van Christus maakt. Het is onze positie als het lichaam van Christus die ons in de Naam van Christus toegang tot God geeft, omdat wij Hem zijn; wij zijn Zijn lichaam. Hij heeft ons Zijn Naam gegeven, omdat wij een deel van Hem zijn.
Van geestelijk lichaam naar kerkorganisatie #
Jezus heeft tot nu toe drie beloften gedaan. Hij zal weer komen om hen te troosten. Zij zullen de kracht krijgen om de werken te doen die Hij heeft gedaan. Ook zullen zij gemachtigd worden om in Zijn Naam te spreken en te bidden en antwoord te krijgen op gebeden die in Zijn Naam worden opgezonden. Al deze beloften worden verwezenlijkt door de komst van de Heilige Geest. Dat is het volgende wat Hij noemt, in vers 15 tot en met 17, en daar komen we nog op terug. Het wordt het hoofdthema van de rest van deze rede. Hij komt er telkens op terug. Er zijn ongeveer vijf verschillende alinea’s over de Parakleet, en al het andere wat Hij zegt, houdt verband met dat onderwerp.
Met andere woorden, Hij zegt dat er een ingrijpende verandering zal komen in de manier waarop het Koninkrijk van God wordt bestuurd. ‘Ik ben de Koning. Al die tijd dat jullie Mij kennen, ben Ik hier geweest,’ zegt Hij. ‘Ik ben hier geweest en heb gediend. Ik ben het lichaam van Christus geweest. Ik ben de tempel van de Heilige Geest geweest. Ik ben Degene geweest Die de werken van God deed. God was in Mij, en Ik deed de werken van God en sprak de woorden van God. Ik was dat allemaal Zelf. Nu ga Ik weg, en nu zullen jullie dat zijn, jullie allemaal gezamenlijk, als het lichaam. Jullie zullen het van Mij overnemen en verdergaan waar Ik ophoud.
‘Dat zal alleen mogelijk zijn doordat Ik alles wat Ik heb gedaan, door de Heilige Geest heb gedaan.
Maar als Ik door de Geest van God de demonen uitdrijf, dan is het Koninkrijk van God bij u gekomen.
Ik heb door de Geest van God onderricht gegeven.’ Dit zijn de dingen die de Bijbel over Jezus zegt. Hij werkte door de Geest van God. Hij zegt: ‘Nu ga Ik weg en zal Ik jullie die Geest geven. Dan zullen jullie Mij hier op aarde belichamen. Jullie zullen Mijn voortzetting op aarde zijn.’
Al deze dingen die Hij heeft beloofd, zullen dus werkelijkheid worden doordat deze andere Trooster tot hen zal komen, de Geest. Dat zal hen anders maken. Dat zal bepalend zijn voor hun unieke opdracht op aarde als gemeente. Het is werkelijk verdrietig, vanwege wat er sindsdien is gebeurd. De vroege gemeente belichaamde Jezus werkelijk. Toen de Heilige Geest kwam, deden zij alle dingen die Jezus deed. Toen Petrus en Johannes werden gearresteerd, staat er dat het Sanhedrin naar hen keek en tot de conclusie kwam:
ze konden zien dat ze bij Jezus waren geweest.
Het waren mensen die op Christus leken, en de hele gemeenschap van christenen leek op Christus. Dat was dus een getuigenis voor de wereld, en het Evangelie verbreidde zich met kracht, omdat er dit getuigenis was van de gemeente als geheel. Het was niet in de eerste plaats een getuigenis in woorden, maar het getuigenis van haar leven: zij belichaamden Jezus en lieten Jezus zien in hun onderlinge relaties.
En toch werd de kerk later geïnstitutionaliseerd. Zij werd een organisatie in plaats van een lichaam, een organisatie in plaats van een organisme. Daardoor werd het mogelijk haar als een machine te besturen. Je kon haar als een bedrijf besturen. Je kon een organisatieschema hebben waarin stond wie aan wie verantwoording moest afleggen. Je kon een groot, georganiseerd geheel hebben dat als een goed geoliede machine draaide. Je had zelfs helemaal geen Heilige Geest meer nodig. Je kon de bedrijvigheid van de kerk eenvoudig gaande houden op een professionele, organisatorische manier die soepel functioneerde.
Dat is altijd gemakkelijker dan wandelen in de Geest. Het is dan ook geen verrassing dat de kerk in de loop van de eeuwen veranderde van deze geestelijke gemeenschap, dit geestelijke geheel, in een organisatie die precies op een werelds bedrijf leek. In plaats van dat de Geest van God veel van haar dienaren kracht gaf, waren veel van haar dienaren eenvoudig aan theologische opleidingen geschoold om het werk van de kerk te doen en de machine te besturen. Ze leerden dat zoals ze ook hadden kunnen leren om architect, arts of loodgieter te worden: hoe ze het gereedschap van het vak moesten gebruiken om de machinerie draaiende te houden.
Zo ging de kerk meer op een machine lijken dan op een familie, meer op een organisatie dan op een lichaam. De Geest was niet meer nodig. Omdat men niet werkelijk de Geest zocht en ongeestelijk werd, begon men theologieën te bedenken die zeiden dat we de Geest eigenlijk niet hoeven te zoeken, omdat dat gewoon automatisch gebeurt. Iedereen die christen is, heeft gewoon de Geest, en daarom hoef je de kracht van de Geest niet te zoeken. Alles wat wij organisatorisch doen, is de kracht van de Geest. Toch lijkt het niet erg op het werk van de Geest in het boek Handelingen of in het leven van Jezus.
We hebben dus genoegen genomen met een mechanistische opvatting van de gemeente, in plaats van de opvatting van de gemeente als lichaam, waarbij de Geest van het Hoofd ieder lid van het lichaam tot leven moet brengen. Dit is wat Jezus hun zei dat er tot stand zou komen. Hij had gelijk; het gebeurde inderdaad op die manier. Het is alleen zo verdrietig om nu, achteraf, te zien hoe de kerk daarvan is afgeweken en niet inziet dat de vervulling met de Heilige Geest wezenlijk noodzakelijk is om werkelijk het werk te doen waartoe christenen geroepen zijn.
Hier zet Jezus dit voor het eerst voor de discipelen uiteen. Tot op dat moment hadden zij hier werkelijk geen enkel begrip van. Misschien is dat de reden dat deze rede zo lang is: Hij probeert het hun echt in te prenten. Dit zou Zijn laatste gelegenheid zijn om dat te doen. Na Zijn opstanding zou Hij het, neem ik aan, opnieuw kunnen doen, maar eerst moesten ze door de crisis heen die onmiddellijk voor de deur stond. In wezen gaf Hij hun al deze verschillende vertroostingen die ze nodig zouden hebben wanneer Hij hen verliet. We komen hier bij vers 15 op terug.
Herkomst
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als John 14:7 - 14:14. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/johannes/14-7-14
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/johannes/14-7-14.pdf
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 29 - 14.7-14.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/johannes/14-7-14.mp3
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 29 - 14.7-14.mp3
Johannes
Alle lezingen over Johannes. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Inleiding Auteur, datum en betrouwbaarheid van Johannes
- 2 1:1-9 Het Woord: Jezus vóór zijn geboorte in Bethlehem
- 3 1:10-18 Waarom de wereld het Woord niet herkende
- 4 1:19-51 Johannes wijst naar het Lam van God
- 5 2:1-12 Bruiloft in Kana: water wordt wijn
- 6 2:13-25 Jezus jaagt handelaars uit de tempel
- 7 3:1-12 Nicodemus komt 's nachts en hoort over wedergeboorte
- 8 3:13-36 Johannes 3:16 en het getuigenis van de Doper
- 9 4:1-26 Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de put
- 10 4:27-42 Samaritaanse vrouw vertelt stad over Jezus
- 11 4:43-5:23 Zoon geneest op afstand, gelijkheid met de Vader
- 12 5:17-47 Jezus verdedigt zijn werk op de sabbat
- 13 6:1-21 Vijfduizend gevoed, en Jezus loopt over het water
- 14 6:22-45 Werk voor het brood dat blijft tot in het eeuwige leven
- 15 6:46-71 Vlees eten en bloed drinken: wat Jezus bedoelt
- 16 7:1-31 In het geheim naar het feest, en verdeeldheid in Jeruzalem
- 17 7:32-52 Jezus belooft levend water, men is verdeeld
- 18 8:1-11 Jezus veroordeelt de overspelige vrouw niet
- 19 8:12-59 Jezus is het Licht van de wereld
- 20 9 De blindgeborene ziet, de Farizeeën niet
- 21 10:1-21 Jezus als deur en herder van de schapen
- 22 10:22-42 Jezus’ schapen zijn veilig in Zijn hand
- 23 11:1-44 Jezus wekt Lazarus op uit de dood
- 24 11:45-12:19 Kajafas: Jezus sterft voor het volk
- 25 12:20-50 Jezus’ dood draagt veel vrucht
- 26 13:1-17 Jezus wast de voeten van zijn discipelen
- 27 13:18-13:38 Jezus voorzegt verraad en verloochening
- 28 14:1-14:6 God maakt Zijn woning in gelovigen
- 29 14:7-14 Wie Jezus ziet, ziet de Vader
- 30 14:15-31 Jezus komt terug in de Heilige Geest
- 31 15:1-8 Jezus is de wijnstok, wij zijn de ranken
- 32 15:9-27 Jezus’ vrienden: geliefd en gehaat
- 33 16 Jezus vertrekt, de Geest komt
- 34 17 Jezus bidt voor Zijn discipelen
- 35 18 Jezus gearresteerd en door Petrus verloochend
- 36 19 Jezus veroordeeld, gekruisigd en begraven
- 37 20 Jezus staat op en verschijnt aan de discipelen
- 38 21 Jezus herstelt Petrus bij het meer
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/johannes/14-7-14.srt
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Johannes - Lezing 29 - 14.7-14.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/johannes/14-7-14.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Johannes 14:1
- Johannes 14:5
- Johannes 14:6-7
- Johannes 14:8
- Johannes 14:9-11
- Johannes 14:12-14
- Johannes 14:19
- Johannes 14:28
- Johannes 14:7
- Psalmen 103:8
- Johannes 14:9
- Openbaring 6:16
- Hebreeën 1:1-3
- Kolossenzen 1:15
- Johannes 10:30
- Johannes 14:10
- Johannes 7:15
- Johannes 7:16-17
- Filippenzen 2:7
- Johannes 14:11
- Johannes 10:37-38
- Johannes 14:12
- Johannes 14:13-14
- 1 Korinthe 12:9-10
- 2 Korinthe 12:12
- Mattheüs 12:28
- Mattheüs 9:6
- Kolossenzen 1:24
- Mattheüs 25:40
- Handelingen 1:1
- Johannes 14:26
- Johannes 16:23
- Johannes 16:24
- Johannes 16:26
- Johannes 16:26-27
- Johannes 14:6
- 1 Timotheüs 2:5
- Johannes 16:23-27
- Johannes 14:14
- Johannes 14:13
- 2 Korinthe 5:19
- 2 Korinthe 5:20
- Johannes 14:16
- Mattheüs 28:20
- Johannes 14:18
- Johannes 15:26
- Efeze 6:18
- Judas 1:20
- Jakobus 2:26