Hebreeën 10
Christus offert Zichzelf eens en voorgoed
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/hebreeen/10.pdf?v=4bc3ac025d05. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/hebreeen/10.
Samenvatting
Christus’ eenmalige offer en de waarschuwing om Hem niet te verlaten.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt hoe het eenmalige offer van Christus de zonden wegneemt en het geweten reinigt, terwijl de herhaalde dierenoffers dat nooit konden doen. Hij legt uit hoe dit voltooide werk gelovigen vrijmoedigheid geeft om tot God te naderen en bespreekt de aansporing om elkaar tot liefde, goede werken en trouw aan Christus te bemoedigen. De waarschuwing tegen opzettelijk zondigen betreft volgens hem het bewust verlaten van Christus om terug te keren naar het Joodse offerstelsel, waar geen geldig offer meer te vinden is. Hij verbindt het aangekondigde oordeel met de verwoesting van Jeruzalem en benadrukt dat ook werkelijk geheiligde gelovigen worden gewaarschuwd tegen afval en opgeroepen worden te volharden.
De offers kunnen het geweten niet reinigen #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Hebreeën 10.
In Hebreeën hoofdstuk 10 zullen we twee verschillende dingen tegenkomen. Het eerste is de afronding van de gevolgtrekkingen uit wat hoofdstuk 9 besprak: het offer van Christus, Zijn vervulling van de typologie van de Grote Verzoendag. Daar zal het in grote lijnen tot ongeveer vers 25 over gaan. Daarna volgt in de rest van het hoofdstuk opnieuw een van de waarschuwende gedeelten. Dit is het vierde van de vijf gedeelten in Hebreeën waarin de schrijver zijn onderwerp onderbreekt om opnieuw te waarschuwen, krachtig te waarschuwen tegen terugvallen, tegen het verlaten van het geloof. Beide zullen we in dit hoofdstuk tegenkomen.
In hoofdstuk 10, vers 1, staat:
Want de wet, die slechts een schaduw heeft van de toekomstige heils goederen en niet het wezen van de dingen zelf, kan nooit met dezelfde offers, die zij jaar in jaar uit ononderbroken brengen, hen die naderen tot volmaaktheid brengen.
Dat woord zijn we in de vorige bijeenkomsten al tegengekomen.
Opnieuw bedoelt hij dat die offers je geweten niet volmaakt kunnen maken, omdat ze ieder jaar worden herhaald. Hij zegt hier niet ‘geweten’, maar dat heeft hij al gezegd in hoofdstuk 9, vers 9. Daar zei hij in wezen hetzelfde, alleen voegde hij het woord ‘geweten’ aan de zin toe.
Deze was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd. In overeenstemming daarmee werden er gaven en slachtoffers geofferd die niet in staat waren om hem die de dienst verrichtte, wat zijn geweten betreft tot volmaaktheid te brengen.
Ik ben er zeker van dat hij hier dezelfde gedachte voor ogen heeft, al gebruikt hij minder woorden, omdat hij al heeft verduidelijkt wat hij met ‘volmaakt’ bedoelt. De herhaling van de offers, jaar na jaar, en met name de jaarlijkse offers op de Grote Verzoendag, bracht de zaak nooit tot een definitieve afhandeling. Als de zaak nooit werkelijk definitief is afgehandeld, kan je geweten ook nooit werkelijk definitief tot rust komen.
Zou er anders niet een einde gekomen zijn aan het offeren? Want zij die de dienst verrichtten, zouden zich dan in geen enkel opzicht meer bewust zijn van zonden, wanneer zij eens en voor altijd gereinigd waren.
Dat wil zeggen: als ze werkelijk alles tot stand brachten wat nodig was, waarom zouden ze die dan het volgende jaar en het jaar daarop weer brengen? Zouden ze het dan niet gewoon één keer doen, en daarmee zou het gedaan zijn? Waarom zouden ze niet ophouden die offers te brengen als die werkelijk aan alle vereisten hadden voldaan?
Hun geweten zou dus gereinigd en volmaakt zijn als het offer de zaak definitief had afgehandeld.
3Maar nu wordt men door deze offers elk jaar opnieuw aan de zonden herinnerd. 4Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt.
Hier hebben we de aanwijzing dat het offerstelsel de zonden sowieso nooit werkelijk wegnam. Die offers beeldden alleen iets af wat later zou komen en dat wel kon, namelijk het offer van Christus.
Het lichaam van Christus in Psalm 40 #
Daarom zegt Hij bij Zijn komst in de wereld: Slachtoffer en graanoffer hebt U niet gewild, maar U hebt voor Mij een lichaam gereedgemaakt.
En nu volgt een citaat uit Psalm 40, vers 7 tot en met 9. Hij stelt het voor alsof Christus dit zegt wanneer Hij in de wereld komt. Als je Psalm 40 leest, klinkt het eigenlijk alsof David dit over zichzelf zegt. In zekere zin zou David dit heel goed over zichzelf kunnen zeggen, al is het niet helemaal in dezelfde mate op hem van toepassing als op Christus. David spreekt als type van Christus die dingen uit die op Christus van toepassing zijn. In zekere zin zijn ze meer op Christus van toepassing dan op David.
We kijken hier naar de weergave in de Septuaginta. In het Hebreeuws staat:
7U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en graanoffer, U hebt Mijn oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist. 8Toen zei Ik: Zie, Ik kom, in de boekrol is over Mij geschreven. 9Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen; Uw wet draag Ik diep in Mijn binnenste.
Met ‘U hebt mijn oor geopend’, zoals de spreker de Hebreeuwse woorden weergeeft, kan bedoeld zijn: ‘U hebt mij in staat gesteld om te horen.’ Mijn oren zaten dicht, maar nu zijn ze open; nu kan ik U horen. Of het openen van het oor kan slaan op het maken van een gat in de oorlel, zoals wanneer iemand vrijwillig levenslang slaaf wordt. Die kreeg de priem door het oor en de ring. Het openen van het oor kan verwijzen naar het maken van een opening in de oorlel waar een ring doorheen kon. Dat suggereert: ‘U hebt mij tot Uw dienaar gemaakt. U hebt mij in een positie gebracht die voor mij eigenlijk een vrijwillige positie van levenslange dienstbaarheid is.’
In het Hebreeuws is het niet eens duidelijk hoe ‘U hebt mijn oor geopend’ bedoeld is. Maar de vertalers van de Septuaginta hebben dit lang voordat Christus in de wereld kwam vertaald. Ze vervingen ‘U hebt mijn oor geopend’ door ‘U hebt voor Mij een lichaam gereedgemaakt’.
Ik weet niet zeker hoe ze dat rechtvaardigden, en ik weet niet zeker wat ze daarbij dachten. Het is mogelijk dat de Hebreeuwse tekst waarmee ze werkten daadwerkelijk zei: ‘U hebt voor Mij een lichaam gereedgemaakt’, en dat latere Hebreeuwse handschriften, de handschriften die wij hebben, dat hebben veranderd in: ‘U hebt mijn oor geopend.’
Het is moeilijk te weten wat er oorspronkelijk stond. Het is verwarrend voor wie erop staat dat te weten. Gelukkig heb ik in de loop van de jaren geleerd om bij zoiets te zeggen: we kunnen het niet weten, dus zo heel veel doet het er niet toe.
Maar de manier waarop het hier wordt aangehaald, is in elk geval goedgekeurd. Of het lang geleden oorspronkelijk zo in het Hebreeuws is gezegd of niet, zo stond het in de Bijbel op het moment dat de schrijver van Hebreeën schreef. God had voor Jezus een lichaam bereid. Dat wil zeggen: Hij had Hem een middel bereid om naar de aarde te komen en onder ons te leven, omdat de offers en offergaven van het oude stelsel eenvoudigweg niet toereikend waren, God niet behaagden.
God verlangt een toegewijd hart boven offers #
Het is interessant dat David zoiets kon schrijven, zelfs als hij zei:
Je hebt mijn oren geopend, en iets bedoelde als: ‘U hebt mij tot Uw dienaar gemaakt, of U hebt mij in staat gesteld te horen wat U te zeggen hebt’, of wat dan ook. Wat David er ook mee bedoelt, hij leefde onder het oude stelsel, duizend jaar voordat het werd afgeschaft, en toch zei hij dat God geen offers en gaven verlangde. Die indruk zou je zeker niet krijgen als je de wet las. Als je Leviticus leest, zou je zeker niet de indruk krijgen dat God geen offers en gaven verlangde. Het lijkt erop dat Hij daar juist heel veel naar verlangde.
Dit is een voorbeeld van hoe David door inspiratie zijn tijd ver vooruit was. Hij begreep dingen over God die je nooit alleen door het lezen van de wet te weten zou zijn gekomen. Maar het interessante is dat David ons in de Psalmen vertelt dat hij dag en nacht over de wet nadacht. Hij raadde mensen aan dag en nacht over de wet na te denken. Maar doordat hij over de wet nadacht, openbaarde God hem dingen die dieper gingen dan wat je bij oppervlakkig lezen zou ontdekken. Als je de wet oppervlakkig leest, denk je dat het God alleen maar om offers en gaven gaat. Maar als je er dag en nacht over nadenkt, kon de Heilige Geest blijkbaar zelfs in de tijd van het Oude Testament aan iemand als David, een man naar Gods hart, openbaren dat dit niet werkelijk is waar Gods belangstelling naar uitgaat.
David zegt het niet alleen in Psalm 40, maar ook op een plaats die wat de inhoud van de uitspraak betreft nog veelzeggender is: Psalm 51, die hij schreef nadat hij met Bathseba had gezondigd. Hij was zich dus heel sterk bewust van zijn zondigheid. Hij bevond zich precies in de situatie waarin een Jood onder het oude stelsel zou denken: ‘Ik moet offers brengen.’ Het probleem is dat onder het oude stelsel geen enkel offer toereikend zou zijn voor zo'n zonde. Maar in Psalm 51, zijn psalm van bekering, zegt hij in vers 16 en 17:
18Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen; in brandoffers schept U geen behagen. 19De offers voor God zijn een gebroken geest; een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
Dus zelfs onder het offerstelsel zou een man als David, die God zo goed kende, erkennen: deze offers, deze rituelen, daar wordt U niet blij van, God. U bent niet zo'n God Die daar evenveel om geeft als om iemands hart. Een gebroken geest, een verbrijzeld hart, een nederige geest is veel meer het offer waarnaar U op zoek bent.
David schreef dat niet alleen in Psalm 51, maar ook in Psalm 40. Maar over deze passage in Psalm 40 vertelt de schrijver van Hebreeën ons dat David hier eigenlijk als het ware namens Christus spreekt. Christus kwam omdat God inderdaad geen behagen had in offers en gaven. Uiteindelijk niet. Het was niet genoeg. Hij wilde iets meer. Wat Hij meer wilde, was dat Jezus Zichzelf zou offeren. Daarom bereidde Hij voor Hem een lichaam. Vers 6:
Brandoffers en offers voor de zonde hebben U niet behaagd.
Het is opnieuw interessant wat dit betekent voor bepaalde hedendaagse opvattingen van bepaalde christenen. Ik heb al genoemd dat er christenen zijn die geloven dat de tempel in de eindtijd met Gods zegen hersteld zal worden. En het zijn er eigenlijk heel veel; het is een belangrijke opvatting onder veel evangelische christenen. In het duizendjarig rijk zal er een tempel zijn, met dierenoffers en Levitische priesters die ze brengen. Dit is gebaseerd op een bepaalde toepassing van de laatste hoofdstukken van Ezechiël en het laatste hoofdstuk van Zacharia, die dat naar mijn mening niet leren. Maar sommigen zien het wel zo.
Dan moet je je afvragen: als Jezus terugkomt en een duizendjarig koninkrijk vestigt, en ze de tempel en de dierenoffers weer gaan instellen enzovoort, waarom dan? Hij heeft ze al vervuld. Sterker nog, Hij heeft er nooit enig behagen in gehad. Het is niet alleen zo dat ze onnodig zijn; ze waren zelfs nooit wenselijk. God heeft nooit enig behagen in die dingen gehad. Waarom zou Hij, nadat Jezus terugkomt, het stelsel opnieuw instellen waarvan de Schrift getuigt dat Hij er geen behagen in had? Zowel het Oude als het Nieuwe Testament vertelt ons dat.
Christus als onderwerp van het Oude Testament #
Vers 7:
Toen zei Ik: Zie, Ik kom — in de boekrol is over Mij geschreven — om Uw wil te doen, o God.
Volgens mij luidt de volgende regel in de Psalmen:
‘Uw wet is in Mijn hart.’
Wanneer Hij zegt:
In de boekrol staat over Mij geschreven, dan kunnen wij, als we dit zien als woorden van Christus, erkennen dat dit waar is in een betekenis waarin het niet noodzakelijkerwijs voor David zou gelden. Dat wil zeggen: de hele openbaring van het Oude Testament, het boek, gaat over Jezus. Jezus is het onderwerp, vanaf de allereerste hoofdstukken.
Zelfs bij de zondeval in Genesis 3 staat de voorspelling:
het nageslacht van de vrouw zou de kop van de slang vermorzelen,
wat christenen herkennen als een voorspelling over Christus. Je ziet Christus uitgebeeld in typen en schaduwen en wetten, in profetieën over Hem, de messiaanse profetieën, en zelfs in persoonlijke verschijningen, in theofanieën. Er zijn allerlei verschillende manieren waarop Jezus in het Oude Testament te zien is. Hij is de boodschap van het Oude Testament, de Messias Die zou komen.
Dus wanneer Jezus zegt:
In de boekrol staat over Mij geschreven, dan zouden we Hem zo kunnen begrijpen dat Hij zegt: ‘Ik ben eigenlijk het onderwerp van het hele boek.’ David kon dat niet in precies dezelfde betekenis over zichzelf zeggen. Hij is niet het onderwerp van het hele boek van het Oude Testament.
Maar hij zou kunnen zeggen: ‘God heeft mij betekenis gegeven als koning van Israël en heeft mij beloofd dat mijn nageslacht voor altijd in Zijn Koninkrijk zal regeren’, enzovoort. David zou als voorvader van de Messias zijn eigen betekenis kunnen zien als iets wat verband houdt met de hele strekking van de oudtestamentische openbaring.
Christus vervangt het oude offerstelsel #
Hoe dan ook, wat de schrijver hier met dit vers duidelijk wil maken, is dat dit vers van twee afzonderlijke dingen getuigt. Het ene is een offerstelsel waarin God geen behagen heeft. Het andere is de laatste regel van vers 7:
Toen zei Ik: Zie, Ik kom — in de boekrol is over Mij geschreven — om Uw wil te doen, o God.
De schrijver van Hebreeën wil die twee dingen tegenover elkaar stellen, en dat doet hij in vers 8:
Daarvoor had Hij gezegd: Slachtoffer en graanoffer en brandoffers en offers voor de zonde hebt U niet gewild en zij hebben U niet behaagd, hoewel zij overeenkomstig de wet worden gebracht.
Dan voegt de schrijver ertussen:
die volgens de wet worden geofferd.
Hij zegt dus dat God geen behagen had in die dingen uit de wet. De wet was niet wat God wilde.
Toen zei Hij:
‘Zie, Ik ben gekomen om Uw wil te doen, o God.’
Als God geen behagen had in de offers van de wet, dan was dat niet werkelijk Zijn uiteindelijke wil. Het was een voorlopige regeling voor die tijd. Maar Zijn wil was iets wat verder gaat dan dat, iets anders dan dat. Hij stelt datgene waarin God geen behagen heeft tegenover datgene wat Gods wil is. Waarin heeft God behagen? Waarin God behagen heeft, is wat Jezus kwam doen:
‘Ik ben gekomen om Uw wil te doen.’
De schrijver van Hebreeën heeft daarin dus gezien dat de wil van God die in Christus wordt gedaan, datgene is waarin God werkelijk behagen had. In de wet en de offers van daarvoor niet zozeer.
Hij zegt in vers 9:
Daarna sprak Hij: Zie, Ik kom om Uw wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg om het tweede daarvoor in de plaats te zetten.
Met ‘het eerste’ bedoelt hij het offerstelsel. Dit is weer een uitspraak die lijkt op hoofdstuk 8, vers 13, waar staat dat de komst van het nieuwe verbond het oude verouderd heeft gemaakt. Deze uitspraak maakt duidelijk dat het nieuwe verbond niet zomaar iets is wat aan het oude wordt vastgeplakt. Hij neemt het oude weg om het nieuwe in te stellen. Je kunt er niet twee tegelijk hebben. Je kunt niet het wettelijke stelsel van Israël van kracht laten zijn en tegelijk het nieuwe verbond van kracht laten zijn. Hij neemt het oude weg om het nieuwe, het tweede, in te stellen.
‘Op grond van die wil’ — hij gebruikt hier het woord ‘wil’, omdat hij dat herhaalt uit het slot van het citaat:
‘Ik ben gekomen om Uw wil te doen, o God.’
Welke wil? Wat Jezus deed, was die wil. Door die wil van God zijn wij geheiligd. Doordat Jezus de wil van God deed, de uiteindelijke wil van God, zijn wij geheiligd:
Op grond van die wil zijn wij geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus, eens en voor altijd gebracht.
Dit ‘eens voor altijd’ is een uitdrukking die hiervoor al een paar keer is gebruikt. Dat is natuurlijk opzettelijk, om een tegenstelling te vormen met de steeds terugkerende noodzaak van offers onder het oude stelsel.
Vers 11 tot en met 14:
Iedere priester staat dagelijks dienst te doen en brengt telkens dezelfde offers, die nooit zonden kunnen wegnemen. Maar Christus is, nadat Hij één offer voor de zonden had gebracht, voor altijd aan de rechterhand van God gaan zitten. Sindsdien wacht Hij totdat Zijn vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten worden gemaakt. Want met één offer heeft Hij de gewetens van hen die geheiligd worden voor altijd volmaakt.
Ik voeg de woorden ‘de gewetens van’ toe, omdat hij de volmaaktheid in de eerdere passages zo nader heeft omschreven.
14Want met één offer heeft Hij hen die geheiligd worden, tot in eeuwigheid volmaakt. 15En de Heilige Geest getuigt het ons ook. 16Want na eerst gezegd te hebben: Dit is het verbond, dat Ik met hen na die dagen zal sluiten, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun hart geven en Ik zal die in hun verstand schrijven,
Hij herhaalt opnieuw de passage uit Jeremia 31, uit hoofdstuk 8. Toen Hij zei:
Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.
Dan voegt Hij eraan toe:
en aan hun zonden en hun wetteloze daden zal Ik beslist niet meer denken.
‘Waar er nu vergeving voor is’ — waarvoor? Voor de zonden en wetteloze daden die in vers 17 worden genoemd. Waar vergeving is van zonden en wetteloze daden,
Waar er nu vergeving voor is, is er geen offer voor de zonde meer nodig.
Wat hij zegt, is natuurlijk dat wij geen verdere offers brengen zoals zij dat toen deden. Zelfs Jezus doet dat niet. Hij heeft eens voor altijd geofferd.
Het voltooide werk van Christus geeft rust #
De tegenstelling tussen staan en zitten in de verzen 11 en 12 is opzettelijk. Iedere priester in het Oude Testament staat. Hij gaat eigenlijk niet zitten. Hij staat alleen maar dagelijks dienst te doen, en brengt telkens weer dezelfde offers, die in werkelijkheid nooit een einde maken aan het stelsel. Ze volbrengen nooit wat er moet gebeuren, nemen nooit werkelijk zonden weg. Dus moet de priester blijven staan, want je gaat pas zitten als je werk klaar is, en het werk van de priester is nooit klaar.
Hij beweert natuurlijk niet dat priesters letterlijk nooit gingen zitten. Hij schetst hier een algemeen beeld. Je ziet de priesters in het Oude Testament niet vaak zitten, zeker niet wanneer ze aan het werk zijn. Ze hebben eigenlijk nooit het laatste offer gebracht. Daarom moeten ze blijven staan en offers blijven brengen totdat er iets gebeurt dat definitiever is. Maar hij zegt dat Jezus daarentegen,
11En iedere priester stond wel dagelijks te dienen en bracht vaak dezelfde slachtoffers, die de zonden toch nooit zouden kunnen wegnemen, 12maar deze Priester is, nadat Hij één slachtoffer voor de zonden geofferd had, tot in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God. 13Verder wacht Hij op het tijdstip dat Zijn vijanden tot een voetbank voor Zijn voeten gemaakt worden. 14Want met één offer heeft Hij hen die geheiligd worden, tot in eeuwigheid volmaakt.
Dus Hij staat niet meer. Hij zit. Hij is Zijn rust binnengegaan. Het is een rust zoals de rust die God binnenging toen Hij de schepping van de wereld in zes dagen had voltooid. Hij rustte omdat Hij klaar was. Hij rustte op de zevende dag omdat er niets meer te doen was, anders dan de priesters die nooit konden gaan zitten omdat er altijd meer te doen was. Christus heeft wat dit betreft niets meer te doen. Dus Hij heeft het één keer gedaan en Hij heeft het goed gedaan. Doe het de eerste keer goed, dan hoef je het niet opnieuw te doen. Hij deed het goed en daarna ging Hij zitten. Klaar. Niets meer te doen. Hij heeft het werk voltooid.
Het voltooide werk van Christus is die rust die Hij is binnengegaan. Hij is klaar, dus Hij zit. Ook wij gaan die rust binnen. In hoofdstuk 4 staat dat we Gods rust binnengaan, de rust van Christus, door, denk ik, eenvoudig te geloven en te erkennen dat het werk gedaan is. Dat God niets meer verlangt. Dat wat Christus gedaan heeft, voor God toereikend is. Als je dat eenmaal tot je laat doordringen, is je geweten in zekere zin voor de rest van je leven vrij van schuld.
Het interessante hier is dat hij opnieuw Jeremia 31 aanhaalt, dat hij in hoofdstuk 8 uitvoerig had aangehaald. En hij bouwt voort op de laatste uitspraak in het citaat:
en aan hun zonden en hun wetteloze daden zal Ik beslist niet meer denken.
Bedenk dat hij eerder, in vers 3, zei dat er bij de steeds herhaalde offers van het Oude Testament altijd een herinnering aan zonde was. Ze worden steeds weer aan hun zonde herinnerd. Ze herinneren zich die door een offer te brengen om die te bedekken. Maar als God hun zonden niet meer zal gedenken, dan behoort het gedenken van zonde tot het verleden. Daarom worden er geen offers meer herhaald.
Daarmee bedoelt hij dat verdere offers geen geldigheid meer hebben en niet meer nodig zijn.
Natuurlijk wist de schrijver dat er nog elke dag offers in de tempel werden gebracht, zelfs terwijl hij dit schreef. De Joden deden dat nog steeds omdat ze het offer van Christus niet aanvaardden. Dat er nog steeds offers werden gebracht, betekent niet dat die enige geldigheid hadden. Het was nu alleen nog een leeg ritueel. Er zijn geen offers voor zonden meer. Dat ene offer heeft aan alle offers een einde gemaakt.
Onthoud die zin aan het einde van vers 18 wanneer we later bij een andere zin in vers 26 komen, waar staat:
Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over,
Daar wordt hetzelfde punt gemaakt. Maar in de context van vers 26 begrijpen mensen het soms verkeerd, omdat ze niet letten op wat hij in vers 18 heeft gezegd.
Vrijmoedig tot God naderen #
We zullen zien dat hij in vers 26 aan een nieuw waarschuwend gedeelte begint. Daarvóór gaat hij dit deel van zijn betoog afronden. In wezen heeft hij duidelijk gemaakt dat Christus het definitieve offer voor zonden heeft gebracht. Het is genoeg. We hebben een grote Hogepriester. Er staat niets tussen ons en God in. Daarom sluit hij af met een soort pastorale aansporing. Hoe moeten we reageren? Laten we dit feit eens toepassen. Wat moet ik ermee doen?
‘Daarom’ betekent: vanwege deze dingen die zijn vastgesteld en bevestigd. Vers 19:
19Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, 20langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees, 21en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God, 22laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water.
De besprenkeling van het hart voor een zuiver geweten is natuurlijk een verwijzing naar het bloed van Jezus. Besprenkeling. Dat weten we in de eerste plaats omdat hij dat punt eerder, in hoofdstuk 9, al heeft gemaakt. Hij zegt in hoofdstuk 9, vers 14:
hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door de eeuwige Geest Zichzelf smetteloos aan God geofferd heeft, uw geweten reinigen van dode werken om de levende God te dienen!
Je geweten wordt gereinigd door het bloed van Christus.
In 1 Petrus 1:2 zegt Petrus dat wij zijn:
uitverkoren overeenkomstig de voorkennis van God de Vader, door de heiliging van de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenkeling met het bloed van Jezus Christus: moge genade en vrede voor u vermeerderd worden.
We zijn besprenkeld met het bloed van Jezus en het heeft ons geweten gereinigd van dode werken. Deze dingen worden elders bevestigd. Daarom begrijpen we de woorden in Hebreeën 10, vers 22, zo: ons hart is besprenkeld en ons geweten is gereinigd.
De doop en de reiniging in de tabernakel #
De woorden ‘ons lichaam gewassen is met rein water’ verwijzen vrijwel zeker naar de doop in water. Hij heeft het niet over iets geestelijks. Hij heeft het over ons lichaam. Ons lichamelijke lichaam is met water gewassen.
Ik denk dat hij deze beide dingen noemt omdat hij in de afgelopen hoofdstukken steeds over het ritueel van de tabernakel heeft gesproken. Daarnaast kende de vroege gemeente terecht veel gewicht toe aan de noodzaak van de doop in water. Hij richt de aandacht van zijn publiek en zijn eigen aandacht op de tabernakel. Als iemand bij de tabernakel tot God wilde komen om Hem te aanbidden, kwam die eerst bij het brandofferaltaar. Daar werd een dier geofferd en werd er bloed gesprenkeld en vergoten, enzovoort, aan de voet van het altaar. Daarna ging men naar het wasvat voor de reiniging, waarin water zat. Het bloed en vuil enzovoort werden van de priester afgewassen, zodat hij het gebouw kon binnengaan.
Maar zie je, het naderen tot God begon met een bloedoffer en het sprenkelen van bloed aan de voet van het altaar, gevolgd door een wassing in water. Deze rituelen stellen ongetwijfeld de rechtvaardiging door het bloed van Christus en de doop voor. Terwijl hij zich dus op dit hele ritueel richt, zegt hij:
19Omdat wij nu, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, 20langs een nieuwe en levende weg, die Hij voor ons heeft ingewijd door het voorhangsel, dat is door Zijn vlees, 21en omdat wij een grote Priester hebben over het huis van God, 22laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water.
Zoals we in sommige van onze gesprekken hebben gezegd, kende de vroege gemeente beslist geen christen die niet in water gedoopt was. De doop in water werd onmiddellijk bij de bekering toegepast, en niemand werd als deel van de gemeente beschouwd tenzij hij in water gedoopt was. Hij kon er dus van uitgaan dat al zijn lezers inderdaad met water gewassen waren. Hij zegt niet of deze wassing met water werkelijk bijdraagt aan iemands reinheid voor God. Of is het alleen een ritueel dat op de reiniging van het hart volgt? Het wassen van het lichaam beeldt die reiniging dan op een andere manier uit. Veel christenen hebben verschillende opvattingen over de daadwerkelijke rol van de doop. Maar voor mij staat buiten kijf dat hij hier naar de doop verwijst.
Elkaar aansporen nu de dag nadert #
Hij zegt:
22laten wij tot Hem naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van het geloof, nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten en ons lichaam gewassen is met rein water. 23Laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden, want Hij Die het beloofd heeft, is getrouw. 24En laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken.
De King James zegt:
‘Om elkaar te prikkelen tot liefde en goede werken.’
Ik vind die formulering altijd mooi. Ik wil je ertoe prikkelen liefdevoller te zijn. In de New King James staat:
‘Spoor elkaar aan tot liefde en goede werken.’ En verder:
24En laten wij op elkaar letten door elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. 25Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer als u de grote dag ziet naderen.
Welke dag? We zouden kunnen zeggen: de wederkomst van Christus. Ik weet niet zeker of we die dag inderdaad zien naderen. Hij zal komen op een tijdstip waarop je het niet verwacht. Ik weet niet of we die zouden kunnen zien naderen. Maar er naderde in die tijd een dag voor de Joden die een heel ernstige crisis zou betekenen voor degenen die het samenkomen van de gemeente hadden verlaten. Zij waren teruggekeerd naar de Joodse orde en vertrouwden op de tempel, die heel kort nadat dit geschreven was, aangevallen en verwoest zou worden. En niet alleen werd de tempel verbrand, maar de mensen werden in groten getale verbrand en gedood en afgeslacht.
Die dag nadert dus. Blijf uit de buurt van dat stelsel. Spring niet op een schip dat aan het zinken is. En dring er, naarmate je die dag ziet naderen, des te sterker bij mensen op aan om die fout niet te maken.
maar vermaan elkaar elke dag, zolang men van een heden kan spreken, opdat niemand van u verhard zal worden door de verleiding van de zonde.
Moedig elkaar aan om de goede kant op te gaan, naar liefde en goede werken. Met andere woorden, naar het volgen van Christus. En laat het onderlinge samenkomen niet na, zoals sommigen volgens de tekst gewoon zijn te doen. Dat wil zeggen, sommige christenen hadden de gemeente al verlaten. De lezers vermoedelijk niet. Zij waren nog in de gemeente, zodat ze deze brief konden horen voorlezen, die waarschijnlijk in de gemeente werd voorgelezen. Maar sommigen waren al vertrokken, en anderen dachten er misschien over na. Hij zegt: ‘Doe dat niet.’
Samenkomen is meer dan kerkdiensten bezoeken #
Ik maak deze uitweidingen alleen omdat christenen bepaalde verzen in Hebreeën zo vaak op bepaalde manieren hebben gebruikt, dat we volgens mij moeten onderzoeken of ze er wel op de juiste manier mee omgaan. Dit vers:
Blijf bij elkaar komen, wordt heel vaak aangehaald in verband met regelmatig naar de gemeente gaan. Het gaat natuurlijk over naar de gemeente gaan. Het gaat over samenkomen. En sommige mensen geloven dat er een soort vastgestelde frequentie is waarmee mensen naar de gemeente moeten gaan.
Het is natuurlijk vrij gebruikelijk, en dat is het al sinds de begintijd van de gemeente, om op zondag een gemeente te bezoeken. Dat is gewoon een traditie van de kerk geweest. We gaan op zondag naar de gemeente. Toch staat er niets in de Bijbel dat zegt dat zondag de dag moet zijn waarop je dat doet, of dat je het elke zondag moet doen, of dat je niet vaker dan op zondag mag gaan. Met andere woorden, het idee dat je verplicht bent om op zondag naar de gemeente te gaan, staat in het denken van sommige mensen vast als een traditie. Als je niet elke zondag naar de gemeente gaat of niet regelmatig naar dezelfde gemeente gaat, verzaak je misschien een of andere christelijke plicht. En wanneer mensen op zoek gaan naar een Schriftgedeelte om je daarop vast te pinnen, is dit het enige Schriftgedeelte dat ze kunnen bedenken, omdat er eigenlijk geen andere zijn.
Nou, natuurlijk wil je het samenkomen niet nalaten. Maar daarmee is niet gezegd hoe vaak of waar. Mensen kunnen in een huis samenkomen. Ze kunnen in een restaurant samenkomen, of ze kunnen in een kerkgebouw samenkomen. Er zijn allerlei manieren om samen te komen. Je kunt in een auto samen zijn terwijl je ergens samen naartoe rijdt. Christenen die samenkomen om elkaar op te bouwen, elkaar aan te sporen tot liefde en goede werken en elkaar te vermanen — dat kan bij formele of informele bijeenkomsten gebeuren. Hier staat niets over hoe vaak of onder welke omstandigheden iemand bij andere christenen moet zijn. Maar dit staat zeker vast. Als je niet verkilt tegenover Christus, als je niet op weg bent om geestelijk af te glijden, zul je bij andere christenen willen zijn. Veel mensen hebben me verteld wat een verschil het maakt om alleen al in het gezelschap van christenen te zijn, met dit soort gemeenschap en bemoediging. Iedere christen wil dat. Als je merkt dat je dat niet wilt en je je ervan begint terug te trekken, moet dat wel komen doordat je hart koud aan het worden is.
Verbonden blijven met andere gelovigen #
Ik zeg niet dat er geen momenten zijn waarop je er even afstand van nodig hebt. Maar iemand die zich geleidelijk uit de christelijke gemeenschap terugtrekt en tijd begint door te brengen met die andere groep, die niet christelijk is, laat zien dat zijn verbondenheid aan het veranderen is. Hij heeft niet meer die innerlijke verbondenheid met wat christenen ter harte gaat die hij eerder had. En hij vindt meer gemeenschappelijks met die andere groep waar hij naartoe gaat.
Het samenkomen van christenen nalaten slaat niet specifiek op een kerkdienst overslaan. Het slaat specifiek op het geleidelijk vervreemden van andere gelovigen in het lichaam van Christus. Daar zul je in feite van nature naar verlangen als je geestelijk gezond bent. Het is zoals wanneer Petrus zegt:
En verlang vurig, als pasgeboren kinderen, naar de zuivere melk van het Woord, opdat u daardoor mag opgroeien,
Er staat niet precies hoeveel je in de Bijbel moet lezen. Maar als je een gezonde baby bent, zul je naar het Woord verlangen zoals een baby naar melk verlangt.
Soms brengen we de verplichting van het christen-zijn terug tot bepaalde regels en vaste tijden en dat soort dingen. Maar dat is niet wat de Bijbel doet. De Bijbel wil dat je hart altijd vurig is voor God. Als dat zo is, zul je bij christenen willen zijn. Niemand zal je hoeven te vertellen hoe vaak je met christenen moet samenkomen. Je zult het zo vaak doen als je kunt. Je zult het willen. Als je geestelijk gezien een gezonde baby bent, zul je verlangen naar de melk van het Woord. Niemand zal je hoeven te vertellen hoe vaak je het moet lezen. Je zult er trek in hebben.
Geestelijkheid wordt dus niet teruggebracht tot bepaalde uren of dagen waarop je verplicht bent naar diensten te gaan of de Bijbel te lezen of wat dan ook. Die dingen zijn een soort thermometer die aangeeft of je als christen de juiste temperatuur hebt, geestelijk gesproken.
We weten dat dit geschreven werd omdat de lezers de neiging hadden om af te drijven. De waarschuwingen in dit boek zouden niet zo gegeven zijn als dat niet zo was. En dus zegt hij: ‘Sommigen van jullie drijven weg van de gemeenschap. Doe dat niet. Waar drijf je naartoe? Je gaat terug naar het tempelstelsel. Die dag van zijn ondergang nadert snel.’ Als je ziet dat mensen beginnen af te drijven, moet je hen dagelijks vermanen. Je moet elkaar blijven aansporen om de goede kant op te gaan.
Want het is moeilijk, vooral als je familie en vrienden buiten de gemeente vijandig staan tegenover het christelijk geloof. Dat zou het geval zijn bij veel van deze lezers en hun familieleden en vrienden die Joods zijn. Het is moeilijk om Jezus in je eentje te volgen tegen hevige tegenstand vanuit je vriendenkring of familie in. En dus heb je de steun nodig van de groep gelijkgestemde christenen. Het is heel, heel, heel, heel versterkend om bij mensen te zijn die jouw waarden delen, je ter verantwoording zullen roepen en je zullen bemoedigen om de goede kant op te gaan.
De vierde waarschuwing tegen geloofsafval #
Nu is dit gegeven, dat sommige mensen afgevallen zijn en de samenkomst verlaten hebben, natuurlijk het aanknopingspunt voor de schrijver om over te gaan tot nog een krachtige waarschuwing om zulke dingen niet te doen, om niet af te vallen. En dat komt aan de orde in vers 26:
Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over,
De verzen 26 tot en met 39 vormen nu het vierde waarschuwingsgedeelte.
27maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden. 28Als iemand de wet van Mozes tenietgedaan heeft, moet hij sterven zonder barmhartigheid, op het woord van twee of drie getuigen. 29Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God vertrapt heeft en het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht heeft en de Geest van de genade gesmaad heeft? 30Wij kennen immers Hem Die gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En verder: De Heere zal Zijn volk oordelen. 31Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God. 32Maar herinner u de dagen van weleer, waarin u, nadat u verlicht was, veel strijd in het lijden hebt verdragen. 33Nu eens werd u zelf door smaad en verdrukkingen tot een schouwspel gemaakt, dan weer deelde u het lot van hen die zo behandeld werden. 34Want u hebt ook medelijden gehad met mij, in mijn boeien, en de beroving van uw eigendommen met blijdschap aanvaard, in de wetenschap dat u voor uzelf een beter en blijvend bezit in de hemelen hebt. 35Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote beloning met zich meebrengt. 36Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen. 37Want: Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven. 38Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven, en als iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen. 39Wij zijn echter geen mensen die zich onttrekken en daardoor naar het verderf gaan , maar mensen die geloven, tot behoud van hun ziel.
De beide aanhalingen in vers 30 komen uit Deuteronomium 32.
Deze woorden in vers 37 en 38 zijn een citaat uit Habakuk, hoofdstuk 2, vers 3 en 4. Ook Paulus haalt in sommige van zijn brieven graag deze woorden aan:
3Voorzeker, het visioen wacht nog op de vastgestelde tijd, aan het einde zal Hij het werkelijkheid maken. Hij liegt niet. Als Hij uitblijft, verwacht Hem, want Hij komt zeker, Hij zal niet wegblijven. 4Zie, zijn ziel is hoogmoedig, niet oprecht in hem, maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
Vers 39:
Maar wij horen niet bij de mensen die afhaken en verloren gaan, maar bij de mensen die geloven en zo gered worden.
De angst voor onvergeeflijke zonden #
Dit gedeelte met waarschuwingen begint dus met de woorden:
26Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over, 27maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden. 28Als iemand de wet van Mozes tenietgedaan heeft, moet hij sterven zonder barmhartigheid, op het woord van twee of drie getuigen. 29Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God vertrapt heeft en het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht heeft en de Geest van de genade gesmaad heeft? 30Wij kennen immers Hem Die gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En verder: De Heere zal Zijn volk oordelen.
Ik heb hier volgens mij iets over gezegd in onze inleiding op Hebreeën, als ik me niet vergis. Maar ik zal het opnieuw ter sprake brengen nu we bij deze passage zijn.
Dit is voor veel mensen een beangstigende passage. Ik weet dat uit mijn eigen jeugd, toen ik dit al vroeg las en niet helemaal begreep wat er werd gezegd. Ik had de indruk dat het offer van Christus, dat nu verzoening doet voor mijn zonden, niet meer werkzaam zou zijn als ik opzettelijk zondigde nadat ik de waarheid had leren kennen. Er zou geen offer voor de zonden meer overblijven. En als er geen offer voor de zonden meer is, zit ik diep in de problemen, want ik ben volledig afhankelijk van het offer voor de zonden dat Christus heeft gebracht.
Als de schrijver zegt dat dit alleen geldig is totdat je opzettelijk zondigt, dan is het zoals we eerder al aangaven: sommige mensen denken dat het offer alleen geldig is voor zonden uit onwetendheid of onopzettelijke zonden. Maar als je het expres doet, lig je eruit. Er is geen weg terug. Er is geen offer meer dat voor jou werkzaam zal zijn.
Het zou heel vreemd zijn als dat hier werd gezegd. Hij heeft immers zojuist uitvoerig besproken hoe het offer van Christus ons geweten eens en voor altijd volkomen reinigt. Wat betekent opzettelijk zondigen eigenlijk? Wat betekent opzettelijk? Betekent het dat ik ervoor koos om het te doen? Kies ik er niet bij al mijn zonden voor om ze te doen? Wat ik ook doe, als ik ervoor kies om goed of kwaad te doen, is dat dan niet opzettelijk? Is dat dan niet mijn wil? Is niet elke beslissing die ik neem een daad van mijn wil, een daad van mijn keuze? Wat bedoelen we met een opzettelijke zonde? Bestaat er zoiets als een zonde die ik per ongeluk heb gedaan? Ik veronderstel van wel, als ik niet wist dat het een zonde was. Maar ik moet zeggen: de enige reden dat ik weet dat ik een zondaar ben, is dat ik zonden heb gedaan waarvan ik wist dat het zonden waren. En sommige daarvan heb ik volgens mij gedaan nadat ik tot behoud was gekomen. Dus is het dan allemaal voorbij voor mij? Is er dan voor mij geen offer van Christus meer?
Bewust blijven zondigen en bekering opgeven #
Ik denk dat we moeten begrijpen dat de theologie van het Nieuwe Testament, en zelfs die van deze schrijver, niet suggereert dat je maar één kans op behoud krijgt. Als je weer zondigt, is het met je gedaan. Wat zegt hij dan? Hij spreekt tot zijn publiek, dat zich in een bepaalde situatie bevindt. Opzettelijk zondigen betekent niet dat je iets deed en het op dat moment wilde doen. Ik geloof dat het betekent dat je werkelijk terug wilt naar een leven in zonde. In de New International Version staat:
‘Als we bewust blijven zondigen …’ Dat betekent eenvoudig dat we ervoor kiezen onze zonden niet op te geven. We kiezen ervoor ons niet te bekeren. We kiezen ervoor geen christenen te zijn, met andere woorden.
Een christen is iemand die zich van zijn zonde heeft bekeerd. Een christen is iemand die een heilig leven wil leiden. Ook als hij daarin faalt, wil hij het wel. Het is mijn wil om een heilig leven te leiden. Als ik toch zondig, gaat dat op een bepaald niveau tegen mijn aard in. Natuurlijk is er een deel van mij dat me die kant op trekt. Op dat niveau noemen we dat: het willen. Maar zoals Paulus in Romeinen 7 zei:
Wat ik namelijk teweegbreng, doorzie ik niet, want niet wat ik wil, dat doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik.
Er is een deel van mij dat het wil doen, maar in mijn denken omarm ik de wet van God. Wie ik werkelijk ben, wil dat niet.
Opzettelijk zondigen verwijst hier volgens mij dus naar het punt waarop het je niet meer kan schelen dat je zondigt. Het is niet langer je wil om een heilig leven te leiden. Je hebt geen christelijke geest of christelijke motivatie meer, en ook geen toewijding aan God of Christus. Je geeft dat op. Je keert je ervan af en zegt: ‘Vanaf nu is het mijn wil om te zondigen.’ Dan heb je bewust losgelaten wat je als christen houvast gaf. Opzettelijk betekent dat het iets welbewusts is. Waar hij hier op doelt, is niet dat je een afzonderlijke zonde begaat nadat je tot behoud bent gekomen. Hij bedoelt dat je, nadat je de waarheid hebt leren kennen of christen bent geweest, ervoor kiest om weer te gaan zondigen in plaats van christen te zijn.
Christus volgen of in zonde leven #
Dit is zo moeilijk voor ons, omdat we ons er allemaal van bewust zijn dat we als christenen gezondigd hebben. Daarom zien we christen zijn en zondigen niet als tegengestelde dingen die elkaar uitsluiten. We denken: ‘Ik ben een christen en ik zondig, dus die dingen sluiten elkaar niet uit.’ Maar in de gedachten van de Bijbelschrijvers kies je voor de ene of de andere weg. Je kiest ervoor Christus te volgen; je kiest ervoor in zonde te leven.
Ik had een vriend aan wie iemand eens een vraag stelde, en ik hoorde dat. Hij was zo iemand die als een profeet predikte. Hij was een hippie, een Jezus freak, die zichzelf zag als iemand met een profetische bediening. Maar hij had daadwerkelijk een aantal dingen te zeggen die van inzicht getuigden. Inmiddels is hij bij de Heere. Ik was eens bij hem toen iemand hem vroeg: ‘Kun je een christen zijn en toch in zonde leven?’
Ik weet nog dat hij zei: ‘Zeg jij het maar. Kun je tegelijkertijd op twee verschillende paarden rijden die verschillende kanten op gaan?’
En ik dacht: ‘Dat is een heel eenvoudige vraag.’ Het antwoord ligt nogal voor de hand. Maar die christen dacht niet op die manier. Die dacht er niet aan dat christen zijn betekent dat je een bepaalde kant op rijdt, terwijl in zonde leven betekent dat je de tegenovergestelde kant op rijdt. Je kunt niet allebei doen. De eerste christenen zagen een leven in zonde en een leven als christen niet als verenigbaar. Het waren tegenovergestelde richtingen.
Dus hij zegt:
‘Als je bewust zondigt …’ Daarmee heeft hij het niet gewoon over een goede christen die in zonde valt. Hij heeft het over zonde kiezen als je manier van leven, in plaats van Jezus te kiezen. En dat is precies wat deze mensen kennelijk deden. Als je ervoor kiest bij Jezus weg te gaan, kies je ervoor tegen Hem in opstand te komen en in zonde en opstand tegen Hem te leven.
Buiten Christus is er geen ander offer #
Waarom zou iemand daarvoor kiezen? Deze mensen waren Joods en ze dachten: ‘We kunnen teruggaan naar de tempel. We kunnen in zonde leven zoals vroeger, en we zouden doen wat we vroeger deden. We zouden naar de tempel gaan. De hogepriester zal één keer per jaar een offer brengen. Wij zullen af en toe onze eigen offers brengen. Daarmee dekken we het af. We hoeven niet dit moeilijke leven te leiden waarin we vervolgd worden, rechtvaardig leven en zonde vermijden. We kunnen gewoon zondigen zoals al onze voorouders deden en er simpelweg op rekenen dat dat offer op de Grote Verzoendag dat allemaal bedekt.’
En hij zegt: als je dat doet, weet je wat er dan gebeurt?
Hij bedoelt niet dat het offer van Christus niet meer overblijft als je als christen eens in zonde struikelt. In feite wordt het tegenovergestelde bevestigd in 1 Johannes hoofdstuk 2:
Als iemand zondigt, hebben wij een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige. En Hij is een verzoening voor onze zonden.
Johannes spreekt dus tot christenen. Hij zegt:
1Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen, opdat u niet zondigt. En als iemand gezondigd heeft: wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige. 2En Hij is een verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden van de hele wereld.
Dat is het tegenovergestelde van wat sommige mensen denken dat Hebreeën 10:26 zegt.
Wat hij zegt, is dat er geen Joodse offers meer zijn als dat de richting is die je op gaat. Als je teruggaat naar een leven waarin je onverschillig omgaat met zonde en zorgvuldig omgaat met rituelen om die te bedekken, in plaats van Jezus te volgen, ga je terug naar een stelsel dat er niet eens meer is.
Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over,
En dat zei hij in vers 18:
Waar er nu vergeving voor is, is er geen offer voor de zonde meer nodig.
Dat is de situatie nu het nieuwe verbond is gekomen.
Dat wil zeggen: er zijn geen aanvullende offers voor zonde meer, naast Christus. Er is geen ander offer voor zonde, dat is wat hij zegt. Als je het offer van Christus en de gevolgen daarvan voor je leven als christen verlaat, en je dat allemaal opgeeft, ga je naar een plek waar geen andere offers beschikbaar zijn.
Hij doet niets af aan de werkzaamheid van het offer van Christus voor een gelovige die in zonde struikelt. Hij heeft iets heel anders in gedachten: Christus verlaten, teruggaan naar het Joodse stelsel en rekenen op die offers die er, wat God betreft, niet meer zijn.
Het komende oordeel over de tegenstanders #
Maar wat je wel kunt vinden, hoewel je daar in de tempel geen offer voor jou zult vinden dat God zal aanvaarden, is:
maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden.
En de tegenstanders van de vroege gemeente waren, eerlijk gezegd, het Sanhedrin en de synagoge. Het waren de Joden die hen vervolgden. Na het jaar 70 na Christus waren het vooral de Romeinen die de christenen vervolgden. Maar tot het jaar 70 na Christus waren de afvallige Joden de voornaamste vervolgers en tegenstanders van God en van de gemeente. Zij waren degenen die Christus kruisigden, die Stefanus stenigden, die Saulus eropuit stuurden om christenen te vervolgen en hem vervolgens vervolgden toen hij tot behoud kwam. En eigenlijk probeerden ze Paulus gevangen te laten zetten en te laten doden, telkens wanneer ze maar konden. Dit waren de voornaamste tegenstanders van het christendom en van God.
En die vurige verbolgenheid die over hen zou komen, is volgens mij natuurlijk kort daarna ook gekomen. En dat is wat hij zegt. Als je daarnaartoe teruggaat, zul je geen offer vinden. Je zult een oordeel over dat stelsel vinden, en jij zult daar middenin zitten.
Hij zegt:
26Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over, 27maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden. 28Als iemand de wet van Mozes tenietgedaan heeft, moet hij sterven zonder barmhartigheid, op het woord van twee of drie getuigen. 29Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God vertrapt heeft en het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht heeft en de Geest van de genade gesmaad heeft? 30Wij kennen immers Hem Die gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En verder: De Heere zal Zijn volk oordelen.
Christus verwerpen en Zijn bloed verachten #
Dat is gewoon een constatering. De wet van Mozes kende behoorlijk wat misdrijven waarop de doodstraf stond, zo'n dertig. En omdat dat zo was, zou je de volledige verwerping van het gezag van Mozes uiteindelijk met de dood bekopen. Je zou iets doen, een of andere overtreding begaan waarvoor je gedood zou worden. Het is een zware straf voor het overtreden van de wet van Mozes. Maar er is een zwaardere straf voor het schenden van een hoger gezag.
De Zoon van God met voeten treden zou eenvoudig zijn wat hij bedoelt met Christus verlaten: van Christus weten en Hem gewoon verwerpen. De Geest van de genade beledigen, zoals hij aan het einde van het vers zegt.
Maar hij zegt in dat vers ook dat ze het bloed van het verbond, het bloed van Christus, waardoor die persoon geheiligd was, als iets gewoons beschouwen. Het interessante hier is dat er staat dat de persoon om wie het gaat, geheiligd was door het bloed van Jezus: het bloed van het verbond waardoor hij geheiligd was. Die persoon kan zijn positie verliezen en wordt gewaarschuwd om dat niet te doen. Dat heiligende bloed, dat jou geheiligd heeft, met voeten treden.
Een van die twee calvinistische punten moet onjuist zijn. Of de volharding, of de beperkte verzoening moet onjuist zijn. De beperkte verzoening leert dat Jezus niet voor iedereen is gestorven. Als je uitgaat van een onbeperkte verzoening, zou je kunnen zeggen dat iedereen geheiligd is door het bloed van Jezus, maar dat sommigen kunnen afvallen. Maar de uitverkorenen zullen dat niet. Je zou nog steeds kunnen vasthouden aan de volharding van de uitverkorenen, terwijl er toch ook mensen zijn die verkeerd handelen. Ze zijn gekocht door het bloed van Jezus. Ze zijn alleen niet behouden, omdat ze niet uitverkoren waren. Maar als dezelfde mensen die door het bloed van Christus geheiligd zijn, degenen zijn die gevaar lopen om van Christus af te vallen, dan kun je ook niet zowel de universele verzoening als de universele volharding van de heiligen handhaven. Dat komt niet goed uit. Een van die twee leerstellingen moet volgens mij worden opgeofferd aan deze uitspraak.
God vergeldt het onrecht tegen Christus #
Nu citeert hij uit Deuteronomium 32:
Wij kennen Hem Die gezegd heeft: ‘Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden.’
Dan zegt hij:
Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen, Hij zal berouw hebben over Zijn dienaren. Want Hij zal zien dat hun kracht is vergaan, en dat het met de gebondene en de vrije gedaan is.
Deze beide uitspraken staan in dezelfde passage in Deuteronomium. Waarom haalt hij dat hier aan?
God zegt dat Hij Zichzelf zal wreken.
Paulus haalt dit vers uit Deuteronomium aan om te zeggen dat God ons zal wreken. In Romeinen hoofdstuk 12 zegt Paulus:
Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
Met andere woorden, in plaats van jezelf te wreken, laat je het gewoon aan God over om jou te wreken. Maar hier lijkt hij te zeggen dat God Zichzelf zal wreken. Dat kan Hij natuurlijk doen. Hij kan ons en Zichzelf wreken wanneer dat nodig is. Hij is Degene Die Zich het recht voorbehoudt om te wreken. Maar de vermelding ervan hier lijkt te zeggen dat God van plan is Zichzelf te wreken.
Wraak is iemand iets vergelden voor iets slechts wat die heeft gedaan. Wraak is niet alleen vijandigheid. Het is een vergelding. Het is het wreken van een of ander onrecht. God gaat dus een onrecht wreken. Welk onrecht is er gedaan, en door wie? Volgens mij verwijst hij naar het feit dat Jeruzalem Christus heeft gekruisigd, en dat God Christus zal wreken, of Zichzelf zal wreken op degenen die Hem hebben gedood. Dat is volgens mij waar het hier over gaat.
26Want als wij willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor de zonden meer over, 27maar slechts een verschrikkelijke verwachting van oordeel en verzengend vuur, dat de tegenstanders zal verslinden. 28Als iemand de wet van Mozes tenietgedaan heeft, moet hij sterven zonder barmhartigheid, op het woord van twee of drie getuigen. 29Hoeveel te zwaarder straf, denkt u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God vertrapt heeft en het bloed van het verbond, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht heeft en de Geest van de genade gesmaad heeft? 30Wij kennen immers Hem Die gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En verder: De Heere zal Zijn volk oordelen.
Het is interessant: het woord ‘oordelen’ kan betekenen dat Hij hen in het gelijk stelt als ze onschuldig zijn. Maar in dit geval gaat hij ervan uit dat Israël, Gods vroegere volk, op het punt staat onder het oordeel te komen, precies zoals Deuteronomium had gewaarschuwd.
Vallen in de handen van de levende God #
Hij zegt:
31Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God. 32Maar herinner u de dagen van weleer, waarin u, nadat u verlicht was, veel strijd in het lijden hebt verdragen. 33Nu eens werd u zelf door smaad en verdrukkingen tot een schouwspel gemaakt, dan weer deelde u het lot van hen die zo behandeld werden. 34Want u hebt ook medelijden gehad met mij, in mijn boeien, en de beroving van uw eigendommen met blijdschap aanvaard, in de wetenschap dat u voor uzelf een beter en blijvend bezit in de hemelen hebt. 35Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote beloning met zich meebrengt. 36Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen. 37Want: Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven. 38Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven, en als iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.
Ik vind het niet erg om in Gods handen te zijn. Ik ben graag in Gods handen. Ik wil niet in Zijn handen vallen. Ik rust graag in Zijn handen, maar als slachtoffer in Zijn handen vallen is iets anders. Wanneer Hij het oordeel voltrekt, is het niet goed om in Zijn handen te worden gegeven.
David wilde liever in de handen van God vallen dan in de handen van mensen. Weet je dat nog? Toen de profeet tegen hem zei:
12Ga op weg en spreek tot David: Zo zegt de HEERE: Drie dingen leg Ik u voor; kies er voor u één van uit, dan zal Ik dat bij u doen. 13Zo kwam Gad bij David. Hij maakte hem dit bekend en zei tegen hem: Zal er zeven jaar hongersnood over u komen in uw land? Of wilt u drie maanden vluchten voor uw vijanden, terwijl die u achtervolgen? Of zal er drie dagen pest in uw land zijn? Welnu, overweeg dit en zie wat voor antwoord ik Hem Die mij gezonden heeft, moet brengen.
of wat het ook was. Die mogelijkheden werden hem voorgelegd, en David zei:
Toen zei David tegen Gad: Het benauwt mij zeer. Laten wij toch in de hand van de HEERE vallen, want Zijn barmhartigheid is groot. Laat mij echter niet in de hand van mensen vallen.
Welnu, God is barmhartig voor wie zich bekeert. Maar voor degenen die Christus verlaten, valt daar niet veel te hopen. Het is iets vreselijks om in Gods handen te vallen wanneer Hij van plan is te oordelen.
Volharden ondanks vervolging en verlies #
Maar dan herinnert hij hen aan de vroegere dagen. We zullen dat niet opnieuw lezen, want we hebben deze verzen gelezen. Deze mensen legden vroeger een vrijmoedig getuigenis af. Ze leden vroeger en verdroegen smaad en lijden. Ze waren niet bang om anderen bij te staan die gevangenzaten, onder wie de schrijver. Vers 34:
Jullie leefden met me mee toen ik gevangenzat.
Ze waren zelfs hun bezittingen kwijtgeraakt. Ze verdroegen met blijdschap de beroving van hun bezittingen.
Ik weet niet zeker onder welke omstandigheden dat gebeurd zou zijn. Je bezittingen zouden geroofd kunnen worden door inbrekers die je huis binnenkomen. Maar dit is waarschijnlijk eerder het gevolg van een of andere vorm van vervolging. We kennen geen geval waarin de bezittingen van de christenen in beslag werden genomen. Maar het zou gebeurd kunnen zijn. We weten niet alles wat er is voorgevallen. Het is mogelijk dat het Sanhedrin ooit een bevel heeft uitgevaardigd dat alle Joden die zich tot Christus wenden, hun bezittingen in beslag genomen zullen zien worden. Of misschien verloren ze, doordat ze zich tot Christus wendden, hun erfenis van hun familie. Ze werden uit het testament geschrapt. In die zin zouden we kunnen zeggen dat hun huizen en hun bezittingen hun werden afgenomen. Die dingen werden hun ontroofd. Ze werden ervan beroofd. Ze offerden die dingen als het ware op vanwege hun trouw aan Christus.
We weten niet precies wat die beroving van hun bezittingen inhield, maar het was interessant dat ze er zo blij onder waren. Het is duidelijk dat hun goederen, hun bezittingen, niet zo belangrijk voor hen waren, want hij zegt:
Jullie wisten dat jullie in de hemel iets beters hadden, iets wat blijvend is.
Daarom zegt hij in vers 35 en 36:
35Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote beloning met zich meebrengt. 36Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen.
Je moet geduldig zijn. Je moet volhouden totdat de belofte is vervuld. Wat is de belofte waaraan ze vasthouden? Er staat:
Jullie moeten volhouden, zodat jullie, nadat jullie hebben gedaan wat God wil, krijgen wat Hij heeft beloofd.
Dit zou kunnen verwijzen naar een belofte van persoonlijk behoud of iets dergelijks. Maar ik denk dat hij het hier, in deze context, heeft over de crisis waarmee Israël op dat moment te maken had. En sommigen zouden verloren gaan, maar anderen niet. Sommigen zouden ontkomen. We weten dat de christelijke Joden inderdaad ontkomen zijn. Ze werden gewaarschuwd en ze ontkwamen. Dus in zekere zin, als je een Jood bent op het moment dat het oordeel over de Joden komt, maar God zegt dat je aan dit oordeel zult ontkomen als je bij Jezus blijft, dan is dat een belofte waaraan ze willen vasthouden. Als ze teruggaan naar het stelsel, zullen ze niet aan dat oordeel ontkomen.
Het gelovige overblijfsel ontkomt aan oordeel #
Vers 37 en 38 worden op een vreemde manier aangehaald. Ik geloof dat deze passage in hoofdstuk 2 van Habakuk gaat over het oordeel dat over Jeruzalem komt. Dat maak ik niet alleen op uit deze uitspraak op deze plaats, maar uit de passage zelf, in haar context. Habakuk heeft in hoofdstuk 2 een paar passages die wat moeilijk te doorgronden zijn. Dit is er een van. Dit is de vertaling van de Septuaginta. Die luidt heel anders dan het Hebreeuws. Als je Habakuk 2, vers 3 en 4, in je Bijbel opzoekt, zul je zien dat het daar heel anders luidt. Dit citaat komt uit de Septuaginta.
Maar in de context geloof ik dat God zegt:
Ik ga oordelen. Ik kom eraan. Ik ga oordelen over Israël, dat Mij de rug heeft toegekeerd. Maar er zal een groep overblijven die blijft geloven. Die trouwe groep zal gespaard worden.
Dus hij citeert:
Want het duurt nog maar even.
Dit is niet de wederkomst, want dat duurt inmiddels al langer dan een korte tijd. Maar dit is iets wat spoedig zou gebeuren.
Misschien denken we daarbij aan de wederkomst. Maar we erkennen dat er, hoewel er inderdaad een wederkomst is die we verwachten, ook andere gebeurtenissen in de geschiedenis zijn die in figuurlijke zin worden aangeduid als een komen van God, meestal een komen ten oordeel. Ik geloof dat dit verwijst naar Zijn komen om Jeruzalem te oordelen. Er staat:
Hij zal niet lang op Zich laten wachten.
En hij zegt:
De rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
Dat wil zeggen: wanneer God Israël inderdaad oordeelt, zal er een trouw overblijfsel zijn. Onze schrijver moedigt zijn lezers aan om daarbij te horen en niet van hen af te drijven.
Het trouwe overblijfsel zal behouden worden. Hij zal leven. Wanneer God dit verschrikkelijke oordeel brengt, zullen er mensen zijn die het overleven. Dat is de belofte waarvoor je moet volhouden. Dit is volgens hem de belofte waarvoor je volgens vers 36 moet volhouden, verwoord in vers 38:
Wie rechtvaardig is, zal leven door zijn geloof.
Het trouwe overblijfsel zal eraan ontkomen, met andere woorden.
Blijven geloven tot behoud van de ziel #
Dit is natuurlijk de reden waarom hij het vers aanhaalt: er zal een overblijfsel behouden worden. Maar zelfs als dat overblijfsel zich terugtrekt, zullen ze terechtkomen in die groep waarin God geen behagen heeft, en ongetwijfeld ook onder het oordeel dat over hen komt. Nogmaals, het interessante is dat er in het Grieks niet staat:
Als iemand afhaakt, maar:
Als hij afhaakt.
Dus de rechtvaardige leeft door geloof, maar als hij zich terugtrekt, is dat een ander verhaal. Het gaat niet om iemand anders. Het is niet zo dat de ene persoon geloof heeft en iemand anders zich terugtrekt. Maar als degene die door geloof behouden wordt daadwerkelijk afvallig wordt of zich van God terugtrekt, dan zal God geen behagen in hem hebben. Wat dat zal inhouden, wordt niet echt nader uitgelegd.
Maar in vers 39 zegt hij:
Wij zijn echter geen mensen die zich onttrekken en daardoor naar het verderf gaan , maar mensen die geloven, tot behoud van hun ziel.
Wie zijn ‘wij’? De schrijver en degenen die er net zo over denken als hij. Wij zullen ons niet terugtrekken, maar sommigen doen dat wel. Dat gevaar bestaat. We worden ervoor gewaarschuwd.
Sommige christenen denken dat dit bewijst dat je niet kunt afvallen, omdat hij, nadat hij over afvallen heeft gesproken, zegt:
wij horen niet bij de mensen die dat doen.
Met andere woorden, wij christenen deinzen niet terug. Maar sommigen doen dat wel. De schrijver rekent zichzelf tot een groep gelovigen die trouw blijven en dat niet zullen doen. „Ik zal niet terugdeinzen. Anderen die er net zo over denken als ik, zullen dat ook niet doen. Maar ik dring er bij jullie op aan om dat niet te doen. Deins niet terug, want dan deins je terug tot het verderf.”
Dat woord betekent verloren gaan of vernietigd worden. Dit Griekse woord wordt in verschillende passages vertaald met ‘verloren’ en met ‘vernietigd’. Je wilt dus niet van God terugdeinzen tot vernietiging of ondergang, tot verderf. Maar je wilt geloven tot het behoud van de ziel. Je moet aan je geloof vasthouden, omdat het iets is waar je naartoe gaat. Dat wordt met dat ‘tot’ bedoeld. Het is iets waar je naartoe gaat. In zekere zin ben je behouden, maar het volledige behoud zal natuurlijk werkelijkheid worden wanneer Jezus terugkomt. Of trouwens, gewoon naarmate je leven verdergaat, vordert je behoud, je heiliging. Geloven tot het behoud van je ziel is iets wat onderbroken kan worden doordat je terugdeinst tot het verderf. Dat is dus een heel ernstige waarschuwing die hij hun hier geeft.
Wanneer we bij hoofdstuk 11 komen, komen we natuurlijk bij een van de bekendste hoofdstukken van de Bijbel. We hebben nog drie hoofdstukken te gaan, en het zijn alle drie prachtige hoofdstukken. Ik kijk ernaar uit.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Hebrews 10. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/hebreeen/10
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/hebreeen/10.pdf?v=4bc3ac025d05
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Hebreeën - Lezing 12 - 10.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/hebreeen/10.mp3?v=7688d865ae4b
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Hebreeën - Lezing 12 - 10.mp3
Hebreeën
Alle lezingen over Hebreeën. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Inleiding deel 1 De onbekende schrijver van Hebreeën
- 2 Inleiding deel 2 Jezus' offer maakt tempeloffers overbodig
- 3 1 God spreekt door Zijn Zoon
- 4 2 Jezus staat boven de engelen
- 5 3 Mozes is dienaar, Christus is de Zoon
- 6 4 Rusten in het volbrachte werk van Christus
- 7 5 Jezus is de Hogepriester die meevoelt
- 8 6 Christenen blijven bij het fundament
- 9 7 Christus blijft voor eeuwig priester
- 10 8 Christus brengt het nieuwe verbond
- 11 9 Christus offert zichzelf eens en voorgoed
- 12 10 Christus offert Zichzelf eens en voorgoed
- 13 11 Gelovigen ontkomen en worden gedood
- 14 12:1-17 Last en zonde hinderen de geloofswedloop
- 15 12:18-13:25 Jeruzalem valt, Gods Koninkrijk blijft
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/hebreeen/10.srt?v=5143bed120ea
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Hebreeën - Lezing 12 - 10.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/hebreeen/10.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Hebreeën 10:1
- Hebreeën 9:9
- Hebreeën 10:2
- Hebreeën 10:3-4
- Hebreeën 10:5
- Psalmen 40:7-9
- Psalmen 51:18-19
- Hebreeën 10:6
- Hebreeën 10:7
- Genesis 3:15
- Hebreeën 10:8
- Hebreeën 10:9
- Hebreeën 10:10
- Hebreeën 10:11-14
- Hebreeën 10:14-16
- Jeremia 31:33
- Hebreeën 10:17
- Hebreeën 10:18
- Hebreeën 10:17, naar Jeremia 31:34
- Hebreeën 10:26
- Hebreeën 10:19-22
- Hebreeën 9:14
- 1 Petrus 1:2
- Hebreeën 10:22-24
- Hebreeën 10:24-25
- Hebreeën 3:13
- 1 Petrus 2:2
- Hebreeën 10:27-39
- Habakuk 2:3-4
- Hebreeën 10:26-30
- Romeinen 7:15
- 1 Johannes 2:1-2
- Hebreeën 10:27
- Hebreeën 10:30, naar Deuteronomium 32:35
- Deuteronomium 32:36
- Romeinen 12:19
- Hebreeën 10:31-38
- 2 Samuel 24:12-13
- 2 Samuel 24:14
- Hebreeën 10:35-36
- Hebreeën 10:38
- Hebreeën 10:39