Deuteronomium 19-21
Vrijsteden en wetten voor oorlog en recht
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/deuteronomium/19-21.pdf?v=4e7a1127fc53. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/deuteronomium/19-21.
Samenvatting
Wetten over rechtspraak, oorlogvoering en de bescherming van kwetsbaren.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt de vrijsteden, grensstenen en regels voor betrouwbare getuigen en evenredige bestraffing. Bij de oorlogswetten betoogt hij uitvoerig dat Deuteronomium 20 geen grondslag biedt voor de christelijke theorie van de rechtvaardige oorlog en dat moderne staten niet zoals Israël kunnen beweren Gods volk te zijn of Zijn oorlogen te voeren. Vervolgens behandelt hij voorschriften over een onopgeloste moord, een vrouwelijke krijgsgevangene, het eerstgeboorterecht en een opstandige zoon, waarbij hij benadrukt hoe verschillende wetten misbruik beperken en kwetsbaren beschermen. Ten slotte legt hij uit hoe het verbod om een gehangene ’s nachts te laten hangen volgens Paulus vooruitwijst naar Christus, Die door aan een boom te hangen voor ons een vloek werd.
Vrijsteden bij onopzettelijke doodslag #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Deuteronomium hoofdstuk 19 tot en met 21.
We gaan verder bij hoofdstuk 19 van Deuteronomium. Zoals vaak het geval is in Deuteronomium, wordt er materiaal herhaald dat al eerder aan de orde is geweest. In de eerste 13 verzen van hoofdstuk 19 maken we opnieuw kennis met het begrip vrijsteden. Wat hier nieuw is, is alleen de vermelding dat ze drie steden aan de westkant van de Jordaan moeten aanwijzen. Dat hebben ze al aan de oostkant van de Jordaan gedaan, zodat er in totaal zes vrijsteden komen. Maar wanneer dit wordt verteld, wordt natuurlijk nog eens doorgenomen waar deze steden voor dienen, alsof we dat niet al weten.
In hoofdstuk 4, vers 41 tot en met 43, waren al drie steden aangewezen aan de oostkant van de Jordaan, in het gebied dat Israël al had veroverd en nu bewoonde. Vanaf hoofdstuk 4 waren die drie steden officieel vrijsteden geworden. Maar ze waren de Jordaan nog niet overgestoken naar de westkant en daarom hadden ze die drie steden aan de westkant nog niet beschikbaar gesteld. Er zouden aan elke kant van de Jordaan drie steden zijn. Hier krijgen we de opdracht om die drie steden aan te wijzen wanneer ze aan de overkant van de Jordaan komen.
Er staat:
1Wanneer de HEERE, uw God, de volken uitroeit waarvan de HEERE, uw God, u het land geeft, en u hun land in bezit neemt en in hun steden en in hun huizen woont, 2dan moet u voor uzelf drie steden afzonderen, in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen. 3U moet de weg voor u gereedmaken, en het gebied van uw land, dat de HEERE, uw God, u in erfbezit zal laten nemen, in drieën verdelen. Dit moet gebeuren zodat iedereen die een doodslag begaan heeft, daarheen kan vluchten.
Het idee is dat je deze steden niet alleen beschikbaar moet hebben. Je moet er ook echt goede wegen naartoe aanleggen, zodat de man die het niet werkelijk verdient om te sterven, omdat de doodslag die hij heeft gepleegd een ongeluk was, geen hindernissen tegenkomt. Hij kan er snel komen. Als de wegen goed zijn, kan vermoedelijk niet alleen hij snel reizen, maar ook de bloedwreker die achter hem aan zit. Ik neem aan dat een goede weg beide partijen van dienst kan zijn. Maar het idee is dat de man geen hindernissen mag tegenkomen op weg naar de veilige plaats, als hij bescherming verdient.
Vers 4:
Dit is de zaak die iemand betreft die een doodslag begaan heeft en daarheen vlucht om in leven te blijven: iemand die zijn naaste niet met voorbedachten rade doodgeslagen heeft en die hij tevoren niet haatte
Er wordt een voorbeeld gegeven:
5— bijvoorbeeld iemand die met zijn naaste het bos ingaat om hout te hakken, en hij maakt met zijn hand een zwaai met de bijl om een boom om te hakken, en het ijzer schiet van de steel en treft zijn naaste, zodat die sterft — die zal naar een van die steden vluchten en in leven blijven. 6Anders zou de bloedwreker degene die een doodslag begaan heeft, achtervolgen terwijl zijn hart verhit is, en, als de weg te lang zou zijn, zou hij hem inhalen en hem om het leven brengen, terwijl hij niet de doodstraf verdiend heeft, want hij haatte hem tevoren niet. 7Daarom gebied ik u: U moet voor uzelf drie steden afzonderen.
8En wanneer de HEERE, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, en Hij u heel het land gegeven heeft dat Hij gesproken heeft uw vaderen te zullen geven 9— als u heel dit gebod, dat ik u heden gebied, nauwlettend houdt, door de HEERE, uw God, lief te hebben en door alle dagen in Zijn wegen te gaan — dan moet u aan deze drie nog drie steden voor uzelf toevoegen, 10zodat er geen bloed van onschuldigen vergoten wordt in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft. Anders zou er bloedschuld op u rusten.
Blijkbaar zouden er mogelijk wel negen vrijsteden kunnen zijn: drie aan de oostkant van de Jordaan, drie aan de westkant en kennelijk nog maximaal drie van hetzelfde soort steden als ze andere gebieden zouden inlijven, misschien verder naar het noorden, die voor de mensen die daar zouden wonen te ver van de vrijsteden lagen.
Moordenaars krijgen geen asiel #
11Maar als er iemand is die zijn naaste haat, een hinderlaag voor hem legt, hem aanvalt en om het leven brengt, zodat hij sterft, en dan naar een van die steden vlucht, 12dan moeten de oudsten van zijn stad boden sturen en hem vandaar meenemen, en zij moeten hem in de hand van de bloedwreker geven, zodat hij sterft. 13Laat uw oog hem niet ontzien, maar doe het bloed van de onschuldige uit Israël weg, opdat het u goed gaat.
De oudsten van zijn woonplaats zouden verantwoordelijk zijn voor de terechtstelling van de moordenaar. Als een man een koelbloedige moord had gepleegd en naar een vrijstad vluchtte, mocht hij daar geen toevlucht vinden, omdat hij het verdient te sterven. Het zijn de oudsten van zijn eigen stad die daadwerkelijk naar de vrijstad zouden gaan om hem op te halen, hem terug te brengen, waarschijnlijk geboeid, en hem daar in zijn woonplaats terecht te stellen.
Het voorbeeld dat wordt gegeven van een overlijden door een ongeluk, waarbij een man met een bijl zwaait, de bijlkop losschiet, een andere man tegen het hoofd treft en hem per ongeluk doodt, weerspiegelt iets wat kennelijk vrij vaak voorkwam. Niet zozeer dat een bijl losschoot en iemand anders doodde, want het zou gewoon pech zijn als iemands hoofd zich toevallig in de baan van de rondvliegende bijlkop bevond. Maar dat bijlkoppen losraakten, moet niet zelden zijn voorgekomen. Want later, in de tijd van de profeet Elisa, moesten Elisa en de profetenzonen een groter huis bouwen voor het werk van hun bediening. Ze gingen het bos in en waren bomen aan het omhakken om een huis te bouwen, en de bijlkop van een van hun bijlen schoot van de steel. Gelukkig raakte de bijlkop niemand, maar hij kwam in de rivier terecht. Het probleem was dat het een geleende bijl was, en deze mannen waren arm. Ze hadden destijds geen rijke geestelijken; die profeten waren niet rijk. Ze waren arm, en hij kon hem niet vervangen. Daarom verrichtte Elisa een wonder waardoor de bijlkop ging drijven, zoals er staat. De bijlkop kwam van de bodem van het water omhoog en dreef naar hen toe aan de oppervlakte, zodat ze hem konden pakken.
Hoe dan ook, dat een bijlkop tijdens het houthakken losschoot, was kennelijk iets wat heel vaak gebeurde. Bij onze moderne bijlen gebeurt dat niet, want die zijn zo gemaakt dat je de bijlkop aanbrengt vanaf het uiteinde van de steel dat je vasthoudt. En het uiteinde waar de bijlkop op zijn plaats zit, is te breed om de bijlkop eraf te laten schieten. Gewoon een klein weetje. Je hoeft je geen zorgen te maken dat dit jou overkomt, dus je zult niet naar een vrijstad hoeven vluchten. Gelukkig maar, want je zou een vliegticket nodig hebben om daar te komen, en daar zijn tegenwoordig geen vrijsteden meer. Maak je dus geen zorgen over het probleem met de bijlkop. Maar je moet wel oppassen dat je niet per ongeluk mensen doodt. Dat is echt iets heel ergs om te doen. Het kan je hele dag bederven.
Vers 14:
Grensstenen en grondbezit #
U mag de grenssteen van uw naaste, die de voorouders geplaatst hebben, niet verleggen in uw erfelijk bezit dat u ontvangt in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om het in bezit te nemen.
Dit speelde in de woestijn natuurlijk nooit. Ze hadden geen grensstenen. Ze hadden geen land. Ze trokken alleen maar rond. Maar nu zouden ze een erfdeel krijgen. Als je grond een vastgestelde grens heeft, moet je die op de een of andere manier markeren, zodat je hem kunt herkennen. Als je het geld hebt om een omheining of iets dergelijks te bouwen, is dat mooi. Maar als je dat niet hebt, moet je nog steeds op de een of andere manier aangeven waar je grenzen liggen. Daarom zetten ze stenen op de hoeken van hun grond. Net zoals hedendaagse landmeters een lijn tussen twee markeringen zouden uitzetten om te bepalen waar een grens ligt, bepaalden zij zo de grenzen van hun land.
Als je oneerlijk wilde zijn, kon je natuurlijk midden in de nacht, terwijl je buurman sliep, naar buiten sluipen en de grenssteen verplaatsen. Zo lijfde je een deel van zijn grond in. Misschien kwam hij daar nooit achter. Er waren immers niet zoveel objectieve dingen waarmee hij het kon opmeten. Die steen was alles wat ze hadden. Tenzij hij de afstand met passen afmat en vaststelde: „Ik heb ongeveer honderd meter minder grond dan vroeger”, zou hij het misschien nooit merken, of het in elk geval niet kunnen bewijzen. Als je de grenssteen verplaatst, heb je gewoon onroerend goed van je buurman gestolen. Dat is dus verboden. Dat is diefstal, diefstal van land. Het verplaatsen van grensstenen was verboden.
Twee of drie getuigen #
Dan hebben we de wet over mensen die voor de rechtbank getuigen. In wezen zijn we eerder in Deuteronomium al verschillende keren de regel tegengekomen dat er twee of meer getuigen nodig zijn om iemand ter dood te veroordelen. Hier wordt dat herhaald. Ook wordt erop gewezen dat er zware straffen zullen staan op het afleggen van een valse getuigenis. Er staat:
Eén enkele getuige mag tegen niemand opstaan met betrekking tot enige ongerechtigheid of tot enige zonde, bij elke zonde die men ook zou kunnen doen. Op de verklaring van twee getuigen of op de verklaring van drie getuigen staat de zaak vast.
Deze uitspraak is een principe dat in het Nieuwe Testament meerdere keren wordt aangehaald. Jezus haalt het aan in Mattheüs 18, wanneer Hij het over gemeentetucht heeft. Hij zegt in Mattheüs 18:15:
Maar als uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga naar hem toe en wijs hem terecht tussen u en hem alleen; als hij naar u luistert, hebt u uw broeder gewonnen.
Als je je broeder wint, is dat prachtig. Als hij naar je luistert, heb je je broeder gewonnen. De zaak is gesloten. Maar als hij niet naar je wil luisteren, zegt Hij, dan neem je een of meer anderen met je mee en spreek je hem opnieuw aan. Jezus zei:
Maar als hij niet naar u luistert, neem er dan nog een of twee met u mee, opdat in de mond van twee of drie getuigen elk woord vaststaat.
Hij haalt dit principe uit Deuteronomium aan. Als hij natuurlijk niet naar hen wil luisteren, dan gaat de zaak naar de gemeente.
Die persoon krijgt in de gemeente dus zelfs meer kansen dan hij in Israël kreeg. Want in Israël waren twee getuigen tegen hem genoeg om hem te veroordelen. Maar in het lichaam van Christus geef je hem zelfs nog één kans extra. Er zijn twee getuigen tegen je en je luistert nog steeds niet? Nou, dan krijg je nog één kans. Dan word je door de hele gemeente aangesproken. Als je niet naar de gemeente luistert, dan lig je eruit. Dat is wat Jezus zei.
Er zijn nog een aantal andere plaatsen in het Nieuwe Testament waar dit beginsel wordt aangehaald of waarop wordt gezinspeeld, zoals Johannes 8:17, 2 Korinthe 13:1, 1 Timotheus 5:19 en Hebreeën 10:28. Zoals je kunt zien, werkt deze wet, hoewel het een wet uit het Oude Testament is, heel grondig door in de ethiek van het Nieuwe Testament. Het idee is dat je geen getuigenis tegen iemand mag aannemen, tenzij er twee of drie getuigen zijn. Paulus past dit in 1 Timotheus toe op beschuldigingen tegen oudsten van de gemeente. In 1 Timotheus, hoofdstuk 5, vers 19, zegt hij:
Neem tegen een ouderling geen beschuldiging aan, tenzij er twee of drie getuigen zijn.
Wanneer je slechte dingen hoort over een voorganger of wie dan ook, moet je oppassen dat je die niet zomaar aanneemt omdat het een sappig stukje roddel is. Je kunt maar beter nagaan of het bevestigd wordt, want dat is gewoon eerlijk. Dat is rechtvaardigheid. Daarom stelt God dit beginsel vast in het Oude Testament; Jezus acht het kennelijk ook geldig in het Nieuwe Testament, en Paulus eveneens.
Valse getuigen en evenredige straf #
Vers 16:
16Wanneer een misdadige getuige tegen iemand opstaat om hem aan te klagen wegens afvalligheid, 17dan moeten de twee mannen die dit geschil hebben, voor het aangezicht van de HEERE gaan staan, voor de ogen van de priesters en de rechters die er in die dagen zijn, 18en de rechters moeten de zaak goed onderzoeken. En zie, is de getuige een valse getuige, heeft hij vals getuigd tegen zijn broeder, 19dan moet u met hem doen zoals hij met zijn broeder dacht te doen. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.
Dat is natuurlijk een overtreding van het negende gebod:
U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.
Dit is een van de Tien Geboden.
Als blijkt dat een man een vals getuigenis tegen zijn broeder heeft afgelegd, staat er:
19dan moet u met hem doen zoals hij met zijn broeder dacht te doen. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen. 20Laten zij die overgebleven zijn, het horen en bevreesd zijn en een dergelijke wandaad niet meer in uw midden verrichten. 21Laat uw oog hem niet ontzien: leven voor leven, oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet.
Het is niet waarschijnlijk dat de straf voor een misdrijf letterlijk zou zijn dat de voet van een man werd afgehakt of zijn oog werd uitgerukt. Maar het idee is dat het recht gelijkmatig en evenredig moet worden toegepast. Als een man een vals getuigenis tegen zijn naaste aflegt, betekent het feit dat hij een vals getuigenis aflegt dat hij kwaad van plan is tegen een onschuldige man. Welke straf die man ook zou ondergaan als hij schuldig werd bevonden, zodra blijkt dat de getuige schuldig is, krijgt hij die straf.
Er stonden valse getuigen tegen Jezus op voor het Sanhedrin. De Bijbel zegt dat ze valse getuigen inhuurden om tegen Jezus te getuigen. Ze brachten tijdens het proces tegen Stefanus ook valse getuigen tegen hem naar voren. Beide mannen stonden terecht met hun leven op het spel, en beiden stierven. Als het recht zijn loop had gehad, zouden in plaats daarvan die getuigen zijn gedood. Wanneer je tegen iemand getuigt terwijl hij werkelijk onschuldig is, is dat van jouw kant een poging tot moord. In zo’n geval probeer je een onschuldige man te laten doden. Of je dat nu doet door hem in de rechtszaal vals te beschuldigen of door gewoon naar hem toe te lopen en hem in de rug te steken, het komt allemaal op hetzelfde neer. Je doodt een onschuldige man en bent daarom schuldig aan moord. Of als de straf iets minder zwaars was en het een valse beschuldiging was, dan moet de valse getuige de straf ondergaan die anders zou zijn opgelegd.
Oorlog en de vroege christenen #
Hoofdstuk 20 is een interessant hoofdstuk. Het gaat over oorlogvoering, maar niet over de oorlogen die de Israëlieten op het punt stonden in Kanaän te voeren. De oorlogen in Kanaän moesten vernietigingsoorlogen zijn. Het waren veroveringsoorlogen. Het waren oorlogen waarin Gods oordeel werd voltrokken. Ze waren Gods oordeel over de Kanaänieten, die uitgeroeid moesten worden. Maar zodra het land veroverd is, gaat God ervan uit dat Israël andere oorlogen zal voeren. Daaronder vallen ook aanvalsoorlogen waarin Israël grondgebied van andere volken inneemt.
Dat lijkt vreemd. Het is beslist niet in overeenstemming met wat wij de theorie van de rechtvaardige oorlog noemen. Het is ook interessant omdat christenen uiteenlopende opvattingen hebben over de ethiek van oorlog. Vanaf de vroegste tijd, vanaf de apostelen, was de gemeente ongeveer drie eeuwen lang tamelijk eensgezind in haar getuigenis dat christenen helemaal niet in oorlogen moesten vechten. Ireneüs, Tertullianus, Justinus en alle vroege kerkvaders namen het standpunt in dat christenen niet in oorlogen moesten vechten.
Dat veranderde in de tijd dat het Romeinse Rijk christelijk werd. Toen keizer Constantijn christen werd, was Rome plotseling een christelijk rijk en geen heidens rijk meer. Dat veranderde de zaak, omdat christenen in de eerste drie eeuwen van de gemeente als argument tegen oorlog aanvoerden dat de oorlogen van Rome met deze wereld te maken hadden. Wij voeren een geestelijke strijd. Wij zijn burgers van een ander koninkrijk. Wij zijn burgers van het Koninkrijk van God.
Bedenk dat Jezus zei:
Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Als Mijn Koninkrijk van deze wereld was, zouden Mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden overgeleverd zou worden, maar nu is Mijn Koninkrijk niet van hier.
De vroege christenen zeiden dus dat de oorlogen van de Romeinen niet onze oorlogen waren. En de vroege christenen leefden in het Romeinse Rijk, dus alle oorlogen die hen zouden raken, waren oorlogen van de Romeinen. Wij hebben een andere Koning. Wij hebben een ander koninkrijk. Laat Rome zijn eigen oorlogen voeren. Wij voeren onze oorlogen, en die zijn een geestelijke strijd voor een geestelijk koninkrijk. Zo redeneerden ze.
Maar toen in de vierde eeuw de Romeinse wereld christelijk werd, werd het plotseling verwarrend. Is Rome zoiets als het Koninkrijk van God? Is het Romeinse Rijk het Koninkrijk van God? We hebben een christelijke keizer, we hebben christelijke bestuurders, het christendom is de officiële godsdienst en alle burgers belijden dat ze christen zijn. Toen begon het erop te lijken dat de verdediging van het Romeinse Rijk hetzelfde was als de verdediging van het Koninkrijk van God, omdat kerk en staat zo moeilijk van elkaar te scheiden waren. In de eeuwen daarvoor was het gemakkelijk om het verschil tussen de kerk en de Romeinse overheid te zien, omdat de mensen van de kerk degenen waren die voor de leeuwen werden geworpen. De mensen van de kerk waren degenen die op de brandstapel werden verbrand. Zij waren degenen die zich onder de grond verborgen, omdat de staat hen vervolgde. Het was gemakkelijk om het verschil te zien tussen de belangen van de kerk en de belangen van de staat, omdat de staat satanisch was. Het was een beest, zoals het in Openbaring werd voorgesteld. De kerk was als een onschuldig lam dat door dit beest naar de slachtbank werd geleid.
Augustinus en het christelijke rijk #
Maar toen werd het beest christelijk, werd het een lam — of misschien alleen een wolf in schaapskleren. Dat is moeilijk te zeggen, maar het leek een schaap te zijn. Plotseling was niet meer duidelijk wat het verschil was tussen de belangen van de kerk en de belangen van de christelijke staat. Toen begonnen ze opnieuw na te denken over de ethiek van christenen die in een oorlog vechten, omdat de belangen van Rome nog altijd een nationaal leger vereisten. Er moest een leger zijn om Rome tegen barbaren en dergelijke te verdedigen. Als Rome christelijk was, was het dan niet zo dat het leger, de soldaten van Rome, Gods strijd voerden en dat dit nu de strijd van de christen was?
Christelijke filosofen moesten daarom met een nieuwe ethiek komen, die verschilde van die van de vroege kerkvaders. De vroege kerkvaders zeiden dat het aanvaardbaar was dat de heidenen in het leger vochten, omdat dat hun zaak was, het koninkrijk dat zij verdedigden. Zij voerden fysieke oorlogen voor een fysiek koninkrijk. Wij maken deel uit van een geestelijk koninkrijk. Wij zijn een gemarginaliseerd volk zonder burgerrechten. Ons koninkrijk is niet van deze wereld. Wij behoren tot een geestelijk rijk en onze strijd is geestelijk.
Maar plotseling kon je geen onderscheid meer maken tussen de christen en de niet-christen, waarbij de christen in geen enkele oorlog mocht vechten en de niet-christen wel in een oorlog mocht vechten, omdat plotseling alle Romeinen christenen waren — zogenaamd. Ze waren allemaal gedoopt en allemaal lid van de kerk. Ofwel je had helemaal geen leger, in welk geval je kwetsbaar leek voor indringers omdat je geen leger meer had, ofwel je had een leger waarin christenen zaten. Dat riep ethische kwesties op die daarvoor niet aan de orde hadden hoeven komen.
Het was Augustinus, rond het jaar 400, die meer dan wie ook voor de kerk de christelijke versie ontwikkelde van wat de ethiek van de rechtvaardige oorlog wordt genoemd. Augustinus heeft deze ideeën niet zelf bedacht. Hij was een neoplatonist. Augustinus was een mengeling van een Griekse filosoof en een christelijke theoloog. Daarom zijn veel van de dingen die hij introduceerde dingen die volgens mij persoonlijk niet Bijbels zijn. Zelfs veel van de ideeën over soevereiniteit en uitverkiezing, en soortgelijke zaken die later deel werden van de gereformeerde theologie, werden door Augustinus in de kerk geïntroduceerd. Maar hij ontleende ze aan Plato, een heidense filosoof die vóór de tijd van Christus leefde.
Het neoplatonisme kwam via Augustinus de kerk binnen, verbonden met bepaalde christelijke ideeën, en Augustinus was de invloedrijkste theoloog aller tijden. Meer mensen geloven Augustinus dan Paulus. Ze weten niet dat dit zo is. Ze denken dat ze Paulus geloven wanneer ze Augustinus geloven, maar ze interpreteren Paulus door het denkkader van Augustinus. Hij is de invloedrijkste theoloog in de geschiedenis.
Christenen moesten besluiten hoe ze met de nieuwe situatie zouden omgaan. Technisch gezien was het hele Romeinse Rijk christelijk, maar er moesten nog steeds fysieke oorlogen worden gevoerd. Van oudsher was het christenen echter niet toegestaan daarin te vechten. Wat moesten ze doen? Augustinus ontleende aan Plato wat de ethiek van de rechtvaardige oorlog werd genoemd. De gedachte erachter was dat er veel oorlogen zijn die niet rechtvaardig zijn, en dat goede mensen die niet zullen goedkeuren en er niet in zullen vechten. Maar er zijn oorlogen die rechtvaardig zijn, en een goed mens zou geen reden hebben om daarin niet voor gerechtigheid te vechten.
Voorwaarden voor een rechtvaardige oorlog #
Dit zou bijvoorbeeld van toepassing zijn wanneer een oorlog in wezen gelijkstond aan de doodstraf. Een goed mens, zelfs een christen, zou in beginsel met de doodstraf kunnen instemmen, omdat bepaalde mensen misdaden begaan waarvoor zij de doodstraf verdienen. Zelfs Paulus maakte duidelijk dat hij dat geloofde. Maar over het algemeen is die ethiek niet op de meeste oorlogen van toepassing, omdat in de meeste oorlogen mensen sterven die de dood niet waard zijn: mensen die geen misdaad hebben begaan, burgers, niet-strijders, vrouwen, kinderen, enzovoort. Daarom brengen de meeste oorlogen onrecht met zich mee, terwijl de doodstraf, wanneer die op de juiste wijze wordt voltrokken, een doelgerichte toepassing van gerechtigheid is. In de meeste oorlogen sterven zowel mensen die verdienen te sterven als mensen die niet verdienen te sterven. Dat is een onrechtvaardige oorlog.
Augustinus zei dat christenen een onrechtvaardige oorlog niet kunnen goedkeuren of eraan kunnen deelnemen. Maar in navolging van Plato zei hij dat er oorlogen zijn die rechtvaardig zijn. Er zijn oorlogen die ethisch min of meer gelijkstaan aan de doodstraf, waarbij de oorlog alleen wordt gevoerd tegen partijen die werkelijk verdienen te sterven. Daarom wordt het doden van hen in wezen het morele equivalent van de doodstraf.
Augustinus stelde een vrij lange lijst op met richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog. Het idee was dat als je land op rechtvaardige gronden betrokken is bij een rechtvaardige oorlog, jij daar als christen zonder bezwaar aan kunt deelnemen en in kunt vechten. Als je land betrokken is bij een onrechtvaardige oorlog, moet je er als christen niet in vechten.
Enkele richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog zijn de volgende. Het mag geen aanvalsoorlog zijn. De oorlog moet voor honderd procent defensief zijn. Volgens Augustinus is een rechtvaardige oorlog geen aanvalsoorlog waarbij je eropuit trekt en iemand anders binnenvalt. Het gaat om een situatie waarin je wordt aangevallen. De mensen tegen wie je vecht, proberen jou dus te doden. Dat maakt hen tot moordenaars, die zelf de dood verdienen. Het mag zelfs geen vergeldingsoorlog zijn, of een oorlog om grondgebied terug te winnen dat in een eerdere oorlog verloren is gegaan. Stel dat je vijanden je tijdens een eerdere oorlog bepaalde bezittingen hebben afgenomen. Dan mag je niet zelf de aanval inzetten om die bezittingen terug te halen. Je mag in een oorlog niet de aanvaller zijn. Je mag geen vergelding zoeken voor onrecht dat eerder is aangedaan. Een rechtvaardige oorlog is voor honderd procent defensief, zei Augustinus.
Verder wordt hij gevoerd met evenredig geweld, niet meer dan nodig is om de aanvallers terug te slaan. De veronderstelling is dat jij in een rechtvaardige oorlog wordt aangevallen. Dat wil zeggen: jij handelt rechtvaardig. De vijand handelt niet rechtvaardig, maar jouw zaak is rechtvaardig. Je mag alleen zoveel geweld gebruiken als nodig is om de aanval af te slaan. Een atoombom zou bijvoorbeeld niet gelden als iets wat in een rechtvaardige oorlog gebruikt kan worden. Als iemand je met geweren en tanks aanvalt, gebruik je geweren en tanks om hem tegen te houden. Hopelijk heb je meer geweren en tanks dan hij, zodat je hem kunt tegenhouden. Maar je gebruikt alleen wat nodig is om zijn aanval af te slaan. Je gebruikt geen geweld om hem te overweldigen, zijn steden onnodig te verwoesten, enzovoort.
Een andere richtlijn was dat een rechtvaardige oorlog, voor zover dat mogelijk is, de onschendbaarheid van burgers en niet-strijders moest waarborgen. Alleen soldaten die daadwerkelijk tegen je vochten, mochten dus worden gedood. Er zijn nog meer van zulke richtlijnen. Maar alleen al deze drie maken duidelijk dat veel van de oorlogen die door het christelijke Rome zijn gevoerd, of wat dat betreft in de moderne tijd door Amerika, niet voldeden aan de eisen voor wat Augustinus een rechtvaardige oorlog noemde.
Moderne oorlogen langs Augustinus’ meetlat #
De meeste christenen steunen tegenwoordig de theorie van de rechtvaardige oorlog, zoals zij die begrijpen. Velen van hen begrijpen die niet erg goed. Velen bedoelen alleen dat je mag vechten als jouw partij aan de kant van het recht staat. Veel christelijke ethici en filosofen zeggen: ‘Wij geloven in de theorie van de rechtvaardige oorlog zoals Augustinus die heeft uiteengezet.’ Augustinus had te maken met een situatie die sinds de tijd van de apostelen veranderd was. Er waren nu daadwerkelijk christelijke belangen binnen de staat die verdedigd moesten worden. Ook bestond een aanzienlijk deel van de bevolking uit christenen, zodat er bij wijze van spreken niet genoeg niet-christenen zouden zijn om het leger te bemannen. Bijna alle Amerikaanse christenen geloven dus in wat de theorie van de rechtvaardige oorlog wordt genoemd. De uitzonderingen zijn de wederdopers, de quakers en enkele radicale groepen. Meestal zul je merken dat christelijke predikers deze theorie verdedigen.
Het probleem is dat geen enkele oorlog waarin wij hebben gevochten precies een rechtvaardige oorlog was. Mogelijk was de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog dat wel, en dat komt doordat de vijand hierheen kwam. Als je op Britse soldaten schoot, waren zij daar uiteraard om op jou te schieten. Wij zijn niet naar Groot-Brittannië gegaan om daar bommen te laten vallen en we hebben geen buitenproportioneel geweld gebruikt. Je zou kunnen betogen dat de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog volgens de richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog is gevoerd. Al weet ik niet zeker of onze soldaten en onze leiders daarbij in termen van een rechtvaardige oorlog dachten. Ze verdedigden gewoon zichzelf. Je zou de vraag kunnen stellen of er überhaupt een oorlog had moeten zijn, maar dat is een andere kwestie.
Bijna alle oorlogen die in de moderne tijd zijn gevoerd, vooral sinds de opkomst van de technologie, zijn niet altijd met evenredig geweld gevoerd. Ik denk dan in het bijzonder aan de Eerste en de Tweede Wereldoorlog en aan de oorlogen sindsdien: de Koreaanse Oorlog, de Vietnamoorlog, de oorlogen in Irak, enzovoort. Het bombardement met brandbommen op Dresden in Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog en het werpen van de atoombom op Hiroshima voldeden beslist niet aan wat wij de richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog noemen. Toch zijn de meeste christenen nog altijd van mening dat wij een rechtvaardige zaak hadden, en voor veel christenen is dat genoeg. Alleen al dat wij de goede kerels waren en zij de slechte, is in de gedachten van veel hedendaagse christenen genoeg om het voeren van oorlog te rechtvaardigen.
We kunnen dus zien dat zelfs de latere uitwerking van de theorie van Augustinus erop achteruit is gegaan. Augustinus stond christenen tenminste toe om in sommige oorlogen te vechten, maar hij hanteerde zeer strikte richtlijnen voor wat een rechtvaardige oorlog is. Tegenwoordig zegt de gemiddelde christen die niet nadenkt eenvoudig: ‘Nou, het is een rechtvaardige oorlog omdat het onze oorlog is, want wij zijn de goede kerels. Onze leiders doen beslist alleen maar goede dingen. Ze zouden beslist alleen maar op een goede manier handelen. Als onze leiders ons dus zeggen dat we moeten gaan, dan gaan we. Voor God en vaderland.’ De meeste christenen zijn geen denkers, zoals je waarschijnlijk wel hebt ontdekt als je er ooit een paar hebt ontmoet. Nou, misschien voor het vaderland, maar het is niet altijd echt voor God. De vroege christenen zouden dat bij de meeste van onze oorlogen beslist niet zo hebben gezien.
De reden waarom ik dit ter sprake breng, is dat bijna alle christelijke ethici — ik heb boeken van R.C. Sproul over christelijke ethiek gelezen, en boeken van andere gereformeerde schrijvers — altijd voorstander zijn van wat zij het concept van de rechtvaardige oorlog noemen. Ze hebben geen enkele moderne oorlog kunnen aanwijzen die aan de voorwaarden voldoet, maar ze geloven dat het concept van de rechtvaardige oorlog voor christenen een goede ethische filosofie is. Maar ze zeggen altijd dit: de richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog zijn gebaseerd op Deuteronomium hoofdstuk 20 en op de richtlijnen die God Israël gaf voor het voeren van oorlogen.
En ik zeg: „Werkelijk? Is dat zo? Laten we eens lezen wat God zei. Kijk maar hoeveel van de richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog hier van toepassing zijn.”
Vrijstelling en vertrouwen bij de strijd #
Wanneer u ten strijde trekt tegen uw vijanden, en u ziet paarden en strijdwagens, een volk dat groter is dan u, wees dan niet bevreesd voor hen. Want de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte heeft geleid, is met u. En als u zich vlak voor de strijd bevindt, moet het zó zijn dat een priester naar voren komt om tot het volk te spreken. Hij moet tegen hen zeggen: Luister, Israël, heden bevindt u zich vlak voor de strijd tegen uw vijanden; laat uw hart niet week worden, wees niet bevreesd, beef niet en schrik niet voor hen terug, want het is de HEERE, uw God, Die met u meegaat, om voor u tegen uw vijanden te strijden om u te verlossen.
Daarna zullen de beambten tot het volk spreken: Wie is de man die een nieuw huis heeft gebouwd en het nog niet in gebruik genomen heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders het in gebruik neemt. En wie is de man die een wijngaard heeft geplant, maar de vrucht ervan nog niet gegeten heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders die eet. En wie is de man die met een vrouw in ondertrouw is gegaan, maar haar nog niet tot vrouw genomen heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft, en een andere man haar tot vrouw neemt.
Daarna zullen de beambten opnieuw tegen het volk spreken, en zeggen: Wie is de man die bevreesd is, en week van hart? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat het hart van zijn broeders niet smelt, zoals zijn hart. En als de beambten geëindigd hebben tot het volk te spreken, moet het zó zijn dat zij legerbevelhebbers aan het hoofd van het volk aanstellen.
Dan krijgen we in vers 10 en de verzen daarna het strijdplan. Maar laten we hier beginnen. Er zijn vier redenen om soldaten uit het leger weg te sturen. Het hele idee erachter is dat je mensen wilt die zich volledig aan deze oorlog hebben toegewijd. Je wilt geen mensen die bang zijn, want door hun negatieve houding enzovoort kunnen ze anderen met hun angst aansteken. Je wilt mensen die erop vertrouwen dat God hier de overwinning zal geven.
Het eerste idee is dus dat God achter deze oorlog staat. God staat aan jouw kant. Je hebt daar zelfs de priesters die dit bevestigen. Ik ken geen enkele oorlog die in de moderne tijd ooit op die manier is gevoerd. Ik ken geen priesters of profeten van ons land die tegen onze troepen konden zeggen: „Deze oorlog is Gods oorlog. Hij staat aan jullie kant,” en die mensen de mogelijkheid konden geven om niet mee te doen als ze iets hadden wat hen afleidde.
„Ik heb net een huis gebouwd. Ik ben er nog nooit ingetrokken.”
„Nou, ga dan naar huis en woon erin.”
„Ik heb net een wijngaard geplant en ik heb mijn eerste oogst nog niet eens gehad.”
„Nou, ga naar huis en eet van je oogst.”
„Er is een vrouw met wie ik wil trouwen, en we zijn nog niet getrouwd.”
„Nou, ga dan met haar trouwen.”
Ga niet ten strijde als je andere dingen aan je hoofd hebt. Je moet je op deze strijd concentreren.
„Ben je bang? Ga naar huis. We hebben je niet nodig. Wij zullen deze oorlog winnen.”
God zal deze oorlog winnen met mensen die volledig geconcentreerd zijn en volkomen op Hem vertrouwen. Dat is hier het idee. Het was duidelijk een vrijwilligersleger. Er was kennelijk geen dienstplicht, maar de patriotten van Israël die God vertrouwden, zouden komen opdagen om de strijd te voeren. Want de strijd was van de Heere en zij waren het volk van de Heere.
Gods volk kent geen landsgrenzen #
Hier hebben we al meteen een situatie waarvoor in geen enkele moderne natiestaat een parallel bestaat, want er is tegenwoordig geen natie die Gods volk is. Gods natie is de gemeente, en die is niet verbonden aan één geografisch gebied of aan één bepaalde politieke eenheid. Er zijn, neem ik aan, zowel in Noord-Korea als in Zuid-Korea christenen. Er zijn enkele christenen in Irak en Iran — niet veel, maar er zijn er enkele. Er zijn Palestijnse christenen en Israëlische christenen. Er zijn Amerikaanse christenen en Russische christenen, en heel veel Chinese christenen.
Als deze landen tegen elkaar zouden vechten, zou dat niet Gods volk tegen het volk van de duivel zijn. Het zouden gemengde groepen zijn, met aan beide kanten enkele mensen van Gods volk die tegen elkaar vochten. Dat is niet hetzelfde. Geen van beide kanten zou kunnen zeggen: „Wij zijn Gods volk.” Want zelfs als jij als christen in een van onze oorlogen voor Amerika ten strijde trekt, zit je in de loopgraven met een andere man die geen christen is. Je kunt niet zeggen: „Wij zijn Gods volk.” Je kunt zeggen: „Ik behoor tot Gods volk,” maar deze man niet, en toch staat hij aan mijn kant. Hij behoort tot het volk van de duivel, en hij zit hier bij mij in dezelfde schuttersput.
De man van de duivel en ik vechten tegen die mensen, en de man op wie ik schiet zou, voor zover ik weet, een christen kunnen zijn, want ook in dat land zijn christenen. Het kan zijn dat ik als christen mijn christelijke broeder dood, terwijl het gebod dat mijn Heere mij gaf, luidt:
Hieraan leerden wij de liefde kennen, dat Hij voor ons Zijn leven heeft gegeven. Ook wij moeten voor de broeders het leven geven.
De eenheid tussen mijn broeder en mij hoort het bewijs te zijn dat God Jezus heeft gezonden. Jezus zei:
opdat zij allen één zullen zijn, zoals U, Vader, in Mij, en Ik in U, dat ook zij in Ons één zullen zijn, opdat de wereld zal geloven dat U Mij gezonden hebt.
Mijn opdracht is dus om één te zijn met die man: ik moet hem liefhebben en één met hem zijn, zodat de wereld zal weten dat het Evangelie waar is. [Vertalersnoot: de aangehaalde HSV spreekt over ‘geloven dat U Mij gezonden hebt’; de spreker parafraseert dit als weten dat het Evangelie waar is.] Maar in plaats daarvan sta ik hier de oorlogen van het ene land uit te vechten tegen een andere broeder, die de oorlogen van een ander land uitvecht.
Er klopt iets niet aan dat beeld. Het is niet vergelijkbaar. Israël was Gods volk. Hun vijanden waren de volken van de duivel. Alle andere volken ter wereld aanbaden afgoden en demonen. Daarom was er altijd een duidelijk afgebakend verschil. Er is geen parallel met het hedendaagse idee van een rechtvaardige oorlog, of met welke andere oorlog dan ook, want er is tegenwoordig geen enkel land dat altijd kan zeggen dat God aan zijn kant staat. Sterker nog, zelfs Israël had God soms niet aan zijn kant. Er waren tijden dat hun profeten tegen hen moesten zeggen:
God staat hierin niet achter je.
Dat was omdat ze tegen God in opstand waren. Toen Babylon Jeruzalem belegerde, moest Jeremia tegen het volk zeggen:
8En tegen dit volk moet u zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik houd u de weg naar het leven en de weg naar de dood voor. 9Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, door de honger of door de pest. Maar wie vertrekt en overloopt naar de Chaldeeën, die u belegeren, die zal in leven blijven en zijn leven zal hem tot buit zijn. 10Want Ik heb Mijn aangezicht tegen deze stad gericht ten kwade en niet ten goede, spreekt de HEERE. Zij zal overgegeven worden in de hand van de koning van Babel, en hij zal haar met vuur verbranden.
Hoe weet een land of God aan zijn kant staat? #
Met andere woorden, zelfs Israël mocht geen oorlog voeren tegen heidenen wanneer Gods profeten hun zeiden dat niet te doen. Je kon er niet op rekenen dat zelfs Israël op een bepaald moment Gods volk was, of dat God aan hun kant stond. Dus wanneer tegenwoordig een land ten strijde trekt, hoe weten ze dan aan welke kant God staat? Iedereen denkt dat Hij aan zijn kant staat. Toen wij tegen de nazi’s ten strijde trokken, wisten we volgens ons absoluut zeker dat God aan onze kant stond tegen de nazi’s. Hoe kon iemand daar anders over denken? Nou, het Duitse volk dacht daar anders over. Er vochten christelijke Duitsers in Hitlers legers. Ik weet dat, want ik heb sommigen van hen ontmoet. Ik verbleef in Duitsland bij een baptist thuis die tijdens de Tweede Wereldoorlog geen lid was van de nazipartij, maar wel in de Duitse legers vocht. Ik weet zeker dat hij geen Joden heeft gedood. Ik hoop van niet. Maar het punt is dat de Duitse christenen er op de een of andere manier ook van overtuigd waren dat God aan hun kant stond.
Als jij ervan overtuigd kunt raken dat God aan jouw kant staat omdat je aanneemt dat jouw land op de een of andere manier gelijk heeft, en dat je trouw moet zijn aan wat jouw land doet, dan zou jouw land islamitisch of atheïstisch kunnen zijn, zoals ons land dat is. Ons land wordt bestuurd door niet-christenen. Denk je dat de leden van het Congres christenen zijn? Denk je dat de president een christen is? Wij hebben een heidens land. De meerderheid van de mensen in dit land bestaat uit heidenen, en dat geldt ook voor de meerderheid van de mensen die het besturen. Hoe zouden wij er dan op kunnen staan dat God aan onze kant staat? Hoe weten we dat God niet van plan is ons in een bepaalde oorlog door iemand anders te oordelen? Dat kunnen we niet weten. Het is niet hetzelfde.
De overwinning is van de HEERE #
Maar wanneer God aan de kant van Israël stond, kon de priester naar voren komen en zeggen:
3Hij moet tegen hen zeggen: Luister, Israël, heden bevindt u zich vlak voor de strijd tegen uw vijanden; laat uw hart niet week worden, wees niet bevreesd, beef niet en schrik niet voor hen terug, 4want het is de HEERE, uw God, Die met u meegaat, om voor u tegen uw vijanden te strijden om u te verlossen. 5Daarna zullen de beambten tot het volk spreken: Wie is de man die een nieuw huis heeft gebouwd en het nog niet in gebruik genomen heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders het in gebruik neemt. 6En wie is de man die een wijngaard heeft geplant, maar de vrucht ervan nog niet gegeten heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft en iemand anders die eet. 7En wie is de man die met een vrouw in ondertrouw is gegaan, maar haar nog niet tot vrouw genomen heeft? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat hij niet in de strijd sterft, en een andere man haar tot vrouw neemt. 8Daarna zullen de beambten opnieuw tegen het volk spreken, en zeggen: Wie is de man die bevreesd is, en week van hart? Laat hij weggaan en naar zijn huis terugkeren, opdat het hart van zijn broeders niet smelt, zoals zijn hart.
Dat zien we in het bijzonder in het verhaal van Gideon. Duizenden mensen kwamen en gaven gehoor aan Gideons oproep tot de strijd, en vervolgens dunde hij hun gelederen precies op deze manier uit. Hij stuurde degenen die bang waren naar huis, en ook degenen die niet de beste mannen waren. Uiteindelijk streed hij tegen de Midianieten met een leger van slechts driehonderd man. De Midianieten hadden er meer dan dertigduizend. Gideon had er driehonderd, en hij won.
Het idee hier is dus dat de strijd van de Heere is.
Dezen vertrouwen op strijdwagens en die op paarden, maar wíj zullen de Naam van de HEERE, onze God in herinnering roepen.
In Psalm 33 staat dat
Een koning wordt niet verlost door een groot leger en een paard biedt geen betrouwbare redding; de verlossing komt van de HEERE.
In Spreuken staat:
Een paard wordt gereedgemaakt voor de dag van de strijd, maar de overwinning is van de HEERE.
Zelfs het Oude Testament maakt duidelijk dat de veiligheid van een volk niet te danken is aan zijn grote legers, maar aan zijn grote God en zijn verhouding tot God. Als God aan jouw kant staat, is de macht van jouw leger van gering, ondergeschikt belang. Er is hier dus geen parallel.
Aanvalsoorlog tegen verre steden #
Dan komen we bij vers 10:
Wanneer u een stad nadert om ertegen te strijden, moet u haar vrede aanbieden.
Maar wacht eens even. Jij bent hier de agressor. Dat op zichzelf is al een schending van de richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog. Een rechtvaardige oorlog moet volledig defensief zijn. Hier trekt Israël op tegen een stad. Nu gaat dit niet over de Kanaänitische steden. Dat wordt duidelijk gemaakt in vers 15:
Zo moet u met alle steden doen die heel ver bij u vandaan zijn, die niet bij de steden horen van deze volken hier.
Dat gaat niet over de Kanaänieten. Met de Kanaänieten is het een ander verhaal. Dat is uitroeiing. Dat zijn beslist geen richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog, en de andere evenmin.
Wanneer jullie optrekken tegen andere volken die ver van jullie vandaan zijn, hoeven jullie die niet te veroveren, want jullie bezitten jullie eigen land al. Dit zijn mensen in vreemde landen. Toch trekken jullie tegen hen op om hen te veroveren en schatplichtig te maken, zoals uit Deuteronomium 20:10-14 blijkt. Dit is een aanvalsoorlog. Dit is geen verdedigingsoorlog. Jullie bieden hun vrede aan op voorwaarde dat ze zich overgeven, maar veel mensen willen zich misschien niet overgeven. Misschien zijn ze graag een onafhankelijk volk. Misschien houden ze van vrijheid. Misschien willen ze geen schatting betalen aan een vreemde natie zoals Israël, en daarom willen ze vechten en zichzelf verdedigen. Dat zouden wij zeker doen. Ons land zou dat beslist doen.
Als een agressor tegen ons optrekt en zegt: ‘Luister, wij gaan jullie overnemen. Wij bieden jullie vredesvoorwaarden aan. Geef je gewoon over’, zouden wij zeggen: ‘Ja, vast. Dat doen we als de hel bevriest. Jij en welk leger?’ Dat is wat deze volken zouden doen wanneer Israël met dezelfde soort agressie tegen hen optrekt. En dus gaan ze natuurlijk vechten. En er staat:
En als zij de vrede met u aanvaardt en de poorten voor u opent, moet het zó zijn dat heel het volk dat erin aangetroffen wordt, herendienst voor u verricht en u dient.
Dus als ze daar geen bezwaar tegen hebben, als ze zich zonder strijd overgeven, dan kunnen ze jullie slaven en dienaren zijn en schatting aan jullie betalen.
Er staat vervolgens:
Maar als ze geen vrede met u sluit, maar oorlog tegen u voert, dan moet u haar belegeren.
Vers 13 voegt daaraan toe dat, wanneer de HEERE de stad in hun hand geeft, alle mannen met de scherpte van het zwaard moeten worden gedood. Daarmee worden de volwassen mannen bedoeld, die waarschijnlijk allemaal aan de strijd zouden deelnemen wanneer hun stad werd aangevallen. Maar er staat:
Alleen de vrouwen, de kleine kinderen, het vee en alles wat zich verder in de stad bevindt, al haar buit, mag u voor uzelf roven. U mag van de buit van uw vijanden, die de HEERE, uw God, u gegeven heeft, eten.
Het lot van verslagen stadsbewoners #
Wanneer er staat dat ze iedere man daarin met het scherp van het zwaard moesten slaan, worden daarmee waarschijnlijk volwassen mannen bedoeld. Ik zeg dat omdat er over de oorlog tegen de Midianieten in Numeri 31 staat dat ze iedere man sloegen, maar vervolgens de vrouwen en de kleine kinderen meenamen. Mozes zei:
Waarom hebt u hen in leven gelaten?
Tot de kleine kinderen behoorden ook jongetjes. Wanneer er dus staat dat ze iedere man sloegen, worden de kleine jongetjes daar niet mee bedoeld. In dit geval werden waarschijnlijk de kleine jongetjes, de kleine meisjes en de vrouwen gespaard. Van hen werd natuurlijk aangenomen dat ze niet aan de strijd deelnamen.
Maar ze konden er niet zeker van zijn dat iedere man in de stad die geen klein jongetje was, wel aan de strijd deelnam. Hoe zat het met de kreupelen? Hoe zat het met de blinden? Er waren daar anderen die waarschijnlijk niet vochten, maar alle volwassen mannen moesten ter dood worden gebracht. In feite behielden jullie de vrouwen en kinderen als dienaren.
Nu zouden zij hoe dan ook jullie dienaren zijn geworden als ze zich hadden overgegeven. Het staat dus gewoon vast dat wanneer Israël optrekt tegen een ander volk dan de Kanaänieten, de vrouwen en kinderen van dat volk uiteindelijk dienaren van Israël worden. Als ze zich verzetten, worden de mannen gedood. Als ze zich niet verzetten, kunnen de mannen blijven leven en worden ook zij dienaren.
Vergeleken met oorlogen in de oudheid zit hier een zekere mate van beschaving in. Over het algemeen vielen heidenen zoals de Assyriërs of de Babyloniërs mensen aan en martelden hen. Ze spietsten hen aan palen, staken haken door hun lippen en neuzen en sleepten hen mee naar vreemde landen. Oorlogen waren in die tijd behoorlijk barbaars. Vergeleken daarmee zijn dit behoorlijk humane voorwaarden. Zeker, jullie doden alle mannen, maar dat komt waarschijnlijk doordat ervan wordt uitgegaan dat zij tegen jullie vochten. Maar natuurlijk zouden ze tegen jullie vechten. Jullie vallen hun land binnen.
De gedachte hier is dat Israël Gods volk is en dat alle landen Gods landen zijn. De heidenen hebben het recht dit te erkennen als ze dat willen, of ertegen te vechten als ze dat willen. Als ze ertegen vechten, zullen ze ontdekken dat ze ongelijk hadden, dat God Israël inderdaad de overwinning geeft, enzovoort. Het is ongetwijfeld mogelijk dat sommige steden zo bang voor Israël waren dat ze zich zonder strijd overgaven. In dat geval hoefde niemand te sterven.
Gods oordeel en de Kanaänieten #
Er zit hier menselijkheid in, maar het is geen rechtvaardige oorlog. Dit zijn niet de richtlijnen voor een rechtvaardige oorlog. Vanaf het begin is dit een aanvalsoorlog. Daarom vind ik het vreemd dat mensen die de ethiek van de rechtvaardige oorlog onderschrijven, zeggen dat ze die uit dit hoofdstuk halen. Ik zie in dit hoofdstuk niets wat lijkt op de zogenaamde rechtvaardige-oorlogstheorie.
Het is niet nodig dat dit aan die theorieën voldoet, want wanneer God Israël tegen een volk stuurt, is dat omdat dat volk de dood verdient. God is Degene Die dat beslist. Daarom is het Gods voorrecht om een hele samenleving uit te roeien, zoals God met de zondvloed deed, zoals Hij met Sodom en Gomorra deed en zoals Hij met de Kanaänieten deed. God is niet onrechtvaardig. Hij doet alleen rechtvaardige dingen. Als Hij dus een hele beschaving uitroeit, is dat rechtvaardig. Hij is de definitie van rechtvaardigheid Zelf, en daarom vertrouwen wij in deze zaak op Zijn oordeel.
Maar bij moderne oorlogen kunnen we er niet zonder meer van uitgaan dat wij Gods oorlog voeren, dat wij Gods oorlogen uitvechten, alleen maar omdat wij een oorlog voeren waar ons land toevallig voorstander van is.
Dus in vers 15 staat dat je dit moet doen met de steden die ver weg liggen, niet met de steden in je eigen land, niet met de steden van deze volken, waarmee de Kanaänieten worden bedoeld.
16Maar van de steden van deze volken die de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, mag u helemaal niets wat adem heeft, in leven laten. 17Voorzeker, u moet hen volledig met de ban slaan: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft, 18opdat zij u niet leren handelen overeenkomstig alle gruwelijke dingen die zij voor hun goden gedaan hebben, zodat u tegen de HEERE, uw God, zou zondigen.
Je moet kiezen tussen jouw God en hun goden. Als je doet wat hun goden eisen, doe je wat ingaat tegen wat Jahweh eist, en zondig je tegen Hem. Je moet kiezen welke strijd je aangaat. Ofwel je strijdt tegen de valse goden, ofwel je gaat de strijd aan met Jahweh.
Je wilt Jahweh aan jouw kant hebben, niet tegenover je.
Vruchtbomen sparen tijdens een beleg #
Wanneer u een stad vele dagen belegert en ertegen strijdt om haar in te nemen, dan moet u haar vruchtbomen niet te gronde richten door de bijl erin te slaan. U kunt er immers van eten; daarom mag u ze niet omhakken om ze een belegeringswal voor u te laten worden, want het geboomte van het veld is voedsel voor de mens.
Dit was een gebruikelijke manier om oorlog te voeren. Je hakte alle bomen in de omgeving om, om belegeringswerken en ladders en dergelijke te bouwen, waarmee je over de muren kon klimmen en de stad kon binnendringen. Dit is wat Rome deed toen het Jeruzalem verwoestte. Josephus zegt dat het hele gebied rond Jeruzalem, zover het oog reikte, boomloos was. Hij zei dat het er als een tuin had uitgezien. Het had er prachtig, weelderig en groen uitgezien. Maar nadat de Romeinen alle bomen hadden omgehakt, was het slechts een kale woestenij.
Overigens bleef het zo, want als je een gebied eenmaal van bomen hebt ontdaan, is het moeilijk om het te herstellen, omdat het woestijnachtig wordt. En zo werd het land Israël na de val van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus heel lange tijd slechts een kale woestijn. Maar ooit was het veel weelderiger geweest. Als de Romeinen zich hadden gehouden aan deze wetten die God aan Israël gaf, zou het niet zo zijn geworden.
Tegen Israël werd gezegd dat het niet alle bomen mocht omhakken, en vooral geen fruitbomen. Niets waaraan voedsel groeit, mocht worden omgehakt. Hij zei:
19Wanneer u een stad vele dagen belegert en ertegen strijdt om haar in te nemen, dan moet u haar vruchtbomen niet te gronde richten door de bijl erin te slaan. U kunt er immers van eten; daarom mag u ze niet omhakken om ze een belegeringswal voor u te laten worden, want het geboomte van het veld is voedsel voor de mens. 20Maar de bomen waarvan u weet dat het geen vruchtbomen zijn, mag u te gronde richten en omhakken om een belegerings wal te bouwen tegen de stad die oorlog tegen u voert, totdat ze ten onder gaat.
Er is hier dus aandacht voor het milieu, zodat voedsel niet wordt vernietigd. Alleen omdat je nu eenmaal met mensen in oorlog bent, vernietig je hun voedselvoorraad niet. Je vernietigt hun fruitbomen niet, ontdoet hun land niet van bomen en berooft het niet van zijn begroeiing.
Daarmee eindigt dit hoofdstuk. Laten we naar het volgende hoofdstuk gaan.
Verzoening voor een onopgeloste moord #
1Wanneer in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen, iemand gevonden wordt die gedood is, liggend in het open veld, en niet bekend is wie hem doodgeslagen heeft, 2dan moeten uw oudsten en uw rechters eropuit gaan om de afstand te meten tot de steden rondom degene die gedood is. 3En in de stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten de oudsten van die stad een jonge koe van de runderen nemen, waarmee nog niet gewerkt is, die nog niet onder een juk de ploeg getrokken heeft. 4En de oudsten van die stad moeten de jonge koe brengen naar een dal waar altijd water stroomt, waar niet gewerkt of gezaaid is. Daar in het dal moeten zij de jonge koe de nek breken. 5Daarna moeten de priesters, de zonen van Levi, naar voren komen, want hen heeft de HEERE, uw God, uitgekozen om Hem te dienen en om in de Naam van de HEERE te zegenen, en overeenkomstig hun uitspraak moet elk geschil en elke zaak van geweldpleging afgehandeld worden. 6En alle oudsten van die stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten hun handen wassen boven de jonge koe waarvan in het dal de nek gebroken is. 7Zij moeten het woord nemen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien. 8Doe verzoening over Uw volk Israël, dat U, HEERE, verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed te midden van Uw volk Israël! Dan zal die bloedschuld voor hen verzoend zijn. 9Zo moet ú het onschuldige bloed uit uw midden wegdoen. U moet immers doen wat juist is in de ogen van de HEERE.
Je kunt zien dat in de hele wet sterk wordt benadrukt dat het vergieten van onschuldig bloed schuld over een land brengt, en dat er iets moet worden gedaan om daarvoor verzoening te doen. In de meeste gevallen wordt ervan uitgegaan dat je de moordenaar kunt vinden. Er moeten getuigen zijn, en dan kun je er verzoening voor doen door de moordenaar te doden.
In een geval als dit weet je niet wie de moordenaar is, dus moet de stad die het dichtst bij het lijk ligt min of meer de verantwoordelijkheid op zich nemen. Of de inwoners werkelijk schuldig zijn of niet, weet niemand. Hij kan in een andere stad zijn gedood, maar omdat steden niet echt heel dicht bij elkaar lagen, is het niet erg waarschijnlijk dat de man verder van zijn eigen stad vandaan werd gedood dan van een andere stad. Waarschijnlijk werd hij dicht bij huis gedood, en daarom wordt de dichtstbijzijnde stad geacht de verantwoordelijkheid op zich te nemen.
Ze breken de nek van de jonge koe. Dat doen ze in een dal waar stromend water is. Ik weet niet precies waar dat allemaal voor dient. Het is duidelijk dat er een dier is dat verzoening bewerkt, hoewel er niet wordt gezegd dat het geslacht wordt. Het is mogelijk dat ze het bloed eruit lieten lopen, wat de normale gang van zaken was. Er wordt ons niet verteld dat het verbrand werd of iets dergelijks. Het is niet echt duidelijk wat er met de jonge koe wordt gedaan nadat die gedood is.
De Levieten worden erbij gehaald — de priesters worden erbij gehaald — in vers 5, maar er wordt niet verteld wat ze doen. Vermoedelijk doen ze iets, een of andere ceremonie of zo, met de stier. Belangrijker is dat de oudsten van de stad, die in naam de verantwoordelijkheid voor de dood op zich nemen, hun handen wassen boven de jonge koe. Vervolgens leggen ze een verklaring af dat zij niet verantwoordelijk zijn. Ze hebben het niet gezien, ze hebben het misdrijf niet gepleegd en ze weten niet wie het wel heeft gedaan. Ze vragen God om verzoening te doen, en dat zal Hij doen.
Dat is de wet met betrekking tot een onopgeloste moord en de manier waarop je het land daarvan reinigt. Vers 10:
Het huwelijk met een krijgsgevangene #
Wanneer u ten strijde trekt tegen uw vijanden, en de HEERE, uw God, geeft hen in uw hand, zodat u hen als gevangenen wegvoert,
— nu is dit een aanvulling op wat we aan het einde van hoofdstuk 20 hebben gelezen —
11en u ziet onder de gevangenen een vrouw die mooi van gestalte is , en u vat liefde voor haar op en u neemt haar voor uzelf tot vrouw, 12dan moet u haar uw huis binnenbrengen. Zij moet vervolgens haar hoofd kaalscheren, haar nagels knippen 13en de kleren van haar gevangenschap uittrekken. Zij moet in uw huis gaan wonen en een maand lang haar vader en haar moeder bewenen. Daarna mag u bij haar komen en haar man zijn, en zij zal u tot vrouw zijn. 14En als zij u niet meer genegen is, moet het zó zijn dat u haar laat gaan waarheen zij wil. U mag haar in geen geval voor geld verkopen of haar als slavin behandelen, want u hebt haar al vernederd.
Het kaalscheren van haar hoofd, het knippen van haar nagels en het uittrekken van haar gevangeniskleren zouden deel uitmaken van haar rouw om haar volk, dat in de oorlog is omgekomen.
Deze hele wetgeving lijkt om een aantal redenen onaanvaardbaar voor de westerse beschaving. Eén reden is dat wij slavernij afkeuren. Een andere is dat een vrouw die slavin is, gedwongen wordt met haar meester te trouwen en daar zelf eigenlijk niets over te zeggen heeft. Het gaat beslist in tegen onze gevoelens, waarbij een huwelijk wordt gesloten omdat je verliefd bent. Wij zouden niets voelen voor gearrangeerde huwelijken of voor het gedwongen huwelijk van een slavin met haar meester. Deze dingen zijn volkomen onaanvaardbaar voor onze moderne cultuur. Wij voelen niets voor ook maar een van deze instellingen.
Maar nogmaals, wanneer je deze wetten vergelijkt met de gebruiken van andere volken in die tijd, is dit een zeer verheven regeling. Gewoonlijk kon een man met zijn slaven doen wat hij wilde. In de meeste culturen konden mensen hun slaven doden als ze dat wilden. In dit geval wordt het een man niet verboden om met een van de slavinnen te trouwen. Hier wordt niet gezegd dat je eropuit moet gaan, alle meisjes die je aantrekkelijk vindt moet uitzoeken, ze mee naar huis moet nemen en ze als harem moet houden of iets dergelijks. Sommige mensen hebben het zo voorgesteld: je neemt gewoon knappe vrouwen uit andere landen gevangen en slaapt met hen.
Oorlogsrecht tegenover oude gebruiken #
Het gaat er niet om dat deze vrouwen seksueel worden gebruikt als seksslavinnen. Er wordt gezegd dat je haar man bent en zij jouw vrouw is. Die termen worden daadwerkelijk gebruikt. Het gaat erover dat er binnen deze regeling een eerbaar huwelijk van wordt gemaakt. Het valt zeker niet te verwachten dat de vrouw zich van harte aan dit huwelijk zal wijden. Jij vertegenwoordigt tenslotte het volk dat haar familie en haar volksgenoten heeft gedood. In een situatie waarin er oorlog is geweest en krijgsgevangenen gevangen worden genomen, is dat moeilijk te vermijden. Er zullen doden zijn die familieleden zijn van sommigen die het hebben overleefd en als krijgsgevangenen zijn meegenomen.
Wij hebben de luxe gehad dat zulke oorlogen niet in ons land hebben plaatsgevonden, en daarom hebben wij dit niet meegemaakt. Maar door de hele geschiedenis heen is het een veelvoorkomende ervaring van oorlogvoerende volken geweest dat mensen werden gedood en andere mensen gevangen werden genomen. Het spreekt voor zich dat de gevangenen de nabestaanden waren van sommige mensen die waren gedood, en zij zullen ongetwijfeld enige wrok hebben gekoesterd. Maar ze moesten er ook gewoon mee leren omgaan. Ze moesten beseffen: „Wij zijn verslagen. Enkele van mijn broers, en misschien mijn vader, zijn in de oorlog gedood. Ik ben niet gedood. Ik ben gevangengenomen. Ik ben een krijgsgevangene. Zo gaat het nu eenmaal in een oorlog. Nu moet ik ermee leren omgaan.”
In de meeste culturen kon een man die vrouwen gewoon nemen, met hen slapen, met hen doen wat hij wilde en hen wegdoen als hij dat wilde. Hij kon hen zelfs slaan of op een andere manier wreed behandelen, omdat ze slaven waren. Waar God het hier over heeft, is dat je een slavin ziet met wie je zou willen trouwen. Er wordt aangenomen dat ze mooi is, omdat dat gewoonlijk is wat een man aanvankelijk tot een vrouw zou aantrekken. Het is duidelijk dat dit in sommige gevallen misschien het enige is wat hem tot haar aantrekt, want later kan blijken dat hij geen behagen in haar heeft. Ze is misschien mooi, maar er zijn andere dingen aan haar die hem niet bevallen. Daar komt hij dan te laat achter, neem ik aan, nadat hij al met haar getrouwd is.
Hij besluit dat hij die vrouw tot vrouw wil nemen, en hij moet haar in status verheffen. Ze mag niet worden behandeld zoals een heiden een slavin zou behandelen. Zelfs als je haar laat gaan, mag je haar niet verkopen en geld aan haar verdienen. Je mag haar niet hardvochtig behandelen. Je moet vriendelijk tegen haar zijn. Van haar scheiden is beslist niet het vriendelijkste wat je kunt doen, maar echtscheiding was in het hele land toegestaan, en het zou net als elke andere echtscheiding zijn. Een man schept geen behagen in zijn vrouw en daarom scheidt hij van haar — in dit geval van een voormalige slavin. Maar daarna mag hij haar niet voor altijd als slavin blijven behandelen.
Bescherming van de gevangen vrouw #
Hij heeft haar vernederd. Hij heeft haar in feite haar maagdelijkheid ontnomen, en vermoedelijk wordt dat daarmee bedoeld. Met andere woorden, hij moet haar behandelen zoals een man een echtgenote behandelt, niet zoals iemand doorgaans een slavin behandelt. Hij moet er zelfs oog voor hebben dat ze om de dood van haar familie zal moeten rouwen. In plaats van haar gewoon te nemen, te zeggen: ‘Je bent aantrekkelijk,’ en met haar naar bed te gaan, moet hij haar een maand geven om haar vroegere gezinsleven enigszins af te kunnen sluiten. Ze moet om haar familie rouwen. Hier wordt invoelingsvermogen getoond — niet zoveel invoelingsvermogen als wij in een gekerstende cultuur zouden verwachten, maar wel in een cultuur waarin slavernij eenvoudig als een gegeven werkelijkheid wordt beschouwd. Oorlog, krijgsgevangenen, vrouwen die als gevangenen werden meegenomen en de mogelijkheid voor een man om met een gevangen vrouw te trouwen als hij dat wilde: al die dingen werden eenvoudig als vanzelfsprekend beschouwd en zijn naar christelijke maatstaven minder dan ideaal. Maar het feit dat die instellingen bestonden, betekende dat ze gereguleerd moesten worden om ervoor te zorgen dat de slavin niet hardvochtig werd behandeld. De slavin mocht niet worden mishandeld. Met haar trouwen is geen mishandeling. Haar verkrachten zou dat wel zijn. Maar haar tot vrouw nemen niet.
Voor zo’n vrouw zou het feit dat ze met haar meester moest trouwen niet veel anders zijn dan wanneer een vrij meisje moest trouwen met de man die haar ouders voor haar hadden uitgekozen, ervan uitgaande dat ze niet verliefd op hem was. Het zou hetzelfde soort situatie zijn. Hoe dan ook, ze moet met invoelingsvermogen worden behandeld en er moet rekening met haar worden gehouden, omdat ze een tijdlang om de dood van haar familie zal moeten rouwen. Je neemt haar niet zomaar om haar te gebruiken. Je behandelt haar als een mens. Je erkent haar gevoelens van rouw om dierbaren die ze heeft verloren.
Als je er uiteindelijk voor kiest van haar te scheiden, is dat opnieuw niet anders dan wanneer een man van welke andere echtgenote dan ook wil scheiden. Hij mag haar verstoten, maar wat hij niet mag doen, is haar terugbrengen tot de status van slavin. Door met haar te trouwen heeft hij haar uit de klasse van slaven gehaald. Hij mag haar niet langer als bezit verkopen. Ze is zijn vrouw geworden. Ze zal een gescheiden ex-vrouw worden, maar ze zal niet opnieuw een slavin worden. Je mag haar niet opnieuw verkopen. Je moet haar als vrije vrouw laten gaan, omdat je haar status hebt veranderd door met haar te trouwen.
Dit is in wezen een bescherming van de rechten van een vrouwelijke krijgsgevangene. Iedere mooie vrouw die gevangen werd genomen, liep beslist het gevaar gebruikt te worden door de mannen die haar gevangen hadden genomen. Maar dit hield in dat als je deze vrouw wilt hebben, je met haar moet trouwen, net als met iedere andere vrouw. Je moet haar als een mens behandelen. Als je besluit niet met haar getrouwd te blijven, moet je haar als vrije vrouw laten gaan. Hoewel ze als gevangene binnenkwam, is ze nu vrij, omdat je haar status hebt veranderd. Ze is geen maagd meer, maar ze is ook geen slavin meer. Voor haar is het een situatie met voor- en nadelen. Het is niet de meest ideale situatie, maar het is een grote verbetering ten opzichte van wat heidenen onder soortgelijke omstandigheden gewoonlijk zouden doen.
Het erfdeel van de eerstgeborene #
Vers 15:
Wanneer een man twee vrouwen heeft, de een geliefd en de ander minder geliefd, en zowel de geliefde als de minder geliefde baren zonen bij hem, en de eerstgeboren zoon is van de minder geliefde,
zoals Jakob Rachel en Lea had.
16dan moet het op de dag dat hij zijn zonen laat erven wat hij heeft zó zijn dat hij het erfdeel van de eerstgeborene niet aan de zoon van de geliefde geeft, in plaats van de zoon van de minder geliefde, die de eerstgeborene is. 17Voorzeker, hij moet de eerstgeborene, de zoon van de minder geliefde, erkennen door hem het dubbele deel te geven van alles wat bij hem aangetroffen wordt. Hij is immers de eerste vrucht van zijn mannelijkheid, hij heeft het eerstgeboorterecht.
Dat is het voorrecht van de eerstgeborene:
Voorzeker, hij moet de eerstgeborene, de zoon van de minder geliefde, erkennen door hem het dubbele deel te geven van alles wat bij hem aangetroffen wordt. Hij is immers de eerste vrucht van zijn mannelijkheid, hij heeft het eerstgeboorterecht.
Dat wil zeggen: een eerstgeboren zoon heeft het eerstgeboorterecht, zelfs als zijn moeder niet de lievelingsvrouw van zijn vader was. De zoon mag daarvoor niet worden benadeeld. Jakob heeft zich enigszins aan deze regel gehouden, want Lea was de ongeliefde vrouw. Ruben, Simeon en Levi werden vanwege hun eigen zonden verworpen, maar Juda was ook een zoon van Lea, en hij werd uiteindelijk in zekere zin de eerstgeborene. Toch gaf Jakob het dubbele deel aan de eerstgeboren zoon van zijn geliefde vrouw Rachel, en dat was Jozef. Dat zou hier een overtreding van zijn geweest.
Vers 18:
De opstandige volwassen zoon #
18Wanneer iemand een opstandige, ongehoorzame zoon heeft die niet naar de stem van zijn vader en naar de stem van zijn moeder luistert, en hij, ook als zij hem gestraft hebben, niet naar hen luistert, 19moeten zijn vader en zijn moeder hem grijpen en naar buiten brengen, naar de oudsten van zijn stad, naar de poort van zijn woon plaats. 20Zij moeten tegen de oudsten van zijn stad zeggen: Deze zoon van ons is opstandig en ongehoorzaam, hij luistert niet naar onze stem, hij gaat zich te buiten en is een dronkaard.
Hij reageert niet op tuchtiging.
Dit is duidelijk een volwassen zoon, als hij een dronkaard is. Als hij een jongetje is, zouden ze de alcohol gemakkelijk bij hem vandaan kunnen houden, zou ik denken.
Dan moeten alle mannen van zijn stad hem met stenen stenigen, zodat hij sterft. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen. Laat heel Israël het horen en bevreesd zijn.
Sterker nog, ik durf wel te zeggen dat juist deze wet er waarschijnlijk voor zorgde dat de meeste zonen genoeg hoorden en vreesden om te voorkomen dat deze situatie zich ooit voordeed, of in elk geval dat die zich maar zelden voordeed. Zo’n wet zou ertoe leiden dat zonen meer respect voor hun ouders hadden, en dat was precies wat ermee werd beoogd.
22Verder, wanneer iemand een zonde begaan heeft waarop de doodstraf staat , en hij gedood wordt, en u hem aan een paal hangt, 23dan mag zijn dode lichaam niet aan de paal overnachten, maar moet u hem beslist diezelfde dag nog begraven. Een gehangene is namelijk door God vervloekt. U mag uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, niet onrein maken.
Een terechtgestelde aan de paal #
Nu is het niet helemaal duidelijk wat de reden hiervoor is. Het ophangen van een man aan een boom was doorgaans niet de manier waarop hij terechtgesteld werd. De Joden stelden iemand gewoonlijk terecht door steniging. In de meeste gevallen werd degene die gestenigd was op de een of andere manier begraven, misschien onder de hoop stenen. Of als hij familieleden had die genoeg om hem gaven om hem een fatsoenlijke begrafenis te geven, werd hij misschien op die manier begraven. Maar als je de man niet alleen wilde doden, maar hem ook nog wilde vernederen, hing je zijn dode lichaam ter bezichtiging aan een boom. Hij werd niet opgehangen zoals in het oude Wilde Westen, als manier om hem terecht te stellen, en ook niet zoals de Romeinen dat door kruisiging deden. Hij werd opgehangen nadat hij dood was. Hij werd gedood, gewoonlijk door steniging, en zijn lichaam werd ter bezichtiging opgehangen om hem nog verder te vernederen.
Dit werd in de Joodse geschiedenis soms gedaan. We hebben over enkele van zulke gevallen gelezen. Toen Jozua bijvoorbeeld enkele koningen van Kanaän gevangengenomen en gedood had, werden hun lichamen ter bezichtiging opgehangen. Nu staat er dat iemand die zo wordt opgehangen, door God vervloekt is. Ik denk niet dat hij door God vervloekt is omdat hij daar wordt opgehangen. Volgens mij is het idee dat hij daar wordt opgehangen omdat hij iemand is die iets zo afschuwelijks heeft gedaan, dat hij vanwege zijn misdaad onder Gods vloek ligt. Het ophangen van zijn lichaam aan de boom is eenvoudig een manier om te erkennen dat deze man onder een bijzondere vloek van God ligt, omdat hij iets bijzonder afschuwelijks en aanstootgevends heeft gedaan.
Christus draagt de vloek van de wet #
Maar de uitspraak dat wie opgehangen wordt door God vervloekt is, werd natuurlijk door Paulus aangehaald in Galaten 3. [Vertalersnoot: de Engelse bron gebruikt bij zowel Deuteronomium 21 als Galaten 3 het woord ‘tree’; de HSV heeft hier respectievelijk ‘paal’ en ‘hout’.] Daar zei hij dat Jezus op deze manier een vloek werd en voor ons de vloek van de wet op Zich nam, doordat Hij aan een boom werd gehangen. Het is niet precies hetzelfde scenario als wat hier wordt voorgesteld, maar in Galaten 3:13 probeert Paulus te laten zien hoe Jezus voor ons de vloek van de wet op Zich nam. Maar hoe kon Hij dat doen zonder te zondigen? Hier staat iets in de wet waardoor dat mogelijk was. Als Hij aan een boom wordt gehangen, is dat geen zonde van Zijn kant, maar het is wel iets wat Hem volgens de wet tot iemand verklaart die door God vervloekt is. Daarom zegt Paulus dat Jezus op deze manier voor ons een vloek werd: doordat Hij aan een boom was gehangen.
Het voorschrift in vers 23 dat zijn lichaam niet ’s nachts aan de boom mocht blijven hangen, werd in het geval van Jezus daadwerkelijk nageleefd. Ze wilden het lichaam van Jezus niet ’s nachts aan het kruis laten hangen. Er wordt gezegd dat dit was omdat de volgende dag de sabbat was. Maar het kan betekenen dat ze, omdat ze het lichaam hoe dan ook vóór de volgende dag moesten begraven en het niet ’s nachts mochten laten hangen, het lichaam snel vóór zonsondergang van het kruis wilden halen en begraven. Want bij zonsondergang begon de sabbat, en ze zouden de sabbat moeten overtreden als ze daarop zoiets als het begraven van een lichaam zouden doen.
Deze wetten over het ophangen van iemand aan een boom lopen in feite vooruit op Christus. Er is zelfs geen duidelijke reden waarom deze wet gegeven zou zijn, tenzij dat was om vooruit te lopen op Christus. Dat wil zeggen, het is niet duidelijk waarom er zou staan dat iemand die aan een boom hangt vervloekt is, tenzij Gods Heilige Geest daarmee bedoelde dat Paulus dit vers later op de situatie van Christus kon toepassen. Als op zichzelf staande wet is het, voor zover ik kan zien, niet bijzonder logisch. Maar als iets wat vooruitloopt op het feit dat Christus voor ons een vloek werd door aan een boom te hangen, blijkt het zeer vooruitziend te zijn. Het geeft Paulus iets wat hij later theologisch kan gebruiken om dat punt te maken.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Deuteronomy 19 - 21. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/deuteronomium/19-21
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/deuteronomium/19-21.pdf?v=4e7a1127fc53
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Deuteronomium - Lezing 09 - 19-21.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/deuteronomium/19-21.mp3?v=99ae8ec2de34
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Deuteronomium - Lezing 09 - 19-21.mp3
Deuteronomium
Alle lezingen over Deuteronomium. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Inleiding Mozes herhaalt de wet voor Israël
- 2 1-3 Israël weigert Kanaän, verslaat Sihon en Og
- 3 4 Niets toevoegen aan Gods geboden
- 4 5-6 Tien Geboden en Gods woorden doorgeven
- 5 7-9 God geeft het land, niet Israëls kracht
- 6 10-12 Mozes roept Israël op God alleen te dienen
- 7 13-15 Afgoderij, tienden en zorg voor de armen
- 8 16-18 Feesten, rechters, priesters en profeten
- 9 19-21 Vrijsteden en wetten voor oorlog en recht
- 10 22-23 Mannen- en vrouwenkleding per cultuur
- 11 24-26 Een verstoten vrouw niet terugnemen
- 12 27-28 Zegen of vloek voor het volk Israël
- 13 29-30 Mozes vernieuwt het verbond: leven of dood
- 14 31-32 Jozua neemt over, Israël leert Mozes' lied
- 15 33-34 Mozes zegent de stammen en sterft
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/deuteronomium/19-21.srt?v=194e1da4dae9
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Deuteronomium - Lezing 09 - 19-21.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/deuteronomium/19-21.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Deuteronomium 19:1-3
- Deuteronomium 19:4
- Deuteronomium 19:5-7
- Deuteronomium 19:8-10
- Deuteronomium 19:11-13
- Deuteronomium 19:14
- Deuteronomium 19:15
- Mattheüs 18:15
- Mattheüs 18:16
- 1 Timotheüs 5:19
- Deuteronomium 19:16-19
- Exodus 20:16
- Deuteronomium 19:19-21
- Johannes 18:36
- Deuteronomium 20:1-4
- Deuteronomium 20:5-7
- Deuteronomium 20:8-9
- 1 Johannes 3:16
- Johannes 17:21
- Jeremia 21:8-10
- Deuteronomium 20:3-8
- Psalmen 20:8
- Psalmen 33:16-17
- Spreuken 21:31
- Deuteronomium 20:10
- Deuteronomium 20:15
- Deuteronomium 20:11
- Deuteronomium 20:12
- Deuteronomium 20:14
- Numeri 31:15
- Deuteronomium 20:16-18
- Deuteronomium 20:19
- Deuteronomium 20:19-20
- Deuteronomium 21:1-9
- Deuteronomium 21:10
- Deuteronomium 21:11-14
- Deuteronomium 21:15
- Deuteronomium 21:16-17
- Deuteronomium 21:17
- Deuteronomium 21:18-20
- Deuteronomium 21:21
- Deuteronomium 21:22-23