2 Samuel 7:18-9:13
Salomo en Jezus bouwen een huis voor God
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/2-samuel/7-18-9-13.pdf?v=4555da043819. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/2-samuel/7-18-9-13.
Samenvatting
Gods belofte aan David, de uitbreiding van zijn koninkrijk en zijn goedheid voor Mefiboseth.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt Gods belofte aan David en legt uit hoe Salomo met zijn tempelbouw vooruitwijst naar Christus, Die Zijn gemeente bouwt als Gods woonplaats. Daarbij gaat hij in op de verschillende roepingen van kerk en overheid en de gewetensvragen rond militaire dienst. Hij behandelt Davids gebed van verwondering en dankbaarheid en volgt zijn veroveringen, waardoor de omliggende volken aan Israël onderworpen worden. Ten slotte bespreekt hij hoe David omwille van Jonathan goedheid bewijst aan Mefiboseth door hem Sauls landerijen terug te geven en hem aan zijn tafel te laten eten, ondanks het politieke risico.
Davids dynastie en de beloofde Messias #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we 2 Samuel 7 vers 18 tot en met hoofdstuk 9 vers 13.
Laten we 2 Samuel hoofdstuk 7 opslaan. De vorige keer zijn we niet helemaal tot het einde gekomen. Ik splits een lezing niet graag midden in een hoofdstuk op. Maar het eerste deel van 2 Samuel 7 is heel belangrijk, en we moesten er onze volle aandacht aan geven en er niet haastig doorheen gaan alleen maar om het hoofdstuk af te krijgen.
Het is een belangrijk keerpunt in de Bijbel, niet alleen in Davids leven, maar in de Bijbel zelf, dat de profeet Nathan naar David kwam en zei dat God voor hem een huis zou bouwen, waarmee een dynastie bedoeld werd. Want Jezus komt uit de familie en het geslacht van David, uit het huis van David, uit de dynastie van David. Volgens het Nieuwe Testament zit Jezus ook nu op de troon aan de rechterhand van God en regeert Hij als de erfgenaam van Davids troon. Dat God zei dat David een erfgenaam zou hebben die voor eeuwig op zijn troon zou zitten, is dus vervuld in Jezus, hoewel deze aankondiging duizend jaar vóór de geboorte van Jezus werd gedaan. Daarom is het een heel vroege en belangrijke voorzegging over de Messias.
Er zijn andere voorzeggingen over de Messias, maar een van de belangrijkste is wel Zijn verbondenheid met het geslacht van David, omdat David de grootste heerser van Israël en de grootste held was. Onder David werd Israël een wereldrijk, zoals we zullen zien, vooral in hoofdstuk 8. We zullen zien dat David alle gebieden om hem heen verovert, zodat ze allemaal schatplichtig worden gemaakt. Dus in plaats van dat Israël alleen maar bevrijd wordt van de Filistijnen en de andere onderdrukkers die hun moeilijkheden hebben bezorgd, heeft hij, naast die bevrijding, ook andere volken onder zijn gezag gebracht. En dat maakt Israël tot een wereldrijk.
Dat wereldrijk viel na Davids tijd uiteen, in de tijd van Salomo. Sommige volken die David had overwonnen, maakten zich los en werden in Salomo's tijd onafhankelijk van Israël. Vervolgens viel het in de tijd van Rehabeam, de zoon van Salomo, nog verder uiteen, zodat hij zelfs de zeggenschap over enkele stammen van Israël verloor. Dit was dus het hoogtepunt. Davids loopbaan was het hoogtepunt van Israëls geschiedenis. Er zou nog iemand als David komen, en die zou de Koning zijn Die God zou aanstellen om als de Messias voor eeuwig te regeren.
David wil voor God een huis bouwen #
De belofte hiervan staat in hoofdstuk 7 van 2 Samuel en wordt soms het Davidische verbond genoemd. Het begon ermee dat David met de profeet Nathan sprak en te kennen gaf dat hij het op zijn hart had om iets te doen aan de bouw van een tempel. Hij noemde niet echt een tempel. Hij zei alleen dat het een ongelijke situatie leek dat hijzelf, als koning, in een koninklijk paleis woonde, terwijl de ark van het verbond, die Gods eigen aanwezigheid onder Zijn volk vertegenwoordigde, in een minderwaardig onderkomen stond, niet meer dan een tent. Wat hij niet uitsprak, maar wel bedoelde, was dat David erover dacht een groot huis of een tempel te bouwen waarin ook de ark ondergebracht kon worden.
Nathans eerste reactie was positief. Hij zei:
Nathan zei tegen de koning: Ga uw gang , doe al wat in uw hart is, want de HEERE is met u.
Maar Nathan had de Heere niet geraadpleegd. Hij sprak niet in de Naam van de Heere. Hij sprak gewoon als een gelovig mens op persoonlijke titel en zei: ‘Ik denk dat God hierin aan het werk is.’ Maar toen sprak de Heere wel tot Nathan, en Nathan bracht wel een godsspraak over. Gods antwoord kwam in wezen hierop neer:
5Ga en zeg tegen Mijn dienaar, tegen David: Zo zegt de HEERE: Zou ú voor Mij een huis bouwen, voor Mij om in te wonen? 6Ik heb immers niet in een huis gewoond, van de dag af dat Ik de Israëlieten uit Egypte deed optrekken tot deze dag toe, maar Ik ben in een tent, in een tabernakel rondgetrokken. 7Heb Ik ooit , overal waar Ik met al de Israëlieten rondtrok, een woord gesproken tot een van de stammen van Israël, die Ik bevolen had Mijn volk Israël te weiden: Waarom bouwt u voor Mij geen huis van ceder hout ?
In Davids tijd reisde de ark inmiddels al zo'n zeshonderd jaar rond als onderdeel van de tabernakel en had hij nu een vaste plaats gekregen in Jeruzalem, omdat David hem daar kort daarvoor naartoe had gebracht. Maar God zegt:
Daar was Ik tevreden mee. Ik heb je eigenlijk niet gevraagd om een huis voor Me te bouwen, dus denk niet dat dat per se is waar het Mij om gaat.
Maar Hij zei wel:
en sinds de dag waarop Ik richters aangesteld heb over Mijn volk Israël. Maar Ik heb u rust gegeven van al uw vijanden. Ook maakt de HEERE u bekend dat de HEERE voor ú een huis zal maken.
waarmee Hij een familie bedoelde, een dynastie. God gebruikte deze gelegenheid om die voorzegging te doen dat uit Davids geslacht de Messias zou voortkomen.
Salomo en Christus als tempelbouwers #
Hij zei dat Davids zoon inderdaad zou doen wat David had willen doen. Zijn zoon zou een huis voor de Heere bouwen. Dat staat in vers 12 en 13:
12Wanneer uw dagen voorbij zijn en u met uw vaderen ontslapen bent, zal Ik uw nakomeling na u, die uit uw lichaam voortkomt, doen opstaan en Ik zal zijn koningschap bevestigen. 13Die zal voor Mijn Naam een huis bouwen, en Ik zal de troon van zijn koningschap voor eeuwig bevestigen.
Dit zaad van David, deze nakomeling die zou komen en het huis van de Heere zou bouwen, wordt het meest vanzelfsprekend opgevat als Salomo, want dat is wat Salomo deed. Salomo was de zoon van David. Toen David stierf, nam Salomo plaats op zijn troon. God bevestigde zijn koninkrijk, en hij bouwde inderdaad een huis. Hij bouwde de tempel. Maar we weten dat deze profetie over het zaad van David een dubbele betekenis heeft. Ze duidt op Salomo, maar ook op dat andere zaad van David, de Messias. Hij zou op de troon van David zitten. Hij zal over het koninkrijk van David regeren. God zal Zijn koninkrijk voor eeuwig bevestigen, zoals in vers 16 staat. Vers 16 zegt:
Uw huis en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn.
Dat zal gebeuren door de Messias, het andere zaad van David. Dat andere zaad van David bouwt ook een huis. Salomo bouwde een huis als tempel waarin God kon wonen, en Jezus bouwde een huis. Denk eraan hoe Jezus in Johannes hoofdstuk 2 zei:
Jezus antwoordde en zei tegen hen: Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen.
De Bijbel zegt:
Maar Hij sprak over de tempel van Zijn lichaam.
Hij was, volgens Johannes 1:14:
En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.
Hij was het huis van God op aarde. Het lichaam van Christus is het huis van God.
De gemeente als lichaam en tempel van Christus #
Maar toen Christus ten hemel voer, werd Hij enkel het Hoofd over een meer samengesteld lichaam, een gezamenlijk lichaam dat uit vele leden bestaat. Het lichaam van Christus is nog steeds de tempel van God, is nog steeds de tempel van de Heilige Geest. En Christus zei:
En Ik zeg u ook dat u Petrus bent, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten van de hel zullen haar niet overweldigen.
Christus zal een tempel bouwen, een gemeente. Hij heeft het niet over een kathedraal of wat wij een kerkgebouw noemen. Hij heeft het over Zijn gemeente, Zijn volk, Zijn lichaam, de gemeente. Hij zei dat Hij die op een rots bouwt, zoals een bouwwerk op een rots gebouwd zou worden.
Paulus zegt in 1 Timotheus 3:15:
Maar voor het geval dat ik langer wegblijf, weet u nu hoe men zich moet gedragen in het huis van God, dat is de gemeente van de levende God, zuil en fundament van de waarheid.
In Hebreeën hoofdstuk 3, vers 6, zegt de schrijver:
Christus echter is getrouw over Zijn huis als Zoon. Zijn huis zijn wij, als wij tenminste de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe onwrikbaar vasthouden.
Wij zijn het huis van God, en daarom zijn wij de tempel van God.
In 1 Korinthe hoofdstuk 6 — eerst 1 Korinthe hoofdstuk 3 — staat in vers 16:
Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?
Met dat ‘u’ wordt een meervoud bedoeld; ‘tempel’ is enkelvoud. Jullie, de gemeente, jullie allemaal samen:
Jullie zijn de tempel van God, en de Geest van God woont in jullie.
De gemeente als geheel is dus de tempel. Ze is ook het lichaam van Christus. Het lichaam van Christus is de tempel. Christus woont nog steeds onder de mensen in Zijn lichaam, waar wij nu ook bij horen. De Bijbel zegt:
Want wij zijn leden van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn gebeente.
Petrus gebruikt het beeld van een tempel die uit mensen wordt opgebouwd en zegt in 1 Petrus 2:5:
dan wordt u ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterschap, om geestelijke offers te brengen, die God welgevallig zijn door Jezus Christus.
Er zijn nog andere passages, maar het punt is dat Christus kwam om Zijn gemeente te bouwen, die ook de tempel is. Ook Hij bouwt een huis voor de Naam van de Heere. Toen Salomo de oorspronkelijke tempel bouwde, was hij een voorafbeelding en een schaduw van Christus, Die de blijvende woonplaats van God zou bouwen.
De woningen in het huis van de Vader #
Jezus zei tegen de discipelen:
Maar Ik zeg u de waarheid: Het is nuttig voor u dat Ik wegga, want als Ik niet wegga, zal de Trooster niet naar u toe komen; maar als Ik heenga, zal Ik Hem naar u toe zenden.
En Hij zei:
In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was , zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.
Het huis van de Vader is volgens het Nieuwe Testament de gemeente. En in het huis van de Vader zijn veel woningen. Waar doelt Hij daar op? Petrus had ieder van ons afzonderlijk beschreven als levende stenen die tot een huis worden opgebouwd. Jezus beschrijft ieder van ons als een woning. God woont in ons, in ieder van ons.
Dit woord voor ‘woningen’ is in de King James en de New King James helaas vertaald als ‘mansions’:
In het huis van Mijn Vader zijn veel grote woningen.
Dat is een heel bizarre vertaling. Het woord is monē. Het is de vorm als zelfstandig naamwoord van het Griekse woord voor ‘blijven’, dat een aantal keren in het boek Johannes wordt gebruikt. De Bijbel spreekt over in Christus blijven en over Hem Die in ons blijft. Blijven betekent wonen of ergens blijven. En monē is de vorm als zelfstandig naamwoord van dat werkwoord, dus het betekent een woning of een verblijfplaats.
Het woord komt twee keer voor in de Bijbel, beide keren in hetzelfde hoofdstuk. In Johannes 14:2 zegt Hij:
In het huis van Mijn Vader zijn veel plekken om te wonen.
Ofwel woningen. Sommige vertalingen zeggen ‘kamers’. Dan komt dat woord in vers 23 opnieuw voor, al is het in onze Bijbels anders vertaald. In vers 23 van Johannes 14 staat:
Jezus antwoordde en zei tegen hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord in acht nemen; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen naar hem toe komen en bij hem intrek nemen.
Waar de Nederlandse vertaling ‘bij hem intrek nemen’ zegt, heeft de Engelse vertaling ‘make Our home with him’. Voor ‘home’ staat daar hetzelfde Griekse woord monē. Dit woord komt maar twee keer in de Bijbel voor, in Johannes 14:2 en Johannes 14:23.
Bij ieder mens die God liefheeft en Zijn geboden gehoorzaamt, komt God en maakt Hij die persoon tot een verblijfplaats van God. Zoals het traditioneel vertaald is:
In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was , zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.
Mensen zeggen: ‘Nou, het huis van de Vader moet de hemel zijn. Een herenhuis, dat moet de plek zijn waar ik ga wonen. Ik ga in dat herenhuis wonen.’ En daarmee begrijpen ze het hele idee verkeerd. Jezus heeft het erover dat Hij na Zijn vertrek Zijn Heilige Geest naar Zijn discipelen zal sturen, zodat Hij in hen zal blijven en zij Zijn huis zullen zijn, zoals Hij, Jezus, het huis is. Toen Jezus zei:
Jezus antwoordde en zei tegen hen: Breek deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem laten herrijzen.
bedoelde Hij Zijn lichaam.
Zijn lichaam is het huis van God. En Hij zegt: ‘Nu ga Ik naar de hemel, en jullie zullen Mijn lichaam zijn. Jullie zullen nu het huis zijn. Jullie zullen de verblijfplaatsen van God zijn. En het huis van Mijn Vader heeft veel van die verblijfplaatsen. Iedere christen is een verblijfplaats van God, en gezamenlijk vormen ze Zijn huis’, de gemeente.
Dit begrip wordt heel, heel vaak herhaald in het Nieuwe Testament, al zijn christenen zich er vaak nauwelijks van bewust. Dat komt, denk ik, door traditionele vertalingen en misverstanden. Maar het idee hier is dat Jezus een huis bouwt. Hij bouwt Zijn eigen lichaam. Hij bouwt een woonplaats voor God, en dat zijn wij. Wij zijn de levende stenen. Wij zijn de verblijfplaatsen in het huis. God woont in ieder van ons afzonderlijk en in het huis als geheel, het huis als gemeenschap.
Salomo mag de tempel bouwen, David niet #
Dit ligt ook allemaal besloten in deze belofte aan David. Zijn zoon zal dit huis bouwen. Salomo bouwde een huis, maar het was een voorafbeelding en een schaduw van Christus. Salomo is dus een voorafbeelding van Christus, net als David. En we weten dit ook omdat er over deze Zoon van David in 2 Samuel 7:14 wordt gezegd:
Ík zal hem tot een Vader zijn, en híj zal Mij tot een zoon zijn, wat wil zeggen : als hij zich misdraagt, zal Ik hem terechtwijzen met een stok als van mensen en met slagen als van mensenkinderen.
Dit vers wordt in Hebreeën hoofdstuk 1, vers 5, aangehaald als een uitspraak over Jezus. Dus hoewel al het andere in de hele passage lijkt te gaan over Salomo, neemt de schrijver van Hebreeën er één regel uit en zegt: ‘Nou, dat is duidelijk Jezus.’ Hij ziet Jezus dus ongetwijfeld in de hele passage. En daarom hebben we hier een dubbele betekenis: een vervulling op korte termijn in Salomo, die een voorafbeelding wordt van de vervulling op lange termijn, Die Christus is.
En in vers 17 staat:
Overeenkomstig al deze woorden en heel dit visioen, zo sprak Nathan tot David.
Nu was er blijkbaar meer. Er is meer wat Nathan op dat moment zei, of wat God tegen David zei. Misschien vroeg David aan God, zonder dat het werd opgetekend: ‘Waarom wilt U mij het huis niet laten bouwen? Waarom moet mijn zoon het doen in plaats van ik?’ Hoe dan ook, hij had er wel een antwoord op, of Nathan hem dat nu op dat moment gaf, of God het hem later gaf.
We weten dat David het er bij een latere gelegenheid over heeft dat God hem voorbijgegaan was als degene die Gods huis zou bouwen. In 1 Kronieken hoofdstuk 22 sprak David tegen Salomo. En in 1 Kronieken 22 vers 7 tot en met 9 zei David tegen Salomo:
7David zei tegen Salomo: Mijn zoon, ik zelf had het voornemen om voor de Naam van de HEERE, mijn God, een huis te bouwen, 8maar het woord van de HEERE kwam tot mij: U hebt een grote hoeveelheid bloed vergoten en u hebt grote oorlogen gevoerd. U mag voor Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u een grote hoeveelheid bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt. 9Zie, een zoon zal u geboren worden; díe zal een man van rust zijn, want Ik zal hem rust geven van al zijn vijanden van rondom. Ja, Salomo zal zijn naam zijn, want Ik zal in zijn dagen vrede en stilte over Israël geven.
De naam Salomo betekent zoiets als ‘een man van vrede’. Hij komt van het woord shalom en is verwant aan dit woord voor vrede. God zegt dus: ‘Je zult een zoon krijgen wiens naam ‘man van vrede’ betekent. Jij bent een man van oorlog geweest, en daarom zijn je handen met bloed bevlekt.’
Nu is dit interessant, want Davids oorlogen waren niet per se verkeerd. David zondigde niet noodzakelijkerwijs. Maar het is duidelijk hoe God ertegen aankeek. Hoewel Davids roeping misschien een politieke en een militaire roeping was, en een legitieme roeping die God hem gegeven had om te vervullen, was die toch niet hetzelfde als een godsdienstige roeping. Iemand die zich niet met die dingen had beziggehouden, moest degene zijn die de tempel bouwde.
De verschillende roepingen van kerk en staat #
De vroege christenen geloofden dat ze niet moesten meevechten in de oorlogen van Rome. En toen ze kritiek kregen omdat ze niet meededen, zeiden ze: ‘Nou, de kerk heeft een andere roeping.’ Ze geloofden dat de staat een legitieme roeping had om oorlogen te voeren. Ze geloofden dat de koningen en de wereldlijke overheid een legitieme taak hadden om het land tegen vijanden te verdedigen, enzovoort. Maar ze vonden dat de gemeente een priesterschap was, een koninkrijk van priesters onder de volken, en de priesters werden nooit de oorlog in gestuurd.
In Israël werden de priesters niet eens meegeteld onder de strijdbare mannen. De Levieten werden niet eens meegeteld wanneer de strijdbare mannen van de verschillende stammen werden geteld, omdat de priesters een andere roeping hadden. Het was niet zo dat de ene beter was dan de andere. Het waren gewoon verschillende roepingen.
En de vroege christenen geloofden dat de overheid, de staat, de roeping had om oorlogen te voeren, het recht te handhaven en dat soort dingen te doen, maar dat de gemeente een andere roeping had. Zij was het huis van God. Zij was het priesterschap. Zij mocht geen bloed vergieten. Zij hadden een andere roeping.
En we zien die verschillende roepingen bij Salomo en David, hoewel ze allebei deden wat God hun opdroeg. David was geroepen om oorlog te voeren. Salomo was geroepen om de tempel te bouwen en de aanbidding in het land te vestigen. Er werd dus erkend dat er een verschil was. En Paulus lijkt dat verschil ook te erkennen in Romeinen hoofdstuk 12 en 13. Want aan het einde van hoofdstuk 12 van Romeinen staat iets heel interessants. Paulus zegt in vers 19:
Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe , Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
Hij zegt tegen christenen dat ze zichzelf niet moeten wreken, maar ruimte moeten laten voor Gods toorn. Maar dan zegt hij in hoofdstuk 13 over de overheidsbestuurders, in vers 4:
Zij is immers Gods dienares, u ten goede. Als u echter kwaad doet, vrees dan, want zij draagt het zwaard niet zonder reden. Zij is namelijk Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade doet.
Hij zegt dus dat de overheidsfunctionarissen door God zijn aangesteld om toorn uit te oefenen en onrecht te wreken. Maar tegen christenen wordt gezegd:
Neem geen wraak. Dat is niet jullie taak. Laat dat aan God over.
En God gebruikt Zijn instrument, en dat is de staat. Hij zei:
Neem geen wraak. Laat het aan God over om wraak voor jullie te nemen.
En de overheidsdienaar is Gods dienaar om Gods toorn te voltrekken door degenen die kwaad doen te straffen.
Het lijkt er dus op dat Paulus hier twee verschillende roepingen ziet: die van de christen en die van de staat. En natuurlijk hadden de vroege christenen er geen moeite mee om die uit elkaar te houden, want de staat vervolgde de gemeente. De Romeinse keizers waren allemaal heidenen en ze wierpen christenen voor de leeuwen. Het was voor de christenen niet moeilijk om onderscheid te zien tussen wij en zij. De staat, dat zijn zij, en wij zijn wij. Twee verschillende dingen.
Christenen in het leger en de overheid #
Nadat Constantijn zich had bekeerd en Rome als het ware een christelijk rijk werd, zogenaamd, werd het natuurlijk verwarrender. De oorlogen van Rome werden door Romeinse soldaten uitgevochten. De Romeinse soldaten waren nu allemaal gedoopt. En ze waren zogenaamd allemaal christenen. Hoe houd je dan het onderscheid tussen die roepingen in stand? Sinds die tijd is dat altijd verwarrend geweest.
De beweging van de wederdopers ontstond in het begin tot het midden van de zestiende eeuw. En zij vonden dat de vroege christenen gelijk hadden, dat christenen een andere roeping hadden dan oorlog te voeren. En ze gebruikten enkele van deze argumenten, enkele van deze Schriftgedeelten. En we zien inderdaad dat God tegen David zei dat zijn activiteit in de oorlogvoering, hoewel die legitiem was, hem ongeschikt maakte om een tempel te bouwen en de aanbidding in het land te vestigen. God zag in dit opzicht dus wel een verschil tussen de roeping van Salomo en die van David. In hoeverre dat doorwerkt in de moderne tijd en in de rol van de kerk tegenover de overheid en militaire activiteiten enzovoort, is uiteraard iets wat mensen grotendeels zelf moeten uitzoeken, lijkt mij. Want de Bijbel zegt niet dat christenen niet in het leger mogen vechten. Er staat niet dat christenen geen overheidsfuncties mogen vervullen. Maar er staat ook niet dat ze dat wel moeten doen. En daarom wordt de vraag of dat passend is of niet volgens mij voor ieder afzonderlijk een zaak van het persoonlijke geweten.
In het boek Handelingen waren er mensen met overheidsfuncties die christen werden. We weten niet of ze in hun functie bleven of niet. We weten dat één man de schatbewaarder van de stad Korinthe was. En toen hij christen werd, verliet hij blijkbaar de stad, Crispus. Hij gaf blijkbaar zijn baan op en reisde met Paulus mee, want later bleek hij met Paulus mee te reizen. Hoe dan ook, dat heeft misschien niets met deze kwestie te maken.
Maar christenen die proberen te bepalen wat hun betrokkenheid bij het leger of bij de overheid wel of niet zou moeten zijn, moeten beslist niet zomaar aannemen dat het een eenvoudige zaak is. Het is een ingewikkelde zaak, en mensen moeten volgens mij God zoeken om te weten wat Zijn wil in die dingen is. God gebruikte David wel, en Hij zegende zijn militaire inspanningen, en het was Gods wil dat David dat deed. Maar het komt ons vreemd voor dat God dan zou zeggen:
maar het woord van de HEERE kwam tot mij: U hebt een grote hoeveelheid bloed vergoten en u hebt grote oorlogen gevoerd. U mag voor Mijn Naam geen huis bouwen, omdat u een grote hoeveelheid bloed op de aarde voor Mijn aangezicht vergoten hebt.
Maar dat laat alleen maar opnieuw zien dat mensen verschillende roepingen kunnen hebben die elk legitiem zijn.
Davids verwondering over Gods belofte #
Vers 18:
Toen ging koning David de heilige tent binnen en nam plaats voor het aangezicht van de HEERE. Hij zei: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt?
Dit is nadat David de woorden had gehoord, de beloften die de profeet Nathan aan hem had overgebracht. En hij zei:
Wie ben ik, Heer God, en wat stelt mijn familie voor dat U me zo ver hebt gebracht?
Dat zou verbazingwekkend zijn voor iemand als David, die was opgegroeid in een vrij groot gezin, maar niet noodzakelijk een welgesteld of belangrijk gezin in Bethlehem, een klein stadje. Hij was de minst belangrijke zoon in het gezin. Zo onbelangrijk zelfs, dat zijn vader er niet eens aan dacht hem erbij te halen toen Samuel zei: ‘Een van uw zonen zal tot koning worden gezalfd.’
Dus haalt hij zeven andere zonen erbij en laat David erbuiten. David was geen man van wie het vroege leven erop wees dat hij voorbestemd was voor macht, aanzien en roem. En toch was hij in zo'n korte tijd, waarschijnlijk een paar decennia, misschien minder, vanuit de onbekendheid als schaapherder opgeklommen tot heerser over een groot volk. En God zegt:
Uw huis en uw koningschap zullen voor uw ogen voor eeuwig vaststaan, uw troon zal voor eeuwig zeker zijn.
Ik bedoel, van gewoon een herder naar een koning met een eeuwige dynastie, dat is een behoorlijk grote afstand om in een paar jaar tijd af te leggen. En dus is hij verbijsterd. Hij zegt:
18Toen ging koning David de heilige tent binnen en nam plaats voor het aangezicht van de HEERE. Hij zei: Wie ben ik, Heere HEERE, en wat is mijn huis dat U mij tot hiertoe gebracht hebt? 19En dit was in Uw ogen nog gering, Heere HEERE, en U hebt ook nog over het huis van Uw dienaar gesproken tot in verre tijden ; en dit overeenkomstig de wet van de mensen, Heere HEERE!
De Engelse vertaling die de spreker gebruikt, heeft hier een vraag: ‘Is dit de handelwijze van een mens, Heere God?’ Daarop baseert hij zijn uitleg. Met andere woorden, mensen tonen niet zo'n grootmoedigheid en zo'n vrijgevigheid tegenover onbeduidende mensen zoals David. Hij zegt: ‘U bent niet zoals een mens, God. U bent met niemand te vergelijken.’
20En wat zal David nog meer tot U spreken? Ú kent Uw dienaar immers, Heere HEERE. 21Omwille van Uw woord en naar Uw hart hebt U al deze grote dingen gedaan, en aan Uw dienaar bekendgemaakt. 22Daarom bent U groot, Heere God, want er is niemand zoals U, en er is geen God dan U alleen, zoals blijkt uit alles wat wij met onze eigen oren gehoord hebben. 23En wie is als Uw volk, als Israël, het enige volk op de aarde dat God is gaan verlossen om voor Hem een volk te zijn, om Zich een Naam te maken en voor u, Israël , deze grote en ontzagwekkende dingen te doen: voor Uw land, voor de ogen van Uw volk, dat U voor Uzelf uit Egypte verlost hebt van heidenvolken en hun goden. 24U hebt Uw volk Israël voor eeuwig voor Uzelf bevestigd als Uw volk, en Ú, HEERE, bent hun tot een God geworden.
David aanvaardt Gods zegen voor zijn huis #
25Nu dan, HEERE God, laat dit woord dat U over Uw dienaar en over zijn huis gesproken hebt, voor eeuwig bestaan, en doe zoals U gesproken hebt. 26En laat Uw Naam tot in eeuwigheid grootgemaakt worden door te zeggen: De HEERE van de legermachten is God over Israël, en het huis van Uw dienaar David zal zeker zijn voor Uw aangezicht. 27Want U, HEERE van de legermachten, God van Israël, U hebt voor het oor van Uw dienaar onthuld: Ik zal voor u een huis bouwen. Daarom heeft Uw dienaar vrijmoedigheid gevonden dit gebed tot U te bidden. 28Nu dan, Heere HEERE, U bent die God en Uw woorden zijn waarheid, en U hebt dit goede tot Uw dienaar gesproken. 29Moge het U dan nu behagen het huis van Uw dienaar te zegenen, dat het voor eeuwig voor Uw aangezicht zal zijn; want U, Heere HEERE, hebt het gesproken, en met Uw zegen zal het huis van Uw dienaar voor eeuwig gezegend worden.
Hij zegt in wezen: ‘Ik zal deze zegen ontvangen.’ Hij maakt in zijn gebed helemaal geen melding van de tempel. Hij is volledig in beslag genomen door het laatste deel van de belofte die God heeft gedaan: dat God beloofd heeft om zoiets langdurigs te doen voor het huis van David en voor zijn nageslacht. Hij zegt: ‘Welke god is zoals U? Mensen behandelen mensen niet zoals U mij behandelt. Mensen zijn niet zo vriendelijk, niet zo vrijgevig, niet zo genadig als U bent.’
Hij zegt:
En wie is er als Israël?
Wanneer hij zegt:
Wie is er als Israël?
heeft hij het niet echt over hoe geweldig Israël is, maar over welk volk zoveel vrijgevigheid van zijn God heeft ontvangen als Israël. Hij zegt in vers 23:
Wie is er als Uw volk, het enige volk op aarde dat God zelf is gaan bevrijden om het tot Zijn eigen volk te maken?
Hij zegt niet dat Israël van nature deugdzaam was, alsof het beter was dan andere volken, maar dat het een unieke zegen heeft ontvangen, dat het buitengewone goedheid van God heeft ondervonden. Dit is in wezen een gebed van verwondering en ook van aanvaarding van dit geschenk dat God hem heeft beloofd.
David onderwerpt de Filistijnen #
In hoofdstuk 8 hebben we een aantal oorlogen die David voert, waarbij hij zijn macht uitbreidt naar de omliggende gebieden. Veel van deze gebieden zeggen ons niet zo heel veel. We zijn niet zo vertrouwd met de geografie, en de volken die hij overwon zijn er voor het grootste deel niet meer. Het zijn volken uit de oudheid. Maar waar het op neerkomt, is dat alle volken die een bedreiging voor Israël waren geweest, geen bedreiging meer vormden. En David maakte ze schatplichtig, zodat hij eigenlijk de keizer van het gebied werd. Veel van deze veldslagen worden ons in hoofdstuk 8 beschreven.
Daarna gebeurde het dat David de Filistijnen versloeg en hen onderwierp; David nam Meteg-Amma uit de macht van de Filistijnen.
Metheg-amma is niet de bekende naam van een stad die de Filistijnen ooit hebben gehad, of van enige andere plaats. We kennen wel de namen van vijf steden van de Filistijnen, en die worden vaak in de Schrift genoemd. Maar nergens wordt dit Metheg-amma ooit vermeld, niet in de Schrift en ook niet in de archeologie. De woorden Metheg-amma betekenen echter ‘de toom van de moederstad’. Sommige mensen denken dat het een verwijzing is naar de stad Gath. Als Gath over de andere steden heerste, als het een vooraanstaande stad was, dan kan er een dichterlijke naam voor zijn geweest. Zoals wij New York de Big Apple noemen, zo kunnen de Filistijnen Gath ‘de toom van de moederstad’ hebben genoemd. Niemand weet het zeker, maar de schrijver verwacht kennelijk dat we er op de een of andere manier iets van begrijpen. Het is dus blijkbaar een verwijzing naar een Filistijnse stad, waarschijnlijk Gath.
Davids harde optreden tegen Moab #
Ook versloeg hij Moab. Hij mat hen af met een meetsnoer, waarbij hij hen op de grond deed neerliggen. Hij mat met twee snoeren om te doden en met één snoer in zijn volle lengte om in leven te laten. Zo werden de Moabieten Davids dienaren en zij moesten schatting afdragen.
Hij doodde blijkbaar twee derde van de Moabieten, waarschijnlijk twee derde van hun strijdbare mannen. Er staat niet noodzakelijkerwijs dat het de hele bevolking was. Het gaat hoogstwaarschijnlijk om hun soldaten. Hoe hij dit deed, weet ik niet echt zeker. Hij verdeelde hen min of meer in drie rijen, doodde er twee en liet er één in leven. We weten niet waarom hij Moab zo hard aanpakte. Hij had zijn ouders en broers in Moab achtergelaten toen hij voor Saul vluchtte. Hij had hen daar voor hun veiligheid achtergelaten. Bedenk dat Davids overgrootmoeder Ruth uit Moab kwam, en dat ze daar dus verre familieleden hadden. Toen Saul David achtervolgde en David op de vlucht was, had Saul gemakkelijk Davids vader of broers kunnen arresteren en kunnen zeggen: ‘David, geef je over, anders gaat je vader eraan.’ Dus bracht David zijn familie buiten het gebied van Saul. Hij bracht hen naar de koning van Moab en drong er bij de koning van Moab op aan hen te beschermen.
Er bestaat een Joodse overlevering, en ik weet niet of daar een historische basis voor is, dat de koning van Moab Davids familie heeft gedood, Davids vader en moeder heeft gedood. De Joodse rabbijnen zeggen dat David Moab daarom zo behandelde. Hij had zijn familie aan hen toevertrouwd om hen veilig te houden, en nu wreekte hij hen omdat ze waren gedood. Of dat waar is of niet, zullen we misschien nooit weten.
Davids veroveringen tot aan de Eufraat #
Verder versloeg David Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba, toen die heentrok om zijn gezag aan de rivier de Eufraat te herstellen.
De Engelse vertaling die ik hier gebruik, heeft het voornaamwoord ‘he’, oftewel ‘hij’. Ik weet niet zeker of degene die zijn gebied bij de rivier de Eufraat probeerde terug te krijgen, Hadadezer was of David. Hoe dan ook, het wijst er wel op dat David gebied veroverde tot aan de rivier de Eufraat.
Toen God voor het eerst de grenzen aangaf van het Beloofde Land dat God aan Abraham zou geven, hoorde de rivier de Eufraat daar als een van de grenzen bij. De rivier de Eufraat ligt behoorlijk ver van het huidige Israël. De oostgrens van Israël is de rivier de Jordaan, en de noordgrens ligt boven in Libanon. De rivier de Eufraat ligt een heel eind ten noorden en ten oosten van Israël en is eigenlijk nooit een grens van het land Israël geweest. Maar Israël heeft er wel zeggenschap over gehad. David beheerste dat gebied dat zich uitstrekte tot aan de rivier de Eufraat, en Salomo ook. In 1 Koningen hoofdstuk 4 wordt vermeld dat Salomo's heerschappij zich uitstrekte tot aan de rivier de Eufraat. Dat was maar voor een tijd. Toen Rehabeam het verloor, stond dat verre gebied vast niet meer onder het gezag van de Joodse koningen.
Er staat:
David nam van hem duizend wagens af en nam zevenhonderd ruiters en twintigduizend man voetvolk gevangen . Ook sneed David de hielpezen van alle wagen paarden door, maar hield er honderd wagen paarden van over.
De pezen van de paarden doorsnijden, dat vinden degenen onder ons die van paarden houden iets ontzettend wreeds. Ze sneden de pees aan de achterpoot van het paard door, waardoor het niet doodging. Het paard werd er alleen kreupel van. Het paard was dan nog geschikt voor werk op het land, om een ploeg of een kar te trekken of iets dergelijks, maar het was niet meer geschikt voor het leger. Het kon niet meer als militair vervoermiddel dienen, omdat het niet kon rennen. Daarom doodden ze de paarden niet, maar sneden ze hun pezen door. Zo bleven de paarden nog ergens bruikbaar voor, maar niet voor militaire doeleinden. Hij maakte een uitzondering voor honderd paarden om honderd strijdwagens te trekken.
David had daarvoor geen strijdwagenmacht gehad. Israël had geen strijdwagenlegers gehad. Sommige volken die ze in de dagen van Jozua niet hadden kunnen verslaan, waren geduchte tegenstanders omdat ze strijdwagens hadden. En Israël had tot die tijd eigenlijk nooit paarden gehad. De eerdere richters van Israël, en Saul, hadden niet op paarden gereden. Ze reden op ezels. Ze reden op witte ezels, wat misschien vreemd lijkt, omdat een ezel niet zo'n waardig dier lijkt. Maar om de een of andere reden reden ze daarop. Ze hadden geen paarden. Toen kwamen er paarden door deze veroveringen, waarbij hij een aantal paarden buitmaakte, en kreeg hij wel een strijdwagenmacht. Salomo had een veel grotere strijdwagenmacht dan David, hoewel hij die nooit hoefde te gebruiken.
De Syriërs van Damascus kwamen om Hadadezer, de koning van Zoba, te helpen, maar David versloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man.
Ze hadden thuis moeten blijven.
David legde garnizoenen in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David en moesten schatting afdragen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.
Het lijkt er dus op dat David bij veel van deze veldtochten zelf de legers aanvoert, hoewel hij koning is en Joab aan het hoofd van zijn leger heeft staan. Joab is echt heel bekwaam. Joab is echt geweldig. Sommige van deze veldslagen zouden zelfs met Joab aan het hoofd uitgevochten kunnen zijn, terwijl ze eenvoudigweg aan David worden toegeschreven. De Engelse vertaling zegt hier dat de Heere David ‘bewaarde’, waar het Nederlandse citaat ‘de overwinning gaf’ heeft. Die Engelse formulering klinkt alsof David zelf midden in de strijd stond, waar hij gedood had kunnen worden, maar dat niet werd.
Later horen we verhalen over enkele van Davids helden. Een van hen redde David toen hij bijna door een reus werd gedood. David was dus soms zelf nog daadwerkelijk aan het vechten, ook toen hij koning was.
Oorlogsbuit en geschenken voor de tempel #
David nam de gouden schilden die van Hadadezers dienaren geweest waren, en bracht ze naar Jeruzalem.
om ze als trofeeën tentoon te stellen. Omdat ze van goud waren, moeten het ook heel aantrekkelijke versieringen zijn geweest.
En uit Betach en uit Berothai, steden van Hadadezer, nam koning David zeer veel koper mee.
9Toen nu Toï, de koning van Hamath, hoorde dat David heel het leger van Hadadezer verslagen had, 10stuurde Toï zijn zoon Joram naar koning David om hem naar zijn welstand te vragen en hem geluk te wensen, omdat hij tegen Hadadezer gestreden en hem verslagen had — Hadadezer voerde namelijk steeds strijd tegen Toï — en hij had zilveren voorwerpen, gouden voorwerpen en koperen voorwerpen bij zich.
Hoewel Hadadezer een koning van Arameeërs of Syriërs was, was Toï dat ook, blijkbaar een koning van enkele Aramese groepen. Maar het waren verschillende stammen die met elkaar in oorlog waren. Toï besloot vrijwillig vrede met David te sluiten in plaats van tegen hem te vechten. Hij waardeerde David eigenlijk, omdat David Hadadezer had overwonnen, die ook de vijand van Toï was geweest. Dus stuurt hij zijn zoon persoonlijk om geschenken te brengen en waarschijnlijk een soort wederzijds niet-aanvalsverdrag tussen hen op te stellen, om een of ander verdrag te sluiten.
Koning David heiligde ook die voor de HEERE, evenals het zilver en het goud dat hij geheiligd had van alle heidenvolken die hij aan zich had onderworpen:
Al die geschenken die binnenkwamen, waren veel geld waard, maar David hield ze niet voor zichzelf. Hij wijdde ze aan de HEERE. Dat betekent dat ze aan de tempel gegeven zouden worden voor het onderhoud ervan. Telkens als hij een volk onderwierp, plunderde hij het natuurlijk en nam hij er zilver en goud van mee. Hij had er dus grote hoeveelheden van. Veel hiervan werd later door Salomo gebruikt bij de bouw van de tempel. Er zijn enorme hoeveelheden goud en zilver gebruikt bij de bouw van de tempel. Deze dingen die David aan de HEERE had gewijd, werden ongetwijfeld het materiaal waarvan de tempel gebouwd zou worden.
van Syrië, van Moab, van de Ammonieten, van de Filistijnen, van Amalek, en van de buit van Hadadezer, de zoon van Rechob, de koning van Zoba.
Dit waren degenen van wie hij zilver en goud had verkregen door hen te overwinnen.
Edom onderworpen: de profetie over Ezau #
13Ook maakte David naam, toen hij terugkwam nadat hij de Syriërs verslagen had in het Zoutdal, achttienduizend man . 14Hij legde garnizoenen in Edom; in heel Edom legde hij garnizoenen, en alle Edomieten werden aan David onderworpen. De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.
Wanneer David de Edomieten en deze andere volken overwon, vestigde hij daar een militaire aanwezigheid. Hij had er militaire bases, garnizoenen met zijn eigen soldaten die in deze vreemde landen gelegerd waren om ervoor te zorgen dat er geen opstanden kwamen. Precies zoals de Romeinen dat later in Israël deden, in de dagen van Jezus. Er waren Romeinse garnizoenen in Israël die daar de vrede probeerden te bewaren. Dat had David dus al eerder gedaan.
De vermelding dat hij dit in Edom deed en dat alle Edomieten Davids dienaren werden, is de vervulling van de profetie die werd uitgesproken toen Ezau en Jakob nog in de moederschoot waren. In het vijfentwintigste hoofdstuk van Genesis, toen Rebekka zwanger was van de tweeling Jakob en Ezau, vertelde God haar:
De HEERE zei toen tegen haar: Er zijn twee volken in uw schoot, en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden. Het ene volk zal sterker zijn dan het andere en de meerdere zal de mindere dienen.
De Engelse vertaling die de spreker gebruikt, zegt hier: ‘De oudste zal de jongste dienen.’ Ezau was de oudste jongen en Jakob was de jongste. Dit is nooit vervuld in de personen van Jakob en Ezau, en het was ook niet de bedoeling dat het zo werd opgevat. Maar het ging om het volk van Ezau en het volk van Jakob, om wat hun te wachten stond. Hij zei:
De HEERE zei toen tegen haar: Er zijn twee volken in uw schoot, en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden. Het ene volk zal sterker zijn dan het andere en de meerdere zal de mindere dienen.
staat er.
De Edomieten stamden af van Ezau en Israël stamde af van Jakob. Hier zien we de vervulling van die godsspraak bij hun geboorte: de Edomieten, de kinderen van Ezau, komen onder de heerschappij van het volk van Jakob. Aan het einde van vers 14 staat opnieuw:
De HEERE gaf David de overwinning overal waar hij heen ging.
Net zoals er aan het einde van vers 6 stond. Ook hier heeft de Engelse vertaling ‘bewaarde’ in plaats van ‘gaf de overwinning’. Overal waar David kwam, was hij onkwetsbaar. Overal waar hij kwam, was die bescherming om hem heen.
Davids bestuur en de priesterlijn van Zadok #
15Zo regeerde David over heel Israël, en David deed recht en gerechtigheid aan heel zijn volk. 16Joab, de zoon van Zeruja, ging over het leger en Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier. 17En Zadok, de zoon van Ahitub, en Achimelech, de zoon van Abjathar, waren priesters; en Seraja was schrijver.
We hebben nog niet eerder van Zadok gehoord, maar in Samuel is Zadok degene wiens geslachtslijn de geslachtslijn van Eli verving. Eli was, zoals je je herinnert, de oude priester in de dagen van Samuel. Vanwege het kwaad van zijn zonen werden zij in de strijd gedood. God zei dat Hij de geslachtslijn van Eli als priesters zou laten verdwijnen. Dat was nog niet gebeurd. Natuurlijk overlapte Davids leven dat van Samuel, dus het is niet alsof er heel veel tijd verstreken was of alsof er na Eli veel generaties waren geweest. Maar het huis van Eli was nog niet verdwenen, want hier is Achimelech in vers 17, de zoon van Abjathar, iemand uit de geslachtslijn van Eli.
Maar Achimelech werd later uit zijn ambt gezet. Hij koos de verkeerde kant bij een van de opstanden tegen David. Zadok was degene wiens nakomelingen daarna alle priesters leverden, en Zadok stamde niet uit het geslacht van Eli. Om de een of andere reden zijn hier dus beide priesters in functie. Ik weet niet waarom er twee priesters zouden zijn als ze niet uit hetzelfde geslacht komen, maar misschien was David het geslacht van Eli geleidelijk aan het vervangen. Misschien was Achimelech al priester en stelde God daarnaast ook Zadok aan, zodat Zadok al op zijn plaats was toen Achimelech werd afgezet. Bedenk dat Eli een profetie had gekregen dat God zijn familie zou vernietigen en een trouwe priester zou doen opstaan die hem zou vervangen. De meeste geleerden zouden denken dat dit verwijst naar Zadok, die hem en zijn geslacht verving.
Davids trouwe Filistijnse lijfwachten #
En Benaja, de zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi. De zonen van David waren echter staatsdienaren.
De Krethi en de Plethi waren geen Israëlieten. Het waren huurlingen. Het waren lijfwachten die als huurlingen waren ingehuurd, kennelijk uit de Filistijnen. Van de Krethi wordt gezegd dat ze Filistijnen waren. Van de Plethi weet ik het niet zeker, maar ik denk dat zij misschien ook Filistijnen waren. David had de Filistijnen overwonnen en nu had hij trouwe Filistijnen die hem als lijfwachten dienden. Dat lijkt vreemd. Voor zijn lijfwachten is de koning het kwetsbaarst als zij een samenzwering tegen hem zouden willen beramen. En toch behoorden zij tot zijn vroegere vijanden.
Maar bedenk dat David in Gath, voordat Saul stierf, het bevel had gevoerd over zeshonderd van zijn eigen mannen. Kennelijk had Achis, de koning van Gath, ook enkele van zijn eigen mannen onder Davids bevel geplaatst, want David leidde een grote strijdmacht. Kennelijk hadden in die dagen een aantal Filistijnen respect voor David gekregen. Nadat hij de Filistijnen had overwonnen en onderworpen, moeten zij oprechte bewonderaars van David zijn geweest. Zozeer zelfs dat hij geloofde dat hij hun zijn leven kon toevertrouwen. En dat deed hij ook.
Toen Absalom tegen David in opstand kwam en David de stad moest ontvluchten, gingen deze lijfwachten inderdaad met hem mee en waagden ze samen met hem hun leven, terwijl het grootste deel van de legers van Israël Absalom zou volgen. Deze mensen bleven bij David. Het waren dus zeer trouwe Filistijnen.
Davids zonen als bestuurders #
Nu staat er over Davids zonen in de New King James:
Waren de belangrijkste bestuurders.
Misschien zie je dat er in de kantlijn staat: ‘letterlijk priesters’. Om de een of andere reden zegt de Masoretische tekst, de Hebreeuwse tekst, dat zijn zonen de priesters waren. Toch is ons al verteld dat Zadok en Ahitub de priesters waren. Het lijkt een fout te zijn in de manier waarop de Masoretische tekst aan ons is overgeleverd, want in de parallelle passage in 1 Kronieken 18:17 staat:
En Benaja, de zoon van Jojada, ging over de Krethi en de Plethi. De zonen van David waren naast de koning echter de voornaamsten.
Dit staat in 1 Kronieken 18:17. Er staat:
Benaja, de zoon van Jojada, had de leiding over de Keretieten en de Peletieten, en Davids zonen waren de belangrijkste bestuurders aan de zijde van de koning.
Het woord ‘priesters’ wordt hier niet gebruikt, en dit is duidelijk de parallelle passage. De schrijver van Kronieken gebruikte vrijwel zeker de boeken van Samuel als zijn bron, of in elk geval als een van zijn bronnen. Daarom lijkt het waarschijnlijk dat ‘priesters’ oorspronkelijk niet op die plaats stond bij Davids zonen. Het waren geen Levieten. David was geen Leviet. Zijn zonen zouden geen Levieten zijn. Veel van zijn zonen waren slechte mensen. Het is niet realistisch om te denken dat David hen tot priesters maakte. De parallelle passage in Kronieken is dus ongetwijfeld juist. Ze bekleedden bestuursfuncties. Voor sommigen van hen was dat niet genoeg. Absalom wilde koning zijn, zoals we zullen zien.
David zoekt een nakomeling van Saul #
Hoofdstuk 9.
David zei: Is er nog iemand die overgebleven is van het huis van Saul, zodat ik hem goedertierenheid kan bewijzen omwille van Jonathan?
Jonathan was Davids beste vriend en was samen met Saul in de strijd omgekomen. David wist misschien dat er overlevenden van de familie waren. Hij was al enige tijd koning. Je zou denken dat hij daar eerder naar zou hebben geïnformeerd. Misschien stelde hij de vraag op dit moment retorisch om het onderwerp ter sprake te brengen.
2Het huis van Saul nu had een dienaar van wie de naam Ziba was. Zij riepen hem bij David. En de koning zei tegen hem: Bent u Ziba? Hij zei: Uw dienaar. 3De koning zei: Is er soms nog iemand van het huis van Saul, zodat ik de goedertierenheid van God aan hem kan bewijzen? Toen zei Ziba tegen de koning: Er is nog een zoon van Jonathan, die aan beide voeten verlamd is.
Nu kon je dit gemakkelijk opvatten als een vraag waarop het heel beangstigend was om antwoord te geven. Een koning liet de nakomelingen van zijn voorganger namelijk gewoonlijk niet in leven, vooral niet als er een wisseling van dynastie had plaatsgevonden. Als een man de zoon van de vorige koning was, liet hij zijn broers natuurlijk wel in leven. Maar als een koninkrijk van de ene familie op de andere was overgegaan, was het ondenkbaar om de overlevenden van de oude dynastie in leven te laten. Er zouden namelijk genoeg mensen in Israël zijn, of in welk koninkrijk dit ook van toepassing was, die trouw zouden blijven aan de oorspronkelijke koninklijke familie. Daarom zouden alle overlevenden van de vorige koninklijke familie mogelijk een bedreiging vormen. Ze konden op elk moment hun aanspraak op de troon laten gelden en daarbij op de sympathie van een groot deel van het volk rekenen.
Om dat te voorkomen doodde een koning, telkens wanneer hij een andere koning doodde en diens koninkrijk overnam, ook al diens zonen en al diens nakomelingen. Men had misschien verwacht dat David dat zou doen. David was niet zo iemand. Maar toch nam David een risico door ook maar één zoon van Saul in leven te laten.
Sterker nog, als David later voor Absalom is gevlucht, gaan Ziba en Mefiboseth niet met hem mee. Het is enigszins onduidelijk waarom niet. Ziba uitte de beschuldiging dat Mefiboseth in het koninkrijk was achtergebleven om te proberen de troon weer in handen te krijgen. Nu was Mefiboseth blijkbaar onschuldig aan die beschuldiging. Ziba lijkt daarover tegen David gelogen te hebben. Maar het is nooit uitgemaakt of Mefiboseth of Ziba bij die latere gelegenheid loog. Het was een reëel scenario dat iemand die een telg van de eerdere dynastie was, gemakkelijk in een positie kon komen om een andere, revolutionaire opstand tegen de huidige koning te beginnen. Vooral wanneer de huidige dynastie bij het volk uit de gunst raakte. Daarom wisten koningen wel beter dan zulke mensen in leven te laten. Als David nu aan Ziba, die een dienaar was geweest van Saul, de vorige koning, vraagt:
Zijn er nog nakomelingen van Saul in leven?
Dan wist Ziba niet wat David misschien zou doen. David zei:
Zodat ik hem de goedheid van de Heer kan laten zien.
Maar dat is wat Herodes tegen de wijzen zei:
en hij stuurde hen naar Bethlehem en zei: Ga erheen en doe nauwkeurig onderzoek naar dat Kind, en als u Het gevonden hebt, bericht het mij, zodat ook ik kom om Het te aanbidden.
Maar in werkelijkheid was hij van plan Hem te doden. Ziba kon dus onmogelijk weten of David eropuit was om de vorige familie uit te roeien.
Toch krijgt Ziba een rechtstreekse vraag, en waarschijnlijk kent David het antwoord, dus Ziba liegt niet. Hij zegt:
Er is nog een zoon van Jonathan die niet goed kan lopen.
Daarop zei de koning tegen hem:
Waar is hij?
En Ziba zei tegen de koning:
Mefiboseth wordt bij David geroepen #
De koning zei tegen hem: Waar is hij? En Ziba zei tegen de koning: Zie, hij is in het huis van Machir, de zoon van Ammiël, in Lodebar.
Dat zou aan de overkant van de Jordaan zijn. Daar waren Isboseth en Abner na de dood van Saul naartoe gevlucht. En daar was Isboseth tijdelijk als koning over de noordelijke stammen aangesteld, aan de overkant van de Jordaan. Daar woonde Mefiboseth blijkbaar nog steeds. De weinigen die nog van het huis van Saul over waren, waren blijkbaar naar die kant van de Jordaan verhuisd om te ontkomen aan de eventuele gevolgen die zij als voormalige koninklijke familie zouden kunnen ondervinden.
Toen Mefiboseth, de zoon van Jonathan, de zoon van Saul, bij David binnenkwam, wierp hij zich met zijn gezicht ter aarde en boog zich neer. David zei: Mefiboseth! En hij zei: Zie, hier is uw dienaar.
Bedenk nu eens: als jij Mefiboseth bent, heb je al die tijd sinds de dood van je vader en je grootvader, en sinds een andere man koning is geworden, geleefd met de vraag wat dit voor jouw lot zal betekenen. Nu hoor je dat de koning je heeft laten oproepen om voor hem te verschijnen. Tijdens de tocht over de Jordaan en naar Jeruzalem om David te ontmoeten, moet Mefiboseth zich hebben afgevraagd hoe dit zou aflopen. Hij had alle reden om te vermoeden dat David hem zou laten arresteren en hem daar ter plekke zou laten doden. Niet dat hij iets verkeerds had gedaan, maar je hoefde ook niets verkeerds te hebben gedaan. Je had gewoon de verkeerde afstamming. Je bent een gevaar voor de huidige koninklijke familie. Mefiboseth werpt zich dus voor David neer, blijkbaar zonder te weten hoe het met hem zal aflopen.
Mefiboseth krijgt Sauls land en een tafelplaats #
7David zei tegen hem: Wees niet bevreesd, want ik zal u zeker goedertierenheid bewijzen omwille van uw vader Jonathan. Ik zal u alle akkers van uw vader Saul teruggeven, en ú zult voortdurend aan mijn tafel de maaltijd gebruiken. 8Toen boog hij zich en zei: Wat is uw dienaar dat u aandacht schenkt aan een dode hond als ik ben? 9Toen riep de koning Ziba, de knecht van Saul, en zei tegen hem: Al wat van Saul en heel zijn huis was, heb ik aan de zoon van uw heer gegeven. 10Daarom moet u voor hem het land bewerken, u, uw zonen en uw slaven, en u moet hem de opbrengst brengen, zodat de zoon van uw heer voedsel heeft om te eten. Mefiboseth, de zoon van uw heer, zal voortdurend aan mijn tafel de maaltijd gebruiken. Nu had Ziba vijftien zonen en twintig slaven.
Dat waren dus de vijfendertig arbeidskrachten die David aan Mefiboseth gaf om al het nieuwe land te bewerken dat hij had gekregen. Dat waren vroeger allemaal koninklijke landerijen geweest. Nu was dit opnieuw iets riskants wat David deed: een koninklijke troonopvolger in leven laten. Hij zou de erfgenaam zijn, omdat Jonathan de erfgenaam was. Mefiboseth was misschien de jongste zoon van Jonathan. Dat weten we niet. Maar waar het om gaat, is dat hij naar het schijnt de enige nog levende zoon van Jonathan was. Als er dus iemand op grond van erfopvolging binnen de dynastie van Saul aanspraak op de troon kon maken, dan was het deze man.
Nu geeft hij hem alle koninklijke landerijen die aan Saul hadden toebehoord. Daarmee zou Mefiboseth, als hij dat zou willen, nog een manier hebben om tegenover het volk aanspraak te maken op koninklijke voorrechten. ‘Kijk, ik bezit alles wat mijn vader bezat. Ik ben zijn kleinzoon. Daarom ben ik degene die koning zou moeten zijn.’ En dat zou aanslaan. Dat zou bij veel mensen onder het volk aanslaan. Daar zou hij waarschijnlijk wel iets mee kunnen doen. Maar dat deed hij niet. Hij probeerde het niet. David moet zich wel heel zeker hebben gevoeld van zijn populariteit en zijn bezittingen en zijn militaire kracht, dat hij zich zelfs aan zo'n risico blootstelde door Mefiboseth deze voorrechten te geven.
Mefiboseths verlamming en Ziba's beschuldiging #
11En Ziba zei tegen de koning: Overeenkomstig alles wat mijn heer de koning zijn dienaar gebiedt, zo zal uw dienaar doen; Mefiboseth zal aan mijn tafel eten als een van de zonen van de koning. 12Mefiboseth had een jonge zoon van wie de naam Micha was. Allen die in het huis van Ziba woonden, waren dienaren van Mefiboseth. 13Zo woonde Mefiboseth in Jeruzalem, omdat hij voortdurend aan de tafel van de koning at. Hij was kreupel aan zijn beide voeten.
Nu is ons al vaak verteld dat hij aan beide voeten kreupel was. Eerder, toen we voor het eerst met hem kennismaakten, werd ons verteld hoe dat kwam. Toen Saul en Jonathan in de strijd waren gedood, was Mefiboseth nog maar vijf jaar oud. De vrouw die voor hem zorgde, zijn verzorgster, pakte hem op en probeerde naar een veilige plek te rennen. Ze struikelde en viel. Blijkbaar moet hij zijn enkels hebben gebroken of zoiets, en die zijn misschien niet goed genezen. Door dat ongeluk was hij dus zijn hele leven kreupel. Maar de reden om dat telkens te vermelden is ook dat het een rol gaat spelen bij de vraag of hij later ontrouw was aan David.
Op een later tijdstip, zoals ik al zei, toen David vanwege Absalom de stad moest ontvluchten, ging Mefiboseth niet met hem mee. Toen David Ziba ontmoette, zei hij:
Waarom is je meester Mefiboseth niet met je meegekomen?
Hij zei:
Toen zei de koning: En waar is de zoon van uw heer? Ziba zei tegen de koning: Zie, hij blijft in Jeruzalem, want hij zei: Vandaag zal het huis van Israël het koninkrijk van mijn vader aan mij teruggeven.
Dat zei Ziba.
Maar toen David in vrede terugkwam nadat Absalom was verslagen, ontmoette David Mefiboseth en zei:
Waarom ben je niet naar buiten gekomen?
Mefiboseth zei:
26En hij zei: Mijn heer koning, mijn dienaar heeft mij bedrogen, want uw dienaar zei: Ik zal een ezel voor mij zadelen, en daarop rijden en naar de koning trekken; uw dienaar is immers kreupel. 27Bovendien heeft hij uw dienaar bij mijn heer de koning belasterd. Mijn heer de koning is echter als een engel van God; doe maar wat goed is in uw ogen.
Dus het feit dat er vaak wordt gezegd dat hij aan zijn voeten kreupel was, werd bij die latere gelegenheid als het ware zijn alibi, zijn excuus. Dat is, denk ik, het laatste wat we ooit over hem horen, in dat latere verslag. Zijn kreupelheid speelt een belangrijke rol in het verhaal, en daarom wordt die herhaaldelijk vermeld.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als 2 Samuel 7:18 - 9:13. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/2-samuel/7-18-9-13
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/2-samuel/7-18-9-13.pdf?v=4555da043819
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 2 Samuel - Lezing 05 - 7.18-9.13.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/2-samuel/7-18-9-13.mp3?v=7cdd3a3c8d18
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 2 Samuel - Lezing 05 - 7.18-9.13.mp3
2 Samuel
Alle lezingen over 2 Samuel. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 1-2 David rouwt en Israël krijgt twee koningen
- 2 3 Abner kiest voor David, Joab doodt hem
- 3 4-6 David wordt koning over heel Israël
- 4 7:1-17 God belooft David een blijvend koningshuis
- 5 7:18-9:13 Salomo en Jezus bouwen een huis voor God
- 6 10-12 David neemt Bathseba en laat Uria doden
- 7 13-14 Amnon verkracht Tamar, Absalom neemt wraak
- 8 15-16 Absalom grijpt de macht, David vlucht
- 9 17-19 Absalom sterft, David rouwt en keert terug
- 10 20-22 Sauls moord op Gibeonieten brengt honger
- 11 23-24 Davids helden en de plaag na de telling
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/2-samuel/7-18-9-13.srt?v=320b5f601f44
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 2 Samuel - Lezing 05 - 7.18-9.13.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/2-samuel/7-18-9-13.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- 2 Samuel 7:3
- 2 Samuel 7:5-7
- 2 Samuel 7:11
- 2 Samuel 7:12-13
- 2 Samuel 7:16
- Johannes 2:19
- Johannes 2:21
- Johannes 1:14
- Mattheüs 16:18
- 1 Timotheüs 3:15
- Hebreeën 3:6
- 1 Korinthe 3:16
- Efeze 5:30
- 1 Petrus 2:5
- Johannes 16:7
- Johannes 14:2
- Johannes 14:23
- 2 Samuel 7:14
- 2 Samuel 7:17
- 1 Kronieken 22:7-9
- Romeinen 12:19
- Romeinen 13:4
- 1 Kronieken 22:8
- 2 Samuel 7:18
- 2 Samuel 7:18-19
- 2 Samuel 7:20-24
- 2 Samuel 7:25-29
- 2 Samuel 8:1
- 2 Samuel 8:2
- 2 Samuel 8:3
- 2 Samuel 8:4
- 2 Samuel 8:5
- 2 Samuel 8:6
- 2 Samuel 8:7
- 2 Samuel 8:8
- 2 Samuel 8:9-10
- 2 Samuel 8:11
- 2 Samuel 8:12
- 2 Samuel 8:13-14
- Genesis 25:23
- 2 Samuel 8:14
- 2 Samuel 8:15-17
- 2 Samuel 8:18
- 1 Kronieken 18:17
- 2 Samuel 9:1
- 2 Samuel 9:2-3
- Mattheüs 2:8
- 2 Samuel 9:4
- 2 Samuel 9:6
- 2 Samuel 9:7-10
- 2 Samuel 9:11-13
- 2 Samuel 16:3
- 2 Samuel 19:26-27