Richteren 8-9
Abimelech doodt zijn broers en wordt koning
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/richteren/8-9.pdf?v=092c74c4b2ab. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/richteren/8-9.
Samenvatting
Gideons laatste jaren en Abimelechs gewelddadige greep naar het koningschap.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt hoe Gideon de Midianieten verslaat en het koningschap afwijst, maar met zijn efod Israël tot afgoderij brengt. Vervolgens behandelt hij hoe Abimelech met steun van Sichem zijn broers vermoordt en zichzelf koning laat maken. Aan de hand van Jothams bomenfabel betoogt hij dat Israël God al als Koning heeft en trekt hij een parallel met de gemeente, waar begaafde mensen dienen zonder over Gods volk te heersen. Hij laat zien hoe God door een boze geest verdeeldheid brengt tussen Abimelech en Sichem, waardoor beide partijen hun kwaad vergolden krijgen en Jothams vloek uitkomt.
Gideon en de verwijten van Efraïm #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Richteren 8 en 9.
In Richteren hoofdstuk 8 krijgen we de afsluiting van het verhaal van Gideon. In hoofdstuk 6 en 7 werd hij geroepen en kreeg hij veel tekenen, veel bewijzen dat God met hem was. Daarna werd hem gevraagd om werkelijk op God te vertrouwen door een overweldigend grote, onderdrukkende bezettingsmacht van Midianieten aan te vallen met zelf maar een heel klein groepje soldaten, slechts 300. Maar toen God bij de eerste aanval eenmaal verwarring onder de vijand begon te stichten en Gideon de overwinning begon te geven, sloten anderen uit de overige stammen zich bij hem aan, vooral uit Naftali, Aser en Manasse. Zijn eigen stam was Manasse.
Hij kreeg dus wel hulp naast die 300, maar hij en zijn 300 waren nog steeds met één ding bezig. Ik denk dat de Midianieten zich opsplitsten en verschillende kanten op gingen. De Manassieten en de mensen van Aser en Naftali achtervolgden dus de ene groep, en Gideon achtervolgde blijkbaar een andere groep met zijn 300 mannen.
Blijkbaar kwam hij tijdens zijn achtervolging mannen uit de stam Efraïm tegen die nog niet bij deze strijd betrokken waren geweest. De mannen van Efraïm zeiden in hoofdstuk 8 tegen hem:
Toen zeiden de mannen van Efraïm tegen hem: Wat is dit wat u ons hebt aangedaan, dat u ons niet hebt geroepen toen u tegen Midian ging strijden? En zij kregen grote onenigheid met hem.
En ze maakten hem scherpe verwijten. Daarop zei hij tegen hen:
2Hij daarentegen zei tegen hen: Wat heb ik nu gedaan vergeleken met u? Is de nalezing van Efraïm niet beter dan de wijnoogst van Abiëzer? 3God heeft de vorsten van Midian, Oreb en Zeëb, in uw hand gegeven. Wat heb ik dan kunnen doen vergeleken met u? Toen hij dit gezegd had, bedaarde hun woede tegen hem.
Toen hij dat zei, zakte hun woede tegenover hem.
Hij had hen pas later opgeroepen om degenen gevangen te nemen die de Jordaan probeerden over te steken om te ontsnappen. Ze hadden twee van de Midianitische leiders gevangengenomen, Oreb en Zeëb. De Efraïmieten hadden hen gedood, maar ze waren nog steeds ontstemd dat ze niet eerder waren opgeroepen, dat Gideon hiermee was begonnen zonder hen in te lichten of hen erbij te betrekken.
Er waren heel wat stammen die hij niet had ingelicht of erbij had betrokken. Het was niet op zijn gezag dat werd bepaald wie er mee zou gaan. Veel van de mensen die aanvankelijk kwamen, stuurde hij naar huis. Het was onredelijk dat de Efraïmieten zo protesteerden. Het is mogelijk dat het een soort gespeeld protest was, waarbij ze eigenlijk zeiden: ‘O, we hadden graag meegedaan’, en een beetje verontwaardiging toonden die misschien niet echt was. Dat is moeilijk te zeggen.
Of misschien dachten ze werkelijk: ‘Je hebt ons hier buiten gehouden. Wij zijn jullie broedervolk. Jij behoort tot de stam Manasse; wij zijn Efraïm. Je had ons er als eersten bij moeten betrekken. Waarom mochten Aser en Naftali eerder meedoen dan wij?’ Alsof ze de eer wilden hebben. Niet dat de mensen van Efraïm zich daarvoor ooit vrijwillig hadden aangeboden om de Midianieten aan te vallen. Ze wilden een aandeel in de strijd, maar ze hadden zelf nooit echt enig leiderschap getoond. Maar ze kregen wel het voorrecht om Oreb en Zeëb gevangen te nemen. Hij zegt eigenlijk dat God hun die eer heeft gegeven.
Wat hij in vers 2 zei, is:
Zijn de druiven die na de oogst in Efraïm overblijven niet beter dan de hele oogst van Abiëzer?
De nalezing is natuurlijk wat er overblijft nadat de druivenoogst in het algemeen is binnengehaald. Er zijn nog maar een paar trossen over. Hij zegt dat ze in Efraïm zijn eigen woonplaats zo ver overtreffen dat de nalezing van Efraïm beter is dan de eigenlijke druivenoogst van zijn plaats. Het zou een opmerking kunnen zijn waarmee hij zichzelf kleiner maakt en zegt: ‘Jullie zijn zoveel groter dan wij. Jullie hebben niets te klagen. Jullie worden hoe dan ook niet klein gehouden. Er spreekt meer in jullie voordeel dan in het mijne.’
Maar het is niet echt duidelijk wat zijn uitspraak in dat verband betekende, behalve dat hij misschien zegt: ‘Jullie hebben eigenlijk meer bereikt dan ik.’ Dat zou zijn manier kunnen zijn om dat te zeggen. ‘Jullie hebben Oreb en Zeëb gevangengenomen. God heeft hen in jullie handen gegeven, niet in de mijne. Wees daarom tevreden met de eer van dat voorrecht.’
Vers 4:
Sukkoth en Pnuel weigeren Gideon hulp #
4Toen Gideon bij de Jordaan gekomen was, stak hij over, samen met de driehonderd mannen die bij hem waren. En hoewel moe, bleven zij achtervolgen. 5En hij zei tegen de mensen van Sukkoth: Geef toch enkele ronde broden aan het volk dat mijn voetstappen volgt, want zij zijn moe, en ik achtervolg Zebah en Zalmuna, de koningen van Midian.
Oreb en Zeëb waren dus uitgeschakeld, maar deze twee heersers waren nog op de vlucht.
Maar de vorsten van Sukkoth zeiden: Hebt u Zebah en Zalmuna dan al in handen, dat wij uw leger brood zouden geven?
Met andere woorden, je hebt hen nog niet echt overwonnen. Wat als ze zich tegen je keren, je verslaan en te weten komen dat wij je hebben geholpen? Dan zullen ze ons straffen. We willen in deze zaak nog niet jouw kant kiezen, want we moeten de huid niet verkopen voordat de beer geschoten is. We weten nog niet of je deze strijd gaat winnen. Dus we willen niet het risico nemen om jouw kant te kiezen door je troepen weer op krachten te laten komen, enzovoort. Zo reageerden ze.
7Toen zei Gideon: Daarom zal ik, wanneer de HEERE Zebah en Zalmuna in mijn hand geeft, uw lichamen dorsen met woestijndorens en met distels. 8En vandaar trok hij op naar Pnuel en sprak tot hen op dezelfde manier. Maar de mensen van Pnuel antwoordden hem, zoals de mensen van Sukkoth geantwoord hadden. 9Daarom zei hij ook tegen de mensen van Pnuel: Als ik in vrede terugkom, zal ik deze toren afbreken.
Dus deze Israëlieten, die de strijd hadden moeten steunen, stonden óf onverschillig tegenover de belangen van Israël, óf ze waren bang. Ze geloofden niet dat deze oorlog voor Israël goed kon aflopen. Daarom wilden ze geen partij kiezen en zich de woede van de Midianieten op de hals halen. Met andere woorden, ze hielpen hun eigen landgenoten niet toen die voorraden nodig hadden, en dat was een strafbaar vergrijp.
Nu waren Zebah en Zalmuna in Karkor, en hun legers met hen: ongeveer vijftienduizend man. Dit waren allen die overgebleven waren van heel het leger van de mensen van het oosten. De gevallenen waren honderdtwintigduizend mannen die het zwaard konden hanteren.
Hij had er dus nog 15.000 over. Er waren er 120.000 gesneuveld, dus het waren er minstens 135.000 geweest. Misschien waren er in die andere groep die op de vlucht was nog mensen in leven. Dus meer dan 135.000 Midianieten tegenover 300.
Gideon trok verder langs de weg van hen die in tenten wonen, ten oosten van Nobah en Jogbeha. En hij versloeg het legerkamp, terwijl het legerkamp dacht dat het veilig was.
Blijkbaar hadden Zebah en Zalmuna gedacht dat ze veilig de Jordaan over waren en dat ze daar niet achtervolgd zouden worden. Ze hadden dus hun wapenrusting uitgedaan en zaten ontspannen in het kamp. Ze voelden zich veilig, maar werden overvallen door Gideon en zijn 300 man.
Gideon straft Sukkoth en Pnuel #
12En Zebah en Zalmuna vluchtten. Hij achtervolgde hen echter, nam de beide koningen van Midian, Zebah en Zalmuna, gevangen en joeg heel het leger schrik aan. 13Toen Gideon, de zoon van Joas, terugkwam van de strijd via de pas bij Heres, 14nam hij een jongen van de mensen van Sukkoth gevangen en ondervroeg hem. Die schreef de vorsten van Sukkoth voor hem op, alsook hun oudsten: zevenenzeventig mannen.
Dit waren de mannen die gestraft zouden moeten worden omdat ze hen niet hadden geholpen, nu de strijd voorbij was. Hij vond een inwoner, een jongeman die kon schrijven. Dat laat zien dat kunnen lezen en schrijven in dit vroege stadium blijkbaar vrij gebruikelijk was. Van deze jongeman werd niet gezegd dat hij speciaal een schrijver of een geleerde was. Hij was gewoon een jongeman uit de stad, en hij kon schrijven. Dat vinden wij misschien vanzelfsprekend. Maar in de geschiedenis zijn hele samenlevingen vaak analfabeet geweest. De Joden hadden hun kinderen blijkbaar leren lezen en er grotendeels voor gezorgd dat ze konden blijven lezen en schrijven, want deze jongeman kon schrijven. Dat was vers 14.
15Toen kwam hij bij de mensen van Sukkoth en zei: Zie, Zebah en Zalmuna, om wie u mij gehoond hebt door te zeggen: Hebt u Zebah en Zalmuna dan al in handen, dat wij uw vermoeide mannen brood zouden geven? 16En hij nam de oudsten van die stad en ook woestijndorens en distels, en daarmee liet hij het de mensen van Sukkoth weten.
Hij leerde hun een lesje.
En de toren van Pnuel brak hij af en hij doodde de mensen van de stad.
Dus nu hij de overwinning heeft behaald, koelt hij zijn woede op degenen die eigenlijk verraders waren. Israël is hier in oorlog met zijn vijanden, en deze mensen uit Israël willen geen partij kiezen voor Israël. Daarmee kiezen ze in feite de kant van de vijand. Ze zijn dus verraders van hun land, en daarvoor worden ze ter dood gebracht.
Gideon wreekt zijn broers op de koningen #
18Daarna zei hij tegen Zebah en Zalmuna: Wat waren het voor mannen die u op de Tabor doodde? En zij zeiden: Zij waren zoals u, één in gestalte, als koningszonen. 19Toen zei hij: Het waren mijn broers, zonen van mijn moeder. Zo waar de HEERE leeft, als u hen had laten leven, zou ik u niet doden! 20En hij zei tegen Jether, zijn eerstgeborene: Sta op, dood hen! Maar de jongen trok zijn zwaard niet, omdat hij bang was. Hij was immers nog maar een jongen. 21Toen zeiden Zebah en Zalmuna: Staat u zelf op en steek ons dood, want zoals de man is, zo is zijn kracht. Daarom stond Gideon op, doodde Zebah en Zalmuna, en nam de maantjes die om de halzen van hun kamelen hingen.
Blijkbaar had er vóór deze strijd een soort slachting plaatsgevonden waarover ons nog niet eerder was verteld. Deze twee koningen van de Midianieten hadden daaraan deelgenomen, bij Tabor. Gideon had daar zijn broers verloren. Het was waarschijnlijk gewoon een van die zinloze rooftochten van de Midianieten. Ze waren door deze stad getrokken en hadden willekeurig mensen afgeslacht. Gideons broers waren daar omgekomen. Voordat hij deze twee koningen doodde, wilde hij er dus zeker van zijn dat zij daarvoor verantwoordelijk waren.
Hij zei:
Nou, beschrijf de mensen die jullie bij Tabor hebben gedood eens.
Hij zei:
Nou, ze leken veel op jou.
Hij zei:
Nou, dat is logisch. Het waren mijn broers. Als jullie hen niet hadden gedood, zou ik jullie laten gaan, maar dat ga ik nu niet doen.
Dus doodde hij hen om het bloed van zijn broers te wreken.
Vers 22:
Midianieten en Ismaëlieten #
22Toen zeiden de mannen van Israël tegen Gideon: Heers over ons, u zowel als uw zoon en uw kleinzoon, want u hebt ons uit de hand van Midian verlost. 23Maar Gideon zei tegen hen: Ík zal niet over u heersen en ook mijn zoon zal niet over u heersen: de HEERE zal over u heersen. 24Verder zei Gideon tegen hen: Ik wil u een verzoek doen: laat ieder mij een ring uit zijn buit geven. (Zij hadden namelijk gouden ringen, want zij waren Ismaëlieten.)
Dat wil zeggen, Ismaëlieten is blijkbaar een verzamelnaam voor verschillende volken, waaronder de Midianieten. De Midianieten behoorden tot degenen die Ismaëlieten waren. En Ismaëlieten droegen blijkbaar allemaal gouden ringen, dus de Midianieten ook. Dit is een belangrijke opmerking, want in het verhaal van Jozef in Genesis, hoofdstuk 37 en 39, wordt hij meegenomen en verkocht aan bedoeïenenhandelaren die hem naar Egypte brengen en hem als slaaf verkopen. Die handelaren aan wie zijn broers hem verkochten, worden soms Ismaëlieten en soms Midianieten genoemd. Sommigen hebben dat zelfs beschouwd als bewijs van een tegenstrijdigheid in de Schrift. Laat me je dit laten zien. Het is heel gemakkelijk te illustreren.
Genesis 37:36 zegt:
De Midianieten verkochten hem in Egypte aan Potifar, een hoveling van de farao en het hoofd van de lijfwacht.
Het waren dus de Midianieten die Jozef verkochten. Maar kijk eens naar hoofdstuk 39, vers 1. Het verhaal is in hoofdstuk 38 onderbroken en keert in hoofdstuk 39, vers 1 terug naar hetzelfde verhaal:
Jozef was dus naar Egypte gebracht. Potifar, hoveling van de farao, het hoofd van de lijfwacht, een Egyptische man, kocht hem uit de hand van de Ismaëlieten, die hem daarheen gebracht hadden.
Het ene vers zegt dus dat het Midianieten waren; een ander vers zegt dat het Ismaëlieten waren. Nu waren Midian en Ismaël niet dezelfde man, en ze behoorden zelfs niet tot dezelfde afstammingslijn. Zowel Ismaël als Midian stamden van Abraham af, maar via verschillende lijnen: Ismaël via Hagar en Midian via Ketura, de verschillende vrouwen van Abraham. En toch was de term Ismaëliet op een zeker moment een ruimere term geworden. Niet alleen een aanduiding van afkomst, maar misschien iets als ons huidige woord Arabier.
Wanneer we zeggen dat iemand een Arabier is, zeggen we niet alleen dat hij uit Arabië komt. Hij kan uit Syrië of Libanon komen. Hij kan uit Irak komen. Hij kan uit allerlei landen komen — Jordanië bijvoorbeeld. Het kunnen Arabieren zijn, omdat het woord Arabier strikt genomen niet de naam is voor één etnische groep, maar voor een hele groep etnische groepen. En zo moet het woord Ismaëliet ook zijn geweest, want de Midianieten waren maar één volk, maar in Richteren wordt ons verteld dat ze ook Ismaëlieten waren. En daarom wordt er gezegd dat ze gouden ringen hadden, omdat Ismaëlieten allemaal gouden ringen droegen.
Dus hij zei:
Geef me de gouden ringen uit jullie buit.
Gideons rijkdom en geweigerde koningschap #
Het gewicht van de gouden oorringen waar hij om vroeg, vers 26, was 1700 sikkel goud. Ik ben vergeten hoeveel dat is. Ik denk dat het ongeveer 50 pond goud is. En de waarde van goud wordt gewoonlijk per ounce bepaald, niet per pond. Tegenwoordig kost goud ongeveer 1500 dollar per ounce. Er zitten dus zestien ounce in een pond. Ik kan het niet uitrekenen, maar dat is een heleboel geld per pond. En hij had ongeveer 50 pond goud, dus hij zou een rijk man zijn.
En dit zou niet ten koste gaan van een van de Israëlieten, maar van de Midianieten. De Israëlieten stonden niets van hun eigen geld af. Dit is de buit die ze hadden meegenomen. Het was dus niet iets wat hun iets zou kosten om hem rijk te maken. En hij kreeg ook:
Het gewicht van de gouden ringen, waar hij om gevraagd had, was zeventienhonderd sikkel goud, naast de maantjes, oorhangers en purperen kleding die de koningen van Midian gedragen hadden, en naast de kettingen om de halzen van hun kamelen.
Hij kreeg dus heel wat dingen. Hij werd rijk door zijn inspanningen.
Nu weigerde hij zich koning te laten maken, omdat hij wist dat Israël geen koning hoorde te hebben. Ze zeiden:
22Toen zeiden de mannen van Israël tegen Gideon: Heers over ons, u zowel als uw zoon en uw kleinzoon, want u hebt ons uit de hand van Midian verlost. 23Maar Gideon zei tegen hen: Ík zal niet over u heersen en ook mijn zoon zal niet over u heersen: de HEERE zal over u heersen. 24Verder zei Gideon tegen hen: Ik wil u een verzoek doen: laat ieder mij een ring uit zijn buit geven. (Zij hadden namelijk gouden ringen, want zij waren Ismaëlieten.)
wat eenvoudig betekende: ‘We zullen een erfelijke monarchie instellen met jou als hoofd van de dynastie. Voortaan zal Israël koningen hebben in plaats van richters, en de koningen zullen jouw nakomelingen zijn.’
Gideon wist dat dit niet gepast was, en daarom weigerde hij het. En hij zei zelfs:
Mijn zoon zal niet over jullie heersen.
Zijn zoon dacht daar eigenlijk anders over. Abimelech, zijn zoon, heeft zich inderdaad het gezag toegeëigend en een tijdlang over hen geregeerd. Maar Gideon wilde die positie niet aanvaarden. Geld nam hij wel aan. Hij liep niet zomaar weg met de woorden: ‘Ik heb dit voor niets gedaan.’ Hij nam enige vergoeding aan voor de risico’s die hij had genomen.
En er staat in vers 27:
Gideons efod en Israëls terugval #
Gideon maakte daar een efod van en stelde die op in zijn stad, in Ofra. En heel Israël ging er als in hoererij achteraan, zodat het voor Gideon en zijn huis tot een valstrik werd.
Dit werd beslist niet allemaal tot een efod gemaakt, maar van de materialen die hem waren gegeven, maakte hij een efod. Dat was een onderdeel van de priesterkleding.
Nu is het niet echt duidelijk hoe we dat moeten begrijpen.
Dat heel Israël er als in hoererij achteraan ging, betekent dat ze er afgoderij mee bedreven. Ik weet niet of hij de efod droeg en zichzelf tot priester uitriep, en zij hem aanbaden, of dat hij de efod alleen maar ergens had tentoongesteld en zij die aanbaden. Het wordt niet uitgelegd, maar het bleek een compromis van Gideons kant te zijn en niet goed voor zijn huis. Met zijn huis liep het in het volgende hoofdstuk zelfs heel slecht af.
Zo werd Midian vernederd voor de Israëlieten, en zij hieven hun hoofd niet meer op. En het land had rust in de dagen van Gideon, veertig jaar lang.
Midian kwam nooit meer terug om dit opnieuw te doen.
En Jerubbaäl, de zoon van Joas, ging weg en woonde weer in zijn huis.
Dat is, zoals je je herinnert, Gideon.
30Nu had Gideon zeventig zonen, die van hem afstamden, want hij had veel vrouwen. 31En zijn bijvrouw, die in Sichem woonde, baarde hem ook een zoon. En hij gaf hem de naam Abimelech.
Nu is het niet duidelijk waarom hij hem Abimelech noemde, want Abimelech betekent vader koning. En Abimelech had het beslist in zijn hoofd om koning over het volk te worden. Sommige geleerden zeggen dat dit niet zijn oorspronkelijke naam was, maar de naam die Abimelech zichzelf gaf. Maar hier staat dat Gideon hem zo noemde. En hij was niet eens een van zijn zonen die uit een van zijn vrouwen geboren waren, maar uit een bijvrouw. Maar hij moet een voorkeur voor hem hebben gehad.
32Gideon, de zoon van Joas, stierf in goede ouderdom en werd begraven in het graf van zijn vader Joas, de Abiëzriet, in Ofra. 33Maar het gebeurde, toen Gideon gestorven was, dat de Israëlieten zich afkeerden en als in hoererij achter de Baäls aan gingen. En zij maakten voor zich Baäl-Berith tot een god. 34En de Israëlieten dachten niet meer aan de HEERE, hun God, Die hen gered had uit de hand van al hun vijanden van rondom. 35En zij bewezen het huis van Jerubbaäl — dat is Gideon — geen goedertierenheid voor al het goede dat hij voor Israël had gedaan.
Dus ze vergaten God en ze vergaten Gideon. Heel ondankbare mensen, heel vergeetachtig, die heel snel afdwalen zodra ze aan niemand verantwoording hoeven af te leggen. Als de kat van huis is, dansen de muizen op tafel. En Gideon was tijdens zijn leven de kat, maar toen hij stierf, zodra hij dood was, dwaalden ze weer af.
Abimelech zoekt steun bij Sichem #
En dan krijgen we in hoofdstuk 9 de loopbaan van zijn zoon Abimelech en de gruweldaden die hij beging. Hij was een afschuwelijke kerel. En het is prettig om te lezen dat hij afschuwelijk aan zijn einde komt, na de vele mensen die hij doodt. Maar de familie van Gideon was de vooraanstaande familie. Gideon was op dat moment beroemd. Mensen bedreven hoererij doordat ze de efod aanbaden die hij in zijn huis had gemaakt, en hij was een soort centrale figuur in het land. Zijn zoon zou de aangewezen persoon zijn om zichzelf als opvolger van Gideon naar voren te schuiven, hoewel Gideon had gezegd dat hij niet wilde dat dit gebeurde. En hij geloofde dat een aardse koning in strijd zou zijn met Israëls positie als theocratie. Abimelech trok zich daar helemaal niets van aan.
1En Abimelech, de zoon van Jerubbaäl, ging naar Sichem, naar de broers van zijn moeder, en hij sprak tot hen en tot heel het geslacht van de familie van zijn moeder: 2Spreek toch ten aanhoren van alle burgers van Sichem: Wat is beter voor u? Dat zeventig mannen, allemaal zonen van Jerubbaäl, over u heersen, of dat één man over u heerst? Bedenk daarbij dat ik uw beenderen en uw vlees ben.
Sichem is dus de plaats waar de bijvrouw vandaan kwam. Dat wordt ons verteld in hoofdstuk 8, vers 31. Abimelechs moeder, de bijvrouw, kwam daarvandaan. En dus had ze broers en familie in Sichem. En hij besloot dat hij mensen nodig had die hem zouden steunen bij zijn poging om heerser te worden. Dus ging hij vanzelfsprekend naar de mensen die bloedverwanten van hem waren. En hij voerde aan dat ze hem tot heerser konden maken, of anders opgescheept zouden zitten met de 70 zonen van Gideon als hun heersers.
Maar dat staat helemaal niet vast. Waarom zouden de 70 zonen van Gideon heersers worden? Gideon was geen koning, en er is geen duidelijke reden waarom zijn 70 zonen hem zouden opvolgen. Maar kennelijk hebben de zonen van Gideon hem misschien willen opvolgen, en was Abimelech misschien niet de enige. Hij wist misschien dat de 70 zonen plannen beraamden om machtig te worden nu hun vader er niet meer was. En hij besloot dat hij mensen aan zijn kant zou krijgen om hen uit de weg te ruimen.
Toen spraken de broers van zijn moeder ten aanhoren van alle burgers van Sichem al deze woorden over hem. En hun hart neigde zich naar Abimelech, want zij zeiden: Hij is onze broeder.
Hij is de enige van Gideons zonen die met hen verwant was, omdat zijn moeder familie van hen was. Dus de mensen van Sichem dachten: ‘Nou, hij is met ons verbonden. Als hij koning is, krijgen we bijzondere voorrechten, omdat we familie van hem zijn. En het zou slecht voor ons zijn als die andere zonen van Gideon, die geen familie van ons zijn, koningen werden.’ Dus besloten ze hun lot aan het zijne te verbinden.
Broedermoord en Abimelechs koningschap #
4Zij gaven hem zeventig zilverstukken uit het huis van Baäl-Berith, en daarmee huurde Abimelech lichtzinnige leeglopers in, die hem volgden. 5Toen kwam hij in het huis van zijn vader in Ofra en doodde zijn broers, de zonen van Jerubbaäl, op één en dezelfde steen: zeventig mannen. Maar Jotham, de jongste zoon van Jerubbaäl, bleef over, omdat hij zich had verborgen.
We weten dus niet precies hoe de mannen die hij had ingehuurd deze zeventig zonen in hun macht kregen. Of hij ze allemaal op één plek gevangennam, of naar elk van hun huizen afzonderlijk ging en hen arresteerde, of hoe het ging. Hij had zeventig sikkels om schurken in te huren. Misschien heeft hij zeventig schurken ingehuurd en ieder van hen één sikkel gegeven. Als dat zo was, was er zelfs dan maar één man per zoon van Gideon. Je zou denken dat Gideons zonen zich zouden hebben verzet, in plaats van zomaar hun nek op het hakblok te leggen en zich te laten onthoofden. Tenzij ze lui waren geworden en aan weelde gewend waren geraakt. Gideon was na die veldslag een rijk man. Misschien heeft hij verwende, verwijfde zonen grootgebracht die niet wisten hoe ze moesten vechten, niet wisten hoe ze zich moesten verdedigen en daar zelfs de moed niet voor hadden. En zo gingen ze gemakkelijk ten onder.
Hoe dan ook, Abimelech handelde niet alleen. Hij had een aantal ingehuurde rovers die met hem meegingen. En hij doodde al zijn broers op één na, die wist te ontkomen: de jongste zoon, die Jotham heette. Hij had zich verstopt.
Daarop verzamelden zich alle burgers van Sichem en heel Beth-Millo. Zij gingen op weg en maakten Abimelech koning bij de hoge eik die bij Sichem staat.
Dat was kennelijk een vesting in Sichem of daar in de buurt.
Natuurlijk was dit niet iets waaraan heel Israël zich zou moeten houden. Dit was één stad die zei: ‘Wij gaan onze broer als koning erkennen.’ Hij heeft al zijn eigen broers gedood, dus geen van hen kan hem uitdagen. Niet dat een van hen zichzelf hoe dan ook rechtmatig koning had kunnen maken, maar als hij dat kon, konden zij dat ook. Hij had er evenveel recht op als zij, en zij evenveel als hij. Dus ruimde hij iedereen uit de weg die op grond van dezelfde voorrechten als hijzelf aanspraak zou kunnen maken, en kreeg hij deze ene stad zover dat ze hem tot koning uitriepen.
Zoals wel vaker waren de volken van de stammen van Israël net lemmingen. Ze volgden gewoon. Als een bevrijder op de bazuin blies, kwamen ze opdagen. Ze hoefden er niet eens een reden voor te hebben. Misschien was het leven saai en wilden ze gewoon wat actie of zo. Iemand blaast op de bazuin: ‘Laten we gaan kijken wat er aan de hand is. Laten we gaan vechten.’ Ook hier roept één groep deze man uit tot koning over deze stad, en het lijkt erop dat andere stammen dat gewoon respecteerden. Ze erkenden dat. Of misschien ook niet. Misschien was het alleen iets plaatselijks, in die streek. We weten niet precies hoe ver zijn erkenning reikte, maar in die streek werd hij voldoende erkend om echt een tiran te zijn. De mannen van Sichem stonden kennelijk achter hem. Misschien was er in dat gebied geen gezamenlijk verzet tegen hem dat sterk genoeg was om hem echt uit te dagen. Dus maakten ze hem daar koning.
Vers 7:
Jothams fabel van de bomen #
7Toen zij dit Jotham verteld hadden, ging hij op de top van de berg Gerizim staan, en hij verhief zijn stem en riep en zei tegen hen: Luister naar mij, burgers van Sichem! Dan zal God naar u luisteren. 8Eens gingen de bomen op weg om een koning over zich te zalven. Ze zeiden tegen de olijfboom: Wees koning over ons! 9Maar de olijfboom zei tegen hen: Zou ik mijn olie opgeven, die God en de mensen in mij prijzen, en zou ik weggaan om boven de andere bomen te zweven? 10Toen zeiden de bomen tegen de vijgenboom: Komt u, wees koning over ons! 11Maar de vijgenboom zei tegen hen: Zou ik mijn zoetigheid en mijn goede vrucht opgeven, en zou ik weggaan om boven de andere bomen te zweven? 12Toen zeiden de bomen tegen de wijnstok: Komt u, wees koning over ons! 13Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de andere bomen te zweven? 14Ten slotte zeiden al de bomen tegen de doornstruik: Kom, weest u koning over ons! 15En de doornstruik zei tegen de bomen: Als u mij naar waarheid tot koning over u zalft, kom dan en neem de toevlucht in mijn schaduw. Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan van de doornstruik, dat de ceders van de Libanon zal verteren.
Nu gaat hij zijn gelijkenis als het ware uitleggen. Dit is eigenlijk meer een fabel dan een gelijkenis. Er is een klein verschil, want een gelijkenis is een verhaal dat werkelijk overeenkomt met het echte leven. Dat bomen met elkaar praten, komt niet overeen met het echte leven. Het lijkt meer op de fabels van Aesopus. Een fabel is een verhaal waarin onnatuurlijke, onrealistische dingen gebeuren, maar het dient hetzelfde doel als een gelijkenis. Het stelt iets anders voor en het verduidelijkt een gedachte.
De gedachte hier is dat wijnstokken druiven voortbrengen; bomen brengen vijgen en olijfolie voort. Dat zijn nuttige dingen om te doen. Waarom zouden ze iets nutteloos willen doen, zoals koning over de bomen zijn? Waarom zouden bomen een koning nodig hebben? Wat doen bomen waardoor ze een heerser over zich nodig hebben? Er is absoluut geen reden waarom bomen een koning zouden moeten hebben. Dus het is zo'n dom voorstel:
Komt u, wees koning over ons!
Niemand die een nuttige bijdrage levert, zou zijn werk opgeven om koning te worden. Het is een waardeloze positie.
Daarin ligt opgesloten dat koning van Israël zijn iets overbodigs, iets onnodigs is. Het is net zo onnodig als een koning over de bomen hebben. God regeert over de bomen, en God regeert ook over Israël. Hij is hun Koning. Dus niemand die op een andere manier iets waardevols kan bijdragen, zou een positie als koning van Israël aanvaarden.
Wat hij suggereert, is dat het feit dat Abimelech koning van Israël wil zijn, betekent dat hij nergens anders voor deugt. Hij lijkt meer op de doornstruik. Die brengt niets voort. Het is alleen maar onkruid dat het verdient verbrand te worden. Dat is het enige waar het goed voor is. Het heeft geen nuttige functie, dus zou het een positie als koning over de bomen wel kunnen aanvaarden. Het is een onnodige positie. De bomen zijn gek dat ze überhaupt een koning willen hebben. Maar de enige die die positie ooit zou aanvaarden als die hem werd aangeboden, was iemand die niets had wat voor hem pleitte. Alles wat een boom had wat voor hem pleitte, zou een argument zijn om geen koning te gaan worden. Ze zouden moeten opgeven wat ze al doen.
Wat hij zegt, is dat Israël in God al een Koning heeft. Israël redt zich prima zonder koning. Het heeft zich altijd prima gered zonder koning, net zoals bomen zich prima redden zonder een koning over zich te hebben. En toch is hier een man die koning over de bomen wil zijn en daartoe bereid is. Dat komt doordat hij even waardeloos is als een doornstruik. Hij heeft niets te bieden. En de doornstruik kan de bomen als hun koning ook geen enkele nuttige dienst bewijzen. Hij zegt dus dat de mannen van Sichem net zo dwaas denken als bomen zouden denken als ze een koning probeerden te vinden.
Gods leiding en leiders in de gemeente #
Dat zegt in sommige opzichten ook iets over de politiek binnen de gemeente. Want de Bijbel zegt in 1 Johannes hoofdstuk 2:
… u hebt het niet nodig dat iemand u onderwijst; maar zoals deze zalving u onderwijst met betrekking tot alle dingen …
Jezus zei:
Maar wanneer Die komt, de Geest van de waarheid, zal Hij u de weg wijzen in heel de waarheid, want Hij zal niet vanuit Zichzelf spreken, maar wat Hij gehoord zal hebben, zal Hij spreken, en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen.
Jezus zei:
8Maar u mag zich geen rabbi laten noemen, want Eén is uw Meester, namelijk Christus; en u bent allen broeders. 9En u mag niemand op de aarde uw vader noemen, want Eén is uw Vader, namelijk Hij Die in de hemelen is. 10En u mag niet meesters genoemd worden, want Eén is uw Meester, namelijk Christus.
Jezus heeft de dingen in de gemeente zo ingericht als het bos met zijn bomen is ingericht. Elke boom heeft zijn eigen functie, onafhankelijk van de andere. Als bos is het iets prachtigs, en in zekere zin zijn de gezamenlijke bijdragen van veel bomen in een boomgaard of bos groter dan de bijdrage van één enkele boom. Maar elke boom afzonderlijk doet zijn deel. Het is niet nodig om iemand te vinden die ze organiseert, iemand die ze in een of andere kunstmatige vorm dwingt, terwijl ze het onder Gods leiding eigenlijk al goed doen.
Mensen die werkelijk Gods volk zijn, zullen God volgen.
Immers, zovelen als er door de Geest van God geleid worden, die zijn kinderen van God.
zei Paulus. Het aantal mensen dat door de Geest van God geleid wordt, is dus hetzelfde als het aantal mensen dat zonen van God is. Als ze door de Geest van God geleid worden, waarom hebben ze dan een koning over zich nodig? Waarom hebben ze een man nodig die opstaat en over hen heerst?
Er zijn natuurlijk momenten waarop God leiders doet opstaan, leiders voor een bepaalde gelegenheid, zoals Hij dat met de richters deed. Ze doen iets wat gedaan moet worden en bewijzen het volk een dienst. Maar ze vestigen geen koninkrijk waarin mensen hen moeten gehoorzamen en waarin ze koningen worden en God in die rol vervangen. Er zijn ook begaafde mensen in de gemeente die Hij gebruikt, maar zij moeten niet de heersers over het volk van God worden. Iedereen die zou willen heersen over mensen die al afdoende door God geregeerd worden, moet wel iemand zijn die niets beters met zijn leven te doen heeft.
Ik herinner me nog dat we begonnen met onze huisgemeente in McMinnville, Oregon. Er waren ongeveer tien gezinnen. Alle mannen waren geestelijk volwassen christelijke mannen, en de vrouwen waren geestelijk volwassen christelijke vrouwen, enzovoort. Er waren gewoon geen pasbeginnende gelovigen. Ze hadden kinderen, maar ze gaven hun kinderen allemaal thuisonderwijs, dus voor dat deel zorgden ze zelf. Er hoefde gewoon geen leider van de groep te zijn, en die hadden we ook niet. Sterker nog, als iemand had gezegd: ‘Waarom stellen we hier niet een paar leiders aan?’, dan zouden we denken: ‘Nou, wie dan? Iedereen doet het prima. Waarom zouden we zomaar willekeurig twee of drie of vier mannen uitkiezen en zeggen: oké, alle anderen moeten doen wat zij zeggen?’ Wat heeft dat voor zin als iedereen God prima volgt?
En zo had het in Israël moeten zijn. Nu volgden ze God niet prima, maar God zorgde daarvoor. Als ze de verkeerde kant op gingen, liet Hij moeilijkheden ontstaan. Hij tuchtigde hen. Hij deed een leider opstaan, een verlosser. Maar Hij stelde geen monarch aan. Hij vestigde geen dynastie. Hij zette geen geïnstitutionaliseerd bestuurssysteem op. En ik denk niet dat Hij dat hoeft te doen waar Hij Koning is. En dat geldt volgens mij nu ook in het Koninkrijk van God.
Jothams vloek over Abimelech en Sichem #
Nadat hij deze gelijkenis heeft verteld over de bomen die een koning wilden, zegt hij in vers 16:
16Welnu, als u naar waarheid en in oprechtheid gehandeld hebt, toen u Abimelech koning maakte, en als u goed gehandeld hebt met Jerubbaäl en zijn huis, en als u met hem hebt gedaan overeenkomstig de verdienste van zijn handen 17— mijn vader heeft immers voor u gestreden, zijn leven gewaagd en u uit de hand van Midian gered; 18maar ú bent deze dag in opstand gekomen tegen het huis van mijn vader en hebt zijn zonen, zeventig mannen, op één en dezelfde steen gedood, en u hebt Abimelech, de zoon van zijn slavin, koning gemaakt over de burgers van Sichem, omdat hij uw broer is — 19als u dan op deze dag naar waarheid en in oprechtheid gehandeld hebt met Jerubbaäl en zijn huis, verblijd u dan over Abimelech, en laat ook hij zich verblijden over u.
En de doornstruik zei tegen de bomen: Als u mij naar waarheid tot koning over u zalft, kom dan en neem de toevlucht in mijn schaduw. Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan van de doornstruik, dat de ceders van de Libanon zal verteren.
Maar als dat niet zo is, dat wil zeggen, als jullie niet rechtvaardig gehandeld hebben,
20Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan uit Abimelech, dat de burgers van Sichem en Beth-Millo verteert, en laat er vuur uitgaan van de burgers van Sichem en Beth-Millo dat Abimelech verteert. 21Toen ging Jotham haastig op de vlucht. Hij ging naar Beër en woonde daar vanwege zijn broer Abimelech.
Er was dus blijkbaar een gebied waar Abimelech geen gezag had, waar hij buiten zijn bereik kon komen en veilig kon wonen. Dat doet vermoeden dat Abimelech niet per se werkelijk het hele land onder zijn gezag had.
God brengt verdeeldheid door een boze geest #
Toen Abimelech drie jaar over Israël geheerst had,
De mensen van Sichem hadden duidelijk geen acht geslagen op wat Jotham zei. Het Engelse woord ‘reigned’, ‘geregeerd’, geeft hier eigenlijk niet het Hebreeuwse woord weer dat voor het regeren van een koning wordt gebruikt. De HSV vertaalt hier met ‘geheerst’. Het woord dat in het Hebreeuws wordt gebruikt, betekent ‘de baas spelen over’. Nadat hij drie jaar lang de baas had gespeeld over zijn onderdanen,
zond God een boze geest tussen Abimelech en de burgers van Sichem. De burgers van Sichem handelden trouweloos tegen Abimelech,
De Engelse formulering ‘sent a spirit of ill will’ is eigenlijk een parafrase. Die klinkt alsof er misschien alleen maar een beetje kwaad bloed tussen hen ontstond. In het Hebreeuws staat dat Hij een boze geest stuurde, zoals de HSV hier ook weergeeft. Maar het gaat hier werkelijk over een boze geest. Het Griekse Oude Testament, de Septuaginta, gebruikt hier voor ‘boze geest’ hetzelfde woord dat het Nieuwe Testament gebruikt om over de demonen te spreken. God stuurde een demonische geest om dit bondgenootschap van de mensen van Sichem met Abimelech te verbreken, deze vriendschap die ze hadden.
Het idee dat God een boze geest stuurt, is voor sommigen moeilijk, maar de Bijbel maakt heel duidelijk dat Hij dat in het Oude Testament deed. Hij stuurde een boze geest tegen Saul. Hij stuurde een leugengeest in de mond van de profeten van Achab. Het Oude Testament gaat er gewoon van uit dat God soeverein is over alles, zelfs over de boze geesten. Ze staan niet aan Zijn kant. Judas stond ook niet aan Zijn kant, en Kajafas evenmin, maar ze spelen Hem in de kaart. De broers van Jozef stonden niet aan Gods kant, maar ze speelden Hem in de kaart. Dat ze Jozef naar Egypte verkochten, was iets wat God ten goede bedoelde, hoewel de broers kwaad tegen hem in de zin hadden.
De demonische machten hebben dus geen goede bedoelingen, maar ze worden gedwongen om alleen te doen wat God hun toestaat te doen. Ze worden ervan weerhouden te doen wat Hij hun belet te doen. Ze moeten dus Zijn toestemming hebben om te handelen. Ongetwijfeld wilden ze deze mensen komen kwellen, want demonen doen niets liever dan kwellen en kwaad aanrichten. God stond hun dat bij deze gelegenheid toe. Ongetwijfeld heeft Hij hun dat bij andere gelegenheden geweigerd, in andere gevallen waarover we niet lezen. Maar deze boze geest kwam van God. Hij werd door God tussen Abimelech en de mensen van Sichem gestuurd. Zij waren zijn aanhangers en zijn familieleden.
Hij begint dus in zijn koninkrijk problemen te krijgen met degenen die hem aanvankelijk aan de macht hebben geholpen. Er staat:
23zond God een boze geest tussen Abimelech en de burgers van Sichem. De burgers van Sichem handelden trouweloos tegen Abimelech, 24opdat het geweld tegen de zeventig zonen van Jerubbaäl en hun bloed zouden neerkomen op hun broer Abimelech, die hen gedood had; en op de burgers van Sichem, die hem aangemoedigd hadden om zijn broers te doden. 25De burgers van Sichem plaatsten mannen in hinderlaag tegen hem op de toppen van de bergen, en die beroofden iedereen die over de weg langs hen heen kwam. En het werd aan Abimelech verteld.
Blijkbaar besloten de mensen van Sichem op verschillende plaatsen sluipmoordenaars neer te zetten, waar ze dachten dat hij langs zou kunnen komen, in de bergpassen enzovoort. Maar ik vermoed dat hij niet zo vaak op die plaatsen kwam. Dus verveelden de sluipmoordenaars zich tijdens het wachten en beroofden ze gewoon mensen die voorbijkwamen. Toen bereikte het nieuws over die berovingen de stad, en Abimelech zei: ‘O, dan kan ik die plaatsen maar beter vermijden.’ De mannen die waren ingehuurd om hem te vermoorden, gingen zich dus vervelen of werden hebzuchtig en besloten zomaar mensen te gaan beroven. Hij werd ervoor gewaarschuwd, dus ging hij daar niet heen. Dat complot tegen hem mislukte.
Gaäl en het wijnfeest in Sichem #
Nu kwam Gaäl, de zoon van Ebed, over wie we heel weinig weten behalve dat hij de zoon van Ebed is,
Gaäl, de zoon van Ebed, kwam ook met zijn broeders, en zij kwamen over naar Sichem. En de burgers van Sichem vertrouwden op hem.
Blijkbaar waren deze Gaäl en zijn broers een bende bandietenachtige figuren, en de mensen van Sichem vertrouwden erop dat hij een einde aan Abimelech zou maken. Ik weet niet of ze hem betaalden om dat te doen, of hem onderdak gaven op de belofte dat hij met Abimelech zou afrekenen. We zien wel dat hij werkelijk een plan had om Abimelech ten val te brengen. Dat kwam waarschijnlijk doordat de mensen van Sichem hem ofwel hadden ingehuurd, ofwel het gewoon eens waren met zijn beweegredenen en hem daarin steunden. Ze stelden hun vertrouwen in hem als degene die Abimelech uit de weg zou ruimen.
Abimelech moet een lijfwacht of iets dergelijks hebben gehad, want het zou niet moeilijk moeten zijn om één man als koning uit de weg te ruimen als de hele stad hem dood wil hebben. Maar hij moet een leger of een lijfwacht om zich heen hebben gehad, dus zo gemakkelijk was het niet.
Er staat dus:
Zij gingen de stad uit, het veld in, en zij plukten hun wijngaarden leeg, traden de druiven en zongen feestliederen. Daarna gingen zij het huis van hun god binnen, aten, dronken en vervloekten Abimelech.
De Engelse vertaling zegt hier ‘ze vierden feest’, waar de HSV ‘zongen feestliederen’ heeft. Het Hebreeuwse woord is ‘helolam’, dat volgens de spreker ‘lofoffers’ betekent. Ze brachten lofoffers. Er stond een wet in Leviticus 19, vers 24, die zei dat de Israëlieten elk vierde oogstjaar offers naar de tabernakel moesten brengen en lofoffers moesten brengen. Dat is precies dit woord. Hij had drie jaar geregeerd. Dit is het vierde jaar. Het is mogelijk dat de mensen zich nu aan die wet houden, maar niet voor Jahweh. Ze brengen deze offers in plaats daarvan naar de tempel van Baäl. Misschien laten ze zich leiden door de wet over hoe je Jahweh moet aanbidden, en passen ze die feesten enzovoort nu toe op Baäl. Wanneer de Engelse vertaling zegt dat ze feestvierden, is dat niet helemaal juist. Er staat: ‘ze brachten lofoffers’. Dat verwijst waarschijnlijk naar het feest dat in Leviticus 19:24 was voorgeschreven. Maar in plaats van dat voor Jahweh te doen, doen ze het voor Baäl.
Wanneer mensen te veel drinken, komen hun tongen los. Wanneer ze nuchter zijn, weten ze hun tong in bedwang te houden en moeilijkheden te vermijden. Maar wanneer je te dronken wordt, begin je zomaar te praten over wat je op je hart hebt, maar wat je eerder niet uitsprak. En de vervloekingen aan het adres van Abimelech begonnen los te komen, want zo hadden de mensen zich gevoeld, maar ze hadden er niet over gepraat. Dit feest werd een groot drinkfestijn en wijnfestijn. Dus nu krijgen we wat stoere praat te horen, waarbij de mensen hun woorden niet zo goed meer afwegen. Dat geldt ook voor Gaäl zelf.
Gaäl daagt Abimelech uit #
Gaäl, de zoon van Ebed, zei:
Toen zei Gaäl, de zoon van Ebed: Wie is Abimelech, en wat is Sichem, dat wij hem zouden dienen? Is hij niet de zoon van Jerubbaäl en is Zebul niet zijn bevelhebber? Dien liever de mannen van Hemor, de vader van Sichem, want waarom zouden wíj hem dienen?
Die woorden, Is hij niet de zoon van Jerubbaäl?
betekenen misschien dat Gaäl trouw was aan Baäl, of ten minste beweerde dat hij trouw was aan Baäl. Ze zeggen: ‘Waarom zouden we iemand dienen die de zoon is van de man die Baäl heeft getrotseerd, Jerubbaäl? Wij zijn trouw aan Baäl. Waarom zouden we een man dienen wiens vader Baäl ten val heeft gebracht?’
Er staat:
Dien de mannen van Hamor, de vader van Sichem. Maar waarom zouden we hem dienen?
Hemor, de vader van Sichem, weet je nog, destijds in de dagen van Jakob. Dit was de stad, Sichem, waarvan de inwoners door Simeon en Levi met het zwaard werden gedood. Hemor was daar de koning en Sichem was de prins. Het lijkt erop dat deze stad weer was opgebouwd, hoewel de mannen van de stad in de dagen van Jakob zo ongeveer waren uitgeroeid. Blijkbaar woonden er nog enkele nakomelingen van die oorspronkelijke dynastie.
En Gaäl zei dat we de oorspronkelijke heersers van deze stad zouden moeten dienen, in plaats van deze kerel wiens voorvader Baäl ten val heeft gebracht. We zouden officieel moeten terugkeren naar de aanbidding van Baäl en een koning over ons moeten hebben die altijd een aanbidder van Baäl is geweest, en wiens familie al eeuwenlang trouw is aan Baäl.
Och, had ik dit volk maar in mijn hand! Dan zou ik Abimelech wel verdrijven. Ook zei hij tegen Abimelech: Vergroot uw leger en trek uit!
Dus zei hij tegen Abimelech, die er niet bij was, maar blijkbaar zomaar de lucht in:
Maak je leger groter en kom naar buiten.
Dit klinkt als het soort woorden dat Absalom tegen David uitsprak toen hij zelf aan de macht probeerde te komen in plaats van David. Hij sprak met de mensen die met hun geschillen naar de poort van de stad Jeruzalem kwamen en zei dan:
3zei Absalom tegen hem: Zie, uw zaken zijn goed en rechtmatig, maar bij de koning vindt u niemand die u gehoor geeft. 4Verder zei Absalom: Als men mij maar tot rechter in het land aanstelde! Dan zou ieder die een geschil of rechtszaak heeft, bij míj kunnen komen en zou ik hem recht kunnen verschaffen.
Zo won hij mensen voor zich, door te zeggen: ‘Onder mijn bestuur zou het beter gaan.’
Natuurlijk zegt iedereen die zich verkiesbaar stelt hetzelfde. Verandering, hoop, alles zal beter worden wanneer ik de leiding heb. ‘Als ik hier maar de leiding had, dan zouden we van alle problemen afkomen.’
Zebul beraamt een verrassingsaanval #
Toen Zebul, de overste van de stad, de woorden van Gaäl, de zoon van Ebed, hoorde, ontstak hij in woede.
Want hij was nu eenmaal trouw aan Abimelech, en hij was de bestuurder van die stad. Blijkbaar waren er dus mensen die trouw waren aan Abimelech en mensen die hem niet trouw waren.
Zijn woede werd opgewekt, en hij stuurde in het geheim boodschappers naar Abimelech met de woorden:
30Toen Zebul, de overste van de stad, de woorden van Gaäl, de zoon van Ebed, hoorde, ontstak hij in woede. 31Heimelijk stuurde hij boden naar Abimelech om te zeggen: Zie, Gaäl, de zoon van Ebed, en zijn broers zijn in Sichem gekomen, en zie, zij zetten de stad tegen u op. 32Welnu dan, sta vannacht op, u en het volk dat bij u is, en leg een hinderlaag in het veld. 33En laat het 's morgens, als de zon opgaat, zo gebeuren: u moet vroeg opstaan en deze stad overvallen; en zie, als hij met het volk dat bij hem is, tegen u uittrekt, doe dan met hem zoals uw hand vindt om te doen.
Ook hier gaat het dus om een verrassingsaanval. Ze rekenen erop dat die hun de overwinning zal bezorgen. Er waren mensen bij Abimelech. We weten niet hoeveel. Ze waren waarschijnlijk in zijn woonplaats Ofra in plaats van in Sichem. Dat zijn waarschijnlijk twee steden die dicht bij elkaar liggen. En Sichem was nu op weg om tegen hem in opstand te komen. Dus zouden degenen die bij hem waren komen, en ze zouden tegen Sichem moeten vechten. Niet alleen tegen Gaäl en zijn broers, maar de hele stad was tegen hem. En dat begon duidelijk te worden door deze dronkenmanspraat bij deze gelegenheid.
Vers 34:
Abimelech verslaat en verdrijft Gaäl #
34Toen stond Abimelech, met al het volk dat bij hem was, 's nachts op, en zij legden zich in een hinderlaag tegen Sichem, in vier groepen. 35En Gaäl, de zoon van Ebed, kwam naar buiten en ging bij de ingang van de stadspoort staan. Daarop stond Abimelech op uit de hinderlaag, met het volk dat bij hem was.
Maar ze waren nog in de verte, en Gaäl kon niet goed onderscheiden wie het was of wat het was. Hij wist niet dat hij werd aangevallen. En er staat:
Toen Gaäl het volk zag, zei hij tegen Zebul: Zie, er komt volk van de bergtoppen naar beneden. Zebul zei echter tegen hem: U ziet de schaduw van de bergen voor mensen aan.
Blijkbaar zijn ze ver genoeg weg om het niet goed te kunnen onderscheiden. ‘Zijn dat mensen die naar ons toe komen?’ ‘Nee, dat zijn alleen maar de schaduwen op de berg. Het heeft gewoon die kleur. Het zijn geen mensen.’
Dan, blijkbaar toen het leger dichterbij kwam en Gaäl het kon onderscheiden, staat er:
37Maar Gaäl sprak opnieuw en zei: Zie, daar komt volk naar beneden vanuit het midden van het land, en één groep komt uit de richting van de Waarzeggerseik. 38Toen zei Zebul tegen hem: Waar is nu die grote mond van u waarmee u zei: Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen? Is dit niet het volk dat u veracht hebt? Trek nu toch de stad uit en strijd tegen hem!
Dus de strijd barstte los.
39En Gaäl trok voor de ogen van de burgers van Sichem de stad uit en streed tegen Abimelech. 40Maar Abimelech jaagde hem na, want hij vluchtte voor hem weg. En velen vielen er dodelijk gewond neer tot bij de ingang van de stadspoort. 41En Abimelech bleef in Aruma, en Zebul verdreef Gaäl en zijn broeders, zodat zij niet meer in Sichem konden wonen.
Dus Gaäl en zijn broers zijn er blijkbaar levend vandaan gekomen, maar ze werden uit Sichem verdreven. Met de mensen van Sichem liep het echt niet zo goed af.
Abimelech verwoest Sichem #
42En het gebeurde de volgende dag dat het volk de stad uittrok, het veld in, en men vertelde het aan Abimelech. 43Toen nam hij zijn manschappen, verdeelde hen in drie groepen en legde een hinderlaag in het veld. Daarna zag hij, en zie, het volk trok de stad uit. Daarop viel hij hen aan en versloeg hen. 44Terwijl Abimelech en de groepen die bij hem waren, hen overvielen en bij de ingang van de stadspoort bleven staan, overvielen de twee andere groepen allen die in het veld waren, en versloegen hen.
Dus ze namen de poort in, zodat de mensen niet terug de stad in konden vluchten om bescherming te zoeken. Ze zaten daar vast, een beetje zoals toen de Israëlieten Ai veroverden. De mensen waren naar buiten gegaan om te vechten. Toen kwamen de mannen die in een hinderlaag hadden gelegen, namen de stad in en staken die in brand. Daardoor konden de mensen op het slagveld eigenlijk op geen enkele manier meer naar huis terugkeren. Dat ontneemt je de moed, wanneer je zegt: ‘We hebben nu geen thuis meer. We kunnen niet naar huis, en we zitten hier gewoon vast, omringd door deze legers.’ Je zult vechten, maar je zult vechten zonder veel enthousiasme, zonder dat je veel hoop hebt op de overwinning. Je bent nu dakloos, daar op het veld, terwijl legers je aanvallen.
Dat hebben we gezien. Vers 45:
Die hele dag streed Abimelech tegen de stad. Hij nam de stad in, en het volk dat daarin was, doodde hij. Hij brak de stad af en bestrooide die met zout.
Ze bestrooiden de akkers met zout, waardoor de grond blijkbaar ongeschikt werd voor gewassen. Dat is een soort schade die moeilijk ongedaan te maken is. Als er eenmaal zout in de grond zit, kun je niet naar buiten gaan en de korreltjes oprapen. Die grond zal nog lange tijd onvruchtbaar blijven. Af en toe lees je daarover in de Bijbel, dat een vijand een stad verovert en hun akkers met zout bestrooit. Het is gewoon iets kwaadaardigs om te doen, om ze blijvend onvruchtbaar te maken.
46Toen alle burgers van Migdal-Sichem dit hoorden, gingen zij de schuilplaats van het huis van El-Berith in. 47En Abimelech werd verteld dat alle burgers van Migdal-Sichem zich daar verzameld hadden. 48Vervolgens ging Abimelech de berg Zalmon op, hij en al het volk dat bij hem was. Abimelech nam een bijl ter hand, hakte een tak van de bomen, pakte hem op en legde hem op zijn schouder. En tegen het volk dat bij hem was, zei hij: Wat u mij hebt zien doen, haast u, doe zoals ik.
Pak allemaal een tak, haal een heleboel hout om te verbranden.
Daarop hakte ook eenieder van het volk zijn tak af en zij gingen Abimelech achterna. Zij legden de takken tegen de schuilplaats en staken daarmee de schuilplaats in brand. Zo stierven ook alle mensen van Migdal-Sichem, ongeveer duizend mannen en vrouwen.
Vergeet niet dat Jotham had gezegd:
19als u dan op deze dag naar waarheid en in oprechtheid gehandeld hebt met Jerubbaäl en zijn huis, verblijd u dan over Abimelech, en laat ook hij zich verblijden over u. 20Maar zo niet, laat er dan vuur uitgaan uit Abimelech, dat de burgers van Sichem en Beth-Millo verteert, en laat er vuur uitgaan van de burgers van Sichem en Beth-Millo dat Abimelech verteert.
Een deel daarvan is nu vervuld. Er is een vuur uitgegaan van Abimelech en dat heeft Sichem verteerd. Nu moet er iets met hem gebeuren.
Abimelechs dood en Gods vergelding #
Dan ging Abimelech, vers 50:
Daarna ging Abimelech naar Tebez. Hij sloeg zijn kamp op bij Tebez en nam het in.
Waarom hij dat deed, weten we niet. Tebez was een andere stad. We hebben er hiervoor niets over gelezen. We weten niet met wie die stad verbonden was of aan wie ze trouw was. Blijkbaar maakte ze deel uit van het gebied waarover hij de heerschappij opeiste. Het kan zijn dat ze, zonder dat wij dat weten, bondgenoten van Sichem waren geweest en hem ook ten val wilden brengen. Dat wordt ons niet verteld, maar het is heel goed mogelijk dat het zo was en dat hij het wist. Of het is mogelijk dat sommige vluchtelingen uit Sichem waren gevlucht en naar Tebez waren gegaan.
Hoe dan ook, hij was niet tevreden zolang hij Tebez niet had veroverd. Hij had tevreden moeten zijn, want naar Tebez gaan liep slecht voor hem af.
51Maar er stond een sterke toren in het midden van de stad, en alle mannen en vrouwen, ja, alle burgers van de stad vluchtten daarheen. Zij sloten de deur achter zich en klommen op het dak van de toren. 52Toen kwam Abimelech bij de toren en bestormde die. Maar toen hij de ingang van de toren naderde om die in brand te steken,
Hij gaat hier hetzelfde doen als wat hij met de toren van Sichem deed. Dat werkte goed. Maar toen hij dichtbij genoeg kwam om het hout bij de toren te leggen, kennelijk om het vuur aan te steken, kwam hij recht onder een vrouw te staan die met een molensteen gewapend was. En er staat:
wierp een vrouw een stuk van een molensteen op Abimelechs hoofd, en zij verbrijzelde zijn schedel.
Nou, het werd zijn dood, maar hij stierf niet meteen. Hij was nog enigszins bij bewustzijn.
Toen riep hij snel de knecht die zijn wapens droeg en zei tegen hem: Trek uw zwaard en dood mij, want anders zullen zij over mij zeggen: Een vrouw heeft hem gedood. Daarop doorstak zijn knecht hem, zodat hij stierf.
Dat zou een reputatie zijn die hij niet wilde hebben, ook al zou hij dood zijn. Ik weet niet waarom je je druk maakt om je reputatie als je geen goed mens bent geweest. Het is prettig om te denken dat mensen goed over je zullen denken wanneer je er niet meer bent, veronderstel ik. Maar als ze dat niet doen, dan ontkom je door te sterven aan die schande, denk ik, aan die slechte reputatie. Maar het zou voor hem een vernedering zijn, dacht hij, om te sterven in de wetenschap dat hij bekend zou staan als een man die door een vrouw was gedood. Dat laat hem nogal slap overkomen. En daarom wilde hij niet dat mensen zich hem zo zouden herinneren, ook al zou hij daar niets van weten, omdat hij een ogenblik later toch dood zou zijn. Maar hij zei gewoon:
Dood me, zodat ik niet door een vrouw word gedood.
55En toen de mannen van Israël zagen dat Abimelech dood was, gingen zij terug, iedereen naar zijn woonplaats. 56Zo liet God het kwaad van Abimelech, dat hij zijn vader aangedaan had door zijn zeventig broers te doden, op zijn hoofd terugkeren. 57Evenzo liet God al het kwaad van de mensen van Sichem op hun hoofd terugkeren. En de vloek van Jotham, de zoon van Jerubbaäl, kwam over hen.
Het verhaal gaat dus over een man die de orde omver wilde werpen die God had ingesteld om Israël te besturen, die van de richters, en zichzelf koning wilde maken. En dat deed hij natuurlijk door slechte daden. En zowel hij als zijn medesamenzweerders kwamen aan hun einde doordat God een boze geest tussen hem en hen bracht. Aanvankelijk waren ze bondgenoten, en als ze dat waren gebleven, had hij misschien lange tijd over hen kunnen heersen. Maar God greep in om over de situatie te oordelen. Hij zorgde ervoor dat de mannen van Sichem hem wilden doden en dat hij hen wilde doden. En Hij gebruikte hem om hen te doden en hen om hem te doden. Dus dat pakte heel goed uit.
En nu hebben we op dit punt geen koningen meer in Israël. De volgende belangrijke richter bij wie we aankomen, is Jefta, maar op zijn verhaal komen we nog terug.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Judges 8 - 9. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/richteren/8-9
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/richteren/8-9.pdf?v=092c74c4b2ab
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Richteren - Lezing 06 - 8-9.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/richteren/8-9.mp3?v=27784c24aa05
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Richteren - Lezing 06 - 8-9.mp3
Richteren
Alle lezingen over Richteren. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Inleiding God is Koning, richters leiden Israël
- 2 1:1-2:5 Israël verdrijft niet alle Kanaänieten
- 3 2:6-3:31 Israël verlaat God, God stuurt richters
- 4 4-5 Debora leidt Israël, Jaël doodt Sisera
- 5 6-7 Gideon verslaat Midian met 300 mannen
- 6 8-9 Abimelech doodt zijn broers en wordt koning
- 7 10-11 Jefta wordt leider en doet een gelofte
- 8 12-14 Jefta en Efraïm raken slaags
- 9 15-16 Delila verraadt Simson aan de Filistijnen
- 10 17-18 Micha aanbidt Jahweh met een afgodsbeeld
- 11 19-21 Burgeroorlog roeit Benjamin bijna uit
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/richteren/8-9.srt?v=08a6438fc89b
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Richteren - Lezing 06 - 8-9.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/richteren/8-9.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Richteren 8:1
- Richteren 8:2-3
- Richteren 8:4-5
- Richteren 8:6
- Richteren 8:7-9
- Richteren 8:10
- Richteren 8:11
- Richteren 8:12-14
- Richteren 8:15-16
- Richteren 8:17
- Richteren 8:18-21
- Richteren 8:22-24
- Genesis 37:36
- Genesis 39:1
- Richteren 8:26
- Richteren 8:27
- Richteren 8:28
- Richteren 8:29
- Richteren 8:30-31
- Richteren 8:32-35
- Richteren 9:1-2
- Richteren 9:3
- Richteren 9:4-5
- Richteren 9:6
- Richteren 9:7-15
- Richteren 9:10
- 1 Johannes 2:27
- Johannes 16:13
- Mattheüs 23:8-10
- Romeinen 8:14
- Richteren 9:16-19
- Richteren 9:15
- Richteren 9:20-21
- Richteren 9:22
- Richteren 9:23
- Richteren 9:23-25
- Richteren 9:26
- Richteren 9:27
- Richteren 9:28
- Richteren 9:29
- 2 Samuel 15:3-4
- Richteren 9:30
- Richteren 9:30-33
- Richteren 9:34-35
- Richteren 9:36
- Richteren 9:37-38
- Richteren 9:39-41
- Richteren 9:42-44
- Richteren 9:45
- Richteren 9:46-48
- Richteren 9:49
- Richteren 9:19-20
- Richteren 9:50
- Richteren 9:51-52
- Richteren 9:53
- Richteren 9:54
- Richteren 9:55-57