Richteren 2:6-3:31
Israël verlaat God, God stuurt richters
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/richteren/2-6-3-31.pdf?v=b87c876ae3e9. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/richteren/2-6-3-31.
Samenvatting
Israëls terugkerende afval, Gods beproeving en de bevrijding door de eerste richters.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt hoe de tweede inleiding van Richteren de terugkerende cyclus van afval, onderdrukking en bevrijding vanuit Gods handelen verklaart. Hij benadrukt dat elke generatie God zelf moet kennen en dat Gods beloften van overwinning voorwaarden van geloof en gehoorzaamheid kennen, ook voor de gemeente. Hij legt uit hoe de achtergebleven volken Israël beproefden en bespreekt de geestelijke gevaren van huwelijken met ongelovigen. Vervolgens behandelt hij de bevrijding door Othniël, Ehuds optreden tegen Eglon en de Moabieten, en kort Samgars strijd tegen de Filistijnen.
De twee inleidingen op Richteren #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Richteren 2 vers 6 tot en met hoofdstuk 3 vers 30, en aansluitend vers 31.
Laten we Richteren hoofdstuk 2, vers 6 opslaan. De vorige keer hebben we alle verzen in Richteren tot aan dat punt behandeld: hoofdstuk 1 en de eerste vijf verzen van hoofdstuk 2. Het begon in hoofdstuk 1 vers 1 met wat er na de dood van Jozua gebeurde. Maar wanneer we bij hoofdstuk 2, vers 6 komen, lezen we opnieuw over Jozua, die nog springlevend is. In de verzen die daarop volgen, in vers 7 tot en met 9, lezen we over zijn dood. We kijken dus duidelijk opnieuw terug. En het lijkt erop dat dit een tweede inleiding op het boek is, een alternatieve inleiding, of misschien een aanvullende. Ik denk dat je op twee manieren naar het boek Richteren kunt kijken, en twee inleidingen laten ons die twee manieren zien.
De eerste legt eenvoudig enkele overwinningen en enkele mislukkingen van het volk vast als een historisch verslag. Maar de tweede inleiding, die we zo gaan lezen, vat de hele theologische betekenis van het boek Richteren samen. Die gaat niet in op specifieke gevallen, maar meer op de hele periode en hoe die hele periode verband houdt met Gods houding tegenover de dingen.
In de eerste inleiding, van hoofdstuk 1 vers 1 tot hoofdstuk 2 vers 5, hebben we een inleiding vanaf de dood van Jozua. Die loopt waarschijnlijk, zo moeten we het opvatten, tot aan de eerste richter, Othniël. Hij wordt in hoofdstuk 1 genoemd, al wordt daar niet over zijn richterschap gesproken. Alleen over zijn verovering van het gebied waardoor hij zijn vrouw kreeg, de dochter van Kaleb. We lezen over Othniël in hoofdstuk 1, vers 13, maar later gaan we over zijn richterschap lezen.
Kort na de dood van Jozua waren er een aantal veroveringen en een aantal mislukte pogingen om gebieden te veroveren. We krijgen daar eenvoudig een verslag van. Dat beslaat waarschijnlijk in wezen de periode vanaf de dood van Jozua tot aan de komst van de eerste richter, of de eerste cyclus die tot de komst van de eerste richter leidde. Daar hebben we dus historische gegevens. Maar in hoofdstuk 2, vers 6 gaan we opnieuw naar de dood van Jozua en wat daarop volgde. Wat daarop volgde, zal niet als afzonderlijke gebeurtenissen worden behandeld, maar als een samenvatting van hoe de dingen in het algemeen verliepen. Het zal de hele inhoud van het boek vanuit een theologisch gezichtspunt overzien.
Jozua en de generatie die Gods daden zag #
Vers 6 van hoofdstuk 2 zegt:
Toen Jozua het volk had laten gaan, waren de Israëlieten weggegaan, ieder naar zijn erfelijk bezit, om het land in bezit te nemen.
Dit pakt de draad duidelijk op bij het moment waarop ze bijeengekomen waren en het lot hadden geworpen om te bepalen welk deel van het land naar elk van de stammen zou gaan. Toen dat eenmaal gebeurd was, werd het volk weggestuurd om naar huis te gaan. En daarmee was Jozua eigenlijk klaar.
Er staat:
En het volk diende de HEERE al de dagen van Jozua en al de dagen van de oudsten die lang geleefd hadden na Jozua en die alle grote daden van de HEERE gezien hadden, die Hij voor Israël verricht had.
De oudsten waren de tweede generatie, de generatie die in de woestijn geboren was. Jozua stierf toen hij 110 was. De oudste persoon die jonger was dan hij, zou volgens mij twintig jaar jonger zijn geweest, dus negentig jaar oud. Er waren misschien enkele heel oude mannen die nog een tijdje na hem leefden. Dat waren de oudsten, en velen van hen leefden langer dan hij, omdat ze minstens twintig jaar jonger waren dan hij.
Er staat over hen:
die alle geweldige dingen hadden gezien die de Heer voor Israël had gedaan.
Dus de bevrijding, de voorziening in de woestijn, de verovering van het land, met inbegrip van Gods bovennatuurlijke ingrijpen om hun het land te geven: één generatie had die dingen gezien. Maar zoals vaak het geval is, kent de volgende generatie het alleen van horen zeggen. En ze geloven het misschien wel, maar het is onwerkelijk voor hen. Het leeft niet voor hen. Het is niet echt iets wat ze gezien of meegemaakt hebben. Het is een verhaal over wat er naar verluidt in de tijd van hun ouders is gebeurd. Hoewel ze er niet aan twijfelen dat hun ouders de waarheid vertellen, komt het op geen enkele manier overeen met de werkelijkheid die ze zien. En daardoor heeft het iets nogal onwerkelijks voor hen.
En dan lijkt het natuurlijk al gauw niet alleen onwerkelijk, maar helemaal niet werkelijk gebeurd en ongeloofwaardig. Wat er dus gebeurde, is dat er uiteindelijk generaties kwamen die het helemaal vergaten, of het niet geloofden en het niet kenden.
Er staat in vers 8:
8Maar toen Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van de HEERE, gestorven was, honderdtien jaar oud, 9en zij hem begraven hadden in het gebied dat zijn erfelijk bezit was , in Timnath-Heres, op een berg van Efraïm, ten noorden van de berg Gaäs,
Precies deze informatie, hoewel niet helemaal woordelijk, staat aan het einde van Jozua hoofdstuk 24, in vers 29 tot en met 31. Het is niet geknipt en geplakt, maar het staat daar met slechts een paar woorden veranderd. Die informatie is precies hetzelfde als wat hier in vers 7 tot en met 9 staat. Dit is dus niet nieuw voor ons.
God kennen vraagt om persoonlijk geloof #
Vers 10:
en ook heel die generatie met zijn vaderen verenigd was, stond er na hen een andere generatie op, die de HEERE niet kende, en evenmin de daden die Hij voor Israël verricht had.
Dat betekent: gestorven was.
Ze kenden het in elk geval alleen van horen zeggen. Ze hadden het niet uit ervaring gekend. Het was niet iets waarvan ze zich bewust waren doordat ze het gezien of gekend hadden. Het betekent niet dat ze er nooit over gehoord hadden. Er waren veel gedenktekens opgericht. Bij elk Pascha werden de werken van de Heere door het feest herdacht, als ze het vierden. Maar vermoedelijk hield die generatie die de werken van de Heere had gezien, die dingen wel in ere. Dus de volgende generatie en de generatie daarna zouden waarschijnlijk de verhalen over de Heere kennen, maar ze kenden de Heere niet.
Dat is altijd een mogelijkheid voor kinderen die opgroeien in een godsdienstig gezin, bij ouders die God werkelijk kennen. Kinderen groeien op terwijl ze over God horen, de verhalen horen, ze misschien zelfs met de mond beamen, zich er niet tegen verzetten en denken dat ze waar zijn. Maar ze weten het niet zeker, omdat ze geen persoonlijke ervaring met God hebben, die iedereen uiteindelijk nodig heeft. Zonder die persoonlijke ervaring met God is het moeilijk om de aantrekkingskracht van de wereld te weerstaan. Als je werkelijk een relatie met God hebt, krijg je veel meer genade om de aantrekkingskracht van de wereld te weerstaan.
Dus de generatie die na een opwekking komt en die opwekking nooit heeft meegemaakt, is altijd in het nadeel en heeft er meer moeite mee om aan haar geloof vast te houden. Iemand die de machtige werken van God heeft gezien, kan zijn geloof verliezen, maar dat gaat moeilijker. Iemand die het nooit heeft gezien en er alleen over heeft gehoord, kan zijn geloof gemakkelijk verliezen. Het is dus moeilijker om eraan vast te houden. Blijkbaar hebben ze die moeite niet gedaan.
De kringloop van afgoderij en bevrijding #
Toen deden de Israëlieten wat slecht was in de ogen van de HEERE en zij dienden de Baäls.
Dat verwijst gewoon naar de verschillende goden, de verschillende heren van de Kanaänieten om hen heen. Het woord Baäl betekent heer.
12Zij verlieten de HEERE, de God van hun vaderen, Die hen uit het land Egypte had geleid, en gingen achter andere goden aan, goden van de volken die rondom hen woonden. Zij bogen zich voor hen neer en verwekten de HEERE tot toorn. 13Want zij verlieten de HEERE en dienden de Baäl en de Astartes.
Dat zijn in wezen goden en godinnen van de Kanaänieten.
14Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël en Hij gaf hen over in de hand van plunderaars, die hen plunderden. Hij leverde hen over in de hand van hun vijanden van rondom, zodat zij niet meer konden standhouden tegen hun vijanden. 15Overal waarheen zij uittrokken, was de hand van de HEERE tegen hen, ten kwade, zoals de HEERE gesproken en zoals de HEERE hun gezworen had. Zij kwamen zeer in het nauw.
Nu gaat dit niet uitsluitend over de tijd vlak na de dood van die generatie. Dit is eigenlijk een samenvatting van het boek Richteren, van hoe ze dit telkens weer deden. Vers 16 zegt natuurlijk:
En de HEERE deed richters opstaan, die hen verlosten uit de hand van hen die hen plunderden.
Dat gaat niet over één geval, maar over de verschillende gevallen. Dit is, zoals ik al zei, een overzicht van het hele boek, waarbij we zien wat God deed.
In de eerste inleiding van het boek zagen we wat mensen deden, wat Othniël deed en wat de Benjaminieten deden en wat de mannen van Juda deden, enzovoort. Maar nu lezen we over wat God doet. Dit is vanuit Gods gezichtspunt. Ze verlieten de HEERE, God werd boos, God deed richters opstaan, God deed dit, God deed dat. Hier wordt Gods handelen in de geschiedenis aangewezen.
Zij luisterden echter ook niet naar hun richters, maar gingen als in hoererij achter andere goden aan en bogen zich voor hen neer. Al snel waren zij afgeweken van de weg die hun vaderen gegaan waren, toen die luisterden naar de geboden van de HEERE. Zíj deden zo niet.
Dat is een interessante uitspraak, want over het algemeen krijgen we de indruk dat het volk zich min of meer behoorlijk gedroeg nadat Othniël, of Debora, of Gideon het had bevrijd. Deze richters richtten Israël, wat zou lijken te betekenen dat ze Israël bestuurden en dat de mensen naar hen luisterden. Maar misschien is dat een verkeerde indruk. Misschien richtten deze richters Israël, dat wil zeggen dat deel van Israël, dat overblijfsel dat naar hen wilde luisteren. Maar het grootste deel van het volk negeerde de richters en luisterde niet naar hen.
Hoe dan ook, we weten dat Israël na de dood van de richters snel terugviel in zijn oude en slechte gewoonten. We zouden dus kunnen zeggen dat ze niet blijvend naar de richters luisterden. Ze sloegen geen acht op de boodschap van de richters. Maar over het algemeen veranderden de richters de dingen wel een poosje, zo lijkt het, in zekere mate ten goede.
18En wanneer de HEERE voor hen richters liet opstaan, was de HEERE met de richter en verloste Hij hen uit de hand van hun vijanden, al de dagen van de richter, want het berouwde de HEERE vanwege hun gekerm over hen die hen onderdrukten en die hen in het nauw brachten. 19Maar bij het sterven van de richter gebeurde het dat zij zich weer afkeerden en nog verderfelijker handelden dan hun vaderen, door achter andere goden aan te gaan, die te dienen en zich daarvoor neer te buigen. Zij gaven geen van hun daden op en evenmin hun halsstarrige levenswandel.
Dat is natuurlijk het begin van weer een nieuwe cyclus van verdrukking. En Hij zei:
Gods beloften vragen geloof en gehoorzaamheid #
20Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël, en Hij zei: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaderen geboden heb, en zij naar Mijn stem niet geluisterd hebben, 21zal Ik ook geen enkel van de heidenvolken meer voor hun ogen verdrijven die Jozua heeft overgelaten toen hij stierf, 22opdat Ik door hen Israël op de proef stel, om te zien of zij de weg van de HEERE in acht zullen nemen door daarin te gaan, zoals hun vaderen die in acht genomen hebben, of niet.
Over datzelfde punt staat meer in de openingsverzen van hoofdstuk 3, maar ik wil hier alleen even op wijzen. God had Israël beloofd dat Hij hun vijanden zou verdrijven. Maar we zouden met de schrijver van Hebreeën kunnen zeggen:
Want ook aan ons is het Evangelie verkondigd, evenals aan hen. Maar het gepredikte woord bracht hun geen voordeel, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen die het hoorden.
Die uitspraak daar in Hebreeën hoofdstuk 4 verwijst natuurlijk eigenlijk naar de generatie aan wie het beloofde land was beloofd en die er niet binnenging. Want in de dagen van Mozes waren ze bang voor de reuzen en wilden ze niet naar binnen gaan. Dus, zegt de schrijver van Hebreeën:
De belofte hielp hen niet, omdat de mensen die haar hoorden er niet in geloofden.
We zouden hetzelfde kunnen zeggen over deze latere generatie. Ze hadden geen geloof. Ze bleven niet in het geloof, en daarom verwierpen ze het geloof, en daarom ging de belofte voor hen niet in vervulling. God had deze belofte nog openstaan, en ze konden er op elk gewenst moment aanspraak op maken, maar ze deden het gewoon niet.
Ik denk aan de parallel met de gemeente, want we nemen zo vaak gewoon aan dat het christendom je onvoorwaardelijk toegang geeft tot alle voorrechten. Toch is God nooit een onvoorwaardelijke God geweest. Hij heeft onvoorwaardelijk lief. Hij heeft zelfs Zijn vijanden lief, degenen die in de hel terechtkomen. Hij heeft hen lief. Maar dat betekent niet dat Hij onvoorwaardelijk met mensen omgaat. Waarom? Omdat:
Hij echter geeft des te meer genade. Daarom zegt de Schrift : God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.
Als je nederig bent, behandelt God je op de ene manier. Als je hoogmoedig bent, behandelt Hij je op een andere manier. God zei:
Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen zelf veracht worden.
Ook hier gaat God anders om met degenen die Hem eren dan met degenen die Hem niet eren. De Bijbel spreekt over de bijzondere zegeningen voor degenen die geloof hebben, en over wat iemand zonder geloof moet missen. Er gelden voorwaarden in Gods omgang met mensen, ook met christenen.
Geestelijke strijd en compromissen in de gemeente #
In de strijd waarin we verwikkeld zijn, zijn we vaak verbaasd dat we niet bij machte zijn de vijanden te verdrijven, de geestelijke vijanden. Ik bedoel geen slechte mensen. Ik bedoel kwade, demonische machten.
Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van de duisternis van dit tijdperk, tegen de geestelijke machten van het kwaad in de hemelse gewesten.
En er zijn beloften:
4De wapens van onze strijd zijn immers niet vleselijk, maar krachtig door God, tot afbraak van bolwerken. 5Want wij breken valse redeneringen af en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, en wij nemen elke gedachte gevangen om die te brengen tot de gehoorzaamheid aan Christus,
Dat zijn beloften. We hebben deze beloften van overwinning.
Toch gebeurt het op dit moment op veel plaatsen in de wereld niet. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld lijken de demonische machten zich stevig te hebben verschanst. De vijanden zijn er. We hebben machtige wapens. Wat is er mis? We hebben beloften van God. Wat is er mis? Nou, Israël had beloften, Israël had garanties, maar die waren voorwaardelijk. En toen Israël zich van God afkeerde, liet God de vijanden ongemoeid. Hij gaf hen zelfs over aan plunderaars, en Hij wilde hun vijanden niet verdrijven.
Ik vraag me soms af, wanneer ik daadwerkelijk met een specifiek geval van demonische bezetenheid te maken heb, bijvoorbeeld wanneer ik met een bezetene bezig ben, waarom deze demonen niet zo snel uitgaan als ze op sommige momenten in het verleden hebben gedaan. Er zijn bezetenen geweest bij wie ik demonen heb zien uitgaan, bijna zodra ze daartoe het bevel kregen. En natuurlijk heb ik over veel meer gevallen gehoord dan ik zelf heb gezien. Er zijn veel verhalen, niet alleen in de Bijbel, maar ook in de christelijke geschiedenis en in getuigenissen van zendelingen, en sommige uit mijn eigen ervaring, waarin een demon gewoon weggaat wanneer je hem beveelt te gaan. En daarmee is het afgelopen.
Zulke dingen gebeuren meestal tijdens een opwekking, of wanneer de gemeente levend is en vol ijver voor God, enzovoort. Wanneer de hele gemeente gehoorzamer is, lijkt het erop dat de gemeente meer gezag heeft om de vijand te verdrijven. Maar wanneer de gemeente steeds meer compromissen sluit, is het alsof God Zich terugtrekt en zegt: ‘Ik zal de vijanden laten waar ze zijn. Jullie kunnen harder tegen ze vechten als jullie willen. Misschien krijgen jullie er een paar weg, maar zo gemakkelijk zal het voor jullie gewoon niet gaan, omdat de gemeente compromissen sluit.’
Ik denk specifiek aan gevallen waarin je met demonische bezetenheid te maken hebt. Maar ook als het geen demonische bezetenheid is, als het eenvoudigweg gaat om de demonische invloeden in de samenleving die we met onze gebeden proberen te weerstaan, waarom wijken die dan niet? Hoe komt het dat er beloften zijn dat we de overwinning hebben, en wapens die machtig zijn, enzovoort, maar dat de vijand gewoon blijft? De vijand spot gewoon. De vijand weet gewoon met succes weerstand te bieden. Nou, God zegt:
20Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël, en Hij zei: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaderen geboden heb, en zij naar Mijn stem niet geluisterd hebben, 21zal Ik ook geen enkel van de heidenvolken meer voor hun ogen verdrijven die Jozua heeft overgelaten toen hij stierf,
Bekering, opwekking en het trouwe overblijfsel #
Hij geeft Zijn volk zelfs over aan plunderaars. Wanneer God iemand aan zijn vijanden overgeeft, is er niet veel hoop totdat die persoon zich bekeert. En dat is wat er in het geval van Israël gebeurde. Toen Israël zich bekeerde, toen ze tot God riepen, bracht God verlichting, en dan kwam er weer een opwekking. Maar het moest behoorlijk slecht met hen gaan, want ze zouden God niet gehoorzamen tenzij ze streng werden getuchtigd. En ik ben bang dat dit voor vleselijke mensen in het algemeen geldt.
Nu zijn er christenen die niet zo vleselijk zijn. Er zijn christenen die toenadering tot God blijven zoeken, hoe donker de tijden ook zijn, hoe koud de gemeente ook is. Er zijn mensen die vanuit de gemeente geen enkele aanmoediging krijgen. Sterker nog, ze moeten de gemeente bijna verlaten om vurig te blijven, omdat de gemeente hun vuur wil doven. Er zullen mensen zijn die God trouw blijven, maar zelfs hun overwinningen worden kleiner door de algemene ongehoorzaamheid van het lichaam van Christus waartoe wij behoren. De overwinningen van de gemeente zijn er niet voor afzonderlijke personen, maar voor de gemeente als geheel, net als bij Israël.
Er kunnen best enkele gehoorzame Joden zijn geweest. Het is moeilijk voor te stellen dat er een bevolking van drie miljoen mensen is die van Jahweh weten, en dat werkelijk ieder van hen elk geloof in Hem heeft opgegeven. Dat is niet waarschijnlijk. God heeft altijd een overblijfsel. Er was in die tijden in Israël ongetwijfeld een overblijfsel van mensen die gehoorzaam waren, tegen de stroom van de cultuur in en tegen de stroom van hun eigen gemeente in. Maar de ongehoorzaamheid was zo algemeen onder het volk van God, dat zelfs de getrouwen onder hen de vernedering en de schande moesten verdragen. Hun vijanden zegevierden een tijdlang over hen als geheel. Maar wanneer het volk zich meer algemeen tot God keerde en in geloof opstond, werden de vijanden natuurlijk verdreven.
Dit is ook in de geschiedenis van de kerk werkelijk zo geweest. Er zijn opwekkingen geweest, en vervolgens nam de geest van opwekking weer af. Wanneer de opwekking er niet is, wanneer die machtige bevrijdingen niet meer plaatsvinden, worden de mensen soms koud tegenover God. Ze vallen terug in hun wereldsgezindheid. Ze vergeten God. Ze keren terug naar hun afgoderij van het materialisme, of wat dan ook. De machtige daden van God worden niet meer gezien, totdat er een andere generatie opstaat die het gewoon niet meer kan verdragen en tot God roept en zich tot God keert. En dan komt er weer een opwekking. Dat is het patroon. Het is een patroon in Israël in Richteren. Het is een patroon in de kerk door de geschiedenis heen.
De onvoltooide verovering onder Jozua #
Ik vind het trouwens interessant dat er in vers 23 staat:
Zo liet de HEERE deze heidenvolken blijven, door hen niet onmiddellijk te verdrijven en hen niet in de hand van Jozua over te geven.
Nu is Jozua op dit moment al dood. We kijken vooral naar de terugkerende ongehoorzaamheid van het volk na de dood van Jozua. Er wordt ons zelfs verteld dat het volk tijdens het leven van Jozua grotendeels gehoorzaam was en God pas vergat toen hij er niet meer was. Maar ik weet niet of dit betekent dat God voorzag dat ze zo ongehoorzaam zouden zijn, en daarom zelfs in de dagen van Jozua niet al die volken verdreef. Toen Israël nog gehoorzamer was, zou je denken dat ze die allemaal hadden kunnen verdrijven. Maar misschien liet God zelfs Jozua, in een tijd van grotere gehoorzaamheid, niet toe om ze allemaal te verdrijven, omdat Hij die terugkerende opstandigheid tegen Hem voorzag.
Ik weet niet zeker waarom Jozua hier wordt genoemd. Het lijkt alsof het hier over de tijd na hem zou moeten gaan, maar zelfs Jozua slaagde er niet in. En dat kwam gedeeltelijk doordat het volk Israël wel gehoorzaam was, maar niet volledig gehoorzaam. Ze trokken met God op, maar ze gingen niet door tot het uiteindelijke doel: de vernietiging van hun vijanden. En misschien wordt hier dus gezegd dat deze problemen, die na de dood van Jozua optraden, in zekere mate zelfs al in de tijd van Jozua voorkwamen. Daardoor konden ze hen toen niet verdrijven.
Trouw blijven wanneer de opwekking voorbij is #
Hoofdstuk 3 zegt:
Dit nu zijn de volken die de HEERE liet blijven om Israël door hen op de proef te stellen, dat wil zeggen alle Israëlieten die niet wisten van al de oorlogen met Kanaän,
En dat zagen we natuurlijk ook in vers 22 van het vorige hoofdstuk, dat Hij hen in het land liet om Israël op de proef te stellen. Dat betekent dat God wil dat mensen op de proef worden gesteld, dat Zijn volk op de proef wordt gesteld. Op welke manier op de proef gesteld? Wat is de proef? Wel, in hoofdstuk 2, vers 22 staat:
20Daarom ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël, en Hij zei: Omdat dit volk Mijn verbond heeft overtreden, dat Ik hun vaderen geboden heb, en zij naar Mijn stem niet geluisterd hebben, 21zal Ik ook geen enkel van de heidenvolken meer voor hun ogen verdrijven die Jozua heeft overgelaten toen hij stierf, 22opdat Ik door hen Israël op de proef stel, om te zien of zij de weg van de HEERE in acht zullen nemen door daarin te gaan, zoals hun vaderen die in acht genomen hebben, of niet.
En dus is de proef: zul je God gehoorzamen op momenten dat de opwekking is weggeëbd?
Het is gemakkelijk om God te gehoorzamen wanneer dat populair is. Het lijkt alsof iedereen tot behoud komt, iedereen naar de gemeente gaat, iedereen de liederen zingt, iedereen vervuld wordt met de Geest. Ik weet dat, want ik had het geluk dat ik op de middelbare school zat in een tijd dat dit gebeurde. Het leek alsof het vaker voorkwam dat mensen tot behoud kwamen dan dat ze niet tot behoud kwamen. Bij bijna iedereen op school van wie je dacht dat die geen christen was, kon je bijna voorspellen: ‘Nou, tegen het einde van het jaar zal die waarschijnlijk christen zijn.’ En dat was destijds in Zuid-Californië, tijdens de Jezusbeweging, een behoorlijk veilige voorspelling. Iedereen kwam tot behoud.
Op zulke momenten is het gemakkelijk om christen te zijn, omdat je meedrijft op een golf van populariteit. Wanneer de opwekking voorbijgaat en God die wegneemt en een tijd van droogte gebruikt om mensen te beproeven, dan ontdek je wie de Heere zal gehoorzamen en wie niet. Wanneer het wat moeilijker wordt, wanneer er niet zoveel morele steun is, wanneer de wereld zich tegen het christendom begint te keren. Het verbaast me zo dat er tijdens mijn leven, alleen al in de afgelopen veertig jaar, zoveel kon veranderen in de houding van de wereld. In de jaren zeventig stond de cultuur zo welwillend tegenover Christus. De hippies die geen christen waren, mochten Jezus graag. Ze bewonderden Jezus. Ze dachten dat Hij een van hen was, denk ik. Hij was voor vrede, Hij was voor liefde. Hij werd altijd met lang haar afgebeeld. Mensen dachten waarschijnlijk dat Hij een hippie was. En dus vonden de hippies Hem geweldig. Natuurlijk kwamen duizenden van hen ook tot behoud en werden ze Jesus freaks.
Maar zo snel is diezelfde generatie Jezus en het christendom gaan beschouwen als de meest gehate, de meest weerzinwekkende dingen. Ik bedoel de mensen van mijn leeftijd die geen christen zijn en die Hem vroeger gunstig gezind waren. Mensen kunnen zo snel omslaan. Dus vurig blijven voor God wanneer de morele steun die je in de cultuur had verdwenen is, dat is de beproeving. Dat is de beproeving. Zul je zwichten wanneer de cultuur zwicht, of zul je tegen de cultuur ingaan wanneer dat moet?
God vergeten in een rustig, alledaags leven #
God liet ook deze middelen tot beproeving in Israël achter nadat de oorlogen voorbij waren. Er staat:
Hij liet deze volken in het land blijven om Israël door hen op de proef te stellen.
Dat wil zeggen, allen die geen van de oorlogen van Kanaän hadden meegemaakt, degenen die die opwekkingstijd van overwinning niet hadden beleefd, die gewoon een meer alledaags leven waren gaan leiden. Het is gemakkelijker om God te vergeten in tijden van vrede dan in tijden van oorlog. Het is zelfs gemakkelijker om aan God te denken in tijden van vervolging.
Het kan moeilijk zijn om voor God op te komen in tijden van vervolging. Maar wanneer je openlijk vervolgd wordt, vergeet je God tenminste niet, omdat Hij Degene is Die je de moeilijkheden bezorgt. Dat wil zeggen, je trouw aan Hem zorgt ervoor dat mensen je haten, en je moet dagelijks beslissen: ‘Blijf ik hiertegen standhouden en deze vervolging ondergaan? Ga ik zwichten?’ Die vragen leven. Die vragen houden je bezig.
Maar wanneer er geen oorlog is, geen opwekking, geen vervolging, geen van die dingen, en alles gewoon vlak is. Alles is gewoon alledaags: je werk doen, de rekeningen betalen, de kinderen grootbrengen, alle gewone dingen doen. Dan kan God gemakkelijk zo ver naar de achtergrond van je gedachten verdwijnen dat je bijna nooit meer bewust aan Hem denkt, omdat het leven redelijk goed is, het leven redelijk saai is, het leven redelijk routinematig is.
Dat is wat God voorzag. Er zou een generatie komen die de oorlog niet had meegemaakt. Mensen hadden zich gewoon gevestigd, zorgden voor hun boerderijen en leidden een gewoon boerenleven. Dan is het niet zo gemakkelijk om aan de Heere te denken. Niet dat het onmogelijk is. Je zou denken dat een boer zeker in een positie verkeert waarin hij wel aan de Heere moet denken, omdat hij op God moet vertrouwen voor regen en op God moet vertrouwen voor een geschikt oogstseizoen en dat alles.
Maar wanneer je in Kanaän woont, omringd door mensen die vruchtbaarheidsgoden en graangoden hebben, is het ook gemakkelijk om bij al die kringlopen aan iets anders te denken dan aan een verband met Jahweh. Al die goden en godinnen van de Kanaänieten waren vruchtbaarheidsgoden, en ze waren verbonden met zowel het voortbrengen van kinderen als het voortbrengen van gewassen. De graangoden waren de meest voorkomende goden onder de heidenen. Dus iemand die in een vreedzame tijd een boerenleven leidde, kon Jahweh gemakkelijk vergeten en dingen aan andere bronnen toeschrijven, wanneer er geen daadwerkelijke wonderen plaatsvonden die aan God moesten worden toegeschreven.
Vijanden blijven om Israël te leren strijden #
Vers 2 zegt:
alleen opdat de jongere generaties van de Israëlieten daarvan zouden weten, om hun de oorlog te leren, alleen hun die er tevoren niet van wisten:
Het klinkt alsof God het belangrijk vond dat geen enkele generatie van Israël te slap zou worden, te onbekwaam om oorlog te voeren wanneer dat nodig zou zijn. Door sommige van die volken daar te laten blijven, zouden er dus af en toe schermutselingen zijn, af en toe redenen om opnieuw te moeten mobiliseren en nooit te slap te worden. Maar die volken die niet aan de veroveringsoorlogen hadden deelgenomen, zouden iets van oorlogvoering moeten weten. En dus laat God opnieuw vijanden in de buurt blijven.
Ongetwijfeld zit daar ook iets van in onze eigen geestelijke ervaring. Het is moeilijk te begrijpen waarom God ervoor zou kiezen om het zo te doen, maar het is niet moeilijk om vast te stellen dat Hij het zo heeft gedaan. Wanneer we christen worden, waarom zorgt God er dan niet gewoon voor dat de duivel ons met rust laat? Waarom zuivert God ons niet gewoon onmiddellijk van al onze zonden? De wesleyaanse leer onderwijst immers dat je volledige heiliging ontvangt en dat je zondige natuur gewoon uit je wordt getrokken. Je hebt geen zondige natuur meer wanneer je volledige heiliging ontvangt, als een tweede genadewerk in de wesleyaanse theologie. Of sommige mensen denken dat het gebeurt wanneer je tot behoud komt of zoiets. Niet veel mensen die realistisch zijn.
Maar de waarheid is dat we ons afvragen: waarom neemt God niet gewoon sneller alle hindernissen in ons christelijke leven weg, in elk geval alle vijanden vanbinnen? En het antwoord is misschien dat God niet wil dat we al te slap worden. Hij wil dat we blijven vechten en strijden, dat we geestelijke spieren opbouwen. Misschien helpt het ons te beseffen hoezeer we Hem nodig hebben, omdat er voortdurend gevaar blijft bestaan. En zo liet Hij de situatie voor Israël voortbestaan. Nu, degenen die Hij in het land achterliet, vers 3, zijn namelijk:
vijf vorsten van de Filistijnen, en al de Kanaänieten, de Sidoniërs en de Hevieten, die in het bergland van de Libanon woonden, van de berg Baäl-Hermon af tot aan Lebo-Hamath.
We hebben het al eerder gehad over de vijf steden van de Filistijnen langs de Middellandse Zee, die daar eeuwenlang onveroverd bleven, tot de tijd van David. En dan:
alle Kanaänieten, Sidoniërs en Chiwwieten die in het Libanongebergte woonden, van de berg Baäl-Hermon tot aan de ingang van Hamath.
Er is daar dus een gebied in het noorden waar veel Kanaänieten nog steeds aan hun grondgebied vasthielden.
Er staat:
Zij waren er om Israël door hen op de proef te stellen, opdat men zou weten of zij naar de geboden van de HEERE zouden luisteren, die Hij hun vaderen door de dienst van Mozes geboden had.
Het gaat dus niet alleen om het gebod om het land te veroveren. Ze moeten alle geboden houden die God door Mozes heeft gegeven. Daarmee worden natuurlijk de godsdienst en de wet van Mozes bedoeld, vooral dat ze geen andere goden mochten aanbidden. De voornaamste eis van de mozaïsche wetgeving is dat je geen andere goden aanbidt, en daarop werden ze beproefd. En daarin faalden ze, want ze aanbaden wel andere goden.
Trouwen met een ongelovige en geloof doorgeven #
5Toen nu de Israëlieten te midden van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten woonden, 6namen zij hun dochters voor zich tot vrouwen en gaven zij hun eigen dochters aan hun zonen. En zij dienden hun goden.
Nu, dit was iets wat verboden was. En het is iets wat altijd, in elke generatie, ook voor christenen, een punt van zorg is. En dat is met wat voor mensen onze kinderen trouwen. We kunnen onze kinderen opvoeden om God te dienen, maar als ze trouwen met iemand die God niet zal dienen, is de kans groot dat de kleinkinderen niet helemaal hetzelfde geloof zullen hebben als wij voor hen voor ogen hebben. Als onze kleinkinderen twee godvruchtige ouders hebben, is er in elk geval een goede kans dat ze opgroeien met christelijk onderwijs en christelijke normen, hopelijk. En misschien hebben we dan ook meer reden om te hopen dat ze zelf een levend geloof zullen hebben.
Maar als ze één ouder hebben die geen gelovige is, krijgen de kinderen vanaf de eerste dag van hun leven twee modellen voorgehouden, twee mogelijkheden. De ene ouder wil dat ze God dienen; de andere niet. En degene die dat niet wil, lijkt misschien zelfs een aantrekkelijker leven te hebben, in elk geval voor het vlees, en dat kan de kinderen wegtrekken. Bovendien zal het ook de godvruchtige huwelijkspartner ertoe brengen compromissen te sluiten. Want bij het in stand houden van een huwelijk moeten er allerlei compromissen worden gesloten om de vrede te bewaren. Geen twee mensen denken precies hetzelfde. En om in vrede met elkaar te kunnen omgaan en goed onder hetzelfde dak te kunnen leven, moeten mensen geven en nemen.
En wat een christen vaak moet prijsgeven om in vrede met een niet-christelijke huwelijkspartner te leven, zijn sommige van de scherpere kanten van zijn christelijke geloof. Het vuur van zijn ijver moet wat worden getemperd. Anders zal hij voortdurend in conflict zijn met degene die geen belangstelling voor die dingen heeft of er misschien zelfs vijandig tegenover staat. Je kunt óf korte tijd een verschrikkelijk huwelijk hebben dat ergens zal ontploffen, óf, als je een langdurig huwelijk met zo iemand wilt hebben, moet je op bepaalde punten compromissen sluiten. Dat is niet goed. Compromissen sluiten is niet goed.
En natuurlijk bestaat altijd de mogelijkheid, maar die is klein, dat de godvruchtige huwelijkspartner de goddeloze huwelijkspartner tot Christus zal brengen. Dat is wat de godvruchtige persoon altijd verwacht. Als iemand werkelijk godvruchtig is en serieus overweegt met een niet-christen te trouwen, heeft die altijd in gedachten: ‘Nou, ik zal die ander zeker wel tot Christus brengen zodra we getrouwd zijn.’ Hoe vaak dat gebeurt, daar heb ik de cijfers niet van. Maar ik heb toch echt de indruk dat het niet zo vaak gebeurt, vooral als de godvruchtige partner de vrouw is en de goddeloze de man.
Het is iets waarschijnlijker dat een godvruchtige man zijn gezin, met inbegrip van zijn vrouw, tot geloof brengt dan dat een godvruchtige vrouw haar goddeloze man tot geloof brengt, hoewel beide wel gebeuren. Het is alleen zo dat de leiding van een man in geestelijke zaken vaker serieus wordt genomen door een vrouw dan de leiding van een vrouw op die gebieden. Een man die niet godvruchtig is, ergert zich vaak aan de vrouw die hem godsdienst probeert op te dringen. Vaak vat hij het op alsof zij zijn leiderschap naar zich toetrekt of zich boven hem verheven voordoet. Het mannelijke ego reageert slecht op dat soort dingen.
Dus wanneer een godvruchtige vrouw trouwt met een man die niet godvruchtig is, denkt ze bijna altijd: ‘Nou, ik kan hem wel verbeteren.’ Maar bijna altijd heeft ze het mis. Meestal is zij degene die tot compromissen wordt gebracht.
Ik heb eens een verhaal gehoord over een jong stel. Zij was christen; de jongeman was geen christen. Ze kwamen bij de voorganger voor huwelijksvoorbereidende gesprekken. En de voorganger raadde het huwelijk af, omdat de jongeman geen gelovige was. En zoals gebruikelijk zei het jonge meisje: ‘Nou, ik geloof dat hij niet ver van het Koninkrijk is, en ik denk dat mijn invloed op hem hem tot Christus zal brengen wanneer we getrouwd zijn.’
En dus zei hij tegen het meisje dat ze op het bureau moest gaan staan, en tegen de jongeman dat hij op de grond moest gaan staan. Ze moesten elkaars handen vasthouden. En hij zei: ‘Probeer jij hem nu op het bureau te trekken, en probeer jij haar naar beneden, op de grond te trekken.’ En raad eens wie er won? De menselijke natuur neigt naar beneden. Zwaartekracht. Zelfs christenen moeten strijd leveren in een goede omgeving, in een bemoedigende omgeving. In een godvruchtige omgeving moeten christenen tegen hun eigen neerwaartse neigingen strijden. Wanneer ze moeten proberen iemand anders omhoog te trekken die niet eens tegen die neerwaartse neiging strijdt, kan alleen een uitzonderlijk wonder dat tot een succes maken. Het gebeurt wel. Ik heb vrouwen gekend die hun man tot Christus hebben gebracht, God zij dank. Sommigen van die mannen zijn geweldige echtgenoten en geweldige christenen geworden. Maar het is beslist de uitzondering, en wie dat gaat proberen, neemt een gok waarbij de kans op succes heel klein is.
Gemengde huwelijken vóór de zondvloed #
Het probleem dat zich hier in Israël voordeed, was dat er gemengde huwelijken waren. Dat is heel goed mogelijk hetzelfde probleem dat zich vóór de zondvloed in de wereld voordeed. Dat hangt natuurlijk af van de uitleg die je geeft aan die verzen in Genesis 6 over de zonen van God die met de dochters van de mensen trouwden. Velen geloven dat dit verwijst naar engelen die met menselijke vrouwen trouwden. Anderen geloven dat het verwijst naar godvruchtige mannen die bij hun huwelijkskeuze concessies deden en met goddeloze vrouwen trouwden. Zelf geef ik eigenlijk de voorkeur aan de tweede van die mogelijkheden. De meeste christenen die ik ken, lijken de voorkeur te geven aan de eerste, maar het zou verklaren waarom God uiteindelijk de zondvloed moest brengen.
Vóór deze huwelijken waren er sommigen die hun godsvrucht behielden en die ongetwijfeld doorgaven. Er was een overblijfsel onder de nakomelingen van Adam en Eva dat de God van Adam en Eva nog kende, hun kinderen leerde Hem ook te kennen en een godvruchtig getuigenis in de wereld in stand hield. Maar toen het moment kwam waarvan er staat:
dat Gods zonen de dochters van de mensen zagen dat zij mooi waren, en zij namen zich vrouwen uit allen die zij uitgekozen hadden.
Dat suggereert dat deze specifieke generatie godvruchtige mensen hun vrouwen niet koos op grond van wederzijdse overtuigingen, een gemeenschappelijk geloof of godsvrucht. Ze zagen dat ze mooi waren. Ze trouwden uitsluitend op grond van hun verlangens, hun lichamelijke aantrekkingskracht. Dat leidt natuurlijk meestal niet tot goede keuzes wat het karakter betreft.
Het is zelfs vaak een uitzondering dat een vrouw die heel aantrekkelijk is, ook heel godvruchtig is. Dat is zeldzaam. Ook dat komt voor, maar het is niet zo gebruikelijk. Een vrouw die heel mooi is, is gewoonlijk van jongs af aan verwend. Mensen hebben zich naar haar geschikt en haar geleerd te verwachten dat ze haar zin krijgt, enzovoort, omdat lichamelijke schoonheid mensen ertoe kan brengen toe te geven. Vrouwen leren vaak hoe ze dat in hun eigen voordeel kunnen gebruiken, zodat ze God niet nodig hebben en zich minder tot God wenden. Dus de mannen die uitsluitend op grond van het uiterlijk met vrouwen trouwden, kregen niet noodzakelijk de partners die het godvruchtigst zouden zijn en de beste moeders voor hun kinderen, om hen in de wegen van God op te voeden.
Het lijkt mogelijk dat we in Genesis 6 gewoon hetzelfde soort dingen zien als hier in deze passage: godvruchtige mensen die met goddeloze mensen trouwen, en daarmee komt er een einde aan de godvruchtige lijn. De kinderen komen niet tot geloof.
Othniël bevrijdt Israël uit de onderdrukking #
Dat is de samenvatting van hoofdstuk 2, ik zou zeggen waarschijnlijk vanaf vers 11, tot hoofdstuk 3, vers 6. Dat is het einde van de tweede inleiding, die in algemene zin laat zien wat er steeds weer in Israël gebeurde. Vanaf vers 7 worden er dus specifieke gevallen opgesomd, het eerste van de zes kringlopen die worden beschreven. Die vormen het hoofdgedeelte van het boek. We zijn nu van de inleiding naar het hoofdgedeelte gegaan.
Onze eerste richter wordt Othniël. We kennen hem al vanwege zijn heldendaad: hij veroverde de stad om een vrouw te krijgen, want Kaleb had zijn dochter ten huwelijk aangeboden aan de man die deze stad zou veroveren. Othniël veroverde haar en kreeg op die manier een vrouw. Maar er waren nog meer heldendaden die deze man moest verrichten.
Vers 7 zegt:
7En de Israëlieten deden wat slecht was in de ogen van de HEERE, en zij vergaten de HEERE, hun God, en dienden de Baäls en de gewijde palen. 8Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen Israël en Hij leverde hen over in de hand van Cusjan Risjataïm, de koning van Mesopotamië. En de Israëlieten dienden Cusjan Risjataïm acht jaar.
Nu, deze man — het is interessant, er bestaat onder de Perzen een overlevering dat er oude Iraanse heersers waren die Kushan heetten, en Kushan met een koppelteken en nog iets erachter. Uit de oude Perzische verhalen is er zelfs één bekend die een naam had die hier sterk op leek. Het was niet helemaal Cusjan Risjataïm, maar het was zoiets als ‘Kushan-Rithiam’, of iets dergelijks. Het leek erop. Er bestaan in de Perzische verhalen inderdaad legenden over deze Iraanse heersers die naar het zuiden trokken en Syrië en Palestina en andere gebieden veroverden. En dat lijkt te bevestigen wat hier staat.
Uit Mesopotamië — dat is het gebied van Babylon en Perzië enzovoort, Iran en Irak. Deze man kwam dus van vrij ver, veroverde dat gebied en hield het acht jaar in zijn macht.
9Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE. En de HEERE deed voor de Israëlieten een verlosser opstaan, die hen verloste: Othniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, die jonger was dan hij. 10En de Geest van de HEERE was op hem en hij gaf leiding aan Israël en trok ten strijde. En de HEERE gaf Cusjan Risjataïm, de koning van Syrië, in zijn hand, zodat hij de overhand kreeg op Cusjan Risjataïm.
De Geest van God geeft richters de overwinning #
Nu wordt dit ook van sommige andere richters gezegd, dat de Geest van de Heere op hen kwam. Het wordt van Gideon gezegd in hoofdstuk 6, vers 34. De Geest van de Heere kwam ook op hem. Ook van Jefta, in hoofdstuk 11, vers 29. En het wordt ook meer dan eens van Simson gezegd, in hoofdstuk 13, vers 25, en in hoofdstuk 14, vers 6. Er staat dat de Geest Simson aandreef. Van vier van de richters wordt dus uitdrukkelijk gezegd dat de Geest van de Heere op hen kwam. Misschien moeten we aannemen dat dit in elk geval gebeurde en dat het alleen af en toe wordt vermeld. Maar het was de Heere Die hen deed opstaan. Het was de Geest van God op hen Die hen in staat stelde de heldendaden te verrichten die ze verrichtten. Zoals Zacharia 4:6 zegt:
Daarop antwoordde Hij en zei tegen mij: Dit is het woord van de HEERE tot Zerubbabel: Niet door kracht en niet door geweld, maar door Mijn Geest, zegt de HEERE van de legermachten.
En zo bewees deze man, die zich eerder al in de strijd had bewezen en naam had gemaakt, Israël opnieuw een dienst. Hij werd vervuld met de Geest van God en werd uiteindelijk een richter van Israël.
Toen had het land veertig jaar rust. En Othniël, de zoon van Kenaz, stierf.
Het was veertig jaar, maar er staat niet wanneer hij stierf. Ik vermoed dat hij aan het einde van die veertig jaar stierf. Maar wat ons niet wordt verteld, zijn de bijzonderheden van deze veldslag. We krijgen de bijzonderheden te horen van sommige veldslagen die nog komen, en de activiteiten van de volgende richter worden tot in uitputtend detail beschreven. Maar hier lezen we alleen dat Othniël opstond, blijkbaar de troepen bijeenbracht, tegen hen ten strijde trok en hen versloeg. En hij deed dit doordat de Geest van de Heere op hem kwam, en blijkbaar gaf de Geest van de Heere hem de overwinning. Maar we kennen de bijzonderheden van zijn strijdplan niet, zoals bij sommige anderen wel het geval is.
Eglon verovert Jericho en onderdrukt Israël #
We komen bij de volgende richter, en we lezen in vers 12:
Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van de HEERE. Toen maakte de HEERE Eglon, de koning van Moab, sterk tegen Israël, omdat zij deden wat slecht was in de ogen van de HEERE.
En dit wordt een terugkerend thema: steeds weer, steeds weer en steeds weer lezen we dat ze deden wat slecht was in de ogen van de Heere. Daarmee begon dus een nieuwe cyclus. Ze hadden de cyclus waarin ze kwaad deden, er acht jaar onderdrukking kwam, ze tot de Heere riepen, Hij een richter deed opstaan en hen verloste, en ze veertig jaar vrede hadden. Nu gaat iets soortgelijks gebeuren, onder enigszins andere omstandigheden.
En hij verzamelde de Ammonieten en de Amalekieten bij zich en ging op weg . Hij versloeg Israël en zij namen de Palmstad in bezit.
Moab lag ten oosten van het gebied van Ruben. Bedenk dat aan de oostkant van de Jordaan tweeënhalve stam hun gebied in bezit hadden genomen: Ruben en Gad en de helft van de stam Manasse. Zowel Ammon als Moab, twee van deze drie volken, lagen ten oosten daarvan. Toen ze Israël binnenvielen, vielen ze dus eerst dit gebied van die tweeënhalve stam aan de overkant van de Jordaan binnen. Ongetwijfeld trokken ze daar overheen en veroverden ze het waarschijnlijk. Maar ze slaagden er ook in de Jordaan over te steken en binnen te dringen in wat hier de Palmstad wordt genoemd, en dat is vrijwel zeker Jericho. Jericho wordt gewoonlijk de Palmstad genoemd.
En dat betekent dus dat dit net zo ging als toen Jozua eerder door dat gebied aan de overkant van de Jordaan was getrokken, de Jordaan was overgestoken en bij Jericho was gekomen. Dat was het begin van zijn verovering. Jericho was een goede plek om je verovering van Palestina te beginnen, omdat het centraal genoeg lag om te verhinderen dat de noordelijke en zuidelijke gebieden hun krachten tegen je konden bundelen. Je drijft een wig in het land en baant je met geweld een weg naar binnen. Het was ook een oase in de woestijn. Het was een heel aangename plek om te zijn.
Deze Eglon, die koning van Moab wordt genoemd, moet niet de enige koning van Moab zijn geweest. Want toen hij stierf, lezen we niets over aanhoudende gevechten of iets dergelijks. Er moet nog een koning zijn geweest, want deze Eglon vestigde zijn hoofdkwartier in Jericho. En er was beslist verder naar het oosten een hoofdstad van Moab waarover een andere koning geregeerd moet hebben. We weten niet veel, behalve wat ons hier wordt verteld. Maar hij nam de Palmstad in bezit en vestigde zich daar, dus in Jericho. Hij was dus doorgedrongen tot het westelijke deel van Israël, ten westen van de Jordaan.
En de Israëlieten dienden Eglon, de koning van Moab, achttien jaar.
We weten niet of hij over het hele land ten westen van de Jordaan regeerde. Maar omdat hij eerst door het oostelijke deel, ten oosten van de Jordaan, moest trekken, hield hij dat gebied waarschijnlijk onder zijn gezag. Waarschijnlijk stonden Ruben en Gad en Manasse onder zijn gezag. En omdat hij nu aan de westkant was, moet hij ook minstens een deel van het land van Israël aan de westkant onder zijn gezag hebben gehad, zo niet het grootste deel, zo niet het hele land. En die onderdrukking duurde achttien jaar.
Ehud bereidt de bevrijding voor #
Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE, en de HEERE deed voor hen een verlosser opstaan: Ehud, de zoon van Gera, een Benjaminiet, een man die linkshandig was. De Israëlieten stuurden door zijn dienst schatting aan Eglon, de koning van Moab.
Het woord ‘linkshandig’ betekent in het Hebreeuws eigenlijk zwak of beperkt in de rechterhand. Dus hij is duidelijk linkshandig. Zijn rechterhand was zwakker en daarom was hij linkshandig. Onder de Benjaminieten lijken vaker linkshandige mannen voor te komen dan onder de meeste anderen. Linkshandigheid is iets zeldzaams in de Bijbel, maar als het voorkomt, is het vaak onder mensen uit de stam Benjamin, zoals in dit geval. Om de een of andere reden. Ik weet niet waarom.
Ze moesten dus hun schatting betalen, waarschijnlijk jaarlijks. En Ehud was de man die de delegatie van de Israëlieten leidde om de geschenken, het geld, naar hun overheerser te brengen. Maar Ehud had een goed uitgedachte strategie voor de bevrijding. Het was óf heel goed uitgedacht, óf hij had gewoon ontzettend veel geluk. Want om zijn plan te laten slagen, moesten er heel wat omstandigheden precies goed zijn. Hij moest ervoor zorgen dat hij de koning onder vier ogen kon spreken, zonder dat er dienaren van de koning in de buurt waren. Hij moest op een plek zijn waar hij door een raam kon ontsnappen en over het veld kon wegrennen zonder vanuit het paleis gezien te worden. Hij moest de situatie echt grondig hebben onderzocht. Of hij deed gewoon iets roekeloos en God zegende hem, en alles liep goed af.
Maar waarschijnlijk ging Ehud regelmatig, misschien jaarlijks, met de delegatie naar Eglon om deze geschenken te brengen. In die tijd had hij tot op zekere hoogte kunnen bekijken hoe het terrein erbij lag, hoe het paleis in elkaar zat, wat de gewoonten van de koning waren, enzovoort. Zo kon hij een plan maken dat zo goed zou werken als dit plan.
Ehuds verborgen zwaard en linkshandigheid #
Ehud maakte voor zichzelf een zwaard dat twee scherpe kanten had, met de lengte van een el, en hij gordde het aan onder zijn kleren, aan zijn rechterheup.
Dat is zesenveertig centimeter.
Daarom wordt ons dus verteld dat hij linkshandig is. Er is een reden om dat te vermelden. Een linkshandige krijger had kracht in zijn linkerhand en zou daarom zijn zwaard aan zijn rechterdij dragen. Ik weet zelf niet eens wat rechts en links is. Een gewone krijger zou zijn zwaard daarentegen aan zijn linkerdij dragen, zodat hij het met zijn rechterhand kon trekken voor de strijd.
Als hij nu een zwaard langs de binnenlandse veiligheidsdienst in Jericho wil smokkelen: ze hebben geen metaaldetectoren, maar ze zullen hem waarschijnlijk fouilleren. Ze zouden bij de linkerdij naar verborgen wapens zoeken. Ze nemen aan dat bijna iedereen rechtshandig is en dat iemand die een wapen verbergt om het te kunnen trekken, het daarom links zal dragen. Maar hij was linkshandig. Dat betekende dat hij met zijn linkerhand kon vechten en zijn zwaard aan de andere kant kon dragen, waar ze waarschijnlijk niet zouden controleren. Het zat onder zijn gewaad. Dus als ze hem fouilleren, zullen ze waarschijnlijk vooral aan de andere kant voelen om te kijken of hij daar een zwaard heeft. En zo kon hij het dankzij zijn linkshandigheid verborgen houden.
Er staat dus dat hij voor zichzelf een dolk maakte. In de meeste van deze gevallen mochten de Israëlieten van hun onderdrukkers geen wapens hebben. We lezen bijvoorbeeld over de dagen van Sisera, toen hij Israël onderdrukte, dat
Koos men nieuwe goden, dan was er strijd in de poorten. Werd er ook een schild of speer gezien onder veertigduizend in Israël?
Hun onderdrukkers hielden hen ontwapend. Maar hij had blijkbaar het gereedschap of de kennis om een zwaard te maken van een of ander materiaal dat hij had. Dus maakte hij er een voor zichzelf en verborg het aan zijn rechterdij.
Ehud krijgt Eglon onder vier ogen #
En het gebeurde, toen hij gereed was met het aanbieden van de schatting, dat hij de mensen die de schatting gedragen hadden, wegstuurde.
Dat wil zeggen: hij kwam met een delegatie en stuurde hen vervolgens naar huis. Misschien om hen buiten gevaar te brengen voor het geval zijn plan mislukte, om hen in veiligheid te brengen. Daarna keerde hij blijkbaar terug naar Eglon, nadat Eglon naar boven was gegaan, naar zijn verkoelende vertrek, zoals het genoemd wordt. Hij was een heel dikke man, wordt ons verteld, en het was een heel hete plek om te wonen. Er was dus blijkbaar boven op het dak een ruimte, een vertrek waar hij verkoeling kon zoeken.
Nadat hij de delegatie die bij hem was had weggestuurd, keerde Ehud terug vanaf de stenen beelden. Dat waren waarschijnlijk zuilen die de grens tussen Israëlitisch en Moabitisch gebied markeerden. [Vertalersnoot: de spreker gebruikt hier de Engelse aanduiding ‘stone images’, oftewel ‘stenen beelden’. Het Nederlandse Bijbelcitaat hieronder spreekt van ‘afgodsbeelden’.] Hij stuurde de delegatie die bij hem was dus blijkbaar terug naar een veilige plek, buiten het bereik van de Moabieten. En hij keerde terug en zei:
Zelf keerde hij echter vanaf de afgodsbeelden die in Gilgal waren terug en zei: Ik heb een geheime zaak voor u, koning. Deze zei: Stilte! En allen die om hem heen stonden, gingen bij hem weg.
En hij zei:
Wees stil.
En iedereen die hem bediende, ging bij hem weg.
Dat wil zeggen, de koning zei:
Wees stil.
Spreek niet voordat we hier onder vier ogen zijn. Het is een geheime boodschap. Wanneer hij zegt: ‘Goed, houd je stil’, is dat het teken voor zijn dienaren: ‘Ga weg, want ik wil dit niet horen waar jullie bij zijn.’ Dus de dienaren vertrokken en de deur werd gesloten. En zo vond hier een gesprek onder vier ogen plaats.
Blijkbaar had Ehud het vertrouwen van Eglon gewonnen. Misschien kenden ze elkaar van verschillende bezoeken door de jaren heen. Dat waren beslist geen vriendschappelijke bezoeken, maar gelegenheden waarbij Ehud was gekomen om de schatting te brengen. Als dat al vaak was gebeurd, dan was het routine. Er was dan geen reden om te verwachten dat deze man iets verraderlijks zou doen. En waarschijnlijk was hij bij binnenkomst gefouilleerd om er zeker van te zijn dat hij geen wapen bij zich had. Eglon was dus weerloos en niet op zijn hoede. Er staat:
Ehud kwam naar hem toe.
Hij zat nu boven in zijn koele privévertrek. Toen zei Ehud:
Ik heb een boodschap van God voor je.
Daarop stond Eglon op van zijn stoel. Zo zou iemand respect tonen voor God of voor een koning. Je zou ook opstaan als er een koning kwam of als hij je een boodschap stuurde. Opstaan is een manier om respect te tonen.
Ehud doodt Eglon en ontsnapt #
21Toen strekte Ehud zijn linkerhand uit, nam het zwaard van zijn rechterheup en stak het in zijn buik, 22zodat zelfs het heft achter het lemmet erin ging. Het vet sloot zich om het lemmet (hij trok het zwaard namelijk niet uit zijn buik) en de darminhoud kwam eruit.
De man was eigenlijk zo dik dat het zwaard gewoon in hem verdween en daar bleef zitten. Wat naar buiten kwam was niet het zwaard, maar zijn ingewanden. [Vertalersnoot: de spreker volgt hier de Engelse formulering ‘his entrails’, oftewel ‘zijn ingewanden’. Het Nederlandse Bijbelcitaat hierboven heeft ‘de darminhoud’.] De man was dus dood, of in elk geval dodelijk gewond en zou spoedig sterven.
Toen ging Ehud naar buiten de galerij op. De deuren van het bovenvertrek sloot hij achter zich en deed ze op slot.
Dit betekent gewoon dat hij de deuren op slot deed waardoor de dienaren naar binnen zouden komen. Het vertrek was daardoor niet toegankelijk vanuit de gang. Zelf ontsnapte hij vervolgens langs een andere weg, blijkbaar door het raam, en rende weg.
Er staat:
Toen hij naar buiten gegaan was, kwamen zijn dienaren kijken, maar zie, de deuren van het bovenvertrek zaten op slot. Toen zeiden zij: Hij doet zeker zijn behoefte in het koele vertrek.
Dus ze zeiden:
Hij zit waarschijnlijk zijn behoefte te doen in de koele kamer.
Eigenlijk staat er in het Hebreeuws dat hij ‘zijn voeten bedekt’. Dat is een verzachtende uitdrukking die elders in de Schrift wordt gebruikt voor naar het toilet gaan. Ze namen dus aan dat hij, zoals het hier wat kieser wordt uitgedrukt, zijn behoefte deed. Ze wilden de koning niet storen terwijl hij naar het toilet ging. Dat zou een gênante situatie zijn. Het zou hun de kop kunnen kosten. Een man wil op zulke momenten zijn privacy, dus klopten ze niet aan. Ze wachtten gewoon en gaven hem wat tijd.
En zij bleven tot schamens toe wachten, maar zie, hij opende de deuren van het bovenvertrek niet. Toen namen zij de sleutel en deden open. En zie, hun heer lag dood op de grond.
Zo van: ‘Dit is gênant. Waarom zou hij er zo lang over doen?’
Israël verslaat Moab bij de Jordaan #
26Maar Ehud ontkwam, terwijl zij wachtten. Hij kwam langs de afgodsbeelden en ontkwam naar Sehira. 27En het gebeurde, toen hij daar aankwam, dat hij op de bazuin blies in het bergland van Efraïm. En de Israëlieten daalden met hem af uit het bergland, en hijzelf ging vóór hen uit.
Dat trompetgeschal zou overal herkend worden als een oproep tot de strijd. Blijkbaar was het enige wat de Israëlieten er tot dan toe van had weerhouden zich te mobiliseren, dat niemand bereid was hen te leiden. De leider zou natuurlijk degene zijn die, als hij faalde, het zwaarst door Eglon zou worden aangepakt. Tot nu toe was er dus niemand opgestaan die zo moedig het voortouw had genomen. Maar zodra iemand dat wel deed, waren er genoeg mannen van Israël bereid zich bij hem aan te sluiten. Ze waren namelijk al achttien jaar onderdrukt en begonnen daar genoeg van te krijgen. Ze hadden tot de HEERE geroepen, dus misschien verwachtten ze bevrijding. In geloof sloten ze zich bij hem aan.
En hij zei tegen hen: Volg mij, want de HEERE heeft uw vijanden, de Moabieten, in uw hand gegeven. En zij daalden af, achter hem aan, namen de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan naar Moab in en lieten niemand oversteken.
Er waren plaatsen waar je de rivier kon oversteken. De doorwaadbare plaatsen waren de oversteekpunten. Ik weet niet of het daar ondieper was, of dat ze er een soort constructies hadden gebouwd, maar een doorwaadbare plaats is een plek waar je een rivier oversteekt. Eglon en zijn mannen bevonden zich aan de westkant van de rivier, net als de Israëlieten. Maar de Moabieten aan de oostkant zouden als versterking kunnen oversteken om te vechten en deze opstand neer te slaan. Ze moesten dus de plaats innemen waar de oversteek zou plaatsvinden. Zo konden alle Moabieten die naar de westkant zouden oversteken om de Israëlieten te bestrijden, alleen in smalle colonnes over de doorwaadbare plaats komen. Daardoor konden ze doeltreffender worden tegengehouden. Ze lieten dus niemand oversteken.
En in die tijd versloegen zij de Moabieten, ongeveer tienduizend man, allemaal welgedane en strijdbare mannen, zodat niet één man ontkwam.
Waarschijnlijk waren dit allemaal mannen die overstaken, naar alle waarschijnlijkheid om oorlog te voeren. Maar telkens wanneer ze aan de Israëlitische kant van de rivier aankwamen, werden ze gedood. Tienduizend man.
Zo werd Moab op die dag onder de hand van Israël vernederd. En het land had tachtig jaar rust.
Volgens mij de langste periode die in het boek Richteren wordt vermeld.
Samgar bevrijdt Israël met een ossenprik #
Dan krijgen we het verhaal van Samgar. We zullen hem snel behandelen, want dat doet de Bijbel ook. Er staat:
Na hem nu kwam Samgar, zoon van Anath. Hij doodde de Filistijnen, zeshonderd man, met een prikstok voor ossen. Zo verloste ook hij Israël.
We weten nog één ding over de omstandigheden hiervan, en dat wordt genoemd in het lied van Debora, in hoofdstuk 5, vers 6. Toen ze een latere overwinning vierden, keken ze ook terug op de overwinningen van Samgar en bezongen die in een lied. Er staat in vers 6:
In de dagen van Samgar, de zoon van Anath, in de dagen van Jaël, lagen de wegen verlaten, en zij die de paden bewandelden, gingen kronkelwegen.
Wat dit blijkbaar betekent, is dat de hoofdwegen gevaarlijk waren, zodat de mensen die niet gebruikten. Ze gebruikten de zijwegen, de minder vrijgemaakte paden die naar dezelfde plek leidden. Dat waren achterafwegen, zoals wanneer de snelweg verstopt zit en je achterafwegen probeert te vinden om te komen waar je heen wilt. Ze bleven van de snelwegen af, omdat de hoofdwegen de plaatsen waren waar de garnizoenen van de vijand marcheerden. Die konden je lastigvallen, ze konden je beroven, ze konden je doden. De Israëlieten werden geterroriseerd en bleven van de hoofdwegen af, zo wordt ons verteld.
Het kan zijn dat Samgar iemand was die eenvoudig besloot dat hij het niet langer zou pikken. Hij pakte het enige wapen dat binnen handbereik was, en dat was een ossenprik. Een ossenprik is een lange stok met een metalen punt aan het uiteinde, en hij is gewoonlijk zo'n tweeënhalve meter lang. Het is een behoorlijk goed wapen. Het is een stevige stok, en een man die er handig mee is, zou hem gemakkelijk net zo doeltreffend kunnen hanteren als welk wapen uit de oudheid dan ook. En hij deed het beter dan de meesten.
Er wordt ons niet verteld dat de Geest van de Heere over hem kwam, maar dat zouden we kunnen aannemen. Toen Simson soortgelijke daden verrichtte, wordt ons verteld dat de Geest van de Heere over hem kwam. Dus misschien worden we geacht hier hetzelfde aan te nemen: dat deze man iets deed wat bijna bovenmenselijk was. Hij doodde zeshonderd Filistijnen, waarbij hij waarschijnlijk de wegen vrijmaakte en zo Israël verloste, in die zin dat hij de wegen vrijmaakte. Ze konden weer zonder angst reizen. Ze werden niet langer onderdrukt door, in dit geval, Filistijnen.
Het lijkt erop dat niet alleen indringers uit het oosten, zoals Moab, maar ook uit het westen, de Filistijnen, probeerden binnen te dringen en het volk te kwellen. Maar in dit geval doodde deze man er genoeg om hen ertoe te brengen zich terug te trekken en Israël een tijdlang met rust te laten.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Judges 2:6 - 3:30. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/richteren/2-6-3-31
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/richteren/2-6-3-31.pdf?v=b87c876ae3e9
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Richteren - Lezing 03 - 2.6-3.31.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/richteren/2-6-3-31.mp3?v=a34b815ff602
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Richteren - Lezing 03 - 2.6-3.31.mp3
Richteren
Alle lezingen over Richteren. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Inleiding God is Koning, richters leiden Israël
- 2 1:1-2:5 Israël verdrijft niet alle Kanaänieten
- 3 2:6-3:31 Israël verlaat God, God stuurt richters
- 4 4-5 Debora leidt Israël, Jaël doodt Sisera
- 5 6-7 Gideon verslaat Midian met 300 mannen
- 6 8-9 Abimelech doodt zijn broers en wordt koning
- 7 10-11 Jefta wordt leider en doet een gelofte
- 8 12-14 Jefta en Efraïm raken slaags
- 9 15-16 Delila verraadt Simson aan de Filistijnen
- 10 17-18 Micha aanbidt Jahweh met een afgodsbeeld
- 11 19-21 Burgeroorlog roeit Benjamin bijna uit
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/richteren/2-6-3-31.srt?v=d73034d31bfc
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Richteren - Lezing 03 - 2.6-3.31.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/richteren/2-6-3-31.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Richteren 2:6
- Richteren 2:7
- Richteren 2:8-9
- Richteren 2:10
- Richteren 2:11
- Richteren 2:12-13
- Richteren 2:14-15
- Richteren 2:16
- Richteren 2:17
- Richteren 2:18-19
- Richteren 2:20-22
- Hebreeën 4:2
- Jakobus 4:6
- 1 Samuel 2:30
- Efeze 6:12
- 2 Korinthe 10:4-5
- Richteren 2:20-21
- Richteren 2:23
- Richteren 3:1
- Richteren 3:2
- Richteren 3:3
- Richteren 3:4
- Richteren 3:5-6
- Genesis 6:2
- Richteren 3:7-8
- Richteren 3:9-10
- Zacharia 4:6
- Richteren 3:11
- Richteren 3:12
- Richteren 3:13
- Richteren 3:14
- Richteren 3:15
- Richteren 3:16
- Richteren 5:8
- Richteren 3:18
- Richteren 3:19
- Richteren 3:21-22
- Richteren 3:23
- Richteren 3:24
- Richteren 3:25
- Richteren 3:26-27
- Richteren 3:28
- Richteren 3:29
- Richteren 3:30
- Richteren 3:31
- Richteren 5:6