Numeri 33-36
De stammen krijgen hun land in Kanaän
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/numeri/33-36.pdf?v=1fde9fd21a25. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/numeri/33-36.
Samenvatting
Israëls reisroute, de verdeling van Kanaän en de bepalingen over vrijsteden en erfbezit.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt Israëls rustplaatsen in de woestijn, de grenzen en verdeling van Kanaän en de steden voor de Levieten. Hij benadrukt dat Israëls blijvende bezit van het land afhankelijk was van gehoorzaamheid aan Gods verbond. Bij de vrijsteden behandelt hij het onderscheid tussen moord en onopzettelijke doodslag, de doodstraf en de verontreiniging van het land door onschuldig bloed, waarbij hij ook abortus betrekt; daarnaast ziet hij hierin een voorafbeelding van de veiligheid die er alleen is zolang je in Christus blijft. Vanuit de erfrechtelijke bepalingen voor de dochters van Zelafead bespreekt hij ten slotte de partnerkeuze: volgens hem mogen christenen binnen het geloof trouwen met wie zij willen en behoren zij daarbij hun gezonde verstand te gebruiken.
Mozes en het overzicht van Israëls reis #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Numeri hoofdstuk 33 tot en met 36.
Wat er nog overblijft van het boek Numeri dat we nog niet hebben behandeld, hoofdstuk 33 tot en met 36, bevat niet veel meer aan verhalen of geschiedenis. Het is meer bestuurlijk materiaal. Maar hoofdstuk 33 is het enige gedeelte van Numeri dat uitdrukkelijk zegt dat Mozes de informatie in dit hoofdstuk heeft opgeschreven. Wij geloven dat Mozes de auteur van het hele boek Numeri is, in elk geval de auteur van het grootste deel ervan. Of hij het in zijn definitieve vorm heeft geschreven, is een open vraag. Het is namelijk mogelijk dat Jozua na de dood van Mozes sommige plaatsnamen heeft bijgewerkt, enzovoort, en opmerkingen over Mozes heeft gemaakt, zoals dat
Uitleg in Numeri 10-12Maar de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle mensen die op de aardbodem waren.
Sommige regels in Numeri zijn misschien niet uit de pen van Mozes gekomen, maar hij heeft een aanzienlijk deel ervan geschreven.
Door het hele boek heen lezen we dat de Heere tot Mozes sprak en dat Mozes deze dingen uitsprak. Of Mozes ze uitsprak en iemand anders het meeste ervan opschreef, of dat Mozes alles zelf opschreef, doet er niet zoveel toe. Maar we weten wel dat hij hoofdstuk 33 heeft geschreven, want dat wordt ons verteld.
Hoofdstuk 33 is eenvoudigweg een terugblik op de verschillende plaatsen waar Israël zijn kamp opsloeg tijdens de veertig jaar van hun omzwervingen in de woestijn. Het begint bij Rameses in Egypte, waar ze aan de uittocht begonnen. En het eindigt in de vlakten van Moab, waar ze zich nu bevinden, vlak voordat ze de Jordaan oversteken naar het Beloofde Land. Het geeft de namen van zo'n veertig plaatsen. Ik zeg ‘zo'n’, omdat verschillende mensen ze op verschillende manieren tellen. Ik veronderstel dat het ervan afhangt of je Rameses als een van die plaatsen meetelt. Sommigen zeggen veertig, anderen zeggen tweeënveertig plaatsnamen.
De meeste daarvan zijn door de moderne archeologie niet geïdentificeerd. Van die veertig of tweeënveertig namen hebben hedendaagse geleerden er misschien een stuk of twaalf met een redelijke mate van zekerheid geïdentificeerd. Dat betekent dat we van bijna driekwart niet echt weten waar ze liggen. Het zijn oude plaatsnamen die niet meer bestaan. Dat maakt het erg moeilijk om de route van Israël gedurende die veertig jaar na te gaan, omdat we niet weten waar die plaatsen lagen. Je kunt ernaar gissen, maar meer is het ook niet: speculatie.
Van de meeste plaatsen waarover we gaan lezen, weten we niet echt waar ze liggen. Toch wijst het feit dat ze worden opgesomd erop dat het document werkelijk zo oud is, omdat het plaatsen zijn die al heel lang niet meer bestaan. Het is duidelijk geschreven in een tijd waarin ze wel bestonden, toen deze namen iets voor mensen betekenden.
Ik geloof dat ongeveer vierentwintig van deze plaatsen eerder in Exodus en Numeri worden genoemd als plaatsen waar de Israëlieten zijn geweest. Ik geloof dat dat het juiste aantal is, ongeveer vierentwintig. De overige plaatsen zijn door de Israëlieten bezocht, maar hun bezoeken daar zijn nooit in het historische verslag vastgelegd. Dat betekent dat ze op veel plaatsen zijn geweest waarover we in het historische verslag geen informatie hebben. We hebben alleen de namen van die plaatsen en we weten niet eens waar ze lagen. Daardoor kunnen we maar beperkt uit de hier vastgelegde informatie opmaken wat er precies bedoeld wordt, of de plaatsen op een kaart uitzetten, of iets dergelijks.
De uittocht en de eerste woestijnkampen #
Er staat:
1Dit zijn de rustplaatsen van de Israëlieten, die uit het land Egypte vertrokken zijn, ingedeeld naar hun legers, door de dienst van Mozes en Aäron. 2Mozes schreef hun vertrekpunten op, van rustplaats tot rustplaats, op bevel van de HEERE. Dit nu zijn hun rustplaatsen, ingedeeld naar hun vertrekpunten.
Dus in vers 2 staat dat Mozes deze dingen heeft opgeschreven.
Zij braken op van Rameses; in de eerste maand, op de vijftiende dag van de eerste maand, de dag na het Pascha, vertrokken de Israëlieten door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren,
Dat was natuurlijk de dag na het eerste Pascha. De veertiende dag van de eerste maand was de dag waarop de eerstgeborenen van Egypte werden gedood en de farao ermee instemde het volk te laten gaan. De volgende dag, de vijftiende dag van de maand, de eerste dag van het feest van de ongezuurde broden, verlieten ze Egypte. Ze vertrokken uit Rameses.
terwijl de Egyptenaren hen begroeven die de HEERE onder hen getroffen had, alle eerstgeborenen; ook had de HEERE strafgerichten voltrokken over hun goden.
Dat wil zeggen, de goden van Egypte.
Dat is wat God in Exodus 12:12 had gezegd dat Hij zou doen. Hij zei:
Uitleg in Exodus 11-12Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.
Dat waren die plagen. De tien plagen van Egypte waren eigenlijk oordelen over de verschillende goden van Egypte. De Nijl was een god, kikkers waren goden, stieren waren goden, de zon was een god. Deze plagen troffen die verschillende goden en maakten hen te schande. Daarmee lieten ze in feite Gods soevereiniteit over hen zien.
5De Israëlieten braken op van Rameses en sloegen hun kamp op in Sukkoth. 6Zij braken op van Sukkoth en sloegen hun kamp op in Etham, dat aan de rand van de woestijn ligt. 7Zij braken op van Etham en keerden terug naar Pi-Hachiroth, dat tegenover Baäl-Zefon ligt, en sloegen hun kamp op voor Migdol.
Daar hebben we niet veel aan.
Zij braken op van Pi-Hachiroth en staken over, midden door de zee, naar de woestijn; zij gingen drie dagreizen de woestijn Etham in, en sloegen hun kamp op in Mara.
Dat wil zeggen, het gebied van Pi-Hachiroth.
Al deze namen die we hebben gelezen, hoorden bij plaatsen waar ze waren voordat ze de Rode Zee overstaken. De oversteek van de Rode Zee vindt plaats in vers 8.
Mara was de plaats waar het bittere water zoet werd toen Mozes een boom in het water wierp.
9Zij braken op van Mara, en kwamen in Elim — in Elim waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen — en zij sloegen daar hun kamp op. 10Zij braken op van Elim en sloegen hun kamp op aan de Schelfzee. 11Zij braken op van de Schelfzee en sloegen hun kamp op in de woestijn Sin.
Nogmaals, dat het woord Sin daar op het Engelse woord ‘sin’ lijkt, is gewoon toeval. Het betekent niet ‘zonde’. Men denkt dat het een woord is met dezelfde stam als het woord Sinaï, misschien uitgesproken als ‘sain’, ‘sin’ of ‘sien’. Hoe dan ook, dat is de naam van de woestijn waarin ze waren.
Zij braken op uit de woestijn Sin en sloegen hun kamp op in Dofka.
Nu komen we bij een aantal plaatsen waarvan we ons niet herinneren dat we erover gelezen hebben.
13Zij braken op van Dofka en sloegen hun kamp op in Aluz. 14Zij braken op van Aluz en sloegen hun kamp op in Rafidim; maar daar was geen water voor het volk om te drinken.
Daar hebben we wel over gelezen. Dat is waar er geen water was voor het volk om te drinken en waar het water uit de steen kwam doordat Mozes erop sloeg.
15Zij braken op van Rafidim en sloegen hun kamp op in de woestijn Sinaï. 16Zij braken op uit de woestijn Sinaï en sloegen hun kamp op in Kibroth-Taäva.
Weet je nog, dat is de plaats die de graven van de begeerte wordt genoemd, graven van het verlangen. Want daar verlangden ze naar vlees en gaf God hun de kwartels, totdat die hun de neus uit kwamen. Dat hebben we eerder gelezen.
De verdere reis naar de vlakten van Moab #
17Zij braken op van Kibroth-Taäva en sloegen hun kamp op in Hazeroth. 18Zij braken op van Hazeroth en sloegen hun kamp op in Rithma. 19Zij braken op van Rithma en sloegen hun kamp op in Rimmon-Perez. 20Zij braken op van Rimmon-Perez en sloegen hun kamp op in Libna. 21Zij braken op van Libna en sloegen hun kamp op in Rissa. 22Zij braken op van Rissa en sloegen hun kamp op in Kehelatha. 23Zij braken op van Kehelatha en sloegen hun kamp op in het bergland van Safer. 24Zij braken op van het bergland van Safer en sloegen hun kamp op in Harada. 25Zij braken op van Harada en sloegen hun kamp op in Makheloth. 26Zij braken op van Makheloth en sloegen hun kamp op in Tachath. 27Zij braken op van Tachath en sloegen hun kamp op in Tarah. 28Zij braken op van Tarah en sloegen hun kamp op in Mithka. 29Zij braken op van Mithka en sloegen hun kamp op in Hasmona. 30Zij braken op van Hasmona en sloegen hun kamp op in Moseroth. 31Zij braken op van Moseroth en sloegen hun kamp op in Bene-Jaäkan. 32Zij braken op van Bene-Jaäkan en sloegen hun kamp op in Hor-Haggidgad. 33Zij braken op van Hor-Haggidgad en sloegen hun kamp op in Jotbatha. 34Zij braken op van Jotbatha en sloegen hun kamp op in Abrona. 35Zij braken op van Abrona en sloegen hun kamp op in Ezeon-Geber. 36Zij braken op van Ezeon-Geber en sloegen hun kamp op in de woestijn Zin, dat is Kades. 37Zij braken op van Kades en sloegen hun kamp op bij de berg Hor, aan de grens van het land Edom.
38Toen beklom de priester Aäron op bevel van de HEERE de berg Hor. Daar stierf hij in het veertigste jaar na het vertrek van de Israëlieten uit Egypte, op de eerste dag van de vijfde maand. 39Aäron was honderddrieëntwintig jaar oud toen hij op de berg Hor stierf.
De informatie dat Aäron in het veertigste jaar stierf en dat hij toen honderddrieëntwintig jaar oud was, wordt alleen in dit hoofdstuk gegeven. Daardoor weten we dat hoofdstuk 20 gebeurtenissen begint te beschrijven die in het veertigste jaar plaatsvonden, want daar vinden we de dood van Aäron.
40De koning van Harad, de Kanaäniet, die in het Zuiderland woonde, in het land Kanaän, hoorde dat de Israëlieten in aantocht waren. 41Zij braken op van de berg Hor en sloegen hun kamp op in Zalmona. 42Zij braken op van Zalmona en sloegen hun kamp op in Punon. 43Zij braken op van Punon en sloegen hun kamp op in Oboth. 44Zij braken op van Oboth en sloegen hun kamp op bij de ruïnes van Abarim, in het grensgebied van Moab. 45Zij braken op van de ruïnes van Abarim en sloegen hun kamp op in Dibon-Gad. 46Zij braken op van Dibon-Gad en sloegen hun kamp op in Almon-Diblathaïm.
47Zij braken op van Almon-Diblathaïm en sloegen hun kamp op in de bergen van Abarim, tegenover Nebo. 48Zij braken op van de bergen van Abarim en sloegen hun kamp op in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, tegenover Jericho.
Nu zijn we op bekend terrein.
En zij sloegen hun kamp op aan de Jordaan, van Beth-Jesimoth tot aan Abel-Sittim, in de vlakten van Moab.
Ik neem aan dat Beth-Jesimoth en Abel-Sittim waarschijnlijk de noordelijke en zuidelijke uiteinden zijn van het gebied langs de rivieroever waar ze hun kamp hadden opgeslagen. Ik heb ze niet op een kaart gevonden, maar dat lijkt te beschrijven waar ze hun kamp hadden opgeslagen op het moment waarover we lezen.
Dus ongeveer veertig plaatsen in veertig jaar. We weten niet hoelang ze op elke plaats bleven. Weet je nog dat we lazen hoe de wolk hen soms leidde? Dan liet die hen maar één nacht op een plaats blijven en trokken ze weer verder. Of ze bleven er twee dagen, of een week, of een maand, of een jaar, stond er. Maar ze moeten dus duidelijk gemiddeld één jaar op elke plaats hebben doorgebracht.
Dat kan buitengewoon ongelijk verdeeld zijn geweest. Als een of twee van deze plaatsen plekken waren waar ze alleen de nacht doorbrachten, dan zou dat betekenen dat ze ergens anders twee jaar op één plaats moesten blijven om het gemiddelde omhoog te krijgen, om op dat gemiddelde uit te komen. Ze moeten dus op bepaalde plaatsen meerdere jaren hebben doorgebracht, en op andere natuurlijk heel korte perioden.
Wanneer ze hun kamp opsloegen, konden ze volstrekt niet voorspellen hoelang ze daar zouden blijven voordat ze weer verder zouden trekken. Ze moesten afgaan op de beweging van de wolk. God vertelde hun niet van tevoren hoe snel die weer in beweging zou komen. Ze moesten hun ogen altijd op God gericht houden, zodat ze zouden weten wanneer het tijd was om verder te trekken.
Vers 50:
Kanaän innemen en afgoderij uitroeien #
50En de HEERE sprak tot Mozes in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho: 51Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de Jordaan oversteekt naar het land Kanaän, 52dan moet u alle inwoners van het land van vóór uw ogen verdrijven, en al hun beeldhouwwerken vernielen; ook moet u al hun gegoten beelden vernielen en al hun hoogten wegvagen.
Dit waren natuurlijk allemaal plaatsen en voorwerpen die verband hielden met de Kanaänitische aanbidding van valse goden.
53En u moet het land in bezit nemen en daarin wonen, want Ik heb u dat land gegeven om het in bezit te nemen. 54En u moet het land in erfelijk bezit nemen door het lot, overeenkomstig uw geslachten: voor hen die met velen zijn, moet u hun erfelijk bezit groot maken, en voor hen die met weinigen zijn, moet u hun erfelijk bezit minder groot maken. Waarop voor iemand het lot valt, dat zal hij hebben; overeenkomstig de stammen van uw vaderen zult u het land in erfbezit nemen.
Dit is geen nieuwe informatie. Dit kwam al aan de orde in Numeri hoofdstuk 26.
Vers 55:
Maar als u de inwoners van het land niet van voor uw ogen verdrijft, dan zal het gebeuren dat zij die u van hen liet overblijven, als dorens zullen worden in uw ogen en tot prikkels in uw zijden; zij zullen u benauwen in het land waar u woont.
Hij waarschuwt hen dat als ze Kanaänieten in leven laten, dat een struikelblok voor hen zal zijn. De godsdienst van de Kanaänieten moet van de aardbodem worden weggevaagd. Die was te verleidelijk, omdat die het vlees aantrok. Wanneer ze Molech of Baäl aanbaden, was het tijd om feest te vieren, tijd voor een orgie. En de vleselijkheid van mensen, of ze nu Israëlieten waren of niet, werd vaak door deze dingen aangetrokken. En God zegt dat dit volledig moet worden uitgeroeid, omdat deze mensen een probleem voor hen zullen zijn als ze blijven leven.
Hij zegt niet welke vorm dat probleem zal aannemen. Daar in vers 55 staat dat ze als dorens in hun ogen en als prikkels in hun zijden zullen zijn. Daardoor zou je kunnen denken dat de Kanaänieten die overleven hen zullen blijven aanvallen en hun op die manier problemen zullen bezorgen. En dat was ongetwijfeld tot op zekere hoogte waar. Maar ze zouden vooral een probleem voor hen zijn doordat ze hen zouden verderven. Daardoor zou God, zoals Hij in vers 56 zegt, gedwongen zijn met Israël te doen wat Hij met de Kanaänieten van plan was te doen, namelijk hen uitroeien.
Israëls landbezit vraagt gehoorzaamheid #
Het is in dit hele gedeelte, in alle vijf de boeken van de Pentateuch, duidelijk dat Gods bijzondere bedoelingen met Israël altijd afhankelijk zijn van de voorwaarde dat zij zichzelf niet verderven. Let erop dat Hij zei dat als zij door de Kanaänieten verdorven raken en Hem niet gehoorzamen, Hij met Israël zal doen wat Hij met de Kanaänieten van plan was te doen. Wat was Hij met de Kanaänieten van plan? Hen volledig uitroeien. Tenzij dit een loos dreigement is en God liegt, een mogelijkheid die ik niet kan aanvaarden, zegt God dat de mogelijkheid bestaat dat ook Israël wordt uitgeroeid als zij de weg van de Kanaänieten opgaan.
We hebben in het boek Leviticus al gezien dat God tegen Israël zei:
Uitleg in Leviticus 18-2024U mag uzelf niet verontreinigen met al die dingen, want de heidenvolken die Ik vóór u uit ga verdrijven, hebben zich met al die dingen verontreinigd, 25zodat het land onrein geworden is. Ik zal het zijn ongerechtigheid vergelden, zodat het land zijn bewoners zal uitspuwen.
En vervolgens zei Hij:
Uitleg in Leviticus 18-2026Maar ú moet Mijn verordeningen en Mijn bepalingen in acht nemen. U mag geen enkele van die gruweldaden doen, de ingezetene van het land niet, en ook de vreemdeling niet die in uw midden verblijft. 27Want de mensen in dit land die er vóór u waren, hebben al die gruweldaden gedaan, zodat het land onrein geworden is. 28Laat het land u niet uitspuwen, omdat u het verontreinigt, zoals het het heidenvolk dat er vóór u was, uitgespuwd heeft.
Met andere woorden, Israël krijgt evenmin een onvoorwaardelijke toekenning van het land als de Kanaänieten die kregen. Het uitgangspunt is dat de Israëlieten een voordeel hebben dat de Kanaänieten niet hebben. Dat is dat God hen heeft uitgekozen om hun Zijn wetten te geven, een verbond met hen te sluiten en hun het land voor eeuwig te geven als zij zich aan het verbond houden. Maar als zij het verbond verbreken, zijn ze net zo kwetsbaar als welke heidense volken ook: ze kunnen onder Gods oordeel komen en blijkbaar zelfs worden uitgeroeid, volgens deze verzen. Gelukkig zijn ze niet uitgeroeid, maar ze zijn in vroegere eeuwen zeker uit hun land verdreven vanwege hun ontrouw.
Hoofdstuk 34:
De zuidgrens en westgrens van Kanaän #
1De HEERE sprak tot Mozes: 2Geef de Israëlieten dit bevel: Wanneer u het land Kanaän binnengaat, zal dit het land zijn dat u als erfelijk bezit ontvangt, met de grenzen die hier worden aangegeven. 3Uw zuidgrens zal lopen vanaf de woestijn Zin, langs de grens van Edom, en zich oostwaarts uitstrekken tot het uiteinde van de Zoutzee.
Dat is wat wij de Dode Zee noemen. Dus vanaf een bepaalde plaats in de woestijn in het westen, aan de zuidkant van Israël, langs een bepaalde lijn. We kennen niet alle grenzen, omdat ook hier veel van de plaatsnamen die in deze beschrijving worden genoemd tegenwoordig alleen maar aanleiding geven tot gissingen. Maar we kunnen zien dat de zuidpunt van de Dode Zee een hoek van het land vormt. En we zullen zien dat de rivier de Jordaan, die vanaf de Dode Zee naar het noorden loopt, ook een grens vormt. De Middellandse Zee is eveneens een natuurlijke grens in het westen.
Dus de globale grenzen in het zuiden en de precieze grenzen in het oosten en het westen kunnen worden vastgesteld. De noordgrens is iets moeilijker te bepalen. Want ook hier zijn sommige plaatsnamen die als grenspunten worden genoemd, tegenwoordig moeilijk of onmogelijk met zekerheid te identificeren. Wat wel interessant is, is dat de grenzen die Hij hun gaat geven, anders zijn dan wat Hij tegen Abraham zei. Want Hij zei tegen Abraham dat Hij hun het land tot aan de rivier de Eufraat zou geven. En dat gebied valt kennelijk niet binnen de beschrijving die we hier krijgen. In vers 4 staat:
Deze grens zal voor u van het zuiden naar de Schorpioenenpas ombuigen en doorlopen tot Zin, en haar uitlopers zullen vanuit het zuiden naar Kades-Barnea lopen en uitkomen bij Hazar-Addar en doorlopen tot Azmon.
De Engelse Bijbeltekst die de spreker gebruikt, noemt de Schorpioenenpas ‘Akrabbim’.
Ik heb hier geen aantekening bij, maar volgens mij is Akrabbim een Hebreeuws woord dat schorpioenen betekent. Ik dacht dat ik het herkende, omdat het sterrenbeeld Schorpioen in het Hebreeuws volgens mij Akrab heet, schorpioen. Akrabbim zou dan het meervoud zijn. Er is daar dus een plaats die de Schorpioenenpas heet. Ik vraag me af hoe die aan die naam is gekomen. Ik vraag me af of er behalve schorpioenen ook iemand woonde.
Daar hebben we veel aan.
Deze grens zal dan van Azmon naar de Beek van Egypte ombuigen en haar uitlopers zullen naar de zee lopen.
Dat is de zuidgrens.
‘Tot aan de zee’ verwijst, neem ik aan, naar de Zoutzee die in vers 3 wordt genoemd. Er worden namelijk enkele bijzonderheden gegeven over die zuidgrens. Die zou ergens vandaan lopen, waarschijnlijk vanaf de Middellandse Zee, waar de Middellandse Zee aan de woestijn Zin grenst, en dan oostwaarts tot, zoals we zien, de punt van de Dode Zee. Al die andere moeilijk te identificeren plaatsen zijn punten in een beschrijving waarbij je de punten met elkaar verbindt om de grens te krijgen. Destijds moet dat voor hen niet verwarrend zijn geweest, omdat die plaatsnamen voor die specifieke plaatsen werden gebruikt. Zo konden ze dus als grenspunten dienen.
Nu staat er in vers 6:
Wat betreft de westgrens, dat zal voor u de Grote Zee zijn; dat zal voor u de westgrens zijn.
Dat is de Middellandse Zee.
Er zijn dus twee zeeën genoemd. Aan het einde van vers 3 is het de Zoutzee, en dat is de Dode Zee. En nu hebben we de Grote Zee. Ik denk dat het daardoor een beetje onduidelijk wordt welke zee in vers 5 eenvoudigweg ‘de zee’ wordt genoemd. Maar we hebben de Grote Zee als grens in het westen.
De noordgrens en oostgrens van Kanaän #
En dit zal voor u de noordgrens zijn: vanaf de Grote Zee moet u voor uzelf een lijn tekenen naar de berg Hor;
‘Vanaf de Grote Zee’ betekent: vanaf de Middellandse Zee.
De berg Hor is de plaats waar Aäron stierf, maar dit kan volgens mij niet dezelfde berg Hor zijn. Want ik meen dat de berg Hor waar Aäron stierf, meer in het zuiden lag. Het moet dus een andere berg Hor zijn. Het woord Hor is eigenlijk verwant aan het Hebreeuwse woord voor berg, geloof ik. Er kunnen dus in die streek meerdere bergen met een soortgelijke naam zijn geweest. Welke berg Hor dit dan is, daar kan misschien iedereen maar naar raden.
8van de berg Hor moet u een lijn tekenen naar Lebo-Hamath; de uitlopers van deze grens zullen naar Zedad lopen. 9Deze grens zal uitkomen bij Zifron, en haar uitlopers zullen naar Hazar-Enan lopen; dit zal voor u de noordgrens zijn.
De meeste van deze plaatsnamen zijn tegenwoordig moeilijk of onmogelijk met zekerheid te identificeren. Daarom is de noordgrens voor ons wat vaag. We hoeven niet precies te weten waar die lag, want we hoeven daar niet te wonen of die grenzen te handhaven. Voor hen was dat waardevolle informatie.
10Verder moet u voor uzelf voor de grens aan de oostkant een lijn trekken van Hazar-Enan naar Sefam. 11Van Sefam zal deze grens naar beneden lopen naar Ribla, ten oosten van Aïn; vervolgens zal de grens verder naar beneden lopen en langs de oever van het Kinnerethmeer in oostelijke richting lopen.
De Zee van Kinnereth is wat wij het Meer van Galilea noemen. Vanaf dat punt werd de oostgrens gevormd door het Meer van Galilea, de rivier de Jordaan en de Dode Zee. De noordgrens liep kennelijk een eind ten noorden van de bovenloop van de rivier die overging in het Meer van Galilea. De oostgrens moest dus met bepaalde plaatsnamen worden aangeduid. Je gaat vanaf de noordgrens naar het zuiden totdat je het Meer van Galilea bereikt, en dat vormt dan een natuurlijke grens. Maar de noordgrens moet een flink stuk verder naar het noorden hebben gelegen.
In vers 12 staat:
Daarna zal de grens nog verder, langs de Jordaan, naar beneden lopen en haar uitlopers zullen naar de Zoutzee lopen. Dit zal voor u het land zijn wat zijn grenzen rondom betreft.
De verdeling van het land onder de stammen #
En Mozes gebood de Israëlieten: Dit is het land dat u door het lot in erfbezit moet nemen, dat de HEERE geboden heeft aan de negen en een halve stam te geven.
Want de tweeënhalve stam zou aan de oostkant van de rivier blijven. Zoals hij in vers 14 zegt:
14Want de stam van de nakomelingen van de Rubenieten, naar hun families, en de stam van de nakomelingen van de Gadieten, naar hun families, hebben hun erfelijk bezit al ontvangen; ook de halve stam Manasse heeft zijn erfelijk bezit ontvangen. 15Deze twee en een halve stam hebben hun erfelijk bezit ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, ter hoogte van Jericho, aan de oostkant, waar de zon opkomt.
16De HEERE sprak tot Mozes: 17Dit zijn de namen van de mannen die het land als erfbezit onder u moeten verdelen: de priester Eleazar en Jozua, de zoon van Nun. 18En uit elke stam moet u een leider nemen om het land als erfbezit te verdelen. 19Dit nu zijn de namen van deze mannen: uit de stam Juda: Kaleb, de zoon van Jefunne;
We krijgen dus uit elke stam een man aangewezen. De man uit de stam Juda is Kaleb, onze vriend Kaleb, met wie we al bekend zijn. Hij mag zijn stam vertegenwoordigen. De stam Simeon heeft een man die Semuel heet. De stam Benjamin een man die Elidad heet. De nakomelingen van Dan hebben een man die Bukki heet. De Manassieten, degenen die aan de westkant wonen, die niet behoren tot het deel van de stam dat aan de oostkant van de Jordaan blijft, hebben Hanniël als hun leider. De stam Efraïm heeft een man die Kemuël heet. De stam Zebulon Elizafan; de stam Issaschar Paltiël; de stam Aser Achihud; en de stam Naftali Pedaël. En vers 29 zegt:
Dit zijn zij aan wie de HEERE geboden heeft het erfbezit aan de Israëlieten in het land Kanaän toe te wijzen.
Het levensonderhoud en werk van de Levieten #
Nu komen we bij hoofdstuk 35, dat zal gaan over het erfdeel van de Levieten. De Levieten hebben, zoals ons al verschillende keren is verteld, geen erfdeel in het land in de vorm van landbouwgrond. Ze krijgen natuurlijk wel plaatsen om te wonen, en dat zouden wij onroerend goed noemen. Als we aan onroerend goed denken, denken we aan een huis op een stuk grond. De Levieten kregen inderdaad huizen, of in elk geval appartementen, in bepaalde Levietensteden, maar ze kregen geen landbouwgrond. En dat komt erop neer dat je helemaal geen land krijgt. In een agrarische samenleving heb je land nodig om vee te laten grazen, om gewassen te verbouwen of om op de een of andere manier in je levensonderhoud te voorzien. En de Levieten kregen geen mogelijkheid om in hun levensonderhoud te voorzien.
Ze hadden wel wat vee, waarmee ze ongetwijfeld fokten en waarvan ze aten, maar daar leefden ze niet van. Ze verdienden hun brood niet met vee, en ze hadden maar een beperkte hoeveelheid weidegrond. Vanaf de muren van hun steden strekte de weidegrond voor hun vee zich duizend el uit, dat zou vijftienhonderd voet zijn. Dat zou sterk beperken hoeveel vee ze daar konden laten grazen als ze veel vee hadden. Maar ze verdienden hun brood niet met het houden van grote kudden. Dit waren mensen die voltijds in de dienst stonden. Ze hadden misschien wat vee erbij om hun voeding aan te vullen, maar ze verdienden hun brood in feite met geen enkele gewone wereldlijke bezigheid. Ze waren voltijds dienaren van de tabernakel.
Als ik voltijds zeg, bedoel ik alleen dat ze er geen andere baan naast mochten hebben. Ze konden eigenlijk niet iets anders gaan doen. Ze waren voor de Heere afgezonderd. Het was onmogelijk dat alle Levieten voltijds bij de tabernakel werkten. Ze waren met 23.000. Je kon ze nauwelijks allemaal bij de tabernakel bijeenbrengen, laat staan hun daar voltijds werk geven. Stel je voor dat je probeert 23.000 mensen werk te geven op een plek die kleiner is dan een voetbalveld. En dat je ze daar voltijds bezighoudt, zes dagen per week, wanneer het geen sabbat is. Er was gewoon niet genoeg werk voor iedereen. En de Levieten werkten vast om de beurt. Ze zullen weken vrij zijn geweest en weken dienst hebben gehad, of maanden vrij en maanden dienst.
Ze zouden dus eigenlijk heel wat vrije tijd hebben, zou je denken. Maar in hun vrije tijd hadden ze andere verantwoordelijkheden die niet met de tabernakel verbonden waren, zoals het onderwijzen van de Schriften. Naar alle waarschijnlijkheid moesten ze de mensen de wet onderwijzen, op wat voor bijeenkomsten ze in die dagen ook hadden. Ze hadden nog geen synagogen. De synagogen ontstonden pas na de Babylonische ballingschap. Maar er was vast wel een gelegenheid waarbij mensen konden samenkomen om het Woord van God onderwezen te horen. En ik weet zeker dat dit de voornaamste bezigheid van de Levieten was wanneer ze geen dienst hadden bij de tabernakel.
Levietensteden en hun omliggende grond #
Hoe dan ook, ze hadden woonruimte nodig, maar ze hadden geen onroerend goed nodig van het soort waarmee je in je levensonderhoud voorziet. Daarom kregen ze steden om in te wonen, Levietensteden, in totaal 48. Daarbij kregen ze wat men de gemeenschappelijke grond rondom de steden noemde. Daarvan wordt in één vers, in vers 4, gezegd dat die zich rondom duizend el uitstrekt. Maar vervolgens spreekt vers 5 over tweeduizend el in elke richting. En er wordt geen verklaring gegeven voor die tegenstrijdigheid of voor dat verschil.
Het is waarschijnlijk geen overschrijffout, want de rabbijnen waren zich er vroeger al van bewust. In vers 4 wordt uitdrukkelijk gezegd dat de duizend el vanaf de stadsmuren bestemd is voor hun vee en dergelijke, zoals we zullen zien. En die andere duizend el daar weer buiten waren volgens de rabbijnen, of volgens de Joodse overlevering, bedoeld om wijngaarden en dergelijke te hebben. Ook hier ging het niet om wijngaarden waarmee ze hun brood verdienden, maar om wijngaarden zodat ze druiven en wijn en dergelijke konden hebben, dingen die mensen nodig hadden. In die dagen kon je niet zonder wijn leven. Hun water was niet schoon genoeg om het zo te drinken.
Ze hebben dus dit kleine beetje grond rondom hun steden. Er worden achtenveertig steden gegeven. De namen van die steden worden hier niet genoemd. Die staan in het boek Jozua. Ze kunnen hier niet worden gegeven, want ze hebben het land nog niet veroverd. Ze kennen de namen van de steden daar nog niet eens. Dit is nog een aanwijzing dat dit een vroeg geschrift van Mozes is. Want Jozua, dat na de verovering werd geschreven, geeft de namen van de steden. Hier worden steden genoemd, maar worden er geen namen gegeven, omdat dit duidelijk geschreven werd voordat ze de namen van de steden in Kanaän kenden.
Vrijsteden beschermen tegen de bloedwreker #
Maar er wordt gezegd dat er 48 steden aan de Levieten gegeven zullen worden om in te wonen, om hun woonplaatsen te zijn. En daarvan worden zes steden afgezonderd. Het zouden nog steeds Levietensteden zijn, maar ze zouden vrijsteden genoemd worden. Hun bijzondere functie wordt ook in dit hoofdstuk beschreven. Daar zouden er zes van zijn, drie aan elke kant van de Jordaan. Zo zouden ze gunstig genoeg gelegen zijn om iemand die per ongeluk iemand anders had gedood, daarheen te laten vluchten. Dan kon hij een eerlijk proces krijgen en voorkomen dat hij door de bloedwreker werd gedood. We zien dat de bloedwreker de naaste verwant van het overleden slachtoffer is. Als je vermoord werd, had je naaste verwant, je broer als je die had, of een neef of een oom of iemand die nauw aan je verwant was, daadwerkelijk de verantwoordelijkheid om degene die je gedood had achterna te gaan en hem te doden. Die persoon zou namelijk de wreker van jouw bloed zijn. Daar ging men dus van uit.
Maar hoewel de wet wel zegt dat een moordenaar, iemand die koelbloedig en met voorbedachten rade een moord heeft gepleegd, ter dood gebracht moet worden, zou de bloedwreker blijkbaar geneigd zijn iemand te doden, ook als die het misdrijf per ongeluk had begaan. God zegt dat hij, als het een ongeluk was, naar een vrijstad kan vluchten. Daar kan hij veilig zijn voor de bloedwreker, mits de rechtbank die hij daar in de vrijstad aantreft zijn zaak behandelt en hem in wezen onschuldig bevindt aan moord met voorbedachten rade. Die man kon dan veilig in de vrijstad wonen. De bloedwreker mocht daar niet binnenkomen om hem te pakken.
Als die man de vrijstad verliet, mocht de bloedwreker hem ongestraft doden. De man die per ongeluk mensenbloed had vergoten, kon dus alleen in de vrijstad wonen. Maar na de dood van de hogepriester mocht hij die verlaten, en dat is iets interessants. Er wordt niet uitgelegd waarom. Wij christenen hebben daar misschien wel een idee over wanneer we proberen te begrijpen hoe de typologie op de nieuwtestamentische waarheden betrekking heeft. Maar de wet zelf geeft geen verklaring waarom de dood van de hogepriester die man zou kunnen vrijmaken.
Daar gaat dit hoofdstuk over: de Levietensteden in het algemeen en de wet over de vrijsteden in het bijzonder. Hoofdstuk 35, vers 1:
De toewijzing van de Levietensteden #
1De HEERE sprak tot Mozes, in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho: 2Gebied de Israëlieten dat zij van hun eigen erfelijk bezit steden aan de Levieten moeten geven om erin te wonen; ook moet u de Levieten de weidegrond geven die rondom die steden ligt. 3Die steden moeten zij hebben om erin te wonen, maar de bijbehorende weidegronden zijn voor hun vee, hun bezittingen en voor al hun dieren. 4De weidegronden die bij de steden horen, die u aan de Levieten moet geven, moeten vanaf de stadsmuur naar buiten aan alle kanten duizend el meten.
Dat is vijftienhonderd voet. Dat is zoiets als vijf Americanfootballvelden. Denk ik nu goed? Jazeker, vijfhonderd yard. Dus tot ongeveer vijf veldlengten buiten de stad laten ze hun vee grazen. Er zijn duizenden, tienduizenden Levieten, en daarom zouden ze veel vee hebben. Dat klinkt mij als veel ruimte in de oren. Maar als je koeien en schapen en geiten enzovoort laat grazen, eten die wel op wat er staat. Meestal moet je kudden over een groter stuk land dan dat verplaatsen om ze van voedsel te blijven voorzien. Het is dus niet echt bedoeld om een commerciële veehouder voldoende ruimte te bieden.
Daarom zegt vers 5:
U moet buiten de stad aan de oostzijde tweeduizend el afmeten, aan de zuidzijde tweeduizend el, aan de westzijde tweeduizend el en aan de noordzijde tweeduizend el, met de stad in het midden. Dat moeten zij hebben als weidegronden die bij de steden horen.
Dat is gewoon een lange manier om te zeggen: tweeduizend el aan elke kant. Maar de wet zegt de dingen soms graag op een omslachtige manier, om er zeker van te zijn dat er niets over het hoofd wordt gezien.
6Wat nu de steden betreft die u aan de Levieten moet geven, zes daarvan moeten de vrijsteden zijn, die u moet geven zodat degene die een doodslag begaan heeft, daarheen zou kunnen vluchten; bovendien moet u hun nog tweeënveertig steden geven. 7Al de steden die u de Levieten moet geven, moeten bij elkaar achtenveertig steden zijn, te weten de steden met hun weidegronden. 8En wat de steden betreft die u van het bezit van de Israëlieten moet geven, moet u van degene die er veel heeft, veel nemen, en van degene die er weinig heeft, weinig. Ieder moet afhankelijk van zijn erfelijk bezit, dat hij ontvangen zal hebben, een aantal van zijn steden aan de Levieten geven.
Je zou denken dat elke stam vier steden zou geven, aangezien er achtenveertig steden en twaalf stammen zijn. Maar dat zou alleen het gemiddelde zijn, want kleinere stammen zouden minder steden kunnen afstaan dan grote stammen. Het moest dus in verhouding staan tot de mogelijkheid van de stammen om een aantal steden aan de Levieten af te staan.
Moord, doodslag en de bloedwreker #
9De HEERE sprak tot Mozes: 10Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de Jordaan oversteekt, het land Kanaän in, 11dan moet u voor uzelf steden kiezen die u tot vrijsteden zullen dienen, zodat iemand die een doodslag begaan heeft, die zonder opzet iemand om het leven gebracht heeft, daarheen zou kunnen vluchten. 12Deze steden moeten u dienen tot een wijkplaats voor de bloedwreker, opdat degene die een doodslag begaan heeft, niet zal sterven, voordat hij voor de gemeenschap heeft terechtgestaan. 13De steden nu die u moet geven, moeten u dienen tot zes vrijsteden. 14Drie steden moet u aan deze kant van de Jordaan geven en drie steden moet u in het land Kanaän geven; vrijsteden zullen het zijn. 15Die zes steden moeten voor de Israëlieten, voor de vreemdeling en voor de bijwoner in hun midden tot een wijkplaats dienen, zodat ieder daarheen kan vluchten die zonder opzet iemand om het leven gebracht heeft. 16Maar als hij hem met een ijzeren voorwerp geslagen heeft, zodat hij stierf, dan is hij een moordenaar; degene die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden.
De vrijstad is niet voor mensen die een dodelijk wapen pakken en daar opzettelijk iemand mee doden. Daarvoor kun je niet in de vrijstad terecht. Nog een voorbeeld, vers 17:
17Ook als hij hem geslagen heeft met een steen in de hand, waardoor hij zou kunnen sterven, en hij stierf, dan is hij een moordenaar; degene die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden. 18Of als hij hem heeft geslagen met een houten voorwerp in de hand, waardoor hij zou kunnen sterven, en hij stierf, dan is hij een moordenaar; hij die een doodslag begaan heeft, moet zeker gedood worden. 19De bloedwreker, díe moet hem die een doodslag begaan heeft, doden; als hij hem aantreft, mag híj hem doden.
Dit zouden we rechtspraak van het Wilde Westen kunnen noemen. Als iemand je broer vermoordt, dood jij hem. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat er getuigen zijn. Je mocht iemand niet ter dood brengen zonder de verklaring van minstens twee getuigen. Maar als mensen het hebben zien gebeuren, als je hoort dat je broer vermoord is en twee getuigen zeggen dat het gebeurd is, dan ga je achter hem aan en dood je hem.
De moordenaar vlucht naar de vrijstad als hij het onopzettelijk heeft gedaan. Daar zal hij terechtstaan. Als de rechters in de vrijstad besluiten dat hij het met voorbedachten rade heeft gedaan, zetten ze hem de stad uit en mag de bloedwreker hem doden. Als ze zeggen: ‘Nee, we zijn ervan overtuigd dat dit bij jou een ongeluk was’, dan houden ze hem daar en kan de bloedwreker daar niet bij hem komen. Dat is het idee.
Er worden nog meer voorbeelden gegeven. Vers 20:
Onopzettelijke doodslag en verplicht verblijf #
20Ook als hij hem uit haat een duw heeft gegeven, of met opzet iets naar hem toe heeft gegooid, zodat hij stierf; 21of wanneer hij hem uit vijandschap met zijn hand zo geslagen heeft, dat hij stierf, moet degene die hem geslagen heeft, zeker gedood worden: hij is een moordenaar. De bloedwreker mag degene die een doodslag begaan heeft, doden als hij hem aantreft. 22Maar als hij hem onverwachts zonder vijandschap een duw gegeven heeft, of zonder opzet welk voorwerp dan ook naar hem toe gegooid heeft, 23of zonder het te zien een of andere steen, waardoor men zou kunnen sterven, op hem heeft laten vallen, zodat hij stierf, terwijl hij geen vijand van hem was en niet zijn onheil zocht, 24dan moet de gemeenschap overeenkomstig deze bepalingen oordelen tussen hem die een doodslag begaan heeft, en de bloedwreker. 25De gemeenschap moet hem die een doodslag begaan heeft, redden uit de hand van de bloedwreker, en de gemeenschap moet hem laten terugkeren naar zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was. Dan moet hij daar blijven tot de dood van de hogepriester, die men met de heilige olie gezalfd heeft. 26Maar als hij die een doodslag begaan heeft, de grens van zijn vrijstad, waarheen hij gevlucht was, ook maar even overschrijdt, 27en de bloedwreker vindt hem buiten de grens van zijn vrijstad, dan mag de bloedwreker hem die een doodslag begaan heeft, doden; dan is het voor hem geen bloedschuld.
Dit is interessant, want er wordt van uitgegaan dat de man die in de vrijstad woont onschuldig is bevonden aan opzettelijke moord. Het was een ongeluk. Daarom mag hij in de vrijstad wonen. Maar ook al is dat zo, als hij de vrijstad verlaat, mag hij gedood worden. Het is interessant. En als de bloedwreker hem doodt, ook al is geoordeeld dat de man niet schuldig is aan moord met voorbedachten rade, dan heeft de bloedwreker iets gedaan wat hem niet zal worden aangerekend. Want die man had tot de dood van de hogepriester in zijn vrijstad moeten blijven.
28Want hij die een doodslag begaan heeft, had in zijn vrijstad moeten blijven tot de dood van de hogepriester; pas na de dood van de hogepriester mag hij terugkeren naar het land dat hij bezit. 29Dit zal voor u als een rechtsverordening gelden, al uw generaties door, in al uw woongebieden. 30Wat betreft allen die iemand om het leven gebracht hebben: op grond van de verklaring van meerdere getuigen moet men degene die een doodslag begaan heeft, doodslaan. Er mag echter niet slechts één getuige tegen een persoon getuigen, zodat die zou moeten sterven. 31U mag geen losgeld aannemen voor het leven van degene die een doodslag begaan heeft die des doods schuldig is, want hij moet zeker gedood worden.
Dat wil zeggen, als een rijke man iemand vermoordt en ter dood wordt veroordeeld, kan hij zich niet vrijkopen. Hij kan zich niet van de dood vrijkopen. Dat mag niet.
U mag ook geen losgeld aannemen voor degene die naar zijn vrijstad is gevlucht, zodat hij voor de dood van de hogepriester terug kan keren om in het land te wonen.
Dat gaat opnieuw over een rijke man, die nu in de vrijstad mag wonen maar naar huis wil, terwijl de hogepriester nog niet gestorven is. Hij kan niet een of ander bedrag betalen om eerder weg te mogen. Er kan hiervoor geen enkele betaling worden gedaan.
Bloedvergieten verontreinigt het land #
U mag het land waarin u woont niet ontheiligen, want het bloed ontheiligt het land. Voor het land kan geen verzoening gedaan worden over het bloed dat erin vergoten wordt, dan door het bloed van degene die dat vergoten heeft.
En daarmee wordt natuurlijk het vergieten van onschuldig bloed bedoeld.
Dit beginsel werd al in Genesis hoofdstuk 9 uitgesproken, onmiddellijk na de zondvloed. Toen kregen Noach en zijn gezin hun eerste instructies van God na de zondvloed. Daarbij hoorde dat ze zich moesten verspreiden en de aarde moesten vervullen, enzovoort, net zoals Adam en Eva was opgedragen. Maar bij die instructies had God in Genesis 9, vers 5 gezegd:
Uitleg in Genesis 9:1-7Voorzeker, Ik zal vergelding eisen voor uw bloed, voor uw levens. Van de hand van alle dieren zal Ik vergelding eisen; ook van de hand van de mens, van de hand van ieders broeder, zal Ik vergelding eisen voor het leven van de mens.
Dat wil zeggen: ieders broer zal de bloedwreker zijn als iemand wordt gedood.
Uitleg in Genesis 9:1-7Vergiet iemand het bloed van de mens, door de mens zal diens bloed vergoten worden; want naar het beeld van God heeft Hij de mens gemaakt.
enzovoort.
Dus wie het bloed van een mens vergiet, zei God, moet door een mens ter dood worden gebracht. Hier wordt hetzelfde beginsel uitgesproken, maar vanuit een andere invalshoek. Hij zei dat wanneer er onschuldig bloed wordt vergoten, wanneer er een moord plaatsvindt, het land waarin dat is gebeurd verontreinigd is. Daardoor komt het onder de vloek van God, tenzij er verzoening voor wordt gedaan. Maar niets kan daarvoor verzoening doen behalve het bloed van de moordenaar. Alleen door de moordenaar ter dood te brengen kan de rekening worden vereffend.
Het Joodse volk heeft een opvatting die begrijpelijk is: als iemand een ander vermoordt en die moordenaar niet ter dood wordt gebracht, getuigt dat van minachting voor de man die is gedood. Daarmee wordt gesuggereerd dat het leven van de onschuldige man die stierf minder waard was dan het leven van de man die hem doodde. Alleen door de moordenaar te doden kom je in de buurt van het vereffenen van de rekening. Natuurlijk geef je de onschuldige man daarmee zijn leven niet terug. Maar je beloont de moordenaar ook niet met een leven dat doorgaat, terwijl hij een ander van het leven heeft beroofd. Het is eenvoudigweg rechtvaardigheid. Het is eenvoudigweg zuivere rechtvaardigheid. God is een God van rechtvaardigheid. Hij zei dat als er in een land wordt gemoord, dat land onder een vloek ligt, tenzij de moordenaars ter dood worden gebracht.
Abortus en schuld voor onschuldig bloed #
Dat is nogal beangstigend voor ons land, want in abortusklinieken wordt regelmatig onschuldig bloed vergoten bij enkele miljoenen abortussen per jaar. Overal in ons land wordt voortdurend onschuldig bloed vergoten. Het land is verontreinigd. Eerlijk gezegd is volgens de Schrift de enige manier waarop er voor dat land verzoening kan worden gedaan, dat de moordenaars ter dood worden gebracht. Ik ben niet iemand die voorstander is van bomaanslagen op abortusklinieken of het vermoorden van abortusartsen of iets dergelijks. Maar het betekent zeker dat ons land volgens God onvermijdelijk onder Gods vloek ligt, tenzij ons land abortus verbiedt en de doodstraf oplegt aan degenen die abortussen uitvoeren. Want het land wordt verontreinigd door het vergieten van onschuldig bloed. Er is geen manier om daarvoor verzoening te doen behalve door de dood van de moordenaar.
Hierover staat een wet in Deuteronomium. Stel dat je buiten in een veld een gedode man vindt en het om een onopgeloste moord gaat. Niemand weet wie het heeft gedaan en er waren geen getuigen. Er is een lijk, maar er zijn geen verdachten. Dan moeten de mensen volgens die wet eropuit gaan en de afstand van het lijk tot de dichtstbijzijnde stad meten. Die stad neemt dan de verantwoordelijkheid op zich om bepaalde offers te brengen, enzovoort, om het land te reinigen. Omdat ze de moordenaar niet daadwerkelijk kunnen vinden en ter dood kunnen brengen, nemen ze als dichtstbijzijnde stad de verantwoordelijkheid op zich om bepaalde rituelen uit te voeren om het land te reinigen.
Daarom, vers 34:
Verontreinig dus het land niet waarin u woont, in het midden waarvan Ik woon; immers Ik, de HEERE, woon in het midden van de Israëlieten.
De vrijstad als beeld van behoud in Christus #
De vrijsteden zijn volgens mij gemakkelijk te herkennen als een voorafbeelding van het behoud. Het is alleen geen exacte voorafbeelding, want ze waren uitsluitend beschikbaar voor mensen die betrekkelijk onschuldig waren. Net zoals de zondoffers in het offerstelsel uitsluitend beschikbaar waren voor degenen die onopzettelijk zondigden. De vrijsteden waren alleen beschikbaar voor degenen die onopzettelijk een moord pleegden. Maar het behoud dat door Christus tot ons komt, is natuurlijk voor alle zondaars, ook voor degenen die opzettelijk hebben gezondigd. Iedereen heeft, voordat hij christen werd, opzettelijk gezondigd. Het bloed van Christus en het behoud dat Christus aanbiedt, strekken zich dus in werkelijkheid verder uit dan de voorafbeelding in het Oude Testament, tot een grotere groep schuldigen. Iedereen, wie dan ook, kan vergeving ontvangen als hij naar Christus vlucht om een toevlucht te vinden.
Maar het is interessant dat die persoon als het ware opgesloten zat in de vrijstad. Als hij de vrijstad zou verlaten, zou hij opnieuw de doodstraf kunnen krijgen. Dat zou natuurlijk kunnen wijzen op de gedachte dat we in Christus moeten blijven. Zoals Jezus zei:
Uitleg in Johannes 15:1-84Blijf in Mij, en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft. 5Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen.
En Hij zegt:
Uitleg in Johannes 15:1-8Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitengeworpen zoals de rank, en verdort, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
Er is geen blijvende zekerheid van leven voor iemand die niet in Christus blijft. In Christus blijven is noodzakelijk, net zoals het noodzakelijk was om in de vrijstad te blijven. Als de man buiten de vrijstad stapt, is hij onderworpen aan dezelfde straf als voordat hij daar kwam. Alleen binnen de stad is er veiligheid, zoals er voor ons alleen veiligheid is in Christus.
De dood van de hogepriester maakt vrij #
De betekenis van de dood van de hogepriester wordt, zoals ik zeg, nergens genoemd, nergens uitgelegd in de wet. Daarom kunnen we daar alleen maar over speculeren. Maar de dood van de hogepriester spreekt voor ons zeker van de dood van Christus, onze Hogepriester. Christus is onze Hogepriester, en Hij is voor ons gestorven en heeft ons in zekere zin vrijgemaakt. Niet vrij om Christus te verlaten.
Zoals in de voorafbeelding van de vrijstad, maar in zekere zin vrij om naar onze erfenis te gaan. Er zit dus een vermenging van beeldspraken, een vermenging van voorafbeeldingen in deze voorstelling, denk ik. Maar de dood van de hogepriester vertegenwoordigt in Gods gedachten ongetwijfeld de dood van Jezus, de Hogepriester, als datgene wat de zondaar vrijmaakt. Niet vrij om Christus te verlaten. We veranderen van beeld wanneer we iemand de vrijstad laten verlaten om naar zijn huis terug te gaan.
Maar hier zitten twee verschillende lessen in. De ene is dat we in Christus behouden worden, en alleen in Christus, alleen zolang we in Christus blijven, zolang we in Hem blijven. Maar de andere is dat Christus Degene is door Wiens dood zondaars worden vrijgemaakt. Anders zitten ze daar vanwege hun zonde opgesloten, maar ze worden vrijgemaakt om terug te keren naar het land dat hun bezit is, zoals er in vers 28 staat:
Want hij die een doodslag begaan heeft, had in zijn vrijstad moeten blijven tot de dood van de hogepriester; pas na de dood van de hogepriester mag hij terugkeren naar het land dat hij bezit.
Of naar onze erfenis. Dat is een terugkeer naar wat God oorspronkelijk, vóór de zondeval, met de mensheid voor ogen had: terug naar een goede verhouding met God in een paradijs van God, zoals we daarover lezen met betrekking tot de toekomst.
Het erfrecht van de dochters van Zelafead #
Hoofdstuk 36 is nu een kort hoofdstuk, het laatste hoofdstuk, en daarin komen we de dochters van Zelafead nog één keer tegen. Deze dochters zijn eerder genoemd in hoofdstuk 27, geloof ik, omdat ze dochters waren van een man die geen zonen had. Ze waren met z'n vijven, en ze moeten kennelijk een zeldzaam of uniek geval zijn geweest. Want er waren bepaalde wetten voor een situatie als deze die bij deze gelegenheid moesten worden opgesteld, omdat deze vijf vrouwen Mozes hierover benaderden.
De erfenis van een vader werd via zijn zonen doorgegeven, zijn naam werd via zijn zonen voortgezet, en die naam bleef door de generaties heen aan het land verbonden. Vrouwen werden, als ze trouwden, deel van de familie van hun man, en daarom zouden ze de naam van hun man voortzetten. Hun kinderen zouden de familienaam van hun man dragen, niet die van henzelf. Hun erfenis zou de erfenis van de familie van hun man zijn, niet die van henzelf. Een meisje verliet bij haar huwelijk de familie van haar vader om deel te worden van de familie van haar man.
Als een man dus alleen dochters had en die allemaal met andere mannen trouwden, dan had hij geen zonen. Wanneer die man stierf, zou zijn naam niet nog een generatie worden voortgezet. Het land dat van hem was geweest, zou niet langer in de familie blijven. In hoofdstuk 27 wordt deze situatie, waarin een man alleen dochters en geen zonen had, dus aan Mozes voorgelegd. Het was eigenlijk een eenvoudige beslissing. Maar God nam die beslissing, want in vers 5 van hoofdstuk 27 staat:
Uitleg in Numeri 25-27Mozes bracht hun rechtszaak voor het aangezicht van de HEERE.
En de HEERE zei:
Uitleg in Numeri 25-27De dochters van Zelafead hebben gelijk; u moet hun inderdaad een eigen erfelijk bezit geven, te midden van de broers van hun vader, en u moet het erfelijk bezit van hun vader op hen doen overgaan.
De dochters kunnen het land van hun vader erven als hij geen zonen heeft.
Het erfbezit binnen de eigen stam houden #
Maar daarmee blijft er nog een andere vraag openstaan, namelijk: wat als deze dochters met mannen uit andere stammen trouwen? Dan wordt hun erfenis van hun mannen. Ze behoorden tot de stam Manasse. Maar wat als ze trouwen met iemand uit een andere stam, bijvoorbeeld uit de stam Efraïm of uit de stam Juda of de stam Simeon? Wat dan? Dan wordt het land eigendom van de stam Efraïm of Juda of Simeon, of tot welke stam hun man ook behoort. Dat betekent dat land dat bij de stam Manasse hoorde, in de volgende generatie naar een andere stam is overgegaan. Want als deze vrouwen met iemand buiten de stam trouwen, brengen ze daarmee het behoud van het geërfde land binnen hun eigen stam in gevaar.
Nu had elke stam grenzen binnen Israël. Binnen die grenzen woonde de hele stam Juda, en de hele stam Efraïm woonde in dat andere gebied, de hele stam Gad weer in een ander gebied, en Dan en Naftali en al die andere stammen: ze hadden allemaal hun grenzen. Als er bijvoorbeeld een familie zoals die van Zelafead binnen de grenzen van het land van Manasse woonde, en de dochters trouwden met mannen uit een andere stam, dan wordt dat land binnen de grenzen van Manasse formeel eigendom van mensen uit een andere stam. Dat werd als iets slechts beschouwd.
Daar gaat dit hoofdstuk dus over. Er moet nog een beslissing worden genomen. Deze vrouwen komen voortdurend met nieuwe gevallen die echt behandeld moeten worden. Ze scheppen een precedent. Kennelijk was er in Israël geen andere familie met alleen dochters die dit ter sprake kon brengen. Maar die zouden er in de toekomst wel zijn, en daarom moest er een precedent komen, en een wet over wat er in die gevallen moest gebeuren. In dit geval werd de beslissing genomen: ze moeten binnen hun eigen stam trouwen.
Er staat:
En de familiehoofden van het geslacht van de nakomelingen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, uit de geslachten van de nakomelingen van Jozef, kwamen naar voren en spraken ten overstaan van Mozes en ten overstaan van de leiders, de andere familiehoofden van de Israëlieten,
Dit gaat over de dochters van Zelafead, maar deze keer zijn het niet de dochters die naar Mozes komen. In hoofdstuk 27 waren het de dochters zelf die naar Mozes kwamen, omdat ze zich zorgen maakten over hun erfrecht. Nu zijn het andere mannen uit hun stam die zich zorgen maken over de gevolgen van de eerdere uitspraak. Want de mannen van de stam beginnen één en één bij elkaar op te tellen en zeggen: ‘Nou, als deze dochters buiten de stam trouwen, dan zal ons stamgebied na verloop van tijd een lappendeken worden van stukken grond die eigendom zijn van andere stammen.’ Dus ze zeiden:
2en zeiden: De HEERE heeft mijn heer geboden dit land door het lot aan de Israëlieten in erfelijk bezit te geven; en mijn heer werd door de HEERE geboden het erfelijk bezit van onze broeder Zelafead aan zijn dochters te geven. 3Wanneer zij nu voor een van de zonen van de andere stammen van de Israëlieten tot vrouw zouden worden, dan zou hun erfelijk bezit afgenomen worden van het erfelijk bezit van onze vaderen, en toegevoegd worden aan het erfelijk bezit van de stam waartoe zij zouden gaan behoren; zo zou ons erfelijk bezit, dat door het lot is bepaald, ons worden afgenomen.
Daarmee bedoelen ze niet deze specifieke mannen, maar de stam als geheel.
En wanneer de Israëlieten dan het jubeljaar zouden hebben, dan zou hun erfelijk bezit voorgoed toegevoegd worden aan het erfelijk bezit van de stam waartoe zij zouden behoren, en zou hun erfelijk bezit afgenomen worden van het erfelijk bezit van de stam van onze vaderen.
Erfdochters trouwen binnen hun eigen stam #
5Toen gebood Mozes de Israëlieten volgens het bevel van de HEERE: De stam van de nakomelingen van Jozef heeft gelijk. 6Dit is het woord dat de HEERE met betrekking tot de dochters van Zelafead geboden heeft: Laten zij tot vrouw worden van wie goed is in hun ogen, als zij tenminste tot vrouw worden van iemand uit het geslacht van de stam van hun vader. 7Dan zal het erfelijk bezit van de Israëlieten niet van de ene stam op de andere stam overgaan, want de Israëlieten moeten ieder vasthouden aan het erfelijk bezit van de stam van zijn vaderen. 8Verder moet elke dochter die een erfelijk bezit uit de stammen van de Israëlieten erft, tot vrouw worden van iemand uit het geslacht van de stam van haar vader, opdat ieder van de Israëlieten het erfelijk bezit van zijn vader zal erven. 9Zodoende zal het erfelijk bezit niet van de ene stam op de andere stam overgaan, want van de stammen van de Israëlieten moet ieder aan zijn erfelijk bezit vasthouden.
10Zoals de HEERE Mozes geboden had, zo deden de dochters van Zelafead; 11en Machla, Tirza, en Hogla, Milka en Noa, de dochters van Zelafead, werden voor de zonen van hun oom tot vrouw.
Ze trouwden dus met hun volle neven, die uiteraard tot dezelfde stam behoorden als zij.
12Binnen de geslachten van de nakomelingen van Manasse, de zoon van Jozef, werden zij een man tot vrouw; zo bleef hun erfelijk bezit aan de stam van het geslacht van hun vader. 13Dit zijn de geboden en de bepalingen die de HEERE de Israëlieten door de dienst van Mozes geboden heeft, in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, ter hoogte van Jericho.
Vrije huwelijkskeuze binnen het geloof #
Die ene uitspraak in vers 6, ik weet niet of die je, net als mij, doet denken aan 1 Korinthe en aan Paulus’ instructie over het huwelijk voor weduwen. Daar, in 1 Korinthe 7, geeft Paulus instructies over het huwelijk in het algemeen. Hij raadt mensen die niet getrouwd zijn aan om, als ze die gave hebben, ongehuwd te blijven. Als ze die niet hebben, kunnen ze gerust trouwen. Dat is geen zonde. Hij spreekt afzonderlijk over weduwen en over de vraag of ze moeten hertrouwen. Zijn conclusie is dat ze gelukkiger zouden zijn als ze ongehuwd bleven. Maar hij zegt dat ze mogen trouwen als ze dat willen.
De bewoording van zijn uitspraak lijkt nogal op de bewoording van deze uitspraak. Want in 1 Korinthe 7:39 zegt Paulus:
Uitleg in 1 Korinthe 7:1-40Een vrouw is door de wet gebonden, zolang haar man leeft. Als haar man echter ontslapen is, is zij vrij om te trouwen met wie zij wil, maar alleen in de Heere.
Dat wil zeggen: er zijn grenzen, maar geen strikte grenzen. Ze mag trouwen met wie ze maar wil binnen een bepaalde categorie: degenen die in de Heere zijn, de christelijke familie. Ze moeten met christenen trouwen. Maar binnen de kring van de christenen mogen ze elke keuze maken die ze willen.
Zo staat er in Numeri 36:6 over de dochters van Zelafead:
Laat ze trouwen met degene die volgens hen de beste is.
Dat is wie ze maar willen.
Dit is het woord dat de HEERE met betrekking tot de dochters van Zelafead geboden heeft: Laten zij tot vrouw worden van wie goed is in hun ogen, als zij tenminste tot vrouw worden van iemand uit het geslacht van de stam van hun vader.
Er wordt een beperking aan gesteld: binnen de familie trouwen.
Heeft God één huwelijkspartner bestemd? #
Wat hier interessant aan is, is dat dit lijkt in te gaan op een vraag die christenen vaak hebben: heeft God één persoon uitgekozen om je huwelijkspartner te zijn? Als mensen ongehuwd en christen zijn, worstelen ze vaak met die vraag, toch? Is dit de ware? Is deze persoon degene die God heeft uitgekozen?
Het klinkt alsof God niet één persoon heeft uitgekozen, maar wel een categorie. De dochters van Zelafead mogen binnen de stam trouwen met wie ze maar willen. Ze mogen niet buiten de stam trouwen. Hetzelfde geldt voor christenen. Blijkbaar mogen ze trouwen met wie ze maar willen, maar niet buiten de stam. De stam is de stam van de christenen. Een huwelijk is blijkbaar toegestaan met iedereen die tot die stam behoort.
Je hoeft je dus geen zorgen te maken. Mensen raken daar als ze alleenstaand zijn vaak erg gespannen over, omdat het huwelijk natuurlijk een belangrijke beslissing is. Nadat je de beslissing hebt genomen om christen te worden, kun je geen belangrijkere beslissing nemen. Er blijft maar één ding over dat even belangrijk of nog belangrijker is, en dat is of je trouwt of niet en met wie je trouwt.
Je huwelijk is natuurlijk een keuze voor het leven. Daarom beïnvloedt het je leven meer dan welke andere keuze je ook maakt. Meer dan je keuze voor een baan, zelfs meer dan je keuze hoeveel kinderen je wilt krijgen, als je daar keuzes over maakt. Want de kinderen in je gezin zullen er maar een tijd zijn. Uiteindelijk blijf je voorgoed met je vrouw of man samen. Het is dus een grote beslissing. Christenen vragen zich vaak af: heeft God een bepaalde persoon uitgekozen? Ik denk dat Hij dat soms waarschijnlijk wel heeft gedaan, net zoals Hij bepaalde mensen had uitgekozen om apostelen te zijn en bepaalde mensen voor bepaalde bedieningen. Er zijn gevallen waarin God beslist een specifiek geval voor ogen heeft.
We lezen dat toen Izak een vrouw nodig had, Abram zijn knecht naar het land Paddan-Aram stuurde om een vrouw te vinden. God leidde Rebekka naar de knecht van Abram bij de put. Er staat dat de knecht, voordat zij aankwam, zei:
Uitleg in Genesis 23-24Laat het zo zijn dat het meisje tegen wie ik zeg: Laat toch de kruik van uw schouder zakken, zodat ik kan drinken, en dat zal zeggen: Drink, en ik zal ook uw kamelen te drinken geven, dat zij het meisje is dat U voor Uw dienaar Izak bestemd hebt. Daaraan zal ik dan weten dat U mijn heer goedertierenheid bewezen hebt.
Hij zegt:
Laat haar degene zijn die de Heere heeft uitgekozen voor Izak, de zoon van mijn meester.
De man nam aan dat er een vrouw was die God voor Izak op het oog had. En dat was waarschijnlijk een vrij veilige aanname, aangezien er maar heel weinig mensen waren die geschikt zouden zijn geweest. Hij moest iemand vinden met hetzelfde geloof. Er waren niet veel mensen in de wereld met hetzelfde geloof. Hij nam aan dat er waarschijnlijk één persoon was die God op het oog had, en ongetwijfeld had hij gelijk. God bracht het meisje inderdaad, en het afgesproken teken kwam goed uit. Het bleek beslist de juiste keuze te zijn.
Er zijn dus misschien gevallen waarin God een bepaalde persoon specifieke aanwijzingen geeft om met een andere persoon te trouwen. Maar het lijkt mij dat dat de uitzondering zou zijn en niet de regel. Het klinkt alsof het God over het algemeen niet uitmaakt met wie iemand trouwt, zolang het maar binnen het geloof is.
Trouwen op grond van vermeende openbaringen #
Ik denk dat het belangrijk is om dat te weten. Want als je denkt dat er maar één is, zou je je in deze zaak kunnen laten leiden door geheimzinnige overwegingen: ‘Ik heb een droom gehad. Ik heb een profetie gekregen. Ik heb dit woord van God gekregen. Ik moet met die en die trouwen.’ In mijn leven heb ik dat gevoel gehad, alsof God me had laten zien dat ik met iemand moest trouwen, en het bleek niet zo te zijn. Vrouwen hebben gezegd dat God hun had laten zien dat ze met mij zouden trouwen, en het was niet zo. Ik heb dit vaak zien gebeuren in het lichaam van Christus.
Mijn laatste vrouw trouwde bijvoorbeeld maar om één reden met me: ze had het gevoel dat God haar had gezegd dat ze dat moest doen. Ze hield niet van me. Dat vertelde ze me twaalf jaar later, en ik geloof dat ze de waarheid sprak. Ze hield niet van me. Ze voelde zich niet tot me aangetrokken. Ze trouwde met me omdat ze dacht dat de Heere dat van haar wilde. Ze hield het twintig jaar vol in het huwelijk voordat ze ervandoor ging en ook de Heere verliet. Ik neem aan dat ze, als ze bij de Heere was gebleven, bij mij zou zijn gebleven, omdat ze dacht dat God wilde dat ze met me trouwde. Maar ze besloot dat dat het niet waard was.
Ik wist niet dat dat de reden was waarom ze met me trouwde. Maar wanneer mensen om zulke redenen trouwen, zien ze vaak dingen over het hoofd waarvan je gezonde verstand je zou vertellen dat ze je ongeschikt maken voor elkaar. Iets aan iemand spreekt je aan, iets aan iemand trekt je aan. Je zegt: ‘O, dat is degene die ik wil.’ Toch kunnen er allerlei dingen zijn waarvan je gezonde verstand zou zeggen: ‘Deze mensen passen niet bij elkaar.’ Maar dat negeer je, omdat God het heeft gezegd.
Het lijkt mij dat mijn vrouw, aangezien ze niet verliefd op me was en zich niet tot me aangetrokken voelde, had moeten denken: ‘Hij is niet de man voor mij.’ Maar ze dacht dat God het had gezegd, dus zag ze dat over het hoofd. Ik denk niet dat we zulke dingen over het hoofd horen te zien. Ik denk dat de algemene regel voor het huwelijk is dat je wel degelijk je gezonde verstand gebruikt. Of, zoals Mozes het zei:
Trouw met wie je zelf wilt.
Hoe verwoordde hij het daar in Numeri 36 precies? Het is eigenlijk goed advies over het huwelijk. Er staat:
Laat ze trouwen met degene die volgens hen de beste is.
De spreker legt hier nadruk op ‘de beste’, naar de Engelse formulering ‘whom they think best’. De HSV formuleert dit als ‘van wie goed is in hun ogen’.
Gezond verstand en trouw in het huwelijk #
Dat is echt een goede regel. Niet de persoon bij wie je naar je idee een goed gevoel hebt gekregen, of de persoon over wie je denkt een profetie te hebben gekregen. Trouw met wie goed is in je ogen. Hoe bepaal je dat? Dat moet volgens mij worden besloten op grond van allerlei praktische overwegingen, en of je bij elkaar past en zaken die met de familie te maken hebben. Natuurlijk ook de instemming van de familie en dat soort dingen. Bij het nemen van die beslissing spelen veel zaken mee die we niet als erg geestelijke zaken zouden beschouwen.
Het lijkt misschien vleselijk om Gods leiding buiten beschouwing te laten. Maar Gods leiding is niet altijd geheimzinnig. Gods leiding kan ook betekenen dat je je gezonde verstand gebruikt. God heeft je wel hersenen gegeven en verwacht dat je die gebruikt. En Hij kan je op die manier inzicht geven. Het kan Gods wil zijn.
Mijn punt is dus: deze uitspraak in Numeri en de vergelijkbare uitspraak van Paulus in 1 Korinthe 7 wijzen er nergens op dat je als alleenstaande moet aannemen dat God maar één specifieke huwelijkspartner voor je heeft bestemd.
In sommige gevallen is dat ongetwijfeld waar. En als je met iemand trouwt, dan is dat de persoon. Veel mensen met dit soort mystieke ideeën gaan scheiden, omdat ze met iemand trouwen en zeggen: ‘Ik ben met de verkeerde persoon getrouwd.’ Nee, dat ben je niet. Je bent misschien onbezonnen getrouwd, maar je bent getrouwd met de juiste persoon om bij te blijven. Degene aan wie je je hebt verbonden, dat is de juiste persoon om de rest van je leven mee getrouwd te zijn. Het was misschien geen goede keuze, maar het is nu toch de juiste persoon. Dus wat iemand wel of niet de juiste persoon maakt, heeft maar heel zelden iets te maken met bijzondere goddelijke leiding, al zou ik niet uitsluiten dat goddelijke leiding een rol kan spelen.
Maar zodra iemand vermoedt dat God hier misschien iets aan het doen is, moeten de mogelijkheden natuurlijk met veel gezond verstand worden onderzocht, lijkt mij. En niet met oogkleppen op, terwijl je zegt: ‘God liet me dit doen.’ Als God je dit heeft laten doen, en je vervolgens een domme fout hebt gemaakt en ongelukkig bent in je huwelijk, dan kun je in de verleiding komen om God de schuld te geven van je ongelukkig zijn. Maar dat is niet de manier waarop God ons hierover onderwijst.
Trouwen met een gelovige beschermt de erfenis #
Dus dit laatste hoofdstuk van Numeri behandelt deze praktische kwestie, schept een precedent en voert een nieuwe wet in die op deze gevallen van toepassing is. Maar het geeft ons ook, net als in 1 Korinthe 7:39, een goede, verstandige en godvruchtige regel over met wie je moet trouwen. Je moet binnen de stam trouwen. Dat betekent trouwens niet binnen je eigen kerkgenootschap, maar met iemand binnen de christelijke gemeente, iemand die in Christus gelooft.
Uitleg in 2 Korinthe 5:14-7:1Vorm geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met wetteloosheid, en welke gemeenschap is er tussen licht en duisternis?
Natuurlijk was het voor een Jood niet verboden om buiten de eigen stam te trouwen, behalve als het ging om dochters die het land van hun vader erfden. Juist deze wet maakt duidelijk dat er in het algemeen geen wet was die iemand uit een bepaalde stam verplichtte om binnen de eigen stam te trouwen. Die regel gold alleen wanneer een huwelijk buiten de stam de erfenis van je vader in gevaar zou brengen. Dat zou het geval zijn wanneer, zoals hier, de dochters de erfgenamen waren van het land van hun vader.
Er is dus geen algemene regel in het Oude Testament dat de Joden binnen hun eigen stam moesten trouwen. Maar dit geval biedt wel een type en een voorafschaduwing van de regel van Paulus dat je niet wilt dat de erfenis van je stam wordt aangetast doordat je buiten de stam trouwt. Zo verontreinigt ook een huwelijk met een niet-christen beslist de erfenis die God voor jou en je gezin op het oog had. Want nu ben je buiten de stam, en het kan zijn dat je kinderen en je bezittingen nu zullen toebehoren aan iemand die buiten het lichaam van Christus staat. Je kinderen kunnen daardoor in sommige gevallen zelfs buiten het lichaam van Christus staan.
Daarmee zijn we aan het einde van het boek Numeri gekomen.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Numbers 33 - 36. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/numeri/33-36
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/numeri/33-36.pdf?v=1fde9fd21a25
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Numeri - Lezing 14 - 33-36.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/numeri/33-36.mp3?v=abadecde50a1
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Numeri - Lezing 14 - 33-36.mp3
Numeri
Alle lezingen over Numeri. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Inleiding Israël blijft veertig jaar in de woestijn
- 2 1-4 Israël slaat zijn kamp op rond de tabernakel
- 3 5-7 Bij achterdocht drinkt de vrouw bitter water
- 4 8-9 De Levieten worden aan God gewijd
- 5 10-12 Het volk klaagt, Mozes kan niet meer
- 6 13-15 Israël weigert Kanaän binnen te trekken
- 7 16-17 Korach wil ook priester zijn
- 8 18-20 Aäron krijgt het priesterschap om te dienen
- 9 21-22 Mozes zet een koperen slang op een paal
- 10 23-24 God laat Bileam Israël zegenen
- 11 25-27 Israël buigt voor Baäl-Peor
- 12 28-30 Elke dag lammeren, op feestdagen meer
- 13 31-32 God laat Israël Midian straffen
- 14 33-36 De stammen krijgen hun land in Kanaän
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/numeri/33-36.srt?v=1f2d32a015ea
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Numeri - Lezing 14 - 33-36.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/numeri/33-36.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Numeri 12:3
- Numeri 33:1-2
- Numeri 33:3
- Numeri 33:4
- Exodus 12:12
- Numeri 33:5-7
- Numeri 33:8
- Numeri 33:9-11
- Numeri 33:12
- Numeri 33:13-14
- Numeri 33:15-16
- Numeri 33:17-37
- Numeri 33:38-39
- Numeri 33:40-46
- Numeri 33:47-48
- Numeri 33:49
- Numeri 33:50-52
- Numeri 33:53-54
- Numeri 33:55
- Leviticus 18:24-25
- Leviticus 18:26-28
- Numeri 34:1-3
- Numeri 34:4
- Numeri 34:5
- Numeri 34:6
- Numeri 34:7
- Numeri 34:8-9
- Numeri 34:10-11
- Numeri 34:12
- Numeri 34:13
- Numeri 34:14-15
- Numeri 34:16-19
- Numeri 34:29
- Numeri 35:1-4
- Numeri 35:5
- Numeri 35:6-8
- Numeri 35:9-16
- Numeri 35:17-19
- Numeri 35:20-27
- Numeri 35:28-31
- Numeri 35:32
- Numeri 35:33
- Genesis 9:5
- Genesis 9:6
- Numeri 35:34
- Johannes 15:4-5
- Johannes 15:6
- Numeri 35:28
- Numeri 27:5
- Numeri 27:7
- Numeri 36:1
- Numeri 36:2-3
- Numeri 36:4
- Numeri 36:5-9
- Numeri 36:10-11
- Numeri 36:12-13
- 1 Korinthe 7:39
- Numeri 36:6
- Genesis 24:14
- 2 Korinthe 6:14