Bij het Bijbelboek

Numeri lezen: Israël op weg door de woestijn

De Hebreeuwse naam van Numeri betekent ‘in de woestijn’. Het boek vertelt hoe de generatie die uit Egypte trok door ongeloof het beloofde land niet binnenging, en hoe God met hun kinderen verderging.

Mijn VVV
Artistieke voorstelling van Mozes die in een woestijnkamp naast een staak met een koperen slang staat, terwijl de mensen om hem heen omhoogkijken.
Wie gebeten was en naar de koperen slang keek, bleef in leven. Illustratie gemaakt met AI.

Numeri begint met lijsten: tellingen, stammen, aantallen en gaven. Wie doorleest, vindt daarna een van de meest bewogen verhalen uit het Oude Testament. Israël trekt van de Sinaï naar de grens van Kanaän, maar de generatie die uit Egypte vertrok, komt het land niet binnen. Pas hun kinderen staan aan het einde van het boek klaar om de Jordaan over te steken.

In de veertien Nederlandstalige lezingen over Numeri volgt Steve Gregg het boek van begin tot eind. Hij legt de wetten en verhalen uit in hun eigen context en laat steeds zien hoe het Nieuwe Testament ze gebruikt.

In de woestijn

De inleiding legt uit dat de Hebreeuwse naam van het boek, bemidbar, ‘in de woestijn’ betekent: een betere beschrijving van de inhoud dan Numeri. Gregg verdedigt het auteurschap van Mozes, met ruimte voor latere redactionele aanvullingen, en bespreekt de bezwaren tegen de grote bevolkingsaantallen. Vervolgens laat hij zien hoe het Nieuwe Testament Israëls ervaringen gebruikt als waarschuwing dat ook christenen door ongeloof en ongehoorzaamheid verloren kunnen gaan, en als aansporing om Gods rust binnen te gaan.

Een volk rond de tabernakel

Hoofdstuk 1 tot en met 4 beschrijven de telling van de weerbare mannen en de indeling van de stammen rond de tabernakel. Gregg legt uit hoe de drie Levitische families de zorg voor de tabernakel verdelen. Hun vrijstelling van militaire dienst vergelijkt hij met de houding van vroege christenen tegenover oorlog. Voor het afwijkende totaal van de Levieten houdt hij een overschrijffout voor de waarschijnlijkste verklaring.

In hoofdstuk 5 tot en met 7 gaat het over reinheid, de beproeving van een vrouw die van overspel wordt verdacht en de gelofte van de nazireeërs. Volgens Gregg kon alleen Gods bovennatuurlijke ingrijpen de schuld van zo’n vrouw aantonen, zodat de regeling onschuldige vrouwen beschermde. Hij legt ook uit waarom Jezus geen nazireeër was, en bespreekt de Aäronitische zegen.

Hoofdstuk 8 en 9 behandelen de wijding van de Levieten en de regeling voor een later Pascha. Gregg staat uitvoerig stil bij de wolk boven de tabernakel als beeld van de leiding van de Heilige Geest: gelovigen gehoorzamen het Woord dat ze al hebben en trekken verder wanneer Hij hen leidt.

Klagen en ongeloof

In hoofdstuk 10 tot en met 12 breekt Israël op van de Sinaï. Al snel klaagt het volk over het manna. Gregg benadrukt dat ontevredenheid over Gods voorziening tegen God Zelf gericht is. Bij de aanstelling van de zeventig oudsten verbindt hij Mozes’ wens dat heel het volk de Geest zou ontvangen met Joëls profetie en Pinksteren. Ook bespreekt hij de kritiek van Mirjam en Aäron op Mozes.

Hoofdstuk 13 tot en met 15 vormen het keerpunt van het boek. Tien verkenners brengen een ontmoedigend verslag uit; alleen Jozua en Kaleb vertrouwen erop dat God Israël het land kan geven. Na Gods oordeel over de ongelovige generatie probeert het volk alsnog op te trekken, maar dat mislukt. Gregg wijst erop dat Israël niet op een eerdere belofte kon terugvallen nadat God een ander besluit had genomen.

Gezag en dienst

De lezing over hoofdstuk 16 en 17 gaat over de opstand van Korach, Dathan en Abiram. Gregg maakt onderscheid tussen geestelijk leiderschap en een ambt in een kerkelijke organisatie: echte leiders spreken Gods Woord, geven een goed voorbeeld en waken over mensen. Ook godvruchtige leiders mogen volgens hem terechtgewezen worden. De bloeiende staf van Aäron bevestigt diens priesterschap.

In hoofdstuk 18 tot en met 20 benadrukt Gregg dat geestelijke gaven, ook leiderschap, bedoeld zijn om te dienen en niet om te heersen. Het reinigingswater met de as van de rode koe ziet hij als voorafbeelding van de reiniging door het bloed van Christus. Daarna onderzoekt hij hoe Mozes bij Meriba ongehoorzaam was en God niet heiligde voor het volk, waardoor hij het land niet mocht binnengaan.

De slang en de profeet

Hoofdstuk 21 en 22 beginnen met de gifslangen en de koperen slang, en vertellen daarna hoe Balak de profeet Bileam laat halen om Israël te vervloeken. Gregg laat zien dat Bileams vrome woorden zijn hebzucht verhullen, en dat de sprekende ezelin zijn geestelijke blindheid blootlegt.

In hoofdstuk 23 en 24 kan Bileam niet anders dan Israël zegenen. Gregg benadrukt dat God ook over demonische machten heerst en Zijn volk tegen geestelijke aanvallen beschermt. De profetie over de ster en de scepter betrekt hij in de eerste plaats op David, met een mogelijke verdere vervulling in Christus.

Een nieuwe generatie

Hoofdstuk 25 tot en met 27 beschrijven de zonde bij Baäl-Peor, de tweede volkstelling en de vraag van de dochters van Zelafead naar een erfdeel. Gregg bespreekt het verschil tussen de dodentallen in Numeri en 1 Korinthe, en ziet in de handoplegging bij de aanstelling van Jozua de openbare overdracht van gezag.

De lezing over hoofdstuk 28 tot en met 30 behandelt de offers voor elke dag, week, maand en elk feest, en de bepalingen over geloften. Gregg wijst erop dat de geloften van weduwen en gescheiden vrouwen even bindend waren als die van mannen.

In hoofdstuk 31 en 32 gaat het over de oorlog tegen Midian, die Gregg verdedigt als een oordeel dat God gerechtigd was te voltrekken. Daarna kiezen Ruben, Gad en de halve stam Manasse voor weideland ten oosten van de Jordaan. Gregg noemt dat een slechte keuze met blijvende gevolgen.

De slotlezing over hoofdstuk 33 tot en met 36 loopt de rustplaatsen in de woestijn langs en bespreekt de grenzen en verdeling van Kanaän. Israëls blijvende bezit van het land hing af van gehoorzaamheid aan Gods verbond. In de vrijsteden ziet Gregg een voorafbeelding van de veiligheid die er alleen is zolang je in Christus blijft.

Kijken en leven

En de HEERE zei tegen Mozes: Maak u een gifslang en zet hem op een staak. Het zal gebeuren dat ieder die gebeten is, in leven zal blijven, als hij daarnaar kijkt. Toen maakte Mozes een koperen slang en zette hem op de staak. En het gebeurde als de slang iemand beet dat hij naar de koperen slang keek en in leven bleef.

— Numeri 21:8-9, Herziene Statenvertaling

In de lezing over hoofdstuk 21 en 22 wijst Gregg erop dat Jezus dit verhaal tegenover Nicodemus gebruikte als illustratie van Zichzelf aan het kruis: naar de slang op de paal kijken is als geloven in Christus. Hij noemt twee verklaringen voor dat opvallende beeld. De slang kan Christus voorstellen, Die voor ons tot zonde werd gemaakt. Of de slang stelt satan voor, die door het kruis werd overwonnen. Hij laat ook zien hoe Israël de koperen slang later als afgod vereerde, tot Hizkia hem verbrijzelde.

De hele reeks over Numeri laat zien hoe een klagend en ongelovig volk toch door God werd geleid, gevoed en gered, en hoe die geschiedenis christenen vandaag waarschuwt en bemoedigt.

← Alle blogartikelen

Hoe wil je deze lezing volgen?

Je kunt deze keuze altijd wijzigen in de speler.

We onthouden je voorkeur op dit apparaat.

De lezing wordt geladen…

Beeld en tekst laden…