Kolossenzen 1:21-29
God kiest de gemeente als geheel
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/kolossenzen/1-21-29.pdf?v=caf90e91e962. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/kolossenzen/1-21-29.
Samenvatting
Verzoening, collectieve uitverkiezing en de noodzaak om in het geloof te blijven.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt hoe God mensen door Christus’ dood met Zichzelf verzoent om hen heilig en onberispelijk voor Zich te plaatsen. Hij betoogt uitvoerig dat uitverkiezing de gemeente als geheel betreft en dat individuele gelovigen alleen in haar bestemming delen als zij in Christus blijven; daarbij bestrijdt hij de calvinistische opvattingen over uitverkiezing en heilszekerheid. Vervolgens legt hij uit hoe Christus door het lijden van Zijn gemeente heen blijft lijden voor de verbreiding van het Evangelie, en hoe Joden en heidenen in Hem dezelfde voorrechten en hoop op heerlijkheid hebben. Ten slotte behandelt hij Paulus’ inspanning om door verkondiging, terechtwijzing en onderwijs ieder mens tot volwassenheid in Christus te brengen, met de kracht die God daarvoor geeft.
Vervreemding van God en verzoening #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Kolossenzen 1, vers 21 tot en met vers 29.
We zijn weer bij Kolossenzen, hoofdstuk 1, dit keer vers 21. Deze verzen zitten vol inhoud, en het kost veel tijd om ze door te nemen. In vers 15 tot en met 20 heeft hij ons zojuist als het ware een tirade gegeven, een lofzang — een goede — over hoe verheven Jezus is, zowel in het domein van de geschapen dingen als in het domein van de nieuwe schepping, de gemeente. Dan vertelt hij ons over onszelf. Nadat hij over Jezus heeft gesproken, richt hij zich tot ons en spreekt hij over ons. In vers 21 zegt hij:
En Hij heeft u, die voorheen vervreemd was en vijandig gezind, zoals bleek uit uw slechte daden, nu ook verzoend,
Zoals ik al zei, heeft hij ons in vers 15 tot en met 20 verteld wat Christus heeft gedaan en wat Christus voor ons is. Nu spreekt hij rechtstreeks tot ons over onszelf en over de uitwerking op ons van wat Jezus heeft gedaan. Allereerst staat er:
21En Hij heeft u, die voorheen vervreemd was en vijandig gezind, zoals bleek uit uw slechte daden, nu ook verzoend, 22in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen, 23als u tenminste in het geloof blijft, gefundeerd en vast, en u niet laat afbrengen van de hoop van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in de hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.
We waren vervreemd in ons denken, en die vervreemding kwam tot uiting in slechte werken. Die vervreemding was genoeg om ons te verdoemen. Ze was genoeg om te verhinderen dat we behouden konden worden, want behoud is in Christus. Behoud komt door een relatie met God. Als die relatie verbroken is, als die relatie er een van vijandschap is, dan is dat uiteraard geen relatie die behoud brengt. We moeten dus verzoend worden.
Hier wordt alleen wat in vers 20 in het algemeen werd gezegd, persoonlijk op ons toegepast: dat God door Hem alle dingen met Zichzelf wilde verzoenen. Daarmee heeft Hij ons verzoend. Hij heeft de gronden voor de vervreemding weggenomen. Vervreemding ontstaat doordat iemand iets is aangedaan. Dat geldt in alle gevallen van vervreemding. Als je nu vervreemd bent van iemand van wie je vroeger niet vervreemd was, dan komt dat doordat iemand gekrenkt is. Jij bent door die ander gekrenkt, of die ander is door jou gekrenkt. Waar vervreemding bestaat, is iemand iets aangedaan. Waar verzoening plaatsvindt, moet dat op de een of andere manier worden rechtgezet.
Er moet ofwel eenzijdige vergeving zijn, in die zin dat de gekrenkte partij zegt: ‘Nou, ik ga er gewoon niet zo'n groot punt van maken. Ik zal het vergeten, en ik zal weer vriendelijk tegen je zijn.’ Of er moet op een of andere manier iets worden vergoed, of jij of de partij die de ander iets heeft aangedaan moet iets doen om verzoend te worden.
Normaal gesproken zouden we denken dat als je van iemand vervreemd bent doordat je iets verkeerd hebt gedaan, die vervreemding alleen kan worden opgeheven doordat jij iets goeds doet. Met andere woorden, als iemand je iets aandoet, kun je doorgaans gewoon onaangename gevoelens tegenover die persoon hebben, vijandig tegenover hem staan, hem vermijden en niets met hem te maken willen hebben. Tenzij hij naar je toe komt en zegt: ‘Nou, ik zal het goedmaken. Ik heb je pijn gedaan. Ik zal iets goeds voor je doen. Ik zal iets doen om je de schade te vergoeden die je door mij hebt geleden.’ Zo reageren mensen gewoonlijk.
God verzoent ons door Christus’ betaling #
Mensen denken natuurlijk dat God ook zo is. Omdat we God hebben gekrenkt door onze ongehoorzaamheid, hebben veel mensen het gevoel dat verzoening in deze relatie alleen mogelijk is als wij goede dingen doen, goede daden verrichten om het met God goed te maken. Maar dat is niet wat er is gebeurd, want we lezen in 2 Korinthe hoofdstuk 5, vers 19:
God was het namelijk Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd.
Dat is de andere manier waarop verzoening kan plaatsvinden.
Ik kan niet werkelijk naar God toe komen en zeggen: ‘Goed, ik heb U schade toegebracht door mijn zonde. Ik zal U verrijken door mijn goede werken. Zo zal ik het met U goedmaken.’ Want mijn goede werken kunnen Hem op geen enkele manier verrijken. Ik ben niet goed genoeg om zo'n bijdrage te leveren. Maar dat andere kan wel gebeuren. Hij kan eenzijdig vergeven. Hij kan mijn zonden niet aan mij toerekenen.
Hij heeft dit niet willekeurig gedaan, en Hij heeft het niet gedaan zonder dat er een betaling werd gedaan. Het is alleen zo dat Hij niet van mij eiste dat ik die betaling deed. Ik ben degene die Hem heeft gekrenkt, maar iemand anders heeft de betaling gedaan. Dat is het hele punt: we zijn verlost. Dat betekent dat de betaling is gedaan. Dat staat in vers 14:
In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de zonden.
Dat wil zeggen, in Christus:
We zijn verlost.
Het woord verlossing betekent dat er betaald is om iemand vrij te krijgen. En die betaling is niet door ons gedaan, maar door Hem. De vervreemding tussen mij en God is dus opgeheven doordat God als het ware volledig schadeloos is gesteld, maar niet door mij. Vanwege wat Jezus heeft gedaan, rekent God mij nu mijn zonden niet toe, en jou de jouwe niet, en geen enkel mens zijn zonden. Ze zijn Christus toegerekend. Daarom kunnen wij ervaren wat God voor ogen heeft. In vers 22 staat:
Heilig en onberispelijk voor God #
21En Hij heeft u, die voorheen vervreemd was en vijandig gezind, zoals bleek uit uw slechte daden, nu ook verzoend, 22in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen, 23als u tenminste in het geloof blijft, gefundeerd en vast, en u niet laat afbrengen van de hoop van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in de hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.
Dat wil zeggen: Hij heeft ons met Zichzelf verzoend in het lichaam van Zijn vlees door Zijn dood.
Om jullie voor Hem te brengen.
Dit is wat Hij met dit alles voor ogen heeft:
Om jullie heilig, onberispelijk en zonder iets op aan te merken voor Hem te kunnen brengen.
Dat betekent dat je in een toestand zult verkeren waarin niemand je iets kan verwijten. Onberispelijk. Niemand kan je ergens de schuld van geven. Je zult heilig zijn. Dit is wat God voor ogen heeft: wanneer je op de oordeelsdag voor Hem staat, of zelfs nu, wanneer je op een willekeurige dag voor Hem komt om tot Hem te bidden, tot Hem te naderen, gemeenschap met Hem te hebben, zal er niets tegen je kunnen worden ingebracht. Hij zal daar niet kunnen staan en je ergens de schuld van geven of je iets verwijten. Je kan nergens de schuld van worden gegeven en je kan niets worden verweten. Hoe kan dat? Omdat alle schuld en alle verwijten ten behoeve van ons op een Ander zijn gelegd, als plaatsvervanger.
Let op deze uitdrukking in vers 22. Gods verlangen is:
Om ons heilig en onberispelijk voor Hem te brengen.
Als je terugkijkt naar Efeze hoofdstuk 5, zul je een vergelijkbare formulering vinden. Paulus spreekt over Christus als de echtgenoot en over ons als de bruid, weer een van zijn bekende beelden van de gemeente en Christus. Hij zegt in Efeze 5:25 en verder:
Mannen, heb uw eigen vrouw lief, zoals ook Christus de gemeente liefgehad heeft en Zich voor haar heeft overgegeven,
Let op vers 27:
opdat Hij haar in heerlijkheid voor Zich zou plaatsen, een gemeente zonder smet of rimpel of iets dergelijks, maar dat zij heilig en smetteloos zou zijn.
Christus is voor de gemeente gestorven, zodat Hij de gemeente, dat zijn wij, voor Zichzelf kon stellen als iets wat heilig en vrij van smetten is. Dat is zeker een gedachte die overeenkomt met wat we hier in Kolossenzen 1:22 lezen:
in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen,
Dit hebben deze twee uitspraken gemeen. Ze gaan er allebei over dat Jezus iets heeft gedaan om jou, de gemeente, voor Zichzelf te kunnen stellen. In beide gevallen wordt gezegd dat de gemeente heilig is wanneer ze voor Hem wordt gesteld. Op de ene plaats staat:
Zonder gebreken. Dat sluit aan bij het beeld van een bruid, en er zit geen smet op de huid van een mooie vrouw zonder gebreken. Hier hebben we niet het beeld van de bruid. Daarom staat er, in plaats van iets over smetten:
Zonder schuld, zonder dat je iets te verwijten valt.
Het is heel duidelijk dat we op beide plaatsen hetzelfde begrip hebben: dat Christus heeft gedaan wat Hij heeft gedaan om een onbevlekt, een onberispelijk, een heilig volk voor Zichzelf te stellen.
De gemeente als geheel uitverkoren #
Houd dat in gedachten en kijk terug naar Efeze hoofdstuk 1. Dit zal heel leerzaam voor ons zijn, want door dit te overwegen wordt de kwestie van de uitverkiezing duidelijker. In Efeze 1, vers 4, staat:
omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde.
Let op dezelfde uitdrukking:
Dat we heilig en zonder schuld voor Hem zouden staan.
In Kolossenzen 1:22 staat:
in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen,
Dat is hetzelfde als zonder blaam.
Dat is hetzelfde als zeggen: voor Hem, voor Zijn aangezicht.
Waar wil ik hiermee naartoe? Probeer ik alleen maar verzen te vinden waar vergelijkbare woorden in staan? Nee, dit alles is heel leerzaam voor iets wat heel belangrijk is in de hele bespreking van uitverkiezing en door God gekozen worden. De vraag is: heeft God mij en jou en veel andere afzonderlijke personen gekozen om behouden te worden? Of heeft Hij een categorie gekozen om behouden te worden, en kies ik ervoor om tot die categorie te behoren of erbuiten te staan? In sommige verzen is dat niet duidelijk, maar in andere wel. Hier zien we in Efeze 1:4 een duidelijke leer over wat Paulus van uitverkiezing vond.
Dat betekent: uitverkoren. Het woord ‘gekozen’ is ‘uitverkoren’. Dus:
omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde.
Dit doel, een volk te hebben dat heilig en zonder blaam is, is waarvoor Hij ons heeft uitverkoren. Maar wie zijn ‘ons’? Wij als zoveel afzonderlijke personen, of betekent ‘ons’ eenvoudigweg de gemeente, waarvan jij en ik vermoedelijk door onze wedergeboorte deel uitmaken? Ik wil je de gedachte voorleggen dat de keuze niet afzonderlijke personen betrof, maar de gemeente als geheel. Dat wil zeggen: de categorie, degenen die in Christus zijn. God heeft ervoor gekozen dat degenen die in Christus zijn op een dag heilig en onberispelijk voor Hem zullen worden gesteld. Dat is uitverkiezing.
Is dit individuele of collectieve uitverkiezing? Kijk naar het vers dat we zojuist in Efeze 5 zagen. Efeze 5 zegt dat Christus Zichzelf voor de gemeente heeft gegeven, vers 27:
opdat Hij haar in heerlijkheid voor Zich zou plaatsen, een gemeente zonder smet of rimpel of iets dergelijks, maar dat zij heilig en smetteloos zou zijn.
— dat is de gemeente —
Dezelfde gedachte. God heeft de gemeente ertoe uitverkoren om heilig en zonder smet voor Hem gesteld te worden. De dag zal komen waarop de gemeente, wie er ook deel van mag uitmaken, zal beantwoorden aan de keuze die God voor de gemeente heeft gemaakt. Namelijk dat zij als een heilige en onberispelijke gemeente voor Hem gesteld zal worden. De vraag is: hoe zit het met mij? Kijk nu eens naar Kolossenzen. Hier hebben we dezelfde gedachte. Vers 22: in het lichaam, dat is de gemeente, is God van plan jullie voor Zich te stellen. Dat staat in het meervoud en betekent in dit geval de gemeente:
in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen,
Hij heeft het besluit genomen om de gemeente uiteindelijk in deze toestand voor Zich te stellen. Maar kijk naar het volgende vers:
21En Hij heeft u, die voorheen vervreemd was en vijandig gezind, zoals bleek uit uw slechte daden, nu ook verzoend, 22in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen, 23als u tenminste in het geloof blijft, gefundeerd en vast, en u niet laat afbrengen van de hoop van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in de hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.
Wacht nu eens even. Volgens Efeze 1:4 heeft God degenen die in Christus zijn ertoe uitverkoren om heilig en onberispelijk te worden. Hier staat hetzelfde, dat Hij van plan is jullie heilig en onberispelijk voor Zich te stellen. En in Efeze 5 heeft Hij de gemeente ertoe uitverkoren om de gemeente heilig en zonder smet voor Zich te stellen. Maar hoe zit het met mij als individu? Dat geldt voor mij als ik volhard. Wat vertelt dit mij? Het vertelt mij dat Gods uitverkiezing collectief is, niet individueel. Dat is de visie van Paulus. God heeft bepaald dat degenen die in Christus zijn op een dag zullen delen in een heerlijke bestemming: heiligheid en onberispelijkheid voor God en heerlijkheid. Dat geldt voor de gemeente als collectieve eenheid, wie er ook deel van mag uitmaken.
De volgende vraag: zal ik daar als individu bij zijn of niet? Nou, dat hangt van mij af, nietwaar? Als ik volhard, zal ik erbij zijn.
Jakob en Ezau in Gods plan #
Dit is wat zo belangrijk is. Er zijn mensen die veel meer gewicht dan ik toekennen aan deze kwestie van uitverkiezing en predestinatie enzovoort. Meestal gaan zij uit van individuele uitverkiezing tot behoud. Hun gedachte is dat God op de een of andere manier lang vóór alle tijden een besluit heeft genomen, en nog wel willekeurig, om bepaalde mensen te behouden en bepaalde mensen te verdoemen. En ze bewijzen dat met deze verwijzingen naar uitverkiezing en predestinatie.
Maar wanneer Paulus over uitverkiezing en predestinatie spreekt, heeft hij het niet over individuen die behouden worden. Zelfs de bekende passage in Romeinen 9, waar hij bespreekt hoe God Jakob koos en Ezau verwierp terwijl ze nog in de moederschoot waren, wordt meestal beschouwd als een bekende passage die bewijst dat de uitverkiezing van individuen tot behoud een onvoorwaardelijke keuze is die God heeft gemaakt. Deze twee mannen zouden daar een goed voorbeeld van zijn.
Het probleem is dat, als je die passage in Romeinen 9 leest, die niet over individuele uitverkiezing tot behoud gaat. Paulus zegt niet dat Ezau naar de hel ging en Jakob naar de hemel omdat God, toen ze allebei in de moederschoot waren, de keuze maakte dat Ezau naar de hel zou gaan en Jakob naar de hemel. Dat is niet het onderwerp dat hier besproken wordt. Wat hij bespreekt, is wie van deze zonen van Abraham — of beter gezegd, van Izak en Abraham — de zegeningen van Abraham in de wereld zou voortzetten. Met andere woorden: welke mensen zou God gebruiken om Zijn beloften aan Abraham voor de wereld te vervullen? Dit valt binnen Gods aardse bedoelingen en Zijn bedoelingen in de geschiedenis.
Abraham had meerdere zonen. Ismaël en Izak waren er twee van. Er waren nog vier of zes anderen bij Ketura. Maar toen God meerdere zonen had, koos Hij er één uit, Izak, om Zijn aardse bedoelingen verder uit te voeren. Betekent dit dat Ismaël niet naar de hemel ging? Dat weten we niet. Misschien wel. De Bijbel spreekt niet over dat onderwerp.
Met de keuze voor Izak boven Ismaël bepaalde God via welke zoon de zegeningen van Abraham vervuld zouden worden. Door dat nageslacht van Abraham zouden deze beloften aan alle volken vervuld worden, namelijk dat de Messias zou komen en een zegen zou zijn voor alle volken. Welke zoon van Abraham zou die lijn voortzetten om Gods aardse bedoeling te vervullen? Dat deed Izak.
Maar dan is de volgende vraag: hoe zit het met de zonen van Izak? Hij had ook twee zonen, Jakob en Ezau. Wie van hen zou deze lijn voortzetten? Het antwoord is natuurlijk Jakob. En Jakob werd voor dit doel gekozen voordat een van beiden geboren was. Ze waren samen als tweeling in de moederschoot, en terwijl ze in de moederschoot waren, zei God:
De HEERE zei toen tegen haar: Er zijn twee volken in uw schoot, en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden. Het ene volk zal sterker zijn dan het andere en de meerdere zal de mindere dienen.
Waarvoor? Behoud? Nee, voor het uitvoeren van Zijn aardse bedoelingen.
Individuen in het volk van Ezau konden behouden worden, en individuen in het volk van Jakob konden verloren gaan. En velen gingen verloren. Veel Joden uit het volk van Jakob gingen verloren en gingen naar de hel. De Farizeeën waren onder hen, en Judas Iskariot was er nog één. Maar er waren mensen uit het volk van Ezau die individueel behouden werden. Job is daar een goed voorbeeld van, vrijwel zeker een Edomiet. En er staat beslist niets in de Bijbel wat erop wijst dat alleen al Gods keuze voor de Israëlieten boven de Edomieten op de een of andere manier alle Edomieten tot de hel veroordeelde.
Dat is niet wat er in Romeinen 9 besproken wordt. Er wordt niet gesproken over individuele uitverkiezing tot behoud. En hoe weet ik dat? Ik doe nogal stellige uitspraken die ingaan tegen wat de meeste mensen zeggen. Maar kijk eens wat er staat. Als je naar Romeinen 9 kijkt: dit is een klassieke passage over uitverkiezing. Wat staat er in Romeinen 9, vanaf vers 10?
En dit niet alleen, maar zo was het ook met Rebekka, die zwanger was van één man , namelijk Izak, onze vader.
— dat is de vrouw van Izak —
11Want toen de kinderen nog niet geboren waren, en niets goeds of kwaads gedaan hadden — opdat het voornemen van God, dat overeenkomstig de verkiezing is, stand zou houden, niet uit de werken, maar uit Hem Die roept — 12werd tot haar gezegd: De meerdere zal de mindere dienen.
Dat wil zeggen: de oudste, Ezau, zal de jongste, Jakob, dienen. God koos dus Jakob boven Ezau toen ze allebei nog in de moederschoot waren. Dan haalt hij een andere Schrifttekst aan:
Zoals geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat.
Ik vind het ongelooflijk hoeveel mensen dit vers gebruiken om te proberen te bewijzen dat God sommige mensen, zoals Jakob en Ezau, individueel heeft uitgekozen voor behoud of voor verdoemenis. Dat is hier helemaal niet aan de orde. Hoe weet ik dat? Wanneer Paulus Schriftteksten aanhaalt om zijn punt te maken, hebben de Schriftteksten die hij aanhaalt vermoedelijk verband met het punt dat hij maakt. Is dat geen redelijke veronderstelling? Waarom zou je de moeite nemen om Schriftteksten aan te halen om je punt te maken als ze niet relevant zijn voor het punt dat je maakt?
Twee volken in de schoot van Rebekka #
Welke Schriftteksten haalt hij aan? Twee: één uit Genesis, één uit Maleachi. Laten we die samen opslaan, want dit is hier heel belangrijk. Genesis 25:23 is de eerste tekst die hij aanhaalt. Hij spreekt erover hoe God Jakob boven Ezau koos toen ze allebei nog in de moederschoot waren. En hij haalt de Schrifttekst aan om dat feit te onderbouwen. Dit is wat de Heere tegen Rebekka zei toen ze zwanger was van de tweeling. Genesis 25, vers 23:
De Heer zei tegen haar: er zijn twee volken in je buik. Twee volken, waarmee rassen worden bedoeld,
De HEERE zei toen tegen haar: Er zijn twee volken in uw schoot, en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden. Het ene volk zal sterker zijn dan het andere en de meerdere zal de mindere dienen.
dat wil zeggen: één ras, Paulus haalt alleen die laatste regel aan, maar hij haalt die aan om zijn punt te maken. Wat is dat punt? Dat God Jakob boven Ezau koos toen ze nog in de moederschoot waren. Waarvoor? Waarvoor? Om de stamvader van een volk te zijn. Niet voor behoud. Er wordt helemaal niet gesproken over de vraag of deze kinderen behouden zullen worden, verloren zullen gaan, naar de hemel of naar de hel zullen gaan. Dat is helemaal niet aan de orde. De vraag is: welk volk zal welk volk dienen? Er zou een volk van Ezau komen — dat noemen we de Edomieten — en een volk van Jakob — dat noemen we Israël. Welk volk zou de overhand hebben over het andere, en welk volk zou God uitkiezen voor het eerstgeboorterecht? Dit was geen eerstgeboorterecht voor de hemel. Het was een eerstgeboorterecht om Gods bedoelingen op aarde uit te voeren. Het antwoord is dat de jongste de overhand zal hebben. De oudste zal de jongste dienen.
Laat ik even deze vraag opwerpen: heeft Ezau als persoon ooit Jakob als persoon gediend? Absoluut niet. We lezen in Genesis wel dat Jakob zich zeven keer voor Ezau neerboog, maar dat is precies andersom. Het zou de bedoeling zijn dat Ezau zich voor Jakob neerbuigt, naar men beweert. Maar we zien Ezau nooit op welke manier dan ook Jakob dienen, op geen enkele manier, in geen enkel opzicht. Maar het volk Edom werd wel schatplichtig aan het volk Israël en diende Israël wel. Het is heel duidelijk dat God, toen Hij zei:
10En dit niet alleen, maar zo was het ook met Rebekka, die zwanger was van één man , namelijk Izak, onze vader. 11Want toen de kinderen nog niet geboren waren, en niets goeds of kwaads gedaan hadden — opdat het voornemen van God, dat overeenkomstig de verkiezing is, stand zou houden, niet uit de werken, maar uit Hem Die roept — 12werd tot haar gezegd: De meerdere zal de mindere dienen.
het over het volk had, niet over de persoon Ezau en de persoon Jakob.
Dit heeft niets te maken met individuele mensen die worden uitgekozen om behouden te worden of verloren te gaan. En als het vers dat Paulus aanhaalt daar niets mee te maken heeft, dan heeft het onderwerp waar Paulus over spreekt er waarschijnlijk ook niets mee te maken.
Gods liefde voor Israël en oordeel over Edom #
Welk ander vers haalt Paulus aan? Hij haalt Maleachi hoofdstuk 1, vers 2 en 3 aan, waar staat:
2Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE, maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad? Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE. Toch heb Ik Jakob liefgehad, 3en Ezau heb Ik gehaat. Ik heb zijn bergen gemaakt tot een woestenij, en zijn erfelijk bezit prijsgegeven aan de jakhalzen van de woestijn.
Waar gaat dat over? Als je het nagaat, was Maleachi wat we een profeet van na de ballingschap noemen. Hij schrijft nadat de Joden een tijd in Babel hadden doorgebracht en naar Jeruzalem of naar Juda waren teruggekeerd om Jeruzalem te herbouwen. Hij haalt iets uit het verleden aan, maar wat is dat?
In de openingsverzen van Maleachi hoofdstuk 1 staat:
1Een last, het woord van de HEERE tot Israël, door de dienst van Maleachi. 2Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE, maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad? Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE. Toch heb Ik Jakob liefgehad,
Wie? Israël, het volk Israël. Het is het woord tot Israël.
Hij zegt: ‘Ik heb van jullie gehouden, Israël.’
Was Ezau niet de broer van Jakob, zegt de Heer? Toch heb Ik Jakob — dat is Israël —
en Ezau heb Ik gehaat. Ik heb zijn bergen gemaakt tot een woestenij, en zijn erfelijk bezit prijsgegeven aan de jakhalzen van de woestijn.
Zijn bergen? De bergen van Edom, het volk Edom. Ezau is eenvoudigweg een verwijzing naar het volk Edom. Jakob en Israël, namen die je onderling kunt uitwisselen, zijn een verwijzing naar het volk Israël. Bedenk dat de naam Jakob en de naam Israël gewoon twee namen voor dezelfde man waren. Wanneer er in vers 1 staat:
Een last, het woord van de HEERE tot Israël, door de dienst van Maleachi.
wordt daarmee toch niet de persoon Israël bedoeld? Het betekent het volk Israël.
En wanneer Hij zegt:
2Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE, maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad? Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE. Toch heb Ik Jakob liefgehad, 3en Ezau heb Ik gehaat. Ik heb zijn bergen gemaakt tot een woestenij, en zijn erfelijk bezit prijsgegeven aan de jakhalzen van de woestijn.
heeft Hij het over de vernietiging van de Edomieten tijdens al die recente ontwikkelingen rond de Babylonische ballingschap. Hij zegt echter:
Ik hield wel degelijk van Jakob. Hoewel Ik Jakob in ballingschap liet gaan, heb Ik hem teruggebracht.
Dit is geschreven nadat Hij hem had laten terugkeren. Hij blikt terug op de voorkeursbehandeling die Hij het volk Israël heeft gegeven, in vergelijking met de manier waarop Hij het volk van Ezau, dat is Edom, behandelde.
Wel of niet bij het uitverkoren volk horen #
Dit is geen uitspraak over Gods keuze van de ene man om behouden te worden en de andere man om verloren te gaan. We lezen nergens dat Ezau naar de hel ging, en we lezen nergens dat Jakob naar de hemel ging. Beide uitspraken zouden waar kunnen zijn geweest, maar we weten niet of ze waar zijn. De Bijbel maakt dat punt nergens, en Paulus maakt dat punt ook niet. Wat hij zegt, is dat wanneer God een keuze maakt, Hij de categorieën bepaalt. Hij koos de categorie van degenen die van Jakob zouden afstammen voor een bepaald doel. Hij koos de categorie van degenen die van Ezau afstamden niet voor dat doel. Maar hoe dan ook, hij heeft het daar in Romeinen niet eens over behoud. Hij heeft het over Gods bedoelingen met een volk, over wat Hij door een volk zou doen. Wat ik je voorleg, is dit: Jakob, of Israël als volk, was door God uitverkoren om een bepaalde zegen te ontvangen. Iedereen weet dat het volk Israël uitverkoren was om gezegend te worden en ook uitverkoren was om verantwoordelijkheid te dragen. Maar niet iedere Jood ontving die zegen. Sommigen van hen kwamen om in de woestijn, omdat de belofte bij degenen die haar hoorden niet met geloof gepaard ging.
Dat staat in Hebreeën 4:1 of 2.
Je kon dus tot het uitverkoren volk behoren en verloren gaan. Sterker nog, je kon in het uitverkoren volk geboren worden en het verlaten. Je kon ervan vervreemd raken. Je kon uit de gemeenschap worden gestoten. Vaak staat er in de wet:
Iedereen die dit of dat doet, zal niet meer bij Mijn volk horen.
God zei tegen Abraham in Genesis 17:
Maar hij die mannelijk en onbesneden is, van wie het vlees van zijn voorhuid niet besneden wordt, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden; hij heeft Mijn verbond verbroken.
Die persoon zou door geboorte een zoon van Abraham zijn, maar van het uitverkoren volk worden afgesneden doordat hij weigerde de wet te gehoorzamen. Aan de andere kant kon iemand die niet als Jood geboren was, zoals Ruth of Rachab, door het Joodse geloof te omarmen het burgerschap van Israël verkrijgen en worden wat we een proseliet noemen.
Dit betekent dat er in het Oude Testament een categorie was die God verkoos te zegenen. Die categorie heet Israël. Een Jood die in Israël geboren was, kon het verwerpen, afvallig worden en uit de gemeenschap van Israël worden gestoten. Iemand die niet als Jood geboren was, kon als hij dat wilde door zijn godsdienst Jood worden. Dit betekent dat de keuze om te zegenen de keuze van een volk was, Israël. De keuze om tot dat volk te behoren was individueel. Of je nu als Jood geboren was of als heiden, je kon ervoor kiezen erbij te horen of ervoor kiezen erbuiten te staan. Als je ervoor koos tot het uitverkoren volk te behoren, werd je een van de uitverkorenen. Niet omdat je oorspronkelijk als individu uitverkoren was, maar omdat de groep waarbij je je hebt aangesloten een uitverkoren groep is, en je deelt in het uitverkoren zijn van die groep doordat je ertoe behoort.
Uitverkoren zijn en blijven in Christus #
Wat betekent het om uitverkoren te zijn in Christus? Dat is wat Paulus zegt in Efeze 1:4:
omdat Hij ons vóór de grondlegging van de wereld in Hem uitverkoren heeft, opdat wij heilig en smetteloos voor Hem zouden zijn in de liefde.
Wat betekent dat? Een Jood die in Israël was, was uitverkoren in Israël. Hij was niet uitverkoren om in Israël te zijn, maar doordat hij in Israël was, maakte hij deel uit van de uitverkoren groep. Christus is de Uitverkorene, maar Hij is een collectief geheel, een lichaam met vele leden. Je kiest ervoor erbij te horen of je kiest ervoor erbuiten te staan. Als je ervoor kiest erbij te horen, ben je uitverkoren in Hem. Omdat Hij uitverkoren is, deel je in het voordeel van Zijn uitverkoren zijn doordat je in Hem bent. Kies je ervoor buiten Hem te staan, dan deel je niet meer in dat voordeel. Hij is nog steeds uitverkoren, en allen die in Hem zijn, zijn nog steeds uitverkoren, maar jij bent niet meer in Hem.
Daarom sprak Jezus over de wijnstok en de ranken.
4Blijf in Mij, en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft. 5Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen. 6Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitengeworpen zoals de rank, en verdort, en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand.
De wijnstok en de ranken die er op dat moment aan zitten, zullen nog steeds behouden worden, maar de ranken die er niet meer aan zitten, zullen verloren gaan.
Uitverkiezing, Gods keuze dus, is een keuze van een categorie. In dit geval de categorie van degenen die in Christus zijn. In Christus, als je daar bent, ben je uitverkoren. Als je niet in Christus bent, ben je dat niet. Maar als je vandaag niet in Christus bent, kun je dat morgen wel zijn, of zelfs later vandaag. Je kunt in Christus komen. Dus ook al was je niet uitverkoren omdat je eerder niet in Hem was, je bent uitverkoren zodra je in Hem bent. Aan de andere kant kun je vandaag in Hem zijn, en daarom ben je uitverkoren in Hem. Maar als je ervoor kiest niet in Hem te blijven, zoals een rank die wordt afgesneden en verdort, dan ben je niet meer uitverkoren. Want het uitverkoren zijn betreft geen individuen. Het uitverkoren zijn betreft de categorie. Het individu kiest of hij aan de eisen van de categorie zal voldoen.
Paulus spreekt over ditzelfde onderwerp: dat God het plan heeft een volk heilig en smetteloos voor Zijn aangezicht te laten zijn. Hij zegt in Kolossenzen 1:22:
in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen,
Dat is in Christus, degenen die in Christus zijn. Jullie — hij geeft zijn lezers het voordeel van de twijfel dat ze in Christus zijn, christenen. Hij heeft geschreven:
aan de heilige en gelovige broeders in Christus die in Kolosse zijn: genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heere Jezus Christus.
Dat zijn degenen tot wie hij zich richt.
21En Hij heeft u, die voorheen vervreemd was en vijandig gezind, zoals bleek uit uw slechte daden, nu ook verzoend, 22in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen, 23als u tenminste in het geloof blijft, gefundeerd en vast, en u niet laat afbrengen van de hoop van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in de hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.
Maar hij heeft het over een categorie, jullie die in Christus zijn. Sommigen van die individuen die in Christus zijn, zullen niet smetteloos en heilig voor Hem gesteld worden als ze niet in Christus blijven. Het gaat om degenen die in Christus zijn.
Zal ieder afzonderlijk tot wie hij zich richt, op die laatste dag in Christus zijn? Dat hangt ervan af. Zoals hij zegt:
Als jullie inderdaad blijven volhouden.
Jij beslist. Zul je volharden? Of zul je niet volharden?
De olijfboom en zijn heilige takken #
Laat me je dezelfde gedachte laten zien in Romeinen 11. Romeinen 11 gebruikt opnieuw het beeld van de organische verbondenheid van takken met een organisme, maar dit keer is het een boom, geen wijnstok. Jezus gebruikte het beeld van de ranken en de wijnstok. Paulus gebruikt ook een beeld uit het Oude Testament, maar een ander beeld: de olijfboom. Het beeld van Israël of de uitverkorenen als een olijfboom komt eigenlijk uit Jeremia. Jeremia 5:10 en Jeremia 11:16 spreken allebei over Israël als een olijfboom. Paulus neemt dat beeld over en zegt dit in Romeinen 11:16. Ik raad je echt aan om dit nauwkeurig te volgen, want dit is heel belangrijk om een belangrijk onderwerp te begrijpen. Paulus zegt:
En als de eerstelingen heilig zijn, dan het deeg ook, en als de wortel heilig is, dan de takken ook.
Dan stapt hij over op het beeld van een boom. Hij zegt:
En als de wortel heilig is, zijn de takken dat ook.
Hier verleent een boom met heilige wortels heiligheid aan elke tak die eraan vastzit. Dus als de takken aan de boom zitten, of in de boom zijn, zoals Jezus het zou zeggen, dan zijn ze heilig, voor God afgezonderd. Bedenk dat de gemeente heilig aan Hem voorgesteld moet worden. Maar let hier eens op, in vers 17:
Als nu enige van die takken afgerukt zijn, en u, die een wilde olijfboom bent, in hun plaats bent geënt en mede deel hebt gekregen aan de wortel en de vettigheid van de olijfboom,
De takken zijn heilig als ze in de boom zijn. Maar wat als ze afgebroken worden? Zijn ze dan nog behouden? Zijn ze dan nog heilig? Wat is de positie van een tak die niet in de boom is?
Laten we verder lezen.
Dat zijn heidenen die van nature niet tot Israël behoorden.
Laten we daar even bij stilstaan. Wat is de wortel? Heilig. Als de wortel heilig is, zijn de takken heilig. Als je oorspronkelijk niet een van de takken was, maar je bent geënt, dan ben je een van de takken geworden en heb je deel aan de wortel. Dat is de heiligheid die alle takken in de boom hebben. Waarom? Omdat je in de boom bent.
Hoe zit het met de takken die afgebroken zijn? Die zijn niet in de boom. Ze waren het wel, maar ze zijn afgebroken. Jij was het niet, maar nu ben je erin. Zie je, hier vinden individuele overgangen plaats. De boom is nog steeds dezelfde boom, en heiligheid hoort altijd bij elke tak die aan die boom vastzit. Waar het om gaat, is dat takken komen en gaan. Ben jij een tak die erin is, of een tak die er niet in is? Ben je afgebroken, of ben je erin?
Natuurlijk heeft Paulus het hier in wezen over de Joden die niet geloofden als de takken die afgebroken werden, en over heidenen die wel geloofden als degenen die erop geënt werden. Dat maakt hij heel duidelijk. Maar hij zegt in vers 18:
beroem u dan niet tegenover de takken. En als u zich beroemt: U draagt de wortel niet, maar de wortel u.
Daarmee bedoelt hij de Joodse takken die afgebroken zijn.
19U zult dan zeggen: De takken zijn afgerukt, opdat ik zou worden geënt. 20Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees.
Dat betekent dat de takken die afgebroken zijn, afgebroken zijn omdat ze geen geloof hebben.
Het is dus duidelijk: aan de boom vastzitten is gebaseerd op geloof. Als je geloof in Christus hebt, ben je erin. Als je geen geloof hebt, ben je erbuiten. Geloof is een individuele zaak, en door je eigen, persoonlijke geloof verbind je je met de boom of maak je je ervan los. Als je eraan vastzit, ben je heilig, omdat de wortel heilig is en je daaruit put wanneer je eraan vastzit. Breek je af, dan ben je niet meer heilig. Je behoort niet meer tot Gods volk.
Door ongeloof van de olijfboom afgehouwen #
Kijk nu eens naar het einde van vers 20:
Wees niet arrogant, maar wees op je hoede.
Waarom? Ik dacht dat we voor eeuwig zeker waren van ons behoud. Waarom zouden we iets te vrezen hebben? Nou, om deze reden:
Want als God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, dan is het ook mogelijk dat Hij u niet spaart.
En dat zou je toch wel van Hem kunnen verwachten als Hij ook maar enige takken zou sparen; zij zaten er van nature aan.
Wat? Wacht eens even. Ik dacht dat ik voor eeuwig zeker was van mijn behoud. Ik zit eraan vast. Ik heb geloof. Ik ben in de boom. De boom is heilig. De wortel is heilig en alle takken zijn heilig. Ik ben in de boom. Ik ben ook heilig. Hoe bedoel je, God zou mij misschien niet sparen? Hoe kan hij dat zeggen? Hij is geen erg goede baptist. Paulus was geen erg goede baptist, en trouwens ook geen erg goede presbyteriaan. Wat zegt hij?
Zie dan de goedertierenheid en de strengheid van God: strengheid over hen die gevallen zijn, over u echter goedertierenheid, als u in de goedertierenheid blijft. Anders zult ook u afgehouwen worden.
Ze zijn dus niet gevallen omdat God streng was. Het is niet zo dat God hun val heeft beschikt en dat juist die strengheid van God hen deed vallen. Omdat ze vielen, behandelde Hij hen streng, niet andersom. Sommige mensen halen dat door elkaar.
Maar tegenover jullie, die niet gevallen zijn, toont God goedheid.
Dus tegenover degenen die vielen, is God streng geweest. Tegenover degenen die niet gevallen zijn, die nog steeds vastzitten, is er goedheid. God heeft ons goed behandeld. Maar wat is de rest van dat vers?
Wat betekent het om afgehouwen te worden? Nou, de Joden die niet geloofden, werden afgehouwen. Zijn zij behouden? Duidelijk niet. Jezus sprak niet tegen de Farizeeën alsof ze behouden waren. Ze waren kinderen van de duivel. Ze werden afgehouwen vanwege hun ongeloof.
Maar ik sta door het geloof. Wat als mijn geloof niet blijft? Wat als ik niet blijf geloven? Wat als ik het geloof verlaat? Nou, blijkbaar zegt hij:
Ook jij kunt worden afgesneden.
Maar ik dacht dat dat niet kon gebeuren. Iemand heeft me als kind verteld dat je, als je eenmaal behouden bent, binnen bent. Je kunt er op geen enkele manier meer uit. Paulus had dat blijkbaar niet gehoord. Misschien ging hij niet naar de zondagsschool. Maar hij geloofde dat duidelijk niet. Hij geloofde dat je, als je eenmaal binnen bent, ook weer buiten kunt komen te staan. Net zoals de Joden die nu buiten staan, ooit binnen waren. Ze werden afgebroken. Je wordt niet afgebroken tenzij je eerst deel uitmaakt van de boom. Ze maakten er deel van uit, maar door hun gebrek aan geloof maakten ze er niet langer deel van uit. Jij maakt er nu deel van uit, en je staat daar op grond van één element, één gegeven, en dat is je geloof. Geef dat op, en wat gebeurt er dan met je? Hetzelfde wat er met hen gebeurde. Ook jij zult worden afgebroken. Zal de boom dan nog steeds heilig zijn? Ja. Zullen de takken dan nog steeds heilig zijn? Ja. Zul jij een van de takken zijn? Nee.
Zie je waar het hier allemaal om gaat? Het gaat erom dat het heilige volk precies dat is: een volk. God heeft ervoor gekozen een heilig volk te hebben, om Zichzelf een heilige bruid voor te stellen, een heilige gemeente, een heilig volk voor Zichzelf. De vraag is: zul jij daar deel van uitmaken of niet? Dat hangt van jou af, toch? Als je blijft, wel. Als je niet blijft, niet. Dat zegt Paulus in Romeinen. Dat zegt Paulus in Kolossenzen.
De voorwaarde om bij Gods huis te horen #
Trouwens, de schrijver van Hebreeën, die misschien Paulus was — niemand weet het zeker — heeft ook heel vergelijkbare dingen gezegd. In Hebreeën hoofdstuk 3, vers 6, zegt hij bijvoorbeeld:
Christus echter is getrouw over Zijn huis als Zoon. Zijn huis zijn wij, als wij tenminste de vrijmoedigheid en de roem van de hoop tot het einde toe onwrikbaar vasthouden.
Dat ‘als’ betekent iets. Dat geeft een voorwaarde aan, toch? Daarom spreken mensen die geen calvinist zijn over voorwaardelijke zekerheid. De calvinist spreekt over onvoorwaardelijke uitverkiezing. Maar wat de calvinist bedoelt, is dat bepaalde individuele mensen onvoorwaardelijk door God zijn uitverkoren, zonder rekening te houden met wat ze zouden doen. Hij heeft gewoon onvoorwaardelijk bepaalde individuele mensen uitverkoren om behouden te worden.
Ik zeg: ‘Waar staat dat in de Bijbel?’ En dan slaan ze al die passages op die we net bekeken hebben. Ik zeg: ‘Dat staat daar niet.’ Wat er staat, is dat Hij degenen die in Christus zijn onvoorwaardelijk tot behoud heeft uitverkoren. Maar er zijn voorwaarden om in Christus te zijn. En of er wel of niet aan die voorwaarden wordt voldaan, is niet van tevoren bepaald. Dat wordt bepaald door beslissingen van mensen. Daarom zegt Paulus voortdurend tegen ons:
Als jullie volhouden, als jullie volhouden, als jullie volhouden, dan zullen deze dingen voor jou gelden. Of jij nu blijft of niet, het zal nog steeds voor de groep gelden. Allen die in Christus zijn, zijn nog steeds uitverkoren voor een bepaalde bestemming en bepaalde voorrechten, enzovoort. God zal Zijn beloften in Christus nog steeds onvoorwaardelijk vervullen. De vraag is of jij in Hem zult zijn of niet. Dat is voorwaardelijk.
als u tenminste in het geloof blijft, gefundeerd en vast, en u niet laat afbrengen van de hoop van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in de hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.
Kolossenzen 1:23:
Stevig geworteld en standvastig.
Een stevig fundament om te volharden #
Nu betekent ‘grounded’ niet zoiets als door een gehaktmolen gaan, al voelt het soms alsof dat is wat het betekent om in Christus te zijn. Soms voelt het alsof God je door een gehaktmolen haalt, maar dat bedoelt hij niet met ‘grounded’. Dat is een oud woord uit de King James dat gewoon is overgenomen in de New King James. ‘Grounded’ betekent letterlijk ‘founded’, ‘gefundeerd’, een beter, moderner Engels woord. Het komt van hetzelfde Griekse woord dat ‘fundament’ betekent. Gefundeerd op een fundament.
Nu is een fundament natuurlijk een begrip dat de Bijbel vaak gebruikt als beeld van iets wat stevig staat. Weet je nog dat Jezus sprak over je huis op een rots bouwen, of juist je huis op zand bouwen, zonder fundament, zoals Hij in Lukas 6 zei. Het fundament bepaalt of iets blijft staan of niet. Zul je in Christus blijven? Dat is heel belangrijk om te weten, toch? Christus is behouden, Christus is rechtvaardig, Christus is heilig, en allen die in Hem zijn, in Hem, zijn heilig en rechtvaardig en uitverkoren. Maar zul jij in Hem blijven? Dat is de vraag. Het antwoord is ja, als je op Hem gefundeerd blijft en standvastig blijft, als je in Hem volhardt.
Het is helaas geen makkie. Denk nu niet dat ik over het hart van mensen oordeel. Laat ik het over een bepaalde categorie hebben. Er zijn mensen die niet zoveel van Jezus houden. Ze willen alleen maar behouden worden. Ik zeg niet dat iedereen die anders denkt dan ik, niet van Jezus houdt, maar laten we het gewoon over een groep hebben. Er zijn beslist mensen die niet zoveel van Jezus houden, en die behouden willen worden. Kun je je voorstellen dat dat zo is? Kun je je voorstellen dat je behouden wilt worden, of je nu veel van Jezus houdt of niet? Waarschijnlijk wel, als je niet begrijpt wat de hemel is.
Als je denkt dat de hemel een plek is waar je de hele tijd alleen maar ijs en taart eet, wil je misschien wel behouden worden, ook als je niet van Jezus houdt. Als je beseft dat de hemel de plek is waar je naartoe gaat om Jezus voor eeuwig dag en nacht te aanbidden, weet ik niet waarom iemand daarheen zou willen als hij niet van Hem houdt. Misschien zou de hel hem beter bevallen, maar waarschijnlijk zal die hem ook niet erg bevallen. De hel is ook niet goed. Niets is goed als je niet van Jezus houdt. Je komt óf in de hemel terecht, waar je Jezus de hele tijd aanbidt, óf je komt in de hel terecht, en dat is zo ongeveer de ergste plek waar je ooit kunt zijn. Dus de enige manier om gelukkig te zijn, is van Jezus te houden, denk ik.
Valse zekerheid zonder liefde voor Jezus #
Waar het hier nu om gaat, is dat er mensen zijn die Jezus niet liefhebben, maar om de een of andere reden wel behouden willen worden. Daarom is het voor hen een geruststellende gedachte dat ze behouden kunnen worden, of ze Jezus nu liefhebben of niet. Of ze Hem nu vertrouwen of niet, ze kunnen behouden worden. Of ze nu op wat voor manier dan ook een relatie met Hem onderhouden of niet, ze kunnen behouden worden. Het enige wat ze hoeven te doen, is één keer die beslissende keuze maken, hun handtekening zetten en zeggen: ‘Oké, steek je hand op, kom naar voren, bid het zondaarsgebed, ik ben binnen. Nu kan ik eropuit gaan en leven zoals ik wil leven, zoals ik leefde zonder Jezus lief te hebben. Maar ik ben toch behouden, want toen ik vier jaar oud was, heb ik mijn handtekening gezet, heb ik het zondaarsgebed gebeden, en reken maar dat ik daardoor in de hemel kom.’
De Bijbel zegt nooit iets wat daar ook maar bij in de buurt komt. Zelfs niet in de verste verte. Het is een menselijke traditie. Het is een traditie die mensen naar de verdoemenis leidt, want hierdoor zullen veel mensen naar de hel gaan terwijl ze denken dat ze behouden zijn. Je kunt maar beter de Bijbel lezen. Jezus en Paulus en Petrus en Johannes hebben het grootste deel geschreven van de informatie over behoud in het Nieuwe Testament. Ieder van hen leerde dat behoud er is voor degenen die volharden. Behoud is er voor degenen die zich niet terugtrekken. Behoud is er voor degenen die doorgaan. Ze spreken ook allemaal over situaties waarin mensen niet doorgaan en waarin ze verloren gaan.
Als nu alle voornaamste gezaghebbende stemmen in het Nieuwe Testament — Jezus en Paulus en Petrus en Johannes en ook Jakobus — allemaal die leer onderwijzen, en dat doen ze allemaal, waar komt dan de leer vandaan dat je, als je eenmaal behouden bent, altijd behouden blijft, wat je ook doet? Die moet uit een andere bron komen. Aangezien het het tegenovergestelde is van wat Jezus zei, kunnen we misschien wel afleiden welke bron dat is. Maar het feit blijft dat dit niet in de Bijbel wordt onderwezen. Als iemand denkt van wel, zou ik het heel fijn vinden als hij het me liet zien. Ik zoek er al heel lang naar. Ik ben zelfs opgevoed met die overtuiging van eeuwige zekerheid. Het was de Bijbel die mij ervan overtuigde dat het anders was. Mijn menselijke tradities hielden niet zo goed stand in het licht van de Schrift.
Dit is nu wat Paulus leert:
21En Hij heeft u, die voorheen vervreemd was en vijandig gezind, zoals bleek uit uw slechte daden, nu ook verzoend, 22in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen, 23als u tenminste in het geloof blijft, gefundeerd en vast, en u niet laat afbrengen van de hoop van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in de hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.
Dat betekent gefundeerd, zoals op een fundament.
Je roeping en uitverkiezing zeker maken #
En standvastig. Dat betekent dat je volhardt, dat je je stevig vasthoudt. Ik wil weten of dit het Griekse woord is dat ik denk dat het is. Het zou in dit geval een ander woord kunnen zijn. In Kolossenzen 1:23 is het hedraeus. Ik dacht dat dit misschien het woord babaios was, dat soms met ‘standvastig’ wordt vertaald, maar dit is een ander woord.
De reden waarom ik dat zeg, is dat het woord babaios ook voorkomt in 2 Petrus hoofdstuk 1, waar Petrus zegt:
Span u ervoor in om uw roeping en uitverkiezing zeker te maken.
Het woord voor ‘zeker’ is babaios, dat elders in de Schrift ook met ‘standvastig’ wordt vertaald. Dus je uitverkiezing: hoe maak je die zeker? Als die vóór de grondlegging van de wereld onvoorwaardelijk door God is vastgesteld, waarom zou ik dan iets moeten doen om die zeker te maken? Standvastig. Het staat vast. Als iets onvoorwaardelijk vaststaat, dan is het standvastig, toch? Het beweegt niet. Toch zei Petrus dat ik mijn persoonlijke uitverkiezing standvastig moet maken, net zoals Paulus hier zei dat je standvastig moet doorgaan.
Kijk, ik hoef niets te doen om Gods uitverkiezing van het lichaam van Christus tot heerlijkheid werkelijkheid te laten worden. Ik hoef het er niet mee eens te zijn, ik hoef het niet te geloven, ik hoef het niet te volgen. Het zal onvoorwaardelijk gebeuren. Gods eeuwige voornemen voor de eeuwen is dat Hij degenen die in Christus zijn, zal verheerlijken. Dat is de uitverkiezing van Christus, de uitverkiezing van degenen die in Christus zijn. De vraag is: hoe zit het met mijn uitverkiezing? Ik moet mij ervoor inspannen om mijn eigen uitverkiezing zeker te maken. Dat doe ik door mij door het geloof stevig aan Christus te verbinden en mijn geloof niet op te geven, stand te houden, gegrondvest zoals een huis op een fundament.
Jezus zei:
24Daarom, ieder die deze woorden van Mij hoort en ze doet, die zal Ik vergelijken met een verstandig man, die zijn huis op de rots gebouwd heeft; 25en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en stortten zich op dat huis, maar het stortte niet in, want het was op de rots gefundeerd. 26En ieder die deze woorden van Mij hoort en ze niet doet, zal met een dwaze man vergeleken worden, die zijn huis op zand gebouwd heeft; 27en de slagregen viel neer en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis, en het stortte in en zijn val was groot.
Hij zal niet standhouden. Hij zal niet doorgaan. Christenen moeten dit ter harte nemen: volgen wat Jezus heeft gezegd, Hem liefhebben en doen wat Hij heeft gezegd. Jezus zei:
Als u Mij liefhebt, neem dan Mijn geboden in acht.
Je hebt Jezus lief, je doet wat Hij heeft gezegd, dan heb je daar een fundament. Je bent gegrondvest, je bent gefundeerd op een fundament, onbeweeglijk. Maar als je Zijn heerschappij afwijst, als je afwijst wat Hij zegt en je eigen leven op een andere manier leidt, ben je als een huis dat op zand is gebouwd. Daar is geen fundament. Je zult niet doorgaan.
Paulus zegt:
22in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen, 23als u tenminste in het geloof blijft, gefundeerd en vast, en u niet laat afbrengen van de hoop van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in de hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.
De calvinistische uitleg van volharding #
Wat moet een calvinist in vredesnaam met zo'n vers? Ze zwijgen er niet over. Ze moeten ook commentaren schrijven. Sterker nog, ze schrijven meer commentaren dan arminianen. Dus wat doen ze hiermee? Naar mijn mening draaien ze eromheen. Maar dit is wat ze gewoonlijk zeggen. Wat zegt een calvinist wanneer hij dit leest:
21En Hij heeft u, die voorheen vervreemd was en vijandig gezind, zoals bleek uit uw slechte daden, nu ook verzoend, 22in het lichaam van Zijn vlees, door de dood, om u heilig en smetteloos en onberispelijk voor Zich te plaatsen, 23als u tenminste in het geloof blijft, gefundeerd en vast, en u niet laat afbrengen van de hoop van het Evangelie, dat u gehoord hebt, dat gepredikt is in de hele schepping die onder de hemel is, waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.
Sommige calvinisten zullen zeggen: ‘Het is nu eenmaal hypothetisch. Want als je echt een van de uitverkorenen bent, kun je natuurlijk niet anders dan volharden. Je zult volharden. En als je echt uitverkoren bent, kun je niet worden afgebracht van die hoop. Hij spreekt dus alleen maar hypothetisch. Als je je niet van die hoop laat afbrengen, als je volhardt, wat je natuurlijk zult doen als je uitverkoren bent, dan zul je uitverkoren zijn.’
Als we het over onvoorwaardelijke uitverkiezing hebben, zouden er beslist geen ‘als’-en moeten zijn, want ‘als’ betekent toch dat er een voorwaarde is? Toch? Is dat niet wat ‘als’ betekent? Hier is een voorwaarde: als dit, dan dat. Dus ook als het hypothetisch is, is het nog steeds een voorwaarde.
Maar wat de meeste calvinisten eigenlijk zeggen, is dat je je niet van die hoop zult laten afbrengen als je uitverkoren bent. Je zult volharden. En als sommigen van jullie je wel van die hoop laten afbrengen en niet volharden, komt dat doordat je om te beginnen nooit uitverkoren bent geweest. Zo zeggen ze dat. Maar waar ze geen antwoord op geven, is: waarom zou het mij iets kunnen schelen? Waarom zou het mij eigenlijk iets kunnen schelen wat Paulus hierover zegt, als ik óf uitverkoren ben óf niet? En als ik het niet ben, zal ik noodzakelijkerwijs afvallen, want ik ben er nog niet eens in gevallen. Ik ben alleen maar een schijnbekeerling, omdat ik niet echt uitverkoren ben.
Ik heb allerlei bewijzen gehad dat ik God ken: mijn gebeden worden verhoord en ik heb het getuigenis van de Geest dat ik een zoon van God ben. Ik geloof het Evangelie en voldoe aan alle voorwaarden waaraan iemand volgens de Bijbel moet voldoen om behouden te worden. Ondanks dat ben ik nooit echt behouden geweest, nooit uitverkoren geweest, als ik afval.
Afval en de zekerheid van behoud #
Ik ben niet afgevallen, maar ik heb mensen gekend die in elk opzicht evenzeer christen waren als ik, naar alles wat je kon zien, naar hun eigen overtuiging, en die wel afvielen en stierven. Volgens de calvinistische redenering zijn ze nooit behouden geweest. En daar word ik een beetje bang van, want zij waren net zo behouden als ik. Of laten we het zo zeggen: zij hadden evenveel reden om te geloven dat ze behouden waren als ik heb om te geloven dat ik behouden ben. En als zij het niet waren, en zichzelf alleen maar voor de gek hielden, houd ik mezelf misschien ook voor de gek. Natuurlijk geloof ik zoiets helemaal niet, maar dat zou ik wel moeten als ik een calvinist was.
Daarom geeft het calvinisme geen heilszekerheid. Het is ironisch. Ze denken dat je calvinist moet zijn om heilszekerheid te hebben. Het calvinisme is juist het leerstelsel dat je elke heilszekerheid ontneemt, tenzij je blind door het leven gaat. Want alle calvinisten erkennen dat sommige mensen lange tijd christenen lijken te zijn en dan afvallen. Ze geloven allemaal dat zo iemand door af te vallen laat zien dat hij nooit echt christen is geweest.
Breng die dingen eens bij elkaar. Denk hier eens even over na. Ze dachten dat ze christenen waren. Waarom? Ze volgden Jezus. Ze geloofden het Evangelie. Ze deden alles wat christenen volgens de Bijbel doen. Ze hadden het getuigenis van de Geest. Ze verheugden zich in hun behoud. Ze hadden blijkbaar een relatie met God, maar toen niet meer. Het bleek dat ze om te beginnen nooit behouden waren geweest, want hun afval bewees dat. Elke calvinist moet toegeven dat zulke gevallen bestaan.
Het probleem is: als ze gelijk hebben wanneer ze zeggen dat die eerdere toestand, waarin deze mensen Jezus volgden voordat ze afvielen, niet echt behoud was, dan kan ik op geen enkele manier objectief weten dat zij zich vergisten, maar ik niet. Tenzij het gewoon pure eigendunk is. Waarom zou ik me niet vergissen als zij zich vergisten? Alleen omdat ik ik ben en ik zo'n hoge dunk van mezelf heb dat ik wel gelijk moet hebben? Dat getuigt van behoorlijk wat eigendunk.
Ik denk dat ik realistischer, objectiever zou zeggen: als zij zich vergisten, vergis ik me misschien ook. Als zij alles hadden wat ik heb om te bewijzen dat ze christen waren, maar afvielen en daarmee bewezen dat ze het niet waren, zal ik misschien ook afvallen en bewijzen dat ik het evenmin was. Aan die redenering valt niet te ontkomen. En daarom kan ik, als het calvinisme waar is, nooit weten of ik zelfs nu behouden ben.
Als arminiaan word ik ervan beschuldigd niet te weten of ik morgen behouden zal zijn. Als arminiaan, of als niet-calvinist, kan ik weten dat ik vandaag behouden ben, omdat ik vandaag een gelovige ben. Maar ik kan niet garanderen dat ik morgen een gelovige zal zijn, tenzij ik ervoor kies dat te zijn, en dat zal ik doen. Dus onder het arminianisme zouden we geen heilszekerheid hebben, omdat we weliswaar weten dat we vandaag behouden zijn, maar niet zeker weten of we over tien jaar behouden zullen zijn. We zouden immers kunnen afvallen en het verliezen, toch? Dat is waarvan de calvinisten ons zouden beschuldigen. We hebben geen zekerheid, omdat we niet weten of we morgen behouden zullen zijn.
Het probleem met het calvinisme is dat ik niet kan weten of ik nu behouden ben, of ooit. Want als ik nu niet behouden ben, zal ik waarschijnlijk nooit behouden worden. Ik ben zo ongeveer zo dichtbij gekomen als een mens maar kan komen. Ik kan me niet voorstellen wat de volgende stap zou zijn. De volgende stap zou afvallen kunnen zijn. Als dat gebeurde, was ik zelfs nu niet behouden. Dus de enige manier waarop ik ook maar zou weten of ik niet alleen in de toekomst behouden zal zijn, maar zelfs nu behouden ben, is als ik nooit afval. En dat kan ik pas weten wanneer het gebeurt of niet gebeurt. Met andere woorden, op mijn sterfbed zal ik weten of ik ooit behouden ben geweest of niet, als ik een consequente calvinist ben.
Calvinisten zouden het hiermee oneens zijn. Ze zouden zeggen: ‘Nee, we weten dat we nu al behouden zijn, omdat we het getuigenis van de Geest hebben. We hebben die dingen waar de Bijbel over spreekt.’ Prima. Maar het probleem is dat je zegt dat anderen die die dingen hadden en afvallig werden, niet behouden waren. Dus wat heb je dan? Een probleem.
Op God vertrouwen voor blijvend behoud #
Wat ik tegen je zeg, is dit: ik weet dat ik behouden ben. Weet je waarom? Omdat de Bijbel vertelt hoe je behouden kunt worden. En door de genade van God heb ik het voorrecht gehad die dingen te kennen, ertoe geneigd te zijn ze te omarmen, en ik omarm ze op dit moment. Daarom ben ik door mijn geloof met die wijnstok verbonden. Ik ben door mijn geloof met die boom verbonden. Zal ik dat morgen zijn? Ja. Zal ik dat over tien jaar zijn? Ja. Zal ik dat zijn op de dag van mijn dood? Ja, dat zal ik.
Je zou kunnen zeggen: ‘Maar hoe weet je dat?’ Dat hangt toch van mij af? Ik heb die beslissing genomen. Het hangt van mij af, met de hulp van God. Ik kan het niet op eigen kracht, net zomin als ik vandaag op eigen kracht leef. Ik leef vandaag niet door mijn eigen kracht. God stelt mij daartoe in staat. Ik word daartoe in staat gesteld door genade die door geloof komt. Ik richt mijn geloof op God. Hij richt Zijn genade op mij, en die genade stelt mij in staat het te doen.
Je zou kunnen zeggen: ‘Maar kun je dan niet op een bepaald moment besluiten afvallig te worden?’ Ja, maar waarom zou ik? Zo dom ben ik niet, hoop ik. Waarom zou iemand zo dom zijn? Ik weet het niet. Sommigen zijn het geweest.
Laat ik dit zeggen: ik maak me er geen zorgen over. Dat is niet omdat ik egocentrisch ben. Het is eenvoudigweg omdat ik op God vertrouw. Net als een kind kan ik alleen behouden worden door op God te vertrouwen. Mensen die hun behoud verliezen, als dat ooit gebeurt, zijn mensen die ophouden op God te vertrouwen. Waarom zou ik dat ooit doen? Ik kan er vandaag voor kiezen op Hem te vertrouwen. Ik kan er vandaag voor kiezen niet op Hem te vertrouwen. Dat is mijn keuze. Maar waarom zou ik ooit dat laatste kiezen als ik Hem ken?
Ik weet niet waarom sommige mensen dat doen. Ik denk dat sommige mensen door zonde worden meegesleept, enzovoort, en ik besef dat ik niet beter ben dan wie dan ook. Maar ik weet dat God beter is dan ieder ander, en voor mijn behoud vertrouw ik op Hem, niet op mijzelf. Als mensen ophouden op Hem te vertrouwen, komen ze in de problemen.
Dat is waar. Door ongeloof zijn zij afgerukt en u staat door het geloof. Heb geen hoge dunk van uzelf, maar vrees.
Je blijft door geloof met die boom verbonden. Degenen die worden afgebroken, worden afgebroken vanwege hun ongeloof. Wat breng jij in? Geloof of ongeloof, dat is alles.
Het verschil tussen geloof en werken #
Betekent dat dat je door je werken behouden wordt? Nee, geloof is geen werk, en ongeloof is geen werk. Paulus maakt dat heel duidelijk. Door werken behouden worden is het ene; door geloof behouden worden is het tegenovergestelde. Het is niet hetzelfde.
De calvinist zegt altijd: ‘Nou, als jij het geloof inbrengt, dan word je door je eigen werken behouden.’ Nee, ik word door mijn eigen geloof behouden, niet door mijn eigen werken. Het is het tegenovergestelde. Het probleem met calvinisten is dat ze het verschil tussen geloof en werken niet kennen. Dat is een ernstig probleem als je behoud en rechtvaardiging probeert te begrijpen. Niet weten dat er een verschil is tussen geloof en werken, en mensen die door hun geloof behouden worden ervan beschuldigen dat ze door hun werken behouden worden, dat is nogal een bizarre bewering. Maar ik hoor het heel, heel vaak. Elke keer dat ik met een calvinist debatteer, komt het ter sprake.
‘Dus jij brengt het geloof voort? Jij brengt het geloof in? Dan word je toch door je werken behouden?’ Wacht eens, hoe ben je van het ene naar het andere gesprongen? Ik zei geloof; jij zegt werken. Zoals ik de Bijbel lees, is er een kloof, een onmetelijke kloof, een tweedeling tussen twee mogelijkheden. De ene is door geloof behouden worden; de andere is door werken behouden worden. Zodra ik zeg dat ik door werken behouden word, zeg jij dat ik beweer door geloof behouden te worden. [Vertalersnoot: ook in de Engelse bron staan geloof en werken hier omgekeerd ten opzichte van het omringende betoog.] Wat? Deze mensen, ik begrijp ze niet.
Maar wat we hier hebben, is een vasthouden aan een onhoudbare stelling die afkomstig is van een filosoof. Augustinus heeft die vanuit de Griekse filosofie binnengebracht, en die is door de eeuwen heen in de hele kerk voortgezet, terwijl die nooit goed bij de Schrift paste. Dus moet je de Schrift forceren, erin wringen en dwingen om bij die stelling te passen. Het lukt gewoon niet. De Schrift werkt gewoon niet mee. En gelukkig doet ze dat niet, want als ze dat wel deed, zouden we in totale onzekerheid over onze eigen uitverkiezing moeten leven, totdat we in trouw stierven. Dan zouden we weten: ‘Ik was uitverkoren.’ Want tot dat moment kan ik het niet weten.
Het spijt me. Er is geen zekerheid van behoud in het calvinisme als je consequent bent. De manier waarop calvinisten zekerheid van behoud kunnen hebben, is door inconsequent te zijn. Ik wil niet bij een stelsel horen dat inconsequentie vereist om zekerheid van behoud te hebben. Tenzij het waar is natuurlijk, maar dat is het gelukkig niet.
Dus we kunnen gewoon Paulus en zijn theologie volgen, en Jezus en Zijn theologie, en Augustinus en Calvijn en die mannen hun eigen theorieën laten houden. We zullen hen waarschijnlijk in de hemel zien, ondanks de schade die ze hebben aangericht. Ze deden het uit onwetendheid, zoals Paulus toen hij een Farizeeër was, denk ik, waarschijnlijk. Maar ik geloof dat ze behouden waren. Genoeg over hen. We gaan verder:
Als jullie je niet laten afbrengen van de hoop van het evangelie dat jullie hebben gehoord en dat aan elk schepsel onder de hemel is verkondigd.
Nogmaals, we hebben het eerder over die overdrijving gehad. Daar gaan we het nu niet opnieuw over hebben.
Misschien moet ik daar nog een paar uur op ingaan. Nee, ik denk het niet.
Vers 24:
Nu verblijd ik mij in mijn lijden voor u en vervul in mijn vlees wat overblijft van de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van Zijn lichaam, dat is de gemeente.
Dat wil zeggen, in mijn lichaam.
Deze zin is heel lang. Hij loopt door tot en met vers 27, dus ik zal af en toe stoppen zonder de zin af te maken. Eigenlijk lijkt het erop dat er punten staan in vers 26, maar volgens mij horen die daar niet. Ik denk dat de King James daar gewoon willekeurig punten heeft neergezet. Hoe dan ook, we bekijken gewoon dit vers. Ik ga stoppen, ook al is het midden in een zin, omdat hij een paar dingen heeft gezegd die wat aandacht vragen.
Hij zegt:
‘Ik ben blij met wat ik te lijden heb, en in mijn vlees vul ik aan wat er ontbreekt aan het lijden van Christus.’ Met ‘mijn vlees’ bedoelt hij zijn eigen lichaam.
Dit lijden, zegt hij, is voor jullie, en het lijden van Christus is ter wille van het lichaam, de gemeente. Dus Paulus lijdt persoonlijk in zijn lichaam.
Als je een idee wilt krijgen van het soort lijden dat hij bedoelde: op een bepaald moment, vroeg in zijn leven, voordat hij het grootste deel van zijn verdrukkingen had ondergaan, schreef hij een opsomming van wat hij al had geleden. Behoorlijk erg. Het is genoeg voor een heel leven, maar hij schreef dit al vroeg in zijn leven. Nadat hij dit had geschreven, heeft hij nog veel meer geleden.
In 2 Korinthe hoofdstuk 11 geeft Paulus ons enig idee van het lijden dat hij heeft doorgemaakt. Laat ik beginnen bij vers 24. 2 Korinthe 11:24:
Zweepslagen, schipbreuk en andere gevaren #
Van de Joden heb ik vijfmaal de veertig min één zweepslagen ontvangen.
Dat zijn negenendertig zweepslagen, bij vijf gelegenheden. Jezus heeft dat één keer ondergaan. Paulus heeft het vijf keer ondergaan.
Driemaal ben ik met de roede gegeseld, eenmaal ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een heel etmaal heb ik in volle zee doorgebracht.
Waarschijnlijk maar iets aangenamer dan de gesel met negen riemen.
Dit is geen getuigenis over drugs. Dit verwijst naar wat hij heeft geleden. [Vertalersnoot: het Engelse ‘stoned’ betekent zowel ‘gestenigd’ als ‘onder invloed van drugs’. Daarop berust deze grap.]
Als je het boek Handelingen leest, lees je over een keer dat Paulus schipbreuk leed. Maar die gebeurtenis in Handelingen vond plaats nadat hij dit had geschreven. Dus daarvoor had hij nog drie andere keren schipbreuk geleden, naast die ene keer die in Handelingen wordt genoemd. Die worden alleen niet in Handelingen vermeld. Wat heeft deze man nog meer meegemaakt?
Dat is iets angstaanjagends. Ik weet niet hoe het met jou zit, maar ik heb alleen maar over Jaws gehoord, ik heb die film niet eens gezien, en sindsdien ben ik niet meer in diep water geweest. Het is gewoon griezelig om de hele nacht ergens op de oceaan te zijn. Ik heb in Reader's Digest verhalen gelezen van mensen die het overleefd hebben: mannen die overboord waren gespoeld en een nacht of twee of drie in de oceaan doorbrachten voordat ze werden gered. Ze voelden vissen aan hun tenen knabbelen en allerlei wezens die zich om hun benen wikkelden en dat soort dingen. Het was donker, ze konden niets zien. Dat klinkt mij nogal griezelig in de oren.
Paulus heeft dat meegemaakt. Hij had dat kunnen vermijden als hij niet zoveel had gereisd ter wille van het Evangelie. Maar dat is slechts een van de dingen die hij had doorgemaakt, heel wat onaangename omstandigheden. Wat zegt hij nog meer? Hij zegt:
Op reis was ik vaak in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar van de kant van volksgenoten, in gevaar van de kant van heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders,
Deze man loopt overal gevaar.
Kijk, hij zegt: ‘Ik loop gevaar onder mijn eigen volksgenoten, de Joden. Dus wat doe ik? Ik ga naar de heidenen. En dan? Dan loop ik gevaar onder de heidenen. En ik merk dat ik in de stad gevaar loop, dus ga ik de wildernis in. En in de wildernis loop ik gevaar. Ik loop overal gevaar. Dus ga ik de zee op, en op zee loop ik gevaar. Waar kan ik dan heen waar het veilig is? Onder de broeders? Nee, ik loop zelfs gevaar onder valse broeders. Zelfs in de gemeente zijn er mensen die het op mij gemunt hebben.’
in inspanning en moeite, vaak in nachten zonder slaap, in honger en dorst, vaak in vasten, in koude en naaktheid.
Dat klinkt als een zware weg. Dat is het lijden van Paulus. Dat is er nog maar een deel van.
In de slotwoorden van Galaten zei hij in vers 17, Galaten 6:17:
Verder, laat niemand mij lastigvallen, want ik draag de littekens van de Heere Jezus in mijn lichaam.
Hij had het daar niet over de stigmata. Hij had het over het feit dat hij over zijn hele lichaam littekens had, en die littekens waren het gevolg van zijn trouw aan Jezus. Hij droeg lichamelijke bewijzen van zijn trouw aan Christus, in de vorm van littekens en wonden en dat soort dingen.
Over dat lijden zegt Paulus in Kolossenzen 1:24:
Nu verblijd ik mij in mijn lijden voor u en vervul in mijn vlees wat overblijft van de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van Zijn lichaam, dat is de gemeente.
Leed hij voor hen? Ja, want de enige reden waarom hij leed, was natuurlijk dat hij het Evangelie verkondigde. In zekere zin leed hij natuurlijk voor Jezus, want het was Jezus Die hij verkondigde. Maar het was ten behoeve van degenen die hem zouden horen prediken en behouden konden worden. Om hun behoud droeg hij deze littekens en verdroeg hij dit lijden.
Christus lijdt mee met Zijn lichaam #
Dit is het moeilijke gedeelte:
In mijn eigen lichaam aanvullen wat er nog ontbreekt aan het lijden van Christus, voor de gemeente, Zijn lichaam.
Was het lijden van Christus niet toereikend? Paulus zegt dat er iets ontbreekt aan de totale hoeveelheid lijden van Christus. [Vertalersnoot: de spreker bespreekt de Engelse formulering ‘what is lacking’, letterlijk ‘wat ontbreekt’. De hier aangehaalde HSV heeft ‘wat overblijft’.] En door zelf te lijden, draag ik eraan bij dat die hoeveelheid wordt volgemaakt. Waar haalde hij dit idee vandaan? Waarschijnlijk weer bij zijn bekering, toen Jezus zei:
en toen hij op de grond gevallen was, hoorde hij een stem die tegen hem zei: Saul, Saul, waarom vervolgt u Mij?
Want toen de gemeente leed door toedoen van Saulus, leed Christus door toedoen van Saulus. Het lijden van de gemeente was gewoon nog een deel van het lijden van Christus. Christus lijdt nog steeds door het lijden van Zijn lichaam.
Als mijn lichaam ziek is, lijd ik. Wij maken deel uit van het lichaam van Christus. Als het lichaam van Christus lijdt, lijdt Hij. Paulus was een lid van het lichaam van Christus, en in zijn lijden leed Christus. Dat betekent dat Christus niet al Zijn lijden onderging toen Hij op aarde was. Hij lijdt ook al tweeduizend jaar sinds die tijd. Zijn lijden gaat door.
Paulus spreekt over de nog niet voltooide hoeveelheid lijden die Christus moet doormaken als datgene wat aan het lijden van Christus ontbreekt. Sommigen van ons zouden kunnen terugdeinzen voor de gedachte dat het lijden van Christus niet toereikend was, dat er iets aan ontbrak. Maar hij zegt niet dat het lijden van Christus ontoereikend was voor onze verzoening of voor de verzoening door voldoening voor onze zonden. Zijn lijden heeft alles tot stand gebracht wat nodig was. Hebreeën hoofdstuk 10 maakt dat heel duidelijk.
Hij heeft eens en voor altijd geleden. Hij is gaan zitten aan de rechterhand van God.
Hij hoeft dat nooit meer door te maken. Hij heeft volbracht wat Hij wilde volbrengen.
Het is volbracht zei Hij toen Hij aan het kruis hing, en Hij stierf.
Lijden voor de verbreiding van het Evangelie #
Het lijden van Christus was toereikend, maar nu spreekt Paulus over een zekere ontoereikendheid of onvolledigheid van het lijden van Christus. Wat moeten we daarmee? Heel eenvoudig dit: toen Christus hier in Zijn vlees was, leed Hij voor onze verzoening door voldoening. Sinds Jezus naar de hemel is gegaan en het Evangelie door de gemeente wordt verkondigd, heeft Christus in de persoon van de gemeente geleden voor de verbreiding. Het lijden van Jezus was voor verzoening door voldoening. Het lijden van christenen is voor verbreiding, dat wil zeggen, voor de verbreiding van het Evangelie.
Christus lijdt nog steeds, maar Hij lijdt niet voor onze verlossing. Hij lijdt niet voor de verlossing van de gemeente, maar Hij lijdt wel om de verlorenen terug te halen en hen in de gemeente te brengen. Hij lijdt nog steeds door Zijn dienaren en door Zijn gemeente, zodat degenen die nog niet bereikt zijn, baat kunnen hebben bij het lijden dat Hij op aarde heeft ondergaan. Daarom ziet Paulus het zo: voordat Christus klaar is met het bereiken van alle mensen, moet Hij nog heel wat lijden doormaken, en ik maak daar deel van uit. Wat ik lijd, is een deel van Zijn lijden. Eerlijk gezegd mag Hij dat gerust doen. Hij mag gerust door mij heen lijden. Ik verheug me hierin. Ik omarm dit.
Als Christus met doornen wordt gekroond, kan ik toch nauwelijks verwachten met rozen gekroond te worden. Ben ik beter dan Hij? Jezus zei:
24De discipel staat niet boven de meester en de dienaar niet boven zijn heer. 25Het moet genoeg zijn voor de discipel dat hij wordt zoals zijn meester, en dat de dienaar wordt zoals zijn heer. Als ze de Heere van het huis Beëlzebul genoemd hebben, hoeveel te meer Zijn huisgenoten!
Jezus heeft aangegeven dat je kunt verwachten en moet verwachten slechter behandeld te worden dan Hij. Je zou kunnen zeggen: ‘Nou, dat is een slechte overeenkomst. Aardige vent, Jezus, dat U mij meer laat lijden dan Uzelf.’
Maar het is niet meer dan Hij, want Hij lijdt wanneer jij lijdt. Hij leed in Zijn vlees, en nu lijdt Hij in jouw vlees als jij lijdt. Hij verwacht niet dat je meer lijden doormaakt dan Hij bereid is te verdragen. Hij verdraagt het in jou. Maar Paulus zag dat zijn lijden niet iets zinloos was. Hij leed met een doel.
De vrucht en de zin van christelijk lijden #
Een van de droevigste dingen ter wereld is wanneer mensen verschrikkelijk lijden en het allemaal tevergeefs is. Het kan gebeuren. Het kan gebeuren. Paulus zei tegen de Galaten dat hij vreesde dat dit misschien voor hen het geval was geweest. Hij zegt in Galaten 4:11:
Ik vrees voor u dat ik mij misschien tevergeefs voor u heb ingespannen.
Er is eigenlijk nog een andere plaats in Galaten. Galaten 3:4 zegt:
Hebt u tevergeefs zoveel geleden? Als het toch eens tevergeefs was!
Hij zegt dat deze christenen in Galatië voor Christus hebben geleden, en nu stappen ze over naar wetticisme. Hij zegt:
Als jullie dat doen, is alles wat jullie hebben geleden voor niets geweest.
Kan lijden tevergeefs zijn? Lijden kan zonder resultaat blijven. Dat is iets verschrikkelijks. God wil dat er door ons lijden iets tot stand komt, maar het staat niet vast dat dit ook zal gebeuren. Maar degenen die Christus gehoorzamen, hebben beslist deze belofte: terwijl zij lijden, laat God het ten goede werken.
En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn.
Als ik dus lijd vanwege mijn trouw aan Christus, omdat ik iemand ben die Christus liefheeft, dan staat dit vast: het zal niet tevergeefs zijn. Alle dingen zullen daarin meewerken ten goede. Paulus zag dat hij leed. Een andere man, die geen christen is, zou evenveel kunnen hebben geleden. Het is best denkbaar dat sommigen dat hebben meegemaakt. Er zijn mensen geweest die vreselijke dingen hebben geleden en God niet eens kenden. Zij leden niet om de gerechtigheid. Ze leden gewoon omdat ze pech hadden, bij wijze van spreken. Maar Paulus zag zijn lijden niet als zomaar pech. Hij zag er een doel in. Dit is iets wat voor jullie is. Dit is voor de gemeente. Dit is voor het lichaam. Het is niet eens zo dat ik een prijs betaal. Het is Christus Die een prijs blijft betalen doordat Hij nog steeds in mij lijdt. Christus leeft zo met mij mee dat mijn lijden Hem pijn doet.
Ik kende een man die, toen zijn vrouw weeën kreeg, zelf ook een ziekenhuisbed moest krijgen, omdat hij had wat ze sympathiepijn noemden. Daar heb je waarschijnlijk weleens van gehoord. Het gebeurt af en toe dat een man daadwerkelijk weeën begint te voelen wanneer zijn vrouw weeën krijgt. Ik vermoed dat het komt doordat ze één vlees zijn. Ik moet bekennen dat ik geen weeën had toen mijn vrouw die had. Gelukkig maar. We zouden er slecht aan toe zijn geweest als we daar geen dokter hadden gehad. Iemand moest de situatie in de hand houden.
Waar het om gaat, is dat Jezus sympathiepijn heeft omdat wij één vlees met Hem zijn. Wij zijn Zijn bruid en we doorstaan als het ware weeën om vrucht voor Hem voort te brengen. Door Zijn verbondenheid met ons lijdt Hij ook. Je vindt het misschien hard van Jezus dat Hij je zoveel dingen voor Hem laat lijden. Maar het is niet zozeer dat jij iets voor Hem lijdt. Hij en jij lijden als één geheel voor de gemeente, zodat Gods bedoelingen worden vervuld. Dit is iets waarin Paulus naar eigen zeggen vreugde kan vinden.
Paulus als rentmeester van het Evangelie #
Dan zegt hij in vers 25:
‘Waarvan’ — dat wil zeggen: van de gemeente.
Daarvan ben ik een dienaar geworden, overeenkomstig de taak in de dienst van God, die mij met het oog op u gegeven is om het Woord van God te vervullen,
Dat wil zeggen: voor jullie heidenen.
De reden dat ik zeg ‘voor jullie heidenen’, is dat hij spreekt over het rentmeesterschap dat hem gegeven is. De King James zegt zoiets als ‘the dispensation’, maar het Griekse woord is een samengesteld woord dat het beheer van een huishouden betekent. Het wordt doorgaans gebruikt voor een rentmeester, iemand die voor een ander een huishouden beheert, een dienaar die het huishouden van zijn meester beheert. Het woord heeft dus de betekenis van rentmeesterschap. Paulus zegt:
Daarvan ben ik een dienaar geworden, overeenkomstig de taak in de dienst van God, die mij met het oog op u gegeven is om het Woord van God te vervullen,
‘Dienaar’ betekent hier iemand die dient.
Dat wil zeggen: God gaf hem een rentmeesterschap, en hij moet, zoals alle rentmeesters, zijn verantwoordelijkheid nakomen.
In 1 Korinthe hoofdstuk 9 spreekt Paulus over dit rentmeesterschap en de verplichting die daarbij hoort. Hij zegt in 1 Korinthe 9:16:
Als ik het Evangelie verkondig, is er voor mij namelijk geen reden tot roem. De noodzaak daarvan is mij immers opgelegd. En wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig!
Ik kan niet zeggen: ‘Nou, kijk eens naar mij. Ik heb grote dingen gedaan. Ik heb het Evangelie verkondigd.’ Waarom? Omdat mij een noodzaak of plicht is opgelegd.
Want als ik dat vrijwillig doe, heb ik recht op loon, maar als ik het onwillig doe, is het beheer van het Evangelie mij toch toevertrouwd.
Dat wil zeggen: ik ben een rentmeester. Het rentmeesterschap van het Evangelie voor de heidenen is mij toevertrouwd. Als ik het niet gewillig doe, moet ik het nog steeds doen. Maar ik kan beloond worden als ik het gewillig doe. Ik moet het hoe dan ook doen. Wee mij als ik het niet doe. Mij is een noodzaak of plicht opgelegd. Maar ik heb niets om over te roemen. Als ik het doe, heb ik niets om over te roemen. Dat werd van mij verlangd.
Dienen als plicht, zonder aanspraak op loon #
Weet je nog wat Jezus zei in Lukas 17, vers 7 tot en met 10?
Jezus zegt:
7En wie van u die een dienaar heeft die ploegt of de kudde weidt, zal meteen, als hij van de akker komt, tegen hem zeggen: Kom maar en ga aanliggen? 8Zal hij echter niet tegen hem zeggen: tref voorbereidingen, zodat ik vanavond de maaltijd kan gebruiken, omgord u en bedien mij, totdat ik gegeten en gedronken heb, en eet en drinkt u daarna? 9Hij bedankt die dienaar toch zeker niet, omdat hij gedaan heeft wat hem opgedragen was? Ik meen van niet. 10Zo moet ook u, wanneer u gedaan hebt al wat u opgedragen is, zeggen: Wij zijn onnutte dienaren, want wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen.
Als je alles doet wat God van je verlangt, zeg je niet: ‘Er staat mij een grote beloning te wachten.’ Je zegt: ‘Ik heb alleen maar mijn plicht gedaan. Ik ben een onnutte dienaar.’ Wat hoort een dienaar anders te doen dan zijn plicht? Wat hoort wie dan ook anders te doen dan zijn plicht? Je wordt niet gefeliciteerd omdat je je plicht doet. Je wordt alleen gefeliciteerd als je meer doet dan je plicht van je vraagt.
Jezus zei:
Als jullie alles hebben gedaan wat jullie is opgedragen.
Heb je dat al gedaan? Als je dat doet, word je bevorderd tot onnutte slaaf. Daarvoor zijn geen felicitaties op hun plaats, hoewel Jezus verbazend genadig is tegenover Zijn dienaren en van plan is ons te belonen. Maar het punt is dat onze houding zou moeten zijn: ‘Er is geen beloning waarop ik aanspraak zou moeten kunnen maken. Ik ben alleen maar een dienaar die doet wat hij hoort te doen. Wat anders? Als ik minder zou doen, verdien ik straf.’
Het geopenbaarde geheimenis voor de heidenen #
Als ik niet minder doe dan dat, als ik gewoon doe wat ik hoor te doen, dan verdien ik geen straf, maar dan verdien ik ook geen waardering. Paulus heeft dus dit rentmeesterschap over het Evangelie. In Efeze hoofdstuk 3 legt hij precies uit wat dit rentmeesterschap inhoudt dat hem is toevertrouwd. In Efeze 3 zegt hij in vers 2:
als u tenminste gehoord hebt van de uitdeling van de genade van God die aan mij gegeven is ten behoeve van u,
Hetzelfde woord: rentmeesterschap.
3dat Hij mij door openbaring dit geheimenis bekendgemaakt heeft (zoals ik eerder in het kort geschreven heb; 4waaraan u, als u dit leest, mijn inzicht kunt bemerken in het geheimenis van Christus), 5dat in andere tijden niet bekendgemaakt is aan de mensenkinderen, zoals het nu geopenbaard is aan Zijn heilige apostelen en profeten door de Geest,
Van wie Paulus er één was.
6namelijk dat de heidenen mede-erfgenamen zijn en tot hetzelfde lichaam behoren en mededeelgenoten zijn van Zijn belofte in Christus, door het Evangelie, 7waarvan ik een dienaar geworden ben, krachtens de gave van de genade van God, die mij gegeven is, overeenkomstig de werking van Zijn kracht.
Dat stukje in Efeze 3 loopt parallel met het gedeelte van Kolossenzen dat we aan het eind van hoofdstuk 1 lezen. Dit zegt hij in Kolossenzen 1:25 tot aan het eind van het hoofdstuk:
Daarvan ben ik een dienaar geworden, overeenkomstig de taak in de dienst van God, die mij met het oog op u gegeven is om het Woord van God te vervullen,
Hij zegt:
namelijk het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen.
‘Aan hen’ — dat wil zeggen: de heiligen, van wie hij in Efeze zegt dat het apostelen en profeten zijn.
27Aan hen heeft God willen bekendmaken wat de rijkdom is van de heerlijkheid van dit geheimenis onder de heidenen: Christus onder u, de hoop op de heerlijkheid. 28Hem verkondigen wij, terwijl we ieder mens terechtwijzen, en ieder mens onderwijzen in alle wijsheid, opdat wij ieder mens volmaakt zouden stellen in Christus Jezus. 29Daarvoor span ik me ook in en strijd ik, overeenkomstig Zijn werking, die met kracht in mij werkzaam is.
Als je die verzen, Kolossenzen 1:25–29, vergelijkt met Efeze 3:2–7, zul je zien dat het punt voor punt dezelfde bespreking is, met een iets andere invalshoek. In beide gevallen vermeldt hij dat hem een rentmeesterschap over het Evangelie is gegeven. Zijn rentmeesterschap houdt in dat hij tot de heidenen predikt. Dit rentmeesterschap bracht voorrechten met zich mee. Hij had het voorrecht dat hem een geheimenis werd geopenbaard dat niet aan mensen uit andere tijdperken was geopenbaard. Hij was een van de heilige apostelen en profeten, zegt hij in Efeze. In Kolossenzen noemt hij hen de heiligen. Hij was een van degenen aan wie God verkoos het geheimenis bekend te maken dat sinds vroegere tijden verborgen was geweest.
Joden en heidenen als gelijken in één lichaam #
Wat is dit geheimenis? Het interessante is het verschil tussen Kolossenzen en Efeze op dat punt. Wat is dit geheimenis? In Efeze 3 zei hij het volgende over wat het geheimenis was. Efeze 3:6, het geheimenis is:
Dat ook de andere volken samen met ons mogen erven, bij hetzelfde lichaam horen en mogen delen in Zijn belofte.
Dat is de belofte die Hij aan Abraham deed, die oorspronkelijk voor de Joden was. Maar het geheimenis is dat nu ook de heidenen erin delen, in Christus door het Evangelie.
Het geheimenis is dus volgens Efeze 3:6 dat de heidenen en de Joden één lichaam zouden zijn, zonder onderscheid tussen hen. Als je het Oude Testament leest, lees je over het behoud van de Joden en lees je over het behoud van de heidenen. Maar bij het lezen van sommige dingen in de profeten zou je ten onrechte de indruk kunnen krijgen dat de heidenen en de Joden voor altijd afzonderlijke volken zullen zijn. En dat in Gods voornemen om de wereld te behouden, de Joden nog steeds het superieure ras zullen zijn. De Joden zullen nog steeds de overheersende groep zijn. En tien heidenen zullen één Jood vastgrijpen en zeggen:
Laat ons met jullie meegaan en jullie God aanbidden.
En alle volken zullen toestromen naar Jeruzalem, de berg Sion, om van de Joden Gods wegen te leren.
De Joden hadden door hun verkeerde begrip van de profeten het volgende idee: in Gods laatste tijdperk zullen zowel de heidenen als de Joden behouden worden. God zal dan alles hebben gedaan wat Hij van plan is te doen. Maar de Joden zouden een hogere klasse vormen, tegen wie de heidenen altijd zouden opkijken en van wie ze altijd afhankelijk zouden zijn voor onderricht enzovoort. De Joden zagen de vervulling van Gods voornemens als het bewijs dat zij in hun recht stonden. Ze waren altijd de vervolgde minderheid onder de heidenen, maar op een dag zou God de rollen omkeren. Dan zouden de heidenen kruipend komen en zeggen: ‘Jullie hadden gelijk. Onderwijs ons.’ En veel Joden, daar ben ik zeker van, vonden grote voldoening in dat vooruitzicht.
Maar Paulus zegt dat ze iets niet zagen, iets wat eerder niet geopenbaard was. Het gaat om die heidenen die behouden worden. Het Oude Testament spreekt trouwens vaak over het behoud van de heidenen. Maar wat het niet duidelijk maakte, en wat nu door Paulus duidelijk wordt gemaakt, is het geheimenis van het lichaam van Christus: dat de heidenen één lichaam zouden vormen met de Joden die behouden zijn, zonder onderscheid in ras tussen hen. Dat is het geheimenis: dat heidenen als gelijken zullen delen in de heerlijkheid die aan Israël was beloofd.
Natuurlijk zullen zelfs niet alle Joden dat ontvangen, want alleen degenen die behouden zijn zullen dat ontvangen. Alleen degenen die in Christus zijn, zegt Paulus, zullen dat ontvangen, Jood of heiden in Christus. Wat zegt hij in Galaten?
Daarbij is het niet van belang dat men Jood is of Griek; daarbij is het niet van belang dat men slaaf is of vrije; daarbij is het niet van belang dat men man is of vrouw; want allen bent u één in Christus Jezus.
Er zijn alleen mensen. Voordat je in Christus bent, ben je een Jood of een heiden. Wanneer je in Christus bent, ben je niet langer een Jood of een heiden. Je bent gewoon een mens in Christus. [Vertalersnoot: de spreker formuleert zijn uitleg vanuit het Engelse ‘There is no Jew or Gentile’. De hier aangehaalde HSV verwoordt dit als ‘het is niet van belang dat men Jood is of Griek’.]
Het geheimenis dat het Oude Testament niet duidelijk openbaarde, maar dat door Paulus duidelijker werd gemaakt, was dus dat dit behoud van de heidenen, waarover het Oude Testament vaak sprak, een volkomen volledig behoud was. De heidenen in Christus zouden precies dezelfde volledige voorrechten hebben als degenen onder de Joden die behouden zijn, zonder onderscheid. Dit denkbeeld was radicaal voor de Joden. Voor ons is het niet radicaal; wij zijn heidenen. Wij zijn met dit idee opgegroeid. Maar voor Paulus was dat een nieuwe en radicale openbaring. Het interessante is dat Paulus zegt dat dit het geheimenis is waarover hij het rentmeesterschap heeft gekregen: het geheimenis van het lichaam van Christus. Dat betekent dat de heidenen en de Joden gelijke voorrechten in Christus zullen hebben. Kijk dan eens in Kolossenzen, waar hij ons vertelt wat het geheimenis is. In Kolossenzen 1:26:
Christus onder de heidenen, hoop op heerlijkheid #
namelijk het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen.
Vers 27:
Aan hen heeft God willen bekendmaken wat de rijkdom is van de heerlijkheid van dit geheimenis onder de heidenen: Christus onder u, de hoop op de heerlijkheid.
Hier heb je het geheimenis in Kolossenzen:
Christus in jullie, de hoop op heerlijkheid.
De hoop op heerlijkheid hadden de Joden altijd al. De profeten spraken altijd over de uiteindelijke verheerlijking van het volk van God. In Jesaja 60 staat:
Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van de HEERE gaat over u op.
De heerlijkheid van God was de hoop die de profeten Gods volk aanmoedigden te koesteren. Maar dat de heidenen samen met de Joden in deze heerlijkheid zouden delen, werd niet begrepen. De Joden dachten zelfs dat zij verheerlijkt zouden worden en dat de heidenen degenen zouden zijn die hen zouden verheerlijken. Maar hier zegt hij dat dit het geheimenis is:
Christus is in jullie.
Wie worden er met ‘you’ bedoeld? Het is meervoud. Jullie heidenen. Dat is het geheimenis: naast de Joden, die deze hoop op heerlijkheid hebben, zouden ook jullie heidenen deze hoop op heerlijkheid hebben.
Trouwens, het woord ‘in’ in de woorden Christus in jullie kan de betekenis ‘onder’ hebben. Ik weet niet of je een Bijbel hebt waarin dit in de kantlijn staat. [Vertalersnoot: de gebruikte Engelse vertaling heeft ‘Christ in you’. De hier aangehaalde HSV heeft al ‘Christus onder u’.] In sommige staat het wel en in andere niet. Het is zoals ‘in een groep’, onder de afzonderlijke mensen in een groep. Het is in de groep.
‘Christus is in jullie.’ Daar staat ‘you’ in het meervoud, waarmee de groep wordt bedoeld. Hij is onder jullie heidenen die deel uitmaken van deze groep. Wat ik bedoel, is dat je dit zo zou kunnen vertalen: het geheimenis is dat Christus onder jullie is, namelijk onder jullie heidenen. Net zoals Paulus in Efeze zei:
namelijk dat de heidenen mede-erfgenamen zijn en tot hetzelfde lichaam behoren en mededeelgenoten zijn van Zijn belofte in Christus, door het Evangelie,
Hier staat dezelfde gedachte. Het geheimenis is dat de heidenen Christus op dezelfde manier onder zich zouden hebben. Daardoor zouden ze dezelfde hoop op heerlijkheid krijgen die Israël al had.
Veel mensen zouden dit vers opvatten als een uitspraak over Christus Die in mij woont. Zo zou je het natuurlijk kunnen opvatten. Alleen klinkt het, als je het vergelijkt met de passage in Efeze, alsof hij meer over de gemeente spreekt dan over mij als individu. Christus is in de gemeente, en de gemeente is in Christus. Jullie heidenen behoren tot degenen die in de gemeente zijn. Hij is onder jullie. Hij is in jullie groep. Misschien gaat het hier niet over het persoonlijk wonen van Christus in het menselijk hart, hoewel de Bijbel daar wel over spreekt. Jezus Zelf sprak daar ook over in Johannes 14, rond vers 21. Jezus zei:
Wie Mijn geboden heeft en die in acht neemt, die is het die Mij liefheeft, en wie Mij liefheeft, hem zal Mijn Vader liefhebben; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.
Daar spreekt Hij over het persoonlijk wonen in de individuele mens. Maar dat is misschien wel, en misschien niet, waar Paulus het hier over heeft. Hij spreekt over het geheimenis dat eerder niet bekend was: dat ook de heidenen Christus in of onder zich zouden hebben, op dezelfde manier als de Joden. En dat ze samen met de gelovigen onder Israël in die hoop op heerlijkheid zouden delen, met zelfs een beter begrip van wat dat betekent.
Paulus werkt door Gods kracht en genade #
Vers 28:
Hem Jezus dus.
27Aan hen heeft God willen bekendmaken wat de rijkdom is van de heerlijkheid van dit geheimenis onder de heidenen: Christus onder u, de hoop op de heerlijkheid. 28Hem verkondigen wij, terwijl we ieder mens terechtwijzen, en ieder mens onderwijzen in alle wijsheid, opdat wij ieder mens volmaakt zouden stellen in Christus Jezus. 29Daarvoor span ik me ook in en strijd ik, overeenkomstig Zijn werking, die met kracht in mij werkzaam is.
Hij spant zich in, maar het is de werking van God die krachtig in hem werkt. Paulus spreekt vaak over hoe hard hij werkt, maar hij schrijft zichzelf daar nooit enige verdienste voor toe. Het is:
Ik span me in, maar ik doe dat met Zijn kracht, die volop in mij werkt.
In de overeenkomstige passage in Efeze, die we zojuist bekeken hebben, zegt hij iets soortgelijks. In Efeze 3:7 zegt hij:
waarvan ik een dienaar geworden ben, krachtens de gave van de genade van God, die mij gegeven is, overeenkomstig de werking van Zijn kracht.
Ik dien, maar het is de doeltreffende werking van Zijn kracht die het doet.
Een soortgelijke uitspraak vind je in 1 Korinthe 15, vers 10. Daar vergelijkt Paulus zijn inspanningen met die van de andere apostelen, en hij zegt dat hij meer heeft gedaan dan zij. Dat klinkt niet erg nederig, maar kijk eens hoe hij het zegt. In 1 Korinthe 15:10 zegt hij:
Maar door de genade van God ben ik wat ik ben, en Zijn genade voor mij is niet tevergeefs geweest. Integendeel, ik heb mij meer ingespannen dan zij allen; niet ik echter, maar de genade van God, die met mij is.
En hij zegt:
Zijn genade voor mij is niet voor niets geweest, want ik heb harder gewerkt dan zij allemaal.
In de context gaat het over de andere apostelen.
Ik heb harder gewerkt dan zij.
Maar let eens op wat hij vervolgens zegt:
Maar dat was ik niet zelf, dat was de genade van God die met me was.
Het was de krachtige werking van Zijn kracht. Het was de genade van God in mij die het werk deed. Ik werkte, ik zwoegde, ik spande me in, maar God werkte in mij.
Samenwerken met God en Hem de eer geven #
Dat laat zien dat we in eigen kracht niets van eeuwige waarde tot stand kunnen brengen, maar zonder ons in te spannen kunnen we dat ook niet. God kan niets door ons heen tot stand brengen als we niet meewerken. Wij spannen ons in; God doet het werk. Of zoals Paulus het in Filippenzen hoofdstuk 2 zegt:
Werk aan uw eigen behoud met vrees en beven. Want God is het Die in u zowel het willen als het handelen bewerkt, naar Zijn welbehagen.
God werkt in je. Hij geeft je het verlangen, Hij geeft je het vermogen om het te doen. En wat doe jij? Je werkt. Je werkt het uit. Je doet uiterlijk wat Hij innerlijk heeft bewerkt. Dat is het synergisme waarover calvinisten zo ongraag praten. Synergisme betekent samenwerken. Calvinisten zullen niet-calvinisten van synergisme beschuldigen. Dat moet dan een kwalijk woord zijn, omdat het betekent dat we met God samenwerken. O, lieve help, we kunnen niet samenwerken. God moet al het werk doen, anders raakt Hij de eer kwijt.
Paulus moet er dan slecht in zijn geweest om God te verheerlijken, want hij sprak vaak over samenwerken met God. Dat is synergisme. Dat wil zeggen: ik span me in overeenkomstig het werk dat God door mij heen doet. God werkt, ik werk. Of zoals Paulus het in 1 Korinthe 3 zegt, waar hij het over zichzelf en Apollos heeft:
Wij werken samen met God.
Ik heb geplant, Apollos heeft water gegeven, maar God heeft laten groeien.
Wie krijgt daar alle eer? Hij zegt:
Dus is dan noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God, Die laat groeien.
Maar we moesten nog steeds planten. We moesten nog steeds water geven. Er zou niets groeien als niemand plantte en niemand water gaf. Aan de andere kant zou het volkomen vruchteloos zijn als God de groei niet gaf. Zelfs als wij planten en water geven, gebeurt er niets als God de groei niet geeft.
Het punt hier is dat God ervoor kiest om door ons heen te werken doordat wij meewerken. Maar zonder Hem kunnen onze werken geen enkele waarde hebben. God werkt in ons; Hij geeft de groei. Wij brengen uiterlijk in praktijk wat Hij in ons bewerkt.
Het Evangelie brengt ieder mens tot volmaaktheid #
Er is nog één ding dat ik moet zeggen, en dat is wat zijn doel is. Hij weet wat hij weet over de bestemming die God voor ons heeft. Hij weet wat hij weet over Gods doel en waarom God al deze dingen heeft gedaan, en waarom Jezus zelfs is gestorven, en zelfs waarom Paulus nog steeds lijdt en Christus nog steeds lijdt. Waarom gebeurt dit allemaal? Is het werkelijk de moeite waard? Wat is er aan de hand? Wat is hier het doel? Dit is toch niet voor niets? Nee, het dient ergens toe. En dat is dit, midden in vers 28:
27Aan hen heeft God willen bekendmaken wat de rijkdom is van de heerlijkheid van dit geheimenis onder de heidenen: Christus onder u, de hoop op de heerlijkheid. 28Hem verkondigen wij, terwijl we ieder mens terechtwijzen, en ieder mens onderwijzen in alle wijsheid, opdat wij ieder mens volmaakt zouden stellen in Christus Jezus. 29Daarvoor span ik me ook in en strijd ik, overeenkomstig Zijn werking, die met kracht in mij werkzaam is.
Het eerste deel van dat vers luidt:
Over Hem vertellen we, en we waarschuwen iedereen en onderwijzen iedereen met alle wijsheid, zodat we iedereen als een volmaakt mens in Christus Jezus voor God kunnen brengen.
Die herhaalde verwijzing naar ieder mens staat misschien enigszins tegenover het gnostische idee dat er een elite is die werkelijk bereikt wat het ook is, nirwana of wat dan ook. En de rest van de mensen hier beneden, zelfs de overige gnostici, bereiken nooit helemaal de hogere niveaus. Paulus zegt: nee, het Evangelie dat ik predik, is voor ieder mens. Er is niet een bepaalde elite, maar bij iedereen tot wie ik predik, heb ik als doel om hem zo volmaakt mogelijk voor te stellen, zo volmaakt als iemand maar kan zijn. Iedereen kan dat zijn, ieder mens.
Van jonge gelovigen naar volwassen discipelen #
Wat doet Paulus? Hij zegt dat we onderwijzen en prediken en waarschuwen. Op die manier probeert hij ieder mens volmaakt voor te stellen. Het woord ‘volmaakt’ kan ‘volwassen’ betekenen. Als je je daar prettiger bij voelt, kunnen we het woord ‘volwassen’ gebruiken. Ik wil dat iedereen volwassen is.
Helaas blijven ontzettend veel mensen jarenlang christen, of lijken ze jarenlang christen te zijn, zonder ooit volwassen te worden. Maar Paulus nam geen genoegen met een stel babychristenen. Daarom besteedde Paulus zijn tijd niet alleen aan evangeliseren. Je kunt evangeliseren en een wereld vol babychristenen voortbrengen, maar dat is niet waar God naar zoekt. God zoekt geen stel baby's. Hij zoekt volwassen geestelijke mensen.
Paulus' doel was eerst dat ze behouden werden; dan worden ze baby's. En wat doe je dan? Je waarschuwt hen, je onderwijst hen. Dat is wat Jezus zei:
19Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. 20En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Amen.
Paulus zegt: dat is wat ik doe. Ik wil volwassen discipelen aan Jezus Christus voorstellen. Ik wil dat de vrucht van mijn bediening niet alleen een stel geestelijke baby's is, maar volwassen, volmaakte mannen van God en vrouwen van God. Dit doe ik: ik wijd me aan het prediken, dat wil zeggen het brengen van het Evangelie zodat ze behouden worden, en vervolgens aan het waarschuwen en onderwijzen.
Waarschuwen is misschien wat hij doet bij degenen die de prediking niet aanvaarden. Het is mogelijk dat zijn prediking, nadat hij gepredikt heeft, mensen verdeelt in twee groepen: degenen die zijn prediking aanvaarden en degenen die haar afwijzen. Hij predikt het Evangelie; sommigen aanvaarden het, anderen wijzen het af. Degenen die het afwijzen, waarschuwt hij. Degenen die het aanvaarden, onderwijst hij. Misschien. Ik weet het niet. Misschien waarschuwt en onderwijst hij iedereen, alle christenen.
Groeien door terechtwijzing en Bijbels onderwijs #
Het woord ‘waarschuwen’ is eigenlijk een woord dat confronteren betekent. Christenen zouden veel beter groeien als ze vaker werden geconfronteerd. Ik denk dat we allemaal aardig willen zijn en niet graag slecht nieuws brengen. En we willen zeker niet veroordelend overkomen. Daarom zien we vaak tekortkomingen bij anderen die we nooit ter sprake brengen. Dat is niet liefdevol.
Wat je wilt dat anderen voor jou doen, moet je ook voor hen doen.
Je zou kunnen zeggen: ‘Ik weet dat als mensen tekortkomingen bij mij zien, ik liever heb dat ze me met rust laten. Ik word niet graag in verlegenheid gebracht doordat iemand me ermee confronteert. Ik wil niet dat mensen me in verlegenheid brengen.’ Echt waar, is dat werkelijk wat je het liefst wilt? De Bijbel zegt:
Wie een mens terechtwijst, zal later meer gunst vinden dan wie met de tong vleit.
Natuurlijk geniet je, op het moment dat je gevleid wordt, daar meer van dan wanneer je terechtgewezen wordt. Maar daarna, zegt Spreuken, ontvangt de man die terechtwijst meer gunst. Waarom? Omdat degene die terechtgewezen is, als hij de terechtwijzing ter harte neemt, inziet dat degene die hem terechtwees hem een dienst heeft bewezen. Degene die hem vleide, deed dat niet. Volgens Spreuken:
Een man die zijn naaste vleit, spreidt een net voor diens voetstappen.
Dat is geen dienst die je iemand bewijst. We genieten meer van vleierij dan van terechtwijzing. Maar achteraf waarderen we degene die ons terechtwees meer dan degene die ons vleide.
Godvruchtige mensen vinden het op het moment zelf misschien niet prettig dat je hen confronteert. Maar als het waar is dat ze dat later zullen waarderen en blij zullen zijn dat je het gedaan hebt, is het dan niet liefdevol om hen te confronteren? En als dat niet gebeurt, hoe zullen ze dan groeien? Iedereen heeft blinde vlekken. Alle christenen hebben een hart dat naar God uitgaat, maar alle christenen hebben ook blinde vlekken. En andere mensen kunnen die beter zien dan zijzelf. Daarom zijn waarschuwing en confrontatie onmisbaar.
Als je de brieven van Paulus leest, kun je zien dat hij waarschuwt, confronteert en terechtwijst wanneer gemeenten de verkeerde kant op gaan. Maar hij onderwijst ook opbouwend. Hij geeft onderricht. Door deze combinatie van het confronteren van verkeerd gedrag en het onderwijzen van de juiste weg wil Paulus iedereen volmaakt in Christus voorstellen.
Wat is de bron van zijn confrontatie, zijn correctie en zijn onderwijs? Hij zegt ergens anders, in 2 Timotheus 3:16:
16Heel de Schrift is door God ingegeven en is nuttig om daarmee te onderwijzen, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de rechtvaardigheid, 17opdat de mens die God toebehoort, volmaakt zou zijn, tot elk goed werk volkomen toegerust.
Paulus geeft aan dat het Woord van God, de Schriften, zijn hulpmiddel is voor terechtwijzing, voor onderwijs, voor onderricht. God heeft ons dit hulpmiddel gegeven zodat hij ieder mens volmaakt kan voorstellen, Dat is 2 Timotheus 3:16–17.
Paulus heeft niet alleen als doel te zien dat mensen behouden worden. Hij gaat ervan uit dat degenen aan wie hij schrijft al behouden zijn, omdat hij zijn brief richt aan degenen die trouw zijn in Christus Jezus. Maar hij neemt er geen genoegen mee dat ze alleen maar tot Christus zijn gekomen. Hij blijft hen vormen als discipelen, blijft terechtwijzen, blijft onderwijzen, blijft waarschuwen. Zo zal hij, wanneer hij met hen klaar is, alles hebben gedaan wat een mens kan doen om te waarborgen dat ze volwassen en volmaakt zullen zijn. Zodat ze, wanneer Christus komt om de gemeente aan Hem voor te stellen, een smetteloze bruid, daar deel van mogen uitmaken. Zodat ze smetteloos mogen zijn.
We zijn eindelijk aan het einde van hoofdstuk 1 gekomen.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Colossians 1:21 - 1:29. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/kolossenzen/1-21-29
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/kolossenzen/1-21-29.pdf?v=caf90e91e962
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Kolossenzen - Lezing 04 - 1.21-29.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/kolossenzen/1-21-29.mp3?v=717adcd583ab
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Kolossenzen - Lezing 04 - 1.21-29.mp3
Kolossenzen
Alle lezingen over Kolossenzen. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 1:1-1:5 Paulus waarschuwt voor engelenverering
- 2 1:5-15 Paulus bidt dat de Kolossenzen groeien
- 3 1:15-20 Christus is de Schepper van alle dingen
- 4 1:21-29 God kiest de gemeente als geheel
- 5 2 In Christus compleet zonder extra regels
- 6 3:1-5 Met Christus gestorven, toch nog verleid
- 7 3:5-17 De oude mens afleggen, ook in het spreken
- 8 3:18-4:18 Paulus geeft regels voor het gezin
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/kolossenzen/1-21-29.srt?v=a51bed9539e5
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Kolossenzen - Lezing 04 - 1.21-29.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/kolossenzen/1-21-29.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Kolossenzen 1:21
- Kolossenzen 1:21-23
- 2 Korinthe 5:19
- Kolossenzen 1:14
- Efeze 5:25
- Efeze 5:27
- Kolossenzen 1:22
- Efeze 1:4
- Genesis 25:23
- Romeinen 9:10
- Romeinen 9:11-12
- Romeinen 9:13
- Romeinen 9:10-12
- Maleachi 1:2-3
- Maleachi 1:1-2
- Maleachi 1:3
- Maleachi 1:1
- Genesis 17:14
- Johannes 15:4-6
- Kolossenzen 1:2
- Romeinen 11:16
- Romeinen 11:17
- Romeinen 11:18
- Romeinen 11:19-20
- Romeinen 11:21
- Romeinen 11:22
- Hebreeën 3:6
- Kolossenzen 1:23
- 2 Petrus 1:10
- Mattheüs 7:24-27
- Johannes 14:15
- Kolossenzen 1:22-23
- Romeinen 11:20
- Kolossenzen 1:24
- 2 Korinthe 11:24
- 2 Korinthe 11:25
- 2 Korinthe 11:26
- 2 Korinthe 11:27
- Galaten 6:17
- Handelingen 9:4
- Mattheüs 10:24-25
- Galaten 4:11
- Galaten 3:4
- Romeinen 8:28
- Kolossenzen 1:25
- 1 Korinthe 9:16
- 1 Korinthe 9:17
- Lukas 17:7-10
- Efeze 3:2
- Efeze 3:3-5
- Efeze 3:6-7
- Kolossenzen 1:26
- Kolossenzen 1:27-29
- Galaten 3:28
- Kolossenzen 1:27
- Jesaja 60:1
- Efeze 3:6
- Johannes 14:21
- Efeze 3:7
- 1 Korinthe 15:10
- Filippenzen 2:12-13
- 1 Korinthe 3:9
- 1 Korinthe 3:6
- 1 Korinthe 3:7
- Mattheüs 28:19-20
- Spreuken 28:23
- Spreuken 29:5
- 2 Timotheüs 3:16-17