Handelingen 8:26-40

Filippus verkondigt Jezus aan de kamerheer

56 min · Lezing 12 van 30 ·

Deze lezing als video. YouTube wordt pas geladen als je op afspelen klikt — tot dan weet YouTube niet dat je hier bent. Op YouTube openen
Lees de tekst

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/handelingen/8-26-40.pdf?v=f831c851b845. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/handelingen/8-26-40.

Samenvatting

Filippus verkondigt Jezus aan de Ethiopische kamerheer en doopt hem.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt hoe Filippus op Gods aanwijzing de opwekking in Samaria verlaat en op een woestijnweg een Ethiopische kamerheer ontmoet die Jesaja 53 leest. Hij legt uit waarom de identiteit en godsdienstige achtergrond van deze man onzeker zijn en betoogt dat de Heilige Geest christenen Zelf in de waarheid leidt, eventueel met behulp van menselijke leraren. Vervolgens laat hij zien hoe Filippus vanuit Jesaja Jezus verkondigt en hoe de kamerheer na zijn geloof direct wordt gedoopt. Ten slotte bespreekt hij de tekstvariant in vers 37, de betekenis van de doop als toetreding tot het lichaam van Christus en de bovennatuurlijke wegrukking van Filippus.

Filippus de evangelist en de zeven

Illustratie bij: Filippus en de zeven dienen de weduwen.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Handelingen 8, vers 26 tot en met vers 40.

We gaan opnieuw terug naar Handelingen 8. In Handelingen 8 staan twee verhalen, die allebei over Filippus gaan. Het hoofdstuk begint met een paar verzen over hoe Saulus van Tarsus bedreigingen uitte tegen de gemeente, zich tegen de gemeente verzette en de gemeente vervolgde. Maar het grootste deel van het hoofdstuk gaat over Filippus.

Filippus is niet een van de apostelen. Hij is degene die in Handelingen 21 Filippus de evangelist wordt genoemd. In Handelingen 21:8 wordt deze Filippus Filippus de evangelist genoemd. Er wordt ook over hem gezegd dat hij een van de zeven is. Daarmee worden de zeven personen bedoeld die in hoofdstuk 6 werden aangesteld om te helpen bij het uitdelen van voedsel aan de weduwen van de gemeente. We noemen hen vaak diakenen, omdat hun werkzaamheden lijken overeen te komen met die van personen in andere gemeenten die de Bijbel later diakenen noemt. Deze zeven worden in de Griekse brontekst nooit uitdrukkelijk diakenen genoemd, maar wij noemen hen soms de zeven diakenen in de gemeente van Jeruzalem. De HSV voegt in Handelingen 21:8 ter verduidelijking het woord ‘diakenen’ toe.

Maar toen Stefanus, een van de zeven, de marteldood stierf, brak er een vervolging uit. Daardoor vond er onder de christenen een enorme uittocht uit Jeruzalem plaats. De apostelen bleven daar, en blijkbaar bleef ook een bepaald aantal leden van de gemeente daar, want de gemeente bleef er bestaan. Maar een groot aantal vluchtte, onder wie enkelen van de zeven. Een van hen was Filippus, die samen met Stefanus een van de medewerkers in die groep van zeven was.

Filippus brengt het evangelie in Samaria

Illustratie bij: Filippus verkondigt het evangelie in Samaria.

Hoewel hij geen apostel is, lijken zijn werkzaamheden op die van een apostel. Lukas wijdt een heel hoofdstuk, of bijna een heel hoofdstuk, aan enkele dingen die hij deed. Lukas vertelt ons elders dat heel wat christenen vluchtten en buiten Jeruzalem het Evangelie verkondigden. Dat hij hier toch vooral aandacht besteedt aan Filippus, komt ongetwijfeld doordat Filippus als evangelist heel goed een van de eersten kan zijn geweest die gemeenten stichtten die niet uitsluitend Joods waren.

De voornaamste gemeente waarover we in het eerste deel van Handelingen 8 lezen, is de gemeente die hij in een van de steden van Samaria stichtte. Jezus had in een van de steden van Samaria gediend. Je herinnert je dat Hij en Zijn discipelen in Johannes 4 tussen Jeruzalem en Galilea reisden. Om uit te rusten gingen ze bij een bron zitten in Sichar, een van de steden van Samaria. Daar had Jezus eerst een gesprek met een vrouw die water kwam putten. Vervolgens kwamen op haar aansporing veel mensen uit de stad naar buiten om Jezus te ontmoeten. Hij bleef twee dagen bij hen. Daarna reisde Hij verder, en we lezen niets meer over wat er in die stad gebeurde.

We vragen ons af wat er misschien met die discipelen is gebeurd. We weten niet precies naar welke stad in Samaria Filippus ging. Het zou boeiend zijn als het dezelfde stad was. Met andere woorden, als hij verderging met wat Jezus daar had gedaan. Hij kwam terug en zei: ‘Herinneren jullie je die man Jezus? Nu, dit is wat er sindsdien is gebeurd. Hij is gestorven, Hij is weer opgestaan en de Heilige Geest is uitgestort. We hebben een nieuw verschijnsel, de gemeenschap van de Messias, en jullie zijn welkom om je daarin te laten dopen.’

We weten niet of dit dezelfde mensen waren. Het kan een volkomen nieuwe groep zijn geweest. We weten wel dat Filippus verschillende steden evangeliseerde, omdat we over enkele steden lezen waar hij naartoe reisde. Maar we krijgen geen bijzonderheden over die bezoeken. De aandacht is gericht op deze ene stad in Samaria.

Simon en de gave van de Heilige Geest

Illustratie bij: Petrus en Johannes leggen Samaritanen de handen op.

Een opmerkelijk punt is dat de mensen door de prediking van Filippus wel bekeerd en gedoopt waren, maar dat de Heilige Geest nog niet op hen was gekomen. Dat is heel ongebruikelijk. Wanneer mensen tot bekering kwamen, werden ze gewoonlijk ook met de Heilige Geest vervuld, tenminste wanneer de apostelen aanwezig waren.

In dit geval woonde er in die stad ook een man die met zijn toverij de hele stad had misleid. Zijn naam was Simon. Latere kerkvaders noemden hem Simon Magus, en er bestaan veel legenden over hem, maar die staan niet in het boek Handelingen. Het boek Handelingen vertelt alleen over zijn bekering, of schijnbare bekering. Er staat:

Hij geloofde en hij werd gedoopt. Het klinkt alsof hij tot bekering kwam, net als de andere mensen in Samaria. Er staat dat hij bij Filippus bleef. Het klinkt dus alsof hij alle kenmerken van een echte bekeerling vertoonde.

Maar toen Petrus en Johannes uit Jeruzalem kwamen, dienden zij de bekeerlingen, de bekeerlingen van Filippus, door hun de handen op te leggen, zodat de Heilige Geest op hen kwam. Blijkbaar vonden er verschijnselen plaats die niet in Handelingen 8 zijn opgetekend en die indruk maakten op Simon. Uit andere gebeurtenissen in Handelingen weten we dat mensen, wanneer ze met de Heilige Geest werden gedoopt, vaak in tongen spraken en soms profeteerden. Er staat niet dat een van die beide dingen gebeurde toen de apostelen de bekeerlingen van Filippus in Samaria de handen oplegden, maar het kan gebeurd zijn. Er gebeurde iets. Lukas hoeft niet alles voor ons uit te spellen.

Er gebeurde iets waaruit bleek dat de Heilige Geest op deze mensen was gekomen; het was niet alleen zichtbaar waarneembaar, maar ook indrukwekkend. Deze tovenaar, die zelf door zijn magische krachten nogal veel indruk op de mensen had gemaakt, was diep onder de indruk. Hij bood Petrus zelfs geld aan om hem dezelfde macht te geven om dat te doen. Petrus wees hem natuurlijk terecht en zei dat hij zich moest bekeren. We weten niet of de man dat deed. De laatste woorden die we van Simon lezen, zijn:

Handelingen 8:24

Maar Simon antwoordde en zei tegen hen : Bidt u voor mij tot de Heere, opdat mij niets overkomt van wat u gezegd hebt.

Petrus had gezegd:

Handelingen 8:22

Bekeer u dan van deze slechtheid van u en bid God of deze gedachte van uw hart u misschien vergeven wordt.

In plaats van zelf te bidden, zei hij tegen Petrus: ‘Bid jij voor mij.’ Er zijn nog steeds stromingen binnen het christendom waar mensen denken dat het beter is dat een van de heiligen voor hen bidt dan dat ze zelf bidden. Maar Petrus zei tegen hem dat hij voor zichzelf moest bidden. Misschien heeft de man dat uiteindelijk gedaan en misschien ook niet. In plaats daarvan voelde hij zich er beter bij als Petrus voor hem bad, en we lezen niet dat Petrus dat deed.

We hebben nergens anders in de Bijbel een geval waarin mensen een apostel, of iemand van dien aard, vragen om voor hen te bidden. Het enige geval dat we daadwerkelijk van zoiets hebben, is dus een geval waarin niet wordt vermeld dat de apostel het heeft gedaan. Ik zou hier geen echte aanmoediging uit putten om te denken: ‘Ik zal tot de heiligen bidden en hun vragen voor mij te bidden.’ Niet dat we weten dat ze dat niet zouden kunnen, maar de Bijbel moedigt ons beslist niet aan om dat te verwachten of in praktijk te brengen.

Het evangelie verspreidt zich in Samaria

Illustratie bij: Petrus en Johannes evangeliseren Samaritaanse dorpen.

Nu dat verhaal achter ons ligt, lezen we een overgangsvers. In vers 25 staat:

Handelingen 8:25

Toen zij dan getuigd hadden van het Woord van de Heere en het gesproken hadden, keerden zij terug naar Jeruzalem en verkondigden het Evangelie in veel dorpen van de Samaritanen.

Met ‘zij’ worden in dit geval Petrus en Johannes bedoeld. De apostelen die vanuit Jeruzalem naar Samaria waren gekomen, gaan nu terug naar Jeruzalem. Maar onderweg, terwijl ze teruggaan in de richting van Judea, prediken ze in andere dorpen van Samaria.

Toen Filippus, neem ik aan, eenmaal het ijs had gebroken en de eerste stap had gezet om Samaritanen te evangeliseren, en de apostelen hadden gezien dat Gods zegen op die groep rustte, stonden de sluizen open. Dus evangeliseerden ze veel Samaritaanse dorpen. Later, in hoofdstuk 9, vers 31, verwijst Lukas naar alle gemeenten in Samaria. Hij noemt alle gemeenten in Judea, Galilea, Samaria, enzovoort. Rond deze tijd zijn er blijkbaar een aantal gemeenten gesticht in Samaria.

Er wordt ons verteld dat de apostelen Petrus en Johannes teruggingen naar Jeruzalem. Maar de volgende keer dat we Petrus in het verhaal tegenkomen, trekt hij rond in Lydda en Joppe en gaat hij uiteindelijk naar Caesarea om Cornelius te ontmoeten. Tot dit punt leek Petrus heel honkvast te zijn, in die zin dat hij in Jeruzalem bleef, zelfs toen de gemeente vluchtte ten tijde van de vervolging. Er staat dat alle heiligen vluchtten, behalve de apostelen. Zij bleven in Jeruzalem. Dus tot dit punt waren de apostelen, onder wie Petrus, heel sterk aan Jeruzalem gebonden.

Maar misschien kwamen er op andere plaatsen nu wel nieuwe, spontane opwekkingen als uitslaande branden op. Deze christenen, die niet waren uitgezonden maar waren gevlucht, stichtten onbedoeld gemeenten, gewoon door ergens heen te gaan en daar met mensen over Jezus te praten. Zulke dingen kwamen plotseling op. De apostelen in Jeruzalem beseften nu dat ze dit in de gaten moesten houden. Ze moesten zich ervan vergewissen dat sommige dingen niet verkeerd waren en dat alles goed was. Dit was allemaal een nieuw verschijnsel. We zien dus dat Petrus, hoewel hij naar Jeruzalem terugkeert, ook andere tochten onderneemt naar plaatsen buiten Judea waar nieuwe gemeenten zijn ontstaan. Tegen het einde van hoofdstuk 9 zullen we dat opnieuw zien.

Een engel stuurt Filippus naar de woestijn

Illustratie bij: Een engel wijst Filippus de weg naar Gaza.

Maar voordat hoofdstuk 8 eindigt, krijgen we nog een volledig verhaal over Filippus. Bij dit verhaal zijn geen apostelen betrokken. Alleen Filippus, een eenzame evangelist die in de woestijn een man bereikt die in wereldse zin enig aanzien geniet, zoals we zullen zien.

We beginnen bij vers 26:

Handelingen 8:26

En een engel van de Heere sprak tot Filippus en zei: Sta op en ga naar het zuiden, de weg op die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, die eenzaam is.

Lukas zegt dat dit woestijn is, misschien om duidelijk te maken dat je daar geen grote bevolkingsmassa zult aantreffen. Filippus bevond zich midden in een bloeiende opwekking in een Samaritaanse stad. Menigten worden behouden. Er is grote blijdschap in de stad. Er worden tekenen en wonderen verricht, er vinden genezingen plaats en demonen gaan uit mensen weg. Zo’n situatie wil je niet verlaten als dat niet hoeft.

Maar een engel van de Heere sprak tot hem. Het is interessant dat even later in het verhaal de Geest tot hem spreekt. Ik weet niet waarom de boodschap soms door een engel wordt gebracht en waarom soms de Geest Zelf tot Filippus spreekt, maar zo gebeurt het nu eenmaal. Dat Lukas dit onderscheid maakt, betekent dat Lukas ongetwijfeld de bijzonderheden van het verhaal te horen heeft gekregen, waarschijnlijk van Filippus zelf.

Lukas, de geschiedschrijver, moest zijn informatie ergens vandaan halen. Hij ging niet zomaar op een bergtop zitten, op de berg Moria, om zich al deze verhalen door God te laten openbaren. Hij kreeg ze op de manier die hij noemt wanneer hij het boek Lukas opent:

Lukas 1:1-3

1Aangezien velen ter hand genomen hebben een verslag op te stellen van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben, 2zoals zij die van het begin af ooggetuigen en dienaren van het Woord zijn geweest, aan ons overgeleverd hebben, 3heeft het ook mij goedgedacht, na alles van voren af aan nauwkeurig onderzocht te hebben, het geordend voor u te beschrijven, hooggeachte Theofilus,

Lukas was een geschiedschrijver en hij interviewde mensen.

We weten wel dat hij bij Paulus was toen Paulus later in het huis van Filippus verbleef. Dat staat in Handelingen, hoofdstuk 21. Lukas behoort tot het reisgezelschap van Paulus wanneer Paulus voor de laatste keer vóór zijn arrestatie naar Jeruzalem reist, en ze verblijven enige tijd in het huis van Filippus. Dat moet dus het moment zijn geweest waarop Lukas, die deze verhalen heeft opgeschreven, hier de bijzonderheden te horen kreeg. Het is interessant dat Filippus gezegd moet hebben: ‘Het was een engel die tegen me zei dat ik daarheen moest gaan,’ en vervolgens: ‘De Heilige Geest zei tegen me dat ik dit moest doen.’ Zulke wisselingen zouden afkomstig zijn van iemand die oog had voor details en de details kende. Zoals gewoonlijk volgt Lukas betrouwbare bronnen uit de eerste hand zeer nauwgezet. Hij zegt dat de engel hem opdroeg op te staan en naar het zuiden te gaan.

Hij moest deze opwekking achterlaten, en ik weet niet onder wiens toezicht hij haar achterliet. Ik neem aan dat hij haar onder het toezicht van de Heilige Geest achterliet, want de Heilige Geest was gegeven door de oplegging van de handen van de apostelen. De apostelen waren vertrokken, en zelfs Simon de Tovenaar was daar nog, dus hij vormde wel enigszins een bedreiging. Maar blijkbaar waren de Heilige Geest, of de door God gezonden engel, van oordeel dat de gemeente daar het zonder het toezicht van Filippus goed zou doen, en dat hij iets anders moest gaan doen en naar een woestijn moest afdalen.

Gehoorzaamheid op de weg naar Gaza

Illustratie bij: Filippus ontmoet de wagen op de woestijnweg.

De weg naar het zuiden loopt vanuit Samaria naar het zuiden — eigenlijk vanuit Jeruzalem — en daalt af naar Hebron. Dan buigt hij af naar het westen en loopt hij door naar Gaza. Gaza was een van de vijf blijvende Filistijnse steden in Israël in de tijd van het Oude Testament. De Filistijnen hadden zich aan de Middellandse Zeekust van Israël gevestigd, en ze hadden vijf steden: Gaza, Gath, Askelon, Asdod en nog één waarvan de naam me ontschoten is. De Filistijnen werden natuurlijk door David verslagen. Tegen de tijd van het Nieuwe Testament waren de Filistijnen daar niet meer, maar in sommige gevallen droegen deze steden nog dezelfde namen. Gaza lag aan de zuidkust van Israël, en dat was de weg.

Het was een woestijnweg, zoals Lukas zegt. Met andere woorden: waarom zou je een bloeiende gemeente verlaten waar een opwekking plaatsvindt, en midden de woestijn in gaan, waar waarschijnlijk niet veel verkeer is? Zelfs als er enig verkeer is, is het niets vergeleken met wat hij in de gemeente in Samaria achterliet. Maar hij was gewoon gehoorzaam. Hij ging die weg af. Het was een woestijngebied en als zodanig geen erg veelbelovende streek om evangelisatiewerk te doen.

Maar er staat:

Handelingen 8:27-28

27En hij stond op en ging op weg ; en zie, een Ethiopiër, een kamerheer en een machtig heer van de kandakè, de koningin van de Ethiopiërs, die heel haar schat kist beheerde en gekomen was om in Jeruzalem te aanbidden, 28keerde terug, en hij zat op zijn wagen en las de profeet Jesaja.

Zoals we zullen zien naarmate het verhaal verdergaat, las hij in feite Jesaja 53. Dat kwam voor de evangelisatie door Gods voorzienigheid wel heel goed uit. Als je Jesaja 53 kent, weet je dat het waarschijnlijk het meest rechtstreekse hoofdstuk in Jesaja over de Messias is, hoewel veel passages in Jesaja over de Messias spreken. Waarschijnlijk beschrijft niets in Jesaja het lijden van Jezus duidelijker dan het drieënvijftigste hoofdstuk.

Dit zijn de ontmoetingen die God beschikt. Filippus ontmoette niet alleen maar een Ethiopiër die de Bijbel las. Hij las een passage over Jezus. Als Filippus iets eerder of later was aangekomen, misschien zelfs maar tien minuten eerder of later, zou de man waarschijnlijk een andere passage hebben gelezen. Maar het was Gods timing. De engel zei:

Ga daar naar beneden, en we weten niet hoelang Filippus erover deed om daar te komen. Misschien heeft hij zelfs wel een Uber-strijdwagen genomen. Uiteindelijk verplaatste hij zich op bovennatuurlijke wijze, zoals we aan het einde van het hoofdstuk zullen zien.

De Ethiopische kamerheer

Illustratie bij: De Ethiopische schatbewaarder keert terug uit Jeruzalem.

Deze man was een machtig man in wat men in die tijd Ethiopië noemde. Er bestaat natuurlijk een hedendaags Ethiopië, maar Ethiopië was toen meer het gebied dat wij tegenwoordig Soedan zouden noemen. Het huidige Soedan is het land dat in Bijbelse tijden Ethiopië werd genoemd. Maar omdat het Ethiopië genoemd werd, zullen we hem de Ethiopische kamerheer noemen.

Hij was een schatkistbeheerder, die blijkbaar het beheer had over de hele schatkist van koningin Candacé. Geleerden hebben gezegd dat Candacé een troonnaam van de koningin-moeder was. Het was geen persoonlijke naam. Het was meer een titel, net zoals farao in Egypte een titel was en niet de naam van een man. Alle koningen van Egypte werden farao genoemd. Abimelech was blijkbaar een soortgelijke troonnaam onder de Filistijnen. We kennen de persoonlijke naam van deze vrouw niet, maar zij was de koningin-moeder en in die tijd de feitelijke heerser van het gebied. Deze man was haar verantwoording schuldig. Hij was blijkbaar een man met grote verantwoordelijkheid, aangezien de financiën van het hele land aan zijn zorg waren toevertrouwd.

Toch was hij een aanbidder van Jahweh. Hij was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden. Hij had een internationale reis ondernomen om in de tempel te aanbidden. Ethiopië was natuurlijk een heidens land, maar tijdens de diaspora, eeuwen voor de tijd van Christus, waren veel Joden naar Noord-Afrika verhuisd, vooral naar Alexandrië in Egypte, en zij hadden zich ongetwijfeld ook naar andere gebieden verspreid.

Het is mogelijk dat deze man een Jood was. Wij stellen ons hem voor als een zwarte Afrikaan omdat hij een Ethiopiër was, maar hij kan een Joodse man zijn geweest die in Ethiopië woonde. We weten het niet. Het belangrijkste is dat, als hij een Ethiopische heiden was, het erop lijkt dat hij de eerste heiden was aan wie het evangelie werd verkondigd. Dit was vóór Cornelius en voordat de apostelen zelfs maar inzagen dat evangelisatie onder de heidenen mogelijk was. Als deze man een onbesneden Ethiopiër was, dan liep Filippus met zijn evangelisatie van deze man op de apostelen voor wat betreft het besef dat ook heidenen behouden konden worden. Maar dat wordt ons niet verteld, en Lukas maakt geen punt van het feit dat deze man onbesneden was. Bij Cornelius ligt dat anders. Petrus gaat zijn huis binnen en wordt daar later, in hoofdstuk 11, op aangesproken. De apostelen in Jeruzalem spraken Petrus erop aan en zeiden:

Was de Ethiopiër Jood of heiden?

Illustratie bij: Een godvrezende reiziger zoekt de God van Israël.
Handelingen 11:3

en zeiden: U bent binnengegaan bij mannen die onbesneden zijn, en u hebt met hen gegeten.

Het feit dat Cornelius onbesneden was, betekent dat hij een heiden en onrein was. Tot op dat moment had de gemeente nooit ingezien dat het mogelijk was dat onbesnedenen tot geloof kwamen.

Misschien volgde Filippus eenvoudig de leiding van de Heilige Geest, en leidde de Heilige Geest hem ertoe een onbesneden heiden te bekeren. Maar omdat de man in een ander land was, kwam de zaak nooit onder de aandacht van de gemeente in Jeruzalem, of was het voor hen nooit een kwestie. Ik weet het niet. Sommige commentatoren opperen dat hij misschien een Joodse man uit Ethiopië was, of iemand die zij een godvrezende of een proseliet noemen.

We weten dat heidenen heiden konden blijven of proseliet konden worden. Dat betekent dat ze zich daadwerkelijk lieten besnijden en als Joden werden beschouwd, hoewel ze als heiden geboren waren. En wat de aanbidding in de tempel betreft, hadden ze alle voorrechten van een Jood. Of ze waren heidenen die niet besneden waren, maar wel Jahweh vreesden. Dat wil zeggen, ze hadden hun heidendom min of meer afgezworen en geloofden in de God van Israël en wilden Hem behagen. Maar ze hadden niet de laatste stap gezet om echte bekeerlingen te worden en zich te laten besnijden. Deze mensen werden godvrezenden genoemd.

Als deze man zelf geen Jood was, dan was hij op zijn minst een godvrezende, en misschien was hij een proseliet. Het feit dat Lukas er geen punt van maakt dat hij onbesneden was, kan ons doen denken dat hij besneden was, hetzij als proseliet, hetzij als Jood. We weten het niet, maar Lukas maakt er twee hoofdstukken verderop wel een groot punt van dat Cornelius een onbesneden heiden is die behouden wordt. Als dat ook bij de Ethiopiër het geval was, zou je verwachten dat Lukas met dezelfde ophef had laten zien hoe radicaal dit was.

Het is een verbazingwekkend verhaal, maar hij behandelt het niet als iets radicaals. Filippus lijkt geen innerlijke strijd te hebben: „Durf ik deze onbesneden man te evangeliseren?” Petrus zelf had wel een innerlijke strijd toen hij bij het huis van Cornelius kwam. Zelfs hij was er nog niet helemaal gerust op. Hij zei:

Handelingen 10:28

En hij zei tegen hen: U weet dat het een Joodse man niet toegestaan is om met iemand van een ander volk om te gaan of bij hem binnen te gaan; maar God heeft mij laten zien dat ik geen mens onheilig of onrein mag noemen.

enzovoort. Filippus lijkt er gewoon heel vanzelfsprekend mee om te gaan. Daarom denk ik dat deze man waarschijnlijk besneden was, hetzij een heiden die proseliet was geworden, hetzij misschien zelfs een Joodse man uit Ethiopië.

Joden bekleedden in heidense landen vaak hoge financiële functies, zoals ze dat nu ook doen. Ze stonden daarom bekend. Vaak werden ze erom gehaat, omdat mensen jaloers waren op hun succes in financiële zaken. Het is niet onmogelijk dat een koningin van Ethiopië een Joodse man als beheerder had. Potifar had immers ook een Joodse man aangesteld over al zijn financiën en dergelijke. Of, zoals wij zouden zeggen, een Israëliet: Jozef.

Ik zeg alleen maar dat we het niet weten. Je zou kunnen zeggen: „Als je het niet weet, waarom praat je er dan zo lang over?” Voor een deel omdat het belangrijk zou zijn als hij inderdaad onbesneden was. Maar ik zeg dus dat we niet weten of die specifieke betekenis wel of niet aan dit verhaal verbonden is. Daarom kunnen we dat niet werkelijk als punt aanvoeren.

De Geest leidt Filippus naar de wagen

Illustratie bij: De Geest leidt Filippus naar de wagen.

Maar hij was in Jeruzalem geweest om te aanbidden. Hij was op weg naar huis en zat in zijn wagen de profeet Jesaja te lezen. Er staat dat de Geest tegen Filippus zei:

Handelingen 8:29

En de Geest zei tegen Filippus: Ga ernaartoe en voeg u bij deze wagen.

De Engelse vertaling waarop deze uitleg is gebaseerd, zegt hier dat Filippus de wagen moest ‘inhalen’; daarom stel ik me hem altijd voor als een heel snelle hardloper. Misschien komt dat doordat ik terugdenk aan Elia, die sneller liep dan de wagen van Achab. Toen de regen eraan kwam, waren hij en Achab op weg naar dezelfde plaats, en Elia ging te voet. Achab zat in een wagen. Elia kwam er het eerst aan, dus hij moet wel een heel snelle hardloper zijn geweest.

Maar hier is er geen reden om te denken dat de wagen haast had. Als je honderden kilometers aflegt in een voertuig dat door een paard wordt getrokken, moet het paard een deel van de tijd stapvoets gaan, of zelfs stilstaan om te eten of te drinken. Het is dus mogelijk dat deze wagen stilstond, of dat ze gewoon in een normaal staptempo reden. Dat is niet veel sneller dan het wandeltempo van een mens. Zo kon hij de wagen inhalen. Niets wijst erop dat hij op bovennatuurlijke wijze heel snel kon lopen en zo naar de wagen toe rende en hem inhaalde. Voor zover wij weten, stond die misschien gewoon stil.

Filippus rende dus naar hem toe en hoorde hem de profeet Jesaja lezen. Het idee om stil te lezen is een tamelijk moderne vernieuwing. Vroeger lijken mensen altijd hardop gelezen te hebben. Ik weet niet waarom, maar waarschijnlijk las hij hardop voor zichzelf en begreep hij niet goed wat hij las. Toen Filippus hoorde wat hij las, wat Jesaja 53 bleek te zijn, zei hij:

Handelingen 8:30

En Filippus snelde ernaartoe, hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zei: Begrijpt u ook wat u leest?

Zijn antwoord was:

Handelingen 8:31

Maar hij zei: Hoe zou ik dat kunnen, als niemand mij de weg wijst? En hij verzocht Filippus op de wagen te klimmen en bij hem te komen zitten.

En hij vroeg Filippus om bij hem in de wagen te komen zitten. Dat is een geweldige gelegenheid om te evangeliseren, wanneer de man Jesaja 53 leest en je kunt zeggen: „Weet je waar dat over gaat?” Vele jaren geleden, in de jaren zeventig, had ik een vriend die in Fullerton in Californië tegenover een Joods meisje van Christus getuigde. Ze maakte het hem wat moeilijk vanwege zijn geloof in Christus, omdat zij Joods was. Hij zei: „Luister, ik zal je een passage voorlezen.” En hij las haar Jesaja 53 voor, precies deze passage. Hij zei: „Over wie denk je dat dit gaat?” Ze zei: „Nou, dat is duidelijk Jezus, maar wij Joden geloven niet in het Nieuwe Testament.”

Het gaat duidelijk over Jezus. Maar het is interessant dat hij haar over dezelfde passage de vraag stelde die deze man aan Filippus stelde. Over wie gaat dit uiteindelijk? Spreekt de profeet over zichzelf? We zien dat deze vraag later, in vers 34, wordt gesteld.

Maar de man zegt:

Hoe kan ik het begrijpen als niemand het me uitlegt?

De Heilige Geest verklaart de Schrift

Illustratie bij: Filippus helpt de kamerheer de Schrift begrijpen.

Dit is het dilemma dat mensen hadden voordat de Heilige Geest gegeven was. Mensen hadden een mens nodig om de Schrift aan hen uit te leggen. De Joden hadden de Levieten nodig om de Schriften aan hen voor te lezen en uit te leggen, anders zouden ze die niet begrijpen. Waarom? Omdat Paulus in 1 Korinthe 2:14 zegt:

1 Korinthe 2:14

Maar de natuurlijke mens neemt de dingen van de Geest van God niet aan, want ze zijn dwaasheid voor hem. Hij kan ze ook niet leren kennen, omdat ze geestelijk beoordeeld worden.

Je moet uit de Geest geboren worden. Je moet de Geest van God hebben om licht te werpen op wat Hij Zelf in de Schriften heeft geïnspireerd.

Daarom moest Jezus het verstand van Zijn discipelen openen. In Lukas 24:45 staat:

Lukas 24:45

Toen opende Hij hun verstand zodat zij de Schriften begrepen.

Hij bedoelt het Oude Testament. De rabbijnen begrepen het blijkbaar niet. De discipelen, de apostelen, begrepen het wel, omdat Jezus hun dat vermogen gaf. Filippus was natuurlijk niet een van de apostelen, maar hij was onderwezen door de apostelen. Hij wist hoe zij de Schriften begrepen, en hij was vervuld met de Geest.

Denk aan wat Johannes in 1 Johannes 2:27 zegt:

1 Johannes 2:27

En wat u betreft, de zalving die u van Hem hebt ontvangen, blijft in u, en u hebt het niet nodig dat iemand u onderwijst; maar zoals deze zalving u onderwijst met betrekking tot alle dingen — en die zalving is waar en is geen leugen — en zoals ze u heeft onderwezen, zo moet u in Hem blijven.

Hij zegt: ‘Je hebt de zalving.’ Hij bedoelt de Heilige Geest. Als christen heb je de Heilige Geest. Daarom heb je volgens hem geen mens nodig om je te onderwijzen.

De Ethiopiër had de Heilige Geest niet. Hij was een natuurlijke mens. Hij zei:

Handelingen 8:31

Maar hij zei: Hoe zou ik dat kunnen, als niemand mij de weg wijst? En hij verzocht Filippus op de wagen te klimmen en bij hem te komen zitten.

Vaak hebben we geen mens meer nodig om ons te leiden. Je zou kunnen zeggen: ‘Waarom geef jij dan Bijbelonderwijs? Ben jij geen mens?’ Dat ben ik, en je hebt mij niet nodig. Als je de Heilige Geest hebt, heb je mij niet nodig, maar misschien kan ik helpen. God kan je zonder mijn hulp in heel de waarheid leiden, maar God heeft ook gaven van de Geest gegeven. Leraren zijn een van de gaven van de Geest. Door hen kan de Heilige Geest, Die je in heel de waarheid leidt, ook spreken en helpen. Hij kan door een leraar spreken, of zonder leraar.

Het punt is dat je uiteindelijk niet afhankelijk bent van een mens. Je bent uiteindelijk niet afhankelijk van een leraar. Daarom gaat het bij sekten mis. Jehova’s getuigen, mormonen — noem maar een sekte. Wat ze allemaal gemeen hebben, is dat iemand, een mens of een comité, al het denkwerk doet. Zij leggen alles uit. Jij gelooft gewoon wat zij over iedere Schriftpassage zeggen. Als je zelf begint na te denken, lig je eruit. Ze laten je niet blijven, omdat je volgens hen wel iemand nodig hebt om je te onderwijzen, meestal de leider.

In het echte lichaam van Christus worden christenen door de Geest geleid. Misschien hebben ze het geluk een Bijbel te hebben, terwijl veel christenen er nooit een hebben. Maar als je er een hebt, opent de Heilige Geest ook je verstand, zodat je kennis van de Schriften kunt ontvangen.

Groeien in waarheid ondanks verschillen

Illustratie bij: Stap voor stap groeien in het verstaan van de Schrift.

Sommigen zeggen misschien: ‘Maar alle christenen hebben de Heilige Geest. Hoe komt het dan dat ze het niet allemaal hetzelfde begrijpen? Als dezelfde Heilige Geest alle christenen onderwijst, hoe komt het dan dat sommige christenen een passage lezen en die op de ene manier opvatten, terwijl anderen dezelfde passage op een andere manier opvatten? Waarom zijn er bijvoorbeeld calvinisten en arminianen, die duidelijk naar dezelfde Schriften kijken en die verschillend uitleggen? Waarom zijn er aanhangers van de bedelingenleer en gereformeerden die hetzelfde doen? Ze kijken naar de Schrift, maar ze zien die niet op dezelfde manier als elkaar. Waarom zijn er verschillende kampen binnen het lichaam van Christus, waarvan we aannemen dat ze allemaal dezelfde Heilige Geest hebben en waarvan de Bijbel zegt dat ze allemaal door de Geest in heel de waarheid worden geleid? Waarom zijn ze daar nog niet?’

Hij zegt niet dat de Heilige Geest in één ogenblik heel de waarheid in je hoofd zal downloaden. Het is een levenslang wandelen met God, dag en nacht over de Schrift mediteren, je beijveren om jezelf beproefd te betonen, de Schriften gehoorzamen en verwerken wat de Heilige Geest tegen je zegt. Wanneer je het ene leert, leert Hij je weer iets anders. Het gaat:

Jesaja 28:10

Want het is gebod op gebod, gebod op gebod, regel op regel, regel op regel, hier een beetje, daar een beetje.

De Heilige Geest zegt niet zomaar: ‘Oké, nu je christen bent, boem, begrijp je alles.’

Wanneer mensen christen worden, beginnen ze niet allemaal op hetzelfde punt. Iedereen bevindt zich op een ander punt in zijn begrip van dingen en zijn opvattingen over dingen. De Heilige Geest moet hen allemaal leiden. Maar terwijl Hij ons allemaal naar heel de waarheid leidt, die we op een dag allemaal zullen kennen, doorlopen we allemaal de stadia tussen het punt waar we begonnen en de plaats waar we naartoe gaan. En we bevinden ons nog niet allemaal op hetzelfde punt. Maar dat betekent niet dat de Heilige Geest er niet is.

Mijn katholieke vrienden hebben gezegd: ‘Het probleem met jullie protestanten is dat jullie geen centraal gezag hebben dat de Schrift voor jullie uitlegt, zoals wij dat hebben. Wij hebben het bisschoppencollege en de paus en dat alles. En omdat jullie protestanten dat niet hebben, hebben jullie vierduizend kerkgenootschappen, want iedereen doet wat juist is in zijn eigen ogen en heeft geen centraal gezag om te gehoorzamen. Hoe komt het dat de Heilige Geest jullie niet leidt?’

Maar mijn ervaring is eigenlijk dat, wanneer ik mensen tegenkom die de Bijbel lezen en op God en de Heilige Geest vertrouwen, ze vrijwel allemaal dezelfde richting opgaan. Er zijn mensen die niet veel vooruitkomen, omdat mensen vaak gewoon aannemen wat ze het eerst gehoord hebben en daar de rest van hun leven blijven zitten. Ze willen eenvoudigweg niets meer leren. „Dat heb ik onder de knie.” Je besteedt je eerste twee of drie jaar als christen aan het leren napraten van de overtuigingen van jouw kerkgenootschap. Vervolgens besteed je de rest van je leven aan het verdedigen daarvan tegen iedereen die ertegenin gaat, in plaats van verder te leren.

Maar ik ben een groot aantal christenen uit allerlei kerkgenootschappen tegengekomen die niet zijn blijven zitten. Ze willen leren. Ze bestuderen de dingen en denken erover na. En wanneer ik met hen samenkom, merk ik dat we allemaal ongeveer dezelfde richting opgaan. Misschien bevinden we ons niet allemaal op hetzelfde punt, maar we komen allemaal dichter bij dat ene inzicht dat beslist de waarheid moet zijn. Want de Heilige Geest leidt alle christenen daarheen, als ze zich tenminste willen laten leiden, als ze tenminste verder willen gaan dan waar ze begonnen zijn.

We kunnen niet eenvoudigweg zeggen: „Ik ben in orde zoals ik ben. Ik ga niets meer leren.” Maar ook als we leren, zullen we niet onmiddellijk precies hetzelfde geloven als andere mensen die aan het leren zijn. Uiteindelijk zullen we dat echter wel. Het is een levenslang leerproces. En als de Heilige Geest ons leidt, leren we uiteindelijk de dingen te zien zoals ze gezien moeten worden. Dat geldt ook al hebben we misschien een groot aantal vooroordelen en struikelblokken in onze gedachten, waardoor we minder snel vooruitgaan dan anders het geval zou zijn.

Wanneer we niet veel leren, komt dat vaak doordat we zeggen:

Hoe kan ik het begrijpen als ik niemand heb die het me uitlegt?

Zoals deze man:

Hoe kan ik het begrijpen?

Nu was het goed dat deze man dat zei, want hij had de Heilige Geest niet. Hij was geen christen. Hij moest inderdaad onderwezen worden.

God Zelf onderwijst in het nieuwe verbond

Illustratie bij: Jeremia verkondigt Gods nieuwe verbond.

In Jeremia 31, vers 31 tot en met 34, staat de profetie over het nieuwe verbond. God zegt:

Jeremia 31:31-34

31Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten, 32niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden — Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE. 33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn. 34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.

Hij heeft het over degenen die in het verbond zijn, degenen die Jezus kennen. Ze zullen Hem allemaal kennen en zullen niet afhankelijk zijn van een tussenpersoon, van een ander mens, van een priester zoals ze die onder het oude verbond hadden. De priesters en de Levieten moesten de mensen duidelijk maken wat de Bijbel betekende, want eerlijk gezegd hadden de meeste mensen sowieso geen Bijbel om te lezen. Maar de waarheid is dat God Zelf in het nieuwe verbond in ons komt wonen, door Zijn Heilige Geest Die in ons is als leraar. Daardoor zijn we niet afhankelijk van iemand anders — van onze naaste of onze broeder — om ons te vertellen wat deze dingen betekenen. De Heilige Geest leidt ons.

Dus hoewel de vraag van deze man een geldige vraag was, denk ik dat er iets aan de denkwijze van christenen moet veranderen als we merken dat zij deze houding aannemen. Je moet niet zeggen: „Ik kan het niet begrijpen, tenzij iemand mij leert wat het betekent.” Het is goed om nederig te zijn en het is goed om naar leraren te luisteren. Maar zelfs wanneer je een leraar hoort, moet je beoordelen wat hij zegt. Paulus zei:

1 Thessalonicenzen 5:21

Beproef alle dingen, behoud het goede.

of:

Onderzoek alles en houd vast aan wat goed is.

Je kunt dus niet op mensen vertrouwen. Uiteindelijk moet je op God vertrouwen, op de Heilige Geest, om je Gids te zijn. De Heilige Geest kan mensen gebruiken om je te helpen. Maar zorg er uiteindelijk voor dat je niet in een goeroeverhouding tot een mens komt te staan, zodat je op de een of andere manier gewoon alles moet doen en denken wat die persoon zegt.

De kamerheer leest over de lijdende Knecht

Illustratie bij: De kamerheer leest over de lijdende Knecht.

Gelukkig had deze man wel iemand die hem kon helpen de passage te begrijpen die hij aan het lezen was. Daarom vroeg hij Filippus om in de wagen te komen en bij hem te gaan zitten. Er staat:

Jesaja 53:7-8

7Toen betaling geëist werd, werd Híj verdrukt, maar Hij deed Zijn mond niet open. Als een lam werd Hij ter slachting geleid; als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open. 8Hij is uit de angst en uit het gericht weggenomen, en wie zal Zijn leeftijd uitspreken? Want Hij is afgesneden uit het land van de levenden. Om de overtreding van mijn volk is de plaag op Hem geweest.

Dat zijn vers 7 en 8 van Jesaja 53, die daar werden aangehaald. De kamerling antwoordde Filippus en zei:

Handelingen 8:34

En de kamerheer antwoordde Filippus en zei: Ik vraag u, over wie zegt de profeet dit? Over zichzelf of over iemand anders?

Dit is onder de Joden nog altijd een omstreden vraag. Over wie gaat dit? De vraag is niet alleen: welke man is het? Is het Jezus, of is het een toekomstige Messias? Maar veel Joden — en volgens mij is dit tegenwoordig zelfs het officiële standpunt van het orthodoxe jodendom — geloven dat dit niet over de Messias gaat. Het gaat over Israël.

Dit is een van de zogenoemde Knechtsliederen in Jesaja. Er staan er vier in Jesaja die over de Knecht van Jahweh spreken. Jesaja 52:13 tot en met het einde van hoofdstuk 53 is het vierde van de Knechtsliederen. Alle Knechtsliederen gaan over de Knecht van Jahweh.

Nu geloof ik wel dat in Bijbelse tijden veel Joden geloofden dat dit over één messiaanse persoon ging. Maar nadat Jezus was gekomen en zo treffend overeenkwam met de voorzeggingen, hebben vooral de Joden die Jezus verwerpen volledig de opvatting aangenomen dat dit over Israël gaat: dat Israël hier als persoon wordt voorgesteld, dat Israël degene is die lijdt, dat Israël de Knecht van Jahweh is die lijdt. Israël wordt eenvoudigweg als persoon voorgesteld en tot één wezen gemaakt.

Jesaja 53 wijst op Jezus

Illustratie bij: Filippus verkondigt Jezus vanuit Jesaja 53.

Er zijn nog andere problemen met deze uitleg, maar één probleem is dat het, als je de passage in Jesaja 53 leest, niet over Israël kan gaan. Want in vers 6 staat er over de Knecht:

Jesaja 53:6

Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons ieder naar zijn eigen weg. Maar de HEERE heeft de ongerechtigheid van ons allen op Hem doen neerkomen.

Welnu, wie zijn „wij allen”? Jesaja moet daar beslist Israël mee bedoelen. Zij zijn Gods schapen in het Oude Testament. Zij zijn Zijn kudde, en zij zijn degenen die afgedwaald zijn. Maar Hij — iemand anders dan zij — is Degene op Wie de ongerechtigheden werden gelegd. Iemand anders droeg de pijn. Iemand anders nam de schuld op Zich. Iemand anders betaalde de prijs voor hun afdwalen.

Er staat zelfs in de verzen vlak daarvoor:

Jesaja 53:5

Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is er voor ons genezing gekomen.

Het is duidelijk: wie worden met „ons” bedoeld? Wie zijn degenen die de ongerechtigheden hebben begaan waarvoor Hij verwond wordt? Het is duidelijk dat met „wij” Israël zelf bedoeld moet zijn. Als dat zo is, dan is de Knecht niet Israël. Het is iemand anders op wie de ongerechtigheden van Israël zijn gelegd.

Hoewel Joden tegenwoordig dus over het algemeen niet geloven dat Jesaja 53 een messiaanse profetie is, geloof ik dat vóór de komst van Jezus veel rabbijnen dat wel geloofden. Maar helaas wilden zij Jezus niet als de Messias aanvaarden. Daarom zeggen zij: „Nou, dit gaat eigenlijk niet over de Messias, maar over Israël.” Maar die uitleg werkt niet. Het is niet waar.

Maar de man zegt:

Heeft deze profeet het over zichzelf of over iemand anders?

En dat is nog steeds de vraag. Gaat deze profetie over de ene persoon of over een andere? Wie is het? Het gaat beslist niet over Jesaja zelf. Wij weten dat het over Jezus gaat. Maar de vraag die de Jood zou stellen, is: „Gaat dit over Jezus, of over de Messias, of gaat het over iemand anders?”

Er staat dus dat Filippus zijn mond opende en, beginnend bij dit Schriftgedeelte, hem Jezus verkondigde. Hij maakte de man dus heel duidelijk dat dit over Jezus gaat. Hij gebruikte precies de passage die de man aan het lezen was als tekst voor zijn boodschap. Natuurlijk kun je dat met bijna iedere tekst in de Bijbel doen, want Jezus zei:

Hebreeën 10:7

Toen zei Ik: Zie, Ik kom — in de boekrol is over Mij geschreven — om Uw wil te doen, o God.

Denk eraan dat de Bijbel zegt dat Jezus na Zijn opstanding, op de weg naar Emmaüs, de Psalmen, de Profeten en Mozes doorliep en alles uitlegde wat over Hem ging. Je zou bijna ieder gedeelte van de Bijbel kunnen nemen en Jezus daaruit kunnen uitleggen, want daar gaat de Bijbel over, zowel het Oude als het Nieuwe Testament. En dat is wat Filippus hier met succes deed.

De doop en het omstreden vers 37

Illustratie bij: De kamerheer vraagt om gedoopt te worden.

Terwijl zij nu verdergingen over de weg, kwamen zij bij water, en de kamerheer zei:

Handelingen 8:36

En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water. En de kamerheer zei: Kijk, daar is water; wat verhindert mij gedoopt te worden?

Op dit punt verschillen de vertalingen van elkaar. Ik lees uit de New King James, en die volgt dezelfde handschriften als de King James Version. Als je een andere nieuwe vertaling leest, staat vers 37 er zelfs helemaal niet in. Dat komt doordat de nieuwere vertalingen gebaseerd zijn op andere handschriften — eigenlijk oudere — dan de handschriften die voor de King James zijn gebruikt.

De King James gebruikt de Griekse handschriften die de Textus Receptus worden genoemd. Sinds 1611, toen de King James werd vertaald, hebben geleerden oudere handschriften gevonden, en die verschillen op bepaalde punten. Een van de verschillen is dat vers 37 niet in de oudere handschriften voorkomt. Daarom nemen moderne vertalers dit vers gewoonlijk niet op. Misschien staat er een voetnoot bij waarin staat: „Sommige handschriften bevatten dit vers.”

Maar in de meeste moderne vertalingen loopt de tekst rechtstreeks van vers 36 naar vers 38. Dan staat er dus:

En de eunuch zei: Kijk, daar is water. Wat houdt me tegen om gedoopt te worden? Toen liet hij de wagen stoppen en gingen Filippus en de eunuch samen het water in, en hij doopte hem.

Het tussenliggende vers, dat in enkele latere handschriften voorkomt en daarom in de King James en de New King James staat, bevat hierover iets meer dialoog. Misschien heeft een kopiist dit aan de latere handschriften toegevoegd omdat het allemaal te snel leek te gaan. De man zegt eenvoudig:

Daar is water. Kan ik gedoopt worden?

Ze laten de wagen stoppen en hij wordt gedoopt. We krijgen eigenlijk geen enkele geloofsbelijdenis van de man. We horen hem nergens zeggen: „Ik geloof.” Historisch gezien ging de doop in de gemeente gewoonlijk gepaard met een mondelinge verzekering van de dopeling dat hij een gelovige was. In de oudere handschriften staat geen gesprek dat dit zou bevestigen. Maar volgens mij kunnen we ervan uitgaan dat er meer gesprek tussen deze twee heeft plaatsgevonden dan er is opgetekend. Alleen al het feit dat de man gedoopt wilde worden, wijst erop dat hij de boodschap geloofde die hij hoorde. Waarom zou hij gedoopt willen worden als hij niet geloofde?

Dat deel van het gesprek hebben we niet nodig, maar het staat wel in sommige handschriften. Er staat:

Handelingen 8:37

En Filippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zei: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is.

Dat gesprek kan hebben plaatsgevonden. Maar zoals ik al zei, geloven de meeste geleerden dat de oudere handschriften betrouwbaarder zijn, en misschien heeft dat gesprek niet plaatsgevonden. Of het nu wel of niet heeft plaatsgevonden, het is duidelijk dat de man geloofde, en daarom werd hij gedoopt. Waarom zou hij zich anders laten dopen?

Wat ik interessant vind, is dat de man juist die vraag stelde:

Wat houdt me tegen om gedoopt te worden?

Wanneer had Filippus het ooit over gedoopt worden gehad? Hoe wist de man überhaupt van de doop? Er staat eenvoudigweg dat Filippus hem Jezus verkondigde. Toen Filippus Jezus verkondigde, moet die boodschap ook hebben ingehouden dat Hij iedereen gebiedt zich te laten dopen, want dat doet Hij in de Bijbel. We hebben niet de hele preek. We lezen eenvoudigweg dat hij Jezus verkondigde. Als we een overzicht konden krijgen van wat die preek inhield, zou dat kennelijk ook een verwijzing naar de doop bevatten, want de man zei:

Handelingen 8:36

En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water. En de kamerheer zei: Kijk, daar is water; wat verhindert mij gedoopt te worden?

Geloof, doop en toetreding tot de gemeente

Illustratie bij: Geloof wordt zichtbaar in de doop.

Het is ook interessant dat Filippus niet zei: ‘Laten we hier niet te overhaast te werk gaan. Volgens mij moet je je inschrijven voor een paar dooplessen. Die geven we de komende drie maanden elke zondag, en als je die cursus hebt doorlopen en je je nog steeds wilt laten dopen, zetten we je op de lijst.’ Nogmaals, moderne gemeenten leggen niet veel nadruk op de doop. Sommige wel, maar andere heel weinig. Toch ging de vroege gemeente ervan uit dat je gered wordt door het hele pakket:

Handelingen 2:38

En Petrus zei tegen hen: Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.

Zo ongeveer zei Petrus het in Handelingen 2:38.

Zoals ik toen zei, geloof ik niet dat de waterdoop je redt. Ik geloof dat je door geloof wordt gered. Ik geloof dat we door geloof gerechtvaardigd worden. Ik denk niet dat de waterdoop je rechtvaardigt. Maar door geloof gered worden betekent dat de Heilige Geest in je komt wonen en je inlijft in de gemeenschap van hen die door geloof gerechtvaardigd zijn, in de gemeenschap van hen die de Heilige Geest hebben, van hen die het lichaam van Christus zijn. Het ritueel waarmee je het lichaam van Christus binnenging, was altijd de doop. Daarom werd iemand die in de eerste eeuw niet gedoopt was — of eerlijk gezegd in vrijwel iedere eeuw daarna, tot aan de moderne tijd — niet beschouwd als iemand die de kudde was binnengegaan.

Het is mogelijk dat mensen zoals de misdadiger aan het kruis, die niet gedoopt werd, naar het paradijs gingen. Hij werd door geloof gered, net als Abraham. Abraham was evenmin gedoopt, maar Abraham werd door geloof gerechtvaardigd, net als David en anderen. Maar het punt is dat zij het lichaam van Christus niet binnengingen. Zij werden gered en gingen naar de hemel. Maar God brengt ons niet in een leven dat alleen maar draait om een afgestempeld toegangsbewijs voor de hemel. Hij brengt ons in een gemeenschap waarin we gezamenlijk, als Zijn lichaam, gestalte geven aan het leven van Christus. Het binnengaan van die gemeenschap werd altijd door de doop gemarkeerd.

Hier is een man die zojuist voor het eerst het Evangelie heeft gehoord. Ze bevinden zich toevallig in de woestijn, waar niet veel water is. Kennelijk vindt hij een kleine plas of poel en zegt:

Daar is water. Kan ik gedoopt worden?

‘Goed, laten we het doen.’ Er werd aangenomen, zoals wij volgens mij meestal aannemen tijdens een evangelisatiebijeenkomst, dat mensen die naar voren komen en een zondaarsgebed uitspreken, oprecht gered worden. In die tijd hielden ze niet zulke oproepen om naar voren te komen en hadden ze niet zulke zondaarsgebeden, maar ze hadden wel de doop. Zo maakte iemand zijn publieke toewijding bekend: ‘Ik laat me nu dopen.’ Filippus zei: ‘Ik neem maar aan dat je het meent en doop je.’

Zoals ik eerder zei, toen we naar de dag van Pinksteren keken, werden er op één dag drieduizend mensen gered. Ze werden die dag allemaal gedoopt. Dat zou lastig zijn voor een paar voorgangers: twaalf mannen die op één dag drieduizend mensen dopen. Maar kennelijk was het de norm dat iemand op dezelfde dag gedoopt werd. Dus hier hoort de man het Evangelie en wil hij gedoopt worden. Filippus stapt uit de wagen en doopt hem.

We lezen hier niets over de Heilige Geest Die op hem komt, maar er is geen reden om te geloven dat dit niet gebeurde. Hoewel we ons dat misschien wel afvragen, omdat dat element in de bediening van Filippus in Samaria leek te ontbreken, totdat Petrus en Johannes daarheen kwamen en hun de handen oplegden. Maar volgens mij was dat een uniek geval, of op zijn minst een heel bijzonder geval. Naar alle waarschijnlijkheid ontving deze man het hele pakket: hij was volledig bekeerd, wedergeboren, had de Heilige Geest en vervolgde zijn weg met blijdschap. Er staat:

De Geest rukt Filippus weg

Illustratie bij: De Geest rukt Filippus weg.
Handelingen 8:39-40

39En toen zij uit het water opgekomen waren, nam de Geest van de Heere Filippus weg; en de kamerheer zag hem niet meer, want hij vervolgde zijn weg met blijdschap. 40Maar Filippus werd aangetroffen in Asdod; en terwijl hij het land doorging, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij in Caesarea kwam.

Nadat de man gedoopt was — en we weten niet of het op datzelfde moment gebeurde of kort daarna; er zijn toevallig geen andere gebeurtenissen tussendoor opgetekend — werd Filippus weggerukt toen deze ontmoeting en dit gesprek voorbij waren. De Heilige Geest rukte hem weg. Het is nog net mogelijk dat dit betekent dat de Heilige Geest zei:

‘Ga nu weg,’

en dat hij heel snel vertrok. Figuurlijk gesproken werd hij weggerukt doordat de Heilige Geest hem opdroeg weg te gaan. Maar het woord dat daar met ‘wegrukken’ is weergegeven, is in het Grieks harpazo. Dat is hetzelfde woord dat je aantreft in 1 Thessalonicenzen, hoofdstuk 4, vers 17. In vers 16 van 1 Thessalonicenzen 4 staat:

1 Thessalonicenzen 4:16

Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn , zullen eerst opstaan.

Vervolgens staat er:

1 Thessalonicenzen 4:17

Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn.

— harpazo, hetzelfde woord —

Dat gaat duidelijk over de opname van de gemeente. De opname van de gemeente lijkt een vrij plotseling wegrukken te zijn. In een andere passage over hetzelfde onderwerp, in 1 Korinthe, hoofdstuk 15, zegt Paulus:

1 Korinthe 15:52

in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin. Immers, de bazuin zal klinken en de doden zullen als onvergankelijke mensen opgewekt worden, en ook wij zullen veranderd worden.

Het is dus een tamelijk abrupt wegvoeren.

Dat is hetzelfde Griekse woord dat hier wordt gebruikt: de Geest rukte hem weg. Om die reden hebben de meeste lezers volgens mij terecht aangenomen dat hier niet alleen wordt gezegd dat de Heilige Geest zei:

‘Ga snel weg,’

maar dat de Heilige Geest hem werkelijk wegrukte. Interessant genoeg staat er vervolgens dat hij in Azotus werd aangetroffen. Door wie? Wie trof hem daar aan? Waren er mensen naar hem op zoek? Er staat niet dat hij zichzelf in Azotus aantrof, al kan dat wel waar zijn geweest, maar dat hij daar werd aangetroffen. De volgende keer dat iemand iets van hem hoorde, bevond hij zich daar.

Hij kan op bovennatuurlijke wijze zijn overgebracht. ‘Overgebracht’ is het woord dat daarvoor gewoonlijk zou worden gebruikt. Velen denken dus, misschien terecht, dat Filippus op bovennatuurlijke wijze en ogenblikkelijk werd overgebracht, een beetje zoals:

‘Straal me omhoog, Scotty.’

Hij materialiseert opnieuw, hij verschijnt weer in Azotus.

De kamerheer en het evangelie in Ethiopië

Illustratie bij: De kamerheer reist verheugd naar Ethiopië.

Het laatste wat we over de kamerling horen, is dat hij verheugd naar huis ging. Het christendom is trouwens al heel lang gevestigd in dat gebied van Afrika, Noord-Afrika. In Ethiopië is er vrijwel altijd een kerk geweest. Vanaf de vroegste dagen van het christendom zijn er Ethiopische christenen geweest.

De Ethiopische christenen zelf hebben bepaalde legenden waarin Salomo en de koningin van Sjeba de stamouders waren van een Ethiopische dynastie. Tot niet zo lang geleden behoorde Haile Selassie tot die lijn. Hij was de heerser in Ethiopië die door de rastafaricultus als de Messias wordt beschouwd. Maar dat is duidelijk geen christendom. Het meer orthodoxe christendom in Ethiopië is volgens mij een vorm van koptisch christendom, of oosters-orthodox, het een of het ander. Ik weet niet meer precies welke vorm van christendom ze daar hebben. Maar het is voor het grootste deel al heel lang officieel een christelijk land, en er zijn geen apostelen bekend die daarheen zijn gegaan.

Het lijkt heel waarschijnlijk dat deze kamerling de mensen daar evangeliseerde toen hij erheen terugging. Hij bekleedde een hoge regeringsfunctie en genoot daardoor geloofwaardigheid. Hij zou die functie niet bekleden als hij niet als een integer man werd beschouwd. Een koningin stelt geen man aan over alle financiën van haar hele land, tenzij zij ervan overtuigd is dat hij grondig is doorgelicht en betrouwbaar is. Een man die in zijn land zoveel aanzien en vertrouwen geniet, is heel geloofwaardig.

Filippus wordt vervolgens in Azotus aangetroffen. Azotus is een modernere naam voor de stad Asdod, een van de andere Filistijnse steden. Daarna trok hij verder naar Caesarea en predikte hij in elke stad. We zullen zien dat Lydda en Joppe, dat nu Jaffa heet, tot de steden behoorden waar hij predikte. Dat zijn steden die Petrus zal bezoeken. Blijkbaar dient hij daar in gemeenten waar Filippus heeft geëvangeliseerd. Uiteindelijk zal hij verder naar Caesarea gaan, waar Filippus zich ook vestigde.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Acts 8:26 - 8:40. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.