1 Thessalonicenzen 4
Ontucht verontreinigt het lichaam
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/1-thessalonicenzen/4.pdf?v=b70ff936ec12. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/1-thessalonicenzen/4.
Samenvatting
Heiliging, broederliefde en de opstanding bij de wederkomst van Christus.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt Paulus’ oproep om ontucht te vermijden vanuit Gods bedoeling dat christenen heilig leven en hun lichaam als Zijn eigendom behandelen. Hij gaat daarbij in op seksuele reinheid, masturbatie en de voorbeeldfunctie van voorgangers in hun omgang met vrouwen. Vervolgens legt hij uit hoe broederliefde vraagt om rustig te werken, roddel te vermijden en anderen niet onnodig met je onderhoud te belasten. Bij de bespreking van gestorven gelovigen benadrukt hij de troost van de opstanding en betoogt hij dat de opname geen geheime gebeurtenis vóór een grote verdrukking is, maar plaatsvindt bij Christus’ wederkomst op de laatste dag, wanneer gelovigen Hem tegemoetgaan om Hem naar de aarde te vergezellen.
De drie onderwerpen van hoofdstuk 4 #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we 1 Thessalonicenzen 4.
Sla 1 Thessalonicenzen hoofdstuk 4 op. We zijn in één bijeenkomst vrij snel door de eerste drie hoofdstukken heen gegaan, omdat die vooral nieuws bevatten en niet zozeer leerstellige inhoud. Er staan enkele heel mooie verzen in en enkele heel mooie gedachten die Paulus verwoordt. Maar toch zouden we moeten zeggen dat de algemene gedachtegang vooral wat nieuws bevat. Hij vertelt hun hoe blij hij is te horen dat het hun goed gaat in hun wandel als christen. Hij vertelt hun wat hij intussen heeft gedaan. Hij herinnert hen eraan hoe het was toen hij bij hen was en hoe hij hen diende. En hij spreekt zijn gebed uit dat hij weer bij hen mag komen. Ik vond dat we op die dingen niet heel uitvoerig hoefden in te gaan.
Nu komen we bij de eigenlijke kern van zijn boodschap aan deze mensen. Blijkbaar waren er, toen Timotheus aan Paulus verslag uitbracht dat het goed ging met de gemeente, toch een paar punten waarop ze nog wat verdere aansporing of onderricht nodig hadden. De drie punten die Paulus in deze brief behandelt, komen in feite allemaal in dit hoofdstuk aan de orde. Het eerste is het probleem van ontucht. Het tweede had ermee te maken dat mensen met hun eigen handen moesten werken in plaats van lui te zijn. Het derde heeft te maken met onwetendheid over enkele zaken rond de wederkomst van Christus.
Dit onderwerp, de wederkomst van Christus, komt als laatste aan bod in hoofdstuk 4. Het loopt van vers 13 tot het einde van het hoofdstuk en gaat verder in het grootste deel van hoofdstuk 5. Nadat hij klaar is met spreken over de wederkomst van Christus, sluit hij voornamelijk af met enkele algemene aansporingen voor het christelijke leven. De meeste zijn kort en houden geen verband met wat ervoor of erna staat, bijna zoals in Spreuken. Zo is het boek opgebouwd. De volgende twee hoofdstukken bevatten dat soort informatie. Mijn bedoeling is om hoofdstuk 4 in zijn geheel te behandelen.
Ontucht en de Griekse godsdienst #
De eerste acht verzen gaan over de kwestie van ontucht, het eerste probleem dat hij in de gemeente wilde bespreken. Hij is niet streng tegen de gemeente. Je weet dat hij, toen hij aan de gemeente in Korinthe schreef, erg ontzet was over de ontucht in de gemeente. Dat kwam doordat er daadwerkelijk iemand in de gemeente was die met de vrouw van zijn vader samenleefde. Paulus was verbijsterd en hij zei inderdaad:
Maar hen die buiten zijn, oordeelt God. En doe de kwaaddoener uit uw midden weg.
Hij treedt er hier niet zo krachtig tegen op als daar. Misschien komt dat doordat niemand daadwerkelijk ontucht pleegde, maar ze erover filosofeerden of een christen dat mocht of zou moeten doen. Het maakte immers een heel wezenlijk deel uit van hun vroegere godsdienstige achtergrond, de aanbidding van de Griekse goden. Dit was een Griekse stad, dus alle bekeerlingen daar hadden een Griekse achtergrond. Bij de aanbidding van de Griekse goden in de tempels van die godheden hoorde ontucht. Er waren tempelprostituees en tempelpriesteressen die bij de aanbidding seksueel werden gebruikt.
Wij zouden alleen al bij die gedachte ontzet zijn, omdat we zo door de joods-christelijke traditie zijn gevormd. Natuurlijk behoren we ontzet te zijn, want dat is een gruwel in Gods ogen. Maar besef dat de vorming die zij hadden meegekregen volledig verstoken was van de joods-christelijke moraal. Daarom vonden ze het vreemd om een godsdienstig stelsel aan te nemen dat alle seks buiten het huwelijk ongeoorloofd en verkeerd maakte. Er moeten er op zijn minst enkelen zijn geweest die zich afvroegen of het werkelijk nodig was om ontucht te vermijden.
Hoewel Paulus niet uitdrukkelijk zegt dat iemand van hen ontucht pleegt, maakt hij heel duidelijk dat ze aangespoord moeten worden om ontucht te vermijden en er ver vandaan te blijven. En hij geeft de zwaarwegende redenen waarom christenen dat moeten doen. We zullen die verzen lezen en er commentaar op geven.
1Verder, broeders, vragen wij u en roepen wij u er in de Heere Jezus toe op, dat u, zoals u van ons ontvangen hebt hoe u moet wandelen en God behagen, daarin nog meer overvloedig wordt. 2Want u weet welke bevelen wij u gegeven hebben op gezag van de Heere Jezus. 3Want dit is de wil van God: uw heiliging, dat u uzelf onthoudt van de ontucht, 4en dat ieder van u zijn lichaam weet te bezitten in heiliging en eerbaarheid, 5en niet in hartstochtelijke begeerte, zoals de heidenen, die God niet kennen. 6Laat niemand over zijn broeder heen lopen en hem bedriegen door zijn handelwijze, want de Heere is een Wreker van dit alles, zoals wij u ook van tevoren gezegd en bezworen hebben. 7Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot leven in heiliging. 8Daarom, wie dit verwerpt, verwerpt niet een mens, maar God, Die ook Zijn Heilige Geest in ons heeft gegeven.
Heiliging als Gods wil voor de christen #
Hoewel ontucht hier specifiek wordt genoemd als een zonde die vermeden moet worden, kun je zien dat Paulus niet alleen een negatieve benadering kiest door te zeggen: ‘Pleeg geen ontucht.’ Hij benadert het vanuit een positieve invalshoek. Hij zegt dat het Gods wil is dat we geheiligd worden. Dat betekent heilig; het betekent heilig gemaakt. Hij wil dat we heilige mensen zijn. In plaats van te beginnen met de uitspraak dat het niet Gods wil is dat je ontucht pleegt, wil hij je een beeld voorhouden van wat wél Gods wil voor je is. Hij wil hun een positief beeld geven in plaats van hun alleen maar wetten te geven die in steen gegrift staan:
Je mag niet, je mag niet.
De kern van het christendom is niet eenvoudigweg een heleboel dingen die je wel en niet mag doen, of een heleboel regels en beperkingen. De kern van het christendom is:
Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.
En om Hem, vanwege je liefde voor Hem, na te volgen in Zijn eigenschappen, waarvan heiligheid de voornaamste is. We willen heilig zijn voor God. Er is een innerlijke drijfveer in ons. Er is een nieuwe natuur, Gods goddelijke natuur. We hebben daar deel aan gekregen, en daarom is het de natuur van een heilige God.
Sterker nog, wanneer hij in vers 8 zegt:
‘Wie dit afwijst, wijst geen mens af, maar God, Die ons Zijn Heilige Geest geeft’, dan geloof ik dat Paulus in gedachten de nadruk legt op de woorden ‘Heilige Geest’. God heeft ons Zijn Geest gegeven, en deze Geest is een heilig wezen. Aangezien Zijn Geest de vrucht van Zijn eigen karakter in ons moet voortbrengen, past heiligheid ons vanzelfsprekend, want de Geest Die wij ontvangen hebben, is heilig.
Wie dit afwijst betekent eenvoudigweg: degene die deze instructies die ik zojuist heb gegeven naast zich neerlegt. Hij zegt dat die niet van een mens afkomstig zijn. Misschien vind je het vreemd dat iemand je komt vertellen dat je geen seks mag hebben buiten je huwelijksband, maar dit is geen menselijke leer. ‘Ik heb het niet zelf bedacht’, zegt hij. Het stemt overeen met de kijk op heiligheid die wij moeten hebben, omdat Gods Heilige Geest nu in ons woont. Het feit dat Zijn Heilige Geest in ons woont, betekent dat wij Zijn tempel zijn, en tempels moeten heilig gehouden worden.
Dat punt brengt hij hier niet ter sprake, maar wel in 1 Korinthe 6, ook een passage tegen ontucht. In 1 Korinthe 6 benadrukt hij als argument tegen ontucht het feit dat onze lichamen tempels van de Heilige Geest zijn. Zoals de Geest Die in ons woont heilig is, zo moet ook Zijn tempel heilig zijn. Daarom mogen wij geen ontucht bedrijven, want dat verontreinigt die tempel.
Ontucht verontreinigt het lichaam #
In diezelfde passage in 1 Korinthe 6 zegt Paulus:
Alle andere zonden zijn buiten het lichaam, maar wie ontucht pleegt, zondigt tegen zijn eigen lichaam.
Zonder uitvoerig op 1 Korinthe 6 in te gaan, wil ik je zeggen dat ik niet denk dat hij daar zegt dat ontucht de enige zonde is die het lichaam schaadt. Wanneer hij zegt:
Vlucht weg van de hoererij. Elke zonde die een mens doet, is buiten het lichaam, maar wie hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.
dan denk ik niet dat hij bedoelt dat ontucht, anders dan andere zonden, het lichaam lichamelijke schade toebrengt.
Je kunt er natuurlijk op wijzen dat de gevolgen van ontucht schadelijk kunnen zijn voor het lichaam. Je kunt ziekten oplopen, en ongeoorloofde seks kan ook andere problemen voor het lichaam veroorzaken. Maar dat geldt ook voor sommige andere zonden. Te veel eten kan heel schadelijk zijn voor het lichaam. Alcohol gebruiken kan schadelijk zijn voor het lichaam. Er zijn andere zonden die het lichaam schaden.
Wat bedoelt Paulus dus wanneer hij ons in 1 Korinthe 6 vertelt:
Alle andere zonden zijn buiten het lichaam, maar alleen ontucht is een zonde tegen je eigen lichaam?
Het heeft niets te maken met de schade die aan het fysieke lichaam wordt toegebracht, maar met het feit dat het het lichaam geestelijk verontreinigt. Andere zonden verontreinigen je karakter, maar ontucht brengt je lichaam, in een heel mystieke zin, in een toestand van verontreiniging. Hij wijst er in hetzelfde hoofdstuk, 1 Korinthe 6, op dat je, wanneer je seks hebt met iemand, één vlees met die persoon wordt. Er vindt een vermenging plaats van jouw identiteit met die van de persoon met wie je geslachtsgemeenschap hebt.
Dus zegt hij: als ik met een hoer naar bed ga, heb ik het lichaam van Christus met haar verbonden. Ik heb Jezus als het ware daadwerkelijk ontucht laten bedrijven, omdat ik een lid ben van Zijn lichaam en één vlees word met deze hoer. Dus maak ik Jezus één vlees met haar. Dat is zo'n rampzalige geestelijke situatie. Door seks ontstaat een mystieke eenheid. Bij ongeoorloofde seks veroorzaakt die een bepaalde verontreiniging van het lichaam die anders is en dieper gaat dan de verontreiniging van het fysieke lichaam die door andere zonden ontstaat.
Dat betekent niet dat het de ergste zonde is, want andere zonden veroorzaken andere vormen van verontreiniging die je beslist moet vermijden. Maar Paulus zegt vervolgens wel in 2 Korinthe 7:1:
Omdat wij dan deze beloften hebben, geliefden, laten wij onszelf reinigen van alle bezoedeling van vlees en geest, en de heiliging volbrengen in het vrezen van God.
Sommige zonden verontreinigen het vlees; sommige verontreinigen de geest. Vooral seksuele zonden verontreinigen je lichaam, omdat je lichaam de tempel van Jezus Christus is.
Wanneer je het in een ongeoorloofde seksuele relatie verbindt met een zondige vrouw, ben je op datzelfde moment natuurlijk zelf ook een zondig mens. Maar je verbindt de tempel van God en het lichaam van Christus met een hoer, en dat brengt een geestelijke vermenging teweeg.
Vorm geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met wetteloosheid, en welke gemeenschap is er tussen licht en duisternis?
want deze vermenging is volkomen in strijd met de geestelijke aard van onze roeping. Wij zijn heilige tempels, en onze lichamen moeten heilig gehouden worden, vrij van ontucht.
Het lichaam behandelen als Gods heilig vat #
Dat is zijn betoog in 1 Korinthe 6 over hetzelfde onderwerp als waar hij hier op ingaat. In deze passage spreekt hij niet rechtstreeks over onze lichamen als tempels, maar in vers 4 noemt hij ze wel vaten. De Engelse Bijbelvertaling die ik gebruik, heeft hier ‘vat’, waar de HSV ‘lichaam’ vertaalt. Daar zegt hij dat we moeten weten hoe we onze vaten moeten bezitten:
‘In heiliging’ — opnieuw: heiligheid — ‘en eerbaarheid’.
Let op, heiligheid is hier werkelijk waar het om gaat. Het is niet alleen dat ontucht iets slechts is; het is dat ontucht niet verenigbaar is met heiligheid. Heiligheid is waar het werkelijk om draait. Wat Paulus wil benadrukken, is dat Gods wil jouw heiliging is, geen ontucht. Hij brengt het in vers 7 opnieuw ter sprake:
Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot leven in heiliging.
Die onreinheid wordt gelijkgesteld aan de verontreiniging door ontucht.
Daarom heeft Hij ons Zijn Heilige Geest gegeven. Hij heeft ons tot heiligheid geroepen. Zijn wil is onze heiliging, en we moeten leren onze vaten, onze lichamen, in heiliging en eer te bezitten. Dat wil zeggen, we moeten onze lichamen eervol behandelen, als heilige dingen, net alsof het vaten in de tempel van God waren. Ook hier is de gedachte dat onze lichamen aan God gewijd zijn en behandeld moeten worden als iets bijzonders, iets heiligs. Dit is zijn voornaamste argument tegen ontucht.
Ik wil er hier op wijzen dat we onszelf en onze kinderen vaak allemaal verkeerde redenen geven om ontucht te vermijden. Een doorsnee ouder die zijn tienerdochter probeert te vertellen dat ze seksueel wangedrag moet vermijden, gebruikt redenen als: ‘Je zou aids of een geslachtsziekte kunnen oplopen. Je zou zwanger kunnen worden. Je zou een emotionele band kunnen opbouwen die je hart zal breken wanneer die uiteenvalt, wanneer die jongen je zomaar laat zitten. Je zult je hart helemaal hebben blootgelegd, en dan zul je ernstig depressief worden. Het zou je reputatie voor het leven kunnen ruïneren. Het zou de reputatie van je ouders kunnen ruïneren.’
Dit zijn het soort argumenten dat gewoonlijk wordt aangevoerd om mensen aan te sporen tot een seksueel reine levenswijze. Er wordt gedreigd met de nare dingen die jou of je gezin zouden kunnen overkomen als je het verkeerde doet. Dit is een volkomen verkeerde motivatie. Zeggen: ‘Ik zal dit niet doen, omdat ik er misschien schade door oploop’, is niet de motivatie die de Bijbel ons geeft. Zelfs wanneer Paulus zegt:
Vlucht weg van de hoererij. Elke zonde die een mens doet, is buiten het lichaam, maar wie hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam.
heeft hij het niet over de lichamelijke schade die je oploopt. Hij heeft het over het feit dat je lichaam de tempel van de Heilige Geest is en dat je Zijn tempel verontreinigt. De schade die God wordt aangedaan, is waar Paulus zich om bekommert.
Je lichaam is bestemd om in heiliging en eer bewaard te worden, als een vat voor God. Wanneer je ontucht bedrijft, verontreinig je wat God toebehoort. Je kunt net zo goed de heilige vaten uit de tempel nemen, zoals Belsazar deed, en daaruit drinken en ermee toosten op de goden van zilver en goud, want dat is in wezen dezelfde daad. Je lichaam is Gods vat, Gods heiligdom, uitsluitend afgezonderd voor goddelijk gebruik. Als je het tot een voorwerp van lage, verontreinigde bezigheden maakt, is dat een daad van godslastering. Het is een daad van opstandigheid, zoals die waarvoor God Belsazar snel met een oordeel trof.
Het huwelijk en Gods oordeel over ontucht #
Overigens wil ik erop wijzen dat in Hebreeën hoofdstuk 13 wordt benadrukt dat God mensen die ontucht bedrijven zal oordelen. Hij zegt in Hebreeën 13:4:
Laat het huwelijk bij allen in ere zijn en het huwelijksbed onbevlekt, want ontuchtplegers en overspelers zal God oordelen.
Ik wil wijzen op de overeenkomst tussen dit vers en de verzen die we in 1 Thessalonicenzen lezen. Het huwelijk is wat? Eerbaar. En het bed binnen het huwelijk, het huwelijksbed, is onbevlekt. De Engelse vertaling die ik hier volg, formuleert dit als een vaststelling; de HSV formuleert het als een aansporing om het huwelijksbed onbevlekt te houden. Eerbaar en onbevlekt. Paulus zegt in 1 Thessalonicenzen dat je je vat in eer en heiliging, heiligheid, moet bezitten. Je moet niet verontreinigen wat heilig is voor God, en je moet eervol behandeld worden. Hij zegt dat het huwelijk een eerbaar gebruik van je lichaam is. Seks binnen het huwelijk is eerbaar en verontreinigt niet. Maar God zal degenen oordelen die seks buiten het huwelijk hebben.
Paulus zegt hetzelfde in 1 Thessalonicenzen 4, in vers 6, waar staat:
Laat niemand over zijn broeder heen lopen en hem bedriegen door zijn handelwijze, want de Heere is een Wreker van dit alles, zoals wij u ook van tevoren gezegd en bezworen hebben.
Dat wil zeggen: God zal mensen die ontucht bedrijven oordelen.
Seksuele reinheid omdat je God toebehoort #
Dit is dus de hoofdgedachte. Ik ga het nu vers voor vers behandelen, maar ik wil je een totaalbeeld van de passage geven. Hij pleit natuurlijk tegen ontucht, maar hij begint daarbij met iets positiefs. Hij zegt niet:
‘Je mag geen ontucht plegen’, maar hij zegt: ‘Dit is Gods doel voor jou.’ God heeft je geroepen om heilig te zijn. Zijn wil is dat je geheiligd wordt. Je lichaam is iets heiligs. Je moet het als iets heiligs behandelen.
Als je eraan denkt ontucht te vermijden om andere redenen dan deze, zul je altijd humanistische motieven hebben. ‘Wat zou ik hierdoor kunnen lijden?’ Als ik dan oordeel dat het lijden groot genoeg is, zal ik het vermijden. Maar misschien vind ik dat de mogelijke gevolgen niet ernstig genoeg zijn om ervan af te zien. Of ik ben bereid het risico te nemen, omdat ik denk dat alleen ik iets te verliezen heb. Dan zou ik kunnen zeggen: ‘Nou, ik ben bereid het risico te nemen voor het plezier van deze affaire. Ik ben bereid het risico te nemen van schande, een geslachtsziekte of wat me verder ook zou kunnen overkomen. Ik weet immers dat die dingen me ook niet zouden kunnen overkomen. Ik ben gewoon iemand die graag risico’s neemt. Ik ga ervoor en haal eruit wat erin zit. Als ik dan de gevolgen moet dragen, is dat alleen mijn eigen schuld. Ik ben degene die ervoor moet betalen. Het is een misdrijf zonder slachtoffers. Als er al een slachtoffer is, zal ik het zijn. Daarom heb ik het recht om te beslissen of ik die daad wel of niet ga doen, aangezien ik moet beslissen of ik bereid ben de gevolgen te dragen. Het is alsof je zegt dat ik op de snelweg harder mag rijden dan de maximumsnelheid als ik dat wil, zolang ik maar bereid ben de boete te betalen als ik gepakt word.’
Maar als je zo denkt, denk je nog steeds uitsluitend vanuit jezelf als middelpunt. Zolang het bij jouw beslissing jouw voorspoed of rampspoed is die op het spel staat, en dat je enige overweging is, vind je dat je de vrijheid hebt om die beslissing te nemen op grond van de vraag of je bereid bent de gevolgen te dragen.
Maar we zouden er op een heel andere manier naar moeten kijken. Niet vanuit de vraag of ik het risico kan nemen en bepaalde dingen zou kunnen ondergaan, maar vanuit het feit dat, wat me ook wel of niet overkomt, er altijd één ding zal gebeuren als ik ontucht pleeg: God wordt beroofd van wat Hem rechtmatig toebehoort voor heilige doeleinden. Hij heeft mij gekocht. Paulus sluit zijn bespreking van dit onderwerp in 1 Korinthe 6 af met de woorden:
Weet u niet dat u niet van uzelf bent? U bent voor een prijs gekocht. Verheerlijk daarom God in uw lichaam, dat van Hem is, en in uw geest.
Het is duidelijk dat Paulus ervoor pleit ontucht te vermijden. Waarom? Omdat je ziek zou kunnen worden, omdat je verwijten zou kunnen krijgen, omdat je zwanger zou kunnen worden? Nee, geen van die dingen. Die zijn op zichzelf rampzalig, maar de echte ramp bij ontucht is dat Gods tempel, die Hem rechtmatig toebehoort, die Hij voor de hoge prijs van Zijn bloed heeft gekocht, door jou is genomen en verontreinigd in een opzettelijke daad van opstand tegen God.
Dat is wat christenen en onze kinderen moeten leren wanneer hun wordt geleerd ontucht te vermijden. Besef dat het niet zomaar een misdrijf zonder slachtoffers is, waarbij jij misschien de enige bent die iets te verliezen heeft en waarbij je misschien vindt dat je het recht hebt om de keuze te maken. Het is nu eenmaal geen misdrijf zonder slachtoffers. God is het slachtoffer. En je doet God onrecht aan, je berooft God, als je je lichaam neemt en het voor jezelf gebruikt, voor je eigen plezier, terwijl het nu gekocht en gewijd is om voor Hem gebruikt te worden.
Christenen moeten, en onze kinderen moeten, zicht krijgen op de heiligheid van hun lichaam. Ze moeten leren dat ze hun lichaam als een heilig vat moeten bezitten en het eervol en op een geheiligde manier moeten behandelen.
Masturbatie en eerbied voor het lichaam #
Overigens wordt vaak gezegd dat er geen Schriftplaats in de Bijbel is die zich tegen masturbatie uitspreekt. Het is waar dat het onderwerp masturbatie in de Schriften niet bij name wordt behandeld. Er is geen plaats waar masturbatie wordt genoemd of in een groep zonden wordt opgesomd, tenzij onreinheid, die in sommige opsommingen in de Schrift voorkomt, als masturbatie zou kunnen worden opgevat.
De reden dat ik dat opper, is dat onder de oudtestamentische wet iemand die zelfs maar een natte droom had, of bij wie er op een andere manier dan door geslachtsgemeenschap zaad uit zijn lichaam vloeide, ceremonieel onrein was totdat hij zijn kleren had gewassen en een dag had gewacht, enzovoort. Hij was ceremonieel onrein als hij een zaadlozing had anders dan bij geslachtsgemeenschap met zijn vrouw. Masturbatie, die natuurlijk ook tot een soortgelijk verschijnsel leidt, zou dus als onreinheid kunnen worden aangemerkt.
We weten dat bij de werken van het vlees die Paulus opsomt, en in andere opsommingen van zonden, soms onreinheid wordt genoemd. Hij heeft het beslist niet over lichamelijk vuil op je lichaam. Hij heeft het over morele onreinheid. Het kan zijn dat masturbatie onder die algemene aanduiding valt.
Maar of masturbatie nu wel of niet als een specifieke zonde wordt genoemd, we hebben dit algemene beginsel:
en dat ieder van u zijn lichaam weet te bezitten in heiliging en eerbaarheid,
Beslis zelf: is masturberen een eervol gebruik van je lichaam? Ik denk dat niemand daar ja op zou zeggen. Ik denk dat iedereen die masturbeert zich ervoor zou schamen om dat in het openbaar te zeggen. Het is niet iets eervols. Zelfs als het te rechtvaardigen zou zijn, zelfs als we alle mogelijke redenen zouden kunnen vinden om te zeggen dat het best mag, zou niemand van ons beweren dat het eervol is. Want iedereen die het doet, schaamt zich ervoor. Dat zou ons er iets over moeten zeggen.
Hoewel ik niet denk dat de Bijbel met zoveel woorden zegt, of dat christenen per se met zoveel woorden zouden moeten zeggen: ‘Je mag niet masturberen’, ook al zou dat een goede aanwijzing kunnen zijn, kunnen we wel dit zeggen. Laten we, in plaats van een lijst te maken van dingen die je niet mag doen, gewoon zeggen wat je wél hoort te doen. Je hoort je lichaam te behandelen als iets eerbaars en heiligs. Beslis nu zelf welke concrete handelingen wel en welke niet bij die roeping passen.
Ik betwijfel of ik ooit van iemand heb gehoord die masturbatie beschouwde als een geheiligd, eerbaar gebruik van zijn lichaam. Als iemand dat wel doet, dan weet ik niet wat ik daarover tegen hem moet zeggen. Ik zou hem er dan, denk ik, niet al te hard op kunnen aanspreken. Maar ik denk niet dat iemand echt zo over dit onderwerp denkt. Toch hebben christenen, net als niet-christenen, op dat gebied natuurlijk heel ernstige problemen. Het komt heel veel voor.
[Een deels onverstaanbare bijdrage brengt masturbatie in verband met de uitdrukking ‘zij die zichzelf met mannen misbruiken’.]
Seks als verbinding binnen het huwelijk #
Ja, die verwijzing daar in Romeinen zou op homoseksualiteit kunnen slaan, maar mogelijk ook op masturbatie. Hoe dan ook, we weten dat het niet het door God bedoelde gebruik van de geslachtsorganen is. God heeft seks bedoeld om twee mensen in het huwelijk tot één te laten samensmelten, en ook voor de voortplanting. Het is iets relationeels. Seks heeft met een relatie te maken, zoals we heel duidelijk zien in de vroegste uitspraak daarover in de Bijbel, in Genesis 2:24. Daar staat:
Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten; en zij zullen tot één vlees zijn.
En Paulus geeft in 1 Korinthe 6 aan dat dit bij de geslachtsdaad gebeurt:
Zij worden één vlees.
Seks is dus duidelijk een handeling die levens met elkaar verbindt. Dat wil zeggen: het laat twee levens tot één samensmelten. En juist daarom is ontucht een volstrekt ongepast gebruik van de geslachtsorganen. Ontucht vindt per definitie buiten het huwelijk plaats. Als het binnen het huwelijk plaatsvond, zou het geen ontucht worden genoemd. Maar seks buiten het huwelijk is ontucht. Het is dus seks zonder dat de twee betrokkenen zich voor het leven aan elkaar verbinden, want het huwelijk is die verbintenis. Ontucht is daarom het verrichten van een handeling die levens laat samensmelten en met elkaar verbindt, zonder enige bedoeling om die levens met elkaar te verbinden. Er is geen bedoeling om zich aan elkaar te verbinden, om voor het leven één vlees te worden, en toch doen ze het. En dat betekent natuurlijk, zoals iedereen weet, dat je neemt wat plezierig is en probeert dat zoveel mogelijk los te maken van elke verantwoordelijkheid die bedoeld was om met dat plezierige gepaard te gaan. En dat is volkomen zelfzuchtig en duidelijk in strijd met het juiste gebruik van seks.
Paulus als voorbeeld van seksuele reinheid #
Hij begint deze bespreking dus zo:
Verder, broeders, vragen wij u en roepen wij u er in de Heere Jezus toe op, dat u, zoals u van ons ontvangen hebt hoe u moet wandelen en God behagen, daarin nog meer overvloedig wordt.
Dit is niet de eerste keer dat hij zichzelf en zijn metgezellen noemt als voorbeelden om na te volgen. Hij zegt aan het eind van vers 5 van het eerste hoofdstuk:
Want ons Evangelie is niet alleen met woorden tot u gekomen, maar ook met kracht en met de Heilige Geest en met volle zekerheid. U weet immers hoe wij in uw midden geweest zijn ter wille van u.
Hij herinnert hen eraan hoe zij waren. Ook in hoofdstuk 2, de verzen 1 tot en met 11, neemt hij de tijd om hen te herinneren aan zijn eigen karakter en zijn eigen gedrag onder hen. Hier doet hij het opnieuw, en ditmaal in verband met ontucht. Het is heel duidelijk dat hij zegt: ‘Als je wilt zien wat een voorbeeld van seksuele reinheid is, kijk dan naar mij en mijn metgezellen.’ Het is mooi dat hij dat kan zeggen. Iedere voorganger zou dat natuurlijk moeten kunnen zeggen: ‘Als je wilt zien of ontucht wel of niet gepast is, volg dan mijn voorbeeld.’ En een voorganger hoort een voorbeeld te zijn van een heilige omgang met het andere geslacht.
Laat me je laten zien wat Paulus tegen Titus zei in Titus hoofdstuk 2. Hij schrijft aan een waarschijnlijk vrij jonge voorganger, die, in elk geval tijdelijk, de verantwoordelijkheid had gekregen voor het toezicht op de gemeente op Kreta. In Titus hoofdstuk 2, vanaf vers 1, zegt hij:
1Maar u, spreek wat bij de gezonde leer past. 2De oudere mannen moeten beheerst zijn, eerbaar, bezonnen, gezond in het geloof, in de liefde, in de volharding. 3Evenzo moeten de oudere vrouwen in hun gedrag zijn zoals het heiligen past: geen kwaadspreeksters, niet verslaafd aan veel wijn, maar leraressen van het goede, 4opdat zij de jongere vrouwen leren verstandig te zijn, hun man lief te hebben, hun kinderen lief te hebben, 5bezonnen te zijn en kuis, te zorgen voor hun huishouden, goed te zijn, hun eigen mannen onderdanig te zijn, opdat het Woord van God niet gelasterd wordt. 6Spoor evenzo de jongere mannen aan bezonnen te zijn.
Reinheid in de pastorale begeleiding #
Ik heb hier al eerder op gewezen; ik doe het opnieuw. Paulus zegt tegen Titus dat hij bijzondere aanwijzingen moet geven aan de oude mannen en aan de jonge mannen en aan de oude vrouwen. Maar hij geeft hem geen aanwijzingen die Titus rechtstreeks aan de jonge vrouwen moet geven. Hij zegt:
Leer de oudere vrouwen, de vrouwen op leeftijd, de bejaarde vrouwen hoe ze moeten leven, en laat hen dat aan de jongere vrouwen leren.
Waarom? Omdat het verstandig is dat een jonge voorganger, of welke voorganger dan ook, een zekere afstand bewaart tot de jonge alleenstaande vrouwen. Dat lijkt naar onze moderne manier van denken misschien preuts, maar het is veilig. Ik kan je heel duidelijk zeggen dat ik in mijn eerste jaren als voorganger door schade en schande heb geleerd dat het veilig en noodzakelijk is om niet te persoonlijk betrokken te raken bij jonge vrouwen die je begeleidt.
Veel voorgangers hebben hun bediening te gronde zien gaan door daadwerkelijk lichamelijk wangedrag of alleen al door geruchten over seksueel wangedrag. Soms hebben ze niet eens iets verkeerds gedaan. Maar doordat ze onvoorzichtig zijn geweest in hun omgang met de jonge vrouwen in de gemeente, zijn ze geen voorbeeld van seksuele reinheid geweest. Hoewel ze nooit iets verkeerds hebben gedaan, weet niemand dat toch zeker. De manier waarop ze zich in het gezelschap van vrouwen gedragen, maakt sommige mensen achterdochtig. En ons gedrag zou precies het tegenovergestelde moeten zijn. Het zou nooit iemand aanleiding moeten geven om ons te wantrouwen.
Ik zal je laten zien wat er in 1 Timotheus 5 staat.
Vaar niet uit tegen een oudere man.
Dat betekent een oudere man.
Maar spreek hem aan als een vader, de jongere mannen als broeders, de oudere vrouwen als moeders en de jongere vrouwen als zusters, in alle reinheid.
Ook hier noemt hij dus de oude mannen, jonge mannen, oude vrouwen en jonge vrouwen afzonderlijk, zoals hij dat tegenover Titus deed in hoofdstuk 2 van Titus. Hier geeft hij aan dat oude mannen en oude vrouwen een zeker respect moeten krijgen. De jonge mannen moeten als broers worden behandeld en de jonge vrouwen als zussen. Hij voegt eraan toe:
‘In alle reinheid.’ Die woorden, of andere nadere bepalingen, voegt hij niet toe wanneer hij over de andere groepen mensen spreekt. Wanneer hij het heeft over de omgang met de jongere vrouwen, zegt hij:
oude vrouwen als moeders, jonge vrouwen als zusters, in alle reinheid.
Beschouw hen als zussen. Je zult je niet ongepast tegenover hen gedragen als je zo over hen denkt. En hij benadrukt:
in alle zuiverheid.
Reinheid is in de bediening van het Evangelie zo noodzakelijk als het gaat om de omgang tussen voorgangers en jonge vrouwen, dat ik het voor iedere voorganger verstandig vind om alle persoonlijke begeleiding van jonge vrouwen onder vier ogen te vermijden. Paulus zei tegen Titus dat de oudere vrouwen de jongere vrouwen moesten begeleiden en onderwijzen. Gewoonlijk is er geen noodzaak voor een voorganger om dat zelf te moeten doen. En als hij het toch moet doen, moet hij ervoor zorgen dat hij daarbij niet alleen is. Het beste zou zijn dat hij samen met zijn vrouw een jonge vrouw begeleidt, als hij een vrouw heeft en als zij beschikbaar is. Anders moeten er enkele andere personen bij hem zijn, alleen al ter wille van de reinheid van zijn getuigenis. Zodat mensen naar die man kunnen kijken en zeggen: ‘Ik kan me niet eens voorstellen dat deze man op dat gebied iets verkeerds doet.’
Dat is wat Paulus over zichzelf en zijn metgezel zegt. Hij zegt tegen de Thessalonicenzen: ‘Kijk naar ons. Wij zijn het voorbeeld van waar we het zo meteen over gaan hebben, over het vermijden van ontucht. Ons gedrag kun je veilig navolgen.’
Beschuldigingen en seksuele verleiding #
Denk aan Jozef. Jozef bleef rein, maar zijn omstandigheden maakten het voor hem onmogelijk om lichamelijk uit de buurt te blijven van die vrouw die seks met hem wilde hebben. Hij werd in een moeilijke positie gebracht. Hij zou uit haar buurt zijn gebleven als hij had gekund, maar hij was een slaaf en hij was verplicht om vaak alleen met haar in huis te zijn. Maar let erop dat hij, ook al hield hij zichzelf rein, zijn onschuld onmogelijk kon bewijzen toen hij werd beschuldigd, omdat hij alleen met haar was geweest.
Ik weet dat mijn moeder vertelde dat, toen zij als kind naar de gemeente ging, de voorganger van haar gemeente werd beschuldigd van onzedelijk gedrag met enkele meisjes in de gemeente. Dat veroorzaakte een grote scheuring in de gemeente. Ongeveer de helft van de gemeente geloofde dat hij onschuldig was en ongeveer de helft geloofde dat hij schuldig was. Tot op de dag van vandaag weet niemand of hij onschuldig of schuldig was. Ongeveer de helft van de gemeente is vertrokken en hij is nog steeds de voorganger van de andere helft, ook al was mijn moeder nog een jong meisje toen dit gebeurde. Maar wat een smet op de bediening van een man, dat de helft van zijn gemeente vermoedt dat hij iets verkeerds heeft gedaan. Dit had voorkomen kunnen worden. Ik zeg niet dat hij iets verkeerds heeft gedaan, maar dit had voorkomen kunnen worden als hij alle gesprekken onder vier ogen met jonge meisjes had vermeden.
Nogmaals, in onze samenleving, vooral in Amerika, klinkt deze regel een beetje te ouderwets. Ik herinner me dat ik je eens vertelde over een heel bekende christelijke rock-'n-rollmuzikant, wiens naam iedereen kent. Kort na zijn echtscheiding ging het gerucht dat hij wat flirterig omging met enkele van de groupies die na afloop van zijn concerten bleven rondhangen. Eén plek in het bijzonder, Calvary Chapel, liet hem niet meer terugkomen om daar te spelen. Toen zijn agenten hem daar probeerden te boeken, zeiden ze: ‘Nee, we willen hem hier niet meer hebben, omdat hij zich tegenover de meisjes niet rein gedraagt.’
Zijn agenten zeiden: ‘Maar hij is geen diaken. Hij is alleen maar een muzikant. Waarom zou hij aan de vereisten voor een diaken moeten voldoen?’ Alsof hij geen verantwoordelijkheid had om in zijn omgang met de ongetrouwde zusters zichtbaar rein te blijven, alleen maar omdat hij geen diaken was of zoiets. Omdat hij een christelijke muzikant was en op de voorgrond stond, moet hij natuurlijk ook een voorbeeld zijn. Maar alle christenen zouden dit voorbeeld moeten volgen. Alle christenen zouden een zekere afstand moeten bewaren tot jonge mensen van het andere geslacht. Het is nergens voor nodig om met zulke mensen vertrouwelijk om te gaan. Er zijn oudere vrouwen die de jongere vrouwen kunnen begeleiden.
Een voorganger die denkt dat hij de enige is die deze persoon goede raad kan geven, vleit zichzelf. En hij kan beweegredenen hebben die hij zelf niet helemaal begrijpt om dat knappe jonge ding te willen begeleiden. Maar hij moet de raad van de Schrift opvolgen, want seks is voor de meeste mensen een gevaarlijke verleiding. En als dat voor de voorganger zelf niet zo is, dan kan het, voor zover hij weet, voor het meisje wel zo zijn.
Ik kan me herinneren dat er, toen ik een tiener was, jonge meisjes naar me toe kwamen voor raad. En er waren in het bijzonder minstens twee gevallen waarin ze me in bed zouden hebben gekregen als ik daarvoor open had gestaan. Daar kwamen ze voor. Ze kwamen onder het mom dat ze raad zochten. En ik besefte gewoon: ‘Ik moet ervoor zorgen dat ik niet alleen ben met jonge meisjes’, vooral toen ik een jonge, ongetrouwde predikant was. Maar mannen in het algemeen, christelijke mannen, zouden voorzichtiger moeten zijn dan vaak nodig wordt geacht.
Dus hij stelt zichzelf als voorbeeld. Hij zegt in vers 2:
Want u weet welke bevelen wij u gegeven hebben op gezag van de Heere Jezus.
Paulus had dit onderwerp al ter sprake gebracht. Maar kennelijk werd er in Thessalonica over gediscussieerd of dit redelijk was, of dat er misschien mazen in te vinden waren. Daarom moest hij er uitvoeriger op ingaan.
Want dit is wat God wil.
Gods wil en het beheersen van je lichaam #
Hier zouden christenen zich mee bezig moeten houden. De vraag is niet: ‘Kan ik dit doen en ermee wegkomen? Kan ik dat doen en ermee wegkomen?’ De vraag is: ‘Wat is de wil van God?’ Dat zou de enige vraag moeten zijn die elke christen bezighoudt. Niets anders. Geen enkele andere overweging hoeft ons bezig te houden. Slechts één: wat is Gods wil? Wat zal God hierin behagen?
Paulus zegt: ‘Ik zal voor eens en altijd duidelijk maken hoe het zit. Dit is Gods wil: dat je geheiligd wordt, dat je heilig bent.’
Geheiligd betekent heilig.
Dit is een voorbeeld van hoe je heilig kunt zijn. Het is niet het enige onderdeel van heiligheid. Maar omdat dit het onderwerp is dat hij hier behandelt, brengt hij ontucht in verband met de roeping tot heiligheid. Gods wil is dat je heilig bent. Daarom moet je je, wat het onderwerp ontucht betreft, daarvan onthouden.
Ik wil alleen even zeggen dat het woord ‘vessel’ hier een Grieks woord is dat in sommige contexten in de Griekse literatuur voor echtgenotes is gebruikt. Sommigen menen dat Paulus hier zegt dat iedereen een vrouw zou moeten nemen in heiliging en eerbaarheid. Dat zou natuurlijk overeenkomen met wat hij in 1 Korinthe 7 zei, aan het begin van dat hoofdstuk, waar hij zei:
Het is goed voor een man om geen vrouw aan te raken. Maar om ontucht te vermijden, moet iedere man zijn eigen vrouw hebben en iedere vrouw haar eigen man.
Dat was de raad die hij in 1 Korinthe 7 gaf.
De Engelse Revised Standard Version vertaalt dit bijvoorbeeld eenvoudigweg anders. Daar vertalen ze:
In de Revised Standard Version wordt dit weergegeven als het nemen van een eigen vrouw in heiliging en eerbaarheid.
Met andere woorden, zij vatten het woord ‘vessel’ op als een echtgenote.
Aan de andere kant weten we dat Paulus in andere passages over ons lichaam spreekt als een vat. In 2 Korinthe bijvoorbeeld, hoofdstuk 4, vers 7. In 2 Korinthe 4:7 staat:
Maar wij hebben deze schat in aarden kruiken, opdat de allesovertreffende kracht van God zou zijn en niet uit ons.
Het aarden vat verwijst hier naar het zwakke lichaam dat we hebben, gemaakt uit aarde. Het is een vat voor de schat van het behoud en van de heerlijkheid van Christus. Dat is de schat, maar we hebben die in aarden vaten.
Ik geloof dat Paulus hier, in 1 Thessalonicenzen 4, naar het lichaam verwijst. Dat we ons lichaam moeten bezitten in heiliging en eerbaarheid, onszelf moeten beheersen en ons rentmeesterschap over ons lichaam moeten opvatten als een heilige verplichting. Een verplichting om de heilige en onbevlekte staat te bewaren van wat voor God is afgezonderd.
In vers 5:
en niet in hartstochtelijke begeerte, zoals de heidenen, die God niet kennen.
Het Engelse woord ‘concupiscence’ betekent eenvoudigweg ongeremde seksuele begeerte en verlangen. In wezen zegt hij dat de heidenen die geen christenen zijn, die God niet kennen, worden gekenmerkt door ongeremde seksuele begeerte. Dat zou natuurlijk ook hebben gegolden voor zijn eigen christenen daar, voordat ze behouden werden. Als je vroeger een losbandig leven leidde, weet je waarschijnlijk dat een seksueel losbandig leven niet het gemakkelijkste is om op te geven zodra je hebt besloten christen te worden.
Ze hadden er dus moeite mee. Maar hij wees erop dat dit soort gedrag, deze levensstijl van ongeremde seksuele begeerte en ongeremde seksuele activiteit, kenmerkend is voor heidenen die God niet kennen. Wat hij bedoelt, is dat je misschien een heiden bent, maar geen heiden die God niet kent. Daarom zou je levensstijl anders moeten zijn, omdat je God wel kent.
Ontucht als benadeling van je broeder #
In vers 6 staat:
Laat niemand over zijn broeder heen lopen en hem bedriegen door zijn handelwijze, want de Heere is een Wreker van dit alles, zoals wij u ook van tevoren gezegd en bezworen hebben.
In de Engelse vertaling staat hier ‘in any matter’, oftewel ‘in welke zaak dan ook’. De HSV geeft dit weer met ‘door zijn handelwijze’. Het woord ‘any’ staat in de Engelse vertaling cursief, wat betekent dat het niet in het Grieks staat. Zonder dat toegevoegde woord luidt de Engelse formulering letterlijk:
Niemand mag te ver gaan en zijn broeder benadelen ‘in een zaak’.
Je moet dus een of ander woord aanvullen. Velen geloven dat de juiste aanvulling ‘in deze zaak’ is, en dat lijkt juist.
Als hij zegt:
Benadeel je broeder nergens in, dan lijkt het onderwerp te verschuiven van ontucht naar eerlijk zakendoen met je broeder. Die verschuiving heeft volgens mij nog niet plaatsgevonden in het betoog van Paulus, want in vers 7 heeft hij het volgens mij nog steeds over ontucht. Dus in vers 6 heeft hij het volgens mij ook nog steeds over ontucht. De Engelse woorden ‘in any matter’, ‘in welke zaak dan ook’, zouden volgens mij vervangen moeten worden door ‘in de zaak’ of ‘in deze zaak’. Dat is een andere vertaling die even geldig is.
Dan zegt hij dus dat je bij ontucht, als je ontucht pleegt, een broeder benadeelt. Dat is een interessante uitspraak, want ontucht pleeg je gewoonlijk niet met een broeder. Als hier de man wordt aangesproken die ontucht pleegt, lijkt het niet alsof hij een broeder benadeelt. Hij benadeelt een zuster. Of als het niet eens een christelijke vrouw is, benadeelt hij een hoer of wie dan ook, een vrouw. Waarom noemt hij ontucht het benadelen van een broeder? Het is natuurlijk mogelijk dat hij in het bijzonder overspel op het oog heeft. Als je met de vrouw van je broeder naar bed gaat, benadeel je je broeder. Je bedriegt hem. Je ontneemt hem wat van hem is. Die vrouw behoort hem toe, niet jou. Je steelt van je broeder. Je benadeelt hem. Waarschijnlijk is overspel een van de voornaamste dingen waaraan hij denkt, want overspel is één vorm van ontucht. Ontucht is het ruimere woord. Het betekent elke vorm van ongeoorloofd seksueel gedrag. Alles buiten de rechtmatige seksuele omgang tussen een man en zijn vrouw is ontucht. Dus bestialiteit, homoseksualiteit, hoererij, overspel en waarschijnlijk masturbatie moeten allemaal onder dezelfde noemer worden gebracht, de algemene term ontucht.
Het kan zijn dat hij hier in het bijzonder over overspel spreekt als iets wat je vooral moet vermijden, omdat je daarmee je broeder benadeelt. Maar hij maakt, in elk geval in zijn bewoordingen, geen onderscheid tussen overspel en andere vormen van ontucht. Daarom moeten we aannemen dat andere vormen van ontucht ook kunnen worden gezien als het benadelen van je broeder. Maar hoe dan?
De echtgenoot en de toekomstige echtgenoot #
Ten minste één mogelijke verklaring zou zijn dat wanneer je ontucht pleegt met een vrouw die getrouwd is, je uiteraard haar man benadeelt. Maar zelfs als ze ongetrouwd is, benadeel je in zekere zin haar toekomstige man, ervan uitgaande dat de meeste vrouwen zouden trouwen. Want in die samenleving was de alleenstaande carrièrevrouw geen verschijnsel zoals nu. De gedachte was: als ze nog niet getrouwd is, zal ze dat op een dag wel zijn. Als je met haar naar bed gaat, ontneem je haar toekomstige man iets, want hij verdient het dat zij voor hem bewaard blijft.
Dit blijkt duidelijk uit de wet van Mozes. Als een man naar bed ging met een vrouw die niet getrouwd en ook niet verloofd was, moest hij haar vader een bedrag betalen dat overeenkwam met de prijs voor maagden. Want maagden waren meer waard dan een vrouw die geen maagd was. De vader zou dus een kleinere bruidsprijs kunnen krijgen. Hij zou bij het uithuwelijken van zijn dochter niet zo'n hoge bruidsprijs kunnen krijgen, omdat ze minder waard was nu ze geen maagd meer was. Ze was in waarde verminderd doordat ze buitenechtelijke seksuele omgang had gehad voordat ze getrouwd was.
Als dat zo is, maak je deze vrouw dus tot iets van geringere waarde voor haar toekomstige man. Een man in Bijbelse tijden zou een maagd meer waarderen dan een vrouw die losbandig was geweest en met wie al iemand naar bed was geweest, en die hij tweedehands van een andere man kreeg. Daarom benadeel je de toekomstige man van die vrouw, ook als je met een ongetrouwde vrouw te maken hebt.
We kunnen het dus op beide manieren zien. Als het om daadwerkelijk overspel gaat, benadeel je uiteraard je broeder. Daarmee wordt niet noodzakelijk je christelijke broeder bedoeld. Iedere man die je goed behoort te behandelen, kan als je broeder worden beschouwd. Als ze niet getrouwd is, benadeel je in feite haar toekomstige man. Dus in deze zaak is er sprake van het benadelen van je broeder.
Hij noemt het benadelen van de zuster niet, omdat zij er vermoedelijk vrijwillig mee instemt. Het gaat hier niet over verkrachting; het gaat over seksuele activiteit met wederzijdse instemming. Dus hoewel je haar in zekere zin benadeelt, is dat haar eigen keuze. Je ontneemt haar niets; je onderdrukt haar niet. Ze neemt haar eigen beslissing. Maar je benadeelt de man aan wie zij toebehoort. Ze behoort jou niet toe, en in Gods ogen behoort ze ofwel aan een echtgenoot ofwel aan een toekomstige echtgenoot toe. Daarom ontneem je die man iets.
Vervolgens zegt hij in vers 6:
‘God zal al zulke dingen vergelden.’ En dat stemt overeen met wat we in Hebreeën 13:4 zagen.
Laat het huwelijk bij allen in ere zijn en het huwelijksbed onbevlekt, want ontuchtplegers en overspelers zal God oordelen.
Want God heeft ons niet geroepen tot onreinheid, maar tot leven in heiliging.
Onreinheid wordt hier gebruikt als synoniem voor ontucht.
maar om heilig te leven.
Dit benadrukt hij opnieuw, aan het begin en aan het einde van de bespreking.
Het Engelse woord ‘despiseth’, dat hier met ‘verwerpt’ is vertaald, betekent in dit verband eenvoudigweg ‘naast zich neerlegt’. Wie naast zich neerlegt wat Paulus hierover heeft gezegd, legt geen menselijk voorschrift naast zich neer, maar een goddelijk voorschrift. Dat God zulke dingen zou voorschrijven, blijkt uit het feit dat Zijn Geest een Heilige Geest is. Zijn Geest, Die Hij ons gegeven heeft, is heilig. Daaruit volgt dus dat God heilig is. En als we ons onheilig gedragen, handelen we in strijd met Zijn roeping en Zijn wil voor ons leven. Zo betoogt Paulus dus waarom we geen ontucht moeten plegen.
Broederliefde als antwoord op luiheid #
Dan krijgen we een kort gedeelte waarin hij ingaat op de kwestie van luiheid. Opnieuw pakt hij het heel diplomatiek aan. In plaats van eenvoudigweg te zeggen: ‘Wees niet lui; ga aan het werk’, begint hij over liefde en onze verplichting om lief te hebben. Zoals hij zich tegen ontucht uitspreekt door ons op onze verplichting te wijzen om heilig te zijn, zo spreekt hij zich tegen luiheid uit door ons op onze verplichting te wijzen om lief te hebben.
Let erop dat hij de Thessalonicenzen de verhevenste aspecten van onze roeping als christenen voorhoudt. Hij zei in hoofdstuk 2, vers 12:
Wij riepen u ertoe op waardig te wandelen voor God, Die u roept tot Zijn Koninkrijk en heerlijkheid.
Hij houdt hun het uitzicht op een heel hoge roeping voor. We zijn geroepen tot heerlijkheid. We zijn geroepen tot het Koninkrijk van God. Nu wijst hij erop dat we geroepen zijn tot heiligheid. Vermijd daarom hoererij. We zijn geroepen om lief te hebben met een liefde zoals die van God. En dat betekent dat we niet lui kunnen zijn, want als we lui zijn, teren we op onze broeders en zusters, en dat is een liefdeloze levenswijze. Een liefdevolle levenswijze houdt natuurlijk in dat je niet degene bent die ontvangt, maar degene die geeft. En dus dringt hij erop aan dat we elkaar moeten liefhebben. Vervolgens noemt hij het concrete geval van werken met onze handen, zodat we niemand tot last zijn en nergens gebrek aan hebben. Laten we dit gedeelte lezen, vers 9 tot en met 12.
9Wat nu de broederliefde betreft, hebt u het niet nodig dat ik u schrijf, want u bent zelf door God onderwezen om elkaar lief te hebben. 10Want u doet dat ook ten opzichte van alle broeders die in heel Macedonië zijn. Wij roepen u er echter toe op, broeders, dat nog veel meer te doen, 11en er een eer in te stellen rustig te zijn en uw eigen zaken te behartigen en te werken met uw eigen handen, zoals wij u bevolen hebben, 12opdat u op een gepaste wijze wandelt ten opzichte van hen die buitenstaan, en niets nodig hebt.
Hier benadrukt hij wat wordt erkend als een algemene plicht van christenen: broederlijke liefde hebben. Hij zegt:
Ik hoef jullie daar eigenlijk niet eens aan te herinneren, want God zelf leert jullie dat we van elkaar moeten houden.
Door de Heilige Geest leren liefhebben #
We worden door God onderwezen. Betekent dat dat ze het Woord van God kennen, dat ze de Schriften kennen die ons gebieden lief te hebben, en dat ze dus worden onderwezen door de Schriften van God? Of betekent het dat God, Die door Zijn Geest in hen woont, hen onderwijst? Ik geloof dat het laatste wordt bedoeld.
We hebben niet lang geleden de passage behandeld waarin Jezus zei:
Er is geschreven in de profeten: En zij zullen allen door God onderwezen zijn. Ieder dan die het van de Vader gehoord en geleerd heeft, komt tot Mij.
En dan citeert Hij uit Jesaja 54:13:
Al uw kinderen zullen door de HEERE onderwezen zijn, en de vrede van uw kinderen zal groot zijn.
Dat is wat de profeet Jesaja zei:
Iedereen zal door God onderwezen worden.
En dan zegt Jezus:
Iedereen die naar de Vader heeft geluisterd en van Hem heeft geleerd, komt dus naar Mij.
Wie komen er tot Hem? Degenen die de Vader trekt. Waar heeft Hij het over? God doet iets in hun binnenste, waardoor ze Jezus herkennen als de ware Messias. En zo worden ze door God getrokken, door deze innerlijke mededeling van God. Hij getuigt tot hun geest dat ze tot Christus moeten komen. Dat is wat Hij zegt. En Hij gebruikt de woorden van Jesaja:
‘Ze zullen allemaal door God onderwezen worden.’ Daarmee geeft Hij te kennen dat dit gebeurt in deze mensen die tot Hem komen. Ze worden door God onderwezen. God Zelf onderwijst hen en trekt hen tot Christus. Met andere woorden, het onderwijs dat van God komt en waarnaar Hij hier verwijst, is een intuïtief, innerlijk onderwijs van de Heilige Geest.
En wanneer Paulus later dus dezelfde woorden gebruikt in 1 Thessalonicenzen 4:
Wat nu de broederliefde betreft, hebt u het niet nodig dat ik u schrijf, want u bent zelf door God onderwezen om elkaar lief te hebben.
Dan zou daaruit volgen dat hij bedoelt: ‘Je hoeft er niet aan herinnerd te worden door bronnen van buitenaf, zoals ik, of zoals geschreven bronnen, maar je wordt onderwezen door God, Die in je woont.’ Gods Geest leert je lief te hebben, want liefde is de vrucht van de Geest. Op een andere plaats in Romeinen zegt Paulus:
En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is.
Wat de Heilige Geest ons in ons hart leert, is dus dat we moeten liefhebben, en Hij beweegt ons in de richting van liefde.
En hij wijst er in vers 10 op dat ze al grote stappen hebben gezet in het tonen van christelijke liefde. Hun liefde strekt zich heel ver uit, en hun getuigenis is in heel Macedonië bekend. Maar hij zegt:
Want u doet dat ook ten opzichte van alle broeders die in heel Macedonië zijn. Wij roepen u er echter toe op, broeders, dat nog veel meer te doen,
Met andere woorden, ook al kan er gezegd worden dat jullie een heel liefdevolle groep zijn, er zijn nog steeds gebieden waarop de liefde vervolmaakt moet worden. Er zijn gebieden waarop jullie liefde moet toenemen. En laat me je een voorbeeld geven.
Rustig werken in plaats van roddelen #
Hij geeft hier in vers 11 aan:
en er een eer in te stellen rustig te zijn en uw eigen zaken te behartigen en te werken met uw eigen handen, zoals wij u bevolen hebben,
Hij zegt hier drie dingen: streef ernaar rustig te zijn, behartig je eigen zaken — dat betekent: bemoei je met je eigen zaken — en werk met je eigen handen.
Paulus beschouwt nietsdoen over het algemeen als iets wat hand in hand gaat met roddelen. Als mensen niets nuttigs met hun handen te doen hebben, zullen ze als roddelaars rondgaan. Dat vertelt hij ons over weduwen in 1 Timotheus hoofdstuk 5, vanaf vers 11. Hij zegt:
Maar neem jonge weduwen niet aan. Want als zij door het volgen van hun lusten zich afkeren van de dienst van Christus, willen zij trouwen,
Dat betekent: zet hen niet op de lijst van degenen die door de gemeente worden onderhouden.
12en ontvangen zij het oordeel omdat zij hun eerste trouw tenietgedaan hebben. 13En zo leren zij meteen ook om doelloos overal langs de huizen te gaan. En zij zijn niet alleen doelloos bezig, maar zij zijn ook praatziek, en zij bemoeien zich met zaken die hun niet aangaan, en praten over dingen die onbehoorlijk zijn.
Dus hij zegt dat deze weduwen jong zijn. Ze moeten aan een man worden gekoppeld, zodat ze met het opvoeden van kinderen en het bestieren van een huishouden iets goeds te doen hebben dat hen uit de problemen houdt. Want als je ze gewoon op de ondersteuningslijst van de gemeente zet en hen als jonge weduwen onderhoudt, lopen ze maar wat rond zonder iets beters te doen. Ze zullen niets omhanden hebben. Ze zullen alleen maar van huis tot huis gaan om te roddelen, dat is wat hij zegt.
En dus gaat Paulus ervan uit dat nietsdoen tot roddelen leidt. Dat is zo waar. Ga maar eens naar de Eaton Station of een ander restaurant en kijk naar al die gepensioneerde oude mannen die daar elke ochtend zitten, werkeloos koffie te drinken. En weet je wat ze de hele ochtend doen? Roddelen. Ze hebben niets productiefs te doen. Ze zijn met pensioen; ze hoeven niet meer te werken. En dus gaan ze naar het restaurant. Elke ochtend zitten dezelfde mannen daar, en dat is in alle restaurants in de stad hetzelfde, of in de meeste ervan. Je treft er mannen aan die maar wat zitten en niets anders te doen hebben dan roddelen. Paulus is wijs. Hij beseft dat roddelen heel schadelijk is. Roddelen wordt in het boek Spreuken volstrekt verboden en veroordeeld, en ook in enkele andere delen van de Schrift. Jezus zei:
Maar Ik zeg u dat de mensen van elk nutteloos woord dat zij zullen spreken, rekenschap moeten geven op de dag van het oordeel.
Roddelen is heel schadelijk, en het is zo ongeveer het natuurlijke gevolg van luiheid. Als je niet werkt, als je je tijd niet aan iets opbouwends besteedt, heb je niets anders te doen dan zitten. Wat doe je om jezelf bezig te houden als je zit? Je praat. Wat doe je als je praat? Aangezien je toch al geen opbouwend persoon bent, zoals blijkt uit het feit dat je niet werkt, heb je blijkbaar geen opbouwende doelen. Daarom zal je gepraat ook niet opbouwend zijn, en uiteindelijk zul je praten over dingen die geen waarde hebben, en zelfs over schadelijke dingen. Je zult een bemoeial worden.
Dus zegt Paulus tegen de Thessalonicenzen:
Doe je best om rustig te leven, je met je eigen zaken te bemoeien en met je handen te werken.
Je ziet hier dat deze gedachten met elkaar samenhangen. Roddel niet. Houd gewoon je mond, bemoei je met je eigen zaken en werk rustig met je eigen handen. De gedachte is dat iedereen zijn werk te doen moet hebben, wat dat ook is. Hij moet zich met zijn eigen werk bezighouden, in plaats van zich bezig te houden met de vraag of iedereen zijn werk wel goed doet, of dat er ergens schandalen gaande zijn. Hij moet leren zijn tong in bedwang te houden. Het zou het lichaam van Christus enorm ten goede komen als christenen zouden leren zich erop toe te leggen rustig te zijn en zich met hun eigen zaken te bemoeien. Dat is een gevolg van met hun handen werken en zich met opbouwende dingen bezighouden.
Het aanhoudende probleem van nietsdoen #
Ik wil er even op wijzen dat dit in Thessalonica een probleem bleef, zelfs nadat ze deze brief hadden ontvangen. Daarom moest Paulus hun opnieuw schrijven in 2 Thessalonicenzen, in hoofdstuk 3, en hetzelfde probleem bespreken, dat blijkbaar niet verholpen was. In 2 Thessalonicenzen 3, in vers 12, zegt hij:
Zulke mensen bevelen wij en sporen wij namens onze Heere Jezus Christus aan dat zij in alle rust aan het werk gaan en hun eigen brood eten.
Met andere woorden, ze moeten leren rustig te zijn. Hij had hun in de vorige brief gezegd dat ze zich erop moesten toeleggen rustig te zijn. Hij zegt dat ze nu aangespoord moeten worden om rustig te zijn, of dat ze in alle rust moeten werken en hun eigen brood moeten verdienen. Hij heeft het over mensen die niet werken. Hij zegt in vers 11:
Want wij horen dat sommigen onder u ongeregeld wandelen; zij werken niet, maar zijn bezig met nutteloze dingen.
Dus je ziet opnieuw dat al deze passages, 1 Timotheus 5, 1 en 2 Thessalonicenzen, allemaal nietsdoen in verband brengen met bemoeizucht. Ze moeten leren rustig te zijn, ophouden met roddelen, leren aandacht te besteden aan wat ze behoren te doen en zich met productieve dingen bezighouden.
Terug in 1 Thessalonicenzen 4:12 zegt hij:
opdat u op een gepaste wijze wandelt ten opzichte van hen die buitenstaan, en niets nodig hebt.
Dat wil zeggen, als je met je handen werkt, zal God op die manier in al je behoeften voorzien. Je zult niets tekortkomen.
Werken om te geven en anderen te ontzien #
Sommige mensen zeggen: ‘Ik leef door geloof.’ Voor sommige mensen betekent leven door geloof eenvoudig: ‘Ik heb geen baan en ik ben niet bereid te werken, dus ik laat God gewoon voor mijn onderhoud zorgen.’ Wat dat werkelijk betekent, is: ‘Ik laat mijn broeders en zusters voor mijn onderhoud zorgen’, want God laat maar heel zelden manna uit de hemel komen of vlees in de koelkast verschijnen. Mensen die door geloof leven, vertrouwen erop dat God door mensen heen voorziet. Dus zeggen: ‘Ik vertrouw op God’, betekent: ‘Ik vertrouw erop dat mijn broeders en zusters zichzelf ongemak bezorgen om voor mijn onderhoud te zorgen.’
Paulus spoort hen hier aan liefdevol te zijn. Hij zegt dat we in broederlijke liefde behoren te wandelen. Daarom strookt het daar niet mee als je van je broeders afhankelijk bent voor je onderhoud, terwijl je jezelf zou kunnen onderhouden. Dat is niet liefdevol. Het is misbruik maken van anderen, en dat is de manier van de wereld: misbruik maken van andere mensen en zo weinig mogelijk werken. Maar Paulus geeft aan dat de gezindheid van de christen precies het tegenovergestelde is. In plaats van voortdurend te ontvangen, wil hij geven. Hij heeft in het geven een nieuwe vreugde leren kennen die de vreugde van het ontvangen overtreft.
Je herinnert je misschien dat Paulus in Efeze hoofdstuk 4 wat praktische raad en advies of aansporingen gaf aan degenen die de oude gewoonten moesten afleggen en de nieuwe moesten aandoen. Dat wil zeggen:
Leg je oude ik af en trek je nieuwe ik aan.
In die context van het afleggen van het oude en het aandoen van het nieuwe zegt hij in Efeze 4:28:
Wie gestolen heeft, moet niet meer stelen, maar zich liever inspannen om met de handen goed werk te doen, om iets te kunnen delen met wie gebrek heeft.
Let eens op de gedachte hier. Het idee is dat die man vroeger, in de wereld, een dief was. Nu is hij bekeerd. Hij moet niet alleen ophouden een dief te zijn, hij moet zijn leven opnieuw inrichten. Hij moet een productief mens worden die met zijn handen werkt, zodat hij nu aan anderen kan geven. Iemand is een dief omdat hij liever niet werkt. Als hij op een rechtmatige manier aan geld wilde komen, zou hij een baan nemen, werken en het verdienen. Maar als hij steelt, komt dat doordat hij niet bereid is te werken voor al het geld dat hij wil hebben. Dus neemt hij van anderen, en dat is een onchristelijke manier van doen. Zo is de oude mens. Maar de nieuwe mens wil niet nemen, maar geven. Daarom moet deze man de discipline van het werken leren om in zijn eigen behoeften te voorzien en ook voor anderen te zorgen, zodat hij kan geven. Hij moet leren er een gewoonte van te maken om te geven, net zoals hij er een gewoonte van moet maken om niet te stelen. Hij moet zijn leven werkelijk 180 graden omgooien.
Hier zien we in de aansporing van Paulus, in 1 Thessalonicenzen 4:12:
Zodat jullie je fatsoenlijk gedragen tegenover mensen buiten de gemeente.
Dat wil zeggen: je zult geen misbruik van hen maken.
Hier zien we dus dat christenen moeten werken.
Werken en onderhoud in de bediening #
Paulus zelf maakte tenten, hoewel hij voltijds in de bediening werkte. Dat was zijn beroep. Hij benadrukte wel dat hij niet op die manier hoefde te werken, omdat hij betrokken was bij het werk van het Evangelie. In 1 Korinthe 9 doet hij uitvoerig zijn best om aan te tonen dat iedereen die voltijds in het werk van het Evangelie bezig is, voor dat werk onderhouden zou moeten worden en niet zou hoeven te werken. Maar hij zei dat hij voor zichzelf een uitzondering maakte, alleen om het goede voorbeeld te geven. En ook om iets te kunnen toevoegen aan zijn bijdrage aan de heerlijkheid van het Evangelie door het Evangelie kosteloos te brengen.
Door heel hoofdstuk 9 van 1 Korinthe heen gaf hij aan dat hij volkomen het recht had om geld te vragen voor zijn bediening. Hij gaf aan dat de andere apostelen dat in feite ook deden, en dat hij en Barnabas de enige opmerkelijke uitzonderingen op dat gebruik waren. Op andere plaatsen zegt hij:
Want de Schrift zegt: Een dorsende os mag u niet muilkorven, en: De arbeider is zijn loon waard.
Enzovoort. In 1 Timotheus 5 gaf hij aan dat het volkomen in orde is dat iemand die in de bediening werkt, door die bediening wordt onderhouden, ervan uitgaande dat hij voltijds in de bediening werkt.
Ik heb heel wat mensen gekend die zeggen: ‘Nou, ik voel me geroepen tot de bediening, dus ik ga mijn baan opzeggen en gewoon uit geloof leven.’ Maar hoewel ze hun baan opzeggen en zich tot de bediening geroepen voelen, dienen ze God niet voltijds in de bediening. Ik weet van mezelf dat ik, toen ik me voor het eerst tot de bediening geroepen voelde, dacht: ‘Ik moet geen baan nemen, want dat zal mijn vrijheid in de bediening beperken, om te reizen en ergens anders heen te gaan, enzovoort. Dus ga ik gewoon voltijds in de bediening werken en op God vertrouwen.’
God heeft mij genadig onderhouden, niet overvloedig. Hij hield me in leven in mijn onwetendheid. Maar waar het om gaat, is dat ik in die tijd wel in de bediening werkte, maar niet voltijds. Ik had gemakkelijk kunnen werken om in mijn eigen onderhoud te voorzien. En ik had dezelfde hoeveelheid werk in de bediening kunnen doen als ik toen deed, in wat ik mijn vrije tijd had kunnen noemen.
Later hoorde ik heel goede raad van iemand in de bediening, die een jonge man raad gaf die vond dat hij tot de voltijdse bediening geroepen was. Hij zei: ‘Als je je geroepen voelt tot de voltijdse bediening, begin dan in je vrije tijd anderen te dienen. Zodra de eisen van de bediening je werkelijk bij je werk vandaan roepen, kun je misschien een deeltijdbaan nemen en de extra vrije tijd die je daarmee krijgt, vullen met werk in de bediening. Als Gods roeping en de mogelijkheden je inderdaad dwingen om al je tijd aan de bediening te besteden, zodat je niet kunt werken, zeg je baan dan helemaal op en vertrouw er gewoon op dat God je onderhoudt.’
Dat is heel verstandig, want het algemene beginsel is dat christenen met hun handen moeten werken. Als God hen tot een voltijdse geestelijke bediening roept, dan is dat een toereikende vervanging voor handenarbeid. Het is zelfs een hoge roeping, en die verdient ondersteuning. Maar iemand kan daar niet zomaar voor kiezen omdat hij te lui is om te werken. Helaas doen sommige mensen het precies om die reden. Ze hebben geen baan. Ze verlangen dat anderen hen onderhouden, en toch werken ze niet werkelijk voltijds in de bediening. Ze hebben veel tijd over om zich te ontspannen, en die tijd wordt in feite verspild. Dat kan ik uit eigen ervaring zeggen.
Dit is dus een algemene regel die voor christenen in het algemeen geldt. En zelfs sommige mensen in de bediening, zoals Paulus zelf, zouden misschien moeten werken vanwege het getuigenis, of eenvoudigweg omdat ze de tijd hebben om te werken en in de bediening bezig te zijn. Maar bij Paulus was het niet zo dat hij tijd over had. Dat had hij niet. Hij zei:
U herinnert zich immers onze inspanning en moeite, broeders. Want terwijl wij nacht en dag werkten om niemand van u tot last te zijn, hebben wij u het Evangelie van God gepredikt.
Hij was de hele dag bezig in de bediening, en soms waarschijnlijk ook de hele nacht. Maar hij werkte als zelfstandige, waardoor hij zijn eigen werktijden kon bepalen.
Dat is het soort werk dat ik jarenlang als glazenwasser heb gedaan. Ik werkte als zelfstandige. Dat was heel ideaal voor de bediening, omdat ik met een minimum aan materiaal een bedrijf kon draaiende houden. Ik kon eropuit gaan en opdrachten binnenhalen als ik geld nodig had. Of ik kon ervan afzien om eropuit te gaan en opdrachten binnen te halen als ik geen geld nodig had of als ik werk voor de bediening te doen had.
Het is iets geweldigs om als zelfstandige te werken. Sterker nog, het lijkt me helemaal niet verkeerd als iedere christen iets van zelfstandig werk zou hebben, in plaats van ergens onder een heidense meester te werken. Een mens kan twee meesters niet erg goed dienen. Als God je een ambacht geeft, of een mogelijkheid om met wereldlijk werk in je eigen onderhoud te voorzien, is dat een ideale situatie voor iemand die ook tot werk in de bediening geroepen is. Ik zeg niet dat iemand dat soort werk moet hebben.
Gestorven christenen missen de komst niet #
De verzen 13 tot en met 18, de rest van dit hoofdstuk, brengen het onderwerp van de wederkomst van Christus ter sprake. Dat wordt in hoofdstuk 5 verder uitgewerkt. Hoofdstuk 5 zullen we later behandelen. Hier zien we dat sommige mensen in de gemeente christelijke geliefden door de dood hadden verloren. Dit is een van de aanwijzingen dat de gemeente mogelijk al wat langer dan slechts drie weken bestond toen Paulus haar verliet. Er waren namelijk mensen die sinds hun bekering daadwerkelijk waren gestorven.
Paulus had kennelijk met hen over de wederkomst van Christus gesproken. Hij maakt in de brieven 1 en 2 Thessalonicenzen heel duidelijk dat hij al persoonlijk met hen over zaken rond de wederkomst van Christus had gesproken. Ze vonden het een grote tragedie dat sommige van hun gemeenteleden gestorven waren voordat die plaatsvond. Ze dachten immers waarschijnlijk dat de wederkomst van Christus spoedig zou plaatsvinden. Nu zeg ik niet dat Paulus leerde dat dit het geval zou zijn. We hebben geen woorden van Paulus waarin hij zegt dat het spoedig zal zijn. Maar we hebben alle reden om te geloven dat ten minste sommigen van hen hoopten dat het spoedig zou zijn. Waarschijnlijk hoopte zelfs Paulus dat het spoedig zou zijn. Ik weet zeker dat iedere generatie christenen, ook de eerste generatie christenen, heeft gehoopt dat de komst van de Heere spoedig zou zijn. En aangezien we niet weten wanneer het zal zijn, is er niets mis mee dat ook zij hoopten dat het spoedig zou zijn.
Het probleem is dat ze kennelijk het gevoel hadden dat degenen die gestorven waren, het waren misgelopen. ‘Wat jammer, ze zullen de komst van de Heere niet kunnen meemaken.’ Natuurlijk hoopten ze dat degenen die nog leefden, in leven zouden blijven om die mee te maken. Niemand van hen heeft dat meegemaakt. Uiteindelijk zijn ze allemaal gestorven. Maar dit waren jonge christenen, die vurig naar de wederkomst van Christus verlangden. Het leek hun iets heel verdrietigs dat sommige van hun familieleden gestorven waren en daardoor niet bij de wederkomst van de Heere betrokken zouden zijn. Ze hadden wat onderwijs nodig over de leer van de opstanding.
De opname en de verandering van het lichaam #
In deze passage hebben we natuurlijk de enige passage in de Bijbel die de opname bij naam noemt. Het woord ‘rapture’ komt natuurlijk niet in onze Engelse Bijbel voor. Het staat in deze passage echter wel in de Latijnse Vulgaat, waar in vers 17 staat:
Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn.
De woorden ‘caught up’ zijn in de Latijnse vertaling ‘raptus’, ‘raptio’, of iets dergelijks. En dat is het woord waarvan het Engelse woord ‘rapture’, opname, is afgeleid. Het is de enige plaats in de Bijbel die de opname noemt.
Er is nog één andere plaats die de opname lijkt te beschrijven, en dat is in 1 Korinthe hoofdstuk 15, waar Paulus zegt:
51Zie, ik vertel u een geheimenis: Wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden, 52in een ondeelbaar ogenblik, in een oogwenk, bij de laatste bazuin. Immers, de bazuin zal klinken en de doden zullen als onvergankelijke mensen opgewekt worden, en ook wij zullen veranderd worden. 53Want dit vergankelijke moet zich met onvergankelijkheid bekleden en dit sterfelijke moet zich met onsterfelijkheid bekleden.
Dat staat in 1 Korinthe 15, de verzen 51 tot en met 53.
Paulus lijkt in 1 Korinthe over dezelfde gebeurtenis te spreken, maar hij spreekt daar niet uitdrukkelijk over opgenomen worden. In 1 Korinthe 15 wordt gesproken over een verandering die in onze stoffelijke lichamen plaatsvindt, waardoor ze onvergankelijk worden. Maar er staat niets dat erop neerkomt dat we in de lucht opgenomen zullen worden. Toch gaat het in beide passages vrijwel zeker over hetzelfde. Het enige wat ik zeg, is dat de enige verwijzing in de hele Bijbel waarin ook maar iets wordt gezegd over christenen die in de lucht opgenomen worden, hier in 1 Thessalonicenzen 4 staat.
Opvattingen over opname en verdrukking #
Omdat dat zo is, moet dit een sleutelpassage zijn om de vraag op te lossen die veel christenen bezighoudt: vindt de opname vóór, na of midden in een toekomstige periode van grote verdrukking plaats? Zoals je weet, is dit een debat dat tot op de dag van vandaag in de gemeente woedt. De opvatting die nu erg populair is, is natuurlijk dat er vóór een periode van zeven jaar grote verdrukking een opname plaatsvindt. En dat het voor ons in wezen allemaal vrij soepel zal verlopen totdat we hier worden opgenomen. Daarna zal op aarde de hel losbarsten, maar dan zijn wij weg.
Er is daadwerkelijk een predikant in San Diego geweest die men heeft horen zeggen, terwijl hij de verschrikkingen beschreef die tijdens de grote verdrukking over de aarde zullen komen: ‘Maar daar hoeven wij ons geen zorgen over te maken. Wij zullen dan in een vakantieoord zijn.’ Iedereen hier beneden zal sterven, en het zal een marteling zijn, maar wij kunnen daar onwetend van blijven. Wij zullen ons koesteren in de zonnestralen en de hemelse heerlijkheid, een soort ‘plezier in de zon’.
Dat is tegenwoordig een heel gangbare denkwijze onder christenen: dat er zeven jaar vóór het oordeel over de wereld een periode van grote verdrukking zal zijn, en dat vóór die tijd de opname zal plaatsvinden. Anderen denken dat de opname aan het begin van zo’n periode van grote verdrukking zal plaatsvinden. Weer anderen denken dat die aan het einde van zo’n periode van grote verdrukking zal plaatsvinden. Anderen, zoals ikzelf, vragen zich af of de Bijbel überhaupt over zo’n periode van grote verdrukking spreekt, maar plaatsen de opname niettemin bij de wederkomst van Christus. Nu moet deze vraag in deze passage worden beantwoord, of anders nergens, want er is geen andere verwijzing naar de opname in de Bijbel. Als we het antwoord op deze vraag niet in deze passage vinden, dan vinden we het niet in de Bijbel. Sommige mensen geloven werkelijk dat we in de Bijbel niet genoeg informatie hebben om deze vraag te beantwoorden. Ik heb mensen horen zeggen: ‘God heeft het onduidelijk gelaten om onze eenheid op de proef te stellen, om te zien of we met meningsverschillen kunnen omgaan. Of gewoon omdat Hij niet wilde dat we precies zouden weten wat er gaat gebeuren, en daarom is Hij over dit onderwerp niet duidelijk geweest.’
Ik weet niet waarom ze zeggen dat Hij niet duidelijk is geweest. Wat mij betreft zijn de Schriften heel duidelijk. Het enige wat het onduidelijk zou maken, is dat we ze benaderen met vooronderstellingen die ons zijn ingeprent door leraren die een verborgen agenda hebben, die iets proberen te bewijzen wat er niet staat. Ze hebben ons denken gevuld met vooronderstellingen, zodat we die vooronderstellingen in de passage inlezen wanneer we die lezen. Maar zonder zulke vooronderstellingen zou een pasbekeerde die nog helemaal onbevangen is en nooit enig onderwijs over dit onderwerp heeft gehoord, bij het doorlezen van het Nieuwe Testament helemaal niet in verwarring raken over dit onderwerp. Het onderwerp zou glashelder zijn, want God heeft het niet onduidelijk gelaten. Hij heeft het niet onoplosbaar gelaten. Hij heeft ons niet in een situatie achtergelaten waarin we moeten zeggen: ‘Wanneer de Heere komt, dan zullen we het weten.’ Het onderwijs van de Schrift is tamelijk duidelijk als we bereid zijn die zonder vooronderstellingen te benaderen.
Eerst de opstanding, daarna de opname #
Laten we bijvoorbeeld eens naar deze passage kijken en zien wat we daaruit over de opname te weten kunnen komen. Allereerst gaat deze passage niet hoofdzakelijk over de opname. De opname wordt bijna terloops genoemd. De passage gaat over de opstanding. Hij spreekt over christenen die gestorven zijn en over het feit dat zij bij de komst van de Heere zullen opstaan. Ze zullen de wederkomst niet missen, want ze zullen opstaan om die mee te maken en zich bij Zijn komst bij Hem te voegen. Terloops vermeldt hij dat degenen onder ons die bij Zijn komst niet gestorven zijn, ook samen met hen in de lucht zullen worden opgenomen. Maar hij vermeldt dat slechts als een gedachte achteraf, als het ware. De passage gaat voornamelijk over de opstanding bij de komst van Christus. De opname wordt alleen in verband daarmee genoemd.
Vers 13:
13Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben. 14Want als wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in Jezus ontslapen zijn, terugbrengen met Hem. 15Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere, dat wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan.
Het Griekse woord zou vertaald moeten worden met ‘shall not precede’, oftewel ‘zullen niet voorgaan’. De Engelse Bijbelvertaling die ik gebruik, heeft hier ‘prevent’. Dat is een verouderd gebruik van dit woord: hier betekent het ‘voorgaan’, zoals de HSV al vertaalt. In het Grieks staat er:
‘Wij die nog leven als de Heere komt, zullen degenen die ontslapen zijn niet voorgaan.’ Oftewel: degenen die dood zijn.
16Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. 17Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn. 18Zo dan, troost elkaar met deze woorden.
Dit moeten woorden van troost zijn voor degenen die dierbaren hebben verloren die christenen zijn. De troost ligt hierin: zij zijn niets misgelopen. Degenen onder ons die wel in leven blijven om de wederkomst van Christus mee te maken, zullen geen enkel voordeel hebben boven degenen die eerst sterven, want wij zullen hun niet voorgaan. We zullen hun in geen enkel opzicht vóór zijn. In feite zullen zij ons vóór zijn, want de doden in Christus zullen eerst opstaan, en daarna zullen wij die nog niet gestorven zijn, worden opgenomen om de Heere te ontmoeten. De opname vindt dus onmiddellijk na de opstanding van de doden plaats. De doden in Christus staan eerst op, en daarna vindt de opname plaats van degenen die in leven zijn.
Verdrukking in de brief aan Thessalonica #
Laten we dit nu vers voor vers bekijken. Merk allereerst op dat er in deze passage geen verwijzing naar een periode van grote verdrukking staat. Er wordt niet vermeld of er wel of geen grote verdrukking is, en er staat zeker niet of de opname vóór, na of midden in zo’n grote verdrukking plaatsvindt. De grote verdrukking komt niet eens aan de orde in deze enige passage die in deze bewoordingen naar de opname verwijst. Daarom krijgen we hier geen informatie over de vraag of die vóór of na een grote verdrukking plaatsvindt, of zelfs maar of zo’n grote verdrukking bestaat.
Ik wil er echter op wijzen dat we eerder, in hoofdstuk 3 van 1 Thessalonicenzen, wel een verwijzing naar verdrukking hebben. Niet naar een zevenjarige verdrukking aan het einde van het tijdperk, maar het woord ‘verdrukking’ komt er wel voor. In 1 Thessalonicenzen 3:4 staat:
Toen wij bij u waren, zeiden wij u immers van tevoren dat wij verdrukt zouden worden, zoals ook gebeurd is — en u weet het.
Dit is duidelijk geen verwijzing naar een zevenjarige verdrukking. Hij heeft het gewoon over moeilijkheden. Maar het is interessant dat de enige plaats in deze brief waar Paulus verdrukking noemt, aangeeft dat verdrukking voor christenen is. Dit is ook de enige plaats waar hij de opname noemt, het enige boek waarin de opname en verdrukking samen worden genoemd. Hoewel hier niet wordt ingegaan op de vraag naar een toekomstige verdrukking, wordt er wel over verdrukking in het algemeen gesproken. In principe is er niets ongerijmds aan dat christenen verdrukking doormaken. Maar nogmaals, de zevenjarige verdrukking komt in deze passage helemaal niet in beeld. Wat we in vers 13 zien, is dat hij zegt dat hij wil dat ze hiervan op de hoogte zijn. Hij wil niet dat ze over dit onderwerp onwetend zijn.
Rouwen met hoop op de opstanding #
Het is beschamend hoeveel onwetendheid er in de gemeente nog steeds over dit specifieke onderwerp bestaat. Ik ben echt christenen tegengekomen op discipelschapsscholen waar ik naartoe reis en lesgeef, die geen flauw benul hebben van de leer van de opstanding. Ik ben zelfs een leider van een discipelschapsschool tegengekomen die geschokt was toen ik de opstanding ter sprake bracht. Hij zei: ‘Bedoel je dat onze lichamen ook uit de dood zullen opstaan?’ Daar heb je iemand die een van de leiders is van een school voor discipelschapstraining. De onwetendheid waarvan Paulus wilde dat ze die niet zouden hebben, is nog steeds onder ons. Hij schreef dit hoofdstuk zodat we niet onwetend zouden zijn, maar bij sommige mensen is het allemaal tevergeefs geweest.
Hij zegt:
Ik wil niet dat jullie hiervan niets weten,
13Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben. 14Want als wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in Jezus ontslapen zijn, terugbrengen met Hem. 15Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere, dat wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan.
Dat zijn degenen die gestorven zijn. Hij zegt dat hij niet wil dat wij treuren zoals anderen die geen hoop hebben. Betekent dit dat het verkeerd is om verdrietig te zijn wanneer iemand sterft? Hij zegt niet noodzakelijkerwijs dat hij wil dat we helemaal geen verdriet hebben. Hij wil niet dat we treuren zoals anderen die geen hoop hebben.
Het verdriet van iemand die geen hoop op een opstanding heeft, is veel dieper en verwoestender van aard en leidt tot bitterheid. Het is, om de bewoordingen van 2 Korinthe 7 te gebruiken:
Want de droefheid die overeenkomstig de wil van God is, brengt een onberouwelijke bekering tot zaligheid teweeg, maar de droefheid van de wereld brengt de dood teweeg.
Het is niet:
De droefheid overeenkomstig Gods wil, die tot bekering leidt.
Het is het verdriet van de wereld. Het zorgt ervoor dat sommige mensen de rest van hun leven verbitterd zijn wanneer ze hun dierbaren verliezen. Er is geen hoop. Wat kunnen ze zeggen? ‘Ik hoop deze persoon terug te zien’? Op welke grond? Ze hebben geen gezag waarop ze zich kunnen beroepen. Ze hebben geen Schrift. Ze hebben geen Christus. Ze hebben geen hoop. Het verlies van een dierbare overvalt hen soms en ze kunnen er op geen enkele manier mee omgaan.
Maar wij hoeven niet zo te treuren. Er is ruimte voor verdriet. Natuurlijk missen we onze dierbaren. Jezus huilde zelfs bij het graf van Lazarus, en Hij was bedroefd omdat Hij zag hoeveel pijn dit Zijn vrienden deed toen Lazarus dood was. Maar wij treuren niet zoals degenen die geen hoop hebben. Wij hebben hoop en in zekere zin kunnen we ons zelfs verheugen.
Er is verdriet. Toen mijn vrouw om het leven kwam, ervoer ik een mengeling van verdriet en vreugde. Ik was blij voor haar, omdat ik wist dat ze kreeg waar ze het meest naar verlangde. Ze had vaak gezegd hoezeer ze ernaar verlangde de Heere te zien, en ze mocht Hem eerder zien dan ik. Daarin had ze een voorsprong op mij. Maar ik was verdrietig omdat ze zo'n geweldige levensgezellin was geweest. Het maakte me heel verdrietig dat ik de rest van mijn leven zonder haar moest leven.
Maar één ding troostte mij, iets wat voor een niet-christen nooit een troost zou kunnen zijn. Ik wist dat ik haar op een dag weer levend zou zien, dat zij zou opstaan en ik ook, en dat we voor eeuwig in de tegenwoordigheid van de Heere zouden leven en zouden genieten van de gemeenschap met elkaar en met alle andere heiligen. Die hoop is een troost wanneer christenen rouwen om gestorven medechristenen.
Natuurlijk benadrukt de verwijzing naar hen als mensen die slapen eenvoudigweg dat het slechts tijdelijk is. Slaap is tijdelijk; je wordt er weer uit wakker. Zo is de dood voor een christen tijdelijk, omdat wij er weer uit zullen opstaan.
Gestorven gelovigen zijn bij de Heere #
In vers 14 wijst hij op iets heel interessants. Hij zegt:
Als we geloven dat Jezus gestorven en weer opgestaan is, geloven we ook dat God degenen die in Jezus gestorven zijn met Hem zal meebrengen.
Dat is interessant, omdat het inhoudt dat degenen die in Jezus slapen, christenen die gestorven zijn, nu bij God zijn. En wanneer Jezus komt, zal Hij hen met Zich meebrengen.
Het is heel duidelijk dat hun lichamen niet bij God zijn, want je kunt ze gaan opgraven als je dat wilt. Ze liggen nog steeds daar in de graven, als ze niet helemaal vergaan zijn. De lichamen zijn op dit moment niet bij God. De lichamen zijn in de aarde. Die moeten worden opgewekt. Maar wanneer een christen sterft, sterft zijn lichaam, terwijl zijn geest voortleeft en naar de Heere gaat om bij Hem te zijn.
Maar wij hebben goede moed en wij hebben er meer behagen in om uit het lichaam uit te wonen en bij de Heere in te wonen.
Dit staat vrij stevig vast op grond van verschillende passages in het Nieuwe Testament, vooral bij Paulus in Filippenzen en 2 Korinthe, maar ook elders. Wij sterven niet. Wij zullen de dood nooit zien. Ons lichaam zal ermee ophouden, maar onze geestelijke mens, onze bewuste persoon, zal het lichaam verlaten en onmiddellijk in de tegenwoordigheid van de Heere zijn. Wanneer Hij komt, zal Hij hen met Zich meebrengen. Waarom? Omdat hun lichamen dan zullen worden opgewekt. Die geesten zullen dan niet langer zonder lichaam zijn, maar heerlijke, onvergankelijke lichamen ontvangen om daar tot in eeuwigheid in te wonen.
Dat is de Bijbelse leer. Je haalt die uit ‘1 Thessalonicenzen 15’, je haalt die hieruit, je haalt die uit het hele onderwijs van de Schrift over de opstanding.
De hoorbare komst van Christus #
Er staat dus in vers 15:
13Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben. 14Want als wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in Jezus ontslapen zijn, terugbrengen met Hem. 15Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere, dat wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan.
Blijkbaar hoopte Paulus op zijn minst dat sommigen van hen er misschien bij zouden zijn. Hij zei niet dat het noodzakelijkerwijs zo zou zijn, maar je proeft de hoop, het verlangen dat sommigen van ons erbij zullen zijn. Nu zullen er natuurlijk mensen zijn voor wie dat geldt, maar dat waren niet Paulus zelf of zijn lezers.
Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan.
Dat klinkt allesbehalve geheim.
Degenen die een opname vóór de grote verdrukking leren, zeggen meestal dat die heel geheim plaatsvindt. De hele wereld wordt op een ochtend wakker en alle christenen zijn weg. Niemand weet waar ze naartoe zijn gegaan. De Amerikaanse inlichtingendienst zet een enorme zoekactie op touw. Denk eens aan de problemen in de communistische landen, waar ze niemand het land uit laten, en waar plotseling miljoenen burgers verdwenen zijn. Over welke grens zijn ze naar buiten geglipt? Stel je eens voor wat voor verwarring dit gaat veroorzaken.
Zoveel mensen schetsen dit beeld: vliegtuigen die neerstorten omdat ze christelijke piloten hadden, auto's die van de weg raken omdat ze christelijke bestuurders hadden. De wereld raakt in paniek. Het is allemaal heel geheim en heel stil gebeurd. God is gekomen en heeft Zijn volk weggegrist.
40Dan zullen er twee op de akker zijn; de één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden. 41Er zullen twee vrouwen malen met de molen; de één zal aangenomen en de ander zal achtergelaten worden.
En niemand heeft gemerkt wat er gebeurde. Ze hebben er geen verklaring voor. Mensen opperen dat vliegende schotels zijn gekomen en hen hebben meegenomen.
Al die scenario's worden ons voorgeschoteld, en toch schildert de Bijbel de opname nergens af als een geheime, stille gebeurtenis. De enige passage die er in duidelijke bewoordingen over spreekt, is deze, en die zegt dat het allesbehalve stil is.
Wat kan Hij nog meer doen om de aandacht van de mensen te trekken? Dit is een luidruchtige gebeurtenis. Iedereen zal het merken.
En trouwens, de passage in 1 Korinthe 15 die erover spreekt dat ons lichaam veranderd wordt, noemt ook de laatste bazuin. Het gaat dus blijkbaar opnieuw om dezelfde gebeurtenis, enigszins anders beschreven, maar beide passages verwijzen naar het geluid. Het is geen geheime, stille opname.
De algemene opstanding en het woord eerst #
Dan staat er:
En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan.
Dit betekent niet dat de doden in Christus zullen opstaan voordat andere mensen opstaan, alsof er een afzonderlijke opstanding voor christenen is en later nog een opstanding voor niet-christenen. Dat wordt natuurlijk door velen geleerd, maar het is niet Bijbels. Jezus Zelf leerde:
28Verwonder u daar niet over, want de tijd komt waarin allen die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen, 29en zij zullen eruitgaan: zij die het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, maar zij die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding ter verdoemenis.
Het is één bepaald moment in de tijd. Hij zei het in Johannes 5:28 en 29.
Er zijn andere verwijzingen in de Schrift naar hetzelfde, maar er is een algemene opstanding. Jezus leerde het, Paulus leerde het, de Bijbel leert het overal. Er is een algemene opstanding. De goddelozen en de rechtvaardigen staan op hetzelfde moment op. De schapen en de bokken worden op hetzelfde moment in dezelfde rechtszaal voor Christus gebracht. Het gebeurt allemaal tegelijk.
De enige reden waarom hij hier de doden in Christus noemt en niet naar de anderen verwijst, is dat de lezers bezorgd zijn over hun gestorven christelijke dierbaren. Hij verwijst naar degenen die in Jezus ontslapen zijn. En hij zegt dat ze zullen opstaan. Ze zullen eerst opstaan. Niet eerst, vóór andere doden. Ze zullen eerst opstaan, voordat wij die in leven zijn en overblijven, worden opgenomen. De volgorde die het woord ‘eerst’ aangeeft, is geen volgorde van verschillende groepen doden die op verschillende momenten opstaan. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen degenen die in Christus gestorven zijn en degenen die in Christus in leven zijn. Degenen die in Christus gestorven zijn, ervaren eerst de opstanding.
Christus tegemoetgaan en Hem vergezellen #
Het woord ‘ontmoeten’ in vers 17, in de woorden ‘om de Heere in de lucht te ontmoeten’, is een Grieks woord dat verwees naar wat een ontvangstcomité deed dat de stad uitging om een bezoekende hoogwaardigheidsbekleder te ontmoeten, iemand van groot belang die de stad kwam bezoeken. De voornaamste burgers van de stad gingen hem tegemoet en keerden dan meteen met hem terug.
Dit verwijst er niet naar dat wij omhooggaan om Jezus te ontmoeten en vervolgens zeven jaar lang naar de hemel gaan. Wij gaan omhoog om Hem te ontmoeten, zoals de burgers van een stad naar buiten gaan om een naderende koning te ontmoeten en hem op de rest van zijn reis te begeleiden.
Hetzelfde woord wordt trouwens gebruikt in Mattheüs 25:6. In Mattheüs 25:6 zegt de gelijkenis van de tien maagden dat, toen de roep klonk:
En te middernacht klonk er een geroep: Zie, de bruidegom komt, ga naar buiten, hem tegemoet!
de maagden die gereed waren naar buiten gingen om de bruidegom tegemoet te gaan. Waarom? Om hem op de rest van zijn reis te vergezellen. Het is in het Grieks hetzelfde woord, ‘tegemoetgaan’. Mattheüs 25:6.
Een heel belangrijk gebruik van dit woord zien we ook in Handelingen 28:15. Handelingen 28:15 gaat over het moment waarop Paulus naar Rome kwam, en daar staat:
En daarvandaan kwamen de broeders, die van onze zaken gehoord hadden, ons tegemoet, tot Appiusmarkt en de Drie Tabernen. Toen Paulus hen zag, dankte hij God en vatte hij moed.
‘Daarvandaan’ betekent: vanuit Rome. Met andere woorden, ‘zij kwamen ons tegemoet’ is hetzelfde woord. Dus christenen uit Rome hoorden dat Paulus naar Rome kwam en gingen naar buiten om hem tegemoet te gaan. Waarom?
Om hem terug te vergezellen naar Jeruzalem, waar hij vandaan was gekomen? Nee, ze kwamen om hem te vergezellen naar Rome. Dus wanneer Jezus onderweg is naar de aarde, komt Hij niet om ons weg te halen. Hij komt om naar de aarde terug te keren. Jezus zei:
En als Ik heengegaan ben en plaats voor u gereedgemaakt heb, kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.
Waar? Hier. Hij komt naar de aarde. Daarom gaan we Hem tegemoet, maar niet om met Hem de ruimte in te schieten. We gaan Hem tegemoet zodat we samen met Hem verder kunnen afdalen, om Zijn reis samen met Hem te voltooien. Dat is wat dit woord in het Grieks betekent.
De opname bij de komst van Christus #
Ik wil op twee belangrijke punten wijzen om het tijdstip van de opname vast te stellen. In vers 15 wordt ons verteld:
13Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben. 14Want als wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in Jezus ontslapen zijn, terugbrengen met Hem. 15Want dit zeggen wij u met een woord van de Heere, dat wij die levend zullen overblijven tot de komst van de Heere, de ontslapenen beslist niet zullen voorgaan.
Het woord ‘komst’ daar is de parousia, de parousia van de Heere.
16Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. 17Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn.
Dit vindt plaats bij de parousia, de komst van de Heere.
Je kunt de hele Schrift doorlezen, en het gebruik van Griekse naslagwerken zal je helpen te vinden hoe vaak er naar de parousia wordt verwezen. Achttien keer in het Nieuwe Testament verwijst de parousia naar de wederkomst van Christus. Het verwijst altijd naar Zijn terugkeer naar de aarde. Het verwijst niet naar een gedeeltelijke terugkeer tot aan de wolken, vanwaar Hij omkeert en weer naar de hemel gaat, zoals sommigen beweren. De komst van de Heere, de parousia, is de definitieve komst aan het einde van het tijdperk, en dat is wanneer de opname plaatsvindt.
Bovendien zien we dat dit gebeurt in samenhang met de opstanding. De opname vindt onmiddellijk na de opstanding plaats. De doden in Christus staan eerst op; daarna worden wij die nog leven en overblijven opgenomen om de Heere in de lucht te ontmoeten.
De opstanding op de laatste dag #
Wanneer vindt deze opstanding plaats? Ik heb al gezegd dat er veel passages over de opstanding zijn, maar laat ik je één groep verzen in Johannes hoofdstuk 6 geven om dit tijdstip voor ons vast te stellen. In Johannes 6, vers 39, zei Jezus:
En dit is de wil van de Vader, Die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren laat gaan, maar het doe opstaan op de laatste dag.
Vers 40:
En dit is de wil van Hem Die Mij gezonden heeft, dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, eeuwig leven heeft, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.
Vers 44 van hetzelfde hoofdstuk:
Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekt; en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.
Hetzelfde hoofdstuk, vers 54:
Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag.
Vier keer in één hoofdstuk, in één toespraak, zegt Jezus dat Hij Zijn volk op de laatste dag zal opwekken. Dat is wanneer de opstanding plaatsvindt. De christenen worden op de laatste dag opgewekt. Het woord ‘laatste’ betekent per definitie dat er daarna geen andere meer komt. Het is de laatste in een reeks. Er zijn heel, heel veel dagen geweest sinds het begin van de eerste dag en de tweede dag en de derde dag van Genesis hoofdstuk 1. Er zijn veel dagen verstreken. Er is één dag vastgesteld die de laatste is, en dat is de dag waarop Jezus de doden zal opwekken, en dat is de dag waarop Hij Zijn gemeente zal opnemen.
Er wordt nergens gesproken over een opstanding van heiligen of een opname van heiligen zeven jaar vóór de laatste dag, of duizend en zeven jaar vóór de laatste dag. De komst van Christus is de laatste dag. Er volgen geen andere dagen. Bij Zijn komst brengt Jezus de nieuwe hemel en de nieuwe aarde tot stand. Over die komst lezen we in 2 Petrus 3, vers 10 tot en met 12:
10Maar de dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht. Dan zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen brandend vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen verbranden. 11Als deze dingen dus allemaal vergaan, hoedanig behoort u dan te zijn in heilige levenswandel en in godsvrucht; 12u, die de komst van de dag van God verwacht en daarnaar verlangt, de dag waarop de hemelen, door vuur aangestoken, zullen vergaan en de elementen brandend zullen wegsmelten.
Hij schept een nieuwe hemel, een nieuwe aarde. Er is geen zon, maan of sterren. Er is geen nacht. Dus zijn er geen dagen meer zoals wij die kennen. Er is geen dag en nacht meer.
En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.
Enzovoort. Er zijn geen avonden en ochtenden meer wanneer Jezus terugkomt. Dat is de laatste dag, en dat is de parousia. Dat is wanneer de opstanding plaatsvindt, en dat is wanneer de opname plaatsvindt.
We gaan verder met meer onderwijs in hoofdstuk 5. 1 Thessalonicenzen 5 gaat verder over de komst van de Heere, vanuit een andere invalshoek.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als 1 Thessalonians 4. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/1-thessalonicenzen/4
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/1-thessalonicenzen/4.pdf?v=b70ff936ec12
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 1 Thessalonicenzen - Lezing 02 - 4.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/1-thessalonicenzen/4.mp3?v=006267efdfff
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 1 Thessalonicenzen - Lezing 02 - 4.mp3
1 Thessalonicenzen
Alle lezingen over 1 Thessalonicenzen. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/1-thessalonicenzen/4.srt?v=80f7eb4434b7
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 1 Thessalonicenzen - Lezing 02 - 4.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/1-thessalonicenzen/4.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- 1 Korinthe 5:13
- 1 Thessalonicenzen 4:1-8
- Deuteronomium 6:5
- 1 Korinthe 6:18
- 2 Korinthe 7:1
- 2 Korinthe 6:14
- 1 Thessalonicenzen 4:7
- Hebreeën 13:4
- 1 Thessalonicenzen 4:6
- 1 Korinthe 6:19-20
- 1 Thessalonicenzen 4:4
- Genesis 2:24
- 1 Korinthe 6:16
- 1 Thessalonicenzen 4:1
- 1 Thessalonicenzen 1:5
- Titus 2:1-6
- 1 Timotheüs 5:1
- 1 Timotheüs 5:1-2
- 1 Timotheüs 5:2
- 1 Thessalonicenzen 4:2
- 1 Korinthe 7:1-2
- 2 Korinthe 4:7
- 1 Thessalonicenzen 4:5
- 1 Thessalonicenzen 2:12
- 1 Thessalonicenzen 4:9-12
- Johannes 6:45
- Jesaja 54:13
- 1 Thessalonicenzen 4:9
- Romeinen 5:5
- 1 Thessalonicenzen 4:10
- 1 Thessalonicenzen 4:11
- 1 Timotheüs 5:11
- 1 Timotheüs 5:12-13
- Mattheüs 12:36
- 2 Thessalonicenzen 3:12
- 2 Thessalonicenzen 3:11
- 1 Thessalonicenzen 4:12
- Efeze 4:28
- 1 Timotheüs 5:18
- 1 Thessalonicenzen 2:9
- 1 Thessalonicenzen 4:17
- 1 Korinthe 15:51-53
- 1 Thessalonicenzen 4:13-15
- 1 Thessalonicenzen 4:16-18
- 1 Thessalonicenzen 3:4
- 2 Korinthe 7:10
- 2 Korinthe 5:8
- 1 Thessalonicenzen 4:16
- Mattheüs 24:40-41
- Johannes 5:28-29
- Mattheüs 25:6
- Handelingen 28:15
- Johannes 14:3
- 1 Thessalonicenzen 4:16-17
- Johannes 6:39
- Johannes 6:40
- Johannes 6:44
- Johannes 6:54
- 2 Petrus 3:10-12
- Genesis 1:5