Handelingen 2:5-39
Petrus verkondigt Jezus als Heer en Messias
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/handelingen/2-5-39.pdf?v=67e4475e7e34. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/handelingen/2-5-39.
Samenvatting
Petrus verkondigt op Pinksteren dat de opgestane Jezus Heere en Messias is.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt de gebeurtenissen op Pinksteren en Petrus’ uitleg dat het spreken in vreemde talen een bovennatuurlijk teken van de uitstorting van de Heilige Geest was. Hij betoogt dat de ‘laatste dagen’ in Joëls profetie vooral slaan op de laatste dagen van het oude Joodse bestel, dat in het jaar 70 ten onder ging. Vervolgens laat hij zien hoe Petrus vanuit de Psalmen Jezus’ opstanding, verhoging en koningschap verkondigt, met als kernboodschap dat Jezus Heere en Messias is. Ten slotte behandelt hij de reactie van de menigte en legt hij bekering, de doop, vergeving en het ontvangen van de Heilige Geest uit.
De gemeente als één lichaam door de eeuwen #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Handelingen 2, vers 5 tot en met vers 39.
We hebben boeiend materiaal. Eigenlijk zou ik dat van elke lezing over het boek Handelingen kunnen zeggen. Het is een boeiend verhaal. En het wordt natuurlijk nog boeiender en interessanter wanneer we het toepassen op de gemeente en op ons eigen leven sinds de tijd van de apostelen. Dat hopen we te doen, want het gaat om hetzelfde verschijnsel.
Ik weet niet of ik dit begreep toen ik jonger was. Volgens mij heb ik in onze inleiding gezegd dat ik destijds het boek Handelingen las en dat het onwerkelijk leek. Het leek meer op mythologie, hoewel ik wist dat het waar was. Het leek gewoon niet op het echte leven. Volgens mij stelde ik me destijds de gemeente van toen en de gemeente van nu voor, met in zekere zin een enorme kloof tussen die twee.
Later ging ik begrijpen dat het lichaam van Christus één ononderbroken lichaam is. Het Koninkrijk van God is door de geschiedenis heen één ononderbroken koninkrijk, dat daar begon en doorgaat tot waar wij nu zijn. Er is nooit een tijd geweest waarin alle christenen van één generatie uitstierven en er een volledig nieuwe groep kwam. Er is altijd overlap geweest. Door de hele geschiedenis heen sterven sommige christenen en worden anderen bekeerd.
Het is net als met je lichaam, waarin sommige cellen sterven, maar niet allemaal tegelijk, tenzij je dood bent. Wanneer je leeft, sterven afzonderlijke cellen en komen er nieuwe cellen bij. Verschillende cellen worden op verschillende momenten vervangen. Het is één lichaam vanaf het moment dat je geboren wordt — of verwekt wordt, moet ik zeggen — tot de dag waarop je sterft. Het lichaam van Christus is de afgelopen tweeduizend jaar één lichaam geweest. Afzonderlijke cellen komen en gaan, maar er is nooit een tijd geweest waarin het lichaam van Christus uit de eerste eeuw ophield te bestaan en er later een ander lichaam van Christus verscheen, waarna het onze nog weer een later lichaam zou zijn. Dit is één ononderbroken lichaam dat door de geschiedenis heen leeft, één ononderbroken beweging. We lezen werkelijk over onze wortels als onderdeel van dit wereldwijde verschijnsel dat al millennia voortduurt.
Toen het begon, zoals we hebben gezien, kwam de Heilige Geest en deden zich verschijnselen voor die de mensen hoorden en zagen. Vooral wat ze hoorden, trok de aandacht. De Geest kwam over deze mensen toen ze in de bovenzaal waren. Niet lang daarna preekt Petrus tot een menigte, van wie er drieduizend behouden worden. Deze menigte bevond zich waarschijnlijk niet samen met de honderdtwintig in de bovenzaal. Er wordt aangenomen dat de discipelen, ergens tussen wat we hebben gelezen en wat we nu gaan lezen, naar buiten gaan, de straten op, de voorhoven van de tempel in, of naar een andere openbare plek waar menigten Petrus kunnen horen preken. Er zijn inderdaad menigten die deze mensen in tongen horen spreken. Als ze allemaal in de bovenzaal opgesloten zitten, kan het luid genoeg zijn geweest dat mensen het door de ramen konden horen. Maar de reactie van de menigte moet buiten de zaal hebben plaatsgevonden.
Joden uit de diaspora in Jeruzalem #
We gaan verder bij vers 5:
Nu woonden er Joden in Jeruzalem, godvrezende mannen uit alle volken die er onder de hemel zijn.
Er wordt ons eenvoudigweg verteld dat hier een behoorlijk kosmopolitische groep aanwezig is, afkomstig uit veel landen. Er worden vijftien verschillende landen genoemd. Het begint met landen ten oosten en noordoosten van Israël — Mesopotamië, Parthië en die streken — en vervolgens wordt ook Judea genoemd, de streek waarin zij zich bevonden. Ook Egypte en Libië, die in Afrika liggen, worden genoemd. Het overzicht beweegt van het noordoosten door het Midden-Oosten naar beneden, tot in Afrika. De enige plaats in het westen die werkelijk genoemd wordt, is Rome, waar bezoekers vandaan waren gekomen. Er zijn Arabieren en Kretenzen, van het eiland Kreta.
Dit waren Joden uit wat de diaspora wordt genoemd. Vanaf de Assyrische verwoesting van het noordelijke koninkrijk Israël in 722 voor Christus waren de meeste stammen van Israël en hun vertegenwoordigers verspreid geraakt over de wereld van de heidenen. Velen van hen trouwden met heidenen. In de loop van de generaties verloren ze daardoor in feite hun Israëlitische identiteit. Ze waren gewoon van gemengd ras. Sommigen van hen waren de Samaritanen uit de tijd van Jezus.
Dit was natuurlijk zevenhonderd jaar nadat de vermenging was begonnen. Je kunt dus wel nagaan hoe sterk de bloedlijn vermengd was geraakt bij deze mensen, die zevenhonderd jaar lang met heidenen waren getrouwd. Ze zullen geen erg uitgesproken Joodse identiteit hebben gehad. Dat is een van de redenen waarom de Joden niet bepaald van de Samaritanen hielden, om het zacht uit te drukken, want zij hadden hun etnische of religieuze zuiverheid niet bewaard. De Samaritanen hadden ook hun eigen tempel en hun eigen wet. Ze hielden zich aan een groot deel van de wet van Mozes, maar ze hadden daarin hun eigen wijzigingen, die verschilden van wat de Joden hadden.
Er waren dus rivaliserende godsdiensten en rivaliserende rassen. Maar onder al die groepen waren vrome Joden. Die vrome Joden waren waarschijnlijk voornamelijk afkomstig uit de diaspora van 586 voor Christus, toen Nebukadnezar de Judeeërs — van wie het woord ‘Jood’ afkomstig is — uit Judea meenam en hen over het Babylonische Rijk verspreidde. Dat rijk omvatte de meeste landen waarover we hier lezen.
Enkele jaren later, in 539 voor Christus, kwam Cyrus aan de macht en veroverde het Perzische Rijk Babylon. Cyrus stond de Joden toe terug te gaan naar Israël, maar de meesten deden dat niet. Zerubbabel nam er 50.000 met zich mee terug. Later gingen er enkele groepen mee met Ezra en Nehemia. Maar nog altijd bleef de overgrote meerderheid van de Joden die door Nebukadnezars verovering van Jeruzalem verstrooid waren, in heidense landen wonen. Dat was 500 jaar vóór Christus. Dus een half millennium lang woonden de meeste Joden buiten Israël. Eerlijk gezegd is dat altijd zo geweest. Zelfs tot op de dag van vandaag wonen de meeste Joden buiten Israël. Sinds de tijd van de diaspora, eeuwen vóór Christus, is er nooit een tijd geweest waarin de meeste Joden in Israël woonden.
Maar sommigen woonden er wel. Sommigen waren teruggekomen om in Israël te wonen, en zij werden Palestijnse Joden genoemd. Daarnaast waren er de Joden van de diaspora, de verstrooide Joden uit allerlei streken. Zij waren volgens de wet van Mozes verplicht om, indien mogelijk, drie keer per jaar een pelgrimsreis naar Jeruzalem te maken: met Pascha, met Pinksteren en met het Loofhuttenfeest. Als mensen van ver kwamen, kwamen ze vaak voor Pascha en bleven ze gewoon de 50 dagen tot Pinksteren. Waarom zou je in een tijdsbestek van een paar maanden twee keer die reis maken? Wat de reden ook was, rond de feesttijden waren er altijd grote aantallen Joden uit de verstrooiing in Jeruzalem, en dat was ook hier het geval.
Galileeërs spreken vreemde talen #
Dus toen de Heilige Geest op de mannen en vrouwen in de bovenzaal viel, hoorden deze mensen degenen die in tongen spraken, spreken in de talen van hun eigen woongebieden. Hun eerste reactie was:
En zij waren allen buiten zichzelf en verwonderden zich, en zij zeiden tegen elkaar: Zie, zijn het niet allen Galileeërs die daar spreken?
Je vraagt je misschien af hoe ze wisten dat het Galileeërs waren. Om te beginnen hadden Galileeërs hun eigen kenmerkende accent. Je herinnert je misschien dat Petrus zich bij het vuur stond te warmen, terwijl Jezus in het huis van Kajafas terechtstond. Toen het meisje naar Petrus toe kwam, zei ze:
Jij bent vast een van hen, en Petrus verloochende Christus drie keer. Eén keer zei ze:
Kort daarna zeiden zij die daar stonden en dichterbij kwamen, tegen Petrus: Werkelijk, u bent een van hen, want uw spraak verraadt u.
Aan zijn accent kon ze horen dat hij een Galileeër was.
Maar de Galileeërs werden, anders dan de Judese Joden, als plattelandsmensen beschouwd. Ze waren niet ontwikkeld zoals de Farizeeën en de geschoolde, op de tempel gerichte Joden in Judea. Omdat ze als plattelandsmensen en als minder ontwikkeld werden beschouwd, was het des te verrassender dat ze de plaatselijke dialecten kenden van streken in Mesopotamië en Libië. Dat waren plaatsen die ver van hen vandaan lagen en waarvan de gemiddelde persoon de taal niet geleerd zou hebben, zelfs niet als hij goed opgeleid was. Maar nu leken deze mannen, die niet goed opgeleid leken te zijn, deze talen vloeiend te beheersen. Dit deed mensen de wenkbrauwen optrekken en wekte hun nieuwsgierigheid. Dit is wat God gebruikte om Petrus een gelegenheid te geven het Evangelie voor het eerst te prediken tot Joden uit alle delen van de toenmalige wereld.
De verspreiding van het evangelie #
Let erop dat er in vers 5 staat dat deze godvruchtige mannen „uit elk volk onder de hemel” kwamen. Ik wijs daarop omdat het een overdrijving is, net als op andere momenten waarop de Bijbel overdrijving gebruikt. ‘Ieder volk onder de hemel’ is eenvoudigweg een overdrijvende manier om duidelijk te maken uit hoeveel verschillende streken deze Joden voor het feest waren gekomen, en dus hoe wijd het Evangelie verspreid zou worden wanneer deze mensen naar huis gingen. Van de mensen die Petrus hoorden prediken, kwamen er die dag 3.000 tot bekering. Sommigen van hen zijn ongetwijfeld teruggegaan naar de plaatsen waar ze vandaan kwamen.
Dit is in feite ongetwijfeld hoe de gemeente in Rome is ontstaan. Niemand weet hoe de gemeente in Rome is ontstaan. Want hoewel Paulus de apostel voor de heidenen was, schreef hij een brief aan de gemeente in Rome voordat hij ooit naar Rome was gegaan. Iemand had hun het Evangelie verkondigd. Niemand weet wie, maar er staat dat hier bezoekers uit Rome waren. Sommigen van hen behoorden ongetwijfeld tot degenen die tot bekering kwamen. Toen ze allemaal teruggingen naar hun vaderland, ook naar Rome, zou daar vanzelf een gemeente worden gesticht. Want ze zouden hun vrienden over Christus vertellen en bij iemand thuis een gemeenschap beginnen, en uiteindelijk zou daaruit een gemeente groeien.
Zo is het allemaal begonnen. Zo brak de gemeente voor het eerst los uit de grenzen van Jeruzalem. Toch bleef de moedergemeente van de vroege gemeenten heel lang in Jeruzalem, voordat er officieel erkende gemeenten buiten Jeruzalem waren, zoals we zullen zien. Maar toen sommige van deze mensen naar huis gingen, moeten er in hun vaderland spontaan gemeenten zijn ontstaan.
Tongentaal als bovennatuurlijk teken #
Daar hoorden ze deze talen en zeiden ze: ‘Er is hier iets aan de hand. Wie kan dit verklaren?’ Sommigen dreven de spot met hen en zeiden:
5Nu woonden er Joden in Jeruzalem, godvrezende mannen uit alle volken die er onder de hemel zijn. 6Toen dan dit geluid klonk, kwam de menigte samen en raakte in verwarring, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. 7En zij waren allen buiten zichzelf en verwonderden zich, en zij zeiden tegen elkaar: Zie, zijn het niet allen Galileeërs die daar spreken? 8En hoe kunnen wij hen dan horen, eenieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? 9Parthen, Meden en Elamieten en zij die inwoners zijn van Mesopotamië, Judea, Kappadocië, Pontus en Asia, 10Frygië, Pamfylië, Egypte, en de streken van Libië, dat bij Cyrene ligt , alsook de nu hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als proselieten, 11Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze taal over de grote werken van God spreken. 12En zij waren allen buiten zichzelf en raakten in onzekerheid, en de één zei tegen de ander: Wat wil dit toch zeggen? 13Anderen zeiden spottend: Zij zijn vol zoete wijn.
waarmee ze bedoelden: ‘Ze brabbelen maar wat. Ze spreken geen andere talen. Voor jou klinkt het misschien als een taal, maar ze spreken gewoon met een dikke tong.’ Dat zeiden de grappenmakers, en dit gaf Petrus de gelegenheid om het woord te nemen.
Ik wil erop wijzen dat veel mensen, wanneer ze over de gave van tongen spreken, hebben gezegd dat de gave van tongen in de eerste eeuw noodzakelijk was omdat alle christenen Joden uit Palestina waren. Om het Evangelie over de hele wereld te kunnen verkondigen, moest God hun de gave van tongen geven, zodat ze konden prediken tot mensen uit allerlei verschillende gebieden die allerlei verschillende talen spraken. Dat is geen juiste verklaring. Om te beginnen sprak iedereen in de wereld die in deze verzen genoemd wordt Grieks. Alexander de Grote had 330 jaar vóór Christus het Grieks tot de algemene omgangstaal van het hele Griekse Rijk gemaakt. Er was dus bijna niemand die geen Grieks verstond. Toen Petrus opstond om te prediken, predikte hij niet in vijftien verschillende talen. Hij predikte in één taal en iedereen begreep hem, omdat hij waarschijnlijk in het Grieks predikte. Hij had in het Aramees kunnen prediken, de plaatselijke taal van de Palestijnse Joden, maar niet iedereen uit de diaspora zou dat hebben verstaan. Hij predikte dus vrijwel zeker in het Grieks, en zo is het voor ons opgetekend in de oorspronkelijke Griekse handschriften.
Maar als ze allemaal Grieks konden verstaan, waarom moesten ze dan die verschillende talen horen? We lezen nergens dat de vroege gemeente door middel van de gave van tongen het Evangelie aan buitenlanders verkondigde. Het was een teken. Ze predikten niet in tongen. Ze verkondigden de grote werken van God. Ze verheerlijkten en prezen God. Ze legden het Evangelie niet uit. Petrus moest dat doen, maar daarvoor hoefde hij niet in tongen te spreken. Hij kon het doen in één taal die ze allemaal verstonden.
Het spreken in tongen diende niet werkelijk om te communiceren met mensen met wie ze anders niet konden communiceren. Het diende veeleer om te laten zien dat God iets bovennatuurlijks deed, iets wat duidelijk internationale implicaties had. Het feit dat de talen van al deze verschillende heidense volken vertegenwoordigd waren, duidt er op zijn minst op dat de heerlijkheid van God in het Evangelie aan vele volken bekendgemaakt zou worden, hoewel het op dat moment allemaal bezoekers van Jeruzalem waren.
Petrus begint de eerste christelijke preek #
Toen Petrus opstond om te spreken, krijgen we de allereerste opgetekende christelijke preek. Het is ook de langste van Petrus’ opgetekende preken. In het boek Handelingen hebben we één zeer lange preek van Petrus en één zeer lange preek van Paulus die zijn opgetekend. Die van Paulus staat in hoofdstuk 13. Van hen beiden zijn nog meer preken opgetekend, maar dan beknopter. We hebben echter een goed voorbeeld. Ik weet zeker dat dit de reden is waarom Lukas ons vrij uitvoerig de volledige boodschap heeft gegeven die Petrus predikte. Hij had ons ongetwijfeld ook langere versies van de andere preken kunnen geven.
Toch kost het maar twee of drie minuten om de preek te lezen. Daarom geloven veel geleerden dat we een getrouwe samenvatting van een langere preek hebben. Het maakt mij niet uit. Ik denk dat predikers altijd een excuus zoeken voor hun langdradigheid. Dus zeggen ze: ‘Hij kan onmogelijk maar twee minuten gesproken hebben en drieduizend mensen tot behoud hebben gebracht. Van niemand kan zoiets verwacht worden.’ Misschien kon hij dat wel als hij vervuld was met de Geest. Misschien zou jij, als je vervuld was met de Geest, geen twintig minuten of een uur hoeven te spreken. Misschien zou ik geen uur hoeven te spreken als ik de gaven van Petrus had. Natuurlijk predik ik het Evangelie niet. Ik leg Bijbelgedeelten uit. Dat kost meer tijd.
Het punt is dat geleerden vaak denken dat de opgetekende preken in Handelingen misschien zijn wat zij getrouwe samenvattingen noemen van preken die in werkelijkheid langer waren, een soort Reader’s Digest-versie. Dat is mogelijk. Petrus heeft misschien langer gepredikt dan dit, maar ik heb geen reden om eraan te twijfelen dat dit de volledige preek zou kunnen zijn en dat de Heilige Geest die even krachtig gebruikte als uit het vervolg blijkt.
Petrus stond in vers 14 samen met de elf op, verhief zijn stem en zei tegen de menigte, niet tegen de elf:
14Maar Petrus, die daar met de elf andere apostelen stond, verhief zijn stem en sprak tot hen: Joodse mannen en u allen die in Jeruzalem woont, dit moet u bekend zijn en laat mijn woorden tot uw oren doordringen: 15deze mensen zijn namelijk niet dronken, zoals u vermoedt, want het is pas het derde uur van de dag.
Voor de Jood begon de dag om zes uur ’s morgens, dus het derde uur was negen uur ’s morgens. Hij zegt: ‘Als sommigen van jullie serieus speculeren dat de spraak die jullie horen het gevolg is van mensen die te veel hebben gedronken, meen je dat nou? Om negen uur ’s morgens? Wie is er om negen uur ’s morgens dronken? De cafés zijn nog niet eens open. Dit is niet de juiste verklaring. Je zou op een betere verklaring moeten wachten dan dat, en ik heb er een voor je.’
Hij zei: ‘Maar dit is wat gesproken is door de profeet Joël.’ Hier citeert hij Joël, hoofdstuk 2, vers 28 tot en met 32:
28Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien. 29Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten. 30Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde: bloed en vuur en rookzuilen. 31De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voor die dag van de HEERE komt, die grote en ontzagwekkende. 32Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden. Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HEERE gezegd heeft, namelijk bij hen die ontkomen zijn, die de HEERE roepen zal.
Joëls profetie en de belofte van behoud #
Dat had het einde van de preek kunnen zijn. Dat was het niet. Hij had nog meer te zeggen, maar daar staat al een boodschap van behoud:
17En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen. 18En ook op Mijn dienaren en op Mijn dienaressen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. 19En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed, vuur en rookwalm. 20De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de Heere komt. 21En het zal zo zijn dat ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.
Het laatste vers van deze passage in Joël wordt ook door Paulus aangehaald in Romeinen 10:13:
Want ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zal zalig worden.
Hij citeert Joël 2, vers 32. We hebben naar het citaat uit Joël gekeken. Eén interessant punt is dat er een paar veranderingen in zitten. In Joël staat niet:
„In de laatste dagen.”
Petrus citeert Hem met de woorden:
In Joël staat alleen:
Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien.
Maar omdat de Joden en de apostelen erkenden dat dit over het Messiaanse tijdperk ging, en dat dit dus de laatste dagen waren waarover de profeten spraken, citeerde Petrus het eenvoudigweg op die manier.
Bedenk dat Jezus in Lukas 24:45 het verstand van de apostelen had geopend, zodat zij de Schriften konden begrijpen. Petrus citeert Schriften uit het Oude Testament, en wij zouden kunnen vragen: „Doet hij dat wel goed?” Ja, dat doet hij, want Jezus opende zijn verstand, zodat hij de Schriften kon begrijpen. We moeten zeggen dat Jezus geen vergissing maakte en dat Petrus de Schriften dus op de juiste manier zag. Dit is een verwijzing naar de laatste dagen.
De laatste dagen in het Nieuwe Testament #
Wanneer we de uitdrukking „de laatste dagen” horen, kunnen we daar op allerlei manieren over denken. Ik denk dat een heel gangbare manier om die uitdrukking op te vatten, is dat het gaat om de dagen vlak voor de wederkomst van Christus. Het komt heel vaak voor dat mensen zeggen: „Leven wij in de laatste dagen? Denk je dat dit de laatste generatie is? Denk je dat de grote verdrukking voor de deur staat?” Volgens mij is het in het populaire Amerikaanse evangelicalisme het gebruikelijkst om de laatste dagen te verbinden met de laatste dagen van de hele wereld, wanneer Jezus terugkomt.
Voor zover ik kan nagaan, is er misschien geen enkele plaats in de Bijbel waar de uitdrukking „laatste dagen” op die manier wordt gebruikt. Mogelijk gebeurt dat wel in 1 Timotheüs, waar hij zegt:
Maar de Geest zegt uitdrukkelijk dat in latere tijden sommigen afvallig zullen worden van het geloof en zich zullen wenden tot misleidende geesten en leringen van demonen,
De spreker zegt hier „in de laatste dagen”; de HSV heeft „in latere tijden”.
enzovoort. Zelfs dat is niet noodzakelijkerwijs hetzelfde als waar wij gewoonlijk aan denken.
Alle Bijbelschrijvers gaven aan dat zij zelf in de laatste dagen leefden. Petrus deed dat. Hij zei: „Dit is wat Joël zei dat er in de laatste dagen zou gebeuren.” Maar laat me je een paar andere plaatsen laten zien waar de schrijvers van het Nieuwe Testament vrijwel eensgezind over hun eigen tijd spreken als de laatste dagen.
In Hebreeën 1:1–2 zegt de schrijver:
1Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon, 2Die Hij Erfgenaam gemaakt heeft van alles, door Wie Hij ook de wereld gemaakt heeft.
Hij zegt dat God vóór de laatste dagen alleen door de profeten sprak, maar dat Hij in deze laatste dagen door Zijn Zoon is gaan spreken. De schrijver van Hebreeën ziet de laatste dagen dus in wezen beginnen toen Jezus begon te getuigen. Volgens de schrijver van Hebreeën markeerde de verschijning van Jezus het begin van de laatste dagen.
We zien dit ook in 1 Petrus 1:20. Over Jezus zegt hij:
Hij is wel van tevoren gekend, vóór de grondlegging van de wereld, maar in de laatste tijden geopenbaard omwille van u.
In de laatste tijden werd Jezus geopenbaard. Dat wil zeggen dat Zijn eerste komst de komst van de laatste tijden markeerde.
In Jakobus 5, waar hij de rijke mannen terechtwijst, zegt hij in vers 3:
Uw goud en zilver is verroest en hun roest zal een getuigenis tegen u zijn en uw vlees als een vuur verteren. U hebt schatten verzameld in de laatste dagen.
Zij bevinden zich in de laatste dagen en zij vergaren schatten omdat zij in de laatste dagen leven, zei Jakobus.
Het laatste uur en het laatste tijdperk #
In 1 Johannes 2 hebben we een andere schrijver. Ik probeer je voorbeelden te geven van meer dan één schrijver die op dezelfde manier spreekt. In vers 18 staat:
Kinderen, het is het laatste uur; en zoals u gehoord hebt dat de antichrist eraan komt, zijn er ook nu al veel antichristen gekomen, waaruit wij weten dat het het laatste uur is.
In zijn tijd waren er dus veel antichristen gekomen, waardoor hij wist dat het het laatste uur was.
En Paulus dan? Hoe dacht hij over de dingen? In 1 Korinthe 10:11, nadat hij de gebeurtenissen en de ervaringen van de Joden in de woestijn tijdens de veertig jaar van hun omzwervingen heeft beschreven, zegt hij:
Al deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden voor ons , en ze zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, over wie het einde van de eeuwen gekomen is.
Hij zei:
Het einde der tijden is over ons gekomen. Let erop dat de schrijvers van het Nieuwe Testament zeiden dat zij leefden in de laatste dagen, de laatste tijd, het laatste uur, de laatste tijden en het einde van de tijdperken. Dat zijn uitdrukkingen waarvan wij misschien zouden denken dat ze naar het einde van de wereld verwijzen, maar zij leefden duidelijk niet aan het einde van de wereld. Er zijn een paar manieren waarop we dit zouden kunnen begrijpen.
Eén manier waarop veel uitleggers het zijn gaan begrijpen, is dat het hele tijdperk vanaf de eerste komst van Jezus tot de wederkomst van Jezus de laatste dagen vormt. Het is het laatste tijdperk. Daarvoor waren er andere tijdperken. Er waren de tijdperken vóór Mozes. Tijdens de tijd van Mozes was er het tijdperk van de wet. Nu is dit het laatste tijdperk, de laatste dagen, het laatste tijdvak. De tijd vanaf de komst van de Messias totdat Hij aan het einde opnieuw komt, is de laatste dagen.
Dat is een volkomen mogelijke interpretatie. Ik zal die niet ontkrachten, want ik kan niet zeggen dat ze verkeerd is. Het heeft mij altijd wat buiten verhouding geleken om een periode van tweeduizend jaar „de laatste dagen” of „het laatste uur” te noemen. Als Hij had gezegd dat we ons in het laatste tijdperk bevinden, zou dat misschien geen probleem opleveren. Maar het laatste uur, de laatste dagen, terwijl hij het in werkelijkheid over tweeduizend jaar heeft — dat vind ik moeilijk, al is het niet onmogelijk. Het kan zijn dat zij er zo over dachten.
Het einde van het oude verbond #
Een andere uitleg lijkt mij waarschijnlijker. Die lijkt jou misschien niet waarschijnlijker, en dat hoeft ook niet. Je hoeft het niet met mij eens te zijn. Maar ik geloof dat zij de oudtestamentische profeten juist begrepen, namelijk dat wanneer het nieuwe tijdperk zou aanbreken, het tijdperk van de Messias, het oude tijdperk ten einde moest komen. God zou een nieuw verbond sluiten met het huis van Israël, maar dat zou het einde van het oude verbond betekenen. God zou een Messiaanse gemeenschap tot stand brengen, maar dat zou het einde van het oude bestel betekenen. En het oude bestel zou worden vernietigd wanneer het nieuwe kwam.
Zo begrijp ik veel passages in de oudtestamentische profeten. Je denkt waarschijnlijk dat ik je nu naar al die passages ga verwijzen, maar dat ga ik niet doen. Dat soort dingen heb ik al behandeld. Ik wil verdergaan. Er zijn heel veel passages in het Oude Testament die spreken over de komst van de Messias en daarna over een oordeel dat komt. Dat is natuurlijk wat er historisch is gebeurd. De Messias kwam, Hij sloot het nieuwe verbond, en binnen die generatie kwamen de Romeinen en vernietigden alle uiterlijke kenmerken van het oude verbond. De tempel, het priesterschap — alles werd in het jaar 70 na Christus vernietigd. God vaagde het oude bestel dus weg, kort nadat Hij het nieuwe bestel had ingesteld.
Persoonlijk denk ik dat de apostelen begrepen dat dit het geval was. Zij zagen dat het nieuwe bestel werd ingeluid met de komst van de Heilige Geest op Pinksteren. Het oude bestel moest dus op het punt staan weggevaagd te worden. De schrijver van Hebreeën zegt dat zelfs in Hebreeën 8:13. Hij zei:
Als Hij spreekt van een nieuw verbond , heeft Hij daarmee het eerste voor verouderd verklaard. En wat oud is verklaard en wat veroudert, staat op het punt te verdwijnen.
Daarna zegt hij:
Wat verouderd is en steeds ouder wordt, staat nu op het punt te verdwijnen.
Hij schreef dat vlak voor de verwoesting van Jeruzalem. Hij zei dat Jezus, toen Hij een nieuw verbond sloot, daarmee het oude verbond verouderd maakte. Maar het bestond in zekere zin nog steeds, want mensen gingen nog altijd naar de tempel, de priesters waren er nog en het oude bestel functioneerde nog steeds. Maar het was verouderd. Het had geen enkele waarde meer. Hij zei dat dit verouderde bestel bijna zou verdwijnen. Hij wist dat het vernietigd zou worden.
De naderende verwoesting van Jeruzalem #
Jezus zei dat geen enkele steen van de tempel op een andere zou blijven staan. Ze zouden allemaal afgebroken worden. Hij zei dat het in deze generatie zou gebeuren. Ze wisten dus dat hun generatie de verwoesting van de tempel zou meemaken. Jezus huilde in Lukas 19 over Jeruzalem en zei:
Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen.
Maar Hij zei:
Uw vijanden zullen u omsingelen, u met de grond gelijkmaken en in u niet één steen op de andere laten, omdat u het tijdstip waarop God naar u omzag niet hebt onderkend.
Jezus en ook Johannes de Doper voorspelden meerdere keren duidelijk de verwoesting van het Joodse bestel of zinspeelden daarop, die niet ver meer weg was. Ze zou binnen die generatie plaatsvinden, zoals Hij had gezegd. Omdat dit zo was, wisten de apostelen dat met de komst van het nieuwe bestel de dagen van het oude bestel geteld waren. Binnen die generatie zou het oude bestel worden weggevaagd.
Dat lijkt ons misschien niet zo belangrijk. Wij zijn nooit Joden geweest die in de tempel dienst deden en dat soort dingen. Voor ons geldt: we werden gered en kregen Jezus, en wat kan het ons schelen wat er met Jeruzalem gebeurde? Maar deze mannen waren mensen die hun hele leven Jood waren geweest. Jeruzalem en de tempel vormden het hele stelsel van aanbidding dat God had ingesteld en veertienhonderd jaar lang had gebruikt. Zij en hun voorouders hadden nooit iets anders gekend. Dat Jezus zei:
Jezus antwoordde en zei tegen hen: Ziet u dit alles? Voorwaar, Ik zeg u: hier zal niet één steen op de andere steen gelaten worden die niet afgebroken zal worden.
betekende een radicale verandering. Het veranderde hun hele manier van denken over de aanbidding van God en alles wat daarmee samenhing.
Toen de Messias op de dag van Pinksteren de Geest zond, beseften zij dat dit voor het oude bestel het begin van het einde was. Ik geloof dat zij, wanneer ze over de laatste dagen of het einde van het tijdperk spraken, het einde van het Joodse tijdperk bedoelden. Ik geloof dat het de laatste dagen van het tempelstelsel waren.
Geest en oordeel in Joëls profetie #
Het is interessant dat Petrus genoeg uit de passage in Joël citeert om zowel de uitstorting van de Geest als de verwoesting van het oude bestel erin op te nemen. Hij zegt:
28Daarna zal het geschieden dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees: uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw ouderen zullen dromen dromen, uw jongemannen zullen visioenen zien. 29Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.
Dat is Pinksteren.
Petrus had het citaat op dat punt kunnen beëindigen. Hij hoefde de rest niet te citeren, want door die twee verzen uit Joël te citeren had hij uitgelegd waar de mensen naar vroegen: „Wat gebeurt hier?” Dit is de uitstorting van de Geest. Joël heeft het gezegd. Dit is gebeurd. Maar hij blijft de rest van de passage citeren. In de rest van de passage zegt hij dat er vuur en bloed en rookzuilen zullen zijn, tekenen op de aarde en tekenen aan de hemel, en dat de grote en verschrikkelijke dag van de Heere komt. Er komt iets afschuwelijks over degenen die eraan onderworpen zijn.
Er komt niet per se iets slechts, maar in elk geval iets afschuwelijks voor degenen die eraan onderworpen zijn. Er kwam een afschuwelijk oordeel over de stad Jeruzalem vanwege haar verwerping van de Messias. Wij kunnen er historisch op terugkijken, en wij kunnen Josephus lezen en precies zien hoe afschuwelijk dat was. Ontzettend. Het was een ontzettende gebeurtenis. Honderdduizenden Joden werden afgeslacht, en de rest, die niet werd afgeslacht, werd in gevangenschap weggevoerd en kwam feitelijk opnieuw als ballingen in heidense landen terecht.
Wanneer Petrus hier in vers 19 verder citeert, zegt hij:
17En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, uw jongemannen zullen visioenen zien en uw ouderen zullen dromen dromen. 18En ook op Mijn dienaren en op Mijn dienaressen zal Ik in die dagen van Mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. 19En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed, vuur en rookwalm. 20De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en ontzagwekkende dag van de Heere komt. 21En het zal zo zijn dat ieder die de Naam van de Heere zal aanroepen, zalig zal worden.
De dag van de Heer als oordeel over Juda #
Wij zouden kunnen zeggen dat dit misschien verwijst naar de tekenen die Jezus deed, of zelfs naar de tekenen die de apostelen in het boek Handelingen zouden gaan doen. En wonderen aan de hemel—de zon werd tenslotte verduisterd toen Jezus stierf. Misschien is dat waar hij naar verwijst. Maar hij spreekt over iets gewelddadigers: bloed en vuur, rookzuilen, de zon die in duisternis verandert en de maan in bloed, voordat de grote en opmerkelijke dag van de Heere komt.
Spreekt hij over het einde van de wereld? Als dat zo is, lijkt er niet veel reden te zijn waarom hij dat gedeelte hier citeert, want hij zei dat wij naar de vervulling van deze profetie kijken. Als het eerste deel van de profetie toen werd vervuld en het laatste deel nog tweeduizend jaar in de toekomst lag, had hij het commentaar op dat laatste deel achterwege kunnen laten, aangezien dat niet werd vervuld. Toch zag hij het volgens mij als de laatste dagen van de oude orde. Samen met de uitstorting van de Geest zou het oordeel worden uitgestort over het stelsel dat de profeten en Jezus had gedood.
Bedenk dat Jezus Zelf het in Mattheüs 23 zei:
Jeruzalem, dat de profeten doodt en hen stenigt die naar haar toe gezonden zijn: al het rechtvaardige bloed dat vergoten is, van Abel tot Zacharia, die tussen de tempel en het altaar gedood werd, zal over deze generatie komen.
En dat gebeurde: het oordeel over alle bloedschuld vanwege de rechtvaardige mannen die waren gedood.
In Lukas 13 zei Jezus tegen de Farizeeën:
Intussen moet Ik heden en morgen en de dag daarna reizen. Het gaat immers niet aan dat een profeet omkomt buiten Jeruzalem.
Hij was sarcastisch, want sommige profeten stierven wel buiten Jeruzalem. Maar het punt is: als je een profeet bent, kun je er geld op inzetten dat je waarschijnlijk in Jeruzalem zult sterven, want Jeruzalem is de stad die de profeten doodt. Natuurlijk kun je niet Gods profeten en ook Zijn Messias doden en daar voor altijd mee wegkomen. Jezus zei dat al die bloedschuld over deze generatie zou komen. En dat gebeurde.
Zij bevonden zich in de laatste dagen van dat stelsel, en het ging inderdaad ten onder met bloed en vuur en rookzuilen. De stad werd verbrand. Veranderde de maan in bloed? Ik ben opgegroeid in de omgeving van Los Angeles, en vergeleken met de jaren zestig en zeventig hebben ze de smog behoorlijk goed opgeruimd. Elke dag brandden je ogen als je naar buiten ging. Meer dan eens in mijn leven keken mijn vrienden en ik naar de volle maan, en die was bloedrood. Wij dachten dat dit in eschatologisch opzicht betekenisvol was, maar dat was niet zo. Het was gewoon smog. De nevel en de smog lieten de maan er bloedrood uitzien. Wanneer de lucht vol rook is, is er genoeg rook om de hemel te verduisteren. Het zonlicht wordt zwakker. De maan ziet er bloedrood uit.
Dit komt door de verbranding van Jeruzalem, de ramp waarvan Petrus zei dat die zou gebeuren, waarvan Joël zei dat die zou gebeuren en waarvan Jezus zei dat die zou gebeuren. Volgens mij spreekt Petrus tegen de inwoners van Jeruzalem, die deze holocaust, dit afschuwelijke, verschrikkelijke oordeel van God, tegemoet gaan. En hij zegt: „Joël zei dat dit zou gebeuren, maar voordat dit oordeel komt, vindt de redding van het overblijfsel plaats. Voordat God de afvalligen vernietigt, redt Hij de getrouwen. Hij stort Zijn Geest uit over de getrouwen. Hij vormt een nieuwe gemeenschap: een verbondsvolk met een nieuw verbond. Dan is het oude verbond verouderd en staat het op het punt te verdwijnen.”
Dat is volgens mij de context van de dag van Pinksteren waarop Petrus predikte. Wat hij zag, was niet alleen de uitstorting van de Geest, zoals Joël had gezegd, maar ook de ophanden zijnde, spoedige vernietiging van de oude orde. Die bestond uit degenen die Christus verwierpen en de Heilige Geest verwierpen.
Jezus gekruisigd door Joden en Romeinen #
Nu Petrus de passage heeft aangehaald, moet hij het natuurlijk over Jezus hebben. Veel mensen die naar hem luisterden, hadden Jezus gezien, omdat velen van hen inwoners van Jeruzalem waren. Maar anderen kwamen uit andere landen en waren er misschien niet bij geweest toen Jezus daar was. Hij moet hun dus duidelijk maken Wie Jezus is. Hij zegt:
Israëlitische mannen, luister naar deze woorden: Jezus de Nazarener, een Man Die u van Godswege aangewezen is door krachten, wonderen en tekenen, die God in uw midden door Hem gedaan heeft, zoals u ook zelf weet,
Er waren daar mensen die deze dingen hadden meegemaakt en wisten dat dit zo was.
deze Jezus , Die overeenkomstig het vastgestelde raadsbesluit en de voorkennis van God overgegeven is, hebt u gevangen genomen en door de handen van onrechtvaardigen aan het kruis gespijkerd en gedood.
De Romeinen stonden niet onder de wet, en het waren de handen van de Romeinen die Jezus kruisigden.
Merk op dat hij zegt dat de Joden Jezus ter dood brachten, terwijl de Romeinen het in werkelijkheid deden. Het is net als wanneer er wordt gezegd dat Judas de bloedakker kocht, terwijl de hogepriester die in feite met zijn geld kocht. Wanneer iets in opdracht van iemand of namens iemand wordt gedaan, is het alsof die persoon het zelf heeft gedaan. Het waren de Joden, de overpriesters, die Pilatus chanteerden. Hij wilde Jezus vrijlaten. Hij sprak drie keer met Jezus en alle drie de keren zei hij in feite: Hij is onschuldig. Ik ben de rechter. Hij is de gevangene. Jullie beschuldigen Hem. Ik heb met Hem gesproken. Ik heb vastgesteld dat deze Man niets verkeerds heeft gedaan. Nou, dan had Hij vrijuit moeten gaan, toch? Hij had niet eens voor Pilatus gebracht mogen worden. Hij had niet gevangengezet mogen worden. Hij had zelfs niet geslagen mogen worden. Hij had gewoon moeten kunnen gaan.
Maar de Joden zeiden tegen Pilatus:
Van toen af probeerde Pilatus Hem los te laten, maar de Joden schreeuwden: Als u Deze loslaat, bent u niet de vriend van de keizer; iedereen die zichzelf koning maakt, verzet zich tegen de keizer.
Geen vriend van Caesar? Dat heeft bepaalde gevolgen voor Pilatus. Als Pilatus partij kiest voor iemand die geen vriend van Caesar is, zou Caesar hem dan niet ook als een vijand kunnen beschouwen? Dat is wel het laatste wat enige Romeinse functionaris ooit zou wensen. Dit is chantage.
Maar Pilatus zei: Oké, ga je gang. We zullen Hem kruisigen. Toen waste hij zijn handen.
Toen Pilatus zag dat hij niets bereikte, maar dat er veeleer opschudding ontstond, nam hij water, waste zijn handen voor de ogen van de menigte en zei: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze Rechtvaardige. U moet maar zien.
Op die manier kun je jezelf echt niet reinigen. Maar de waarheid is dat hij zelfs toen verklaarde dat Jezus onschuldig was. De Romeinen doodden Jezus, maar ze wilden dat niet. Ze hadden niets tegen Hem. Ze voelden zich niet bedreigd. Het waren de overpriesters die zich door Hem bedreigd voelden, en zij chanteerden Pilatus om hem ertoe te brengen het te doen. En hij deed het.
Het gebeurde dus door de handen van wetteloze mensen, dat wil zeggen: de Romeinen. Niet dat de Romeinen geen wetten hadden, maar ze hadden de Joodse wet niet. Ze stonden niet onder de wet van Mozes, zoals de Joden, en daarom waren ze voor de Joden wetteloos.
De uitleg van de spreker berust op de Engelse weergave „lawless men”; de HSV spreekt in Handelingen 2:23 van „onrechtvaardigen”.
Schuld aan Jezus’ dood en antisemitisme #
Hij zei:
Jullie Joden hebben Hem gekruisigd.
Trouwens, Paulus zei dat later ook over de Joden. Hij zei dat zij Jezus hadden gekruisigd. Het lijkt vreemd om dat te zeggen.
Helaas kregen de Joden veel later in de geschiedenis een onterecht stigma opgelegd. Zelfs in onze tijd hebben sommige mensen in bepaalde streken de Joden Christusmoordenaars genoemd. Laat ik voor alle duidelijkheid zeggen dat er geen enkele hedendaagse Jood op aarde is die Christus heeft gedood, tenzij hij dat in figuurlijke zin heeft gedaan, zoals wij dat allemaal hebben gedaan. In zekere zin hebben al onze zonden Christus gedood. Maar sommige Joden waren op een bepaald moment in de geschiedenis verantwoordelijk voor de kruisiging van Christus, en de apostelen hebben dat gezegd. Dat betekent niet dat alle Joden uit alle tijden schuldig zijn. Hedendaagse Joden hebben niet méér gedaan om Christus te doden dan enige heiden, en dat stigma rust niet meer op hen.
God is geen racist. Hij rekent mensen geen zonden aan vanwege wat hun voorouders hebben gedaan. Ook beschouwt Hij mensen niet als rechtvaardig omdat hun voorouders rechtvaardig waren.
De mens die zondigt, die zal sterven.
Een zoon zal niet verantwoordelijk worden gehouden voor de zonden van zijn vader, zegt Ezechiël 18, en de vader ook niet voor de zonden van zijn zoon. De ziel die zondigt, die zal sterven. De persoon die zondigt, sterft vanwege zijn eigen zonden.
Hoewel we dus erkennen dat de apostelen duidelijk zeiden dat de Joden Jezus hebben gedood, heeft dat geen enkele betekenis voor de schuld van een hedendaagse Jood, of van enige andere Jood dan degenen die bij dat proces betrokken waren. Maar het is waar. De overpriesters en de Farizeeën hebben samen alles zo geregeld dat Jezus uit de weg werd geruimd. De Romeinen wilden zich niet van Hem ontdoen, maar ze werden onder druk gezet. De Romeinen doodden Hem dus, maar Petrus zegt: Jullie hebben het gedaan. Jullie Joden hebben het gedaan door de handen van die wetteloze mensen.
De opstanding en Davids profetie #
Inmiddels heeft hij gezegd dat Jezus gekruisigd werd. Dan vers 24:
God heeft Hem echter doen opstaan door de weeën van de dood te ontbinden, omdat het niet mogelijk was dat Hij daardoor vastgehouden zou worden.
De uitspraak dat het niet mogelijk was dat Jezus door de dood werd vastgehouden, kan erop wijzen, hoewel hij dat niet heeft gezegd, dat Jezus, omdat Hij zonder zonde was, niet onderworpen was aan de straf voor de zonde. Het loon van de zonde is de dood, maar Jezus had werkelijk niet gezondigd. Hoe kon de dood Hem dan werkelijk vasthouden?
Jezus hoefde niet te sterven. Hij zei:
Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf; Ik heb macht het te geven, en heb macht het opnieuw te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.
Als Jezus Zijn leven niet had afgelegd, had niemand Hem kunnen doden. Toen Hij Zijn leven wel aflegde, kon de dood Hem niet vasthouden. Hij verdiende de dood niet, en daarom zou de gerechtigheid zelf niet toestaan dat de dood Jezus vasthield. Dus werd Hij natuurlijk uit de dood opgewekt.
Dan citeert hij David uit Psalm 16:
9Daarom is mijn hart verblijd en mijn eer verheugt zich, ook zal mijn lichaam veilig wonen. 10Want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten, U laat niet toe dat Uw Heilige ontbinding ziet. 11U maakt mij het pad ten leven bekend; overvloed van blijdschap is bij Uw aangezicht, lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, voor altijd.
Dit is een citaat uit Psalm 16, vers 8 tot en met 11, dat als messiaans wordt opgevat. David spreekt over zichzelf, maar Petrus vat het op alsof de Messias spreekt. We kunnen maar beter wennen aan de manier waarop de apostelen dit doen. Ze citeren vaak Psalmen waarvan je zou denken dat David alleen over zichzelf sprak, maar de apostelen nemen zonder meer aan dat Jezus hier spreekt.
Hoe rechtvaardigen ze dat? Bedenk dat Jezus hun verstand opende, zodat ze de Schriften konden begrijpen. Wat zij begrepen, is dat er bepaalde personen in het Oude Testament zijn, met David als een opmerkelijk voorbeeld, die een voorafbeelding en een schaduwbeeld van Christus waren. De Messias zou een nieuwe David zijn, een tweede David, die van de oude David afstamde. Maar Hij zou een nieuwe David zijn die het koninkrijk zou brengen zoals David dat had gehad, en het zou een heerlijk koninkrijk zijn zoals David dat had gehad. Dit werd door de Joden zo begrepen. Het was een zeer belangrijk geloofsartikel binnen het Joodse geloof dat de Messias een zoon van David moest zijn, omdat David een voorafbeelding en een schaduwbeeld van de Messias was.
Daarom sprak David, als voorafbeelding en schaduwbeeld van de Messias, soms over zichzelf. Maar wat voor hem gold, was ook een voorafbeelding van wat voor de Messias gold. De apostelen hadden blijkbaar door de Heilige Geest het vermogen om te weten wanneer dat het geval was. Petrus citeert hier twee verschillende passages van David. Eén daarvan is Psalm 110, verderop in de preek. In beide gevallen zegt Petrus dat de Messias hier spreekt. David spreekt dus in de persoon van de Messias.
Het belangrijkste punt van dit lange citaat, vers 8 tot en met 11 uit Psalm 16, is eenvoudigweg de inhoud van vers 27 hier:
want U zult mijn ziel in het graf niet verlaten en Uw Heilige niet over geven om ontbinding te zien.
Wat David blijkbaar zegt, is: ‘Ik zal niet in Hades achtergelaten worden.’
De Engelse vertaling laat hier de termen Hades en Sheol onvertaald staan; de HSV geeft ze in de aangehaalde passages weer als „het graf”.
De betekenis van Hades en Sheol #
Wat is Hades? Het is een woord dat in het Oude Testament wordt gebruikt. Sheol is het Hebreeuwse woord in het Oude Testament. Hades is de Griekse versie ervan. In Psalm 16 staat feitelijk:
U zult mijn ziel niet achterlaten in het dodenrijk, omdat Sheol de Hebreeuwse versie van Hades is. Petrus preekt in het Grieks, dus gebruikt hij Hades.
Hades en Sheol betekenen eenvoudigweg de plaats van de doden. Helaas hebben sommige oude vertalingen, zoals de King James Version, waar ik van houd maar die niet in alle opzichten volmaakt is, Hades en Sheol vaak vertaald met ‘hell’. Datzelfde woord, Hades of Sheol, wordt in de King James Version soms vertaald met ‘the grave’ en soms met ‘the pit’. Hetzelfde woord wordt dus zelfs in de oude vertalingen met allerlei verschillende Engelse woorden vertaald.
In moderne vertalingen, zoals de New King James die ik hier voor me heb, wordt het helemaal niet vertaald. Er staat gewoon het Griekse woord Hades:
U zult mijn ziel niet achterlaten in de onderwereld.
Waarom heeft men het woord ‘hell’, ‘grave’ of wat dan ook losgelaten? Omdat Bijbelgeleerden en taalgeleerden nu weten dat Sheol in het Hebreeuws en Hades in het Grieks, die gelijkwaardig zijn, niet verwijzen naar iets heel specifieks waarvoor we een Engels woord hebben.
Als je in welk lexicon dan ook kijkt, staat daar dat dit woord de plaats van de doden betekent. Het kan het graf zijn waar het dode lichaam ligt, of het kan een plaats voorbij het graf zijn. Het is eenvoudigweg de plaats van de doden, zonder dat er onderscheid wordt gemaakt. Het gaat niet alleen om de slechte doden. Daarom was het zo’n vergissing om het met ‘hell’ te vertalen, want alleen de goddelozen zullen naar de hel gaan. Maar in de Bijbel zijn Sheol en Hades een plaats waar iedereen naartoe gaat. Wanneer je dood bent, ben je in Hades.
David verwachtte naar Sheol te gaan, maar hij verwachtte niet daar achtergelaten te worden.
‘Ik zal daar niet tot ontbinding overgaan.’ Wat David waarschijnlijk bedoelde, was het volgende. Er zijn namelijk verschillende momenten in de Psalmen waarop David erover spreekt dat God hem uit Hades zal redden. Gewoonlijk betekent dat: ‘U zult mij niet laten sterven. Op dit moment word ik bedreigd. Ik heb vijanden die mij achtervolgen. Ze willen mij doden, maar U zult niet toelaten dat ze mij te pakken krijgen. U zult mij niet in Hades dumpen. Ik heb nog meer leven voor me. U hebt nog meer met mij voor dan dat. Ik zal niet in Hades achtergelaten worden. U zult mij niet toestaan om nu gewoon weg te rotten in de hel, of in het graf.’
Maar wanneer dit als een voorafbeelding van Christus wordt gezien, zegt Petrus dat het letterlijker bedoeld is. David denkt misschien alleen in de trant van: ‘Op dit moment, God, zult U mij niet laten sterven en naar Hades laten gaan.’ Maar de letterlijke bewoording luidt:
U zult mijn ziel in het graf niet verlaten en niet toelaten dat Uw Heilige ontbinding ziet.
Dat wil zeggen: ontbinding. Petrus gaat zeggen dat dit letterlijk waar is voor Jezus. Hij was niet lang genoeg in Hades om tot ontbinding over te gaan. Hij was daar slechts drie dagen en Hij kwam eruit. God liet Hem daar niet achter. Dat is het punt dat Petrus hier gaat maken.
Davids graf en Jezus’ opstanding #
Hij zegt in vers 29:
Mannenbroeders, het is mij toegestaan over de aartsvader David vrijuit tegen u te zeggen dat hij én gestorven én begraven is, en dat zijn graf tot op deze dag bij ons is.
Met andere woorden, als je het wilt nagaan: hij is in Hades. Zijn lichaam is vergaan. Deze uitspraak kan dus niet alleen op hem van toepassing zijn. Ze moet op iemand anders van toepassing zijn.
Hij zegt:
30Aangezien hij een profeet was en wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij uit de vrucht van zijn lichaam, voor zover het zijn vlees betrof, de Christus zou doen opstaan om Hem op zijn troon te zetten, 31daarom voorzag hij dit en zei hij over de opstanding van Christus dat Zijn ziel niet is verlaten in het graf en dat Zijn vlees geen ontbinding heeft gezien.
We hebben dus van Petrus zwart op wit dat David een profeet was.
Hij is daar niet vergaan, omdat Hij in plaats daarvan uit de dood opstond. De meeste mensen vergaan in het graf. Jezus kreeg daar nooit de gelegenheid toe, omdat Hij te snel opstond.
32Deze Jezus heeft God doen opstaan, waarvan wij allen getuigen zijn. 33Hij dan, Die door de rechter hand van God verhoogd is en de belofte van de Heilige Geest ontvangen heeft van de Vader, heeft dit uitgestort wat u nu ziet en hoort. 34David is immers niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot Mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand ,
Je merkt dat zijn lichaam nog steeds in het graf ligt, als je het wilt nagaan. Hij is niet opgestaan. Maar hij zegt zelf — en nu citeert hij Psalm 110:1:
Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben tot een voetbank voor Uw voeten.
Psalm 110 en de troonsbestijging van Jezus #
Psalm 110 is het vaakst geciteerde hoofdstuk uit het Oude Testament in het Nieuwe Testament. Schrijvers van het Nieuwe Testament — Paulus, Petrus en Markus — en Jezus Zelf citeerden uit deze psalm over Hemzelf. Jezus citeerde juist dit vers toen Hij met de Farizeeën sprak. Hij zei:
Wat denkt u over de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tegen Hem: Davids Zoon .
Zij zeiden:
Hij is de zoon van David.
Hij zei:
Hoe kan David Hem dan in de Geest zijn Heere noemen, wanneer hij zegt: De Heere heeft gezegd tegen mijn Heere: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden neergelegd heb als een voetbank voor Uw voeten?
Als de Messias Davids zoon is, waarom sprak hij dan over de Messias als zijn Heere?
Daar gaan we nu niet op in, maar het laat zien dat de Joden zelf Psalm 110 als een messiaanse psalm erkenden. Jezus deed dat ook. Petrus ook. Paulus ook. Markus ook. Dit vers, of een ander vers in hetzelfde hoofdstuk van Psalm 110 — vers 4:
De HEERE heeft gezworen en Hij zal er geen berouw van hebben: U bent Priester voor eeuwig, naar de ordening van Melchizedek.
— wordt vier of vijf keer in Hebreeën geciteerd. Neem die twee verzen samen, en dat hoofdstuk, Psalm 110, wordt vaker in het Nieuwe Testament geciteerd dan enig ander hoofdstuk uit het Oude Testament.
Dit is een heel belangrijk vers over de opstanding van Christus. Let erop dat het niet zozeer een uitspraak over de opstanding is als wel over de troonsbestijging van Christus. God zei tegen mijn Messias, mijn Heere — je ziet dat er in Psalm 110 twee verschillende woorden voor Heere staan. Wanneer er staat:
Een psalm van David. De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben tot een voetbank voor Uw voeten.
is de eerste Heere in het Hebreeuws Jahweh. Het tweede woord is Adonai, wat meester betekent. Je zou Psalm 110 dus zo kunnen vertalen:
Jahweh zei tegen mijn heer, en mijn meester is de Messias. David noemt de Messias zijn meester. Jahweh zegt tegen de Messias:
Ga aan Mijn rechterhand zitten totdat Ik Je vijanden tot Je voetbank maak.
Daar wordt niet specifiek naar de opstanding verwezen. Maar als de Messias gekruisigd werd, spreekt het vanzelf dat Hij zal moeten opstaan als Hij op een stoel zal gaan zitten, als Hij op een troon zal gaan zitten en als Hij verhoogd zal worden. In de vroege christelijke prediking noemden ze altijd de opstanding van Christus, maar het was heel gebruikelijk om Zijn opstanding te verbinden met Zijn troonsbestijging, die onmiddellijk of kort daarna plaatsvond. De kern van hun verkondiging was dat Jezus in de hemel aan de rechterhand van God op de troon was gezet. Dat is wat ‘Jezus is Heere’ betekent.
Jezus is Heer: de kern van het evangelie #
De kern van de verkondiging van de vroege gemeente was: ‘Jezus is Heere.’ Daarom werden ze door Caesar gedood, want Caesar dacht dat hij de heer was. Jezus was niet dezelfde als Caesar, en doordat ze zeiden: ‘Jezus is Heere’, werden ze gezien als mensen die iets zeiden wat het gezag van Caesar enigszins ondermijnde. Maar dit was de universele verklaring van de gemeente.
Paulus zei in Romeinen 10:9:
Als u met uw mond de Heere Jezus belijdt en met uw hart gelooft dat God Hem uit de doden heeft opgewekt, zult u zalig worden.
‘Jezus is Heere’ is dus de voornaamste verkondiging van de gemeente en van het evangelie. Maar Hij is de Heere omdat God Hem, hoewel Hij gekruisigd was, door de opstanding in het gelijk stelde, Hem tot Zijn rechterhand verhief en Hem Koning der koningen en Heere der heren maakte. Zoals Jezus na Zijn opstanding zei:
En Jezus kwam naar hen toe, sprak met hen en zei: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Hij is de hoogste Heere, heerser en meester van het heelal. Dat is wat de christelijke kerk verkondigt.
Ja, in de preken vermelden ze dat Jezus stierf. Let erop dat hier helemaal niets over de verzoening wordt gezegd. Hij gaat heel snel voorbij aan de dood van Jezus: ‘Jullie hebben Hem gedood, maar God heeft Hem opgewekt, en Hij is nu aan de rechterhand van God.’ Wij zouden altijd de noodzaak voelen om erover te spreken dat Hij voor jouw zonden stierf en voor jouw zonden verzoening bewerkte. Deze dingen zijn waar. Het is alleen interessant dat we de apostelen dat niet horen noemen wanneer ze evangeliseren. Je zou denken dat ze dat wel zouden doen.
Merk ook op dat ze niets zeggen over het hiernamaals. In deze preek wordt nergens gezegd dat je niet naar de hemel zult gaan als je Jezus niet aanneemt. In geen enkele evangeliserende preek in het Nieuwe Testament wordt de hemel of de hel genoemd. Je kunt ze zelf lezen om te zien dat dit zo is. Je hoeft mij daarin niet op mijn woord te geloven. Ik heb het gedaan, maar ik moedig jou aan om het ook te doen. We gaan ze hier doornemen. We zullen nergens zien dat de apostelen tegen ongelovigen spreken over naar de hemel of naar de hel gaan. Ze hielden mensen nooit een worst voor om hen ertoe te brengen zich nu te laten behouden, zodat ze er later geen spijt van zouden krijgen.
Wat zij benadrukten, was dat Jezus Heere is. Punt. Dat is de verklaring. Het is een bekendmaking. Het Griekse woord voor ‘prediken’ betekent verkondigen. Het betekent niet smeken. Het betekent niet onderhandelen. Het betekent niet bedelen. Het betekent iets verkondigen. Wij hebben een boodschap. Het is goed nieuws. Dat is wat het woord ‘evangelie’ betekent.
Verkondiging zonder verkooppraatje #
Het goede nieuws is dat er een andere Koning is, ene Jezus; dat er een Heere is; dat God deze Jezus, Die jullie gekruisigd hebben, uit de dood heeft opgewekt en Hem aan Zijn rechterhand heeft gezet; en dat Hij nu de Heere is. We zien dat Petrus zo zijn preek afsluit. Vers 36 zegt:
Laat dan heel het huis van Israël zeker weten dat God Hem tot een Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die u gekruisigd hebt.
Messias betekent de Gezalfde, de Koning, de Koning Die door God over het Koninkrijk van God is gezalfd.
Dat is het einde van zijn preek. Hij deed geen oproep om naar voren te komen. Hij zei niet: ‘Nu, terwijl ieder—’
—hoofd gebogen is en elk oog gesloten is, zal niemand het zien als je Jezus erkent. Steek alleen even je hand op. Ik zal het tegen niemand zeggen. Totdat natuurlijk alle ogen weer opengaan, en dan laat ik je naar voren komen en ziet iedereen je. Maar ik heb je natuurlijk voor de gek gehouden. Zo misleiden we mensen om een keuze voor Christus te maken die daar anders te schuchter voor zijn.
Nee, zoiets gebeurde nooit. De apostelen moedigden nooit iemand aan om tot Christus te komen die niet bereid was voor Christus op te staan en zelfs voor Christus te sterven. Dat is de toewijding. Aan een Heere ben je niets minder dan die toewijding verschuldigd. Heren onderhandelen niet. Heren geven bevelen. Toen Paulus in Handelingen 17 op de Areopagus predikte, zei hij:
God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden van de onwetendheid, nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren,
Staat Hij bij de deur, met Zijn hoed nederig in de hand, te kloppen en te zeggen: ‘Wil je alsjeblieft binnenkomen? Laat Mij alsjeblieft niet hier buiten in de kou staan’? Nee, Hij is geen bedelaar. Hij is de Koning. Hij doet geen verzoeken; Hij stelt ultimatums. ‘Ik ben Heere. Bekeer je.’ Dat is de boodschap.
Wij proberen mensen over te halen met allerlei rooskleurige beloften of dreigementen en spelen daarbij in op hun eigenbelang. Hier wordt geen beroep gedaan op eigenbelang. Merk op dat Petrus niet zei: ‘Het zal echt goed voor je zijn als je je bekeert. Je zult gelukkiger worden. Je huwelijk zal beter worden. Je zult vrede, liefde en blijdschap hebben. Je zult een echt gelukkig, evenwichtig mens worden. Niets zal dat gat in je hart dat alleen God kan vullen, zo vullen als Jezus. Je bent ernaar op zoek geweest. Je hebt je onvervuld gevoeld. Je hebt alleen Jezus nodig. Hij zal je gelukkig laten voelen. Je zult versteld staan hoeveel je leven zal veranderen.’
Hier wordt geen verkooppraatje gehouden. De apostelen waren geen zeepverkopers. Ze waren boodschappers van een Koning, met een boodschap van de Koning. De boodschap was: ‘Jezus is de Koning. Zie maar hoe je daarmee omgaat. Ik ben klaar. Ik heb je verteld wat je geacht wordt te weten.’
Het koningschap raakt hun geweten #
Wat interessant is, is dat hij een reactie kreeg zonder een oproep om naar voren te komen. Er staat:
En toen zij dit hoorden, werden zij diep in het hart geraakt en zeiden tegen Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannenbroeders?
Hij gebruikte zelfs geen enkele vorm van sluwe misleiding om hen ertoe te brengen hem serieus te nemen. In plaats daarvan zei hij gewoon tegen hen: ‘De boodschap is dat er een Koning is. Laat heel het huis van Israël weten dat God deze Jezus, Die jullie gedood hebben, aan Zijn rechterhand heeft gezet en Hem tot Koning heeft gemaakt. Hij heeft Hem tot Heere gemaakt. Hij heeft nu een Koninkrijk, en jullie zijn er nog niet in. Sterker nog, jullie zijn, voor zover ik me herinner, de mensen die Hem gedood hebben. Einde van de bekendmaking.’
Het sneed hun door het hart. Want als je het Koninkrijk van God predikt, wat de apostelen en Jezus Zelf predikten, predik je dat Jezus Koning is, en laat je de Heilige Geest met het geweten afrekenen. Als ik geen gelovige ben en ik hoor dat er een andere Koning is, Jezus, dan denk ik: ‘Wacht eens even. Als God Hem tot Koning heeft gemaakt, hoe sta ik er dan voor? Ik volg Hem niet. Ik heb mijn hele leven geleefd zonder rekening met Hem te houden. Ik heb mijn hele leven geleefd zonder Hem te gehoorzamen. Je hebt een Koning; koningen hoor je te gehoorzamen. Ik kan me misschien voorstellen wat mij op de oordeelsdag kan overkomen als ik de Koning verwerp.’
Ik heb niemand nodig die een hele waslijst van voordelen voorleest die ik zal krijgen als ik Hem aanneem. Het gaat er niet om dat ik voor mezelf zorg. Het gaat erom dat ik God geef wat Hem toekomt. Het gaat erom dat God Zijn zin krijgt.
Bijbelse evangelisatie in het boek Handelingen was op God gericht, niet op de mens. Ze probeerden mensen die zonder rooskleurige beloften niet zouden geloven, niet tot geloof te bewegen. Hier staan geen rooskleurige beloften. Het gaat er eenvoudig om dat ze te horen krijgen Wie de leiding heeft en met Wie ze te maken zullen krijgen.
“Nu weten jullie dat. Het is aan jullie om te doen wat jullie willen doen. Er is een Koning. Tot nu toe zijn jullie Hem overduidelijk niet gehoorzaam geweest. Misschien moeten jullie daar eens over nadenken. Dat is wat ik jullie hier kom vertellen. God heeft Jezus tot Heere gemaakt. Hij heeft Hem tot Messias gemaakt. Einde van de preek.”
Ze zeggen: “Maar we moeten iets doen. We willen op deze boodschap reageren. Wat moeten we doen? Wat verlangt God van ons als reactie hierop?”
Bekering, doop en de gave van de Geest #
Hij zei tegen hen:
En Petrus zei tegen hen: Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden in de Naam van Jezus Christus, tot vergeving van de zonden; en u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.
Daar staat een belofte. In dit specifieke geval is het geen belofte van de hemel, maar een belofte dat ze dezelfde Heilige Geest zullen ontvangen over Wie Petrus aan het begin sprak. Hij zei: “Zien jullie deze mensen? Waarom zijn ze anders? Omdat God Zijn Geest heeft uitgestort, zoals Joël zei dat Hij zou doen. Nu kunnen jullie de Heilige Geest ontvangen. Jullie kunnen deel uitmaken van deze gemeenschap. Jullie kunnen delen in deze uitstorting van Gods leven in mensen en in Gods werk op aarde. Jullie kunnen deel uitmaken van Gods Koninkrijk en van de gemeenschap waarin de Heilige Geest woont. Jullie kunnen daarbij horen. Ook jullie kunnen de gave van de Heilige Geest ontvangen, maar jullie moeten je bekeren en je laten dopen in de Naam van Jezus.”
Hierover een paar dingen. Petrus zei niets over geloven. Betekent dit dat mensen niet hoeven te geloven? Nee, natuurlijk moeten mensen geloven. Dat is heel duidelijk. We worden behouden door geloof. De Bijbel is daar duidelijk over. Maar later wordt naar deze mensen verwezen als degenen die geloofden. Het aantal mensen dat geloofde, bedroeg drieduizend. Ze geloofden inderdaad, maar hij hoefde niet te zeggen: “Geloof”, want dat deden ze al. Daarom zeiden ze: “Wat moeten we doen?” Ze geloofden wat hij zei. Toen hij zei dat Jezus de Heere is, geloofden ze dat Hij dat is. Wat moeten we nu doen? Het is duidelijk dat je moet omkeren. Je moet je bekeren. Je hebt verkeerd gehandeld. Je hebt verkeerd op Jezus gereageerd. Je hebt Hem gekruisigd. Of misschien was je een vreemdeling van buiten de stad, woonde je daar niet en had je Jezus zelfs nooit gezien. Ook dan heb je je leven geleid zonder rekening met Hem te houden. Dat moet veranderen.
Je bekeren betekent dat je van gedachten verandert. Metanoia betekent in het Grieks dat je van gedachten verandert. Tot nu toe dacht je dat Jezus geen rol speelde. Je leeft voor jezelf. Je hebt niets hogers om voor te leven. Nu besef je dat je voor God moet leven. Dat is een verandering van denken. Wanneer mensen zo van gedachten veranderen, verandert hun leven. Ze laten zich dopen.
Mensen die geloven dat je gedoopt moet worden om behouden te worden, zouden dit vers vaak gebruiken, omdat er staat:
Laat ieder van jullie zich dopen in de naam van Jezus Christus, zodat jullie zonden worden vergeven.
Het klinkt alsof hij zegt dat je je laat dopen en dat daardoor je zonden worden vergeven. De Church of Christ is bijvoorbeeld een goed voorbeeld van mensen die van mening zijn dat je zonden niet vergeven zijn tenzij je gedoopt bent. En er zijn nog andere groepen die dat vinden.
De vroege gemeente doopte bekeerlingen altijd zonder uitstel. Het was verplicht om gedoopt te worden. Maar ik geloof niet dat Petrus ons probeert te vertellen dat rechtvaardiging door de doop komt. Volgens mij zegt hij dat je het met God in orde moet maken om vergeving van je zonden te ontvangen. Om gerechtvaardigd te worden, moet je hier naar de andere kant oversteken. Je was tegen de Messias. Je moet naar Hem toe komen. Wat houdt dat in? Je gelooft, je bekeert je en je laat je dopen. Met andere woorden, je wordt christen. Je neemt de stappen om deel te gaan uitmaken van de christelijke gemeenschap, je ontvangt de Geest, en al deze dingen samen leiden tot de vergeving van zonden. Dat is trouwens niet eens iets wat hij hun in het eerdere deel van zijn preek beloofde. Pas toen ze vroegen: “Wat moeten we doen?”, zei hij: “Daarvoor kunnen jullie vergeving ontvangen.” De Koning tegen Wie je in opstand bent geweest, zal je amnestie verlenen als je van koers verandert en Hem volgt. Maar je moet je bekeren. Je moet je laten dopen. Je wordt werkelijk gedoopt in het Koninkrijk, in het lichaam van Christus.
Doop als teken van christelijke toetreding #
Ik geloof dat iemand behouden wordt zodra hij op een manier gelooft die hem tot behoud brengt, zoals de misdadiger aan het kruis. Hij geloofde op een manier die hem tot behoud bracht, en Jezus zei:
En Jezus zei tegen hem: Voorwaar, zeg Ik u, heden zult u met Mij in het paradijs zijn.
Die man was niet gedoopt. Daar was geen gelegenheid voor. Abraham, Izak en Jakob zijn in de hemel, en zij waren niet gedoopt. Maar de christelijke beweging wordt gekenmerkt door de doop als toetredingsritueel. De gemeenten brengen dit niet altijd zo nauwgezet in praktijk als ze zouden moeten, maar ik denk niet dat wij het recht hebben om dit te veranderen.
In de vroege gemeente was het vanzelfsprekend dat je je liet dopen als je gelovig was, en ze lieten zich nog diezelfde dag dopen, zonder uitzondering. Gedurende het grootste deel van de eeuwen van het christendom, waaronder de eerste eeuw, bestond er niet zoiets als een ongedoopte christen.
Ik denk niet dat gedoopt worden op zichzelf je relatie met God echt bevordert. Volgens mij markeert het het begin van je relatie met de gemeenschap van christenen. Je wordt gedoopt in de gemeente, in het lichaam van Christus, en dat is noodzakelijk. Het is belangrijk. Maar ik denk dat de doop zoiets is als een trouwring. Wat een stel getrouwd maakt, is niet dat ze ringen dragen, maar dat ze geloften hebben afgelegd en hun leven hebben veranderd. Ze hebben alle anderen afgezworen en zich voor het leven aan elkaar verbonden. Dat is wat je met Christus doet. Daardoor word je behouden. Je laat je dopen om dat eenvoudigweg te laten zien, net zoals je een ring omdoet om te laten zien dat je die verbintenis bent aangegaan.
Als je de ring kwijtraakt, of als de ring er niet is omdat het kind dat hem droeg hem door een rooster in de straat heeft laten vallen, kun je nog steeds getrouwd zijn zonder de ring. Maar je hoort wel een ring te nemen. Dit is je openbare verklaring dat je die geloften hebt afgelegd, en met de doop is het hetzelfde. Zo begrijp ik het, denk ik.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als Acts 2:5 - 2:39. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/handelingen/2-5-39
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/handelingen/2-5-39.pdf?v=67e4475e7e34
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Handelingen - Lezing 05 - 2.5-39.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/handelingen/2-5-39.mp3?v=544c0b3673f7
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Handelingen - Lezing 05 - 2.5-39.mp3
Handelingen
Alle lezingen over Handelingen. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 Overzicht Het ontstaan van de apostolische gemeente
- 2 1:1-8 Jezus werkt door Zijn Geest en gemeente
- 3 1:9-26 Jezus vaart op, Matthias vervangt Judas
- 4 2:1-4 De Heilige Geest komt op Pinksteren
- 5 2:5-39 Petrus verkondigt Jezus als Heer en Messias
- 6 2:40-47 De eerste gemeente deelt bezit en maaltijden
- 7 3:1-26 Een kreupele genezen, Jezus verkondigd
- 8 4:1-37 Petrus en Johannes voor het Sanhedrin
- 9 5:1-42 Ananias en Saffira liegen en sterven
- 10 6:1-7:60 Stefanus verdedigt zich en wordt gestenigd
- 11 8:1-25 Filippus in Samaria en Simon de tovenaar
- 12 8:26-40 Filippus verkondigt Jezus aan de kamerheer
- 13 9:1-25 Saulus ontmoet Jezus en verkondigt Hem
- 14 9:26-43 Barnabas helpt Saulus; Petrus geneest
- 15 10 God neemt Cornelius' huis in de gemeente op
- 16 11:1-30 Heidenen horen erbij en Antiochië groeit
- 17 12:1-25 Herodes doodt Jakobus; Petrus komt vrij
- 18 13:1-41 Paulus verkondigt de beloofde Zaligmaker
- 19 13:42-14:28 Paulus en Barnabas stichten gemeenten
- 20 15:1-35 Jeruzalem: geen wet van Mozes voor heidenen
- 21 15:36-16:24 Paulus brengt het evangelie naar Filippi
- 22 16:25-17:34 Paulus verkondigt Christus in vier steden
- 23 18:1-19:7 Paulus, Apollos, de doop en de Geest
- 24 19:8-41 Paulus in Efeze: bekering en verzet
- 25 20 Paulus’ reis en afscheid van de oudsten
- 26 21:1-22:21 Paulus gaat toch, wordt opgepakt en spreekt
- 27 22:22-24:27 Paulus verdedigt zich en blijft gevangen
- 28 25:1-26:32 Paulus beroept zich op de keizer
- 29 27:1-28:10 Paulus lijdt schipbreuk en strandt op Malta
- 30 28:11-31 Paulus verkondigt Gods Koninkrijk in Rome
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/handelingen/2-5-39.srt?v=55dfdeee1abf
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - Handelingen - Lezing 05 - 2.5-39.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/handelingen/2-5-39.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- Handelingen 2:5
- Handelingen 2:7
- Mattheüs 26:73
- Handelingen 2:5-13
- Handelingen 2:14-15
- Joël 2:28-32
- Handelingen 2:17-21
- Romeinen 10:13
- Joël 2:28
- 1 Timotheüs 4:1
- Hebreeën 1:1-2
- 1 Petrus 1:20
- Jakobus 5:3
- 1 Johannes 2:18
- 1 Korinthe 10:11
- Hebreeën 8:13
- Lukas 13:34
- Lukas 19:43-44
- Mattheüs 24:2
- Joël 2:28-29
- Mattheüs 23:35-37
- Lukas 13:33
- Handelingen 2:22
- Handelingen 2:23
- Johannes 19:12
- Mattheüs 27:24
- Ezechiël 18:4
- Handelingen 2:24
- Johannes 10:18
- Psalmen 16:8-11
- Handelingen 2:27
- Psalmen 16:10
- Handelingen 2:29
- Handelingen 2:30-31
- Handelingen 2:32-34
- Psalmen 110:1
- Mattheüs 22:42
- Mattheüs 22:43-44
- Psalmen 110:4
- Romeinen 10:9
- Mattheüs 28:18
- Handelingen 2:36
- Handelingen 17:30
- Handelingen 2:37
- Handelingen 2:38
- Lukas 23:43