Hosea lezen: een ontrouwe bruid en een God Die blijft liefhebben
God draagt een profeet op te trouwen met een vrouw die hem ontrouw zal zijn. In dat huwelijk ziet Israël zichzelf: een volk dat zijn God verlaat, en een God Die het oordeelt, maar het niet loslaat.

Hosea profeteerde in het noordelijke koninkrijk Israël, kort voor de val ervan, in dezelfde tijd als Amos en Jesaja. Waar Amos vooral streng is, legt Hosea de nadruk op Gods liefde, barmhartigheid en vergeving. Dat komt mede door zijn eigen leven: hij moest zijn boodschap uitbeelden in zijn huwelijk.
In de drie Nederlandstalige lezingen over Hosea behandelt Steve Gregg het boek van begin tot eind.
Een huwelijk als boodschap
Hoofdstuk 1 tot en met 3 vormen de historische proloog. God zegt tegen Hosea dat hij met een vrouw van hoererijen moet trouwen. Gomer baart drie kinderen met namen die een boodschap zijn: Jizreël, Lo-Ruchama (‘geen barmhartigheid’) en Lo-Ammi (‘niet Mijn volk’). Gregg laat zien dat het huwelijk het hele boek samenvat: God nam Israël tot vrouw, zij pleegde overspel door andere goden te dienen, en Hij zal haar herstellen.
Gregg vertelt hier ook over zijn eigen eerste huwelijk, en over het inzicht dat wie zo lijdt iets mag delen van Gods eigen verdriet over een ontrouw volk.
De beloften dat wie ‘niet Mijn volk’ was ‘kinderen van de levende God’ genoemd zal worden, leest Gregg zoals Paulus en Petrus ze aanhalen: als vervuld in de gemeente, waarin gelovige Joden en heidenen onder één Hoofd samenkomen. God versperde de weg van Zijn ontrouwe vrouw met doorns, maakte het dal van Achor tot een deur van hoop, en Hosea kocht Gomer terug voor de helft van de prijs van een slaaf.
Gods rechtszaak tegen Zijn volk
Met hoofdstuk 4 tot en met 9 begint Gods aanklacht: er is geen trouw, geen goedertierenheid en geen kennis van God in het land. Gregg wijst op de verantwoordelijkheid van de priesters, die de wet van God hadden moeten onderwijzen, en trekt die lijn door naar de kerk en haar leiders vandaag. Hij bespreekt ook het vertrouwen op Assyrië en Egypte in plaats van op de Heere, en de oppervlakkige bekering die verdwijnt als dauw in de ochtendzon.
Want Ik vind vreugde in goedertierenheid en niet in offer, in kennis van God meer dan in brandoffers!
— Hosea 6:6, Herziene Statenvertaling
Over dit vers zegt Gregg in de lezing over hoofdstuk 4 tot en met 9 dat God niet zoekt naar offers of rituele gehoorzaamheid. Hij wil dat Zijn volk Hem gehoorzaamt, Hem kent en anderen barmhartigheid bewijst. Jezus haalde deze woorden tweemaal aan tegenover de Farizeeën, toen zij Hem verweten met zondaars te eten en toen Zijn discipelen op de sabbat korenaren in hun handen fijnwreven.
Gregg sluit deze lezing af bij Hosea’s beeld van Israël als de eerste vijgen aan een vijgenboom, en bij de vijgenboom die Jezus zonder vrucht aantrof.
Oordeel, mededogen en herstel
In hoofdstuk 10 tot en met 14 gaat de aanklacht verder: Israël vertrouwde op zijn eigen kracht en zijn helden. Toch klinkt de oproep om gerechtigheid te zaaien en de braakliggende grond om te ploegen. Gregg bespreekt hoe Mattheüs ‘uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen’ op Jezus toepast, omdat Hij is wat Israël had moeten zijn. In hoofdstuk 11 zegt God dat Hij Efraïm niet kan prijsgeven, omdat Hij God is en geen mens.
Paulus past Hosea 13:14 toe op de opstanding van de doden. Het laatste hoofdstuk roept op om met woorden van bekering terug te keren tot God, niet langer te vertrouwen op Assyrië, paarden of afgoden, en belooft dat Israël zal bloeien als een lelie. Volgens Gregg wijst ook dat herstel naar de gemeente, het ware Israël van God.
De hele reeks over Hosea laat zien hoe ernstig God ontrouw neemt, en hoe Hij Zijn volk toch blijft zoeken.

