Micha lezen: Gods rechtszaak en de belofte van de Herder
Een profeet van het platteland van Juda brengt Gods rechtszaak tegen Zijn volk. Elke aanklacht in Micha eindigt met een vooruitblik op de Messias, Die Zijn kudde weidt.

Micha woonde in Moreset-Gath, een dorp op het platteland van Juda, dicht bij het land van de Filistijnen. Hij profeteerde onder de koningen Jotham, Achaz en Hizkia, in dezelfde tijd als Jesaja. Zijn boek leest als een rechtszaak: God roept bergen en heuvels als getuigen op en klaagt Zijn volk aan.
In de Nederlandstalige lezing over Micha bespreekt Steve Gregg eerst de stijl en opbouw van het boek en leest hij daarna alle zeven hoofdstukken.
Beelden en woordspelingen
In de lezing over Micha 1-7 wijst Gregg op de vele beelden die Micha met Jesaja gemeen heeft: het volk als een gewonde, een barende vrouw, een onvruchtbare wijngaard en de Messias als Herder. Micha 4:1-3 lijkt bijna woord voor woord op Jesaja 2:2-4. Gregg laat ook de Hebreeuwse woordspelingen zien in de lijst van steden in hoofdstuk 1, en in de vraag ‘Wie is een God als U?’, die aansluit bij de betekenis van Micha’s eigen naam.
Drie profetieën met hetzelfde patroon
Volgens Gregg bestaat het boek uit drie profetieën: hoofdstuk 1-2 tegen Israël, hoofdstuk 3-5 tegen Juda en hoofdstuk 6-7 tegen Jeruzalem. Telkens volgt op de aanklacht een vooruitblik op het messiaanse tijdperk.
De aanklacht is concreet. Leiders liggen ’s nachts wakker om akkers en huizen af te pakken. Profeten verkondigen vrede aan wie hun te eten geeft. Hoofden, priesters en profeten werken voor geld en zeggen toch: ‘Is de HEERE niet in ons midden?’ Gregg wijst erop dat Micha’s woorden over Sion in Jeremia 26 een eeuw later nog werden aangehaald.
De Heerser uit Bethlehem
Micha 5:1 kondigt aan dat uit Bethlehem een Heerser zal voortkomen Wiens oorsprongen van oudsher zijn. Gregg verbindt die belofte met Christus en de gemeente: het gelovige overblijfsel van Israël wordt met gelovigen uit de heidenen samengebracht tot één kudde. Het slot van het boek leest hij als een nieuwe uittocht, waarin God niet Egyptenaren maar onze zonden in de diepten van de zee werpt.
Wat de Heere van u vraagt
Hij heeft u, mens, bekendgemaakt wat goed is. En wat vraagt de HEERE van u anders dan recht te doen, goedertierenheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God.
— Micha 6:8, Herziene Statenvertaling
Gregg bespreekt dit vers in de lezing als antwoord op de schampere vraag van het volk of God soms duizenden rammen of zelfs hun eerstgeborene wil. Gods eisen zijn niet onredelijk, zegt hij: God vraagt dat je rechtvaardig, barmhartig en nederig bent. Voor gevallen en hoogmoedige mensen kan dat zwaar zijn, maar het blijft een redelijke vraag.
De lezing over Micha laat zien hoe een klein boek Gods oordeel over onrecht verbindt met Zijn belofte van vergeving en een Herder voor Zijn volk.

