Joël lezen: de sprinkhanenplaag, bekering en de uitstorting van de Geest
Joël wordt soms de profeet van Pinksteren genoemd. Toch gaat het grootste deel van zijn boek over een verwoestende sprinkhanenplaag, waarin hij de dag van de Heere ziet aankomen en het volk oproept zich te bekeren.

Joël is een kort boek van drie hoofdstukken. Over de profeet zelf weten we weinig, behalve dat zijn vader Pethuel heette. Ook de datering is onzeker: sommige geleerden plaatsen hem rond 900 voor Christus, anderen rond 400 voor Christus. In de Nederlandstalige lezing over Joël bespreekt Steve Gregg het hele boek in één keer.
Een leger van sprinkhanen
De eerste helft van het boek gaat over een sprinkhanenplaag. In de lezing over Joël 1-3 beschrijft Gregg wat zo’n plaag betekende voor een samenleving die van de landbouw leefde: de wijnstok en de vijgenboom kaalgevreten, geen graanoffer en plengoffer meer in het huis van de Heere, en met de oogst verdween ook de vreugde.
Joël spreekt over de sprinkhanen alsof ze een leger zijn dat tegen Jeruzalem optrekt. Gregg waarschuwt ervoor deze beeldspraak op een werkelijk leger, de Babyloniërs of een overwinnende gemeente in de laatste dagen toe te passen. De tekst zegt dat ze er uitzien als paarden en rennen als helden. Het zijn dus geen echte mensen, maar sprinkhanen, die God zelf ‘Mijn grote leger’ noemt.
Scheur uw hart
Tegen dit leger hielp geen zwaard. De enige verdediging was gebed en bekering. ‘Scheur uw hart en niet uw kleren’, zegt de Heere, want Hij is genadig en barmhartig. Joël roept de priesters op een vastentijd af te kondigen en het hele volk bijeen te roepen, tot de kinderen en de bruidegom toe. Wanneer zij tot de Heere roepen, zal Hij de sprinkhanen wegdrijven en koren, nieuwe wijn en olie teruggeven.
Ik zal u de jaren vergoeden die de veldsprinkhaan, de jonge sprinkhaan, de zwermsprinkhaan en de treksprinkhaan hebben opgegeten, Mijn grote leger, dat Ik op u had afgestuurd.
— Joël 2:25, Herziene Statenvertaling
In de lezing merkt Gregg op dat over dit vers vaak gepreekt wordt als belofte dat God verloren levensjaren goedmaakt. Hij ziet geen reden om dat in beginsel te ontkennen, maar volgens hem gaat het hier om een zegen voor de landbouw. Het woord ‘jaren’ staat in het meervoud: misschien waren de oogsten van meerdere jaren verloren gegaan. Als het volk zich tot God keert, zal Hij hun overvloedige oogsten geven.
De Geest op alle vlees
Daarna kijkt Joël verder vooruit. Petrus haalde zijn woorden op de Pinksterdag aan: God zal Zijn Geest uitstorten op alle vlees, op zonen en dochters, jong en oud, dienaren en dienaressen. Gregg herinnert aan de wens van Mozes dat heel het volk van de Heere profeten zou zijn. Sinds Pinksteren is de gemeente een profetische gemeenschap die namens God spreekt. De tekenen van bloed, vuur en rookzuilen verbindt Gregg met de val van Jeruzalem in het jaar 70, waaraan ontkwam wie de Naam van de Heere aanriep.
De lezing over Joël eindigt bij het oordeel over de volken en de rivier die uit het huis van de Heere stroomt, een beeld dat Jezus verbindt met de Heilige Geest.

