2 Thessalonicenzen 1-2

Eerst de mens der zonde, dan Jezus

Luisteren 2 uur 7 min Lezen ± 1 uur 40 min · Lezing 1 van 2

Mijn VVV

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/2-thessalonicenzen/1-2.pdf?v=ad79bcdcbf9d. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/2-thessalonicenzen/1-2.

Samenvatting

Dankbaarheid en volharding onder vervolging, de wederkomst en de historische uitleg van de mens der zonde.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt Paulus’ dankbaarheid voor de groeiende gemeente en benadrukt dat God danken ook onder moeilijke omstandigheden een verplichting is. Hij legt uit hoe het lijden van gelovigen samenhangt met Gods rechtvaardigheid en betoogt dat de opname samenvalt met Jezus’ zichtbare wederkomst en oordeel. Vervolgens behandelt hij de afval, de mens der zonde en de macht die diens verschijning tegenhoudt. Hij ziet sterke argumenten voor de historische uitleg waarin het Romeinse Rijk de weerhoudende macht is en het pausdom de mens der zonde, al benadrukt hij dat deze moeilijke passage geen absolute zekerheid toelaat.

Aanleiding en achtergrond van de tweede brief

Illustratie bij: De tweede brief ontstaat in Korinthe.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we 2 Thessalonicenzen 1 en 2.

We komen nu bij 2 Thessalonicenzen, en we zullen dit boek in twee bijeenkomsten behandelen. Het is drie hoofdstukken lang, en daardoor lijkt het misschien een boek van een redelijk behoorlijke omvang. Maar het zijn allemaal korte hoofdstukken, en het totale aantal verzen in het boek 2 Thessalonicenzen is in werkelijkheid kleiner dan dat van het langste afzonderlijke hoofdstuk in 1 Korinthe. Het hele boek 2 Thessalonicenzen heeft zelfs tien verzen minder dan 1 Korinthe 15. Dus hoewel we een boek bekijken dat in drie hoofdstukken is verdeeld, kijken we eigenlijk naar een hoeveelheid stof waarvan je zou verwachten dat de behandeling evenveel tijd kost als een heel lang hoofdstuk in een ander Bijbelboek. Er zijn bijvoorbeeld veel hoofdstukken in het boek Genesis die langer zijn dan het hele boek 2 Thessalonicenzen. Net als 1 Thessalonicenzen gaat het voor een groot deel over de wederkomst van Christus, of zo lijkt het tenminste.

Er hoeft ter inleiding op 2 Thessalonicenzen niet zo veel gezegd te worden wat niet al over 1 Thessalonicenzen is gezegd. Geleerden zijn het er redelijk over eens dat deze brief heel kort na de eerste brief is geschreven. We weten dat de eerste brief vanuit Korinthe is geschreven, en we kennen de achtergrond van Paulus' bezoek aan Thessalonica, zijn latere reizen naar Berea, Athene en vervolgens naar Korinthe, waar hij achttien maanden bleef. Blijkbaar schreef hij beide brieven gedurende die achttien maanden in Korinthe. Dus voor zover we kunnen vaststellen, zat er een onbekend aantal maanden tussen de eerste en de tweede brief, maar het was in maanden te meten, niet in jaren. Dat betekent dat deze brief waarschijnlijk rond het jaar 51 of 52 na Christus is geschreven.

Er waren drie hoofdproblemen in de gemeente van Thessalonica toen Paulus zijn eerste brief schreef. Hij maakte zich blijkbaar allereerst zorgen over onzedelijkheid, een probleem dat zich waarschijnlijk meestal wel in Griekse gemeenten voordeed. We zullen in 1 Korinthe een enorm probleem op dat gebied tegenkomen. Er was onzedelijkheid in die gemeente, ook een Griekse gemeente. Paulus behandelde het onderwerp onzedelijkheid echter in 1 Thessalonicenzen, en hij vindt het niet nodig om het in 2 Thessalonicenzen opnieuw te behandelen. We vinden geen verwijzing naar dat probleem, en het lijkt erop dat de eerste brief en de opmerkingen over dit onderwerp voldoende waren om correctie en verandering teweeg te brengen in het morele leven van de christenen in Thessalonica. Dus minstens één van de drie problemen die er waren toen Paulus de eerste brief schreef, lijkt opgelost te zijn, of niet langer een ernstige kwestie te zijn geweest, tegen de tijd dat de tweede brief werd geschreven.

Van de andere twee problemen die in de gemeente in Thessalonica bestonden toen Paulus de eerste brief schreef, was er enerzijds het probleem van een verkeerd of ontoereikend begrip van de wederkomst van Christus. En het derde probleem had te maken met luiheid, of met mensen die om de een of andere reden weigerden hun aandeel in het werk te doen. Er was ongetwijfeld een vorm van gemeenschap van goederen. Misschien was het geen gemeenschap met een gezamenlijke kas, maar christenen, vrijgevig en bereid om te delen als ze zijn, zouden gewoonlijk niet toelaten dat een van hun behoeftige leden gebrek leed. Wie iets bezat, zou doorgaans delen met wie arm was. Sommige mensen maakten daar misbruik van. Ze kozen er bewust voor om arm te zijn en leefden van de vrijgevigheid van degenen die werkten.

In 1 Thessalonicenzen hoofdstuk 4, vers 11, had Paulus gezegd dat hij wilde dat ze leerden

1 Thessalonicenzen 4:11

en er een eer in te stellen rustig te zijn en uw eigen zaken te behartigen en te werken met uw eigen handen, zoals wij u bevolen hebben,

Hij verwees in 1 Thessalonicenzen slechts terloops naar de noodzaak om rustig te zijn en met hun handen te werken. Maar toen hij 2 Thessalonicenzen schreef, was dit probleem nog niet verholpen, en er was eerder een krachtiger woord nodig. Of het probleem nu was verergerd of eenvoudigweg niet voldoende was verbeterd, Paulus had het gevoel dat hij moest zeggen: ‘Luister goed naar wat ik zeg. Ik dacht dat ik dit al eerder had genoemd, maar als het die keer niet tot je is doorgedrongen, zal ik het heel, heel duidelijk maken.’

We kunnen zien dat dit een van de voornaamste problemen in Thessalonica was toen hij de tweede brief schreef. Hij wijdt het grootste deel van hoofdstuk 3 van 2 Thessalonicenzen aan de bespreking van dat probleem en wat eraan gedaan moet worden. Hij pleit er daadwerkelijk voor om gemeentetucht toe te passen op degenen die niet willen werken. En hij pleit ervoor om hun geen eten te geven, hun niets te geven wanneer ze gebrek hebben, als ze eenvoudigweg weigeren te werken. Daar komen we bij in het derde hoofdstuk van 2 Thessalonicenzen.

Verwarring over de wederkomst

Illustratie bij: Onrust over de dag van de Heere.

Het eerste en het tweede hoofdstuk van 2 Thessalonicenzen behandelen de kwestie van de wederkomst van Christus. Het begrip dat de Thessalonicenzen van de wederkomst van Christus hadden, schoot op bepaalde punten tekort toen Paulus de eerste brief schreef. Hij wijdde het laatste deel van hoofdstuk 4 van 1 Thessalonicenzen en een flink gedeelte van hoofdstuk 5 aan het onderwerp. Hij verduidelijkte wat het lot zou zijn van degenen die gestorven waren, in het bijzonder degenen die in de Heere gestorven waren, en hoe zij op geen enkele manier in het nadeel zouden zijn wanneer Jezus kwam.

1 Thessalonicenzen 4:16-17

16Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem van een aartsengel en met een bazuin van God neerdalen uit de hemel. En de doden die in Christus zijn, zullen eerst opstaan. 17Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn.

Ook ging hij in 1 Thessalonicenzen 5 verder in op andere zaken rond het onverwachte, het onaangekondigde karakter van de wederkomst van Christus.

In 2 Thessalonicenzen lijkt uit de informatie in hoofdstuk 2 naar voren te komen dat sommigen dachten dat de dag van de Heere misschien al gekomen was. Hoe ze precies die indruk hadden gekregen, weten we eigenlijk niet. We weten niet dat er vervolging van de gemeente gaande was.

Sommigen hebben gedacht dat de vervolging van de gemeente volgens hun verwachting onmiddellijk aan de dag van de Heere vooraf zou gaan of er zelfs mee gepaard zou gaan. Het is niet echt duidelijk of dat de reden is waarom ze dit zeiden. Maar Paulus schrijft in 2 Thessalonicenzen om erop te wijzen dat de dag van de Heere nog niet gekomen kan zijn, omdat er bepaalde dingen zijn die eerst moeten gebeuren. Namelijk wat hij de afval noemt en de verschijning van iemand die de mens van de zonde wordt genoemd. We zullen die passages vrij uitvoerig behandelen, denk ik.

De belangrijkste kenmerken van de gemeente in Thessalonica op het moment dat deze tweede brief werd geschreven, waren de volgende. Ten eerste ging de vervolging door waarvan we in 1 Thessalonicenzen zagen dat die er was. De vervolging was nog steeds gaande en was misschien zelfs heviger geworden. De gemeente bleef blijkbaar over het algemeen sterk onder de vervolging, zoals ook in 1 Thessalonicenzen het geval was. Je herinnert je misschien dat de eerste drie hoofdstukken van 1 Thessalonicenzen erover gaan hoe bezorgd Paulus was geweest dat deze pas ontstane gemeente ten onder zou zijn gegaan. Ze was achtergelaten zonder een apostolische opziener en kreeg te maken met enorme vervolging, die, zoals we uit het boek Handelingen weten, uit het Joodse deel van de stad kwam. Maar in 1 Thessalonicenzen vertelt hij hoe hij Timotheus had gestuurd en bericht had teruggekregen. Hij had vernomen dat het heel goed met hen ging, en dat had hem erg bemoedigd. De eerste drie hoofdstukken van 1 Thessalonicenzen geven ons die achtergrond.

In 2 Thessalonicenzen vinden we opnieuw verwijzingen naar hun lijden, dus daar zullen we meteen op ingaan. Vervolgens zullen we ook verwijzingen vinden naar de noodzaak om een verkeerde opvatting over de wederkomst van Christus op te helderen. In hoofdstuk 3 zullen we de bespreking vinden van wat je moet doen met degenen die weigeren te werken.

Paulus en zijn medewerkers aan de gemeente

Illustratie bij: Paulus, Silas en Timotheüs groeten de gemeente.
2 Thessalonicenzen 1:1

Paulus, Silvanus en Timotheüs aan de gemeente van de Thessalonicenzen, die in God, onze Vader, en de Heere Jezus Christus is:

Silvanus is een vorm van Silas, een langere vorm van de naam Silas. Paulus, Silas en Timotheus waren de voornaamste deelnemers aan de tweede zendingsreis, waarop Paulus Thessalonica had bezocht. Toen Paulus, Silas en Timotheus aanvankelijk Griekenland binnengingen, hadden ze eigenlijk Lukas bij zich. Maar toen ze in Filippi kwamen, hun eerste halte in Griekenland, en vervolgd en uit die stad verdreven werden, lieten ze Lukas daar achter, blijkbaar om toezicht te houden op de gemeente. Alleen de drie metgezellen, Paulus, Silas en Timotheus, reisden verder naar Thessalonica. De Thessalonicenzen hadden Lukas dus naar alle waarschijnlijkheid nooit ontmoet.

Natuurlijk had Paulus in de tussentijd Silas blijkbaar in Berea achtergelaten en was hij met Timotheus naar Athene gegaan. Vanuit Athene had hij Timotheus vervolgens teruggestuurd om te zien hoe het met de Thessalonicenzen ging. Terwijl Timotheus weg was om te zien hoe het met de Thessalonicenzen ging, was Paulus doorgereisd naar Korinthe. In hoofdstuk 18 van Handelingen lezen we dat Timotheus en Silas zich in Korinthe weer bij Paulus voegden. Nu, op het moment dat de brief wordt geschreven, zijn Paulus, Silas en Timotheus weer bij elkaar in Korinthe en versturen ze deze brief als een gezamenlijk werk.

2 Thessalonicenzen 1:2

genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heere Jezus Christus.

Deze groet:

Genade en vrede voor jullie.

is er een waar we iedere keer dat we hem tegenkomen iets over zouden kunnen zeggen. Maar we komen hem zo vaak tegen dat ik niet denk dat we er meer over hoeven te zeggen dan gewoonlijk. Eigenlijk minder dan gewoonlijk. We hebben er bij eerdere gelegenheden genoeg over gezegd, denk ik.

Vers 3:

Dankbaarheid als plicht tegenover God

Illustratie bij: Dankzegging voor de standvastige gemeente.
2 Thessalonicenzen 1:3-10

3Wij moeten God altijd voor u danken, broeders, zoals het behoort, omdat uw geloof buitengewoon sterk groeit en de liefde van ieder van u allen tot elkaar steeds toeneemt, 4zodat wij zelf over u roemen in de gemeenten van God vanwege uw volharding en geloof in al uw vervolgingen en in de verdrukkingen die u verdraagt: 5een teken van Gods rechtvaardig oordeel dat u het Koninkrijk van God waardig geacht wordt, waarvoor u ook lijdt. 6Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken, 7en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht, 8wanneer Hij met vlammend vuur wraak oefent over hen die God niet kennen, en over hen die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. 9Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht, 10wanneer Hij zal gekomen zijn om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloven (want bij u vond ons getuigenis geloof).

Dat alles bestaat uit maar twee zinnen. Paulus heeft nogal lange zinnen. Deze is beslist niet zijn langste. Maar het was moeilijk om een punt te vinden waar je kon stoppen. Als je eenmaal in vers 3 begint, haal je eigenlijk pas aan het einde van vers 8 weer adem. Hij begint met te zeggen:

We moeten God voor jullie danken.

wat duidelijk spreekt van een zekere verplichting om dankbaar te zijn. In hoofdstuk 2, vers 13, zegt hij hetzelfde:

2 Thessalonicenzen 2:13

Maar wij moeten God altijd voor u danken, broeders, die geliefd bent door de Heere, dat God u van het begin verkoren heeft tot zaligheid, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid.

Dat ‘moeten’ drukt uit dat het je plicht is, dat er een verplichting op je rust. Het is niet alsof Paulus dit met tegenzin doet, alsof hij eigenlijk niet geneigd is om te danken, maar wel moet omdat hij daartoe verplicht is. Hij benadrukt dat God Zijn trouw heeft laten zien door de gemeente te bewaren te midden van heel zware vervolging. En dat terwijl de gemeente nog jong was en nauwelijks de kans had gekregen om echt op eigen benen te staan voordat deze vervolging losbarstte. Daaruit blijkt zoveel goedheid van God. Het laat zo duidelijk Zijn trouw zien dat je tekort zou schieten, dat je nalatig zou zijn, dat je een plicht tegenover God zou verzuimen als je niet zou danken.

We moeten beseffen dat dankbaarheid tegenover God een verplichting is die op ons rust. Dat is iets wat we vaak vergeten, en als we dat vergeten, doet dat waarschijnlijk afbreuk aan onze overwinning als christenen. We denken er vaak alleen aan om God te danken als we ons dankbaar voelen. Zelfs dan vergeten we soms om God te danken. Soms zijn we mensen dankbaar, of zijn we wat dan ook dankbaar, ons gelukkige gesternte of zoiets, zonder echt te beseffen dat

Jakobus 1:17

Elke goede gave en elk volmaakt geschenk is van boven en daalt neer van de Vader der lichten, bij Wie er geen verandering is, of schaduw van omkeer.

In Romeinen hoofdstuk 1 staat dat een van de eerste tekortkomingen van mensen die steeds verder afglijden… En als je Romeinen 1 kent, weet je wat ik bedoel met steeds verder afglijden. Hij spreekt over die neerwaartse spiraal, waarbij mensen die de kennis van God hebben verworpen, uiteindelijk in een toestand van verworpenheid terechtkomen. Een van de eerste stappen omlaag naar een toestand van totale verworpenheid is de weigering om dankbaar te zijn. In vers 21 van Romeinen 1 staat:

Romeinen 1:21

Want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt, maar zij zijn verdwaasd in hun overwegingen en hun onverstandig hart is verduisterd.

Dan gaat het verder:

Romeinen 1:22-23

22Terwijl zij zich uitgaven voor wijzen, zijn zij dwaas geworden, 23en hebben zij de heerlijkheid van de onvergankelijke God vervangen door een beeld dat lijkt op een vergankelijk mens, op vogels en op viervoetige en kruipende dieren.

en zo gaat het verder.

Ze kenden God, maar ze weigerden Hem te verheerlijken of dankbaar te zijn. Paulus geeft te verstaan dat het niet meer dan fatsoenlijk is om dankbaar te zijn als je God kent en beseft dat Hij Degene is van Wie we al het goede ontvangen. Maar hun eerste keuze was om God niet te danken, maar Hem uit hun gedachten te bannen.

Toen Jezus tien melaatsen genas, kwam er, zoals je je misschien herinnert, maar één terug om Hem daarvoor te danken, een Samaritaan. Jezus zei niet: ‘Het is hartverwarmend om te zien dat je zo dankbaar bent. Daar wil Ik je echt voor prijzen.’ Nee, Jezus zei:

Lukas 17:17-18

17Toen antwoordde Jezus en zei: Zijn niet de tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen? 18Zijn er dan geen anderen gevonden die terugkeren om God de eer te geven dan deze vreemdeling?

Alsof de anderen een verplichting niet nakwamen.

In alles danken en vervuld blijven met de Geest

Illustratie bij: Samen zingen en God danken.

Dankbaarheid is een geestelijk geneesmiddel. Iemand die gewoonlijk dankbaar is, zal nooit verbitterd raken en zal nooit ophouden overwinning in zijn leven te ervaren. Sterker nog, volgens mij zijn er aanwijzingen dat zo iemand nooit zal ophouden vervuld te zijn met de Heilige Geest. In 1 Thessalonicenzen 5, vers 18, zegt Paulus:

1 Thessalonicenzen 5:18

Dank God in alles. Want dit is de wil van God in Christus Jezus voor u.

Het is de wil van God in Christus Jezus dat je in alles dankt. Telkens wanneer je niet dankt, handel je in strijd met de wil van God. Je weigert de wil van God te doen als je niet dankt.

Wanneer je eenvoudigweg niet inziet hoe je God ergens voor kunt danken, dan zegt de Bijbel toch dat

Romeinen 8:28

En wij weten dat voor hen die God liefhebben, alle dingen meewerken ten goede, voor hen namelijk die overeenkomstig Zijn voornemen geroepen zijn.

en dat betekent dat we in geloof zelfs voor tegenspoed en verdrukkingen zouden moeten kunnen danken. Want we weten dat die zullen meewerken ten goede voor ons, als we dat werkelijk geloven. Als we het niet geloven, zullen we natuurlijk niet willen danken. In alles danken, ook in tegenspoed, is een teken van ons geloof dat Gods beloften waar zijn. En dat we zelfs deze dingen, waarvoor we van nature niet dankbaar zouden zijn, kunnen aanvaarden. We kunnen er dankbaar voor zijn, omdat we weten dat ons niets overkomt zonder dat God er een bedoeling mee heeft.

Ik zei dat er enige aanwijzing is dat iemand vervuld zal blijven met de Geest als hij voortdurend dankbaar is. Dat idee ontleen ik aan Efeze 5. Efeze 5, vers 18 tot en met 20, zegt:

Efeze 5:18-20

18En word niet dronken van wijn, waarin losbandigheid is, maar word vervuld met de Geest, 19en spreek onder elkaar met psalmen, lofzangen en geestelijke liederen, en zing voor de Heere en loof Hem in uw hart, 20en dank altijd voor alle dingen God en de Vader in de Naam van onze Heere Jezus Christus.

Je hebt misschien weleens gehoord dat het Grieks bij ‘word vervuld’ een onvoltooid verleden tijd gebruikt. Dat betekent ‘blijf vervuld worden’, of gewoon ‘word voortdurend vervuld’. Er wordt hun niet gezegd dat ze vervuld moeten raken met de Geest. Ze waren al gelovigen die vervuld waren met de Geest. Dat heeft hij eerder in hoofdstuk 1 genoemd. Hij spoort hen aan om vervuld te blijven, om de volheid van de Geest in hun leven te bewaren. Dat gebeurt blijkbaar niet vanzelf. Maar hoe blijf je vervuld? Hoe word je voortdurend vervuld met de Geest? Daar geeft hij enkele antwoorden op. Vers 19:

Door met elkaar te praten in psalmen, lofliederen en geestelijke liederen, en in je hart voor de Heer te zingen en muziek te maken.

Let op vers 20:

En God de Vader altijd voor alles te danken in de naam van onze Heer Jezus Christus.

Een onderdeel van voortdurend vervuld zijn met de Geest is dus dat je God in alles voor alles dankt. Dankbaarheid is een verplichting. Het is ook iets wat je geest en je denken gezond houdt.

Dankbaarheid en geestelijke gezondheid

Illustratie bij: Dankbaarheid te midden van tegenspoed.

Er wordt gezegd dat een gezonde geest de neiging heeft negatieve ervaringen te vergeten en zich positieve ervaringen te herinneren. Een van de kenmerken van een geest die niet zo gezond is als hij zou moeten zijn, is daarentegen dat iemand heel helder en bewust vasthoudt aan gekwetstheid, pijn en negatieve ervaringen, en de neiging heeft goede dingen te vergeten. Ik ben geen psycholoog, dus ik zou het echt niet met zekerheid kunnen zeggen. Ik heb geen klinisch onderzoek gedaan om na te gaan of dit waar is. Maar het lijkt zeker op te gaan voor de gevallen die ik heb meegemaakt, hoe beperkt dat aantal ook is. Mensen die knorrig en bitter zijn, lijken mij geestelijk niet gezond, en ik vermoed emotioneel ook niet. Ze hebben de neiging steeds de goede dingen te vergeten die mensen voor hen hebben gedaan. Maar ze staan zichzelf nooit toe de pijn en het onrecht te vergeten die hun zijn aangedaan.

Het is een teken van geestelijke gezondheid dat je ervoor kiest de positieve dingen in je herinnering te bewaren, de dingen die God heeft gedaan waarvoor we dankbaar kunnen zijn. God danken is een bewuste keuze. Er zijn momenten waarop we erg teleurgesteld zijn door een wending in de gebeurtenissen en onze omstandigheden precies het tegenovergestelde zijn van wat we hadden gehoopt. Toch kunnen we Hem in geloof voor die omstandigheden danken, omdat we God zien als soeverein in alle dingen.

Hoewel dit meer een humanistische dan een geestelijke manier is om ermee om te gaan, helpt het soms om te bedenken dat er altijd iemand is die het veel slechter heeft dan jij, hoe slecht je omstandigheden ook zijn. En je hebt het werkelijk beter dan je verdient. Je kent het oude gezegde: ‘Ik klaagde dat ik geen schoenen had, totdat ik een man ontmoette die geen voeten had.’ Er is werkelijk altijd iemand die er slechter aan toe is dan jij, en er is nooit ook maar enig excuus om ondankbaar te zijn. Als je niet erg dankbaar kunt zijn voor je huidige omstandigheden, dank God dan dat je niet blind of doof of kreupel bent, of vanaf je nek verlamd, zoals veel mensen die zich op ditzelfde moment in de Heere verblijden.

Als je je niet in God kunt verblijden, verkeer je geestelijk in een heel slechte toestand. Dat geldt ook als je God niet kunt danken voor de dingen waarvoor je Hem dank verschuldigd bent. Paulus zei dat we verplicht zijn te danken. Hij zegt het hier twee keer. Ik heb het al gezegd en ik herhaal het: dankbaarheid is een geestelijk geneesmiddel. Paulus zei dat we vervuld blijven met de Heilige Geest, ten minste voor een deel, door in alles te danken. We weten uit een andere passage, uit wat Paulus aan Timotheus schreef, dat de Geest Die we ontvangen hebben onder andere een Geest van bezonnenheid is.

2 Timotheüs 1:7

Want God heeft ons niet gegeven een geest van vreesachtigheid, maar van kracht en liefde en bezonnenheid.

2 Timotheus, ik meen 1:7.

De Geest van God geeft ons dus een gezond verstand, maar alleen als we vervuld zijn met de Geest.

De spreker redeneert hier vanuit de Engelse formulering ‘a sound mind’ in 2 Timotheüs 1:7. De HSV gebruikt daar ‘bezonnenheid’.

Als je in alles dankbaar bent, zal dat ertoe bijdragen dat je voortdurend vervuld bent met de Heilige Geest. En een van de gevolgen zal een gezond verstand zijn. Iemand die bitter en knorrig is en niet wil vergeven, zal veel emotionele, psychische en geestelijke stoornissen hebben en zal geen gezond verstand hebben. Maar een van de remedies daarvoor is je te bekeren van ondankbaarheid en in alles te beginnen te danken.

Groei in geloof, liefde en volharding

Illustratie bij: Geloof en liefde groeien onder druk.

Paulus is gedwarsboomd terwijl hij deze brieven schrijft. Hij is gedwarsboomd bij zijn vele pogingen om terug te gaan naar Thessalonica. Hij heeft terug willen gaan. Dat zei hij in hoofdstuk 2 van de vorige brief aan hen. En hij zei dat satan hem had tegengewerkt, dat satan hem had verhinderd. De situatie in die stad is niet voldoende veranderd om hem veilig te laten teruggaan. Dit is een enorme teleurstelling voor hem. Dit is niet wat hij zou wensen. Toch is hij verplicht dankbaar te zijn, omdat hij ziet dat God de leiding heeft en trouw voor de gemeente zorgt. Wat hij met betrekking tot de gemeente het allerliefst zou willen, namelijk dat hij haar zou kunnen bezoeken, kan op dit moment niet verwezenlijkt worden. Toch ziet hij dat God de leiding heeft en trouw voor de gemeente zorgt.

Dus zegt hij:

2 Thessalonicenzen 1:3

Wij moeten God altijd voor u danken, broeders, zoals het behoort, omdat uw geloof buitengewoon sterk groeit en de liefde van ieder van u allen tot elkaar steeds toeneemt,

Het is alleen maar terecht dat ik dat doe.

2 Thessalonicenzen 1:4-10

4zodat wij zelf over u roemen in de gemeenten van God vanwege uw volharding en geloof in al uw vervolgingen en in de verdrukkingen die u verdraagt: 5een teken van Gods rechtvaardig oordeel dat u het Koninkrijk van God waardig geacht wordt, waarvoor u ook lijdt. 6Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken, 7en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht, 8wanneer Hij met vlammend vuur wraak oefent over hen die God niet kennen, en over hen die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. 9Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht, 10wanneer Hij zal gekomen zijn om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloven (want bij u vond ons getuigenis geloof).

Geloof en liefde nemen toe in die gemeente. We weten uit 1 Korinthe 13 dat dat twee van de drie belangrijkste dingen zijn.

1 Korinthe 13:13

En nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.

De grootste is de liefde.

We zagen eerder in 1 Thessalonicenzen 1:3 dat Paulus sprak over de toestand van die gemeente. Hij zei:

1 Thessalonicenzen 1:3

en zonder ophouden denken aan het werk van uw geloof, de inspanning van uw liefde en de volharding van uw hoop op onze Heere Jezus Christus, voor het aangezicht van onze God en Vader.

Geloof, hoop en liefde waren zichtbaar aanwezig in hun gemeente. In hoofdstuk 1 van 2 Thessalonicenzen, de passage die we nu behandelen, noemt hij in vers 3 opnieuw hun liefde en hun geloof. Hij noemt hun hoop hier niet, maar in het volgende vers wel. De volharding van de hoop, die hij in 1 Thessalonicenzen noemde, noemt hij in ons volgende vers, vers 4. Hoewel de hoop niet wordt genoemd, noemt hij wel hun volharding, die verband houdt met hun hoop. Dus groeien ze in deze dingen ondanks, of misschien wel dankzij, de vervolging.

Vervolging en verdrukking horen bij het geloof

Illustratie bij: Het Woord aannemen ondanks verdrukking.

De gemeente verdraagt vervolgingen en verdrukkingen. Vervolging is specifiek de tegenstand die ze ondervinden vanwege het standpunt dat ze als christenen innemen, vijandige tegenstand van de vijanden van het Evangelie. Verdrukkingen is een wat algemenere term. Vervolging maakt zeker deel uit van die verdrukkingen, maar verdrukking is een algemene term voor beproevingen of gewoon barre omstandigheden.

De Bijbel leert dat we verdrukkingen kunnen verwachten. Jezus zei in Johannes 16:33:

Johannes 16:33

Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede zult hebben. In de wereld zult u verdrukking hebben, maar heb goede moed: Ik heb de wereld overwonnen.

In 1 Thessalonicenzen gaf Paulus aan dat het tot zijn vaste onderwijs aan hen behoorde, toen hij hen voor het eerst ontmoette, dat ze moesten verwachten beproevingen en verdrukkingen te moeten verdragen. Dat zei hij in 1 Thessalonicenzen 3:3 en 4, vooral in vers 4, waar hij zegt:

1 Thessalonicenzen 3:4

Toen wij bij u waren, zeiden wij u immers van tevoren dat wij verdrukt zouden worden, zoals ook gebeurd is — en u weet het.

Eerder, in 1 Thessalonicenzen 1:6, staat:

1 Thessalonicenzen 1:6

Ook bent u navolgers geworden van ons en van de Heere, toen u het Woord aannam te midden van veel verdrukking, met blijdschap van de Heilige Geest,

Het Engelse woord ‘affliction’ is hier de vertaling van hetzelfde Griekse woord dat in die andere passages met ‘tribulation’ wordt vertaald. Om de een of andere reden hebben de Engelse vertalers hier voor ‘affliction’ gekozen, maar het is hetzelfde Griekse woord. De HSV gebruikt in deze passages steeds ‘verdrukking’. Het zou dus kunnen worden weergegeven als:

Jullie hebben het woord aangenomen terwijl jullie het heel zwaar hadden.

De betekenis van grote verdrukking

Illustratie bij: De verdrukking van de gemeente in Smyrna.

Hetzelfde woord ‘verdrukking’ wordt door Jezus gebruikt in Mattheüs 24:21, waar Jezus zei:

Mattheüs 24:21

Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is vanaf het begin van de wereld, tot nu toe, en zoals er ook nooit meer zijn zal.

We weten dat veel uitleggers Jezus’ woorden hebben opgevat als een verwijzing naar een specifieke periode van verdrukking, alsof het een vakterm was: ‘de Grote Verdrukking’. Maar Jezus zei in Mattheüs 24:21 eenvoudigweg:

Dan komt er een tijd van groot lijden.

Volgens mij is er geen wezenlijk verschil tussen de uitdrukking ‘grote verdrukking’ in die uitspraak van Jezus in Mattheüs 24:21 en ‘veel verdrukking’, wat we vinden in 1 Thessalonicenzen 1:6, waar de christenen daar het Woord onder veel verdrukking ontvingen. Kan iemand mij het verschil vertellen tussen ‘veel verdrukking’ en ‘grote verdrukking’? Mij lijken ze synoniem.

En toch hebben sommige uitleggers gemeend dat Jezus, toen Hij over ‘grote verdrukking’ sprak, iets moet hebben beschreven waarvan je nooit zou mogen verwachten dat christenen het moeten verdragen. Je kunt toch zeker niet verwachten dat christenen hier zijn tijdens ‘grote verdrukking’, of ‘de grote verdrukking’, zoals zij zeggen. En toch zei Paulus in 1 Thessalonicenzen 1:6 dat ze het Woord onder veel verdrukking hebben ontvangen. Dat lijkt mij vrijwel hetzelfde als ‘grote verdrukking’.

Om het woord ‘verdrukking’ in het juiste perspectief te plaatsen: het wordt in de Bijbel nooit gebruikt voor een bepaalde tijdsperiode. Er is in elk geval nergens in de Bijbel sprake van een verdrukking die een bepaalde tijd duurt, behalve in Openbaring 2:10. Daar krijgt de gemeente van Smyrna, een vervolgde gemeente, te horen dat de duivel sommigen van hen in de gevangenis zal werpen, en er staat:

Openbaring 2:10

Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt. En u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven.

Dat is vrijwel zeker een symbolische uitspraak, hoewel het letterlijk zou kunnen zijn.

Maar Openbaring 2:10 spreekt van:

Jullie zullen het tien dagen lang zwaar hebben.

Dat is de enige periode van verdrukking waaraan in de Bijbel ooit een tijdsduur wordt toegekend. Hoewel sommigen, zoals je weet, het woord ‘verdrukking’ in verband brengen met een periode van zeven jaar. Dat doen ze door die gelijk te stellen aan de zeventigste week van Daniël, misschien in Daniël 9. Maar ik geloof niet dat je dat terecht kunt doen.

Lijden als teken van Gods rechtvaardigheid

Illustratie bij: Waardig geacht te lijden voor het Koninkrijk.

Paulus zegt in 2 Thessalonicenzen 1:4 dat deze christenen veel vervolging en verdrukkingen verdragen. Dan zegt hij in vers 5:

2 Thessalonicenzen 1:5

een teken van Gods rechtvaardig oordeel dat u het Koninkrijk van God waardig geacht wordt, waarvoor u ook lijdt.

Dat lijkt niet zo’n duidelijk bewijs van het rechtvaardige oordeel van God wanneer goede mensen lijden. Hij zegt dat dit een duidelijk bewijs is van Gods rechtvaardigheid, een duidelijk bewijs van Gods gerechtigheid.

De nadruk op ‘duidelijk bewijs’ sluit aan bij de Engelse formulering ‘manifest evidence’. De HSV heeft hier ‘een teken’.

De meeste mensen zien het precies andersom. Sommige mensen zijn bereid te zeggen dat God rechtvaardig kan zijn ondanks het feit dat goede mensen lijden. Maar we weten niet hoe God daarin rechtvaardig kan zijn, omdat het ons vreemd voorkomt dat Hij dat zou laten gebeuren. Paulus ziet het lijden van christenen als een bewijs van Gods rechtvaardigheid. Het is duidelijk dat hij de dingen heel anders ziet dan andere mensen. Waarschijnlijk komt dat doordat hij weet, zoals hij op een aantal plaatsen zegt, ook in deze brief, dat lijden de weg naar heerlijkheid is. Lijden is de weg naar verhoging. Lijden is het middel om het Koninkrijk van God binnen te gaan. En niemand is zonder lijden de heerlijkheid binnengegaan, ook Jezus niet.

Het is nu eenmaal zo dat jullie rechtvaardige mensen zijn. En het feit dat God jullie laat lijden, betekent dat Hij jullie heeft toegestaan de weg naar heerlijkheid te bewandelen. Hij stelt jullie heerlijkheid in het vooruitzicht. En dat het jullie vervolgers op dit moment goed gaat, moet ook niet worden opgevat als een teken van Gods gunst. Want voorspoed in de wereld zegt helemaal niets over de vraag of iemand God behaagt of niet. Sommige godvruchtige mensen hebben voorspoed gekend. Sommigen zijn arm geweest. Sommige goddeloze mensen zijn arm geweest; veel goddeloze mensen hebben voorspoed gekend. Je kunt aan de mate van iemands voorspoed niet aflezen of die persoon godvruchtig is of niet. Maar Paulus zegt dat Gods rechtvaardige oordeel voor een deel hierin te zien is: Hij heeft jullie, die voor Hem zijn uitgekomen, het voorrecht gegeven om te lijden omwille van Zijn Naam. En om te lijden als onderdeel van jullie binnengaan in de heerlijkheid van Christus, waarover hij iets later in hoofdstuk 2 spreekt. Hij geeft ook aan dat het rechtvaardige oordeel van God uiteindelijk duidelijker zichtbaar zal zijn wanneer God al het onrecht rechtzet. Daar gaat hij zo meteen in vers 6 op in. Daar zijn we nog niet. Maar vers 5 zegt:

Dat laat duidelijk zien dat God rechtvaardig oordeelt, zodat jullie waardig worden bevonden om bij Gods koninkrijk te horen, waarvoor jullie lijden.

Het Koninkrijk van God waarvoor jullie lijden. Dat zou kunnen betekenen dat jullie lijden doordat jullie deelhebben aan het Koninkrijk van God. Jullie lijden ter wille van het Koninkrijk van God. Dat wil zeggen: er is een conflict en een oorlog tussen het Koninkrijk van God en de koninkrijken van deze wereld, en jullie trouw aan het Koninkrijk van God brengt jullie in de strijd. Wat lichamelijke overwinningen betreft, verloopt de strijd in het voordeel van de tegenpartij. Natuurlijk is het juist wanneer de gemeente het meest lijdt, dat zij ook de heerlijkheid het meest begint te vertonen. Wat er vanuit werelds oogpunt dus uitziet als verlies, is vanuit geestelijk oogpunt winst.

Maar hij zegt:

Jullie lijden.

Dat zou kunnen betekenen: ter wille van het Koninkrijk van God. Of hij zou kunnen zeggen dat jullie lijden om het Koninkrijk van God binnen te gaan. Het Koninkrijk van God waarvoor jullie lijden. Want hij zei tegen de gemeenten van zijn eerste zendingsreis in Handelingen 14:22:

Handelingen 14:22

en zij versterkten de zielen van de discipelen, spoorden hen aan in het geloof te blijven en zeiden dat wij door veel verdrukkingen in het Koninkrijk van God moeten ingaan.

Handelingen 14:22. Hij zou dus kunnen bedoelen dat jullie lijden om het Koninkrijk van God te verkrijgen of binnen te gaan.

2 Thessalonicenzen 1:3-10

3Wij moeten God altijd voor u danken, broeders, zoals het behoort, omdat uw geloof buitengewoon sterk groeit en de liefde van ieder van u allen tot elkaar steeds toeneemt, 4zodat wij zelf over u roemen in de gemeenten van God vanwege uw volharding en geloof in al uw vervolgingen en in de verdrukkingen die u verdraagt: 5een teken van Gods rechtvaardig oordeel dat u het Koninkrijk van God waardig geacht wordt, waarvoor u ook lijdt. 6Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken, 7en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht, 8wanneer Hij met vlammend vuur wraak oefent over hen die God niet kennen, en over hen die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. 9Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht, 10wanneer Hij zal gekomen zijn om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloven (want bij u vond ons getuigenis geloof).

Dit is zoiets als oog om oog, tand om tand. Gods rechtvaardige oordeel wordt uiteindelijk nooit verijdeld. Uiteindelijk brengt Hij alles weer in evenwicht. Op dit moment lijken de onrechtvaardigen de overhand te hebben, maar God zal hun met verdrukking vergelden. Ze storten als het ware verdrukking over jullie uit, zoals vers 4 suggereert. Diezelfde verdrukking zal over hen komen wanneer God de rollen omdraait. Het is bij God rechtvaardig, of billijk:

Om de mensen die jullie nu het leven moeilijk maken daarvoor met ellende te vergelden, en jullie die het zwaar hebben samen met ons rust te geven wanneer de Heer Jezus vanuit de hemel verschijnt met Zijn machtige engelen in een laaiend vuur, enzovoort.

Rust en opname bij de zichtbare wederkomst

Illustratie bij: Verlichting bij de openbaring van Jezus.

Ik ga echt niet graag onnodig de polemiek aan over de opname en wanneer die plaatsvindt, omdat dat tegenwoordig onder christenen zo omstreden is. Ik wakker echt niet graag discussies aan. En het is naar mijn mening niet zo belangrijk op welk moment iemand denkt dat de opname zal plaatsvinden. Maar zoals jullie weten, geloof ik niet in een opname vóór de grote verdrukking. En de reden dat ik daar niet in geloof, is dat ik niet geloof dat de Bijbel die ergens leert.

Vooral deze passage lijkt die uit te sluiten, omdat hij spreekt over het moment waarop we de rust zullen binnengaan. Wanneer we deze wereld verlaten en de tegenwoordigheid van Jezus Christus binnengaan, zal dat zeker het einde van onze inspanningen betekenen. We zullen de rust binnengaan op het moment van de opname. Het Griekse woord voor ‘rust’ daar werd in de Griekse taal vroeger eigenlijk letterlijk gebruikt voor het ontspannen van een strakgespannen pees op een boog. Wanneer je de pees eraf haalt — die pees stond onder spanning — hangt hij vervolgens slap; hij is in rust. Het Griekse woord betekent dus een bevrijding van, of verlichting van, spanning of stress.

Die verlichting van alle stress en alle spanning komt zeker pas wanneer ons werk erop zit, net zoals een man de pees pas van zijn boog haalt nadat de strijd voorbij is. Onze rust, onze verlichting van spanning, komt bij de opname. Hoe kan iemand zich voorstellen dat er na dat moment nog spanning in ons leven is? En toch, wat is dat? Wanneer komt die rust? Wanneer vindt de opname plaats? Er staat dat Hij het volgende zal doen:

Om jullie die het nu zwaar hebben samen met ons rust te geven wanneer de Heer Jezus vanuit de hemel verschijnt met Zijn machtige engelen in een laaiend vuur en de mensen straft die God niet kennen.

De vraag of de wederkomst van Christus in twee fasen of in één fase plaatsvindt, is eigenlijk waar het om draait bij de vraag of de opname vóór of na een toekomstige grote verdrukking plaatsvindt. Want door de geschiedenis heen hebben christenen altijd geloofd, zoals Paulus in 1 Thessalonicenzen 4 zei, dat de opname plaatsvindt bij de parousia, oftewel bij de wederkomst van Christus. Maar volgens de bedelingenleer komt de opname in werkelijkheid eerder, zeven jaar eerder. De wederkomst van Christus vindt dus in twee fasen plaats. De eerste wordt de opname genoemd, waarbij de gemeente wordt opgenomen. De tweede wordt de openbaring van Christus genoemd, waarbij Jezus zichtbaar neerdaalt om de wereld te oordelen.

Hier lijkt Paulus het moment aan te wijzen waarop de christen de rust binnengaat. Dat moet de opname zijn; later kan het zeker niet zijn. Hij stelt dat moment gelijk aan de tijd waarop Jezus zichtbaar komt met Zijn engelen om de wereld te vernietigen, wat de aanhangers van de bedelingenleer de openbaring zouden noemen. Dat is de uiteindelijke zichtbare komst van Christus. Paulus zegt dat dat het moment is waarop we rust verwachten te krijgen.

Paulus gaat nergens rechtstreeks in op de vraag naar een toekomstige grote verdrukking van zeven jaar. Hij spreekt er in zijn geschriften zelfs nooit over. Daarom zien we hem ook niet rechtstreeks ingaan op de vraag of er vóór een grote verdrukking van zeven jaar een opname plaatsvindt. Maar uit zijn theologie en de vooronderstellingen die hij ook bij zijn lezers aanwezig achtte, blijkt duidelijk wanneer onze verlichting komt. We worden weggenomen uit de moeiten en de stress van deze wereld wanneer Jezus terugkomt om de wereld te oordelen in vlammend vuur. Daarbij vernietigt Hij met Zijn machtige engelen de goddelozen. Paulus ziet de opname beslist als iets wat tegelijk met de zichtbare komst van Christus naar de aarde plaatsvindt, en niet op een moment zeven jaar daarvoor.

Een vroegchristelijk gezang over de wederkomst

Illustratie bij: De gemeente bezingt haar hoop.

Midden in vers 7 staat:

Wanneer de Heer Jezus verschijnt, en dan gaat het verder. Vanaf dat punt tot aan het einde van vers 10 is het in het Grieks een heel ritmische passage. Veel geleerden geloven dat Paulus hier eigenlijk een oud gezang of een psalm of iets dergelijks citeert, omdat het bijna met een dichterlijk ritme geschreven is. Er zijn plaatsen in de geschriften van Paulus, vooral in zijn brieven aan Timotheus, waar hij bekende gezangen van de vroege gemeente citeert.

Een voorbeeld daarvan is 1 Timotheus 3, vers 16. Als je daar kijkt, zul je zien dat vers 16, althans het grootste deel ervan, in versvorm is gezet, dat wil zeggen in dichtvorm. Want men erkent dat deze uitspraak vrijwel zeker een citaat is uit een gezang dat de vroege gemeente zong:

1 Timotheüs 3:16

En buiten alle twijfel, groot is het geheimenis van de godsvrucht: God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is verschenen aan de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.

Er zijn nog andere gevallen waarin Paulus lijkt te citeren uit bekende gezangen van de vroege gemeente. Sommigen menen dat Paulus hier, vanaf het midden van vers 7, in 2 Thessalonicenzen 1:7 tot en met vers 10, iets dergelijks doet. Hij citeert een gezang over de wederkomst dat misschien door de vroege gemeente werd gezongen, opgezegd of op een vaste toon gereciteerd. En hij verwerkt het nu in zijn zin om aan te sluiten bij iets wat de lezers heel vertrouwd was.

Maar er staat:

2 Thessalonicenzen 1:3-10

3Wij moeten God altijd voor u danken, broeders, zoals het behoort, omdat uw geloof buitengewoon sterk groeit en de liefde van ieder van u allen tot elkaar steeds toeneemt, 4zodat wij zelf over u roemen in de gemeenten van God vanwege uw volharding en geloof in al uw vervolgingen en in de verdrukkingen die u verdraagt: 5een teken van Gods rechtvaardig oordeel dat u het Koninkrijk van God waardig geacht wordt, waarvoor u ook lijdt. 6Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken, 7en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht, 8wanneer Hij met vlammend vuur wraak oefent over hen die God niet kennen, en over hen die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. 9Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht, 10wanneer Hij zal gekomen zijn om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloven (want bij u vond ons getuigenis geloof).

De wederkomst als een verterend vuur

Illustratie bij: Lot verlaat Sodom vóór het vuur neerdaalt.

Klinkt dat voor jou alsof iemand die geen christen is de wederkomst zal overleven? Voor mij klinkt het niet zo. Sommigen geloven dat niet-christenen de wederkomst zullen overleven en een duizendjarige regering van Christus zullen binnengaan. Maar hier wordt aangegeven dat Jezus, wanneer Hij komt, zal komen met verwoestende vuurvlammen die Zijn vijanden vernietigen, degenen die het Evangelie niet hebben geloofd. Waarschijnlijk is de uitdrukking ‘de mensen die God niet kennen’ vooral een verwijzing naar degenen die ervoor hebben gekozen God niet te kennen, al kunnen we daar niet zeker van zijn.

In 2 Petrus hebben we nog een verwijzing naar deze vurige komst van Jezus. 2 Petrus 3, vers 10 zegt:

2 Petrus 3:10

Maar de dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht. Dan zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen brandend vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen verbranden.

Vers 12 zegt:

2 Petrus 3:12

u, die de komst van de dag van God verwacht en daarnaar verlangt, de dag waarop de hemelen, door vuur aangestoken, zullen vergaan en de elementen brandend zullen wegsmelten.

Dus wanneer Jezus terugkomt, zal de aarde verbranden. Hij zal komen in vlammend vuur. Dit is heel goed mogelijk een van de redenen waarom Hij ons zal opnemen om Hem in de lucht te ontmoeten voordat Hij hier aankomt. Want de aarde en allen die erop zijn, zullen bij Zijn komst door vuur worden verteerd. Blijkbaar zullen alleen degenen die opgenomen zijn om Hem in de lucht te ontmoeten, aan die verbranding ontkomen.

Jezus vergelijkt dit in Lukas 17 met wat er met Sodom en Gomorra gebeurde. Je herinnert je dat Jezus zei:

Lukas 17:28-30

28Op dezelfde manier ook, zoals het gebeurde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. 29Op de dag echter waarop Lot uit Sodom wegging, regende het vuur en zwavel uit de hemel en bracht hen allen om. 30Evenzo zal het zijn op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.

In Lukas 17:28 zegt Jezus:

Zo ging het ook in de tijd van Lot: ze aten, dronken, kochten, verkochten, plantten en bouwden, maar op de dag dat Lot uit Sodom vertrok, regende het vuur en zwavel uit de hemel en kwamen ze allemaal om, en zo zal het ook gaan op de dag dat de Zoon des mensen verschijnt.

Ik heb jullie eerder verteld dat sommigen hebben gedacht dat dit verwijst naar de gemeente die vóór een zevenjarige grote verdrukking wordt opgenomen. Maar het lijkt veel redelijker dat, als Lot al de opname voorstelt, of de gemeente die uit de weg gaat zodat God alles kan verbranden, hier geen sprake is van een zevenjarige grote verdrukking, maar eenvoudig van vuur uit de hemel. Het is zoals wat er met Sodom en Gomorra gebeurde. Duurde dat zeven jaar? Het was in een oogwenk helemaal verkoold.

Hiermee wordt de komst van Jezus vergeleken. Jezus zei dat het zo zal zijn op de dag dat de Zoon des mensen geopenbaard wordt, zoals toen Sodom verbrandde. En dus ontleent Paulus zijn bewoordingen ongetwijfeld gedeeltelijk daaraan wanneer hij zegt dat Jezus met vlammend vuur geopenbaard zal worden. Het idee dat Hij geopenbaard wordt: het woord ‘geopenbaard’ staat daar in Jezus’ eigen uitspraak. Toen Jezus in Lukas 17:30 zei:

Lukas 17:30

Evenzo zal het zijn op de dag waarop de Zoon des mensen geopenbaard zal worden.

Zo luidt ook Paulus’ uitspraak in 2 Thessalonicenzen:

2 Thessalonicenzen 1:3-10

3Wij moeten God altijd voor u danken, broeders, zoals het behoort, omdat uw geloof buitengewoon sterk groeit en de liefde van ieder van u allen tot elkaar steeds toeneemt, 4zodat wij zelf over u roemen in de gemeenten van God vanwege uw volharding en geloof in al uw vervolgingen en in de verdrukkingen die u verdraagt: 5een teken van Gods rechtvaardig oordeel dat u het Koninkrijk van God waardig geacht wordt, waarvoor u ook lijdt. 6Het is immers rechtvaardig van God verdrukking te vergelden aan hen die u verdrukken, 7en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht, 8wanneer Hij met vlammend vuur wraak oefent over hen die God niet kennen, en over hen die het Evangelie van onze Heere Jezus Christus niet gehoorzaam zijn. 9Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht, 10wanneer Hij zal gekomen zijn om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloven (want bij u vond ons getuigenis geloof).

Daarbij ontleent hij zijn beeldspraak ongetwijfeld gedeeltelijk aan Jezus’ uitspraak en gedeeltelijk misschien aan Jesaja 66, vers 15, waar staat:

Jesaja 66:15

Want zie, de HEERE zal komen in vuur, en Zijn strijdwagens zullen komen als een wervelwind, om in grimmigheid Zijn toorn te laten gelden, Zijn bestraffing in vlammen van vuur.

Ik weet niet of dit een verwijzing is naar de wederkomst van Christus, want in die passage zou het op iets anders kunnen slaan. Maar het idee dat de Heere met vuur verschijnt, met vuur bestraft en wraak neemt, is zeker een Bijbels beeld uit het Oude Testament. We vinden het ook in Maleachi hoofdstuk 4. In vers 1 staat:

Maleachi 4:1

Want zie, die dag komt, brandend als een oven. Dan zullen alle hoogmoedigen en allen die goddeloosheid doen, stoppels worden. En de dag die komt, zal ze in vlam zetten, zegt de HEERE van de legermachten, Die van hen wortel noch tak zal overlaten.

Enzovoort.

Het idee dat er een dag komt die de goddelozen met wortel en tak zal verbranden, lijkt zeker ten grondslag te liggen aan Paulus’ gebruik van deze beeldspraak over Jezus Die in vlammend vuur komt en wraak neemt op degenen die God niet kennen en het Evangelie niet gehoorzamen.

Het duizendjarig rijk en de wederkomst

Illustratie bij: Vuur daalt neer rond de legerplaats van de heiligen.

Voordat we verdergaan na 2 Thessalonicenzen 1:8, moeten we — ik kan het gewoon niet laten — even kijken naar Openbaring 20. Het meest omstreden hoofdstuk in de Bijbel, zoals veel commentatoren hebben gezegd, en volgens mij terecht. Het is het enige hoofdstuk in de Bijbel dat spreekt over een duizendjarig rijk. De grote twistvraag is altijd geweest: vindt dit duizendjarige rijk plaats voordat Jezus terugkomt of nadat Hij terugkomt? En als het vóór Zijn terugkomst plaatsvindt, gaat het dan om letterlijk duizend jaar aan het einde van het tijdperk van de gemeente, of staat het symbolisch voor het hele tijdperk van de gemeente?

Die vragen kunnen we nu niet definitief beantwoorden, tenminste niet allemaal. Ik denk dat we een ervan vrij snel kunnen beantwoorden, en daarvoor moeten we in Openbaring 20, vers 9 zijn. Daar is sprake van een korte tijd aan het einde van deze periode van duizend jaar, waarin satan wordt losgelaten om de volken bijeen te brengen tegen de geliefde stad. Er staat:

Openbaring 20:9

En zij kwamen op over de breedte van de aarde, en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad. Maar er daalde vuur van God neer uit de hemel en dat verslond hen.

Onder de legerplaats van de heiligen versta ik de gemeente. Vervolgens gaat het over de vernietiging van de duivel, de vernietiging van de wereld en de grote opstanding en het oordeel.

Ik ben geneigd te geloven dat Openbaring 20, vers 9, waar gesproken wordt over vuur uit de hemel dat neerdaalt en de vijanden verslindt, over hetzelfde gaat als 2 Thessalonicenzen 1:8. Namelijk dat Jezus, wanneer Hij terugkomt, met vuur terugkomt. Dat wil zeggen: de terugkomst van Christus wordt volgens mij in Openbaring 20, vers 9, in beeldspraak beschreven. Daarmee zou die aan het einde van de duizend jaar worden geplaatst, niet aan het begin. Dat is zeker een kruisverwijzing waard.

Eeuwig verderf en de afwezigheid van God

Illustratie bij: De ernstige woorden over eeuwig verderf.

2 Thessalonicenzen 1:9:

2 Thessalonicenzen 1:9

Zij zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan, weg van het aangezicht van de Heere en van de heerlijkheid van Zijn macht,

Dezen, degenen die God niet kennen en die het Evangelie niet gehoorzamen, zullen als straf het eeuwig verderf ondergaan.

Deze uitdrukking, ‘eeuwig verderf’, is door sommigen opgevat als een aanduiding van vernietiging.

De spreker bespreekt hier de uitdrukking ‘everlasting destruction’ uit zijn Engelse Bijbelvertaling. Het Engelse ‘destruction’ kan ook ‘vernietiging’ betekenen; de HSV gebruikt ‘verderf’.

De Jehovah’s Getuigen, de zevendedagsadventisten en sommige evangelische christenen hebben het standpunt ingenomen dat er geen eeuwige hel is. Wat de zondaar te wachten staat, is volgens hen veeleer vernietiging. Wanneer Jezus komt, zal Hij hen eenvoudigweg vernietigen. Ze zullen ophouden te bestaan. Dat is een straf. Ze zullen worden verbrand. Daar bestaat geen twijfel over. Het zal ongetwijfeld een pijnlijke ervaring zijn. Maar ze zullen niet blijven lijden, want er staat dat ze eeuwig verderf zullen ondergaan. Vanuit een bepaalde invalshoek zou dat kunnen klinken alsof het betekent dat ze eenvoudigweg vernietigd zullen worden, zullen ophouden te bestaan, en dat die toestand eeuwig zal duren. Dat wil zeggen: ze zullen nooit meer in elkaar worden gezet. Ze zullen nooit meer tot leven worden gebracht.

Een van de problemen met deze gedachte is dat ze Gods rechtvaardigheid in twijfel trekt. Als een man als Adolf Hitler bijvoorbeeld niets ergers te wachten staat dan alleen maar vernietiging — laten we zeggen dat hij wordt verbrand — dan kan dat natuurlijk pijnlijk zijn. Maar heel wat christenen zijn ook op de brandstapel verbrand. Met andere woorden: als de ongelovige geen grotere straf te wachten staat dan verbrand en vernietigd te worden, dan maakt de ongelovige niets ergers door dan veel christelijke martelaren hebben doorgemaakt. Want zij zijn op de brandstapel verbrand en hebben zelfs veel ergere dingen doorstaan. De vraag rijst natuurlijk wat er met verderf wordt bedoeld. En sommige uitleggers geloven dat het beslist geen vernietiging betekent, maar een te gronde gaan: dat ze eeuwig te gronde zullen gaan. Paulus geeft er een nadere bepaling bij door te zeggen:

Weg uit de aanwezigheid van de Heer.

Dat wil zeggen: ze brengen een eeuwigheid door, ver van de tegenwoordigheid van de Heere. Ongelovigen denken misschien: ‘Nou, wat is daar zo erg aan? Ik heb mijn hele leven geprobeerd God te vermijden.’

Het is echter zo dat nog nooit iemand ter wereld helemaal buiten de tegenwoordigheid van de Heere is geweest. David zei in Psalm 139:

Psalmen 139:7

Waarheen zou ik vluchten om aan Uw tegenwoordigheid te ontkomen?

Psalmen 139:8

Al steeg ik op naar de hemel, U bent daar; of legde ik mij neer in de hel, zie, U bent daar.

enzovoort. Ze kunnen niet helemaal aan de tegenwoordigheid van God ontkomen, en het is maar goed voor hen dat dat niet is gebeurd. Hoewel veel mensen hun leven lang proberen zich tegen God te verzetten, Hem te vermijden en aan Hem te ontkomen, zouden ze, als ze werkelijk ergens konden komen waar God niet is, merken dat daar geen leven is, geen goedheid.

Jakobus 1:17

Elke goede gave en elk volmaakt geschenk is van boven en daalt neer van de Vader der lichten, bij Wie er geen verandering is, of schaduw van omkeer.

Al die goede gaven zijn geschenken van God. Zelfs de regen en de zonneschijn waarvan de goddelozen en de onrechtvaardigen genieten, zijn een geschenk van God. Jezus zei:

Mattheüs 5:45

zodat u kinderen zult zijn van uw Vader, Die in de hemelen is, want Hij laat Zijn zon opgaan over slechte en goede mensen, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.

Er is niemand, hoe goddeloos en opstandig ook, die helemaal verstoken is gebleven van het ervaren van Gods genadige gaven. Zelfs ieder leven, iedere ademhaling is een geschenk van God. Daniël zei tegen Belsazar:

Daniël 5:23

U hebt zich verheven tegen de Heere van de hemel, want de voorwerpen van Zijn huis heeft men bij u gebracht. En u, uw machthebbers, uw vrouwen en bijvrouwen hebben wijn eruit gedronken, en u hebt uw goden van zilver en goud, koper, ijzer, hout en steen geprezen, die niet kunnen zien en niet kunnen horen en geen kennis hebben. U hebt echter de God in Wiens hand uw adem is en aan Wie al uw paden toebehoren, niet verheerlijkt.

God geeft je elke volgende ademhaling en alles. Er leeft vandaag geen ongelovige die niet veel weldaden van God heeft ontvangen.

Maar als je iemand voor alle eeuwigheid helemaal uit Gods tegenwoordigheid wegneemt, zou er geen leven zijn, geen warmte, geen vreugde, geen genoegen, alleen pijn, alleen spijt, alleen onvervulde verlangens. Ik weet niet precies wat de aard van de hel is. Maar Paulus geeft aan dat het voornaamste kenmerk ervan, het belangrijkste wat die zo onwenselijk maakt, is dat het eeuwig verderf is, ver van de tegenwoordigheid van de Heere. Natuurlijk zou het kunnen betekenen dat het verderf vanuit de tegenwoordigheid van de Heere komt.

Deze alternatieve uitleg betreft het Engelse ‘from the presence of the Lord’. ‘From’ kan zowel herkomst als verwijdering aanduiden. De HSV kiest met ‘weg van het aangezicht van de Heere’ expliciet voor verwijdering.

Maar het lijkt te zeggen dat die persoon zijn eeuwigheid helemaal in de afwezigheid van God doorbrengt, en ver van de heerlijkheid van Zijn kracht. Al het goede dat God op aarde heeft gegeven, is een uiting van de heerlijkheid van Zijn kracht. Daar voor eeuwig van verstoken te zijn, betekent dus dat je in de buitenste duisternis bent, zoals andere passages dat noemen.

Christus verheerlijkt in Zijn gemeente

Illustratie bij: Christus wordt bewonderd onder Zijn heiligen.

Vers 10:

2 Thessalonicenzen 1:10

wanneer Hij zal gekomen zijn om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloven (want bij u vond ons getuigenis geloof).

De heerlijkheid van de Heere zal geopenbaard worden in de gemeente, in ons. We hebben eerder andere passages gezien die daarop lijken. ‘Om verheerlijkt te worden in ons en bewonderd te worden in allen die geloven.’

Het Engelse ‘admired’, hier weergegeven als ‘bewonderd’, is eigenlijk een vreemde vertaling. Het Griekse woord betekent ‘zich over iemand verwonderen’ of ‘verbaasd over iemand staan’. Betekent dit dat degenen die geloven zich zullen verwonderen of verbaasd zullen staan? Dat wil zeggen: zullen wij ons over Jezus verwonderen en verbaasd over Hem staan wanneer Hij terugkomt? Misschien. Het zou me zeker niet verbazen als we dat deden. Maar zoals het geformuleerd is, zou het kunnen betekenen dat Zijn tegenwoordigheid en Zijn heerlijkheid onder Zijn volk, onder degenen die geloven, iets zullen zijn waarover de wereld verbaasd staat of zich verwondert.

Het zou beslist een wonder zijn als de gemeente zich als Jezus ging gedragen. De wereld zou waarschijnlijk flauwvallen, want ze geloven niet dat er enige goedheid in de gemeente is. Maar Jezus bad dat de gemeente liefde en eenheid zou laten zien, zodat de wereld zou weten dat God Hem had gezonden. Er is een zekere aanwijzing dat de gemeente zo’n heerlijke toekomst heeft dat de wereld vol ontzag zal zijn, zich zal verwonderen over Jezus in ons.

Dat betekent niet dat de wederkomst van Christus alleen maar iets is wat in ons gebeurt. Dat denk ik niet. Ik geloof dat Jezus uit de hemel zal verschijnen, zoals Paulus zelf in vers 7 zei:

Jezus, de Heer, zal vanuit de hemel verschijnen.

Maar het is ook zo dat Petrus in 2 Petrus 1:19 zei dat wij wachten tot:

2 Petrus 1:19

En wij hebben het profetische woord, dat vast en zeker is, en u doet er goed aan daarop acht te slaan als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw hart.

Er wordt verwacht dat de heerlijkheid van God in de gelovigen zal gaan dagen. Paulus zelf spreekt er hier over:

Wanneer Jezus op die dag komt om geëerd te worden in de mensen die bij Hem horen en bewonderd te worden, of: met verwondering aanschouwd te worden.

2 Thessalonicenzen 1:10

wanneer Hij zal gekomen zijn om op die dag verheerlijkt te worden in Zijn heiligen en bewonderd te worden in allen die geloven (want bij u vond ons getuigenis geloof).

Het Engelse ‘because’, hier weergegeven als ‘want’ in ‘want bij u vond ons getuigenis geloof’, is nogal lastig. Commentatoren weten er geen raad mee.

De spreker bespreekt het Engelse ‘because our testimony among you was believed’ als onderdeel van de doorlopende zin. De HSV geeft dit weer als een verklarende tussenzin tussen haakjes: ‘(want bij u vond ons getuigenis geloof)’.

Sommigen denken dat er misschien een zinsdeel uit de handschriften is weggevallen, en dat er zoiets zou moeten staan:

Jezus zal bewonderd worden door iedereen die gelooft, en dus ook door jullie, want jullie geloven ook, Of iets dergelijks. ‘Omdat ons getuigenis door jullie geloofd wordt.’

Hoe dan ook, we weten niet of die regel ontbreekt of wat er aan de hand is. Het is een vreemde bijzin:

Omdat jullie geloofd hebben wat wij jullie hebben verteld.

Het is gewoon moeilijk om precies te weten hoe dat aansluit bij de gedachte van de zin. Sommigen denken dat daar een ellips staat, dat er ergens een bijzin of een zinsdeel uit het handschrift is weggevallen.

Paulus’ gebed als voorbeeld voor ons

Illustratie bij: Paulus bidt voor het werk van hun geloof.
2 Thessalonicenzen 1:11-12

11Daarom bidden wij ook altijd voor u dat onze God u de roeping waard acht en Hij al het welbehagen van Zijn goedheid en het werk van het geloof met kracht volbrengt, 12opdat de Naam van onze Heere Jezus Christus in u verheerlijkt wordt, en u in Hem, overeenkomstig de genade van onze God en van de Heere Jezus Christus.

Zijn gebed voor hen is uiteindelijk dat God, zoals Hij hen geroepen heeft, hen Zijn roeping waardig zal achten. Dat wil zeggen, hen niet waardig maken, maar hen als waardig beschouwen. Een beetje zoals rechtvaardiging niet betekent dat we noodzakelijkerwijs volledig rechtvaardig gemaakt zijn, maar dat we als rechtvaardig worden beschouwd. Dus bidt hij dat God hen zal behandelen alsof ze Zijn roeping waardig zijn en al het welbehagen van Zijn goedheid en Zijn werk van geloof met kracht zal vervullen.

Dit zijn trouwens goede gebeden om voor jezelf en voor anderen te bidden. Soms weten we, wanneer we voor mensen bidden, dat we voor die en die moeten bidden. Maar het enige wat we kunnen bedenken is: ‘En God, zegen die en die, en zegen die en die, en zegen die en die.’ Als we specifieker proberen te zijn, is het moeilijk om te bedenken wat we nu precies over deze mensen moeten zeggen. Je hebt misschien een lange gebedslijst met ‘zegen oma, zegen opa en zegen tante Sue’, enzovoort. In sommige gevallen is het moeilijk om concrete dingen te bedenken om voor te bidden.

Dus ik denk dat de gebeden van Paulus goede voorbeelden zijn die we van hem kunnen overnemen. Ze weerspiegelen beslist de wil van God voor mensen. Ik geloof dat de geïnspireerde gebeden van Paulus hier gebeden zijn naar de wil van God. Je kunt dus voor mensen bidden:

Dat God hen Zijn roeping waardig acht en in hun leven al het goede tot stand brengt dat Hij wil, en hun geloof met kracht laat doorwerken, zodat de naam van onze Heer Jezus Christus in hen geëerd wordt.

Bid ook voor jezelf, en in jou:

Dankzij de genade van onze God en de Heer Jezus Christus.

Een moeilijk hoofdstuk over de wetteloze

Illustratie bij: De gemeente hoort de waarschuwing over de wetteloze.

Nu moeten we naar hoofdstuk 2. Een bekende commentator, Leon Morris, zei: ‘Deze passage is waarschijnlijk de meest duistere en moeilijkste in de hele briefwisseling van Paulus. Het is verstandig enige terughoudendheid te bewaren in onze interpretaties.’

Ik ben het met Leon Morris eens. Ik vind het beschamend hoe sommige commentatoren zich op deze passage storten en stellige betekenissen toekennen aan dingen waarvan goede geleerden weten dat ze heel onduidelijk zijn. De betekenissen die deze mensen voorstellen, zijn misschien wel te opperen en verdienen misschien overweging. Maar er zijn zo veel leraren die dit hoofdstuk behandelen en er betekenissen aan toekennen die eenvoudigweg niet gerechtvaardigd zijn. Het is eenvoudigweg speculatie, en ze praten alsof het vaststaat. Laat me de passage voorlezen, dan zal ik je precies vertellen waar ik het hier over heb.

2 Thessalonicenzen 2:1-12

1En wij vragen u dringend, broeders, met betrekking tot de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem, 2dat u niet snel aan het wankelen wordt gebracht of verschrikt, niet door een uiting van de geest, niet door een woord, en ook niet door een brief die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag van Christus al aangebroken zou zijn. 3Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is, 4de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet. 5Herinnert u zich niet dat ik u deze dingen zei, toen ik nog bij u was? 6En u weet wat hem nu weerhoudt, opdat hij op zijn eigen tijd geopenbaard wordt. 7Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is. 8En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst; 9hem, wiens komst overeenkomstig de werking van de satan is, met allerlei kracht, tekenen en wonderen van de leugen, 10en met allerlei misleiding van de ongerechtigheid in hen die verloren gaan, omdat zij de liefde voor de waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden. 11En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven, 12opdat zij allen veroordeeld worden die de waarheid niet geloofd hebben, maar een behagen hebben gehad in de ongerechtigheid.

De waarheid verwerpen en dwaling ontvangen

Illustratie bij: De waarheid afwijzen ten gunste van misleiding.

Alleen al die laatste verzen maken duidelijk dat God vindt dat als iemand de waarheid niet boven alles liefheeft, diegene elke misleiding verdient waarin hij uiteindelijk terechtkomt. In Romeinen 1:18 wordt ons verteld over Gods toorn tegen degenen die de waarheid in hun ongerechtigheid onderdrukken. In Romeinen 1:18 staat:

Romeinen 1:18

Want de toorn van God wordt geopenbaard vanuit de hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid van de mensen, die de waarheid in ongerechtigheid onderdrukken,

Of de waarheid eronder houden, Dat wil zeggen: ze hebben toegang tot de waarheid, maar ze onderdrukken die. Ze willen die niet. Waarom? Omdat ze de voorkeur geven aan hun zonde, en de waarheid zou hun zonde veroordelen. Daarom negeren ze de waarheid liever, zodat ze hun zonde kunnen blijven najagen met wat volgens hen het zuiverst mogelijke geweten is dat ze kunnen hebben. Dat geweten is nooit echt helemaal zuiver. Maar ook hier zien we dezelfde drijfveer. In vers 12 staat:

Ze geloofden de waarheid niet, maar vonden het fijn om verkeerde dingen te doen.

Omdat ze hun zonde liefhebben, hebben ze de waarheid niet lief. Hij zegt in vers 10:

Ze stonden niet open voor liefde voor de waarheid.

Vers 11 zegt:

2 Thessalonicenzen 2:11

En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven,

Er is een leugen die mensen kunnen kiezen te geloven in plaats van de waarheid. God geeft mensen niet alleen de keuzevrijheid om voor de leugen te kiezen. Als ze ervoor kiezen de waarheid te verwerpen, als ze er bewust voor kiezen om waarheid die hun ter beschikking staat te onderdrukken, om niet te wandelen in het licht dat hun gegeven is, dan kiest God hun lot voor hen. Zij kiezen ervoor de waarheid niet lief te hebben, en God kiest hun dwalingen.

Er is een passage in Jesaja waarin God zegt:

Ze hebben hun eigen weg gekozen.

In Jesaja 66, tegen het einde van vers 3, staat:

Jesaja 66:3

Wie een rund slacht, slaat een man neer, wie een lam offert, breekt een hond de nek, wie een graanoffer offert, offert varkensbloed, wie wierook brandt als gedenkoffer, looft daarmee een afgod. Zoals zíj ook hun eigen wegen gekozen hebben en hun ziel vreugde vindt in hun afschuwelijke afgoden,

Is dat geen prachtige paralleltekst bij de passage in Thessalonicenzen? Want Paulus zegt:

Ze vonden het fijn om verkeerde dingen te doen.

Hier staat:

Jesaja 66:3-4

3Wie een rund slacht, slaat een man neer, wie een lam offert, breekt een hond de nek, wie een graanoffer offert, offert varkensbloed, wie wierook brandt als gedenkoffer, looft daarmee een afgod. Zoals zíj ook hun eigen wegen gekozen hebben en hun ziel vreugde vindt in hun afschuwelijke afgoden, 4zo zal Ík het loon voor hun handelingen kiezen en zal Ik over hen doen komen wat zij vrezen, omdat Ik riep, maar niemand antwoord gaf, Ik sprak, maar zij niet luisterden. Zij deden wat slecht is in Mijn ogen en zij kozen wat Mij niet behaagt.

Dezelfde gedachte. Ze hebben ervoor gekozen behagen te scheppen in hun ongerechtigheid, ten koste van de waarheid. En daarom staat er:

Ik zal kiezen waarin ze zich laten misleiden.

De spreker volgt hier de Engelse formulering van Jesaja 66:4: ‘I will choose their delusions’. De HSV heeft ‘zo zal Ík het loon voor hun handelingen kiezen’. Zijn woordelijke verbinding met de dwaling in Thessalonicenzen berust op de Engelse formulering.

In Thessalonicenzen staat:

2 Thessalonicenzen 2:11

En daarom zal God hun een krachtige dwaling zenden, zodat zij de leugen geloven,

De gedachte is dat God niet zomaar willekeurig dwaling over mensen brengt. Maar als ze kiezen voor de weg van het verwerpen van de waarheid en het liefhebben van hun zonde, dan zegt God: ‘Je hebt ervoor gekozen; dit is wat je zult krijgen. Ik heb ervoor gekozen je dit als gevolg te geven.’ God kiest hun weg niet. Ze kiezen hun eigen weg, maar Hij kiest de gevolgen voor hen. Je kunt je pad kiezen, maar je kunt niet kiezen waar dat pad zal uitkomen. Het pad ligt al vast, en als je een bepaald pad volgt, kom je uit waar dat pad naartoe leidt. Als je een pad kiest waarop je zonde najaagt ten koste van de waarheid, dan zul je uiteindelijk misleid worden, in dwaling verkeren en zelf schuld dragen aan die dwaling.

Onze vereniging met Christus en de opname

Illustratie bij: Samenkomen in de hoop op vereniging met Christus.

Laten we teruggaan naar het eerdere gedeelte van dit hoofdstuk, 2 Thessalonicenzen 2.

Deze uitdrukking, ‘onze vereniging met Hem’, lijkt te spreken over de opname van de gemeente. Paulus had in 1 Thessalonicenzen tot dezelfde toehoorders gesproken, in hoofdstuk 4 en vers 17. Daar staat:

1 Thessalonicenzen 4:17

Daarna zullen wij, de levenden die overgebleven zijn, samen met hen opgenomen worden in de wolken, naar een ontmoeting met de Heere in de lucht. En zo zullen wij altijd bij de Heere zijn.

Dat klinkt alsof wij bij Jezus bijeengebracht worden.

Er is een mogelijk alternatief, al denk ik niet dat het erg waarschijnlijk is: ons samenkomen tot Hem verwijst eenvoudig naar onze gemeenschap als christenen. Wat voor deze gedachte pleit, is dat ditzelfde Griekse woord, ‘ons samenkomen’, in Hebreeën 10:25 staat, waar het zegt:

Hebreeën 10:25

Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen, en dat zoveel te meer als u de grote dag ziet naderen.

Dat is hetzelfde Griekse woord, het samenkomen van ons, en dat gaat over aanbidding. Denk aan die uitdrukking in Genesis 49:10:

Genesis 49:10

De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzamen.

De spreker gebruikt hier een vertaling waarin het slot van Genesis 49:10 luidt: ‘En tot Hem zullen de volken samenkomen.’ Dat samenkomen van de volken tot Jezus gebeurt wanneer heidenen de gemeente binnenkomen.

De spreker verwijst naar de Engelse formulering van Genesis 49:10: ‘unto Him shall the gathering of the people be’. De HSV heeft op die plaats ‘en Hem zullen de volken gehoorzamen’.

Paulus zou met de volgende woorden op onze gemeenschap kunnen doelen: ‘onze vereniging met Hem’ Zijn bedoeling zou dan eenvoudig zijn: ‘Ik smeek jullie op grond van onze hoop op de wederkomst van Christus en op grond van onze onderlinge gemeenschap in Jezus, ons samenkomen als gelovigen in Hem’, enzovoort.

Ik zie dit liever als een verwijzing naar de opname. Omdat hij de komst van onze Heere noemt in verband met ons samenkomen tot Hem, lijkt het natuurlijker dat het samenkomen tot Hem verband houdt met de komst van de Heere. Hij heeft de opname in 1 Thessalonicenzen 4 al verbonden met de komst van de Heere, of de parousia. Ik geloof dus dat hij nu met ons gaat spreken over de komst van de Heere en de opname.

Valse berichten over de dag van de Heere

Illustratie bij: Een bericht dat ten onrechte aan Paulus wordt toegeschreven.

Vers 2 zegt:

Laat je niet zomaar in de war brengen of bang maken door een geestelijke boodschap, iets wat iemand zegt of een brief die zogenaamd van ons komt, alsof de dag van Christus al gekomen is.

De King James zegt:

Alsof de dag van de Heer elk moment kan aanbreken.

Eigenlijk is dat in dit geval niet de beste vertaling. De Griekse uitdrukking wordt elders in het Nieuwe Testament altijd gebruikt in de betekenis ‘aanwezig was’. Dus dat zou hier ook beter lijken.

Maar hoe deze mensen ervan overtuigd konden worden dat de dag van de Heere al gekomen was of aanwezig was, kunnen wij ons heel moeilijk voorstellen. Hun opvatting over de dag van de Heere was duidelijk onjuist. We kunnen geen enkele bepaalde visie op de dag van de Heere verdedigen op grond van het feit dat zij er zo over dachten. Want het is duidelijk dat Paulus hun opvattingen niet toereikend vond. Ze moesten over deze dingen gecorrigeerd worden.

Er waren blijkbaar profetische uitspraken, of brieven die zogenaamd van Paulus kwamen maar vervalsingen waren, of allebei. Daarin werden dit soort dingen gezegd, dat de dag van de Heere gekomen was. Daarom waarschuwt Paulus hen dat ze zich niet van hun overtuiging moeten laten afbrengen door een geest, waarschijnlijk een verwijzing naar een profetische uitspraak in de gemeente, of door een brief die van ons leek te komen. Want hij zegt dat die niet van ons komen. Wij zeggen deze dingen niet. Dit is niet waar. Blijkbaar waren er profetische uitspraken of brieven die zogenaamd van Paulus kwamen en waarin verkeerde leerstellingen werden verkondigd.

Ik vind het interessant dat er al tijdens het leven van de apostelen valse brieven waren die hun namen droegen. Dat maakte het zo moeilijk voor de mensen die eeuwen later de echte brieven probeerden samen te brengen in de verzameling die wij kennen als de canon van het Nieuwe Testament. Ze moesten zowel onechte als echte brieven beoordelen en van elkaar onderscheiden. Dat was heel moeilijk, en ze namen niet snel een beslissing. Ze moesten allerlei bewijsmateriaal afwegen voordat ze er zeker van konden zijn dat een bepaalde brief werkelijk door Paulus of Johannes of Petrus geschreven was. Want er waren andere, onechte brieven die hun namen droegen en die afgewezen moesten worden. Zelfs tijdens Paulus’ eigen leven lijkt hij te hebben geweten van enkele brieven die zogenaamd van hem kwamen, maar die niet echt waren.

Ik weet niet echt hoe ze konden geloven dat de dag van Christus gekomen was, aangezien Petrus zegt:

2 Petrus 3:10-12

10Maar de dag van de Heere zal komen als een dief in de nacht. Dan zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen brandend vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen verbranden. 11Als deze dingen dus allemaal vergaan, hoedanig behoort u dan te zijn in heilige levenswandel en in godsvrucht; 12u, die de komst van de dag van God verwacht en daarnaar verlangt, de dag waarop de hemelen, door vuur aangestoken, zullen vergaan en de elementen brandend zullen wegsmelten.

En dat kon uiteraard niet gebeurd zijn. Maar omdat deze mensen zich op veel punten vergisten, kunnen ze zich ook vergist hebben in wat de dag van Christus inhield of hoe die eruit zou zien. Paulus moet dit hier dus verduidelijken. Hij zegt in vers 3:

2 Thessalonicenzen 2:3

Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de wetteloosheid, de zoon van het verderf, geopenbaard is,

Over welke dag heeft hij het? De dag van Christus in vers 2, waar in veel handschriften ‘dag van de Heere’ staat. Overigens geloven aanhangers van de bedelingenleer dat er een verschil is tussen de dag van de Heere en de dag van Christus. Zij zouden zeggen dat de dag van Christus de opname is en dat de dag van de Heere een langere periode aan het einde is. De handschriften stemmen echter niet overeen over de vraag of Paulus het hier überhaupt over de dag van Christus of over de dag van de Heere heeft. Voor iedereen die geen aanhanger van de bedelingenleer is, is dat geen probleem. Want we weten dat Jezus Christus de Heere is, en daarom is de dag van Christus dezelfde als de dag van de Heere. Er is geen andere Heere dan Christus. Daarom is er geen reden om onderscheid te maken tussen de dag van Christus en de dag van de Heere.

Interessant genoeg staat hier in de Textus Receptus „de dag van Christus”, terwijl de kritische tekst die wordt gebruikt door andere vertalingen dan de King James „de dag van de Heere” heeft. Het maakt niet uit. Hij heeft het over de komst van Christus. En hij zegt: nee, die dag zal niet komen. Trouwens, zoals ik al aangaf, denk ik dat hij in vers 1 de opname bij die dag heeft inbegrepen, wanneer hij zegt:

2 Thessalonicenzen 2:1

De komst van de Heere en onze vereniging met Hem.

Die dag, die dag van Zijn komst, die dag van de opname van de gemeente, zal niet komen voordat er twee dingen gebeuren.

Waakzaamheid en wat eerst moet gebeuren

Illustratie bij: Jezus onderwijst waakzaamheid.

Laat ik je eens iets vertellen. Soms wordt ons verteld dat als we niet geloven in een opname vóór de grote verdrukking, en geloven dat er vóór de opname bepaalde dingen moeten gebeuren, we dan niet geloven dat de komst van Christus op elk moment kan plaatsvinden. Dan lopen we dus het gevaar te zeggen:

Mattheüs 24:48

Maar als die slechte dienaar in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft nog lang weg,

We geloven dan niet dat Jezus op elk moment zou kunnen komen.

Ik herinner me een periode in mijn leven waarin het me, vanuit mijn toenmalige theologische opvattingen, doodsbang zou hebben gemaakt om iemand te ontmoeten die zei: „Jezus kan vandaag niet komen”, of: „Hij zal vandaag niet komen.” Ik zou hebben gedacht dat hij God lasterde, want dit was een van de dingen die er vanaf mijn jeugd bij mij in waren gehamerd. Een van de belangrijkste punten van rechtzinnigheid is dat Jezus vandaag zou kunnen komen. Elk ogenblik.

Is dat Bijbels? Paulus zei dat die dag niet kan komen voordat dit en dat en dit en dat gebeurt. Met andere woorden, hij zei dat die dag vandaag niet kan komen. Natuurlijk moeten wij ons afvragen: zijn die dingen al gebeurd? Sommigen zouden ja zeggen, anderen nee, afhankelijk van hoe ze de afval en de mens van de zonde uitleggen. Maar het interessante is dat Paulus in zijn tijd niet leerde dat de komst op elk moment kon plaatsvinden. Hij leerde dat ze niet moesten geloven dat de opname en de wederkomst onmiddellijk zouden plaatsvinden. Er zijn een paar dingen die in elk geval eerst moeten gebeuren.

Als Paulus dat onderwees, kunnen we ons afvragen: op welk moment begonnen de Bijbelschrijvers dan te onderwijzen dat de komst op elk moment kon plaatsvinden? Die leer houdt namelijk in dat je moet verwachten dat Jezus op elk moment zou kunnen komen. Men zegt: „Maar zei Jezus dan niet dat je moet waken, omdat:

Mattheüs 24:42-44

42Wees dan waakzaam, want u weet niet op welk moment uw Heere komen zal. 43Maar weet dit, dat als de heer des huizes geweten had in welke nachtwake de dief komen zou, hij waakzaam geweest zou zijn, en niet in zijn huis zou hebben laten inbreken. 44Weest ook u daarom bereid, want op een uur waarop u het niet zou denken, zal de Zoon des mensen komen.

enzovoort, en dat je daarom maar beter kunt waken?”

Ja, dat zei Hij, maar Hij zei dat op hetzelfde moment dat Hij hun opdroeg ook op bepaalde andere gebeurtenissen te letten. Op het moment zelf dat Hij hun opdroeg te waken, wisten ze dat er nog enkele andere dingen moesten gebeuren voordat Hij zou komen. Ze moesten waken, ondanks het feit dat datgene waarnaar ze uitzagen pas na enkele andere dingen zou plaatsvinden. Want Hij sprak erover dat het Evangelie eerst aan de hele wereld gepredikt zou worden. En Hij sprak over een aantal andere dingen.

Mattheüs 24:15

Wanneer u dan de gruwel van de verwoesting, waarover gesproken is door de profeet Daniël, zult zien staan op de heilige plaats — laat hij die het leest, daarop letten! —

Hij gaf aan dat er enkele dingen zouden gebeuren voordat Hij terugkomt, ook al droeg Hij hun op naar Zijn komst uit te zien. Je kunt uitzien naar dingen die je niet onmiddellijk verwacht, zoals een kind het hele jaar naar Kerst uitkijkt, ook al weet het dat het morgen nog geen Kerst is. De christen moet beseffen dat God bepaalde voornemens heeft die Hij moet vervullen. En Hij heeft in deze passage, en ook in andere, verklaard dat er enkele dingen zullen gebeuren voordat Hij komt. In Mattheüs 24:14 zei Jezus:

Mattheüs 24:14

En dit Evangelie van het Koninkrijk zal in heel de wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken; en dan zal het einde komen.

De woorden ‘Want die dag komt niet’ staan in de Engelse vertaling cursief, omdat die Griekse woorden er niet staan. Toch zijn alle vertalers het erover eens dat die woorden daar thuishoren, of in elk geval dat dit de betekenis van zijn uitspraak is. Probeer de uitspraak eens zonder die woorden te lezen. Lees vers 3 maar eens zonder die cursief gedrukte woorden:

2 Thessalonicenzen 2:3-4, met de besproken woorden weggelaten

Laat niemand u op enigerlei wijze misleiden. Want … tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde, de zoon van het verderf, geopenbaard is, die zich verzet en verheft boven al wat God genoemd wordt,

enzovoort. Hij maakt de zin nooit af. De impliciete betekenis is dat de dag waarover hij heeft gesproken niet zal komen voordat eerst de afval komt.

Ik heb tenminste nog nooit gehoord van een commentaar, vanuit welke theologische opvatting dan ook, of van een vertaler die zegt dat die woorden daar niet thuishoren. Nogmaals, het lijkt een ellips te zijn, waarbij er óf enkele woorden zijn weggevallen, óf Paulus zo snel sprak dat hij niet besefte dat hij geen volledige zin had gemaakt. Daarom voegen de vertalers de delen in die er een volledige zin van maken. Anders is de hele uitspraak niets meer dan een bijzin en helemaal geen volledige zin. Maar wanneer je de woorden ‘Die dag komt niet’ invoegt, maak je er een volledige zin van en vul je vrijwel zeker de betekenis aan die Paulus in deze context voor ogen had. Zonder die woorden zou het moeilijk zijn te weten wat je met het vers aan moet. Al zouden we er waarschijnlijk hetzelfde uit concluderen als wanneer we het met die woorden erin lezen.

De afval als opstand tegen God

Illustratie bij: Paulus herinnert aan zijn eerdere onderwijs.

‘De mens van de zonde’, staat er. Het is belangrijk dat we bedenken dat deze passage onder meer zo onduidelijk is doordat zijn lezers meer van de achtergrond hiervan wisten dan wij. Hij zegt in vers 5:

Weten jullie niet meer dat ik jullie dit vertelde toen ik nog bij jullie was?

Hij geeft hun dus geen nieuwe informatie. Hij herinnert hen aan iets waarover ze ongetwijfeld uitgebreider onderwijs rechtstreeks uit zijn mond hadden gekregen toen hij bij hen was.

Maar helaas waren wij er niet bij toen hij hen onderwees. En alles wat we in het geheel van Paulus' geschriften over dit onderwerp, de mens van de zonde, hebben, staat hier. Omdat hij alleen maar zinspeelt op iets waarover hij bij een andere gelegenheid uitgebreider had gesproken, ontbreken er stukken aan onze kennis. We weten het eenvoudigweg niet.

Laat ik je vertellen wat enkele van de vragen zijn. Wat is de afval die in vers 3 wordt genoemd? In de King James ontbreekt het bepaalde lidwoord, maar in het Grieks staat het er wel: ‘de afval’. Het is een bepaalde afval waarover hij kennelijk al eerder met hen had gesproken. Het woord in het Grieks is apostasia, wat geloofsafval betekent. We hebben sommigen, met name aanhangers van de bedelingenleer, weleens horen zeggen dat dit woord vertaald kan worden met ‘een vertrek’. En sommigen proberen er zelfs de opname van de gemeente zelf van te maken, het vertrek van de gemeente van de aarde. Maar die betekenis heeft het woord in de Griekse taal nooit gehad.

In het klassieke Grieks betekende dit woord apostasia een politieke of militaire opstand, een revolte, het verlaten van de gelederen, het opgeven van trouw aan de rechtmatige gezagsdragers. Het klassieke Grieks gebruikte dit woord om te spreken over een politieke of militaire revolte of opstand. In de Septuaginta van het Oude Testament, bijvoorbeeld in Jozua 22:22, wordt hetzelfde woord in het Griekse Oude Testament gebruikt voor opstand tegen God of rebellie tegen God.

Er is maar één andere plaats in het Nieuwe Testament waar dit woord voorkomt, in Handelingen 21:21. Daar gaat het over het afvallen van de wet van Mozes. Handelingen 21:21 zegt:

Handelingen 21:21

Men heeft hun over u verteld dat u alle Joden die onder de heidenen wonen, leert afvallig te worden van Mozes, doordat u zegt dat zij de kinderen niet moeten besnijden en ook niet moeten wandelen overeenkomstig de gebruiken van de wet.

Het woord ‘forsake’, ‘verlaten’, is daar hetzelfde woord, apostasia: een afvallen van Mozes, in wezen een opstand tegen Mozes.

Het is dus willekeurig om dit woord in 2 Thessalonicenzen 2 alleen op deze ene plaats op te vatten als een verwijzing naar de opname van de gemeente, het vertrek van de gemeente van de aarde. Het woord heeft in het Grieks immers vanouds de betekenis van opstand, of van het verlaten van God of het afwijzen van rechtmatig gezag, enzovoort. Het is een uitleg die aanhangers van de bedelingenleer goed uitkomt. Het is zo dat Paulus vrijwel zeker spreekt over een tijd waarin christenen afvallig worden en ophouden christen te zijn. Later sprak hij in Timotheus over een groot afvallen van het geloof.

1 Timotheüs 4:1

Maar de Geest zegt uitdrukkelijk dat in latere tijden sommigen afvallig zullen worden van het geloof en zich zullen wenden tot misleidende geesten en leringen van demonen,

zegt hij in 1 Timotheus 4:1. Dus zelfs als we apostasia zouden vertalen met ‘een vertrek’, wat voor vertrek is het dan?

De betekenis van de mens van de zonde

Illustratie bij: De mens van de wetteloosheid.

Het is een weggaan van het geloof, dat Paulus ook in 1 Timotheus 4:1 voorziet. Het gaat dus om mensen die afvallen van het geloof. Ten tweede spreekt hij over de mens van de zonde. Deze uitdrukking komt nergens anders in de Bijbel voor. Sommige handschriften hebben ‘mens van de wetteloosheid’, wat mogelijk een betere lezing is. Dat is prima. Zonde is wetteloosheid, volgens 1 Johannes 2, ik geloof dat het daar staat, of 3:6.

1 Johannes 3:4

Zonde is wetteloosheid.

Hij is dus ofwel een mens van de zonde, ofwel een mens van de wetteloosheid.

Je moet begrijpen dat dit een hebraïsme is. Dat wil zeggen: het is een zegswijze die de Joden vaak gebruikten, en we hebben er veel van. Zelfs in 1 en 2 Thessalonicenzen gebruikte Paulus heel wat hebraïsmen. Een mens van de zonde betekende eenvoudig een zondig mens. Of een mens van de wetteloosheid zou een wetteloos mens betekenen.

Er staat trouwens eerder in dit boek een verborgen hebraïsme. Ik heb je daar niet op gewezen. In vers 7 van hoofdstuk 1 staat:

2 Thessalonicenzen 1:7

en aan u die verdrukt wordt, samen met ons verlichting te geven bij de openbaring van de Heere Jezus vanuit de hemel met de engelen van Zijn kracht,

De laatste woorden in 2 Thessalonicenzen 1:7 zijn:

Machtige engelen.

In het Grieks staat er letterlijk ‘engelen van Zijn kracht’. ‘Engelen van Zijn kracht’ is een hebraïsme dat krachtige engelen zou betekenen, of machtige engelen, zoals het in de Engelse vertaling is weergegeven. De HSV behoudt hier ‘engelen van Zijn kracht’. Het is een kenmerkende manier waarop de Hebreeën een zelfstandig naamwoord als bijvoeglijk naamwoord gebruiken. Wij zouden het eenvoudig zeggen met het bijvoeglijk naamwoord dat het zelfstandig naamwoord nader bepaalt. Een mens van de zonde zou een zondig mens zijn. Een mens van de wetteloosheid zou een wetteloos mens zijn. Er is dus een wetteloos mens, een zondig mens, die Paulus voorziet.

Hij heeft hier al met hen over gesproken, maar helaas heeft hij er nooit met zijn andere lezers over gesproken, tenminste niet in zijn brieven. We hebben geen andere verwijzing naar een zondig mens in Paulus' brieven. En eigenlijk hebben we nergens in het Nieuwe Testament een verwijzing naar zo'n zondig mens.

Antichrist, het beest en de mens van de zonde

Illustratie bij: Misleiders en verzet tegen Christus.

Sommigen zouden de mens van de zonde vereenzelvigen met de antichrist en zouden hiervan een toekomstige antichrist aan het einde van de tijd maken. Een van de ernstige problemen met deze vereenzelviging is dat het woord ‘antichrist’ alleen in 1 Johannes en 2 Johannes wordt gebruikt, in die twee brieven. Zelfs in die brieven verwijst het nooit naar één afzonderlijke persoon. Antichrist verwijst naar iedereen die tegen Christus is.

1 Johannes 2:22 zegt:

1 Johannes 2:22

Wie is de leugenaar anders dan hij die loochent dat Jezus de Christus is? Dat is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent.

Wie is antichrist? Iedereen die ontkent dat Jezus de Christus is. Dit is de enige manier waarop de term ‘antichrist’ in het Nieuwe Testament wordt gebruikt. Hij wordt gebruikt voor iedereen die tegen Jezus is. Hij wordt nooit gebruikt als eigennaam of titel voor een individu.

Als je bijvoorbeeld ook kijkt naar 1 Johannes hoofdstuk 4, dan staat er in vers 3:

1 Johannes 4:3

en elke geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is niet uit God; maar dat is de geest van de antichrist, waarvan u gehoord hebt dat hij komt, en die nu al in de wereld is.

Dus jullie hebben gehoord dat er een geest van de antichrist komt, en die is er al, zei hij. Antichrist kan dus niet verwijzen naar iemand die aan het einde van de wereld zal verschijnen, want Johannes zei dat de antichrist in zijn eigen tijd al in de wereld was. Het kan geen mens zijn. Het is een geest van verzet tegen Christus.

2 Johannes 7 zegt in wezen hetzelfde:

2 Johannes vers 7

Want er zijn veel misleiders de wereld ingegaan die niet belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Zo iemand is een misleider en een antichrist.

Dus een misleider die niet belijdt dat Jezus in het vlees gekomen is, wordt een antichrist genoemd. Dat is de enige manier waarop het woord ‘antichrist’ in de Bijbel wordt gebruikt: als een algemene aanduiding voor iedereen die een misleider is die de waarheid over Christus ontkent. We hebben in de Bijbel dus geen verwijzing naar een individu met de naam Antichrist.

We hebben natuurlijk wel de mens der zonde, maar de vraag of de mens der zonde vereenzelvigd moet worden met een toekomstige antichrist, moet nog worden bekeken. En dat zullen we doen. We hebben ook in Openbaring 13 en enkele andere hoofdstukken van Openbaring een verwijzing naar twee beesten. Maar van één bepaald beest, dat uit de zee opkomt, wordt vaak gedacht dat het de antichrist is. Het bewijs hiervoor is erg zwak. Velen nemen de woorden ‘het beest’, ‘antichrist’ en ‘mens der zonde’ gewoon alsof ze allemaal over dezelfde entiteit spreken. Maar zoals we hebben gezien, gaat antichrist helemaal niet over een bepaalde entiteit, behalve dan dat iedereen die een misleider is, een antichrist is.

Het beest is blijkbaar een stelsel of een natie in plaats van een individu, want het beest in Openbaring 13 is beschreven naar het voorbeeld van Daniël hoofdstuk 7. Er zijn vier beesten in Daniël 7, en het beest van Openbaring 13 is een samenvoeging van die vier. De beesten in Daniël 7 zijn naties of koninkrijken; het zijn geen individuen. De beeldspraak van het beest die Johannes aan Daniël 7 ontleent, zou ons daarom eerder doen geloven dat het beest daar een natie, een koninkrijk of een stelsel is dan een individu. En dat wordt ondersteund door het feit dat het beest later, in Openbaring 17, zeven koppen en tien horens heeft. Ons wordt verteld dat de tien horens tien koningen zijn, dat de zeven koppen zeven keizers of zeven koningen zijn, en zeven heuvels, enzovoort. Een individu heeft geen tien koningen en zeven heuvels, enzovoort. Dat is een natie, een koninkrijk. Het beest van Openbaring moet dus niet als een individu worden beschouwd, hoewel het vaak wordt vereenzelvigd met de mens der zonde.

De kleine hoorn uit het Romeinse Rijk

Illustratie bij: Daniëls visioen van het vierde dier en de kleine hoorn.

Waar haalt Paulus dit idee van een mens der zonde vandaan? Vrijwel zeker haalt hij het uit Daniël, want er is eigenlijk niets anders in de Bijbel dat aanleiding zou geven tot dit idee dat er een zondig mens moet komen. Iemand die het volk van God moeilijkheden bezorgt, iemand die God lastert en zich boven God stelt, enzovoort. De enige plaats in het Oude Testament die echt over zo iemand spreekt, is Daniël hoofdstuk 7. Dat is precies het hoofdstuk waarin we lezen over de vier beesten die uit de zee opkomen. Ze stellen, zoals ons wordt verteld, Babylon, Medië-Perzië, Griekenland en Rome voor. We zullen Daniël later bestuderen, en dan zul je hiermee vertrouwd zijn, als je dat nog niet bent: vier opeenvolgende wereldrijken in Daniël hoofdstuk 7. Babylon, Medië-Perzië, Griekenland en Rome.

Van het vierde daarvan, het Romeinse Rijk, wordt gezegd dat het tien horens heeft, en uit die tien horens komt er nog een op. Let op Daniël 7, vers 8:

Daniël 7:8

Terwijl ik op de hoorns bleef letten, zie, een andere, kleine, hoorn rees daartussen op. Drie van de eerdere hoorns werden voor hem uitgerukt. En zie, in die hoorn waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.

Meer bijzonderheden over deze kleine horen worden gegeven in vers 23 tot en met 25. Vers 23 tot en met 25 zeggen:

Daniël 7:23-25

23Hij zei het volgende: Het vierde dier zal het vierde koninkrijk op aarde zijn, dat verschillen zal van al de andere koninkrijken. Het zal heel de aarde verslinden, het zal haar vertrappen en haar verbrijzelen. 24En de tien hoorns duiden aan dat uit dat koninkrijk tien koningen zullen opstaan, en na hen zal een ander opstaan. Die zal verschillen van die er eerder geweest waren. Drie koningen zal hij vernederen. 25Woorden tegen de Allerhoogste zal hij spreken, de heiligen van de Allerhoogste zal hij te gronde richten. Hij zal erop uit zijn bepaalde tijden en de wet te veranderen, en zij zullen in zijn hand worden overgegeven voor een tijd, tijden en een halve tijd.

Dat is het Romeinse Rijk.

Dat is de kleine horen.

Dan staat er:

Daniël 7:26

Daarna zal het gerechtshof zitting houden: men zal hem zijn heerschappij ontnemen, hem verdelgen en volledig vernietigen.

Let op, de mens van de zonde bij Paulus heeft enkele van diezelfde kenmerken. Hij stelt zichzelf als God op en lastert God. Zo zien we ook dat deze kleine hoorn in vers 25 grootspraak tegen de Allerhoogste uit. Deze mens van de zonde zal worden vernietigd door de verschijning van Jezus bij Zijn komst, zegt Paulus. Zo zal ook de kleine hoorn in vers 26 van Daniël voor altijd worden verteerd en vernietigd wanneer hem de heerschappij wordt ontnomen. Dat gaat blijkbaar gepaard met de wederkomst van Christus.

Het interessante is dat deze kleine hoorn uit het vierde beest groeit. Er wordt veel gespeculeerd over de beesten en dergelijke in Openbaring en Daniël, maar er bestaat eigenlijk heel weinig twijfel over wie het vierde beest in Daniël 7 is. Vrijwel alle evangelische christenen, of ze nu de bedelingenleer aanhangen of niet, zijn het erover eens dat het vierde beest verwijst naar het Romeinse Rijk. Je kunt de hele passage van Daniël 7 eigenlijk niet lezen zonder tot die conclusie te komen. Het is een verwijzing naar het Romeinse Rijk, en daar lijkt iedereen het over eens te zijn.

Let op, vers 23 zegt hier:

Daniël 7:23

Hij zei het volgende: Het vierde dier zal het vierde koninkrijk op aarde zijn, dat verschillen zal van al de andere koninkrijken. Het zal heel de aarde verslinden, het zal haar vertrappen en haar verbrijzelen.

Dan staat er in vers 24:

Daniël 7:24

En de tien hoorns duiden aan dat uit dat koninkrijk tien koningen zullen opstaan, en na hen zal een ander opstaan. Die zal verschillen van die er eerder geweest waren. Drie koningen zal hij vernederen.

Dat wil zeggen, deze kleine hoorn komt op na het vierde koninkrijk, na de tien volken waarin het vierde koninkrijk uiteenvalt. Er zal een ander komen die als het ware de plaats van het beest inneemt.

Interessant genoeg waren de koninkrijken daarvoor vier beesten: een leeuw, een beer, een luipaard en dit beest met tien horens. Maar wat hen vervolgens vervangt, lijkt op een mens: een hoorn met ogen als van een mens, met een mond als van een mens. Terwijl de meeste van die koninkrijken dus als dieren worden aangeduid, wordt deze kleine hoorn voorgesteld als meer op een mens lijkend, en hij vervangt het vierde beest. Hij komt uit het vierde beest op, zoals een hoorn uit zijn kop groeit, maar vervolgens overleeft hij het beest en blijft voortbestaan.

De weerhouder als Geest, gemeente of Michaël

Illustratie bij: De nog onverklaarde weerhouder.

De apostel Paulus zei dat er iets was dat de opkomst van de mens van de zonde tegenhield. Hij heeft nooit gezegd wat het was, en er zijn veel theorieën over geweest. De populairste theorie onder aanhangers van de bedelingenleer is dat wat hem tegenhoudt de Heilige Geest is, of de gemeente waarin de Heilige Geest woont. En wanneer de gemeente wordt opgenomen, zullen de Heilige Geest en de gemeente, de weerhoudende kracht van de gemeente tegen het kwaad, worden weggenomen. Dan kan de mens van de zonde opkomen.

Het ernstige probleem daarmee is dat dit de opname van de gemeente noodzakelijk maakt vóór de opkomst van de mens van de zonde. Als de aanwezigheid van de Heilige Geest in de gemeente de opkomst van de mens van de zonde tegenhoudt, en de gemeente moet worden weggenomen voordat de mens van de zonde kan opkomen, dan moet de opname van de gemeente uiteraard vóór de opkomst van de mens van de zonde plaatsvinden. Maar Paulus lijkt in de eerdere verzen de omgekeerde volgorde te geven, waar hij zegt:

2 Thessalonicenzen 2:1

En wij vragen u dringend, broeders, met betrekking tot de komst van onze Heere Jezus Christus en onze vereniging met Hem,

Daarbij haalt hij ook vers 3 aan: ‘Die dag komt niet, tenzij eerst de afval gekomen is en de mens van de zonde geopenbaard is.’ Het gaat dus om vers 1 en 3. Hij lijkt als volgorde te geven dat eerst de afval moet komen en de mens van de zonde geopenbaard moet worden, voordat wij tot Hem bijeenvergaderd worden. De opname zou dus plaatsvinden nadat de mens van de zonde geopenbaard is, en niet daarvoor. Daarom kan de verborgen weerhoudende macht die Paulus niet beschrijft, niet de gemeente zijn. Want als de gemeente wordt weggenomen voordat de mens van de zonde geopenbaard is, zou dat in strijd zijn met de tijdsvolgorde in de eerdere verzen van het hoofdstuk.

Er zijn andere opvattingen geweest. Sommigen hebben geloofd dat wat hem tegenhoudt een verwijzing is naar de aartsengel Michaël. Dit is gebaseerd op Daniël. Hoofdstuk 12, vers 1 zegt:

Daniël 12:1

In die tijd zal Michaël opstaan, de grote vorst, hij die uw volksgenoten bijstaat. Het zal een benauwde tijd zijn, zoals er niet geweest is sinds er een volk is geweest tot op die tijd. In die tijd zal uw volk ontkomen: ieder die gevonden wordt, opgeschreven in het boek.

Sommigen vatten dit op als een voorspelling van de grote verdrukking. Zij geloven dat de antichrist, of de mens van de zonde, zal regeren tijdens de periode van de grote verdrukking. Daarom lijkt het opstaan van Michaël ruimte te bieden voor de komst van deze tijd van benauwdheid. Wanneer Paulus dus zegt:

2 Thessalonicenzen 2:7-8

7Want het geheimenis van de wetteloosheid is al werkzaam. Alleen is er iemand die hem nu weerhoudt, totdat hij uit het midden verdwenen is. 8En dan zal de wetteloze geopenbaard worden. De Heere zal hem verteren door de Geest van Zijn mond en hem tenietdoen door de verschijning bij Zijn komst;

stellen zij de weerhoudende macht gelijk aan de aartsengel Michaël uit Daniël 12:1.

Rome als weerhouder volgens de kerkvaders

Illustratie bij: De beschuldiging voor de stadsbestuurders.

Er was over dit onderwerp een opvatting die alle vroege kerkvaders aanhingen. Zij geloofden allereerst dat, wat het ook was dat hem tegenhield, Paulus een reden had om het niet te noemen. Waarom zei hij niet gewoon ronduit wat het was? Waarom moest hij zo onduidelijk zijn? Paulus zou een goede reden hebben om deze weerhoudende macht niet bij naam te noemen. Als hij bijvoorbeeld bedoelde dat de gemeente in de wereld hem tegenhield, zou er geen reden zijn om dat feit te verhullen. Er is niets gevaarlijks aan om dat ronduit te zeggen, ook niet als hij dacht dat het Michaël was.

Maar de vroege kerkvaders geloofden allemaal dat Paulus het over de Romeinse keizers had: dat de aanwezigheid van het Romeinse rechtsstelsel verhinderde dat de mens van de wetteloosheid aan de macht kwam. Zolang het Romeinse keizerschap als instelling bestond, zolang er een Romeins Rijk was, zou de mens van de zonde niet kunnen opkomen. Dat lijkt steun te vinden in Daniël, want Daniël ziet de mens van de zonde opkomen na de dood van het vierde dier, het Romeinse Rijk. Het vierde dier sterft.

Zijn lichaam wordt aan het laaiende vuur prijsgegeven.

We hebben het vers dat dat zegt niet gelezen, maar dat staat in Daniël 7. Het lijkt erop dat de mens van de zonde, of de kleine hoorn, daarna als macht opkomt, wanneer het Romeinse Rijk wordt vernietigd. Dat zou dus overeenstemmen met de gedachte dat het Romeinse Rijk de belemmering is. Dat moet eerst uit de weg voordat deze mens aan de macht kan komen.

Bovendien zou dat verklaren waarom Paulus zo onduidelijk was. Je herinnert je misschien waarom Paulus uit Thessalonica werd verjaagd. Waarom was dat? Omdat hij beweerde:

Handelingen 17:7

en Jason heeft hen in huis genomen; en deze mensen handelen allen tegen de geboden van de keizer, want zij zeggen dat er een andere koning is, namelijk ene Jezus.

En dat werd opgevat als ondermijning van Rome. Als Paulus ronduit zou zeggen: ‘Wanneer het Romeinse Rijk uit de weg is geruimd, zal de mens van de zonde geopenbaard worden’, zou dat kunnen worden uitgelegd als een pleidooi om Rome omver te werpen. Of op zijn minst als de voorspelling dat het Romeinse Rijk niet eeuwig zou blijven bestaan. Paulus was al ten onrechte beschuldigd van vijandschap tegen Rome. Als deze brief in verkeerde handen viel en hij daarin openlijk uitspraken deed over de ondergang of de val van het Romeinse Rijk, had dat nadelig kunnen zijn voor Paulus of voor de gemeente in die stad. Dat zou dus rechtvaardigen dat hij hierover zo onduidelijk bleef.

Het zou ook verklaren waarom hij in vers 6 in het onzijdig spreekt over wat weerhoudt, maar in vers 7 in het mannelijk:

Degene die het tegenhoudt.

Over het Romeinse Rijk kon je zowel in het onzijdig spreken, als het rijk, als met ‘hij’, waarmee dan de keizer werd bedoeld die het rijk vertegenwoordigde.

Hoe dan ook, dit was de eensgezinde opvatting van de vroege kerkvaders. Laat ik er een paar noemen die deze opvatting hadden. Justinus de Martelaar, Hippolytus, Tertullianus, Cyrillus van Rome, Hiëronymus, die de Latijnse Vulgaat vertaalde, Ambrosius, Chrysostomus en alle andere vroege kerkvaders leerden dat het rijk bij de val van het Romeinse Rijk in tien volken verdeeld zou worden. Onder hen zou de mens van de zonde als een elfde koninkrijk opkomen.

We weten niet of de kerkvaders gelijk hadden, maar volgens mij stonden ze veel dichter bij het origineel dan wij. En dat ze hierover eensgezind waren, moet toch zeker enig gewicht in de schaal leggen. Ze kunnen het mis hebben gehad, maar als ze het mis hadden, hadden ze het allemaal samen mis. Een kerkhistoricus, een man die Elliott heette, zei: ‘We hebben het overeenstemmende getuigenis van de vroege kerkvaders, van Irenaeus, de discipel van de heilige Johannes, tot aan Chrysostomus en Hiëronymus.’ Dat getuigenis hield in dat men de keizerlijke macht die in Rome regeerde en zetelde, beschouwde als de belemmering voor de opkomst van de antichrist. Een andere historicus, die Guinness heette, zei: ‘De vroege geschriften van de kerkvaders vertellen ons met opmerkelijke eensgezindheid dat deze belemmering het Romeinse Rijk was zoals dat door de keizers werd bestuurd, en dat bij de val van de keizers de mens van de zonde zou opkomen.’ Nog een historicus, Tanner, zei: ‘De christelijke kerk in het algemeen beschouwde destijds overal ter wereld het toen bestaande Romeinse Rijk van de keizers als het obstakel waarover de heilige Paulus had gesproken, dat de verschijning van de antichrist op het wereldtoneel verhinderde.’

Let erop dat ze het woord antichrist gebruiken als synoniem voor mens van de zonde. Zoveel kerkhistorici bevestigen dat dit het eensgezinde getuigenis van de kerkvaders was: dat wat weerhield, in feite het Romeinse Rijk was. Sommige mensen hebben hier moeite mee, want ze zeggen: ‘Wacht eens even. Staat er niet dat wanneer dat wat weerhoudt uit de weg is geruimd, de mens van de zonde zou opkomen?’ Maar het Romeinse Rijk is verdwenen en de mens van de zonde is nog niet gekomen. Of toch wel?

Het pausdom en de tempel van God

Illustratie bij: De gemeente als tempel van God.

Natuurlijk kunnen we niet absoluut zeker zijn van onze identificatie, want Paulus is onduidelijk. We kunnen niet stellig zijn. Maar de kerkvaders en de reformatoren — Luther, Hus, Calvijn, Knox, Tyndale, alle reformatoren — deelden allemaal dezelfde opvatting. De kerkvaders leefden en stierven vóór de val van het Romeinse Rijk, dus zij konden de mens van de zonde niet identificeren. Maar de reformatoren, die lang na de val van het Romeinse Rijk leefden, waren het met de kerkvaders eens dat het Romeinse Rijk de belemmering was geweest. En zij geloofden dat de mens van de zonde inderdaad bij de val van het Romeinse Rijk was opgekomen.

Nogmaals, ik wil niet zeggen dat ze gelijk hebben, want ik weet niet of ze gelijk hebben. Maar het verdient zeker meer dan een ogenblik aandacht dat er over dit onderwerp een eensgezind getuigenis is van alle kerkvaders en van alle reformatoren. Laat ik alleen dit zeggen: aangezien de kleine hoorn, de mens van de zonde, uit het Romeinse Rijk voortkomt, zouden we verwachten dat er een verband bestaat tussen het Romeinse Rijk en de mens van de zonde, ook al komt de mens van de zonde op nadat het Romeinse Rijk is gevallen.

Het is eenvoudigweg een historisch feit dat het Romeinse Rijk bij zijn val werd vervangen door een andere wereldmacht die Romeinse wortels had, en dat was het pausdom. Ik ben hier niet om katholieken af te kraken. Sterker nog, ik heb niets tegen de katholieken van nu te zeggen, behalve voor zover hun godsdienst veel te wensen overlaat. Ik zou zeggen dat het goed zou zijn als hun opvattingen Bijbels gezien juister waren, maar dat kun je ook van heel wat protestanten zeggen. Wat ik te zeggen heb, is eenvoudigweg een weergave van wat de geschiedenis laat zien en wat alle reformatoren voor waar hielden. Alle reformatoren geloofden, wanneer ze over deze passage in 2 Thessalonicenzen schreven, dat de mens der zonde het instituut van het pausdom was.

Er zijn enkele gegevens die hiervoor pleiten. Om te beginnen zei Paulus in 2 Thessalonicenzen 2, in vers 4:

2 Thessalonicenzen 2:4

de tegenstander, die zich ook verheft boven al wat God genoemd of als God vereerd wordt, zodat hij als God in de tempel van God gaat zitten en zichzelf als God voordoet.

Aanhangers van de bedelingenleer denken dat dit slaat op de Joodse tempel die in de laatste dagen herbouwd zal worden. Maar wanneer Paulus de uitdrukking ‘tempel van God’ gebruikt, bedoelt hij in zijn geschriften nooit de Joodse tempel. Op twee andere plaatsen gebruikt Paulus dezelfde uitdrukking, ‘de tempel van God’. Een daarvan is 1 Korinthe 3:16. In 1 Korinthe 3:16 staat:

1 Korinthe 3:16

Weet u niet dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?

Dat ‘you’ is in het Engels meervoud: jullie, de gemeente.

Jullie, de gemeente, zijn de tempel van God.

In 2 Korinthe 6:16 zegt Paulus:

2 Korinthe 6:16

Of welk verband is er tussen de tempel van God en de afgoden? Want u bent de tempel van de levende God, zoals God gezegd heeft: Ik zal in hun midden wonen en onder hen wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn.

Nogmaals, de twee andere keren dat Paulus in zijn geschriften de term ‘tempel van God’ gebruikt, maakt hij het heel duidelijk: de tempel van God is de gemeente. Dit komt overeen met wat Petrus in 1 Petrus 2:5 zegt, en Hebreeën zegt het ook, in Hebreeën 3:6 en op enkele andere plaatsen.

De tempel wordt in het Nieuwe Testament dus gezien als de gemeente. En Paulus zelf heeft precies deze uitdrukking, ‘tempel van God’, al twee keer eerder gebruikt en zegt dat het de gemeente is. Waarom zouden we dan zomaar aannemen dat hij in 2 Thessalonicenzen 2 deze keer met de tempel van God een Joodse tempel bedoelt? Hij zei dat de mens der zonde in de gemeente zal opstaan. Het zal geen politieke beweging vanuit Israël zijn. Het zal geen politieke beweging vanuit een gemeenschappelijke markt in de laatste dagen zijn. Het zal een beweging binnen de kerk zijn die in de ruïnes van het Romeinse Rijk zal opkomen. Zoveel kunnen we alleen al uit de passage afleiden. We hoeven geen enkele commentator aan te halen om daartoe te komen. Dat staat gewoon in de tekst.

Het pausdom is door de geschiedenis heen in meerdere of mindere mate corrupt geweest. Er zijn immers betere en slechtere pausen geweest. Toch nam het in de donkere middeleeuwen duidelijk de machtspositie in de wereld in die vroeger aan de keizer toebehoorde. Als je de geschiedenis van de donkere middeleeuwen leest, zul je zien dat er koningen van volken waren die kwamen en zich neerbogen. Eén koning stond drie dagen op blote voeten in de sneeuw buiten het Vaticaan, zodat de paus hem zou vergeven dat hij iets tegen de katholieke kerk had gezegd. Want de koning kon niet zonder de goedkeuring van de paus leven. Dit soort dingen was niet ongewoon.

Ik kan niet de hele geschiedenis samenvatten, maar laat ik dit zeggen. Sommige mensen hebben gedacht: ‘Nou, de dingen die over hen gezegd worden, zijn toch eigenlijk niet op het pausdom van toepassing?’ Kijk eens wat er in Daniël hoofdstuk 7 staat. Daar wordt over hem gezegd:

Daniël 7:25

Hij richt de heiligen te gronde en vervolgt de gemeente van God.

Is dat gebeurd? Laat ik je iets vertellen. De donkere middeleeuwen lopen van ongeveer 500 tot ongeveer 1500 na Christus, ongeveer duizend jaar. Naar schatting zijn in de donkere middeleeuwen 50 miljoen christenen op bevel van de paus door de rooms-katholieke kerk gemarteld en gedood. Dat gebeurde omdat ze zich niet aanpasten. Ze hielden Bijbelstudies aan huis en dergelijke, en dat was verboden. Dit waren doorgaans evangelische christenen die al vóór de Reformatie bestonden. Daar draaiden de Spaanse inquisitie en andere inquisities om: het uitroeien van deze mensen die zich niet aanpasten en die wij christenen zouden noemen.

Naar schatting zijn er in die periode van duizend jaar zo'n 50 miljoen gemarteld en gedood. Ze werden geslagen en verminkt, verbrand en onder gewichten verpletterd, gespietst en aan bomen genageld. Hun hoofd werd eraf gedraaid. Hun kinderen werden voor hun ogen op gruwelijke wijze gedood, waarna hun lijken voor hongerige honden werden gegooid. Hun vrouwen werden verkracht en in stukken gehakt. Dit ging het grootste deel van duizend jaar door. Je kunt hierover lezen in Foxe's Book of Martyrs of in elke andere objectieve geschiedschrijving over die periode. Zou je dat het te gronde richten van de heiligen noemen? Duizend jaar van onophoudelijke vervolging, waarbij mensen die standhielden om Jezus trouw te blijven zo werden behandeld?

Pauselijke aanspraken op goddelijk gezag

Illustratie bij: Historische aanspraken op pauselijk gezag onderzoeken.

Hoe zit het met beweren God te zijn? Zaten de pausen in de tempel van God, dat wil zeggen de gemeente, en verklaarden ze dat ze God waren? Laat ik je citeren wat sommige pausen hebben gezegd. Paus Leo de dertiende deed in 1894 deze uitspraak: ‘Wij nemen op aarde de plaats van de Almachtige God in.’ Paus Pius de elfde zei op 30 april 1922 dit: ‘Je weet dat ik de Heilige Vader ben, de vertegenwoordiger van God op aarde, de plaatsvervanger van Christus, wat betekent dat ik God op aarde ben.’ Dat was paus Pius de elfde, uitgesproken op 30 april 1922.

Hier is een uitspraak van paus Nicolaas, die aan de Franse bisschoppen schreef. Luister hier eens naar. Hij zei: ‘De bisschop van Rome oordeelt over alle mensen, maar wordt door niemand geoordeeld. Ik heb het gezag van de Koning der koningen. Ik ben alles, in allen en boven allen. Als daarom van de dingen die ik doe wordt gezegd dat ze niet door een mens, maar door God worden gedaan, wat kun je dan anders van mij maken dan God? Daarom is het geen wonder als het in mijn macht ligt om tijd en tijden te veranderen, wetten te wijzigen en af te schaffen, van alle dingen vrijstelling te verlenen, ja, zelfs van de voorschriften van Christus. Want waar Christus Petrus gebiedt:

Om zijn zwaard op te bergen.

en Zijn discipelen vermaant:

Om geen geweld te gebruiken om wraak te nemen.

spoor ik, paus Nicolaas, die aan de bisschoppen van Frankrijk schrijf, hen dan niet aan hun stoffelijke zwaarden te trekken? Daarom besluit ik, bevelend, verklarend en uitsprekend, dat het voor het behoud noodzakelijk is dat ieder schepsel aan mij onderworpen is.’

Niet iedere paus heeft beweerd God te zijn, maar sommigen hebben dat wel gedaan. Sommige pausen hebben beslist beweerd de positie van God Zelf op aarde in te nemen. Zelfs wanneer pausen dat niet zo duidelijk hebben gezegd, was het in de middeleeuwen het standpunt van het rooms-katholicisme dat iemand niet behouden kon worden zonder de goedkeuring van de paus en de zegen van de katholieke kerk. Als de paus iemand excommuniceerde en die persoon het sacrament niet kon ontvangen, ging die gewoon naar de hel, punt uit. Iemand moest de paus tevreden houden als hij naar de hemel wilde gaan. Zo eenvoudig lag het.

Wondertekenen en de toekomst van het pausdom

Illustratie bij: Wonderclaims toetsen aan de waarheid.

Dus in zekere zin namen de pausen inderdaad de positie van God in de gemeente in, in de tempel van God. Ze hebben de heiligen inderdaad te gronde gericht. En er wordt trouwens gezegd dat er tekenen en bedrieglijke wonderen zijn, waarbij de kracht van satan werkzaam is. Je zou kunnen zeggen: ‘Maar de pausen zijn toch geen wonderdoeners.’ Laat me je dit vragen: de instelling waarover zij de leiding hebben, heeft verklaard dat er heel veel wonderen zijn verricht, zelfs in de afgelopen tijd. Laat me je een overzicht van enkele daarvan voorlezen.

De Rooms-Katholieke Kerk heeft beweerd dat de volgende wonderen hebben plaatsgevonden: crucifixen hebben gesproken, beelden zijn naar beneden gekomen en hebben hun eigen kaarsen aangestoken, afgodsbeelden hebben gezweet, hun ogen gedraaid, hun handen bewogen, hun mond geopend, ziekten genezen, doden opgewekt en gebroken botten hersteld. De stigmata zijn op de handen en voeten van sommige mensen verschenen. Velen hebben beweerd dat Maria aan hen is verschenen en hun ziekten heeft genezen, enzovoort.

Van al deze dingen wordt beweerd dat ze in verband met het pauselijke stelsel hebben plaatsgevonden. Daarom lees je zelfs vandaag nog dat deze verschijningen van Maria plaatsvinden in Joegoslavië, in Medjugorje. Er zijn ook nog een paar andere plaatsen, in Mexico, geloof ik, en er zijn verschillende plaatsen waar veel tekenen en wonderen hebben plaatsgevonden. Ofwel zijn dit echte tekenen van God, ofwel zijn het tekenen en bedrieglijke wonderen, zoals die aan de mens der zonde worden toegeschreven. Je kunt het altijd aan het resultaat zien. Vestigt het de aandacht op Jezus Christus, of vestigt het de aandacht op iets anders? De tekenen van God zullen altijd de aandacht op Jezus Christus vestigen, punt uit. Ze zullen Hem verheffen. De Heilige Geest heeft er geen enkele belangstelling voor om mensen te verheffen, ook Maria of heiligen of wie dan ook niet. Hij wil alleen Jezus Christus verheffen. Als het geen werken van de Heilige Geest zijn, moeten we ons afvragen welke geest ze dan verricht.

Het lijkt misschien alsof ik de doodskist van de Rooms-Katholieke Kerk nu echt heb dichtgespijkerd. Nogmaals, ik bedoel hiermee niet noodzakelijkerwijs iets te zeggen over de motieven of de oprechtheid van hedendaagse rooms-katholieken. De meeste grote gruweldaden van de Rooms-Katholieke Kerk zijn tijdens de duistere middeleeuwen gepleegd. Ik ken echter geen enkele hedendaagse paus die is opgestaan en namens de kerk berouw heeft getoond over de dingen die zijn gedaan. Dat deze dingen door het pausdom en door het Vaticaan door de geschiedenis heen zijn gedaan, is een objectief historisch gegeven. Het is geen protestantse propaganda. Het is gewoon een historisch gegeven. Alle geschiedwerken vermelden het. Zelfs rooms-katholieke historici erkennen het.

Ik ken geen enkele paus die ooit is opgestaan en officieel namens de organisatie heeft gezegd: ‘Wij hebben berouw over al die afschuwelijke dingen die we hebben gedaan.’ Hoewel we hen die dingen dus niet zien doen, weten we niet of ze die nooit meer zouden doen. We hopen dat ze die niet meer zullen doen. Maar het laatste hoofdstuk van het pausdom is nog niet geschreven. Als we met de hervormers meegaan en het pausdom in deze rol herkennen, zouden we op grond van de geschriften van Paulus moeten zeggen dat het pausdom tot de komst van Jezus enige macht zal blijven uitoefenen.

Ribera en de leer van een toekomstige antichrist

Illustratie bij: Ribera werkt aan zijn uitleg van de eindtijd.

Laat me alleen dit nog zeggen. Omdat alle hervormers de mens der zonde met die instelling vereenzelvigden, zou je je kunnen afvragen hoe de Rooms-Katholieke Kerk hierop reageerde. Ze zaten niet stil. Op hun beurt noemden ze Luther de mens der zonde. In 1591, minder dan een eeuw na Luthers bediening, publiceerde een Spaanse jezuïetenpriester, Francisco Ribera, een commentaar over de laatste tijden, een commentaar van vijfhonderd bladzijden. Hij verdedigde de opvatting dat de mens der zonde een toekomstige antichrist is, die in de laatste paar jaar van de menselijke geschiedenis zal opstaan, voordat Christus terugkomt. Dit was het eerste geschrift in de kerk dat een toekomstige antichrist aan het einde van het tijdperk opperde. Het was een rooms-katholiek antwoord op de protestanten die beweerden dat de mens der zonde het katholieke Vaticaan en het pausdom was.

Dus de franciscaan — of de jezuïet — Francisco Ribera schreef dit commentaar waarin hij een nieuw idee verdedigde: dat de mens van de zonde een individu is dat aan het einde van de tijd zal verschijnen als wereldheerser en antichrist. Deze opvatting werd tweehonderd jaar lang door alle protestanten verworpen, omdat ze inzagen dat het een list van het Vaticaan was. Maar in het jaar 1826 of 1827 las een protestantse anglicaan, Samuel Maitland, Samuel R. Maitland, die bibliothecaris was van de aartsbisschop van Canterbury in Engeland, het werk van Francisco Ribera en stemde ermee in. Hij schreef zelf meer dan vijftig boeken. Hij was de eerste protestant die deze opvatting over een toekomstige antichrist omarmde, en hij schreef meer dan vijftig boeken waarin hij deze opvatting verdedigde. Binnen drie jaar nam John Nelson Darby die over, in 1830, en hij nam die op in zijn stelsel van de bedelingenleer. Tegenwoordig lijkt het wel de enige opvatting die je ooit te horen krijgt.

Dat wil zeggen, deze opvatting, die door de jezuïeten werd verbreid om tegen te gaan wat de protestanten zeiden, en die tweehonderd jaar lang door de protestanten werd verworpen, werd door Samuel Maitland in protestantse kringen geïntroduceerd. John Nelson Darby nam haar over en maakte haar bijzonder populair. Tegenwoordig is het in de meeste kringen de enige opvatting die je ooit te horen krijgt. Hoewel er boeken zijn die documenteren wat ik hier zeg, zijn dat niet de populaire boeken. Christelijke boekhandels hebben ze niet in hun assortiment. Je moet ze speciaal bestellen.

Afweging van de historische uitleg

Illustratie bij: De historische uitleg zorgvuldig afwegen.

Daarmee hebben we de historische uitleg van deze passage in elk geval enigszins besproken. Ik wil niet zeggen dat daarmee de zaak helemaal beslist is. Zoals ik aan het begin van hoofdstuk 2 van 2 Thessalonicenzen zei, is daar veel onduidelijk. Ik zou het helemaal mis kunnen hebben. Ik denk dat de tijd het zal leren. Maar sommigen zouden zeggen dat de tijd het al heeft geleerd. Sommigen zouden zeggen dat precies de dingen die Paulus voorspelde, zijn gebeurd. Dat je alleen maar objectief naar de geschiedenis van de kerk hoeft te kijken om te zien dat precies wat Paulus voorspelde inderdaad is gebeurd, dat precies wat Daniël voorspelde inderdaad is gebeurd.

Natuurlijk roept dat wel vragen op over ware christenen die bij de Rooms-Katholieke Kerk aangesloten blijven. Ik geloof dat er ware christenen in de Katholieke Kerk zijn. Ik geloof dat er katholieke mensen zijn die behouden zijn en die de Heere liefhebben en naar de hemel gaan, enzovoort. Maar dat betekent niet noodzakelijkerwijs dat het juist is dat ze daarbij aangesloten blijven.

Zoals ik verschillende keren heb gezegd, ben ik hier niet om kritiek te leveren op hedendaagse katholieken. Ik ben hier alleen om te zeggen dat als we objectief naar de geschiedenis kijken en de passage in 2 Thessalonicenzen en Daniël hoofdstuk 7 vergelijken met wat er werkelijk is gebeurd, er naar mijn idee heel sterke argumenten zijn om het met de reformatoren en de kerkvaders eens te zijn in hun uitleg.

Het interessante is dat de kerkvaders het Romeinse Rijk aanwezen als dat wat tegenhield, maar dat ze de vervulling ervan niet meer hebben meegemaakt. Maar juist wat er gebeurde toen het Romeinse Rijk viel, vervulde die profetieën op zoveel manieren. Dat pleit heel sterk voor de juistheid van het inzicht van de kerkvaders.

Natuurlijk is niemand verplicht deze opvatting aan te hangen, en er zijn veel verschillende opvattingen voorhanden. Maar ik vond dat ik de onbekende opvatting met je moest delen, die volgens mij, zoals ik het beoordeel, toch meer kans heeft om waar te zijn dan de meeste andere mogelijkheden die ik heb gehoord.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als 2 Thessalonians 1-2. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.

Hoe wil je deze lezing volgen?

Je kunt deze keuze altijd wijzigen in de speler.

We onthouden je voorkeur op dit apparaat.

De lezing wordt geladen…

Beeld en tekst laden…