Jakobus 1:9-2:7

De arme broeder is rijk in geloof

Luisteren 1 uur 36 min Lezen ± 1 uur 18 min · Lezing 2 van 5

Schrijver / bijdrager
Tijdperiode van de inhoud
Mijn VVV

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/jakobus/1-9-2-7.pdf?v=58693af86e74. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/jakobus/1-9-2-7.

Samenvatting

Over rijkdom en armoede, het weerstaan van verzoeking en het in praktijk brengen van Gods Woord.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt hoe rijkdom het vertrouwen op God kan belemmeren en waarom armen rijk kunnen zijn in geloof, zonder dat armoede op zichzelf iemand rechtvaardig maakt. Hij legt uit dat God mensen beproeft maar niemand tot kwaad verleidt, en dat begeerte zonde wordt wanneer de wil ermee instemt. Ook verbindt hij de eerstelingen uit Jakobus met de Joodse gelovigen uit de eerste eeuw en de honderdvierenveertigduizend uit Openbaring. Hij benadrukt dat Gods Woord horen om gehoorzaamheid vraagt: zachtmoedig leren, boosheid en de tong beheersen, voor wezen en weduwen zorgen en onbesmet blijven van de wereld. Daarbij wijst hij het voortrekken van rijken boven armen in de gemeente af.

Arm en rijk in Gods Koninkrijk

Illustratie bij: De arme broeder verheugt zich in zijn hoge staat.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we Jakobus 1 vers 9 tot en met hoofdstuk 2 vers 7.

We slaan Jakobus hoofdstuk 1 op, vanaf vers 9, om verder te gaan waar we de vorige keer gebleven zijn. Jakobus hoofdstuk 1, vers 9:

Jakobus 1:9

Maar laat de broeder die nederig is, zich beroemen op zijn hoge staat,

Hier spreekt Jakobus voor het eerst over armoede en rijkdom. Dat doet hij vaak in het boek Jakobus. Behalve deze passage zijn er nog minstens drie andere passages die ingaan op de kwestie van rijk en arm. Natuurlijk geeft het Nieuwe Testament precies het omgekeerde weer van wat de wereld gewoonlijk over deze zaken denkt. Iemand die rijk is en in deze wereld een comfortabel en zeker bestaan heeft, wordt doorgaans beschouwd als degene die gezegend en benijdenswaardig is. Maar iemand die arm is, wordt beschouwd als degene die onrechtvaardig behandeld en onderdrukt wordt. Sommigen binnen de Joodse godsdienst zouden geloofd hebben dat ze onder Gods vloek stonden, omdat ze niet met voorspoed gezegend werden.

Toch kwam Jezus en leerde Hij precies het tegenovergestelde. Hij zei:

Lukas 6:20

En toen Hij Zijn ogen opgeslagen had naar Zijn discipelen, zei Hij: Zalig bent u, armen, want van u is het Koninkrijk van God.

Dat zei Hij in Lukas hoofdstuk 6, vers 20 en 24. Dat is in feite de versie van Lukas van wat we de Bergrede noemen, waarvoor we gewoonlijk Mattheüs opslaan. Maar in Lukas hoofdstuk 6, vers 20, zei Hij daadwerkelijk:

Gelukkig zijn de armen.

In het Evangelie van Mattheüs staat het zo:

Mattheüs 5:3

Zalig zijn de armen van geest, want van hen is het Koninkrijk der hemelen.

Maar bij Lukas zegt Jezus, en dat kan bij een andere gelegenheid geweest zijn:

Gelukkig zijn de armen, maar wee de rijken.

Daarom kan de geringe broeder, de arme broeder, degene die een lage maatschappelijke positie heeft, roemen of zich beroemen of zich verheugen in het feit dat hij juist door zijn toestand verhoogd is. Dat betekent niet dat rijke mensen altijd slecht zijn en onder Gods vloek staan, en dat arme mensen altijd goed zijn en onder Gods zegen staan, want er zijn goddeloze armen. Er zullen arme mensen naar de hel gaan, en er zullen rijke mensen naar de hemel gaan. Er zijn rechtvaardige rijken en onrechtvaardige armen.

Rijkdom als hindernis voor geloof

Illustratie bij: Arm in bezit, rijk in geloof.

Maar de Bijbel behandelt rijkdom als een struikelblok en een last, en als iets waarmee een mens nauwelijks het Koninkrijk kan binnengaan. Dat is moeilijker,

Mattheüs 19:24

Nogmaals zeg Ik u: Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald gaat, dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat.

zei Jezus. Dus wanneer het toch gebeurt, is het een uitzonderlijk wonder. We zouden het een uitzonderlijk wonder noemen als een kameel door het oog van een naald kwam. Jezus zei dat dát waarschijnlijker is dan dat een rijke het Koninkrijk van God binnengaat. Het is gemakkelijker dat dat gebeurt.

Mattheüs 19:26

Maar Jezus keek hen aan en zei tegen hen: Bij de mensen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.

En daarom kan God rijke mensen behouden en heeft Hij dat, geloof ik, ook gedaan. Maar de Bijbel leert niet dat rijkdom een voordeel is voor de christen. Als rijkdom al iets is, dan is het beslist een nadeel. Rijkdom leidt af. Rijkdom geeft een mens een comfortabel bestaan in deze wereld. Rijkdom laat hem zijn kwetsbaarheid vergeten en ook zijn noodzaak om op God te vertrouwen. De arme mens wordt daarentegen gemakkelijk bij die werkelijkheden bepaald, bij het feit dat hij God nodig heeft.

De man die niets op de bank heeft, moet elke dag op God vertrouwen. De man met geld op de bank kan ervoor kiezen elke dag op God te vertrouwen. Maar het is moeilijk voor hem om bij zijn vertrouwen op God voor zijn financiën diezelfde directe noodzaak en dringendheid te ervaren, wanneer hij weet dat hij het geld heeft. Hij heeft het werkelijk lang niet zo vaak nodig dat God hem te hulp komt. Dat verhindert iemand niet altijd om christen te zijn, of zelfs om een goede christen te zijn. Maar zoals Jakobus later in hoofdstuk 2 zegt:

Jakobus 2:5

Luister, mijn geliefde broeders, heeft God de armen van deze wereld niet uitverkoren om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen te zijn van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben?

Want iemand die arm is, zal eerder vertrouwen, omdat hij op God móét vertrouwen. De man die rijk is, zal minder snel vertrouwen, omdat hij niet op dezelfde manier de noodzaak voelt om te vertrouwen.

Dus de arme moet zich verheugen in deze verheven positie die hij geniet in het onderwijs van Christus en in het nieuwe waardenstelsel dat Christus heeft ingevoerd: dat de man rijk is in geloof, hoewel hij in dit leven arm is. Dat is een rijkdom om in te roemen, en dat is een rijkdom om blij mee te zijn.

De vernedering van de rijke

Illustratie bij: De rijke vernedert zich onder zijn broeders.

De rijke man in vers 10 moet zich verheugen in zijn vernedering. Dat betekent waarschijnlijk dat hij blij moet zijn wanneer hij vernederd wordt, wanneer hij in een lage positie wordt gebracht. Misschien wanneer hij zijn rijkdom verliest, misschien wanneer hij die weggeeft en zichzelf vernedert door de gestalte van een arm mens aan te nemen. Dat is wat Jezus deed. Over Hem staat geschreven:

Filippenzen 2:6-7

6Die, terwijl Hij in de gestalte van God was, het niet als roof beschouwd heeft aan God gelijk te zijn, 7maar Zichzelf ontledigd heeft door de gestalte van een slaaf aan te nemen en aan de mensen gelijk te worden.

Veel vroege gelovigen moesten dit doen. Toen ze rijk waren en christen werden, verkochten ze, zoals we in het boek Handelingen zagen, zo ongeveer al hun bezittingen en gaven ze de opbrengst ten behoeve van de armen. Zo werden ze vernederd. En dat is prima. Dat is zelfs goed. De rijke moet blij zijn wanneer hij vernederd wordt, want doordat hij vernederd of omlaaggebracht wordt, mag hij delen in de positie die de arme kent: rijk zijn in het geloof.

Nu is het mogelijk dat hij zich hier niet voorstelt dat de rijke zijn geld verliest wanneer hij zegt:

Jakobus 1:10

en de rijke in zijn nederige staat, want hij zal als een bloem in het gras voorbijgaan.

Het zou eenvoudig kunnen betekenen dat zijn toestand als rijke een vernederende toestand is binnen de gemeente, omdat de gemeente rijke mensen niet eerde. Ze eerde arme mensen. Daarom wordt de rijke in die nieuwe gemeenschap van gelovigen door zijn rijkdom in feite vernederd, omdat mensen zich steeds afvragen hoe het met zijn toewijding zit, enzovoort. Wanneer mensen hun bezittingen verkopen en aan de armen geven, en dat de gebruikelijke gang van zaken is, is degene die rijkdom bezit altijd degene op wie misschien een beetje wordt neergekeken.

Er zijn in onze tijd zeker christenen die neerkijken op mensen die geld hebben. Ik moet zelf toegeven dat de buitensporige luxe van sommige christenen mij een beetje doet struikelen. Al betekent dat niet dat ik denk dat iedereen die veel geld heeft geen goede christen is. De manier waarop ze hun geld uitgeven, zegt veel meer over wat voor rentmeesters ze zijn.

Misschien bedoelt hij dat de rijke door zijn rijkdom vernederd wordt in het gezelschap van de heiligen. Daar heeft hij niet de verheven positie die hij in de wereld heeft. Misschien wordt hij vernederd door Gods hand, of vernedert hij zichzelf vrijwillig door weg te geven wat hij heeft. Hoe dan ook moet hij zich daarin verheugen. Hij moet blij zijn wanneer hij zo vernederd wordt, omdat dat hem zal herinneren aan zijn sterfelijkheid. Iets waar rijke mensen vaak niet zo dikwijls aan denken als mensen die regelmatig met armoede en misschien zelfs met de hongerdood worden geconfronteerd. Zij moeten nadenken over het volgende leven en niet alleen over dit leven.

Rijkdom en de vergankelijkheid van het leven

Illustratie bij: De rijke vergaat als een bloem in het gras.

De rijkdom van deze wereld en het comfort van dit leven kunnen ons zo afleiden van de gedachte dat we ons op het volgende leven moeten voorbereiden. Jezus vertelde over zaad:

Markus 4:7

En een ander deel viel in de dorens, en de dorens kwamen op en verstikten het, en het gaf geen vrucht.

Hij zei dat dit degenen zijn:

Mattheüs 13:22

En bij wie in de dorens gezaaid is, dat is hij die het Woord hoort; maar de zorgen van deze wereld en de verleiding van de rijkdom verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.

En waardoor mislukt hun christelijke leven? Door de afleiding van de zorgen van deze wereld en de misleiding van de rijkdom.

Nu is de man die rijk is maar vernederd wordt, hetzij vrijwillig, hetzij door Gods toedoen, bevoorrecht. Hij moet zich verheugen in die vernedering, omdat die hem zal herinneren aan zijn sterfelijkheid, dat hij is als een bloem op het veld die vergaat. Dit lijkt ook te zinspelen op de Bergrede, want Jezus sprak over je geen zorgen maken over morgen met deze woorden in Mattheüs hoofdstuk 6, vers 28 tot en met 30. Hij zei:

Mattheüs 6:28-30

28En wat bent u bezorgd over de kleding? Kijk naar de lelies in het veld, hoe ze groeien; ze werken niet en spinnen niet; 29en Ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet gekleed ging als één van deze. 30Als God nu het gras op het veld, dat er vandaag is en morgen in de oven geworpen wordt, zo bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen?

Hij spreekt dus over het gras op het veld en de bloemen op het veld, die zo tijdelijk zijn. Vandaag verschijnen ze en morgen zijn ze verdwenen. Zo is ook de rijke, of hij dat nu beseft of niet. Hij heeft meer baat bij omstandigheden die hem dat doen beseffen. Het verlies van zijn rijkdom kan juist datgene zijn wat hem helpt eraan te denken dat hij kwetsbaar is en God net zo hard nodig heeft als anderen.

Hij gaat verder met hoe vergankelijk de bloem op het veld is, in vers 11:

Jakobus 1:9-11

9Maar laat de broeder die nederig is, zich beroemen op zijn hoge staat, 10en de rijke in zijn nederige staat, want hij zal als een bloem in het gras voorbijgaan. 11Want de zon is opgegaan met haar hitte en heeft het gras doen verdorren, ook is zijn bloem afgevallen en is de schoonheid van zijn uiterlijk verloren gegaan. Zo zal ook de rijke in zijn wegen verwelken.

Dus hoewel de rijke de meeste zekerheid lijkt te hebben van alle mensen op aarde, heeft hij niet meer zekerheid dan wie dan ook als het gaat om het verwelken, de vergankelijkheid van het menselijk leven en de sterfelijkheid, enzovoort. Dit beeld van de mens die als gras is, komt van tijd tot tijd in de Bijbel voor, volgens mij in het Oude Testament. Ik denk dat het voor het eerst in Jesaja hoofdstuk 40 wordt genoemd. Laat ik eigenlijk even kijken. Ik vraag me af of ik aan de juiste plaats denk. Ja, het is Jesaja hoofdstuk 40. Hij zegt in Jesaja 40, vers 6:

Jesaja 40:6-8

6Een stem zegt: Roep! En hij zegt: Wat moet ik roepen? Alle vlees is gras en al zijn goedertierenheid als een bloem op het veld. 7Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest van de HEERE erover blaast. Voorwaar, het volk is gras. 8Het gras verdort, de bloem valt af, maar het Woord van onze God bestaat voor eeuwig.

Hier hebben we dus duidelijk de passage waaraan Jakobus zijn beeldspraak ontleent. Overigens ontleent Petrus zijn beeldspraak ook aan deze passage in Jesaja hoofdstuk 40.

Dit beeld vindt zijn weg naar de geschriften van verschillende nieuwtestamentische schrijvers. Petrus citeert Jesaja 40 zelfs rechtstreeks in 1 Petrus 1:24. Er staat:

1 Petrus 1:24-25

24Want alle vlees is als gras en al de heerlijkheid van de mens is als een bloem in het gras. Het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen. 25Maar het Woord van de Heere blijft tot in eeuwigheid. En dit is het Woord dat onder u verkondigd is.

Dat is dus een citaat uit Jesaja 40. Het is dezelfde gedachte als Jakobus ons hier voorhoudt, al citeert Jakobus niet echt. Hij zegt gewoon hetzelfde, ongetwijfeld onder invloed van die beeldspraak uit Jesaja.

Beproeving en verzoeking

Illustratie bij: Zalig wie onder beproeving volhardt.

Vers 12, Jakobus 1:12:

Jakobus 1:12

Zalig is de man die verzoeking verdraagt, want als hij beproefd gebleken is, zal hij de kroon van het leven ontvangen, die de Heere beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben.

Er wordt nu een zegen uitgesproken, een zaligspreking, over degene die verzoeking verdraagt. Net zoals in de Bergrede, die een aantal zaligsprekingen bevat. Jakobus komt met een zaligspreking, al is deze niet precies gelijk aan een van de zaligsprekingen in de Bergrede. In de Bergrede wordt zeker een zegen uitgesproken over degenen die lijden om de gerechtigheid.

Dit woord ‘verzoeking’ in vers 12 is hetzelfde Griekse woord dat eerder in vers 2 werd gebruikt en met ‘beproevingen’ werd vertaald. [Vertalersnoot: de spreker gebruikt een Engelse vertaling met ‘trials’ in vers 2 en ‘temptation’ in vers 12. De HSV heeft op beide plaatsen ‘verzoeking(en)’.] Vers 2:

Jakobus 1:2

Acht het enkel vreugde, mijn broeders, wanneer u in allerlei verzoekingen terechtkomt,

Het is hier hetzelfde Griekse woord, bij ‘beproevingen’ en ‘verzoekingen’. Ik denk zelfs dat het in de King James op beide plaatsen met ‘temptations’ wordt vertaald. Het woord kan echter op beide manieren vertaald worden. Het is een woord dat betekent dat je iemand of iets op de proef stelt, om te toetsen wat diegene of datgene waard is.

Soms denken we daarbij eenvoudig aan God die iemand op de proef stelt, zoals Abraham. Er staat dat de Heere Abraham op de proef stelde toen Hij hem zei zijn zoon Izak op het altaar te offeren, in Genesis. Ik denk dat het vers 23 is, vers 1, hoofdstuk 23, vers 1, volgens mij. [Redactionele noot: bedoeld is Genesis 22:1–2.] Eh, daar zegt Hij dat Hij Abraham op de proef stelde. In Spreuken staat dat God mensen op de proef stelt:

Spreuken 17:3

Een smeltkroes is er voor het zilver en een oven voor het goud, maar de HEERE beproeft de harten.

God stelt mensen dus wel degelijk op de proef. Sommige vormen waarin onze ziel wordt beproefd, hebben de vorm van verzoeking, wat wij verzoeking noemen. Dat is wanneer de duivel ons verleidt om iets verkeerds te doen. We weten bijvoorbeeld dat Job in de verleiding werd gebracht tot het volgende:

God vervloeken en sterven.

Zo kwamen die beproevingen over hem. Ze kwamen van God, maar ook van de duivel. Het zou eigenlijk niet juist zijn om te zeggen dat hij door God werd verzocht, hoewel God het wel toeliet. Er staat:

Verzoeking komt uit onze eigen begeerten

Illustratie bij: Verzoeking spreekt de eigen begeerte aan.
Jakobus 1:13

Laat niemand zeggen, als hij verzocht wordt: Ik word door God verzocht. God immers kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand.

Misschien bedoelt hij daarmee dat we God niet de schuld kunnen geven van de aantrekkingskracht die de zonde op ons vlees heeft. Onze verzoeking spreekt iets in ons aan. Uiteindelijk kunnen we zelfs de duivel niet de schuld geven. Let erop dat hij niet zegt: ‘Laat niemand, wanneer hij verzocht wordt, zeggen: ik word door God verzocht. Laat hij daarentegen erkennen dat hij door de duivel verzocht wordt.’ Hij noemt de duivel in deze alinea helemaal niet. Hij vermeldt:

Jakobus 1:14

Maar ieder mens wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerte wordt meegesleurd en verlokt.

Dat laat zien dat bij de verzoeking de duivel natuurlijk betrokken is, en de wereld ook. Maar de duivel en de wereld hebben een bondgenoot binnen in ons: ons vlees, onze vleselijke begeerten. En hoewel de duivel inderdaad in zekere zin bij verzoeking betrokken is, is zelfs God er op een bepaalde manier bij betrokken. God moet het immers toelaten, anders kan de duivel het niet doen.

Maar wat Jakobus ons vooral wil laten beseffen, is dat verzoeking voor ons een beproeving is vanwege iets in onszelf. Onze eigen begeerten voelen zich namelijk tot het verkeerde aangetrokken. In vers 12 staat:

Jakobus 1:12

Zalig is de man die verzoeking verdraagt, want als hij beproefd gebleken is, zal hij de kroon van het leven ontvangen, die de Heere beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben.

Dat duidt er natuurlijk op dat hij er niet voor bezwijkt. Degene die de verzoeking verdraagt, is gezegend, door God gezegend. En er staat:

Hij zal een kroon van leven krijgen die de Heer heeft beloofd aan wie van Hem houden.

De belofte van de kroon van het leven

Illustratie bij: De kroon van het leven voor wie trouw blijft.

Nu kun je je gaan afvragen: waar heeft God een kroon van het leven beloofd aan degenen die Hem liefhebben?

Ik ken geen plaats in de Evangeliën waar naar de kroon van het leven wordt verwezen. Er is een verwijzing en een belofte van Jezus in Openbaring hoofdstuk 2 en vers 10. Die wordt gegeven aan de vervolgde gemeente van Smyrna, die met zware ontberingen en vervolging te maken had. En Hij zei tegen hen in Openbaring 2:10:

Openbaring 2:10

Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt. En u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven.

Voor zover ik weet, is dat de enige plaats in de Bijbel waar God de kroon van het leven belooft aan degenen die Hem liefhebben, en dat is iets waar Jakobus naar verwijst. God heeft dit beloofd. Dus misschien is hij inderdaad bekend met het boek Openbaring. Dat zou vragen oproepen over de datering van het boek Openbaring en de datering van Jakobus. Want het boek Openbaring is óf als laatste van alle Bijbelboeken geschreven, zoals sommige mensen denken, óf het is misschien vrij vroeg geschreven, vóór het jaar 70 na Christus. Dat is een andere theorie die velen aanhangen, maar waarschijnlijk niet heel veel eerder dan het jaar 70 na Christus. En als Jakobus bekend was met Openbaring, dan zou Jakobus vermoedelijk nog later zijn geschreven dan Openbaring.

Ja, behalve dat ze allebei door de Heilige Geest geïnspireerd zijn, en de Heilige Geest kent beide. De Heilige Geest kent beide, maar Jakobus zegt tegen zijn lezers dat de Heere het heeft beloofd. Misschien bedoelt hij: ‘God heeft tegen mij gesproken over een belofte van deze aard, en ik geef die aan jullie door. God heeft jullie die Hem liefhebben een kroon van het leven beloofd.’ Dat is mogelijk. Al lijkt het er meer op dat hij zegt dat er een bekende belofte is die God heeft gedaan: dat degenen die Hem liefhebben een kroon van het leven zullen ontvangen. En dat is een specifieke belofte die aan de gemeente in Smyrna wordt gedaan in Openbaring 2:10. Maar nogmaals, de Heilige Geest is Degene Die beide geschriften heeft geïnspireerd. Het is niet noodzakelijk dat Jakobus Openbaring kende. En als hij dat wel deed, roept dat, zoals ik al zei, ernstige vragen op over de datering van Openbaring en de datering van Jakobus. Want als dat het geval was, zou het erop lijken dat Openbaring vóór Jakobus is geschreven.

Volharden en strijden voor het eeuwige leven

Illustratie bij: Volharding vraagt zelfbeheersing.

De kroon van het leven verwijst waarschijnlijk gewoon naar eeuwig leven. Degenen die hun leven doorkomen terwijl ze de verzoekingen die in hen zijn verdragen en er niet voor bezwijken, zullen met eeuwig leven worden gekroond. Jezus zei in Mattheüs 24:

Mattheüs 24:13

Maar wie volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.

En dat is het woord dat Jakobus hier gebruikt:

Wie verzoeking verdraagt.

Mattheüs 24, vers 13:

Maar wie tot het einde volhoudt, zal gered worden.

Dus de kroon van het leven is waarschijnlijk gewoon behoud: met eeuwig leven gekroond worden als je tot het einde volhardt.

Nu staat er in vers 12:

Jakobus 1:12

Zalig is de man die verzoeking verdraagt, want als hij beproefd gebleken is, zal hij de kroon van het leven ontvangen, die de Heere beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben.

Blijkbaar is zijn hele leven de plaats waar hij wordt beproefd, zijn tijd van beproeving. Dit leven is niet waar het allemaal om draait. Dit leven is eenvoudig een proeftijd. Dit leven is een tijd van beproeving, een tijd waarin wordt getoetst wie zal volharden, wie God trouw zal zijn. En als dit eenmaal voorbij is, zal het zo kort lijken in vergelijking met de eeuwigheid. De kroon van het leven aan het einde is waarnaar we streven. En we moeten bereid zijn elke ontbering te verdragen zonder voor verzoeking te bezwijken, om die kroon te verkrijgen.

Paulus zegt in 1 Korinthe hoofdstuk 9, vers 24 tot en met 27:

1 Korinthe 9:24-27

24Weet u niet dat zij die in de renbaan lopen, allen wel lopen, maar dat slechts één de prijs ontvangt? Loop dan zo dat u die verkrijgt. 25En iedereen die aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles. Zij nu doen dat om een vergankelijke krans te ontvangen, maar wij om een onvergankelijke te ontvangen. 26Ik loop daarom niet zonder duidelijk doel en ik vecht zó met de vuist dat ik niet maar wat in de lucht sla. 27Maar ik oefen mijn lichaam op harde wijze en maak het dienstbaar, opdat ik niet misschien, na anderen gepredikt te hebben, zelf verwerpelijk word.

Dus Paulus zegt: ‘Ook al heb ik tot anderen gepredikt en ben ik een goede christen geweest, ik zou gediskwalificeerd kunnen worden als ik de goede strijd niet strijd, als ik de goede wedloop niet loop.’ Natuurlijk zei hij aan het einde van zijn leven dat hij de goede strijd had gestreden en de goede wedloop had gelopen. Maar op dit moment, eerder in zijn leven, zegt hij: ‘Daarom loop ik, daarom boks ik, daarom strijd ik.’ En de reden is dat er een onvergankelijke kroon voor mij is als ik deze wedstrijd win.

Degenen die aan de Olympische Spelen deelnemen, ontvangen een krans van bladeren, een vergankelijke kroon. En hij zegt: ‘Maar kijk eens hoeveel zelfdiscipline ze opbrengen om voor die spelen te trainen.’ Toch doen ze het voor een kroon die verwelkt. Hoeveel meer zouden wij gemotiveerd moeten zijn om dezelfde zelfbeheersing, dezelfde zelfdiscipline op te brengen om de kroon te verkrijgen die voor ons klaarligt. Die is er aan het einde van dit leven, als we in de wedloop niet gediskwalificeerd worden, als we niet terugdeinzen, als we niet voor de verzoeking vallen. Dan is er een kroon, een onvergankelijke kroon, die Jakobus de kroon van het leven noemt, die de Heere heeft beloofd aan degenen die Hem liefhebben.

Verzoeking als toets van liefde voor God

Illustratie bij: Liefde voor God blijkt in het doorstaan van verzoeking.

De verzoeking is het bewijs van je liefde. De kroon is voor degenen die Hem liefhebben, zegt Jakobus 1:12. De kroon is voor degenen die Hem liefhebben. Die wordt gegeven aan degenen die beproefd zijn. Dat wil zeggen: hun liefde voor Hem is bewezen. Verzoeking is dus een bewijs of een toets van je liefde. En als je inderdaad verzoeking verdraagt en niet bezwijkt, bewijs je dat je iemand bent die Hem liefheeft.

Denk aan Deuteronomium 13, waar Mozes hen waarschuwde voor valse profeten en zei:

Deuteronomium 13:1-3

1Als in uw midden een profeet opstaat of iemand die dromen heeft, en u een teken of wonder geeft, 2en dat teken of dat wonder waarvan hij tot u gesproken had, komt en hij zegt: Laten we achter andere goden aan gaan, die u niet kent, en laten we die dienen, 3luister dan niet naar de woorden van die profeet of naar hem die die dromen heeft! Want de HEERE, uw God, stelt u dan op de proef om te weten of u de HEERE, uw God, liefhebt met heel uw hart en met heel uw ziel.

Dit zijn de eerste drie verzen van Deuteronomium 13.

Hij zegt:

Volg die profeet niet, geloof die profeet niet, want de Heer, je God, stelt je op de proef om te zien of je met heel je hart en heel je ziel van Hem houdt.

Deuteronomium 13:1–3.

Interessant. God laat toe dat er verzoekingen en valse profeten enzovoort zijn om je te beproeven, om te zien of je Hem liefhebt. Maar als je de beproeving doorstaat, kun je, wanneer je eenmaal beproefd bent, aanspraak maken op de kroon van het leven die Hij beloofd heeft aan degenen die Hem liefhebben.

God beproeft, maar verleidt niet tot kwaad

Illustratie bij: God verleidt niemand tot het kwaad.

De verzen 13, 14 en 15 gaan over hoe verzoeking werkt. Als je verzocht wordt, geef God daar dan niet de schuld van. Hij zegt niet dat God er op geen enkele manier bij betrokken is. De Bijbel geeft namelijk aan dat de Heilige Geest Jezus de woestijn in leidde om door de duivel verzocht te worden. De Heilige Geest leidde Jezus een situatie in waarin Hij door de duivel verzocht zou worden. Het was God Die satan toestond om te komen en de verzoekingen over Job te brengen. Nogmaals, het was satan die ze bracht, maar het was God Die ze stuurde.

Het feit dat God het toelaat, betekent niet dat God verantwoordelijk is voor het feit dat jij je tot de zonde aangetrokken voelt. Hij laat je leven in een wereld waarin verzoekingen zijn. Hij laat toe dat er een duivel is om je te beproeven. Maar geen van die dingen maakt dat je God de schuld kunt geven als je voor verzoeking bezwijkt.

Jakobus 1:14

Maar ieder mens wordt verzocht, als hij door zijn eigen begeerte wordt meegesleurd en verlokt.

Over God staat in vers 13:

Jakobus 1:13

Laat niemand zeggen, als hij verzocht wordt: Ik word door God verzocht. God immers kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand.

Hoewel het woord voor ‘verzoeken’ daar ‘op de proef stellen’ betekent, moeten we begrijpen dat God niet verzoekt in de zin dat Hij niet met het kwade verzoekt. De zinsnede vlak vóór de uitspraak dat God niemand verzoekt, zegt dat Hij niet met het kwade verzocht kan worden.

Dat wordt ermee bedoeld. God verzoekt wel. God stelt wel op de proef. Dat deed Hij bij Abraham. Hij doet het bij anderen, maar Hij verzoekt je nooit om kwaad te doen. God is niet Degene Die wil dat je kwaad doet. De duivel wil dat je kwaad doet. Zelf wil je soms kwaad doen vanuit je eigen boze hart, maar God wil niet dat je dat doet. Het kwaad gaat tegen Zijn natuur in. Het heeft voor Hem geen enkele aantrekkingskracht. Hij kan er zelfs niet door verzocht worden. Vanzelfsprekend verzoekt Hij andere mensen niet om het te doen.

Maar hij laat hier een gelegenheid voorbijgaan om over de duivel te spreken. Hij vertelt waar verzoeking niet vandaan komt en waar die wel vandaan komt. Je zou denken dat hij de duivel zou moeten noemen. Dat doet hij in deze passage niet. Later spreekt hij ook over satan, in de hoofdstukken 2 en 4. Maar hier wil hij de aandacht richten op het feit dat verzoeking in je eigen hart ontstaat. Het is waar dat de duivel erbij betrokken is. De Bijbel noemt satan zelfs ‘de verzoeker’ in 1 Thessalonicenzen, en volgens mij ook elders, maar het is je eigen hart dat zich tot de zonde aangetrokken voelt.

Hoe begeerte zonde en dood voortbrengt

Illustratie bij: Begeerte groeit door instemming uit tot zonde.
Jakobus 1:15

Daarna, wanneer de begeerte bevrucht is, baart ze zonde, en wanneer de zonde volgroeid is, baart ze de dood.

Het woord ‘desire’, verlangen, is hier hetzelfde woord dat in de King James Version met ‘lust’, begeerte, wordt vertaald. Het is belangrijk om op te merken dat er in de King James daadwerkelijk ‘lust’ staat, en dat is een even goede vertaling. Alleen is ‘desire’ een moderner Engels woord voor het Griekse woord. Maar:

Als verlangen eenmaal bevrucht is, brengt het zonde voort; en als de zonde volgroeid is, brengt die de dood voort.

Ik herinner me dat een vriend van me tegen me zei dat dit de LSD van verzoeking was: ‘lust, sin, and death’, begeerte, zonde en dood. Begeerte brengt zonde voort, en zonde brengt de dood voort. Maar het interessante is dat er staat:

Verlangen, als het eenmaal bevrucht is, baart zonde. Dat laat zien dat begeerte op zichzelf geen zonde is. Zonde ontstaat wanneer de verlangens bevrucht worden, wanneer ze in het hart bereidwillig worden ontvangen.

In zekere zin wordt je wil voortdurend bestookt met indrukken, zowel goede als slechte. De Heilige Geest overtuigt van zonde. De Heilige Geest overtuigt van gerechtigheid en trekt je naar God toe, maar dan is er het vlees.

Galaten 5:17

Het vlees strijdt tegen de Geest en de Geest tegen het vlees. Hun verlangens gaan tegen elkaar in; ze staan tegenover elkaar.

Dat zegt Paulus in Galaten 5. Er zijn dus twee soorten verlangens, die allebei proberen invloed uit te oefenen op de wil en de instemming van de wil te winnen. Wanneer de wil ja zegt tegen een verkeerd verlangen, vindt de zonde plaats.

Jezus zei:

Mattheüs 5:28

Maar Ik zeg u dat al wie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, in zijn hart al overspel met haar gepleegd heeft.

Dus op dat moment heeft hij duidelijk gezondigd. Maar Hij zegt niet: als iemand naar een vrouw kijkt en haar begeert. Dat is natuurlijk wel iets wat je moet vermijden. Je wilt niet naar een vrouw kijken en haar begeren als je geen zonde in je hart wilt begaan. Maar waar het om gaat, is dat ik veel mensen ken die zich veroordeeld voelen omdat ze een gevoel van begeerte of verlangen naar iemand van het andere geslacht hebben ervaren. Ze zeggen: ‘Volgens Jezus heb ik overspel gepleegd in mijn hart.’

Dat is niet altijd het geval. Begeerte moet bevrucht worden om zonde voort te brengen. Verlangen is één ding. Ja zeggen of bereid zijn dat verlangen te verwelkomen, is iets anders. Jezus zei niet dat iedereen die begeerte naar een vrouw heeft, overspel heeft gepleegd. Hij zegt dat iedereen die naar een vrouw kijkt om haar te begeren, overspel heeft gepleegd. Dat geeft aan dat het hart de bedoeling heeft om te begeren. Het hart stemt met de begeerte in. Het hart is al gewonnen. De begeerte is al bevrucht door het hart, en ze brengt zonde voort. Maar alleen maar verlangen naar kwade dingen is op zichzelf geen zonde. Als die begeerte bevrucht wordt, zal ze zonde voortbrengen. Wanneer begeerte bevrucht wordt, heeft ze de instemming van je hart en de instemming van je wil gekregen. Je wil zegt dan: ‘Ja, dat is wat ik wil. Ik wil zondigen. Ik wil het verkeerde doen.’

Zonde brengt natuurlijk, wanneer ze volgroeid is, de dood voort. In de meeste gevallen sterf je niet op het moment dat je zondigt. Adam en Eva zondigden, maar ze stierven niet op dezelfde dag. Veel mensen zondigen en lijken er hun hele leven mee weg te komen. Maar hun zonde groeit alleen maar. Ze werd geboren toen de begeerte bevrucht werd, maar ze groeit. Pas wanneer ze volgroeid is, is de dood het gevolg. Ondertussen kun je de indruk krijgen dat ze echt van het leven genieten en dat hun slechte daden geen gevolgen hebben. Hun zonden groeien. Hun zonden krijgen hen steeds steviger in een wurggreep. Wanneer de zonde volgroeid is, heeft ze hen stevig vast en wurgt ze hen. Het uiteindelijke gevolg van zonde waarin je blijft leven, die je voedt en die je laat volgroeien, is de dood.

De misleiding achter verzoeking

Illustratie bij: Laat u niet misleiden.
Jakobus 1:16

Dwaal niet, mijn geliefde broeders!

Trouwens, bij verzoeking hoort altijd misleiding. Dat heb ik jullie al eerder verteld. Volgens mij kan de duivel niets anders doen dan misleiden. Ik denk dat misleiding zijn voornaamste en misschien wel zijn enige wapen is, maar met misleiding kan hij heel veel bereiken. Als hij je kan misleiden, als hij overtuigend tegen je kan liegen, kan hij je het gevoel geven dat je veroordeeld bent. Hij kan je angst laten voelen. Hij kan je boos maken wanneer je helemaal niet boos hoeft te zijn. Hij kan allerlei verkeerde emoties in je oproepen door je aandacht te richten op wat niet waar is in plaats van op wat wel waar is.

Natuurlijk kan hij je ook tot zinnelijke zonden brengen, enzovoort. Waarom? Omdat de leugen die hij je vertelt er in wezen op neerkomt dat de zonde je meer genot zal opleveren dan pijn of andere negatieve gevolgen. De duivel zal de gevolgen van zonde altijd kleiner voorstellen en je misleiden.

Als de waarheid aan het licht kwam, zou volgens mij elke ware christen zeggen dat hij niet meer van zonde geniet. Dat betekent niet dat hij nooit gezondigd heeft, maar hij kan er niet meer van genieten zoals vroeger. Als je nog net zoveel van zonde kunt genieten als vroeger, en je hebt geen berouw, en je voelt je niet haast suïcidaal of zo nadat je gezondigd hebt... Ik zeg niet dat christenen suïcidaal zouden moeten zijn, maar iedereen die gerechtigheid liefheeft, haat zonde. Het is waar dat een moment van verzoeking waaraan je toegeeft zelfs een christen tot zonde kan brengen. Toch kan hij er niet meer van genieten zoals vroeger. Hij kan niet van zijn zonde genieten.

Maar om je tot zonde te brengen, moet de duivel dat voor je verhullen. Hij moet dat voor je verbergen. Hij moet ervoor zorgen dat je niet beseft dat je er niet zoals vroeger van zult genieten, dat je er veel langer spijt van zult hebben dan je ervan genoten hebt. Dat is de misleiding. Als je wist dat je nog niet half zoveel van dit ding zult genieten als je er later spijt van zult hebben, dan zou je het niet doen. Ik denk dus dat verzoeking van de vijand misleiding is. Daarom zegt Jakobus in deze context van verzoeking:

Laat je niet misleiden. Laat niemand je misleiden.

Verlangen en instemmen met zonde

Illustratie bij: Verzoeking weerstaan zonder ermee in te stemmen.

Iemand uit het publiek vraagt: ‘Ik begreep je uitleg over begeerte niet helemaal. Wat ik er allemaal niet aan begrijp, aan zonde in het algemeen, is dit: toen Jezus dat probeerde duidelijk te maken, was het punt toen niet dat het al in je hart zit en dat dát moet worden uitgeroeid?’

‘Nou, ik denk niet dat Jezus leert dat zonde in je hart kan worden uitgeroeid. Wesley leerde dat.’

‘Kun je je punt dan nog eens uitleggen?’

‘Het kan heel goed zijn dat Jezus wilde laten zien dat er zonde in het hart van de mens is. Maar ik denk dat Hij met Zijn onderwijs over het kijken naar vrouwen om hen te begeren, wilde laten zien dat je, omdat je zondig bent, veel eerder zonden begaat dan je denkt of beseft. Je kunt de daad daadwerkelijk tegenhouden en die daad niet doen, maar je kunt de zonde nog steeds in je hart begaan. Door met dat soort fantasieën te leven, kun je dus net zo opstandig tegen God en net zo onrein en onheilig zijn als wanneer je ze zou uitvoeren. Dat is wat Hij volgens mij zegt.

Ik denk niet dat Hij zegt dat ze uitgeroeid kunnen worden, en daar staat ook geen belofte over. Maar wat Hij wel zegt, is dat als je naar een vrouw kijkt om haar te begeren, dat laat zien waar je wil op gericht is, wat je motief is. Je motief en je wil zijn erop gericht overspel te plegen. Hij zegt dat als je dat doet, het overspel al in je hart zit. Je hebt het al gepleegd. Je hebt al voor overspel gekozen door bewust die blik te werpen om je wellustige verlangens te bevredigen. Wat ik daartegenover stelde, is dat je misschien op geen enkele manier je wellustige verlangens wilt bevredigen door naar een vrouw te staren. Maar je kunt wel degelijk in situaties terechtkomen waarin je vrouwen voor ogen krijgt zonder dat je daar zelf voor kiest. Je kunt de wereld niet verlaten. En er is ontzettend veel onzedigheid in de wereld. Er kunnen momenten zijn waarop het soort verlangens dat je haat, eenvoudigweg opkomt door een of andere visuele prikkel, doordat je in de buurt bent van een vrouw die onzedig gekleed is, of wat dan ook. En het feit dat die prikkel er is en dat die iets in je vlees aanspreekt, betekent niet dat die aantrekkingskracht op zichzelf een bewijs van zonde is. Dat bewijst alleen dat je vatbaar bent voor verzoeking, dat je verzocht kunt worden.

Maar Jezus werd ook verzocht, zonder te zondigen. Er staat:

Hebreeën 4:15

Want wij hebben geen Hogepriester Die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden, maar Een Die in alles op dezelfde wijze als wij is verzocht, maar zonder zonde.

En we moeten aannemen dat als Hij in alle opzichten verzocht werd zoals wij, Hij verzocht werd met de verlangens van het vlees. Maar er is een punt waarop verlangen en verzoeking een grens overschrijden en zonde worden. Dat punt is wanneer de begeerte bevrucht wordt, of wanneer het verlangen bevrucht wordt. En ik denk dat dit gebeurt wanneer je hart ermee instemt, wanneer je hart het omarmt. En wanneer je hart het omarmt, ben je voor de verzoeking bezweken.

Goede gaven van de onveranderlijke God

Illustratie bij: Elke goede gave komt van boven.

Vers 17:

Jakobus 1:17

Elke goede gave en elk volmaakt geschenk is van boven en daalt neer van de Vader der lichten, bij Wie er geen verandering is, of schaduw van omkeer.

Dat wil zeggen: bij God is er geen verschuivende schaduw zoals op een zonnewijzer. Hij schijnt altijd in dezelfde richting. Er valt geen schaduw doordat Hij draait, want Hij draait niet. Bij Hem is er geen verandering. Hij beweegt niet zoals de zon langs de hemel beweegt en de schaduw op de wijzerplaat laat draaien. Hij is een God Die altijd Dezelfde is. En omdat Hij dat is, is Hij altijd even heilig. Daarom zijn de gaven die Hij je stuurt dingen die in overeenstemming zijn met Zijn karakter.

Dit sluit aan bij wat hij zegt:

Jakobus 1:13

Laat niemand zeggen, als hij verzocht wordt: Ik word door God verzocht. God immers kan niet verzocht worden met het kwade en Hijzelf verzoekt niemand.

Wat God geeft, zijn goede gaven en volmaakte gaven. Ze komen neer van God, Die de Vader van het licht is, en dit licht beweegt niet, dus er valt geen schaduw door draaiing. Het verandert niet. Als Hij goed en heilig is geweest, zal Hij altijd goed en heilig zijn. Hij zal niet iets doen wat tegen Zijn karakter ingaat, zoals je een verzoeking sturen die je niet aankunt, zodat je in zonde valt. God wil niet dat je zondigt. Wat Hij je wel stuurt, is een uitweg wanneer je verzocht wordt, staat er in 1 Korinthe 10:13. Maar God schrijft alleen de goede gaven en de volmaakte gaven aan Zichzelf toe. Zonde is niet goed, en ze is niet volmaakt.

Soms bestaat er in gesprekken over ziekte de neiging om ziekte en zonde aan elkaar gelijk te stellen. Men vindt dan dat ziekte dus niet van God kan komen, omdat die geen goede gave is, en ook geen volmaakte gave. Maar ik zie die twee niet als dingen van dezelfde categorie. Zonde is een morele kwestie. Zonde is iets waarvoor je tegen God in opstand komt om het te doen. Dat is een morele keuze. Zonde zit altijd in je hart: je verlangt naar iets wat verkeerd is. Ziekte is eenvoudigweg pijn en ongemak waar je nooit voor gekozen zou hebben. Het heeft niet noodzakelijk iets te maken met wat er in je hart zit. En daarom kan het goed zijn. De doorn van Paulus kon goed zijn. De kreupelheid van Jakob kon goed zijn. En net zoals vervolging goed kan zijn, kan pijn goed zijn.

Psalmen 119:71

Het is goed voor mij dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik Uw verordeningen zou leren.

zei de psalmdichter. En Paulus zei toen hij in Rome in de gevangenis zat:

Filippenzen 1:12

En ik wil dat u weet, broeders, dat wat er met mij is gebeurd, veeleer tot bevordering van het Evangelie heeft gediend,

Dat is goed. Soms kunnen dingen die slecht aanvoelen goed zijn, maar zonde kan nooit goed zijn. En de dingen die van God komen, zijn geen verzoeking tot zonde.

Joodse gelovigen als eerstelingen

Illustratie bij: Door het Woord voortgebracht als eerstelingen.

Nu staat er in vers 18:

Jakobus 1:18

Overeenkomstig Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij in zeker opzicht eerstelingen van Zijn schepselen zouden zijn.

Ik geloof dat Jakobus hier in het bijzonder de Joods-christelijke luisteraars voor ogen heeft aan wie hij schrijft. Hij richt de brief in hoofdstuk 1, vers 1, aan de twaalf stammen die overal verstrooid zijn. En toch geeft hoofdstuk 2, vers 1, zoals ik je in de inleiding heb laten zien, aan dat het christelijke Joden zijn. Christelijke Joden.

Nu waren in de geschiedenis van de gemeente de allereerste christenen natuurlijk Joods. Niet alleen de apostelen, maar ook de honderdtwintig in de bovenzaal, evenals de drieduizend die op de Pinksterdag tot behoud kwamen. En ook de vijfduizend die later worden genoemd, en de vele duizenden anderen die werden toegevoegd voordat de eerste heiden er ooit bij kwam. Heel goed mogelijk waren er honderdduizenden Joodse gelovigen voordat er ook maar één gelovige uit de heidenen was. We kennen het volledige aantal niet, omdat de Bijbel na vijfduizend ophoudt met tellen. Maar toch waren er al heel wat jaren verstreken en was er heel veel opwekking gaande in Israël, in en rond Jeruzalem, voordat Cornelius tot bekering kwam. En daarom kunnen we zeggen dat het een heel veilige schatting is dat tienduizenden en misschien honderdduizenden Joodse gelovigen tot bekering kwamen voordat er ook maar heidenen tot bekering kwamen. En dat betekent dat de Joodse gelovigen de eerstelingen van deze oogst waren. Op de Pinksterdag, die ook het feest van de eerstelingen is, werden de eerstelingen van de gemeente binnengebracht. Het waren Joodse gelovigen. En Jakobus zegt dat God ervoor gekozen heeft ons, het Joodse overblijfsel, de Joodse gelovigen, voort te brengen als eerstelingen van Zijn schepselen. Dat suggereert dat de rest van de oogst ook niet-christenen zal omvatten.

De 144.000 als eerstelingen voor God

Illustratie bij: Eerstelingen voor God en het Lam.

Dit is een nuttige passage wanneer je probeert enkele moeilijkere passages in Openbaring te begrijpen. Want in Openbaring 7 staat die raadselachtige beschrijving van honderdvierenveertigduizend mensen uit alle stammen van Israël, die het zegel van God op hun voorhoofd ontvingen. Daar, in Openbaring 7:4 tot en met 8, wordt ons alleen verteld dat er twaalfduizend uit de stam Juda waren, twaalfduizend uit de stam Ruben, enzovoort, alle twaalf stammen langs. Er wordt ons niet verteld wie ze zijn, behalve dat het Joodse mensen uit de twaalf stammen zijn die door God verzegeld werden.

Maar in hoofdstuk 14 van Openbaring worden ze opnieuw gezien, in vers 1 tot en met 5. Er staat:

Openbaring 14:1-5

1En ik zag, en zie, het Lam stond op de berg Sion, en bij Hem honderdvierenveertigduizend mensen met op hun voorhoofd de Naam van Zijn Vader geschreven. 2En ik hoorde een geluid uit de hemel, als een geluid van vele wateren en als het geluid van een zware donderslag. En ik hoorde het geluid van citerspelers die op hun citers spelen. 3En zij zongen als een nieuw lied vóór de troon, vóór de vier dieren en de ouderlingen. En niemand kon dat lied leren behalve de honderdvierenveertigduizend, die van de aarde gekocht waren. 4Zij zijn het die niet met vrouwen bevlekt zijn, want zij zijn maagden. Dezen zijn het die het Lam volgen waar Het ook naartoe gaat. Dezen zijn gekocht uit de mensen, als eerstelingen voor God en het Lam. 5En in hun mond is geen leugen gevonden, want zij zijn smetteloos voor de troon van God.

De Naam op hun voorhoofd is het zegel van God dat ze eerder hadden ontvangen. En over hen staat in Openbaring 14:4:

Dit zijn degenen die zich niet met vrouwen hebben verontreinigd, want ze zijn maagd. Dit zijn degenen die het Lam volgen, waar Het ook naartoe gaat.

Discipelen.

Hetzelfde wat Jezus over Nathanaël zei:

Johannes 1:48

Jezus zag Nathanaël naar Zich toe komen en zei over hem: Zie, werkelijk een Israëliet in wie geen bedrog is.

Dit zijn christelijke Joden zoals Nathanaël, werkelijke Israëlieten.

Maar het interessante wat hij in vers 4 zegt, in verband met onze passage in Jakobus, is dat er staat:

Openbaring 14:4

Zij zijn het die niet met vrouwen bevlekt zijn, want zij zijn maagden. Dezen zijn het die het Lam volgen waar Het ook naartoe gaat. Dezen zijn gekocht uit de mensen, als eerstelingen voor God en het Lam.

Jakobus zei tegen de Joodse gelovigen van zijn tijd:

Jakobus 1:18

Overeenkomstig Zijn wil heeft Hij ons gebaard door het Woord van de waarheid, opdat wij in zeker opzicht eerstelingen van Zijn schepselen zouden zijn.

Dat suggereert dat de honderdvierenveertigduizend in Openbaring een verwijzing zijn naar de Joodse gelovigen uit de eerste eeuw, die de eerstelingen van de gemeente waren, de eerstelingen voor God.

Ik besef dat de honderdvierenveertigduizend in verschillende andere interpretaties van Openbaring worden geïdentificeerd als de gemeente in het algemeen, of als de Jehova's Getuigen, of hun gezalfden. Of, wat vaker voorkomt, als een bepaalde groep Joden in de laatste dagen die tijdens de grote verdrukking tot bekering zullen komen, of iets dergelijks. Maar gezien het feit dat er uitdrukkelijk van hen wordt gezegd dat ze de eerstelingen zijn, lijkt dat ertegen te pleiten om hen te zien als een toekomstige groep Joden uit de laatste dagen. Ze zouden dan immers de laatstelingen van de gemeente zijn, en niet de eerstelingen. Terwijl Jakobus specifiek aangeeft dat de Joodse gelovigen aan wie hij schrijft de eerstelingen van Gods schepselen zijn.

Eerst luisteren, dan spreken

Illustratie bij: Haastig om te horen, traag om te spreken.

Nu Jakobus 1:19:

Jakobus 1:19

Zo dan, mijn geliefde broeders, ieder mens moet haastig zijn om te horen, maar traag om te spreken en traag tot toorn.

Hier hebben we een uitspraak die zowel over spreken als over boosheid gaat. Het spreken dat wordt ingeperkt, is waarschijnlijk boos spreken. Je moet traag zijn om boos te worden en traag om te spreken, en snel om te luisteren.

In Spreuken hoofdstuk 18 worden we gewaarschuwd om niet te snel te spreken. Spreuken 18, vers 13 zegt:

Spreuken 18:13

Wie antwoordt voordat hij geluisterd heeft, het is hem tot dwaasheid en schande.

Er staat ook in Spreuken 18, vers 17:

Spreuken 18:17

Wie de eerste is in zijn rechtszaak, lijkt rechtvaardig te zijn, maar dan komt zijn naaste en doorgrondt hem.

Daarom is het dwaas om op een zaak te antwoorden voordat je beide kanten hebt gehoord.

Vaak zijn de dingen waar we boos over zouden worden dingen waar we niet boos over zouden worden als we het hele verhaal kenden. We horen dat iemand zogenaamd iets heeft gezegd over ons of over iemand om wie we geven, of die persoon iets heeft aangedaan. En onze onmiddellijke reactie is om te oordelen, om meteen een oordeel over de zaak te vellen, om op de zaak te antwoorden zonder het hele verhaal gehoord te hebben, en boos te worden. En Jakobus zegt: nee, je moet traag zijn om te spreken, traag om boos te worden, snel om te luisteren. Want vaak besef je, als je meer hebt gehoord, dat boosheid in dit geval misplaatst of een ongepaste reactie zou zijn geweest. Het zou voorbarig zijn geweest. Geef dus niet voorbarig antwoord.

In Spreuken 29, vers 11, staat:

Spreuken 29:11

Een dwaas laat heel zijn geest de vrije loop, maar een wijze houdt die in toom.

De King James zegt:

Een dwaas zegt alles wat er in hem omgaat, Hij spreekt alles uit wat hij denkt. Hier staat:

Een dwaas gooit al zijn gevoelens eruit, maar een wijs mens houdt ze in.

Iemand die alles uitspreekt wat er in hem opkomt, zodra het in hem opkomt, die snel is om te spreken, is een dwaas. Maar iemand die snel is om te horen en langzaam om te spreken, is een wijs man. Spreuken 29, vers 11.

Menselijke woede en Gods gerechtigheid

Illustratie bij: Menselijke woede brengt Gods gerechtigheid niet voort.

Jakobus zegt nu:

Jakobus 1:19-20

19Zo dan, mijn geliefde broeders, ieder mens moet haastig zijn om te horen, maar traag om te spreken en traag tot toorn. 20De toorn van een man brengt immers geen gerechtigheid voor God teweeg.

De verwijzing naar toorn hier grijpt misschien ook terug op de Bergrede, want Jezus sprak Zich daar uit tegen boosheid. En Hij gaf aan dat die verwant is aan moord. Hij zei in Mattheüs 5:22:

Mattheüs 5:22

Maar Ik zeg u: Al wie ten onrechte boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank. En al wie tegen zijn broeder zegt: Raka! zal schuldig bevonden worden door de Raad; maar al wie zegt: Dwaas! die zal schuldig bevonden worden tot het helse vuur.

De woorden ‘zonder reden’ komen in sommige handschriften niet voor en in andere wel. Boos zijn zonder reden. Sommige vertalingen zeggen soms alleen:

Wie boos is op zijn broeder, zal schuldig bevonden worden door de rechtbank.

Hoe dan ook, wat Jezus hier bedoelt, volgt direct nadat Hij moord heeft genoemd. Hij zegt dat boosheid de emotie is die tot moord leidt. Ook als je niet zover gaat dat je iemand doodt, maar wel dezelfde emotie hebt, is dat hetzelfde als moord in je hart. Net zoals naar een vrouw kijken om haar te begeren hetzelfde is als overspel in het hart. Die motivatie hebben, dat verlangen naar wraak of naar bestraffing of naar geweld koesteren, is wat God betreft hetzelfde als de daad plegen. Net zoals begeerte naar een vrouw in je hart koesteren in Gods ogen hetzelfde is als de daad plegen.

In Jakobus 1, vers 20, staat:

Menselijke woede brengt niet de gerechtigheid voort die God wil.

Dat is interessant, want het Oude Testament lijkt het tegenovergestelde te zeggen. In Psalm 76, vers 10, staat:

Psalmen 76:11

Want de woede van mensen zal U tot lof zijn, wat aan woede overblijft, zult U beteugelen.

Met andere woorden, zelfs de toorn van de mens kan door God worden gebruikt om Zichzelf lof en heerlijkheid te brengen. Dit is eigenlijk een uitspraak over Gods soevereiniteit. Er wordt niet gezegd dat God liever heeft dat de mens toornig is, en dat Hij daaraan de voorkeur geeft als Zijn manier om Zichzelf lof te brengen. Het is veeleer zo dat de toorn van de mens gewoonlijk niet het middel is waardoor God Zijn gerechtigheid bewerkt. Maar Hij is soeverein genoeg om zelfs dat voor Zijn heerlijkheid te benutten.

We denken aan Jesaja hoofdstuk 10, waar de Assyriërs het ene koninkrijk na het andere verslinden en daarover opscheppen.

Jesaja 10:7

Maar zelf meent hij het zo niet, en diep in zijn hart denkt hij zo niet. Want het leeft in zijn hart om weg te vagen en de volken uit te roeien — niet weinige!

En ze scheppen op over hun trots en hun veroveringen, enzovoort. Maar God zegt:

Jesaja 10:15

Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt, of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt? Alsof een staf regeert over wie hem hanteert, alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.

Ze zijn slechts een werktuig in Gods hand. God gebruikt hen om Zijn volk te oordelen. Ze handelen misschien uit toorn, hebzucht of wat het ook mag zijn, maar God buigt het om tot Zijn heerlijkheid, tot Zijn lof en voor Zijn gebruik.

De uitspraak:

De woede van mensen zal U lof brengen, betekent, zoals ik al zei, eenvoudig dat God machtig genoeg is om zelfs dat te gebruiken. Maar wat Jakobus ons vertelt, is dat de toorn van de mens niet is wat God bij voorkeur gebruikt. Wat christenen betreft, christenen die Gods gerechtigheid op aarde tot stand willen brengen: dat moet niet door toorn gebeuren. De toorn van de mens is niet waar Gods voorkeur naar uitgaat.

Gerechtigheid zoeken door vrede te stichten

Illustratie bij: Jezus herstelt wat Petrus met geweld beschadigde.

Petrus trok zijn zwaard en hakte in de hof het oor van Malchus af, omdat Petrus boos was en Jezus wilde verdedigen. Maar Jezus zei:

Mattheüs 26:52

Toen zei Jezus tegen hem: Doe uw zwaard terug op zijn plaats, want allen die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen.

En Hij genas het oor van de man.

Jakobus 3:18 zegt:

Jakobus 3:18

En de vrucht van de gerechtigheid wordt in vrede gezaaid voor hen die vrede stichten.

Nog een verwijzing naar de Bergrede:

Mattheüs 5:9

Zalig zijn de vredestichters, want zij zullen Gods kinderen genoemd worden.

Wie vrede stichten, zaaien zaad dat de vrucht van gerechtigheid voortbrengt. [Vertalersnoot: de Engelse vertaling die de spreker gebruikt, heeft in Jakobus 3:18 ‘door hen die vrede stichten’; de HSV heeft ‘voor hen die vrede stichten’.] De gerechtigheid van God wordt niet door de toorn van de mens bewerkt, maar door vrede te stichten. Om gerechtigheid voort te brengen, zaai je het zaad van vredestichting, niet het zaad van toorn. Dat is wat Jakobus ons hier vertelt.

Iemand kan er dus opuit gaan om op een abortusarts te schieten, misschien met het verlangen om Gods gerechtigheid tot stand te brengen door een einde te maken aan abortus. Maar ten eerste zal dat waarschijnlijk niet slagen. Zelfs als het wel zou slagen, is het niet de manier waarop God Zijn gerechtigheid tot stand wil brengen. Niet door de toorn van de mens. Dat is niet wat God als Zijn werktuig kiest. Hij wil bij voorkeur dat in elk geval Zijn volk Zijn gerechtigheid zoekt door vrede te stichten, niet door toorn.

De wet van vrijheid en naastenliefde

Illustratie bij: De wet van vrijheid wordt zichtbaar in naastenliefde.

Vers 21:

Jakobus 1:21

Leg daarom af alle vuilheid en elke uitwas van slechtheid en ontvang met zachtmoedigheid het in u geplante Woord, dat uw zielen zalig kan maken.

In vers 25 volgt nog een zegen. Eerder, in vers 12, is er een zegen voor degene die verzoeking verdraagt. In vers 25 is er ook een zegen voor degenen die aandachtig kijken in de volmaakte wet van de vrijheid. Dat is natuurlijk wat hij later, in hoofdstuk 2, vers 8, de koninklijke wet noemt:

Jakobus 2:8

Als u echter de koninklijke wet volbrengt, volgens de Schrift: U zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan handelt u goed.

Het is een wet van vrijheid. Die bevrijdt je van alle andere wetten. De gebondenheid aan honderden regels die het jodendom kenmerken, wordt vervangen door de vrijheid van maar één regel:

Houd net zoveel van je naaste als van jezelf.

Dat maakt je vrij van alle andere voorschriften. Als je eenvoudigweg dat doet, doe je alles. Deze wet brengt vrijheid van wetticisme. Maar het is wel een wet.

Paulus zei in 1 Korinthe hoofdstuk 9:

1 Korinthe 9:20–21

Wanneer ik bij de Joden ben, gedraag ik me als een Jood om de Joden te winnen. Bij degenen die onder de wet staan, leef ik als iemand die onder de wet staat om hen te winnen. Bij degenen die zonder de wet zijn, leef ik als iemand die zonder de wet is.

Dan zegt hij:

1 Korinthe 9:21

Voor hen die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet — hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus — om hen te winnen die zonder de wet zijn.

Let op, hij is vrij om zonder de wet van Mozes te leven, maar hij is niet vrij om zonder de wet van Christus te leven. De wet van Christus is dat we elkaar liefhebben. Als ik daarnaar leef, ben ik vrij van de wet van Mozes. Want als ik mijn broeder liefheb, zal ik toch al niet ingaan tegen de zaken die in die wet van belang zijn.

Het Woord ontvangen met een leerbare geest

Illustratie bij: Het ingeplante Woord met zachtmoedigheid ontvangen.

Jakobus zegt tegen ons in vers 21:

Jakobus 1:21

Leg daarom af alle vuilheid en elke uitwas van slechtheid en ontvang met zachtmoedigheid het in u geplante Woord, dat uw zielen zalig kan maken.

Het idee dat het Woord wordt ingeplant, komt ongetwijfeld uit Jezus’ gelijkenissen van het zaad en de zaaier. De zaaier zaait het zaad; het valt op verschillende soorten grond. In sommige gevallen wordt het ingeplant. Toen het langs de weg viel, werd het niet ingeplant. De vogels kwamen en namen het weg. Ander zaad viel tussen de dorens. Sommige zaadkorrels vielen in goede grond, maar andere vielen op steenachtige grond. Hij zei:

Lukas 8:11

Dit is de gelijkenis: Het zaad is het Woord van God.

De verschillende soorten grond verwijzen duidelijk naar verschillende soorten harten. Om het ingeplante Woord vruchtbaar te ontvangen, moet je het ingeplante Woord met zachtmoedigheid ontvangen.

Zachtmoedigheid is een leerbare geest. Ik herinner me dat een jongere christen me eens vroeg: ‘Geestelijke groei: gebeurt dat gewoon in het tempo waarin God wil dat het gebeurt, of kun je iets doen om die te bevorderen, om je eigen geestelijke groei te vergemakkelijken?’ Ik dacht daarover na en zei: ‘Ik denk dat één ding meer dan wat ook geestelijke volwassenheid en groei zal bevorderen: een leerbare geest houden.’ Wees gewoon bereid om te zeggen dat je ongelijk had. Wees bereid om van gedachten te veranderen. Wees bereid om in praktijk te brengen wat God ook maar zegt, door iemand anders of door het Woord. Ga je standpunt niet verdedigen, maar wees leerbaar, wees zachtmoedig. Dring jezelf niet op, maar ontvang het Woord van God zachtmoedig, of het nu tot je wordt gepredikt, je als raad wordt meegegeven, of dat je het gewoon leest. Het Woord van God is iets levends, als een ingeplant zaadje, en het groeit en brengt vrucht en volwassenheid voort. Het behoudt je ziel.

Deze verwijzing naar het afleggen van vuilheid en een overvloed aan slechtheid lijkt heel sterk op een soortgelijke passage in 1 Petrus. Want in 1 Petrus 1, vers 23, zegt hij:

1 Petrus 1:23

u, die opnieuw geboren bent, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord van God.

Hier spreekt hij over wedergeboren worden doordat het Woord van God als een zaadje in ons wordt geplant. Hetzelfde wat Jakobus zegt:

Het woord dat in jullie is geplant en dat jullie ziel kan redden.

Dan staat er aan het eind van vers 25:

1 Petrus 1:25

Maar het Woord van de Heere blijft tot in eeuwigheid. En dit is het Woord dat onder u verkondigd is.

Dan vers 1 van hoofdstuk 2:

1 Petrus 2:1

Leg dan af alle slechtheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij.

Let op, het Woord is als een zaadje dat leeft en voor eeuwig blijft. Daardoor worden we wedergeboren, daardoor worden we behouden, en daarom wordt ons gezegd bepaalde dingen af te leggen. In Jakobus moeten we alle vuilheid en overvloed aan slechtheid afleggen. In 1 Petrus:

1 Petrus 2:1-3

1Leg dan af alle slechtheid, alle bedrog, huichelarij, afgunst en alle kwaadsprekerij. 2En verlang vurig, als pasgeboren kinderen, naar de zuivere melk van het Woord, opdat u daardoor mag opgroeien, 3indien u tenminste geproefd hebt dat de Heere goedertieren is,

Dan staat er in Jakobus:

Jakobus 1:21

Leg daarom af alle vuilheid en elke uitwas van slechtheid en ontvang met zachtmoedigheid het in u geplante Woord, dat uw zielen zalig kan maken.

In 1 Petrus staat er:

Verlang net als pasgeboren baby's naar de zuivere melk van het woord, zodat jullie daardoor kunnen groeien.

We hebben dus in deze twee brieven dezelfde gedachte in verschillende woorden.

Het Woord doen en zelfbedrog vermijden

Illustratie bij: Word daders van het Woord.

Als we het ingeplante Woord hebben ontvangen, is daarmee nog niet alles gedaan. Nadat we het hebben ontvangen, moeten we daders ervan worden. Ook Jezus brengt dit naar voren in de Bergrede. Misschien werkt Jakobus bewust verder uit wat Jezus daarover zei, want Jakobus zegt:

Jakobus 1:22

En wees daders van het Woord en niet alleen hoorders. Anders bedriegt u uzelf.

Jezus zei in Mattheüs 7, vers 21 tot en met 23:

Mattheüs 7:21–23

Niet iedereen die tegen Mij zegt: Heere, Heere, zal het Koninkrijk van God binnengaan, maar wie de wil van Mijn Vader doet. Op die dag zullen velen tegen Mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in Uw Naam demonen uitgedreven, geprofeteerd en vele machtige werken gedaan? Dan zal Ik tegen hen zeggen: Ga weg van Mij, Ik heb u nooit gekend.

[Redactionele noot: de spreker noemt vers 24–27, maar haalt hier vers 21–23 aan.]

Ze waren misleid. Ze waren misleid en dachten dat ze christenen waren, maar dat waren ze niet. Ze kenden de Naam van Jezus, ze kenden ongetwijfeld het Evangelie, ze kenden het Woord van God, ze profeteerden zelfs. Maar ze waren misleid en dachten dat ze gelovigen waren. Dat waren ze niet, omdat ze geen daders waren. Ze deden de wil van de Vader niet. Ze wisten wat ze moesten doen, maar ze deden het niet.

Jakobus zegt:

Houd jezelf niet voor de gek. Wees niet iemand die zichzelf misleidt. Luister niet alleen, maar doe het ook. Vers 23 zegt:

Het Woord als spiegel voor je leven

Illustratie bij: De hoorder die zichzelf in een spiegel bekijkt.
Jakobus 1:23

Als iemand immers een hoorder van het Woord is en geen dader, lijkt hij op een man die het gezicht waarmee hij geboren is, in een spiegel bekijkt,

Het Woord van God is als een spiegel. Het laat je je eigen karakter zien. Het laat je jezelf zien, je eigen opstandigheid. Je eigen vuilheid wordt zichtbaar als je de maatstaven leest die God in Zijn Woord heeft staan. Hij spreekt heel veel met je over jezelf wanneer je nadenkt over het Woord van God als een spiegel.

Jakobus 1:24

want hij heeft zichzelf bekeken, is weggegaan en is meteen vergeten hoe hij eruitzag.

Het is interessant hoe vaak mensen in spiegels kijken. Je zou denken dat één keer kijken genoeg zou zijn. Je weet hoe je eruitziet. Misschien is het ijdelheid. Ben je weleens in zo'n warenhuis geweest waar ze van die pilaren hebben die het dak dragen? Die vierkante pilaren zijn bekleed met spiegels, en als je erlangs loopt, kijk je even opzij om te zien hoe je eruitziet. Je loopt langs de volgende en kijkt weer even opzij om te zien of je er nog hetzelfde uitziet. Bij elke pilaar kijk je even opzij, alsof je alweer vergeten bent hoe je eruitzag. Natuurlijk is dat waarschijnlijk vooral ijdelheid, maar Jakobus zegt dat iemand in de spiegel kijkt, weggaat en vergeet hoe hij eruitziet. Dat is als iemand die het Woord van God hoort. Hij ziet zichzelf, maar hij vergeet het. Hij brengt het niet in praktijk, en daarom blijft het niet bij hem hangen.

Hij zegt:

Jakobus 1:25

Hij echter die zich in de volmaakte wet verdiept, die van de vrijheid, en daarbij blijft, die zal, omdat hij niet een vergeetachtige hoorder geworden is, maar een dader van het werk, zalig zijn in wat hij doet.

In het Woord van God blijven betekent meer dan alleen maar met je neus in het boek blijven zitten. Erin blijven, erin wonen, erover nadenken, doen wat het zegt: dat hoort allemaal bij het blijven in het Woord.

Degene die doet wat hij weet dat hij moet doen: daar gaat het om. In Johannes 13:17 zei Jezus:

Johannes 13:17

Als u deze dingen weet, zalig bent u als u ze doet.

Johannes 13:17. Hetzelfde wat Jakobus zegt. Deze man is gezegend in wat hij doet als hij doet wat hij weet dat hij moet doen. Jezus zei:

Als jullie dit weten, zijn jullie gelukkig als jullie het ook doen.

Hetzelfde wat Jakobus hier zegt.

Je spreken verraadt je godsdienst

Illustratie bij: Onbeheerste woorden ontmaskeren lege godsdienst.

Nu vers 26 en 27:

Jakobus 1:26-27

26Als iemand onder u denkt dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart misleidt, dan is zijn godsdienst zinloos. 27De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.

Hij vertelt ons wat zuivere godsdienst is en wat nutteloze godsdienst is. Nutteloze godsdienst kun je, in elk geval op één manier, hieraan herkennen: iemand kan in alle andere opzichten godsdienstig lijken, maar zijn tong verraadt hem. Zoals bij Petrus, die zich bij het vuur stond te warmen. Ze zeiden:

Mattheüs 26:73

Kort daarna zeiden zij die daar stonden en dichterbij kwamen, tegen Petrus: Werkelijk, u bent een van hen, want uw spraak verraadt u.

Hij had waarschijnlijk een Galilees accent. Maar onze manier van spreken kan ons ook verraden. In alle andere opzichten kunnen we ware christenen lijken, maar je manier van spreken zal je verraden.

Het is zoals in de fabels van Aesopus. Er was een ezel die de huid van een dode leeuw vond. Hij zei: ‘Ik krijg hier nooit enig respect. Ik zal deze leeuwenhuid aantrekken en ermee rondlopen. Dan zal iedereen respect voor me hebben, want iedereen heeft respect voor een leeuw.’ Dus trok hij die leeuwenhuid aan. Hij liep rond, en inderdaad, alle dieren in het bos waren doodsbang voor hem. Ze schikten zich naar hem en gingen voor hem opzij. Uiteindelijk kreeg hij steeds meer praatjes, begon te denken dat hij heel wat was en zei: ‘Ik ga eens een machtig gebrul laten horen!’ In plaats daarvan liet hij het gebalk van een ezel horen. Toen had niemand meer respect voor hem, want ze wisten dat zijn bek hem verraadde, hoe hij er ook uitzag. Vanbinnen was hij nog steeds een ezel.

Zo gaat het eigenlijk ook met mensen. Ze kunnen leren zich het uiterlijk van godsdienstigheid of het christendom aan te meten, maar hun mond verraadt hen. Als ze hun tong niet in toom houden, dan is hun godsdienst nutteloos. Kun je je iets vreselijkers voorstellen dan dat Gods Woord over je zegt: ‘Je godsdienst was nutteloos’? Nutteloos! Waar dient godsdienst eigenlijk anders voor dan om je bij God aan te bevelen, om zo te leven dat het je uiteindelijk Gods gunst brengt en je zelf nergens spijt van hebt? Stel je iemand voor die al die godsdienstige handelingen verricht en erachter komt dat zijn godsdienst nutteloos was. Zo iemand heeft zijn eigen hart misleid. Degene die godsdienstig lijkt en zijn tong niet in toom houdt, misleidt zijn eigen hart.

De tong in toom houden

Illustratie bij: De tong bewust in toom houden.

Later zullen we in hoofdstuk 3 te horen krijgen dat je je tong niet kunt temmen. Hij zegt in vers 8 van hoofdstuk 3:

Jakobus 3:8

Maar de tong kan geen mens temmen. Ze is een niet te bedwingen kwaad, vol dodelijk vergif.

Maar je moet je tong wel in toom houden. Het verschil tussen temmen en in toom houden wordt meteen duidelijk als je erover nadenkt. Het is één ding om een paard een toom aan te leggen. Het is iets anders om het af te richten. Als je naar een rodeo gaat, zie je paarden die wel een toom dragen, maar die niet afgericht zijn, niet getemd zijn. Ze zijn nog steeds wild. Het zijn nog steeds wilde paarden. Een goede ruiter kan lang op hun rug blijven zitten en ze uiteindelijk misschien zelfs africhten. Maar een hele tijd dragen ze wel een toom terwijl ze nog niet afgericht zijn. De meeste paarden, denk ik, als ik me niet vergis waarschijnlijk alle paarden, kunnen afgericht, getemd en tot huisdier gemaakt worden. Al herinner ik me dat ik toen ik jonger was las over zebra's, die heel veel op paarden lijken. Je kunt ze wel een toom aanleggen en erop rijden. Soms rijden clowns erop in circussen en dergelijke. Toch worden ze nooit tam. Je kunt ze niet africhten. Ze zullen nooit een tam dier worden. Je kunt de wilde aard van dit dier niet temmen, maar je kunt het wel een toom aanleggen. En zolang het die toom draagt, kun je het onder controle houden. Je kunt het nooit vertrouwen, omdat zijn aard onveranderd blijft. Je kunt niet zomaar hopen dat het je op een dag graag op zijn rug zal laten zitten en zich graag door je zal laten beheersen. Maar je kunt je gezag wel afdwingen.

Met de tong is het net zo, want:

Mattheüs 12:34

Adderengebroed! Hoe kunt u goede dingen spreken, terwijl u slecht bent? Want uit de overvloed van het hart spreekt de mond.

En waarschijnlijk zal er tot de dag dat je sterft een deel van je hart aan de kant van de vijand staan. Dat is iets wat veel mensen niet zouden willen horen, maar dat is wat het vlees is. Het vlees is een geheel van verkeerde verlangens, en die verlangens komen voort uit de innerlijke mens. En die zondigheid van onze natuur kan zich op ieder moment in het christelijke leven uiten door onverstandige woorden, door roddel.

Ik weet niet of hier vloeken, godslastering en schuttingtaal bedoeld worden. Ik denk dat het meer gaat om dingen zeggen die kwetsend zijn en dingen zeggen die de reputatie van mensen schaden en dergelijke. Zulke dingen bewijzen dat er in het hart geen liefde is. Hun uiterlijke godsdienst blijkt onecht te zijn door het gebrek aan liefde in hun woorden. En de tong kan niet getemd worden. Het hart moet onderworpen worden, moet gebroken worden, moet veranderd worden. Maar de tong zelf zal altijd geneigd zijn uit te spreken wat erin opkomt. Je moet haar in toom houden. Iemand die zijn tong gewoon iedere opwelling laat uitspreken, is dwaas en misleidt zichzelf, en zijn godsdienst is tevergeefs.

Het hart en de verlangens van het vlees

Illustratie bij: Wat uit de mond komt, komt uit het hart.

‘Kun je Schriftgedeelten vinden die het vlees gelijkstellen aan het hart of de innerlijke mens?’

Nee, dat kan ik niet. Maar Paulus zegt wel dat er verlangens in zijn leden zijn:

Romeinen 7:23

Maar in mijn leden zie ik een andere wet, die tegen de wet van mijn verstand strijd voert en mij tot gevangene maakt van de wet van de zonde, die in mijn leden is.

Het woord ‘hart’ komt in die hele bespreking niet voor. Al zouden we kunnen zeggen dat het verstand in die bespreking gelijkgesteld wordt aan het hart, maar misschien ook niet. Het hart verwijst soms gewoon naar de innerlijke mens. De zetel van de wil en de verlangens van de persoonlijkheid is, denk ik, soms wat in de Bijbel met het hart bedoeld wordt.

In die zin kent onze persoonlijkheid twee soorten verlangens, en hebben we de verlangens van ons vlees:

De wet die strijd voert tegen de wet van ons verstand.

Ik weet niet of het juist zou zijn om daarbij het woord ‘hart’ te gebruiken. Ik gebruikte dat wel, omdat ik bedoelde te zeggen dat de mond uitspreekt wat vanbinnen komt. Jezus gebruikte daarvoor het woord ‘hart’. En Hij zei:

Mattheüs 15:19

Want uit het hart komen voort kwaadaardige overwegingen, alle moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen, lasteringen.

en al dat soort dingen, die duidelijk vleselijke dingen zijn.

Natuurlijk worden onze harten veranderd. Figuurlijk gesproken krijgen we een nieuw hart wanneer we tot behoud komen, en:

Hebreeën 10:16

Want na eerst gezegd te hebben: Dit is het verbond, dat Ik met hen na die dagen zal sluiten, zegt de Heere: Ik zal Mijn wetten in hun hart geven en Ik zal die in hun verstand schrijven,

Maar die verlangens naar kwade dingen die er vroeger waren, kunnen soms weer opkomen. Blijkbaar zijn ze ergens aanwezig. Er is iets in onze natuur waar ons hart op de een of andere manier bij betrokken is. Ik wil niet zo diep ingaan op het uitpluizen van wat het hart is en al dat soort dingen. En misschien was het ongelukkig dat ik in dat verband naar het hart verwees. Maar ik denk niet dat het verkeerd is. Jezus Christus zei:

Mattheüs 15:18-20

18Maar de dingen die uit de mond komen, komen voort uit het hart, en die verontreinigen de mens. 19Want uit het hart komen voort kwaadaardige overwegingen, alle moord, overspel, ontucht, diefstal, valse getuigenissen, lasteringen. 20Deze dingen zijn het die de mens verontreinigen; maar het eten met ongewassen handen verontreinigt de mens niet.

De dingen die Hij hier noemt en die de mens verontreinigen, zijn vleselijke dingen. Het zijn dezelfde dingen die Paulus werken van het vlees noemt.

Blijkbaar houden vleselijke verlangens op de een of andere manier verband met wat de Bijbel het hart noemt. En ondanks het feit dat het hart van de christen een nieuw hart is, een veranderd hart, een hart waarin de wet geschreven is en dergelijke, blijft er nog steeds een aantrekkingskracht uitgaan van die wereldse of vleselijke begeerten. Dat laat zien dat het blijkbaar geen volledig veranderd hart is, geen hart dat voor honderd procent vernieuwd is. Het heeft in elk geval nog de mogelijkheid tot kwaad.

Een andere plaats die daar misschien iets over zegt, is volgens mij Hebreeën hoofdstuk 3. Daar wordt taal gebruikt die daar misschien op lijkt. In Hebreeën 3:12 schrijft hij aan christenen en zegt hij:

Hebreeën 3:12

Zie erop toe, broeders, dat er nooit in iemand van u een verdorven hart zal zijn, vol ongeloof, om daardoor afvallig te worden van de levende God;

Hier is het ongeloof het kwaad van het hart, maar er wordt wel gezegd dat christenen moeten oppassen voor een slecht hart. En dus zou ik zeggen dat daarin mogelijk enige steun te vinden is voor een verband tussen de verlangens van het vlees en wat de Bijbel het hart noemt.

Maar nogmaals, wat de Bijbel het hart noemt, kan een heel rekbaar begrip zijn. Soms betekent het alleen de verlangens, soms alleen de gedachten, soms misschien alleen de innerlijke mens tegenover de uiterlijke mens. Het is dus een nogal rekbare term.

Ware godsdienst blijkt uit liefde

Illustratie bij: Zuivere godsdienst zorgt voor weduwen en wezen.

Hoe dan ook, iemand die niet denkt dat het belangrijk is om zijn spreken te beheersen, diens godsdienst is leeg, welke andere uiterlijke kenmerken van godsdienst hij ook mag hebben. Die is nutteloos. Christenen moeten natuurlijk bedenken dat de grootste schade van allemaal wordt aangericht door de tong, niet door de handen of door iets anders. Alles wat kwaad is, kan door slechte communicatie worden bevorderd. Jakobus zegt in hoofdstuk 3:

Jakobus 3:6

Ook de tong is een vuur, een wereld van ongerechtigheid. Zo staat het met de tong onder onze lichaamsdelen. Ze besmet het hele lichaam, en zet onze levensloop vanaf het begin in vlam, en ze wordt zelf door de hel in vlam gezet.

Dat zegt hij over de tong in Jakobus 3:6.

Het grootste probleem is de tong. Iemand die in alle andere opzichten een goede christen is, maar roddelt of hard en onvriendelijk tegen iemand spreekt, laat zien dat hij geen liefde in zijn hart heeft. En om liefde draait godsdienst, ware godsdienst. Jakobus zegt het zo:

Jakobus 1:26-27

26Als iemand onder u denkt dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart misleidt, dan is zijn godsdienst zinloos. 27De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.

Let op: zichtbare uitingen van liefde. Hij spreekt in de ware geest van een oudtestamentische profeet en laat opnieuw Gods vaak genoemde zorg voor de armen, de weduwen en de wezen zien.

Voor deze mensen zorgen is het ware bewijs van liefde, omdat ze je niets kunnen teruggeven. Het is dus liefde die je ertoe beweegt hen te helpen, in plaats van de hoop iets terug te krijgen of iets dergelijks. Dat is zuivere en onbevlekte godsdienst. En ook:

Onbesmet blijven van de wereld

Illustratie bij: Zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.

Zich niet door de wereld laten besmetten. Je kleren schoon en onbevlekt houden, vrij van de verontreiniging van de wereld. Ook dat hoort bij ware godsdienst: dat je de verontreiniging van de wereld niet overneemt. We leven in de wereld, maar we mogen ons er niet door laten besmetten. We moeten onze kleren schoonhouden. Het kledingstuk is natuurlijk beeldspraak voor je leven.

In Judas, in de verzen 22 en 23, zegt Judas:

Judas 22–23

Ontferm u over sommigen en maak daarbij onderscheid. Red anderen met vrees door hen uit het vuur te rukken, en haat zelfs het kledingstuk dat door het vlees verontreinigd is.

Ook dat is beeldspraak, het haten van het kledingstuk dat door het vlees verontreinigd is. Het betekent gewoon dat we elke vorm van toegeven aan de wereld moeten verafschuwen, zelfs de kleding die door de wereld verontreinigd is. We willen die zo veel mogelijk vermijden. Het gaat niet over kledingstijlen, wereldse kleding, mode enzovoort. Het gaat over iets anders.

Het komt meer voort uit de beeldspraak van het Oude Testament. Iemand die melaats was, een vrouw die ongesteld was, of een man die een zaadlozing had gehad of iets dergelijks, was verontreinigd, en hun kleding zou ook verontreinigd zijn. Nadat hij of zij de periode van onreinheid achter de rug had, volgde er een ceremoniële wassing, en moesten ze ook hun kleren wassen. Zelfs het aanraken van de kleding van een verontreinigd persoon was verontreinigend, totdat die kleren gewassen waren. De gedachte is dus dat ceremoniële verontreiniging een type en een schaduw is van morele verontreiniging, van zonde. Hij gebruikt die beeldspraak en zegt: ‘Kom zelfs niet in aanraking met de kleding die verontreinigd is.’

Cindy zei: ‘Ik wilde alleen iets zeggen.’

‘Het is zo waar dat we uit de overvloed van ons hart spreken. En ik denk dat wanneer we onze ogen op Jezus gericht houden, we niet anders kunnen dan anderen liefhebben en het goede in hen zien. Als we onze ogen op gebreken richten, zullen we de zwakheden zien, waardoor we slecht over anderen gaan spreken. En dat zie ik vaak bij mezelf.’

‘Ja, ik denk dat, zoals Paulus zegt — of liever gezegd, Jakobus — de tong het laatste gebied is dat overwonnen moet worden. Paulus spreekt over slechte communicatie, en Jezus spreekt erover. Spreuken spreekt erover, en de Psalmen. Er staat heel veel over. De Bijbel waarschuwt ons vaak voor de gevaren van kwetsen met de tong. Spreuken zegt:

Spreuken 12:18

Er zijn er die als met dolksteken praten, ondoordacht, maar de tong van de wijzen betekent genezing.

Je kunt zo spreken dat je mensen afslacht, of zo dat je hen geneest.’

Wat zeg je? Wat uit je mond komt, laat zien wie je bent, als een onderzoek van je hart. Een onderzoek van je hart.

‘Ja, het is als een barometer die aangeeft hoe het met je geest gesteld is.’

Geloven zonder aanzien des persoons

Illustratie bij: Geloof zonder aanzien des persoons.

Laten we verdergaan met hoofdstuk 2.

Jakobus 2:1

Mijn broeders, heb het geloof in onze Heere Jezus Christus, de Heere der heerlijkheid, zonder aanzien des persoons.

De King James zegt ‘with respect of persons’, maar het betekent partijdigheid: iemand voortrekken op grond van zijn status, in plaats van op grond van zijn verdiensten.

Op veel plaatsen zegt de Bijbel dat God niet partijdig is. Paulus zegt dat bijvoorbeeld in Romeinen 10. Op zulke plaatsen betekent het meestal dat God de Jood niet voortrekt boven de heiden, als alle andere omstandigheden gelijk zijn.

Nu heeft God wel meer respect voor godvruchtige mensen dan voor goddeloze mensen. God zegt in 1 Samuel hoofdstuk 2:

1 Samuel 2:30

Daarom spreekt de HEERE, de God van Israël: Ik had duidelijk gezegd: Uw huis en uw familie zullen voor eeuwig voor Mijn aangezicht wandelen. Maar nu spreekt de HEERE: Er is bij Mij geen sprake van, want wie Mij eren, zal Ik eren, maar wie Mij verachten, zullen zelf veracht worden.

God geeft dus duidelijk aan sommige mensen de voorkeur boven anderen. Hij eert sommigen meer dan anderen. Hij heeft respect voor sommige mensen omdat ze godvruchtig zijn. Wanneer de Bijbel zegt dat Hij niet handelt met aanzien des persoons, betekent dat altijd het volgende. Mensen geven soms aan de ene categorie mensen de voorkeur boven een andere categorie, ongeacht hun morele deugdzaamheid, vanwege hun ras, vanwege hun geld, vanwege hun maatschappelijke positie. Maar God kijkt niet op die manier naar mensen. Hij beoordeelt mensen niet op zulke gronden. En wanneer Paulus in Romeinen 10 zegt:

‘God handelt zonder aanzien des persoons’,

[Redactionele noot: deze formulering staat in Romeinen 2:11. Romeinen 10:12 spreekt over het ontbreken van onderscheid tussen Jood en Griek.]

bedoelt hij dat Hij aan Joden niet de voorkeur geeft boven heidenen, als hun morele leven en hun geestelijke kwaliteiten gelijk zijn.

Nu geeft Hij wel aan een Joodse gelovige de voorkeur boven een ongelovige heiden, maar Hij geeft ook aan een gelovige heiden de voorkeur boven een Joodse ongelovige. Geloof, gerechtigheid enzovoort zorgen er wel voor dat God aan iemand de voorkeur geeft boven iemand anders, maar dat heeft niets te maken met vleselijke overwegingen.

Rijken voortrekken en eigenbelang

Illustratie bij: De rijke krijgt de ereplaats, de arme wordt vernederd.

Jakobus heeft het hier niet zozeer over het eren van Joden boven heidenen, maar over het eren van rijken boven armen. Dit is ook de grote verleiding voor gemeenten en christenen en individuele mensen: we begunstigen de rijken. Vaak denken we er niet eens over na waarom we dat doen. Maar als we ons hart zouden onderzoeken, is de reden meestal dat we weten dat rijke mensen je op een dag een gunst kunnen bewijzen. Misschien krijg je er ooit iets voor terug. En daar moet je je bewust van zijn, van dat soort motivatie.

Jakobus 2:2-9

2Want als in uw samenkomst een man zou binnenkomen met een gouden ring aan zijn vinger, in sierlijke kleding, en er kwam ook een arme man in haveloze kleding, 3en u zou hoog opzien tegen hem die de sierlijke kleding draagt, en tegen hem zeggen: Gaat u hier zitten op een mooie plaats, en u zou tegen de arme zeggen: Gaat u daar maar staan, of: Ga hier zitten bij mijn voetbank, 4hebt u dan niet onder elkaar een onderscheid gemaakt en bent u zo geen rechters geworden met verkeerde overwegingen? 5Luister, mijn geliefde broeders, heeft God de armen van deze wereld niet uitverkoren om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen te zijn van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben? 6U hebt daarentegen de arme schandelijk behandeld. Zijn het niet de rijken die u overweldigen en slepen juist zij u niet naar de rechtbank? 7Lasteren zij niet de goede Naam, Die over u is aangeroepen? 8Als u echter de koninklijke wet volbrengt, volgens de Schrift: U zult uw naaste liefhebben als uzelf, dan handelt u goed. 9Maar als u met aanzien des persoons handelt, begaat u een zonde en wordt u door de wet ontmaskerd als overtreders.

Nu stoppen we daar even. Neem die eerste acht verzen. Hij heeft zojuist in hoofdstuk 1, vers 27 gezegd:

Jakobus 1:27

De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld.

mensen die behoeften hebben, maar geen mogelijkheid hebben om iets terug te doen voor degenen die hen helpen.

Jezus zei in Lukas hoofdstuk 14:

Lukas 14:12

Als je een maaltijd aanricht, nodig dan niet je rijke buren en vrienden uit. Zij zouden je daarna kunnen terugvragen, en dan heb je je beloning al ontvangen.

Maar Hij zei:

Lukas 14:13–14

Als je een maaltijd aanricht, nodig dan armen, kreupelen en blinden uit, mensen die je op geen enkele manier iets kunnen teruggeven. Dan zul je beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.

Met andere woorden, je zou je goede werken bij voorkeur moeten doen voor degenen die je niets kunnen teruggeven. Weet je waarom? Het stelt je hart meer op de proef, net zoals je mond je hart op de proef stelt. Je weet nooit of je goede daden uit goede motieven doet wanneer je zelf in feite iets bij die goede daden te winnen hebt. Maar als je er niets bij kunt winnen, doe je het alleen omdat iemand iets nodig heeft en jij om die persoon geeft. Dat is echte liefde.

Nu is het bij rijke mensen moeilijk om hun geen bijzondere achting te betonen. De verleiding bestaat om je naar hen te schikken. Voorgangers worstelen hier voortdurend mee. Sommigen hebben daadwerkelijk toegegeven aan de verleiding om dingen te zeggen die de rijke mensen in de gemeente niet voor het hoofd stoten. Om geen preken te houden over de Bergrede, die behoorlijk hard is voor rijke mensen. Om geen preken te houden over de rijke jongeling. Om geen preken te houden over Lazarus en de rijke man. Om niet te prediken wat Jezus predikte, omdat dat soort dingen rijke mensen voor het hoofd stoot. Of om niet te prediken tegen de zonden van bepaalde mensen in de gemeente die toevallig ook rijk zijn.

Als er in de gemeente een rijke man is die alcoholist is, of een rijke man die overspel pleegt, zullen veel voorgangers zich niet tegen die zonden uitspreken, uit angst de steun van die rijke gever te verliezen. Dat zou niet zo moeten zijn. Daarmee geef je de rijken een voorkeursbehandeling. Als er een rijke man binnenkomt en je hem een voorkeursbehandeling geeft en de armen anders behandelt, laat je zien dat je gedreven wordt door een verkeerd verlangen, door kwade gedachten. Je bent een rechter met kwade gedachten.

Kleding en voorkeursbehandeling in de kerk

Illustratie bij: Kleding mag niet bepalen wie welkom is.

Nu verwijst hij specifiek naar kleding. En met zo'n duidelijke richtlijn in de Bijbel is het verbazingwekkend dat de kerk, die de Bijbel leest en ongetwijfeld ook weleens Jakobus leest, zo gemakkelijk kan vervallen in het overtreden van wat hij hier zegt. Hij geeft aan dat mensen die in deftige kleren naar de gemeente komen geen voorkeursbehandeling mogen krijgen boven degenen die in smerige kleren komen. [Vertalersnoot: de spreker gaat uit van het Engelse ‘filthy clothes’, ‘vuile kleding’. De HSV heeft in Jakobus 2:2 ‘haveloze kleding’.]

Nu denk ik niet dat een christen er graag in vuile kleren bij loopt, of dat nu in de gemeente is of ergens anders. Sterker nog, ik vind het nogal onbeleefd om in stinkende, vieze kleren rond te lopen als je de mogelijkheid hebt om je kleren schoon te houden. Dat is niet beleefd. Het is niet liefdevol. Mensen kunnen er aanstoot aan nemen. Maar er zijn natuurlijk arme mensen die geen gelegenheid hebben om hun kleren schoon te maken, daklozen bijvoorbeeld. Er zijn mensen die zo sterk ruiken naar de omgeving waarin ze zijn geweest, doordat ze hun kleren al weken dragen. Soms wil je niet eens bij hen in de buurt komen. Toch geeft Jakobus aan dat je hen met hetzelfde respect moet behandelen. Je moet hun in de gemeente dezelfde soort ereplaats geven als je een man in mooie kleding zou geven.

Er zijn gemeenten die het niet uitspreken, maar wel laten doorschemeren, en sommige zeggen het ronduit: ze vinden dat je je netjes moet aankleden als je naar de gemeente komt. Ze geven beslist de voorkeur aan mensen die dat doen. Volgens mij komt dat deels voort uit verkeerde opvattingen over God, omdat ze denken dat het voor God uitmaakt wat je draagt. Ze denken dat God er belang aan hecht of je een pak met een stropdas draagt, en ze vinden dat je respect voor God moet tonen. Natuurlijk moet je respect voor God tonen, maar:

1 Samuel 16:7

Maar de HEERE zei tegen Samuel: Kijk niet naar zijn uiterlijk en ook niet naar de hoogte van zijn gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan.

Ik denk dat het beter is dat je hart goed gekleed is als je naar de gemeente komt, dan je lichaam.

Rijke vervolgers en armen die God vertrouwen

Illustratie bij: Rijke onderdrukkers slepen armen naar de rechtbank.

In wezen wijst hij degenen terecht die mensen die goed gekleed zijn en geld hebben enzovoort, boven de anderen zouden voortrekken. Hij zegt dat het eigenlijk verbazingwekkend is dat jullie als christenen überhaupt geneigd zijn de rijken met zoveel ontzag te behandelen. Zijn zij voor het merendeel niet jullie vijanden? Hij zegt:

Jakobus 2:6-7

6U hebt daarentegen de arme schandelijk behandeld. Zijn het niet de rijken die u overweldigen en slepen juist zij u niet naar de rechtbank? 7Lasteren zij niet de goede Naam, Die over u is aangeroepen?

Ik weet niet precies hoe de situatie hier was, maar het wijst er zeker op dat de Joodse gelovigen om wie het hier gaat, vervolgd werden. En hun vervolgers waren kennelijk rijke mensen. De kans is groot dat het rijke Joden waren die er aanstoot aan namen dat hun familieleden of buren, die ook Joden waren, christen werden. Dit waren Joodse christenen. Wie het ook waren, rijke mannen onderdrukten hen. Hij zegt: ‘Waarom zouden jullie de kant van deze categorie mensen willen kiezen?’

Hij zegt in vers 5:

Jakobus 2:5

Luister, mijn geliefde broeders, heeft God de armen van deze wereld niet uitverkoren om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen te zijn van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben?

Dat is wat we eerder zeiden: mensen die arm zijn, zijn beter in staat om, vanwege de dringende nood in hun leven, mensen van geloof te zijn. Om op God te vertrouwen wanneer ze niet op de arm van het vlees kunnen steunen, wanneer ze niet op rijkdom kunnen steunen omdat er geen rijkdom is.

In 1 Timotheus hoofdstuk 6 zegt Paulus dat rijke mensen hier voortdurend aan herinnerd moeten worden: dat ze niet op hun rijkdom moeten vertrouwen. In 1 Timotheus 6:17 staat:

1 Timotheüs 6:17

Beveel de rijken in deze tegenwoordige wereld dat zij niet hoogmoedig zijn, en hun hoop niet gevestigd houden op de onzekerheid van de rijkdom, maar op de levende God, Die ons alle dingen in rijke mate verschaft om ervan te genieten;

Rijke mensen moet dat dus geleerd worden. Hun moet opgedragen worden niet op hun rijkdom te vertrouwen, omdat dat is wat je van nature doet.

Geldbezit en dagelijkse afhankelijkheid van God

Illustratie bij: Dagelijkse afhankelijkheid en rijkdom in geloof.

Ik vermoed dat ik jullie waarschijnlijk al eerder heb verteld over de tijd dat mijn vrouw om het leven kwam en ik een schadevergoeding kreeg van de verzekeringsmaatschappij die de vrachtwagen had verzekerd die haar had aangereden. Het was voor mij heel veel geld. Ook vandaag zou het voor mij nog heel veel geld zijn als ik het kreeg, maar toen was het voor mij nog meer, omdat ik toen veel armer leefde dan nu, en daar gelukkig mee was. Ik had nooit verwacht of zelfs maar verlangd zoveel geld te hebben. Het was eigenlijk een soort last voor me, omdat ik dacht: ‘Wat moet ik nu doen?’

Het was voor mij nooit een probleem geweest om te beslissen hoe ik mijn geld moest uitgeven, omdat er nooit veel was. Er was genoeg om mijn telefoonrekening te betalen en eten op tafel te zetten en benzine in de auto te doen en hier en daar wat weg te geven. Maar toen ik weinig geld had, hoefde ik nooit moeilijke beslissingen over rentmeesterschap te nemen. Ineens kreeg ik dat geld.

Ik heb daar heel wat lessen uit geleerd, waarvan ik er sommige in andere studies heb doorgegeven. Maar één ding waaraan dit me doet denken, en dat me heel aanschouwelijk duidelijk werd toen ik dat geld had, was hoe ik daarvoor altijd uit geloof had geleefd. En ik merkte dat ik het bijna onmogelijk vond om uit geloof te leven nu dat geld er was. Ik bedoel niet dat ik geen goede christen kon zijn en geen moreel leven kon leiden en God niet kon gehoorzamen. Maar het was moeilijk voor me om te leven met hetzelfde besef dat ik God nodig had als daarvoor. Voordat dit gebeurde, was ik maand na maand, soms week na week of dag na dag, afhankelijk van God om vanuit het niets in mijn levensonderhoud te voorzien. En God voorzag altijd.

Ik leefde in een heel nauwe relatie met God, waarin ik op Hem steunde en van Hem afhankelijk was. Dat soort vertrouwen geeft echt veel voldoening, en het brengt ons werkelijk in een positie waarin we God aan het werk kunnen zien. Maar toen ik al dat geld had, kon ik mezelf niet zien als iemand die financieel in nood zat.

Ik kon om geld bidden, maar dat had geen zin. Er was al geld. Ik hoefde me nooit echt af te vragen of ik meer moest bidden om mijn telefoonrekening te kunnen betalen of wat dan ook. Het geld was er. Het was absurd om op God te moeten vertrouwen voor mijn levensonderhoud, want Hij had al zo ruimschoots voorzien dat ik daar verscheidene jaren van kon leven.

Ik was heel blij toen dat geld op was, omdat ik dit vers begreep. Ik denk dat ik het daarvoor ook al in theorie begreep. Ik denk dat ik wist dat dit waar was. Maar ik heb echt ondervonden dat het waar is:

God heeft de armen van deze wereld uitgekozen om rijk te zijn in geloof.

Want er is een bepaald soort geloof dat alleen arme mensen kunnen hebben. Geen reddend geloof. Rijke mensen kunnen net als arme mensen reddend geloof hebben, hoewel het voor hen zelfs moeilijk is om dát te hebben. Maar het soort geloof dat dag in dag uit volledig op God steunt, is een soort geloof dat armen heel gemakkelijk en vanzelf kunnen hebben, maar dat rijken moeten ontwikkelen. Ze hebben er grote moeite mee om dat soort afhankelijkheid te kennen. Misschien is het voor hen zelfs onmogelijk.

Nu zegt hij over de armen in vers 5:

Jakobus 2:5

Luister, mijn geliefde broeders, heeft God de armen van deze wereld niet uitverkoren om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen te zijn van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben?

Dit is de tweede keer dat hij verwijst naar een belofte aan degenen die Hem liefhebben. Hij zei in vers 12:

Jakobus 1:12

Zalig is de man die verzoeking verdraagt, want als hij beproefd gebleken is, zal hij de kroon van het leven ontvangen, die de Heere beloofd heeft aan hen die Hem liefhebben.

En nu noemt hij nog een belofte, een belofte aan de armen die Hem liefhebben: dat zij het Koninkrijk zullen ontvangen.

Welke belofte heeft hij op het oog? Duidelijk Lukas 6:20:

Lukas 6:20

En toen Hij Zijn ogen opgeslagen had naar Zijn discipelen, zei Hij: Zalig bent u, armen, want van u is het Koninkrijk van God.

Precies die belofte. Lukas 6:20:

Gelukkig zijn jullie die arm zijn, want het koninkrijk van God is van jullie.

Hij zegt:

God heeft de armen uitgekozen om het koninkrijk te erven.

Maar de rijken zijn vaak vijanden van Christus. Ze zijn vaak vijanden van de christenen. Ze slepen hen voor de rechtbank. Ze lasteren de heilige Naam die over hen is aangeroepen.

En dan komen we bij vers 8, dat we later zullen behandelen.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als James 1:9 - 2:7. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.

Hoe wil je deze lezing volgen?

Je kunt deze keuze altijd wijzigen in de speler.

We onthouden je voorkeur op dit apparaat.

De lezing wordt geladen…

Beeld en tekst laden…