Leviticus lezen: offers, reinheid en een heilige God
Veel lezers lopen vast in Leviticus, tussen dierenoffers, reinheidsregels en strenge straffen. Toch staat in dit boek een boodschap die volgens Steve Gregg ook voor christenen blijft gelden: God is heilig, en Hij roept Zijn volk op om heilig te zijn.

Leviticus is voor veel bijbellezers het boek waar het lezen stokt. Na de verhalen van Genesis en Exodus volgen hoofdstukken vol voorschriften over offers, priesters, voedsel, ziekte en feesten. Er zit weinig verhaal in, en wat er is, roept vragen op.
In de twaalf Nederlandstalige lezingen over Leviticus gaat Steve Gregg die vragen niet uit de weg. Hij legt uit wat de voorschriften voor Israël betekenden, en vraagt telkens wat ze christenen nu nog te zeggen hebben.
Een handboek voor aanbidding
De inleiding begint bij de naam en de aard van het boek. In de Hebreeuwse Bijbel heet het naar de eerste woorden: ‘En Hij riep’. Gregg noemt Leviticus een handboek voor aanbidding, in de eerste plaats voor de priesters, maar ook voor het volk. Hij gaat in op de moeite die moderne lezers hebben met dierenoffers en zware straffen. Volgens hem laten deze wetten Gods onveranderlijke karakter en de ernst van de zonde zien. Hij maakt onderscheid tussen bepalingen voor Israël als verbondsvolk en rechtvaardige wetten die voor iedere samenleving waarde hebben. Jezus sprak de rechtvaardigheid van de wet niet tegen, maar riep Zijn discipelen op tot barmhartigheid en vergeving.
Offers en priesters
De eerste zeven hoofdstukken behandelt Gregg in twee delen. In het eerste deel bespreekt hij de vijf soorten offers: het brandoffer, het graanoffer, het vredeoffer, het zondoffer en het schuldoffer. Hij legt uit bij welke gelegenheden ze werden gebracht, wat er met het bloed gebeurde en wie van het offer mocht eten. Het schuldoffer vroeg ook vergoeding van de schade, met twintig procent extra.
Het tweede deel gaat over de geestelijke betekenis van die offers. God hecht meer waarde aan gehoorzaamheid, bekering, recht en barmhartigheid dan aan offers zonder een oprecht hart. De priesters en offerdieren wijzen vooruit naar Christus als Hogepriester en plaatsvervangend Offer, en gelovigen zijn zelf priesters en levende offers. Dierenoffers konden geen zonden wegnemen; door geloof in Christus is ook vergeving van opzettelijke zonden mogelijk.
In hoofdstuk 8 tot en met 10 worden Aäron en zijn zonen gewijd. Gregg ziet in de zalving met bloed en olie beelden van reiniging en van vervulling met de Heilige Geest. Bij het vreemde vuur van Nadab en Abihu legt hij uit dat aanbidding moet gebeuren op de manier die God voorschrijft. Hij benadrukt ook dat uitgesteld oordeel geen goedkeuring betekent.
Rein en onrein
Hoofdstuk 11 en 12 behandelen de voedselwetten en de reiniging na een bevalling. Gregg benadrukt dat ceremoniële onreinheid op zichzelf geen morele schuld is. De voedselwetten zonderden Israël af voor God, en volgens het Nieuwe Testament gelden ze niet langer. Bij de mogelijke geestelijke betekenis van de kenmerken van reine dieren zegt hij er uitdrukkelijk bij dat die uitleg speculatief is.
In hoofdstuk 13 tot en met 15 gaat het over melaatsheid bij mensen, kleding en huizen, en over lichamelijke vloeiingen. Rituele onreinheid beeldde volgens Gregg uit hoe zonde zich verspreidt en de relatie met God en mensen verstoort. In de reinigingsrituelen ziet hij beelden van bevrijding door het bloed van Jezus en zalving door de Heilige Geest. Hij wijst ook op de hygiënische waarde van deze wetten.
Verzoening en heiligheid
Hoofdstuk 16 en 17 beschrijven de Grote Verzoendag: de offers van de hogepriester, de reiniging van het heiligdom en de bok die de zonden wegdraagt. Aan de hand van Hebreeën 9 en 10 laat Gregg zien hoe dit ritueel in Christus wordt vervuld. Hij gaat uitvoerig in op het verschil tussen vallen in zonde uit zwakheid en bewust kiezen voor een leven in zonde, en bespreekt bij hoofdstuk 17 het verbod op het eten van bloed.
Met hoofdstuk 17 begint volgens Gregg het tweede deel van het boek. Hoofdstuk 1 tot en met 16 gaan over verzoening en reinheid, de hoofdstukken daarna over heiligheid. Hoofdstuk 18 tot en met 20 bevatten de heiligheidswetten voor het volk. Gregg besteedt veel aandacht aan seksuele moraal, die volgens hem rust op Gods gezag. Hij bespreekt ook de geboden over eerlijkheid, rechtvaardigheid en naastenliefde. Christenen moeten de straffen van hoofdstuk 20 niet uitvoeren, maar die straffen laten wel zien hoe ernstig deze zonden in Gods ogen zijn.
Hoofdstuk 21 en 22 geven bijzondere heiligheidsvoorschriften voor de priesters en de hogepriester. Gregg duidt de lichamelijke gebreken die een priester van de dienst uitsloten als beelden van geestelijke tekortkomingen, en verbindt de reinheid die nodig was om van de heilige gaven te eten met Jezus als het brood des levens.
Feesten, rust en vrijlating
In hoofdstuk 23 staat de feestkalender van Israël. Gregg verbindt het Pascha met Christus’ dood, het Eerstelingenfeest met Zijn opstanding en Pinksteren met de uitstorting van de Heilige Geest. Het Loofhuttenfeest ziet hij vooral als beeld van het huidige tijdperk van de gemeente. Over de precieze vervulling van de najaarsfeesten laat hij ruimte voor onzekerheid.
Hoofdstuk 24 en 25 behandelen onder meer de bestraffing van godslastering, het sabbatsjaar en het jubeljaar. Het land behoort God toe, en deze regels moesten voorkomen dat Israëlieten hun familiebezit en vrijheid blijvend verloren. Gregg ziet in het jubeljaar een voorafschaduwing van de bevrijding door Christus, Die als bloedverwante Losser het verloren erfdeel herstelt.
De slotlezing over hoofdstuk 26 en 27 gaat over zegen bij gehoorzaamheid en steeds zwaardere oordelen bij verbondsbreuk. Israëls landbezit was volgens Gregg voorwaardelijk. De belofte van herstel betreft de terugkeer uit de Babylonische ballingschap; wie nu tot God terugkeert, komt tot Christus in het nieuwe verbond. Het boek sluit af met voorschriften over geloften, het lossen van wat aan God gewijd is, en de tienden.
Heilig zoals Hij
Spreek tot heel de gemeenschap van de Israëlieten, en zeg tegen hen: Heilig moet u zijn, want Ik, de HEERE, uw God, ben heilig.
— Leviticus 19:2, Herziene Statenvertaling
In de inleiding noemt Gregg de heiligheid van God de voornaamste boodschap van het boek. Petrus haalt deze woorden aan voor christenen: de heilige God blijft ook in het nieuwe verbond dezelfde, en Hij verwacht nog steeds dat Zijn volk Zijn karakter weerspiegelt. Daarom is Leviticus geen afgesloten hoofdstuk, maar een boek dat ons leert wie God is.
De hele reeks over Leviticus laat zien hoe offers, reinheidswetten en feesten naar Christus wijzen, en waarom de oproep tot heiligheid blijft staan.

