2 Korinthe 10-11

Paulus verdedigt zich tegen valse apostelen

Luisteren 1 uur 37 min Lezen ± 1 uur 19 min · Lezing 8 van 9

Schrijver / bijdrager
Tijdperiode van de inhoud
Gebied
Mijn VVV

Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/2-korinthe/10-11.pdf?v=59b3d5abc1e1. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/2-korinthe/10-11.

Samenvatting

Paulus verdedigt zijn apostelschap tegenover valse apostelen in Korinthe.

Lees de volledige samenvatting

Steve Gregg bespreekt hoe Paulus zijn bediening verdedigt tegen beschuldigingen van zwakheid en vleselijke motieven. Hij legt uit dat de geestelijke wapens waarmee Paulus bolwerken afbreekt vooral dienen om door het Evangelie het denken van mensen tot gehoorzaamheid aan Christus te brengen. Ook behandelt hij het dienende karakter en de grenzen van geestelijk gezag, en waarom jezelf vergelijken met anderen geen juiste maatstaf biedt. Naar aanleiding van de gemeente als aan Christus ondertrouwde bruid betoogt hij uitvoerig dat ondertrouw even bindend hoort te zijn als het huwelijk en dat daten met wisselende partners op echtscheiding voorbereidt. Ten slotte bespreekt hij Paulus’ weigering om geld van de Korinthiërs aan te nemen en diens onwillige roemen in zijn lijden en zwakheid tegenover de valse apostelen.

De plaats van hoofdstuk 10–13 in de brief

Illustratie bij: Paulus schrijft aan de gemeente in Korinthe.

Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we 2 Korinthe 10 en 11.

Wanneer we 2 Korinthe 10 opslaan, komen we bij het gedeelte waarvan geleerden kennelijk vinden dat het niet goed past als een natuurlijke afsluiting van of aanvulling op de voorgaande hoofdstukken. Vooral vanwege de toon en sommige dingen in de inhoud vinden veel geleerden dat Paulus deze hoofdstukken niet tegelijk met de eerdere hoofdstukken geschreven kan hebben, of dat in elk geval niet heeft gedaan. Ik ben er niet zo van overtuigd dat het bewijs hiervoor dwingend is, maar de verschillende theorieën heb ik eerder in onze inleiding al besproken.

Eén theorie is dat Paulus de eerste negen hoofdstukken bij één gelegenheid schreef en zo ongeveer klaar was om de brief te versturen. Maar nieuwe informatie die hem uit Korinthe bereikte, maakte hem bezorgd over een nieuw probleem. Daarom veranderde hij volledig van toon en voegde hij deze hoofdstukken toe als een aanhangsel, of bijna als een heel nieuwe brief, over het nieuwe probleem.

Eén reden waarom men denkt dat dit oorspronkelijk geen deel van zijn brief was, is dat hij vooral de eerste zeven hoofdstukken, eigenlijk de hele eerste negen, schrijft in zo'n geest van vreugde, zo'n geest van dankbaarheid dat alles in Korinthe eindelijk goed is afgelopen. Er was daar tegenstand, maar het lijkt erop dat die nu helemaal voorbij is. De gemeente heeft bewezen Paulus trouw te zijn en heeft gedaan wat ze moest doen om de tegenstand tegen Paulus daar weg te nemen. Alles is in orde.

Maar dan voelt Paulus zich in de hoofdstukken 10 tot en met 13 heel, heel sterk gedrongen om zijn apostelschap opnieuw te verdedigen tegen bepaalde mensen die hij duidelijk beschrijft als boodschappers van satan. Hij beschrijft hen als valse apostelen. Hij gebruikt zelfs de term ‘superapostelen’, waarmee hij naar alle waarschijnlijkheid deze mensen bedoelt. Hoewel die term niet voorkomt in de vertaling die we gebruiken, gebruikt hij in het Grieks het woord ‘superapostelen’. Daardoor vermoeden veel geleerden dat hij óf sarcastisch is — deze mensen beweren apostelen te zijn, en ze beweren superieure apostelen te zijn, superieur aan Paulus, dus noemt Paulus hen sarcastisch superapostelen — óf zelfs dat ze zichzelf superapostelen noemden en dat hij hen met die woorden aanduidt.

Maar het lijkt erop dat 2 Korinthe 10 tot en met 13 geschreven zijn toen er actuele problemen waren in de gemeente van Korinthe. Die leken er in de eerdere hoofdstukken niet te zijn, of werden daarin in elk geval niet genoemd of aangeduid. De eerdere hoofdstukken geven zelfs de indruk dat zulke problemen, misschien van een minder ernstige aard, waren ontstaan en doeltreffend waren aangepakt, en nu tot het verleden behoorden in Korinthe.

Het verschil in wat de omstandigheden lijken te zijn waaronder deze hoofdstukken geschreven zijn, heeft velen dus tot de gedachte gebracht dat het misschien niet oorspronkelijk Paulus' bedoeling was om dit als deel van zijn brief op te nemen. Het kan een toevoeging of een aanhangsel zijn geweest, of een tweede brief die hij moest schrijven. Mogelijk werd die samen met de eerste brief meegestuurd met Titus, toen die de brief terugbracht naar Korinthe.

Anderen hebben gedacht dat we hier een heel andere brief hebben, geschreven bij een heel andere gelegenheid, die hier zelfs buiten de chronologische volgorde is geplaatst. Deze brief is dan óf de brief, óf in elk geval een deel van de brief, waarop Paulus in de eerdere hoofdstukken zinspeelt. In hoofdstuk 2 en in hoofdstuk 7 vermeldt Paulus dat hij een brief had geschreven. Die wordt gewoonlijk de tranenbrief genoemd, omdat hij die met groot verdriet en in diepe hartenpijn had geschreven. Daarin vroeg hij hun een situatie recht te zetten waarin zijn apostelschap kennelijk door iemand in de gemeente werd betwist.

Die brief hebben we niet. De brief waarnaar hij verwijst is óf 1 Korinthe, óf een andere brief, en de meesten geloven dat het een andere is. Het zou 1 Korinthe kunnen zijn, en er zijn nog steeds mensen die geloven dat dit zo is. Maar veel vaker stellen geleerden dat de brief waarnaar Paulus verwijst als de tranenbrief niet meer bestaat, of niet aan ons is overgeleverd. Het is niet 1 Korinthe. Het is een verloren brief.

Maar sommigen hebben gedacht dat de hoofdstukken 10 tot en met 13 een gedeelte van die brief zouden kunnen zijn. Door een of andere redactionele vergissing zou dat gedeelte, mogelijk generaties na Paulus' tijd, samen met Paulus' andere correspondentie met de Korinthiërs zijn overgeleverd. Iemand heeft het bij vergissing, of bij wijze van voorlopige keuze, of per ongeluk, of iets dergelijks, aan het einde van deze andere brief toegevoegd.

Het lijkt er inderdaad op dat de laatste woorden van 2 Korinthe 9 een passende afsluiting van een brief zouden kunnen zijn:

2 Korinthe 9:15

Ja, God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave!

Daarmee spreekt hij een soort lofprijzing uit, zoals Paulus dat aan het einde van een brief zou kunnen doen. Maar dat bewijst niet dat de brief oorspronkelijk met hoofdstuk 9 eindigde. We kunnen immers zeker vaststellen dat de hoofdstukken 8 en 9 een afgebakend gedeelte vormen, een afgebakende bespreking binnen de brief. Het einde van hoofdstuk 9 zou evengoed kunnen dienen als het einde van een gedeelte, of het einde van een afgebakende, afzonderlijke bespreking, als het einde van een volledige brief.

Ik wil me niet uitspreken voor een bepaalde theorie hierover. Er is nauwelijks reden om eraan te twijfelen dat Paulus deze hoofdstukken heeft geschreven, en ik geloof ook niet dat iemand dat ooit heeft betwijfeld. Of hij ze dus vóór of na de rest van de hoofdstukken in het boek schreef, en of dat kort erna, op hetzelfde moment of veel later was, is niet zo heel relevant. Al zou het antwoord daarop natuurlijk wat meer kleur kunnen geven aan ons beeld van de situatie. Maar de inhoud van deze hoofdstukken staat op zichzelf. Het is begrijpelijk. Het is op zichzelf leerzaam. We zullen ons dus niet al te druk maken over de theorieën over de vraag of dit oorspronkelijk op deze plaats bij de brief hoorde, of het een andere brief was, of een aanvulling op de brief, of wat dan ook. Ik vertel je alleen dat dit de dingen zijn waar geleerden over nadenken. Ik zal gewoon de inhoud van de tekst behandelen, zo goed als we kunnen.

Paulus’ zachtmoedigheid en vrijmoedigheid

Illustratie bij: Zachtmoedig spreken met de Korinthiërs.

In hoofdstuk 10 zegt hij:

2 Korinthe 10:1-2

1Ik nu, Paulus zelf, roep u op door de zachtmoedigheid en welwillendheid van Christus — ik, die volgens sommigen in uw tegenwoordigheid wel schuchter ben, maar in mijn afwezigheid flink tegen u doe — 2ja, ik smeek u dat ik, wanneer ik aanwezig ben, niet flink hoef te doen met de vrijmoedigheid waarmee ik meen het te moeten opnemen tegen sommigen die van mening zijn dat wij naar het vlees wandelen.

Dat spreken over vrijmoedig optreden verwijst naar kritiek die hij van zijn tegenstanders in Korinthe heeft gekregen. We weten dat die kritiek met precies die woorden wordt geuit, of in elk geval met woorden die er sterk op lijken. Want hij citeert zijn critici in vers 10 van ditzelfde hoofdstuk. Hij zegt:

2 Korinthe 10:10

Want zijn brieven — zegt men — zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn lichamelijke aanwezigheid is zwak en zijn spreken is verachtelijk.

Dat is een citaat van wat zijn critici over hem zeggen.

Hij heeft geruchten gehoord dat iemand in Korinthe hem ervan beschuldigt dat hij nogal een slapjanus is als hij persoonlijk aanwezig is, maar vervolgens de stoere kerel uithangt als hij een brief terugschrijft. Hij heeft niet genoeg moed om ons deze dingen recht in het gezicht te zeggen, maar als hij de stad uit is, zal hij zijn gal over ons spuwen. Als hij naar de stad komt, is hij echt laf en zwak en maakt hij niet de minste indruk.

Met een verwijzing naar die kritiek beschrijft hij zichzelf in vers 1 als volgt:

Ik smeek jullie zelf, ik die zo bescheiden ben als ik bij jullie ben, maar zo fel tegen jullie ben als ik er niet ben.

Daar heb je dat contrast, die tweedeling tussen zijn gedrag wanneer hij bij hen aanwezig is en zijn gedrag wanneer hij niet bij hen is.

Hij ontkent niet dat er enige waarheid in die bewering zit. Misschien beroemt hij zich hier zelfs wel op: als ik bij jullie ben, ben ik nederig, en ik ben vrijmoedig als ik niet bij jullie ben. [Vertalersnoot: de spreker leest in zijn Engelse vertaling ‘lowly’, hier weergegeven als ‘nederig’. Het bovenstaande HSV-citaat heeft ‘volgens sommigen ... schuchter’.] Maar de reden daarvoor is dat ik jullie geen schade wil berokkenen. En ik wil niet even vrijmoedig hoeven op te treden wanneer ik bij jullie ben als wanneer ik niet bij jullie ben. Als ik niet bij jullie ben, hoor ik slechte berichten over jullie en moet ik strenge brieven schrijven. Als ik bij jullie ben, ben ik liever zachtmoedig.

Hij zegt:

Ik smeek jullie om ervoor te zorgen dat ik, als ik bij jullie ben, niet zo fel hoef op te treden als ik van plan ben tegen sommigen te doen.

Dat is vers 2. Met andere woorden: jullie denken misschien dat ik niet in staat ben om vrijmoedig op te treden, of daar niet genoeg moed voor heb. Nou, ik ben wel degelijk van plan om tegenover sommigen vrijmoedig op te treden. Als ik kom, heb ik tegen sommige mensen daar harde dingen te zeggen. Ik wil dat eigenlijk niet tegen de hele gemeente hoeven zeggen. Daarom stuur ik van tevoren vrijmoedige brieven, om jullie geweten wakker te schudden, om jullie tot inkeer te brengen. Dan hoef ik, wanneer ik kom, niet zo vrijmoedig tegenover jullie op te treden. Ik ben wel degelijk van plan om zelfverzekerd en vrijmoedig op te treden tegenover een paar mensen daar die problemen veroorzaken. Dat ben ik van plan. Dat zijn de mensen die over ons denken alsof wij naar het vlees wandelen.

De verschillende betekenissen van vlees

Illustratie bij: Samen zoeken naar de betekenis van Paulus’ woorden.

Dit is nu ongeveer de derde of vierde keer in 2 Korinthe dat we Paulus de uitdrukking ‘naar het vlees’ zien gebruiken. En elke keer heb ik gezegd dat het moeilijk is om te weten wat hij bedoelt, om de eenvoudige reden dat ‘naar het vlees’ in verschillende verbanden verschillende dingen betekent. Wanneer Paulus in Romeinen hoofdstuk 1 zegt dat Christus naar het vlees uit het nageslacht van David was, betekent ‘naar het vlees’ daar gewoon Zijn natuurlijke afstamming.

Wanneer Paulus in Romeinen 8:4 zegt:

Romeinen 8:4

opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

betekent ‘naar het vlees’ daar iets anders. Het heeft niets met afstamming te maken. Het gaat om de kracht die ons in staat stelt om een heilig leven te leiden. Het is niet de kracht van het vlees; het is de kracht van de Geest. We wandelen niet door de kracht van het vlees en alleen maar menselijke wilskracht en persoonlijke vastberadenheid, maar we wandelen door de kracht van de Heilige Geest.

Er zijn ook nog andere manieren waarop hij die uitdrukking gebruikt. Eerder zei hij:

2 Korinthe 5:16

Zo kennen wij vanaf nu niemand naar het vlees; en al hebben wij Christus naar het vlees gekend, dan kennen wij Hem nu zo niet meer.

Dat zijn we eerder in 2 Korinthe tegengekomen. Wat betekent dat, ‘naar het vlees’? Ik heb gezegd dat de meeste vertalers en uitleggers er tamelijk van overtuigd zijn dat Paulus bedoelt dat we mensen niet naar wereldse maatstaven beoordelen. En ik denk dat ze waarschijnlijk gelijk hebben. We beoordelen hen niet op grond van wereldse overwegingen.

Maar we zijn deze uitdrukking, ‘naar het vlees’ of ‘overeenkomstig het vlees’, al tegengekomen met verschillende betekenissen. Het woord ‘vlees’, sarx in het Grieks, wordt op zo veel verschillende manieren gebruikt. Niet alleen als woord op zichzelf, maar ook in combinatie met uitdrukkingen die Paulus gebruikt en die een figuurlijke betekenis hebben. Het is niet altijd duidelijk wat hij bedoelt. We weten dat mensen dachten dat Paulus in het vlees wandelde, maar hoe is dat precies bedoeld? Wat was precies hun kritiek op hem? Dat weten we niet zeker. Maar misschien geeft hij wel een aanwijzing in vers 3, wanneer hij zegt:

Leven in het vlees, strijden door de Geest

Illustratie bij: Lichamelijk kwetsbaar en geestelijk standvastig.
2 Korinthe 10:3

Want al wandelen wij in het vlees, wij voeren geen strijd naar het vlees.

Hij werd ervan beschuldigd dat hij naar het vlees wandelde. Welnu, we wandelen inderdaad in het vlees, maar we voeren geen strijd naar het vlees. Wanneer hij zegt:

We leven inderdaad als gewone mensen, bedoelt hij waarschijnlijk niets anders dan dat we lichamelijke wezens zijn. We hebben vlees. We leven ons leven in een lichaam.

In sommige christelijke kringen worden de uitdrukkingen ‘in het vlees’ en ‘in de geest’ tegenwoordig vaak gebruikt om te verwijzen naar iemands geestelijke toestand op een bepaald moment. ‘Ik was daar even in het vlees. Die man irriteerde me. Ik raakte echt helemaal in het vlees en ik heb hem uitgefoeterd. Maar nu ben ik echt in de geest.’ Het heeft meer te maken met het subjectieve gevoel dat je op een bepaald moment op een vleselijke of een geestelijke manier handelt. Dat is binnen het hedendaagse christendom een heel gangbare manier om in de omgangstaal te spreken over in het vlees of in de geest zijn. Ik weet niet zeker of het in de Schrift ooit op die manier wordt gebruikt.

Wanneer Paulus zegt:

Ook al leven we als gewone mensen, bedoelt hij daarmee beslist niet wat wij zouden verwachten dat iemand bedoelt als die zegt: ‘Nou, ik wandelde vandaag echt in het vlees.’ Wandelen in het vlees moet hier wel betekenen dat we gebonden zijn aan een lichamelijk bestaan. Het woord sarx betekent in zijn primaire betekenis inderdaad een lichaam. Het heeft daarnaast figuurlijke betekenissen, maar hier bedoelt hij het vrijwel zeker letterlijk. Zij denken dat we naar het vlees handelen. Welnu, we wandelen inderdaad in het vlees, maar we voeren geen strijd naar het vlees.

Volgens mij lijkt ‘vlees’, telkens wanneer Paulus het een bijzondere betekenis geeft — en dat doet hij vaak — te doelen op de menselijke toestand in zijn natuurlijke staat. Met alle kenmerken van die gevallen staat, alle beperkingen en vermogens van die gevallen staat, enzovoort. Ik denk dat Paulus misschien zegt dat we natuurlijk in een lichaam leven dat zijn beperkingen heeft. Maar de geestelijke strijd die we voeren, wordt niet begrensd door die vleselijke beperkingen. We vertrouwen niet op vleselijke macht of vleselijke kracht om te bereiken wat we proberen te bereiken.

De beschuldiging van menselijke manipulatie

Illustratie bij: Wantrouwen tegenover Paulus’ bedoelingen.

Blijkbaar was de beschuldiging tegen hem dat hij zoiets deed: dat hij de Korinthiërs beïnvloedde met zijn eigen vleselijke charisma, met zijn eigen vleselijke sluwheid waarmee hij mensen manipuleerde. Misschien werd het zelfs als bewijs van zijn manipulatie beschouwd dat hij vrijmoedig is wanneer hij afwezig is. Dan weet hij immers dat mensen overdonderd zullen zijn en niet persoonlijk kunnen reageren op iemand die hun een brief schrijft, en dat die brief hen zal raken. Maar wanneer hij er is, manipuleert hij meer. Dan is hij aardiger en vriendelijker en zet hij een ander gezicht op.

Verderop, in hoofdstuk 12 en vers 16, wordt iets in die richting gesuggereerd. Paulus zegt:

2 Korinthe 12:16

Maar het zij zo. Ik heb u in ieder geval niet belast. Maar, listig als ik ben, heb ik u met bedrog gevangen.

Met ‘belast’ bedoelt hij financieel belast. Wanneer hij zegt:

Ik was slim en heb jullie met een list te pakken gekregen, spreekt hij sarcastisch. Hij bedoelt niet dat hij hen werkelijk met bedrog gevangen heeft. Hij bedoelt veeleer dat dit naar alle waarschijnlijkheid is wat sommigen over hem zeggen. Dat hij hen met zijn bedrog, met zijn misleiding, heeft ingepalmd. En dat hij, welke invloed hij ook in de gemeente heeft gehad en welke positieve indruk hij ook op hen heeft gemaakt, dat niet in de geest maar in het vlees heeft gedaan.

Dat wil zeggen: hij is een slimme man, die Paulus. Hij is goed opgeleid. Hij is een redenaar. In zijn vroegere leven was hij een jongeman met een hoge positie, die op een of andere manier verbonden was aan het Sanhedrin. Hij kwam uit een rijke familie, te oordelen naar zijn Romeinse burgerrecht. Die man heeft naar het vlees heel wat mee. En zulke mensen zijn er dertien in een dozijn. Ze hebben een enorme invloed op mensen als ze goed kunnen spreken, als ze zich goed weten te presenteren, als ze sluw zijn, enzovoort.

Blijkbaar was een van de punten van kritiek op Paulus, of een van de beschuldigingen, dat hij alles wat hij had gedaan om de gemeente te stichten en mensen ertoe te bewegen behouden te worden en dat alles, eigenlijk zonder de Bijbel had gedaan, zonder de zalving of de goedkeuring van de Geest. Hij deed het gewoon uit eigen kracht en met zijn eigen vleselijke begaafdheden als redenaar of als sluwe Jood.

Hij zegt dat ze misschien denken dat het zo zit. En hoewel het waar is dat we wel een vleselijke kant hebben, dat we in een lichaam zijn — we gaan niet zeggen dat we zuivere geesten zonder lichaam zijn — is de strijd die wij voeren toch werkelijk een geestelijke strijd, geen lichamelijke. We vertrouwen niet op lichamelijke kracht, lichamelijke wijsheid of sluwheid om te volbrengen waarvoor we hier zijn. Hij zegt:

2 Korinthe 10:3

Wij voeren geen strijd naar het vlees.

Geestelijke wapens breken bolwerken af

Illustratie bij: Het Evangelie krijgt gehoor in Korinthe.

Vers 4:

2 Korinthe 10:4

De wapens van onze strijd zijn immers niet vleselijk, maar krachtig door God, tot afbraak van bolwerken.

Het Engelse woord ‘carnal’ betekent ‘vleselijk’.

2 Korinthe 10:5-6

5Want wij breken valse redeneringen af en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, en wij nemen elke gedachte gevangen om die te brengen tot de gehoorzaamheid aan Christus, 6en wij staan gereed om elke ongehoorzaamheid te bestraffen, zodra uw gehoorzaamheid volkomen zal zijn.

Wat brengen de wapens van zijn strijd nu tot stand? Ongetwijfeld somt hij de dingen op die hij in zijn bediening daadwerkelijk tot stand heeft gebracht. Eerder werd hij ervan beschuldigd die naar het vlees te hebben gedaan. Hij zegt: ‘Nee, dit gebeurt door geestelijke wapens, niet door vleselijke wapens.’

Wat had Paulus gedaan?

Dit is duidelijk een militaire beeldspraak die aansluit bij het spreken over wapens en oorlog voeren. Paulus hield zich niet bezig met het gebruik van fysieke wapens of met enige fysieke oorlog. Maar hij moet doelen op een of andere vorm van geestelijke bolwerken. Persoonlijk denk ik dat hij doelt op zijn gewone werkzaamheden in de bediening, waarvan de Korinthiërs een gedeelte hadden gezien en meegemaakt.

Paulus was naar Korinthe gekomen. Hij had er een gemeente gesticht. Hij legde daar een fundament waar niemand dat eerder had gedaan. Hij diende daar achttien maanden en hield de gemeente overeind. Er werden wonderen gedaan, enzovoort. Maar hij stuitte op geweldige geestelijke tegenstand. Volgens mij zijn dat de bolwerken waarop hij doelt.

Korinthe is een heel verdorven stad. De tempel van Aphrodite stond in Korinthe en had daar duizend tempelprostituees. Er was veel afgoderij, veel ontucht in de stad, veel demonisme, zoals in het grootste deel van de heidense wereld. Paulus was daar binnengekomen, en Korinthe was, net als veel andere steden waar hij was gekomen, als een bolwerk. De vijand ziet de waarheid aankomen en wil niet wijken, en toch wint Paulus. Paulus brengt hier mensen tot bekering, niet met welsprekendheid, zoals hij heel duidelijk aangaf in 1 Korinthe.

1 Korinthe 2:4

En mijn spreken en mijn prediking bestonden niet in overtuigende woorden van menselijke wijsheid, maar in het betonen van geest en kracht,

Het neerhalen van bolwerken hier slaat dus volgens mij op het overwinnen van de tegenstand tegen zijn opmars. Hij komt als aanvaller voor Christus het gebied van de vijand binnen. En de muren van de vijand, hoe geestelijk ze ook zijn, staan daar en bieden hem weerstand. Ze proberen hem te verhinderen binnen te komen en die stad voor Christus te veroveren. Maar hij overwint ze. Hij heeft die bolwerken als het ware neergehaald door geestelijke middelen, door de zalving van de Heilige Geest in zijn leven, in plaats van door zijn vleselijke inspanningen. Zowel de gezalfde prediking als de zalving in de wonderen die hij deed, waren de bovennatuurlijke wapens waardoor deze muren vielen. Daarom hebben we bekeerlingen in Korinthe. We hebben een gemeente in Korinthe omdat die bolwerken van de vijand zijn afgebrokkeld.

Redeneringen tegen God neerhalen

Illustratie bij: Paulus bespreekt tegengestelde redeneringen.

Daarnaast zien we dat de bediening van Paulus ook het neerhalen van redeneringen omvat. In de King James stond altijd ‘casting down imaginations’, oftewel ‘verbeeldingen neerhalen’. En ik vond het altijd jammer dat de New King James dat veranderde, omdat ik het woord ‘imaginations’ mooi vond. Maar als je andere vertalingen raadpleegt, lijkt ‘arguments’, oftewel ‘redeneringen’, de juiste vertaling te zijn. Daarom heeft de New King James het veranderd.

Er zijn veel hoogten die zich verheffen tegen de kennis van God, vooral hoogdravende filosofieën, antichristelijke godsdiensten. Dit zijn verheven, zeer gerespecteerde culturele instellingen die iemand, zolang hij eraan vasthoudt, verhinderen christen te worden. Deze dingen moeten neergehaald worden. Ze moeten uitgeschakeld worden. Er zijn redeneringen van de Griekse filosofen die Paulus op zijn reizen tegenkwam. Hij redetwistte met hen op straat, enzovoort, maar hij haalde hun redeneringen neer. Hij brak de kracht van de tegengestelde filosofieën, enzovoort, toen hij naar Korinthe kwam. Dit is wat hij zegt dat hij heeft gedaan.

Hij deed dit niet simpelweg omdat hij een scherpe kerel was met een goede opleiding en een vlotte tong. Dat hij de tegengestelde redeneringen neerhaalde, kwam tot stand door de Geest van God, niet door zijn redenaarstalent. Dat zou het vlees zijn. En hij zegt dat het uiteindelijke resultaat is:

2 Korinthe 10:5-6

5Want wij breken valse redeneringen af en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, en wij nemen elke gedachte gevangen om die te brengen tot de gehoorzaamheid aan Christus, 6en wij staan gereed om elke ongehoorzaamheid te bestraffen, zodra uw gehoorzaamheid volkomen zal zijn.

Geestelijke strijd als innerlijke worsteling

Illustratie bij: Een gelovige onderzoekt zijn eigen gedachten.

Ik heb vaak onderwijs over geestelijke strijd gehoord. Natuurlijk is dat onderwijs heel populair, in elk geval in charismatische kringen en soms ook daarbuiten. Er wordt tegenwoordig veel gesproken over geestelijke strijd. Er zijn een paar passages die onvermijdelijk gebruikt zullen worden, omdat er nu eenmaal maar een beperkt aantal passages in het Nieuwe Testament is dat militaire beelden of oorlogsbeelden gebruikt om over het christelijke leven en de christelijke dienst te spreken. Je kunt er dus op rekenen: wanneer iemand geestelijke strijd enigszins uitvoerig behandelt, zal hij die kernpassages bespreken. Een daarvan is natuurlijk Efeze 6, over de wapenrusting van God. Een andere die vrijwel zeker gebruikt zal worden, is deze.

Ik heb heel veel onderwijs over geestelijke strijd gehoord dat op deze passage gebaseerd was. Maar het meeste wat ik gehoord heb, lijkt ervan uit te gaan dat geestelijke strijd voornamelijk een verdedigende bezigheid is. Dat wil zeggen: je bevindt je in een vijandige wereld. Je moet je heiligheid en je reinheid bewaren, je wandel met God onderhouden. Aan alle kanten zijn er verleidingen. De duivel komt op je af. Hij brengt

1 Johannes 2:16

Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.

en daar sta jij dan, klein en hulpeloos, zonder God volkomen machteloos tegenover die dingen. Daarom moet je een bolwerk oprichten en je schild van het geloof opheffen, enzovoort. Dat is allemaal waar. Maar door die nadruk op verdediging heb ik mensen dit vers doorgaans zo horen uitleggen, waar staat:

We nemen elke gedachte gevangen en maken die gehoorzaam aan Christus.

Meestal wordt onderwezen dat dit gaat over het gevangen nemen van mijn gedachten om ze aan Christus te onderwerpen. De strijd die ik voer, is erop gericht mijn gedachten rein te houden, mijn gedachten gehoorzaam te houden en al mijn gedachten in de juiste denkrichting te brengen. Deze strijd is uitsluitend een innerlijke worsteling, en wat er bij die strijd op het spel staat, zijn mijn verstand en mijn gedachten. Dus wanneer de duivel argumenten tegen mij aanvoert, wanneer de duivel bolwerken in mijn leven heeft, moeten de geestelijke wapens worden ingezet om die bolwerken af te breken en die argumenten omver te halen. Ik moet elk van mijn gedachten tot gehoorzaamheid aan Christus brengen.

Het denken van anderen voor Christus winnen

Illustratie bij: Mensen worden vrijwillig gewonnen voor Christus.

Nu wil ik op geen enkele manier de indruk wekken dat ik er niet in geloof dat je al je gedachten gevangen moet nemen om ze aan Christus te onderwerpen. Daar geloof ik wel in. Maar als ik Paulus lees, krijg ik de indruk dat hij het niet heeft over hoe machtig zijn wapens zijn om zijn eigen gedachten gevangen te nemen. Dat kan ook waar zijn, maar ik geloof niet dat hij het daarover heeft. Hij heeft het over de uitwerking die hij op Korinthe en op andere steden heeft gehad. Hij beschrijft zijn bediening in het algemeen en hoe hij de dingen tot stand brengt die hij doet. Hij doet dat niet door de kracht van het vlees; hij doet het door de kracht van de Geest.

Zijn bediening en de resultaten van zijn bediening houden in dat het denken van mensen tot gehoorzaamheid aan Christus wordt gebracht. De bolwerken van de vijand die mensen in hun opstand tegen God in de duisternis hadden gehouden, zijn afgebrokkeld. De argumenten en de hoogten die zich ertegen verhieven dat deze mensen de kennis van God zouden erkennen, zijn door de bediening van Paulus omvergehaald. De gedachten van mensen die eens alleen op zichzelf en op satan gericht waren, enzovoort, zijn nu tot gehoorzaamheid aan Jezus Christus gebracht.

Wat ik hier bemoedigend aan vind, is dat dit eigenlijk een veel hogere verwachting geeft van wat er door geestelijke strijd kan worden bereikt. Als ik het alleen zo opvat dat Paulus mij vertelt hoe ik persoonlijke verleiding kan overwinnen en mijn denken op het juiste spoor kan houden, dan is dat goed; dat is bemoedigend. Dat heb ik nodig. Dat wil ik. Ongetwijfeld hebben we van God middelen gekregen die toereikend zijn om dat te bereiken. Maar zelfs als ik dat geloof, is het moeilijk te geloven dat wat ik doe het denken van andere mensen gevangen kan nemen om hen gehoorzaam te maken aan Jezus Christus. Daar zou meer voor nodig zijn dan mijn eigen denken bij te sturen, lijkt mij, want ik kan voor mezelf keuzes maken. Ik kan kiezen wat ik ga denken. Hoe kan ik kiezen wat iemand anders gaat denken? Hoe kan ik hen, zonder hen te dwingen, zonder hen te martelen of wat dan ook, ertoe brengen het juiste te doen?

Geestelijke wapens veranderen overtuigingen

Illustratie bij: Paulus blijft vrijmoedig spreken in gevangenschap.

Dat is het wonderbaarlijke. Dat is de heerlijkheid en de kracht die verbonden zijn aan de wapens die machtig zijn door God, die van ons zijn en die beter zijn dan vleselijke wapens. Vleselijke wapens, lichamelijke wapens, zijn vaak door dictators en tirannen en veroveraars gebruikt om te proberen binnen hun rijk iedereen in het gelid te krijgen, nieuwe landen te veroveren en onder hun heerschappij te brengen, en ervoor te zorgen dat trouw aan henzelf zou heersen in de harten van al degenen die ze overwonnen hadden. Maar het werkt niet echt.

Met lichamelijke wapens kun je mensen uiterlijk onderwerpen. Je kunt ze zelfs in de gevangenis zetten, maar stenen muren en ijzeren tralies maken nog geen gevangenis. Iemand kan gevangenzitten, terwijl zijn denken nog steeds vrij is om in opstand te komen en vrij is om de voorwaarden van zijn gevangennemers af te wijzen. Paulus zat zelf in de gevangenis toen hij Filippenzen schreef. Hij zat in Rome in de gevangenis en hij beschrijft zichzelf als Gods gevangene. In 2 Timotheüs 2:9 zegt hij:

2 Timotheüs 2:9

Daarvoor lijd ik verdrukkingen en draag zelfs boeien als een misdadiger. Maar het Woord van God is niet gebonden.

De activiteiten van Paulus in denken en spreken zijn geen haar veranderd doordat zijn lichaam achter de tralies is gezet.

Met lichamelijke gevangenissen en lichamelijke wapens kun je het denken van mensen niet gevangen nemen. Dat kan niet. Je kunt hen martelen en intimideren, en tegenwoordig zelfs verdovende middelen toedienen en van alles doen om hen onder dwang en marteling te laten zeggen wat je wilt dat ze zeggen. Maar je kunt er niet voor zorgen dat dat werkelijk hun overtuiging wordt. Je kunt hun denken niet werkelijk veranderen door marteling. Je kunt hen alleen door intimidatie zover krijgen dat ze zeggen wat je wilt dat ze zeggen. Maar de wapens van onze strijd brengen daadwerkelijk tot stand wat geen enkel lichamelijk wapen ooit heeft kunnen doen. Ze nemen het denken gevangen, zodat mensen vrijwillig gehoorzaam worden aan Jezus Christus.

Het Evangelie is het voornaamste wapen dat Paulus gebruikt, het Woord van God. Hij noemt het in Efeze, hoofdstuk 6, vers 17:

Efeze 6:17

En neem de helm van de zaligheid en het zwaard van de Geest, dat is Gods Woord,

Er zijn natuurlijk ook andere wapens. Voorbede wordt in de Schrift zeker behandeld als iets dat kracht heeft tegen de vijand en in zekere zin een wapen is. Paulus noemt dat zelfs bij de wapenrusting van God in Efeze 6:18; hij noemt het gebed. Lofprijzing is iets anders waarvan soms wordt gezegd dat het kracht heeft als wapen, enzovoort.

Maar wat Paulus zegt, is dat hij geen toevlucht neemt tot aardse en vleselijke strategieën om te bereiken wat hij probeert te bereiken. Bij wat hij tot stand brengt, is er weerstand. Daarom wandelt hij niet alleen, maar voert hij oorlog. Zij beweren dat hij naar het vlees wandelt. Hij leeft inderdaad in het vlees, maar hij voert oorlog naar de Geest. En die oorlogvoering geeft aan dat het niet zomaar een gemakkelijke wandeling is. Je krijgt te maken met tegenstand en met bolwerken die overwonnen moeten worden, en hij doet dat. Hij doet dat, maar niet zoals Alexander de Grote het deed, niet zoals Hitler het deed, of welke grote veroveraar dan ook. Hij doet het met geestelijke wapens.

Paulus beoordelen op zijn uiterlijk

Illustratie bij: Een bescheiden verschijning met opbouwend gezag.

Nu zegt hij in vers 7:

2 Korinthe 10:7

Kijkt u alleen naar het uiterlijk? Als iemand er voor zichzelf van overtuigd is dat hij van Christus is, laat hij dan ook dit bij zichzelf bedenken: dat zoals hij zelf van Christus is, zo ook wij van Christus zijn.

Met andere woorden, beoordelen jullie mij op grond van hoe ik op jullie overkom? Als ik bij jullie ben, kom ik zwak over. Is dat hoe jullie mij beoordelen?

2 Korinthe 10:8-9

8Want ook als ik mij nog meer zou beroemen op onze volmacht, die de Heere ons gegeven heeft tot opbouw en niet tot uw afbraak, dan zou ik nog niet beschaamd worden. 9Dit zeg ik om niet de schijn te wekken dat ik u door de brieven schrik wil aanjagen.

Dat klinkt een beetje sarcastisch:

‘Zodat het niet lijkt alsof ik jullie met mijn brieven bang wil maken.’ En daar laat hij onmiddellijk dit citaat op volgen:

2 Korinthe 10:10

Want zijn brieven — zegt men — zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn lichamelijke aanwezigheid is zwak en zijn spreken is verachtelijk.

Dus hij zegt: ‘Ik wil echt niet de indruk wekken dat ik jullie met brieven angst aanjaag, met die vrijmoedige en angstaanjagende brieven van mij. Daarom wil ik in deze brief duidelijk maken dat ik mijn gezag niet zo gebruik dat ik jullie schade berokken. Ik probeer jullie niet te overheersen, uit te buiten of op welke manier dan ook kwaad te doen, hoewel ik wel degelijk gezag heb.’

God heeft ons gezag over jullie gegeven, zegt hij:

‘Het gezag dat de Heer ons heeft gegeven.’ Maar dit gezag dat wij hebben, is niet bedoeld om jullie te gronde te richten, kwaad te doen of op welke manier dan ook te intimideren. Ons gezag heeft tot doel jullie op te bouwen.

Gezag om te dienen en op te bouwen

Illustratie bij: Paulus oefent gezag uit door te dienen.

Dit staat tegenover de manier waarop zijn tegenstanders gezag uitoefenen. Dat kunnen we zien in hoofdstuk 11. Paulus beschrijft hoe zijn tegenstanders in Korinthe hun bediening uitoefenen. Hij zegt in hoofdstuk 11, vers 18:

2 Korinthe 11:18-20

18Omdat velen roemen naar het vlees, zal ik ook eens roemen. 19Want u verdraagt met genoegen de dwazen; u bent immers zo wijs? 20Want u verdraagt het, als iemand u tot slaven maakt, als iemand u verslindt, als iemand het uwe afneemt, als iemand zich boven u verheft, als iemand u in het gezicht slaat.

Dit is een beschrijving, misschien eerder figuurlijk dan letterlijk, van hoe de leiders van de Korinthiërs die zich tegen Paulus keerden, zich gedroegen. Ze verhieven zichzelf. Ze brachten de gemeente in slavernij. Ze verslonden hen. Het is alsof ze hen in het gezicht slaan. Dit zijn geen zachtmoedige leiders. Ze beweren ongetwijfeld dat ze een of ander gezag van God hebben en dat ze daarom de gemeente onder de voet mogen lopen.

Er zijn in de gemeente in elk tijdperk altijd leiders die hun gezag zo lijken op te vatten. Maar Paulus beschrijft zijn gezag daarentegen in hoofdstuk 10, vers 8, als:

‘Niet om jullie kapot te maken.’ God heeft mij geen gezag gegeven om misbruik van jullie te kunnen maken of jullie kwaad te kunnen doen. Hij deed het zodat ik jullie kon opbouwen, jullie kon stichten. Dat is wat hij in dat laatste vers van hoofdstuk 1 zei:

2 Korinthe 1:24

Niet dat wij heersen over uw geloof, maar wij zijn medearbeiders aan uw blijdschap, want u staat vast door het geloof.

Paulus zag gezag in de gemeente niet als een vorm van heersen in de betekenis die we gewoonlijk aan dat woord geven, maar als dienen.

2 Korinthe 10:10

Want zijn brieven — zegt men — zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn lichamelijke aanwezigheid is zwak en zijn spreken is verachtelijk.

Paulus zegt in vers 11:

2 Korinthe 10:11

Laat zo iemand dit bedenken: zoals wij zijn in het spreken door brieven wanneer wij afwezig zijn, zo zijn wij ook in het doen wanneer wij aanwezig zijn.

Met andere woorden, jullie zeggen dat wij alleen vrijmoedig zijn in onze woorden, maar dat we, telkens als we hier zijn, erg slap zijn. Reken daar maar niet op. Zoveel geluk hebben jullie niet. Als we komen, zullen we net zo vrijmoedig en streng tegen jullie zijn als we in onze brieven lijken te zijn. Of in elk geval tegen degenen die deze dingen zeggen. We zijn niet dubbelhartig en we hebben geen twee gezichten. We zijn zo zachtmoedig als de omstandigheden toelaten en zo vrijmoedig als de omstandigheden vereisen. Als dat er voor jullie uitziet als veinzerij, als dat er uitziet als huichelarij, als dat er uitziet alsof we twee gezichten hebben, dan zal ik jullie tegemoetkomen. Ik zal net zo vrijmoedig en streng tegen jullie zijn wanneer ik bij jullie ben als ik in mijn brieven lijk te zijn.

Jezelf aanbevelen door onderlinge vergelijking

Illustratie bij: Leiders prijzen zichzelf tegenover elkaar.

Vers 12 zegt:

2 Korinthe 10:12

Want wij durven ons niet te rekenen onder, of te vergelijken met sommigen die zichzelf aanbevelen; maar door zichzelf af te meten aan zichzelf, en zichzelf te vergelijken met zichzelf, zijn zij bepaald niet verstandig.

Hij geeft ons hier duidelijk een beeld van hoe zijn tegenstanders zijn. Ze bevelen zichzelf aan. Paulus heeft zichzelf in deze brief natuurlijk ook wel enigszins aanbevolen, hoewel hij steeds zegt:

2 Korinthe 5:12

Want wij bevelen onszelf niet opnieuw bij u aan, maar wij geven u een aanleiding tot roem over ons, opdat u iets te zeggen zou hebben tegen hen die in het uiterlijke roemen en niet in wat er in het hart leeft .

Maar deze mensen spreken blijkbaar heel veel over hun eigen kwalificaties. En om jezelf aan te bevelen, moet je de indruk wekken dat er iets goeds aan je is.

Maar wil er iets goeds aan je zijn, dan moet er een bepaalde maatstaf zijn waarmee goedheid, bewonderenswaardigheid of aanzien wordt gemeten. Als iemand zich boven anderen wil verheffen en wil zeggen dat hij hun meerdere is, moet er een bepaalde maatstaf zijn waarmee hij die superioriteit meet. En deze mensen meten blijkbaar naar de maatstaf van elkaar. Ze meten, zo staat er:

ze meten zichzelf aan zichzelf en vergelijken zichzelf met elkaar.

Dat is heel kenmerkend menselijk gedrag. Dat is wat mensen normaal gesproken doen. Het is niet erg verstandig. Paulus zegt dat ze, door dat te doen, niet wijs zijn. Christenen zouden dat nooit moeten doen, maar het is begrijpelijk dat iedereen die zichzelf als meerdere wil beschouwen, de meerdere van iets anders moet zijn. Hij moet een bepaalde schaal hebben waarop die superioriteit wordt gemeten.

Over het algemeen is de gemakkelijkste schaal voor iemand die een hoge dunk van zichzelf wil hebben, een groep mensen boven wie hij uitsteekt. Hij moet selectief zijn, want als je te ver rondkijkt, vind je altijd mensen voor wie je onderdoet. Sommige mensen zijn graag de grote vis in de kleine vijver, want hoe kleiner de vijver, hoe minder grote vissen er zijn. In een grote vijver zou hij misschien niet de grootste vis zijn.

Toch zijn er mensen die hun aanzien ontlenen aan het feit dat ze iets hebben bereikt, of iets doen wat de gemiddelde persoon in de gemeente niet doet. Daar halen ze hun gevoel van eigen belangrijkheid uit en daarop baseren ze de kwalificaties voor hun bediening. Misschien vasten ze vaker. Misschien houden ze zich strikter aan de wet, zoals de Farizeeën deden. Misschien hebben ze een talent dat de gemeente bijzonder bewondert, of een bepaalde gave. Omdat ze dit hebben, waardoor ze boven hun kudde als geheel uitsteken, vinden ze zichzelf beter en bevelen ze zichzelf daarmee aan.

Christus als maatstaf voor ons leven

Illustratie bij: De woorden van Jezus als maatstaf.

Maar jezelf met andere mensen vergelijken is niet wijs. Er zijn verschillende redenen waarom het niet wijs is. Eén reden is dat dit eenvoudigweg niet de maatstaf is die God zal gebruiken om ons te oordelen. Als we voor God staan, zal God ons niet beoordelen door onze prestaties af te zetten tegen die van de mensheid als geheel. We zullen beoordeeld worden op grond van wat Jezus is. Jezus is de maatstaf. Jezus zei:

Johannes 12:48

Wie Mij verwerpt en Mijn woorden niet aanneemt, heeft iets wat hem veroordeelt, namelijk het woord dat Ik gesproken heb; dat zal hem veroordelen op de laatste dag.

Als we de woorden van Jezus kennen, dan zal dat de maatstaf zijn waarnaar we beoordeeld zullen worden.

Misschien doen we het beter dan veel mensen, maar vergeleken met Jezus doen we het heel slecht. Iemand kan erg trots op zichzelf gaan worden als hij een beetje godsdienstiger, een beetje vromer is dan gemiddeld. Maar dat betekent niet dat hij iets heeft wat hij werkelijk als een grond voor zijn eigenwaarde zou moeten beschouwen. Want als hij voor God staat, zullen de maatstaven veranderd zijn. De lat wordt wat hoger gelegd.

Ik herinner me een man die ik vroeger kende. Hij is inmiddels bij de Heere, een oudere broeder. Hij kwam altijd op mij over als een van de nederigste mannen in mijn kennissenkring. Hij leek gewoon werkelijk nederig. Toch was hij een zeer bewonderd man. Hij had geestelijke gaven, hij was een goede leraar en iedereen had een hoge dunk van hem. Maar hij had duidelijk geen al te hoge dunk van zichzelf.

Ik heb daar eens iets tegen hem over gezegd. Ik zei: ‘Ik heb me altijd afgevraagd hoe iemand die zo begaafd is en door zo veel mensen bewonderd wordt als jij, en ongetwijfeld ook door mensen gevleid wordt, nederig blijft. Dat is altijd een worsteling geweest. Ik vraag me af hoe jij dat doet.’

Hij zei: ‘Nou, het hangt er gewoon helemaal van af waarmee je jezelf vergelijkt. Dat is alles. Als je jezelf met andere christenen vergelijkt, kun je in je eigen ogen misschien wat hoger komen te staan. Maar als je jezelf met Jezus Christus vergelijkt, dan is er werkelijk helemaal geen verleiding om jezelf op de borst te kloppen of trots te zijn op wat je hebt bereikt.’

Dat is natuurlijk inderdaad een van de redenen waarom het niet wijs is om jezelf aan anderen af te meten en jezelf met hen te vergelijken. Want dat is niet de juiste maat. Dat is niet de juiste maatstaf om van uit te gaan. Het kan zijn dat de ene persoon twee uur per dag bidt en een andere man maar één uur per dag. De man die twee uur per dag bidt, denkt misschien: ‘Nou, ik sta geestelijk boven die man.’ Of iemand heeft misschien op bepaalde gebieden van begeerte iets meer overwinning dan iemand anders, of op een ander gebied van zonde, en is daarom tevreden over zichzelf. Maar zie je, volmaaktheid is de maatstaf. Jezus is de maatstaf.

Er wordt vaak het voorbeeld gegeven dat als mijn zoon Timothy en ik een wedstrijd hoogspringen zouden houden, ik een heel stuk hoger zou kunnen springen dan hij. Ik weet niet of hij met beide voeten meer dan vijftien centimeter van de grond zou kunnen komen. Ik weet zeker dat ik met mijn voeten eerder zestig tot negentig centimeter van de grond zou kunnen komen als ik echt mijn best deed. Ik zou kunnen zeggen: ‘Wauw, kijk eens hoeveel beter ik ben dan hij.’ Maar als we allebei springen met de bedoeling om de maan te bereiken, dan is het verschil tussen hoe hoog ik spring en hoe hoog hij springt onmetelijk klein. In feite bestaat het niet. Geen van ons komt ook maar in de buurt van het doel. En elk verschil in prestatie in mijn voordeel is verwaarloosbaar en valt volledig in het niet zodra we het werkelijke doel voor ogen hebben.

Waarom we anderen niet kunnen beoordelen

Illustratie bij: Oordelen zonder elkaars levensweg te kennen.

Dus deze mensen zijn niet wijs wanneer ze zichzelf aan elkaar afmeten en zichzelf vergelijken met elkaar. Dat is gewoon niet wijs, omdat ze de verkeerde maatstaf hebben. Op de oordeelsdag zal God niet zeggen: ‘Ik zal je bij de bovenste twintig procent indelen. Volgens Mij is dat een B-plus, of gewoon een B, maar volgens Mij is dat wel genoeg om naar de hemel te gaan.’ Nee, je wordt aan een heel andere maatstaf afgemeten. Een andere reden waarom het volgens mij niet wijs is om jezelf aan anderen af te meten en jezelf met hen te vergelijken, is dat we hoe dan ook niet over de gegevens beschikken om een nauwkeurige vergelijking te maken.

Als we er hier van uitgaan dat we deugdzaamheid vergelijken, dan zijn er misschien mensen die in hun leven minder deugdzaam handelen dan jij. Jij hebt een hogere mate van deugdzaamheid en geestelijkheid dan zij. Maar dat is moeilijk vast te stellen. En je kunt onmogelijk weten welke hulpmiddelen jij hebt ontvangen om je te helpen die zij niet hebben ontvangen. Hoeveel genade er aan jou is gegeven vergeleken met hoeveel er aan hen is gegeven. Waar zij begonnen zijn tegenover waar jij begonnen bent. Hoe vroeg jij in je leven bepaalde voordelen kreeg vergeleken met hoe vroeg zij die kregen, enzovoort. Er zijn al die factoren, al die variabelen die ons eenvoudigweg niet bekend zijn. Naar menselijke maatstaven zijn ze niet te meten.

Maar het is mogelijk dat iemand die veel minder bereikt als het gaat om het overwinnen van zonde in zijn leven, in Gods ogen hoger wordt geacht dan iemand die meer zonde in zijn leven heeft overwonnen. Eenvoudigweg omdat degene die meer overwon, minder te overwinnen had, of er langer de tijd voor had, of om een andere overweging van die aard. Dus het is eigenlijk gewoon dom. Het is onverstandig, zegt Paulus, om jezelf met anderen te vergelijken. Dat is niet de juiste maatstaf, en zonder alle relevante gegevens kun je hoe dan ook geen deugdelijke vergelijking maken.

De grenzen van toevertrouwd gezag

Illustratie bij: Het werkterrein dat Paulus is toevertrouwd.

Paulus zegt in vers 13:

2 Korinthe 10:13-16

13Wij echter zullen niet onbegrensd roemen, maar overeenkomstig de grens van wat God ons toebedeeld heeft, om ook u te bereiken. 14Want wij overschrijden onze grenzen niet, alsof wij u niet hadden mogen bereiken; wij zijn immers bij u gekomen met het Evangelie van Christus. 15En wij beroemen ons niet onbegrensd op de inspanningen van anderen, maar wij hebben hoop dat, wanneer uw geloof gegroeid zal zijn, ons werkterrein onder u overvloedig uitgebreid zal worden, overeenkomstig wat God ons toegewezen heeft, 16om het Evangelie te verkondigen in streken die nog verder weg zijn dan de uwe; zonder te roemen over wat reeds tot stand is gebracht in het toegewezen gebied van een ander.

In de Engelse vertaling die ik gebruik, komen in deze verzen duidelijk telkens de woorden ‘sphere’ en ‘measure’ terug: ‘gebied’ en ‘maat’. [Vertalersnoot: de HSV gebruikt hier onder meer ‘grens’, ‘werkterrein’ en ‘toegewezen gebied’.] Wij beroemen ons niet op dingen buiten onze maat, buiten ons gebied. Paulus stelt zich daar een gebied voor waarbinnen hij gezag heeft, en dit is een heel goed vers om dit begrip te begrijpen. Gezag is, waar het onder mensen ook bestaat, beperkt in zijn reikwijdte. Alleen Jezus heeft alle gezag in hemel en op aarde ontvangen. Er zijn anderen aan wie gezag is toevertrouwd binnen verschillende gebieden.

Ik heb een gebied waarbinnen ik gezag heb, met bepaalde verantwoordelijkheden en gezag over mijn gezin. Dat gebied strekt zich niet uit tot het gezin van iemand anders. Ik heb dat gezag niet in het gezin van een ander. Zij vallen buiten mijn gebied. Ik heb in deze organisatie een zekere mate van gezag om bepaalde dingen te beslissen over roosters, over wat we gaan doen en wanneer we dat gaan doen, en dat soort dingen. En zelfs om regels voor de organisatie vast te stellen. Ik heb enig gezag op dit gebied. Maar ik heb geen enkel gezag in de gemeente verderop in de straat om soortgelijke beslissingen te nemen, of op een andere school, of bij 7-Eleven. Ik kan hun personeelsroosters niet voor hen bepalen. Dat valt buiten mijn gebied.

Wanneer je gezag hebt, heb je niet alle gezag. Alleen Jezus heeft dat. Je hebt alleen een toegewezen, beperkt gebied waarbinnen je gezag is toevertrouwd, of een beperkte, afgebakende reikwijdte van gezag. Onder mensen is gezag altijd beperkt tot een gebied, en dat is een meetbaar gebied. Wanneer Paulus over de maat spreekt, bedoelt hij dat hij zich niet zal beroemen op wat buiten de grenzen ligt van het gebied dat hem rechtmatig toekomt. Hij dringt niet binnen om te proberen gedrag voor te schrijven, te proberen tucht uit te oefenen, te proberen gezag uit te oefenen buiten het gebied dat hem rechtmatig toekomt. Dat is wat hij zegt.

Paulus’ rechtmatige gezag in Korinthe

Illustratie bij: Paulus als geestelijke vader van de gemeente.

En hij zegt natuurlijk in vers 13 dat jullie wel degelijk binnen het gebied vallen dat ons rechtmatig toekomt. Daarmee bedoelt hij de Korinthiërs. Waarom zouden zij daarbinnen vallen? Omdat hij hun apostel was. Hij was degene die hen tot bekering had gebracht. Zij waren zijn kinderen in het geloof. Hij zei in hoofdstuk 4 van 1 Korinthe:

1 Korinthe 4:15

Jullie hebben misschien tienduizend leermeesters in Christus, maar slechts één vader, want ik heb jullie door het Evangelie verwekt.

En Paulus had een bijzondere, rechtmatige aanspraak op gezag in deze gemeente en in de gemeenten die hij had gesticht. Hij zegt dat hij buiten deze gemeenten geen aanspraak maakt op enig gezag. Hij beroemt zich niet op dingen buiten zijn maat, buiten zijn terrein, maar jullie vallen beslist binnen zijn gebied.

De indruk wordt gewekt dat er in Korinthe superapostelen zijn, valse apostelen, die aanspraak maakten op een zeker gezag in Korinthe en daarover opschepten, terwijl ze dat gezag niet rechtmatig hadden. Dat viel beslist buiten hun werkterrein. Ze hadden daar geen rechtmatig gezag. Ze hadden zeker niet het gezag om daar binnen te komen en Paulus te ondermijnen, wiens gezag daar onbetwist rechtmatig was. En dus scheppen deze mensen op, bevelen ze zichzelf aan en verheffen ze zichzelf door zich met elkaar te vergelijken. En dat terwijl ze daar niet eens een rechtmatig gezagsgebied hebben. Dat is hun werkterrein niet. Dat is niet het terrein waarop zij rechtmatig gezag hebben.

En hij zegt in vers 14:

We gaan niet buiten de grenzen van ons werkgebied, Dat is een vreemd geformuleerde zin, maar wat hij bedoelt is: het is niet zo dat jullie buiten ons werkterrein vallen. Ons werkterrein reikt zelfs tot jullie. Binnen de grenzen die aan ons werkterrein zijn gesteld, vallen jullie daarbinnen. Jullie vallen daarbinnen. Zo ver reikt het. En wanneer wij gezag proberen uit te oefenen in jullie leven, gaan wij niet buiten het gebied waar wij rechtmatig gezag hebben.

Opnieuw bedoelt hij: buiten de grenzen van zijn werkterrein.

Nieuwe gebieden bereiken met het Evangelie

Illustratie bij: Onderweg naar nieuwe gebieden.
2 Korinthe 10:13-16

13Wij echter zullen niet onbegrensd roemen, maar overeenkomstig de grens van wat God ons toebedeeld heeft, om ook u te bereiken. 14Want wij overschrijden onze grenzen niet, alsof wij u niet hadden mogen bereiken; wij zijn immers bij u gekomen met het Evangelie van Christus. 15En wij beroemen ons niet onbegrensd op de inspanningen van anderen, maar wij hebben hoop dat, wanneer uw geloof gegroeid zal zijn, ons werkterrein onder u overvloedig uitgebreid zal worden, overeenkomstig wat God ons toegewezen heeft, 16om het Evangelie te verkondigen in streken die nog verder weg zijn dan de uwe; zonder te roemen over wat reeds tot stand is gebracht in het toegewezen gebied van een ander.

Dus ik probeer mij niet als gezaghebbend te laten gelden in gemeenten die door andere mensen zijn gesticht. Dat is hun zaak. Dat is hun werkterrein. Mijn werkterrein omvat jullie en een aantal andere gemeenten, maar geen gemeenten die andere mensen zijn begonnen. Daar dring ik niet binnen zoals deze mannen dat doen.

Wat hij daarmee bedoelt is: ons werkterrein reikt op dit moment maar tot een bepaalde grens, en wij zullen ons gezag niet uitbreiden tot buiten ons rechtmatige werkterrein. Maar wij hopen dat ons werkterrein zich uitbreidt, dat er nieuwe gebieden zijn waar we zullen prediken, en dat het werkterrein dat God ons voor onze bediening heeft gegeven, zal worden uitgebreid, gedeeltelijk door jullie. [Vertalersnoot: de Engelse vertaling van de spreker heeft hier ‘by you’, ‘door jullie’; de HSV heeft ‘onder u’.]

Daarmee bedoelt hij waarschijnlijk dat de Korinthiërs Paulus zullen helpen zijn bediening uit te breiden wanneer hij naar andere plaatsen gaat om het Evangelie te prediken. Hij zegt:

Om het goede nieuws te vertellen in gebieden voorbij die van jullie, en niet te pronken met wat een ander in zijn werkgebied heeft bereikt.

Paulus verdedigt zich dus omdat hij op een gezaghebbende toon spreekt. Hij zegt: ‘Dit is het terrein waarop ik dat rechtmatig kan doen. Anders dan deze mannen probeer ik mijn gezag niet uit te breiden tot buiten de grenzen van wat rechtmatig is.’

2 Korinthe 10:17-18

17Maar wie roemt, laat hij roemen in de Heere. 18Want niet wie zichzelf aanbeveelt, die is welbeproefd, maar wie door de Heere wordt aanbevolen.

Dus hoewel Paulus zijn gezag daar verdedigt, verdedigen zij in zekere zin hun gezag, en nu verdedigt hij zijn gezag tegenover hen. Hij zegt: uiteindelijk doet het er niet toe wat iemand van ons over zichzelf zegt. Jezelf aanbevelen betekent helemaal niets. Het gaat erom wie de Heere aanbeveelt. Als God iemand Zijn goedkeuring geeft, dan is de bediening van die persoon gezaghebbend en rechtmatig. Zo niet, dan kunnen ze van alles over zichzelf zeggen. Ik kan alles over mijzelf zeggen, en zij kunnen alles over zichzelf zeggen, maar in werkelijkheid is het allemaal waardeloos en leeg als de Heere niet Degene is Die de aanbeveling geeft.

Het ongemak van Paulus’ zelfverdediging

Illustratie bij: Paulus aarzelt bij zijn zelfverdediging.

Hoofdstuk 11:

2 Korinthe 11:1

Verdroeg u mij maar enigszins in mijn dwaasheid; ja, verdraag mij toch!

Dwaasheid betekent natuurlijk onverstand.

Omdat jullie dat doen, ga ik jullie vragen mij nog wat langer te verdragen. [Vertalersnoot: de Engelse vertaling van de spreker zegt hier: ‘En inderdaad, jullie verdragen mij.’ De HSV formuleert dit als een verzoek: ‘ja, verdraag mij toch!’]

Die dwaasheid waar hij op doelt, komt in het vervolg van de bespreking vaak ter sprake. Dwaasheid is niet iets goeds. Het is het tegenovergestelde van wijsheid. Paulus beseft dat hij zich ongemakkelijk voelt bij sommige dingen die hij gaat zeggen. Hij vindt het dwaas om ze te zeggen. Hij zal sommige van zijn eigen uitspraken halverwege onderbreken en zeggen:

2 Korinthe 11:23

Zijn zíj dienaars van Christus? — ik spreek als een waanzinnige — ik sta boven hen ; in ingespannen arbeid veel vaker, in slagen bovenmate, in gevangenissen veel vaker, dikwijls in doods gevaar .

En dan maakt hij zijn zin af. In wezen zegt hij dat hij iets dwaas doet door zichzelf te verdedigen.

Van deze mannen die zichzelf aanbevelen, wordt in vers 12 gezegd dat ze niet wijs zijn. Het is niet wijs om jezelf aan te bevelen. Waarom? Omdat vers 18 van het vorige hoofdstuk zegt:

Niet wie zichzelf aanprijst, wordt goedgekeurd, maar wie door de Heer wordt aangeprezen.

Dus het is niet wijs om te kiezen voor een aanpak waarbij je jezelf aanbeveelt, jezelf verdedigt en jezelf naar voren schuift. Dat is wat zij doen, en Paulus heeft al gezegd dat het niet wijs is. Nu kan het lijken alsof hij hetzelfde doet. Hij zegt: ‘Nou, ik geef het toe. Het is niet wijs. Het is dwaas om dat te doen, maar in zekere zin ga ik het toch doen.’

Je kunt door de hele bespreking heen zien en aanvoelen hoe ongemakkelijk Paulus zich voelt. Dit hoofdstuk dat hij schrijft, en ook het volgende, is voor hem heel ongemakkelijk, omdat hij in wezen uiteenzet waarop zijn gezag berust. Je zou kunnen zeggen dat hij zichzelf aanbeveelt. Hij verdedigt zijn gezag. Dit druist volkomen tegen zijn aard in. Zoiets doen gaat tegen zijn betere gevoel in. Maar hij vindt dat hij geen andere keus heeft dan dat te doen, omdat niemand anders deze mensen herinnert aan de dingen die ervoor zouden moeten zorgen dat ze aan zijn kant blijven. En ze moeten aan zijn kant blijven om geestelijk veilig te zijn. Als ze naar deze tegenstanders van hem luisteren, zullen ze tot ketterij worden verleid, en daarom is het voor hem noodzakelijk hen aan zijn kant te houden.

Hij vindt echt, en dat zegt hij later ook, dat hij dit niet zou hoeven doen. Hij zegt:

2 Korinthe 12:11

Ik ben door te roemen dwaas geworden! U hebt mij daartoe gedwongen, want ik zou door u aanbevolen moeten worden. Ik ben immers in niets minder geweest dan de apostelen bij uitstek, hoewel ik niets ben.

Hij zegt het in hoofdstuk 12, vers 11:

Ik heb mezelf voor gek gezet door zo op te scheppen. Jullie hebben me ertoe gedwongen, want jullie hadden me moeten aanprijzen. Want ik deed in niets onder voor die allerbelangrijkste apostelen.

Daar staat in het Grieks ‘de superapostelen’.

Paulus beseft dus dat het nogal dwaas is. Hij gaat zichzelf voor gek zetten. Door zichzelf aan te bevelen en goede dingen over zichzelf te zeggen, gaat hij zich tot hetzelfde lage niveau verlagen als degenen die hij bekritiseert. Hij zegt: ‘Normaal gesproken doe ik dat niet graag. Ik voel me daar ongemakkelijk bij. Ik voel me een dwaas als ik dat doe. En ik wou dat ik het niet hoefde te doen. Het is jullie schuld dat ik het moet doen, want jullie hadden al die dingen over mij moeten zeggen, zodat ik ze niet over mezelf hoefde te zeggen. Ik zou mezelf niet hoeven te verdedigen. Jullie kennen mij goed genoeg. Jullie hadden al die dingen over mij moeten zeggen, zodat ik mezelf niet voor gek hoefde te zetten door te roemen. Maar omdat jullie het niet zeggen, ga ik het doen voor jullie eigen veiligheid.’ Hij zegt:

2 Korinthe 11:1

Verdroeg u mij maar enigszins in mijn dwaasheid; ja, verdraag mij toch!

waarmee hij bedoelt: jezelf aanbevelen.

Paulus bewaakt de trouw van Christus’ bruid

Illustratie bij: Waakzaamheid over de trouw van de gemeente.
2 Korinthe 11:2-4

2Want ik beijver mij voor u met een ijver van God. Ik heb u immers ten huwelijk gegeven aan één Man om u als een reine maagd aan Christus voor te stellen. 3Maar ik vrees dat, zoals de slang met zijn sluwheid Eva verleid heeft, zo misschien ook uw gedachten bedorven worden, weg van de eenvoud die in Christus is. 4Want als er iemand komt die een andere Jezus predikt, die wij niet gepredikt hebben, of als u een andere geest ontvangt dan die u ontvangen hebt, of een ander evangelie, dat u niet aangenomen hebt, dan verdraagt u dat best.

Wat hij dus zegt, is: hoewel ik me zal schamen om mezelf aan te bevelen, ben ik bang dat jullie, als ik het niet doe, een goedgelovige prooi worden voor oplichters die je zo zou moeten kunnen doorzien. Want jullie hebben helemaal geen onderscheidingsvermogen, en ik moet jullie waarschuwen. Er komen mensen naar jullie toe die dingen prediken, dingen bepleiten, een soort geestelijke ervaring aanbieden, maar het is anders. Het is een andere Jezus, een ander Evangelie, een andere geest. Maar jullie lijken helemaal geen onderscheidingsvermogen te hebben. Jullie verdragen het. Jullie luisteren. Jullie nemen het aan. Ik ben bezorgd om jullie. Het is alsof ik jullie als een maagd aan Christus heb uitgehuwelijkt. Christus is nog niet gekomen om jullie mee te nemen naar de bruiloft, maar ik ben vastbesloten ervoor te zorgen dat jullie, wanneer Hij dat doet, niet met andere minnaars verontreinigd zijn. En toch, als er een andere Jezus langskomt en jullie hem aannemen, dan is dat ontrouw aan jullie Bruidegom.

Daarom voel ik die jaloezie om jullie. Want het is net alsof je broer voor zaken of voor een oorlog of zoiets het land uit moest, en hij een verloofde had die achterbleef. Terwijl hij overzee was, zag je zijn verloofde met andere mannen flirten, en andere mannen met haar flirten en proberen haar voor zich te winnen. Ze gaat naar dansavonden en ze begint hele nachten weg te blijven met een andere man. En jij bent de broer van je broer. Het is zijn verloofde die je dit ziet doen, en dat maakt je jaloers. Niet omdat je haar voor jezelf wilt hebben. Je bent jaloers namens je broer. Je bent jaloers namens degene die bedrogen wordt.

Dat is wat Paulus zegt: ‘Ik klink misschien alsof ik mezelf verdedig, maar het gaat mij niet om mezelf. Het gaat om Jezus. Ik voel die jaloezie om jullie, omdat ik jullie met Hem in contact heb gebracht en jullie aan Hem zijn uitgehuwelijkt. En omdat jullie aan Hem zijn uitgehuwelijkt, verwacht ik trouw.’

Paulus zegt in wezen dat hij de rol vervult waarin Johannes de Doper zichzelf zag: die van de vriend van de Bruidegom, de huwelijksbemiddelaar. Hij is degene die hen met Christus in contact heeft gebracht. En de vriend van de bruidegom heeft een zekere verantwoordelijkheid om er, als het mogelijk is, voor te zorgen dat hij niet alleen maar toekijkt hoe de bruid er met een andere man vandoor gaat, zonder in te grijpen, er iets van te zeggen en er iets aan te doen.

Ik weet niet zo veel over de oorsprong van de huwelijksgebruiken die wij kennen. Ik heb ergens gehoord, op de radio, geloof ik, dat de hele rol van de bruidsjonker en het bruidsmeisje meer inhield dan daar tijdens de officiële huwelijksplechtigheid alleen maar mooi op het podium te staan. Door de rol van bruidsjonker op zich te nemen, verbindt iemand zich er in zekere zin toe om betrokken te zijn bij de pogingen dat huwelijk op het goede spoor te houden. Als de man zijn verantwoordelijkheden begint te verwaarlozen, moet hij hem daarop aanspreken en hem ermee confronteren. Hij is er niet alleen als getuige. Iedereen is er als getuige. De bruidsjonker is er als iemand die erbij betrokken is.

In Bijbelse tijden was de vriend van de bruidegom in veel gevallen degene die namens de bruidegom over alle voorwaarden van de ondertrouw en het huwelijk onderhandelde. En blijkbaar droeg hij er ook enige verantwoordelijkheid voor dat alles goed verliep en goed afliep, in elk geval tot aan de bruiloft.

Ondertrouw als bindende huwelijksbelofte

Illustratie bij: Een bindende ondertrouw in de eerste eeuw.

Het is interessant dat Paulus hier naar ondertrouw verwijst. Zoals je weet, heb ik de afgelopen jaren het een en ander gezegd over ondertrouw als een Bijbelse manier om een partner te vinden, tegenover de populairdere gewoonte in onze cultuur om te daten. Ondertrouw hield in feite in dat twee mensen elkaar beloofden te trouwen. Het leek een beetje op wat wij een verloving noemen, behalve dat verlovingen in onze tijd verbroken kunnen worden. Ondertrouw kon niet verbroken worden, behalve vanwege een buitengewoon ernstige overtreding. Ondertrouw kon niet verbroken worden om een minder ernstige reden dan die waarvoor een huwelijk zelf verbroken kon worden. Om ondertrouw te verbreken was blijkbaar een daadwerkelijke echtscheiding nodig. Daarom zouden alleen zulke dingen die binnen een huwelijk grond voor echtscheiding waren, ook grond zijn om de ondertrouw te verbreken. Niets minder dan dat.

Een belofte is een belofte. En het Engelse woord voor ondertrouw, ‘betrothal’, komt van het Oudengelse woord ‘troth’, dat belofte betekent. Iemand die in ondertrouw is, heeft een belofte gedaan en heeft van de ander een belofte ontvangen, en beloften verbreek je niet. Dat hoor je tenminste niet te doen. Als iemand in ondertrouw was, lag het dus vast. Ze hadden een belofte gedaan, en het enige wat nog niet gebeurd was, was dat het huwelijk nog niet lichamelijk voltrokken was en dat ze nog niet waren gaan samenwonen. Maar ze hadden beloofd dat te doen. En iemand die in ondertrouw is, is net zomin als iemand die getrouwd is vrij om op andere huwelijkskandidaten in te gaan of nog wat verder rond te kijken. Als iemand nog verder wil rondkijken, kan die maar beter niet eerst in ondertrouw gaan. Ondertrouw was een even grote verbintenis als het huwelijk.

Ik heb geopperd dat het een verbetering zou zijn ten opzichte van wat de gemeente momenteel doet als we hierin teruggingen naar Bijbelse patronen. Sommigen die het daar niet mee eens zijn, hebben erop gewezen dat wij niet alles wat in de Bijbel gedaan werd, moeten herhalen. De Bijbel beschrijft veel culturele dingen die niet noodzakelijk rechtstreeks op ons van toepassing zijn. Soms wijzen ze op:

Romeinen 16:16

Groet elkaar met een heilige kus. De gemeenten van Christus groeten u.

Of zelfs op het onderwijs van Paulus over hoofdbedekking. Natuurlijk dragen veel christenen tegenwoordig wel een hoofdbedekking, maar velen doen dat niet. Zij zien het als iets wat misschien meer cultureel bepaald dan algemeen geldig was.

Sommigen hebben gezegd: ‘Dat met die ondertrouw: je kunt niet zeggen dat christenen in ondertrouw moeten gaan omdat mensen in Bijbelse tijden in ondertrouw gingen. Er zijn allerlei dingen die mensen in Bijbelse tijden deden.’ Eén man stuurde me zelfs, als een soort humoristische kritiek op mijn standpunt, een e-mail met de tien beste manieren om volgens de Bijbel aan een vrouw te komen. Hij gaf voorbeelden van de meest buitengewone manieren waarop mensen aan een vrouw kwamen. Bijvoorbeeld toen de Benjaminieten eropuit gingen en vrouwen ontvoerden om met hen te trouwen. En hij gaf een hele reeks voorbeelden van dingen die echt verkeerd waren om te doen, dingen die absurd zouden zijn om aan te bevelen, en die toch in de Bijbel gedaan werden.

Ik kon tussen de regels door lezen; subtiliteit ontgaat me niet. Hij zei dit niet, maar de suggestie was dat ik, door ondertrouw voor te stellen, het Bijbelse model van ondertrouw, in wezen zei dat iedereen het zo moest doen omdat mensen in de Bijbel het zo deden. En als dat zo is, hoe zit het dan met die andere dingen? Die werden in de Bijbel ook gedaan. Moeten wij het dan ook zo doen?

Ondertrouw als beeld van Christus en de kerk

Illustratie bij: Ondertrouw als herkenbaar beeld voor de gemeente.

Maar in werkelijkheid zit er meer achter. Het gaat er niet alleen om dat ze het in de Bijbel zo deden. Het gaat erom dat Paulus in de Bijbel ondertrouw, net als het huwelijk, gebruikt als een beeld van Christus en de gemeente. En er is iets met die gebruiken die niet alleen onder de Joden in ere werden gehouden, maar gedurende bijna de hele geschiedenis in het grootste deel van de oude wereld: er zat meer achter.

Je gaat niet zomaar met allerlei mensen daten en rondkijken en een reeks romances voor je plezier hebben, misschien elk weekend een andere, om dan uiteindelijk te besluiten dat je serieus met iemand verder wilt. Vervolgens ga je een soort halfslachtige verbintenis aan om te trouwen, en uiteindelijk ben je nog steeds vrij om daar weer onderuit te komen als je dat wilt. En uiteindelijk ben je natuurlijk, zelfs als je trouwt, vrij om ook daar weer uit te stappen, zo begint men in onze cultuur te denken.

Mensen zeggen over daten en van de ene romantische partner naar de andere gaan: ‘Nou, daarmee maak je je klaar voor het huwelijk. Zo bereid je je voor op het huwelijk.’ Dat zeggen ze ook als het niet om seks in de volle betekenis van het woord gaat, maar alleen om romantiek. Je staat jezelf dus romantische momenten toe met mensen die niet je blijvende partner zullen zijn. Nee, zo bereid je je voor op echtscheiding. Het idee dat je je hart aan iemand kunt geven en, zodra je niet meer van die persoon houdt, naar iemand anders gaat: juist die mentaliteit heeft er volgens mij meer dan enige andere factor toe geleid dat huwelijken in ons land geen stand houden.

Maar ik denk dat als we kunnen betogen dat het huwelijkspatroon dat het christendom leert door God is ingesteld, omdat Paulus zegt dat het een beeld is van Christus en de gemeente, hetzelfde argument ook voor ondertrouw zou kunnen gelden. Want Paulus gebruikt die ook als een beeld van Christus en de gemeente. Niet alleen het huwelijk en de rollen van mannen en vrouwen binnen het huwelijk, maar de hele weg naar het huwelijk via ondertrouw.

Ja, Paulus zinspeelt op gebruiken die in die tijd gangbaar waren, zelfs in heidense landen, niet alleen onder de Joden, niet alleen onder heilige mensen. Het waren vrij algemene gebruiken, net zoals de rollen van man en vrouw in het huwelijk door de hele geschiedenis heen in alle culturen vrij algemeen zijn geweest. De man als hoofd, de vrouw als degene die beschermd wordt en voor het huishouden zorgt, enzovoort, en die kinderen baart en grootbrengt. Dit zijn allemaal gewoonten die in deze eeuw ter discussie worden gesteld. Eerst door de wereld, en vervolgens door de kerk, die de wereld volgt.

Maar waar het om gaat, is dat veel christenen blijven vasthouden aan een meer Bijbels, traditioneel model van het huwelijk, omdat Paulus zei dat het een beeld is van Christus en de gemeente. En daaraan mogen we niet tornen. Maar meestal gaan ze niet zo ver dat ze zeggen dat we ook moeten blijven vasthouden aan het Bijbelse model van ondertrouw, omdat Paulus ook zei dat die een beeld is van Christus en de gemeente. En dat heeft hij inderdaad gezegd.

Het huwelijkspatroon en geestelijke trouw

Illustratie bij: Trouw blijven tijdens de periode van ondertrouw.

En de tijd waarin we nu leven, vanaf het moment dat je je aan Christus hebt verbonden tot het moment dat Jezus komt en je met Hem verenigd wordt, is een periode van ondertrouw. Ik heb vaak gezegd dat als we de rollen in het huwelijk zouden veranderen, zodat ze afwijken van wat Paulus in Efeze hoofdstuk 5 heeft gegeven, met de man als hoofd van de vrouw, de vrouw die zich aan haar man onderwerpt, enzovoort... Als we dat veranderen, tornen we aan een goddelijke instelling die bedoeld was om een geestelijke werkelijkheid uit te beelden. En dat kan even schadelijk zijn als tornen aan de afmetingen van de tabernakel. God zei tegen Mozes:

Exodus 25:40

Zie dan erop toe dat u het maakt naar zijn ontwerp, dat u op de berg getoond is.

En de schrijver van Hebreeën zegt dat de reden daarvoor is dat die geestelijke werkelijkheden uitbeeldde. Je wilt het voorbeeld niet veranderen.

Het huwelijk is volgens Paulus een voorbeeld van geestelijke werkelijkheden, van Christus en de gemeente. Als je het voorbeeld verandert, maak je de boodschap onduidelijk. Als dat waar is, en ik geloof dat zeker, en de meeste christenen ook, is het dan niet waarschijnlijk dat dit ook voor de ondertrouw geldt? In de gedachtegang van Paulus en de Bijbelschrijvers maakte de periode van ondertrouw helemaal deel uit van het hele proces van trouwen. Paulus gebruikte die als een beeld van Christus en de gemeente, net zoals hij de verhouding tussen man en vrouw gebruikte als een beeld van Christus en de gemeente. Kun je dan niet ook stellen dat als we dat voorbeeld van ondertrouw veranderen in iets anders, iets met meer wisselende partners, zoals daten, ook dat de boodschap onduidelijk maakt?

Het hele geheel van gebeurtenissen waardoor iemand van ongehuwd gehuwd werd, omvatte ondertrouw, een bruiloft en alles wat er verder bij hoorde. Deze dingen vormen, tenminste zoals Paulus ze gebruikt, het voorbeeld van een geestelijke werkelijkheid. De periode van ondertrouw, die iedereen kent in culturen waar die wordt toegepast, is dus een goed beeld van onze verhouding tot Christus vandaag. We zijn nog niet met Hem verenigd. We wonen nog niet met Hem samen, maar we hebben ons wel aan Hem verbonden. Er staan voor ons geen andere mogelijkheden open dan Hij. We zijn niet vrij om rond te kijken naar andere partners en andere religieuze mogelijkheden te overwegen, of iets wat tegen Christus ingaat. Want we hebben ons verbonden, we hebben een belofte gedaan, en Hij heeft ons een belofte gedaan. Die belofte is even bindend als het huwelijk zelf.

Verloving verbreken en je belofte houden

Illustratie bij: Twijfel vlak voor een moderne bruiloft.

Maar dat besef ontbreekt in onze moderne christelijke wereld, omdat het voorbeeld verdwenen is. De kerk gelooft niet meer in ondertrouw. Evangelische christenen geloven voor het merendeel nog wel in het huwelijk. Maar dat onlosmakelijke voorspel tot het huwelijk, de ondertrouw, gebruikte Paulus evenzeer als het huwelijk als een beeld van Christus en de gemeente. En op de een of andere manier menen de kerken dat ze vrij zijn om dat te negeren en in plaats daarvan mee te gaan met de verdorven culturele gebruiken van onze tijd. En ik zeg alleen maar dat ik denk dat daardoor iets verloren gaat, iets waardevols.

Er bestaat natuurlijk wel zoiets als een verloving. Mensen trouwen meestal niet voordat ze zich verloven. Maar het probleem met de verloving zoals wij die zien, is dat die verbroken kan worden. Hoe vaak heb je niet gehoord van gevallen waarin iemand zich verloofde, de bruiloft gepland had, en de trouwjurk, de smokings van de bruidegom, het kerkgebouw, de bloemen en de fotograaf allemaal geregeld waren? En op het laatste moment begint de bruid of de bruidegom te twijfelen. En de mensen die het dichtst bij hen staan, zeggen: ‘Als je twijfelt, blaas het dan af.’ Zelfs christenen zeggen volgens mij: ‘Als je hier geen goed gevoel bij hebt, kun je het beter afblazen.’ De bruiloft mag dan morgen zijn, maar voordat de geloften zijn uitgesproken, is het nooit te laat om die af te blazen.

Dat is de aanname over verloving hier in onze cultuur, en daarom is die anders dan ondertrouw. Als onze aannames over verloving nu precies dezelfde waren als de Bijbelse aannames over ondertrouw, dan zou ik je gelijk moeten geven. Dan hebben we in wezen hetzelfde als zij hadden. Maar ze zijn niet hetzelfde. Ondertrouw was even bindend als het huwelijk zelf. Voor ons is verloving een belofte die verbroken kan worden, omdat er nog geen geloften zijn afgelegd.

Bij ons is ja geen ja en nee geen nee.

We hebben gezworen bij de tempel, niet bij het goud van de tempel, en daarom hoeven we het niet te doen, hoewel we gezegd hebben dat we het zouden doen, omdat we niet echt een gelofte hebben afgelegd.

Ik geloof niet dat ik ooit iemand het zo bot heb horen zeggen, maar dat is in wezen hoe onze samenleving erover denkt. Je legt een gelofte af, nou, dan kun je die gelofte maar beter houden. Maar je hebt alleen iets beloofd en een ring gegeven, nou, dat is geen gelofte. Daar kun je nog onderuit. Het is misschien niet erg netjes om dat te doen, maar er zijn omstandigheden. Als je er gewoon geen goed gevoel bij hebt, zie er dan van af.

Een vast besluit om te trouwen

Illustratie bij: Laat je ja werkelijk ja zijn.

Zoals ik het begrijp, gingen jonge mensen in Bijbelse tijden pas een verbintenis aan die wij een verloving zouden noemen wanneer ze zich zo vast aan dat huwelijk hadden verbonden als ze ooit zouden doen. En dat ontbreekt gewoon in onze samenleving. Natuurlijk zijn er in onze samenleving zelfs mensen die bij het afleggen van hun geloften hun vingers gekruist houden en zich niet werkelijk helemaal aan dat huwelijk verbinden. Maar er zijn mensen die heel zwaar tillen aan het huwelijk, terwijl ze toch vrij licht denken over de verloving, in de zin van: ‘Nou, we hebben gezegd dat we zouden trouwen, maar we zijn nu eigenlijk van gedachten veranderd.’ Er rust echt geen schande op van gedachten veranderen. Het wordt zelfs als verstandig beschouwd. ‘Goed dat je niet getrouwd bent. Goed dat je alleen iets beloofd hebt en geen gelofte hebt afgelegd, want je kunt je belofte breken, maar een gelofte kun je niet breken.’ Zoals ik de Schrift begrijp, kun je een belofte ook niet breken.

Bij jullie is ja gewoon ja en nee gewoon nee.

Ik vind dat een stel pas zou moeten afspreken om te trouwen wanneer ze dat even vastbesloten afspreken als wanneer ze voor God een gelofte zouden afleggen. Ik denk dat dit ook is waar Jezus met Zijn hele onderwijs over geloften in de Bergrede op doelt.

Misschien een andere keer meer daarover. We hebben trouwens twee volledige bandjes over ondertrouw in die serie, Toward a Radically Christian Counterculture. Ik heb drie uur onderwijs vanuit de Schrift over het onderwerp ondertrouw. Maar daar kunnen we nu niet allemaal op ingaan. Het punt dat ik maak, is dat Paulus net zo gemakkelijk het gebruik van de ondertrouw, dat in zijn tijd gangbaar was, als beeld voor Christus en de gemeente gebruikt als het gebruik van het huwelijk, dat in zijn tijd gangbaar was en ook in onze tijd gangbaar is. Als dat zo is, dan moeten we die niet lichtvaardig laten varen, voor het geval daar een reden voor is. Misschien ligt er een geestelijke boodschap aan ten grondslag die wij geacht worden te begrijpen. Ik denk van wel.

Verleiding weg van de eenvoud in Christus

Illustratie bij: Eva wordt door de slang verleid.

Paulus zegt:

2 Korinthe 11:3

Maar ik vrees dat, zoals de slang met zijn sluwheid Eva verleid heeft, zo misschien ook uw gedachten bedorven worden, weg van de eenvoud die in Christus is.

Vers 3. Hij zegt in vers 4 dat hij zich specifiek zorgen maakt over bepaalde predikers. Paulus zegt in wezen dat deze predikers van de duivel afkomstig zijn, dat wat ze doen hetzelfde soort dingen zijn als wat de duivel in de tuin deed, of wat de slang in de tuin deed. Hij noemt hem hier niet de duivel, maar deze mensen zijn even bedrieglijk en even demonisch als de slang in de tuin. Ze proberen de zuiverheid aan te tasten van een maagd die met haar toekomstige man verloofd is.

Ik weet niet wat voor gevoelens dat beeld bij je oproept. Sommigen van jullie zijn nog behoorlijk jong. Sommigen van jullie hebben misschien nog geen serieuze relaties gehad, of niet zo veel. Ik heb niet alleen serieuze relaties gehad; ik heb relaties gehad waarin mijn vrouwen overspel pleegden. Ik kan zelfs niet zonder hevige gevoelens stilstaan bij welk geval dan ook van een vrouw die haar man bedriegt, buiten mijn eigen geval. Het roept gewoon te veel gevoelens op. Wanneer ik hoor dat zoiets gebeurt, in welk geval dan ook, dan breekt mijn hart ervan. Het is niet alleen maar dat ik met mezelf bezig ben. Eigenlijk ben ik niet kapot van mijn eigen situatie. God heeft zo goed voor mij gezorgd, en de vrouw die overspel pleegde en mij verliet, ik ben eerlijk gezegd blij dat ze weg is. Het is sindsdien veel beter met me gegaan. Ik heb er geen verdriet om. Maar wanneer ik hoor dat iemand anders het doormaakt, dan herinner ik het me weer.

En dan de gedachte dat een christen achter menselijke leraren aan zou gaan, of achter een andere Jezus of een ander Evangelie dan Christus Zelf. Trouwens, veel gemeenten, evangelische gemeenten, hebben naar mijn mening andere Jezussen voor Hem in de plaats gesteld. We hebben het er altijd over dat de mormonen een andere Jezus hebben, of dat de Jehova’s getuigen een andere Jezus hebben. Nou, is het mogelijk dat je een baptistengemeente of een presbyteriaanse gemeente of een methodistische gemeente of een pinkstergemeente tegenkomt die een andere Jezus heeft? Ik denk dat het mogelijk is. En vaak omarmt de gemeente een andere Jezus door eerst een gezaghebbende leider te omarmen die opnieuw invult wat de plicht van een christen is en die opnieuw invult wat het betekent om bij de gemeente te horen, en sommige van die dingen, en dat hele institutionaliseren van veel dingen die Jezus nooit heeft geïnstitutionaliseerd.

Ik zeg niet dat het precies dezelfde overtreding is, maar ik zeg dat het afwijkt van de zuiverheid en eenvoud die in Christus is. De eenvoud in Christus is: je houdt van Jezus. Is Hij je Heere? Je volgt Jezus; je bent een christen. Je verbindt allerlei andere dingen aan het Evangelie, en daarmee verander je het. Het is alsof je een verloofde vrouw ziet die in de afwezigheid van haar verloofde achter een verdorven plaatsvervanger aan gaat.

De superapostelen en Paulus’ kennis

Illustratie bij: Kennis zonder indrukwekkende welsprekendheid.
2 Korinthe 11:5

Want ik ben van mening dat ik in niets minder ben geweest dan de apostelen bij uitstek.

Nogmaals, ‘de meest vooraanstaande apostelen’ is in het Grieks ‘de superapostelen’. Hij heeft het hier naar alle waarschijnlijkheid niet over Petrus, Jakobus en Johannes. Hij heeft het waarschijnlijk over deze mensen in Korinthe die beweerden apostelen te zijn. Hoe weet ik dat er in Korinthe mensen waren die beweerden apostelen te zijn? Omdat hij dat zegt. Hij zegt in vers 13:

2 Korinthe 11:13

Want zulke lieden zijn valse apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus.

Die mensen zijn er dus. Je kunt geen valse apostel zijn zonder te beweren dat je een apostel bent. Je kunt vals zijn, maar je kunt geen valse apostel zijn tenzij je je voor een apostel uitgeeft. Je kunt geen valse profeet zijn tenzij je beweert een profeet te zijn.

Deze mensen beweerden apostelen te zijn, want het waren valse apostelen. En zij zijn blijkbaar degenen op wie Paulus doelt, vrijwel zeker, wanneer hij over de zogenaamde superapostelen spreekt. Ik denk dat hij die term sarcastisch gebruikt.

zegt hij,

2 Korinthe 11:6

En al ben ik onbedreven in het spreken, ik ben dat niet in kennis. Integendeel, wij zijn in elk opzicht in alles onder u bekend geworden.

Nu, ‘ongeschoold in het spreken’: ze zeiden eerder, in hoofdstuk 10, vers 10, dat zijn spreken verachtelijk is. Ik zou verwachten dat Paulus een krachtig redenaar was, en verschillende dingen wijzen erop dat hij niet slecht was in spreken in het openbaar. Maar misschien kwam hij soms wat ongepolijst over. Hij was een emotioneel man. Lees zijn brieven maar. Soms gebruikt hij geen goede grammatica. Soms laat hij een zin elf verzen lang doorlopen, en dat is niet bepaald het meest literaire werk dat je je kunt voorstellen. Ik denk dat Paulus een man was met veel kennis en een gedegen opleiding. Maar soms ging hij zo emotioneel op in wat hij zei dat hij een zin niet eens beëindigde waar die zou moeten eindigen, of dat hij onjuiste grammatica gebruikte, of dat hij gewoon emotioneel werd. Daarom zeiden zijn tegenstanders waarschijnlijk: ‘Die man is niet eens een geschoold spreker. Die man is niet eens welsprekend. Hij gebruikt niet eens goede grammatica.’

Hij zegt:

Nou, ik ben misschien geen geoefende spreker, maar aan kennis ontbreekt het me niet.

Dat wil zeggen: ik weet waar ik het over heb. Mijn spreken is misschien niet altijd even goed, maar de gedachte erachter en wat ik zeg, daarvan weet ik dat het waar is. Ik vertel de waarheid omdat ik weet waar ik het over heb.

Dat wil zeggen: jullie hebben alles van ons gezien. We hebben geen verborgen dingen. We zijn open, en jullie hebben ons gadegeslagen.

Het Evangelie gratis verkondigen

Illustratie bij: Paulus werkt met Priscilla en Aquila.
2 Korinthe 11:7

Of heb ik zonde gedaan toen ik mijzelf vernederde, opdat u verhoogd zou worden? Ik heb u immers het Evangelie van God om niet verkondigd.

Paulus sprak ook in 1 Korinthe over het niet aannemen van geld voor het Evangelie, in hoofdstuk 9. Daar zei hij dat hij geen geld van hen zou aannemen. Hoewel hij zei dat hij daar recht op had en dat andere dienaren dat wel deden, zei hij dat hij het niet zou doen. Hij zegt: ‘Ik vernederde mezelf daarmee.’ Ik gaf mijn rechten op ten behoeve van jullie. Ik verhief jullie boven mezelf en vernederde mezelf tot onder jullie, door jullie het voorrecht te geven mij gratis te horen in plaats van jullie te laten betalen, zoals ik had kunnen doen en zoals andere dienaren doen. Zijn jullie beledigd dat ik dat deed?

2 Korinthe 11:8

Andere gemeenten heb ik beroofd door een vergoeding aan te nemen ten dienste van u; en toen ik bij u was en gebrek leed, ben ik niemand tot last geweest.

Hij verwijst waarschijnlijk sarcastisch naar een beschuldiging die ze tegen hem hebben geuit. Wat zijn motieven betreft kwam Paulus er in Korinthe behoorlijk goed vanaf, omdat hij van niemand geld aannam. Wanneer de critici komen en zeggen: ‘Die Paulus, hij wandelt naar het vlees’, bla, bla, bla, en iemand zegt: ‘Maar hij vroeg ons niet eens om geld. En jullie laten ons wel betalen. Hoe kunnen jullie slechte dingen over Paulus zeggen? Het ging hem niet om het geld’, dan moeten ze daar iets op terugzeggen.

‘Nou, hij heeft andere gemeenten beroofd zodat hij jullie niet hoefde te laten betalen. Bij jullie maakte hij een goede indruk, maar wie weet hoeveel gemeenten hij heeft beroofd voordat hij naar jullie toe kwam.’

Paulus lijkt de kritiek die op hem wordt geuit soms sarcastisch te herhalen. Hij zei:

Ik heb andere gemeenten beroofd door geld van hen aan te nemen om jullie te kunnen helpen.

Het is ook mogelijk dat hij inderdaad giften van andere gemeenten ontving en dat hij dat sarcastisch omschrijft als hen beroven en loon van hen ontvangen. Dat zijn levensonderhoud dus door andere gemeenten werd bekostigd. Maar dat is waarschijnlijk niet het geval, want toen Paulus naar Korinthe kwam, leefde hij niet van steun van andere gemeenten. Hij nam zelfs een baan toen hij naar Korinthe kwam, volgens Handelingen 18. Hij had weinig geld toen hij naar Korinthe kwam. Daarom ging hij in Korinthe als tentenmaker bij Priscilla en Aquila werken, en zo verdiende hij zijn brood. Hij nam dus zelfs voordat hij naar Korinthe kwam geen geld van andere gemeenten aan. De kritiek waarop hij zinspeelt, is volkomen ongegrond. Hij werkte daadwerkelijk met zijn handen en voorzag in zijn eigen levensonderhoud.

2 Korinthe 11:9

Want wat mij ontbrak, hebben de broeders die van Macedonië kwamen, aangevuld; en in alles ben ik ervoor op mijn hoede geweest u niet tot last te zijn, en ik zal er ook voor op mijn hoede blijven.

Zelfs toen hij onder hen werkte, waren er momenten waarop hij gebrek leed, maar hij hield geen collecte in Korinthe. Hij liet gemeenten zoals die in Filippi geld naar hem sturen, en dat zegt hij ook wanneer hij aan de Filippenzen schrijft, in Filippenzen hoofdstuk 4. Hij erkent dat ze hem al verschillende keren geld hebben gestuurd, in plaats van dat hij het van de Korinthiërs aannam. Hij wist dat hij zijn reputatie op dit punt bij hen zuiver wilde houden.

Geen betaling aannemen ontmaskert rivalen

Illustratie bij: Paulus weigert betaling voor zijn verkondiging.
2 Korinthe 11:10

Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is, zal deze roem over mij in de streken van Achaje niet tot zwijgen worden gebracht.

Dit roemen is zijn roemen in het feit dat hij geen geld vraagt. Hij sprak er op precies dezelfde manier over in 1 Korinthe 9. Hij zei:

1 Korinthe 9

Hoewel ik recht heb op betaling voor mijn bediening, zal niemand mij deze roem ontnemen. Ik zal niet toestaan dat jullie mij betalen.

Hij heeft dit tegenover hen twee keer genoemd als datgene waarin hij tegenover hen roemt: dat ze hem er niet van kunnen beschuldigen dat hij het om het geld doet, omdat hij geen geld van hen heeft aangenomen.

2 Korinthe 11:11-12

11Waarom? Omdat ik u niet liefheb? God weet dat ik u liefheb ! 12Maar wat ik doe, zal ik ook blijven doen, opdat ik elke aanleiding wegneem van hen die een aanleiding zoeken om in datgene waarin zij roemen, aan ons gelijk bevonden te worden.

Dat wil zeggen: zijn tegenstanders proberen bij een vergelijking met Paulus goed voor de dag te komen. De Korinthiërs hebben Paulus gezien en ze kennen de goede dingen die hij heeft gedaan. Die anderen proberen de goede dingen die hij heeft gedaan na te doen. Maar op één gebied willen ze hem niet navolgen: ze willen het niet gratis doen. Ze zullen zijn bediening of zijn manier van doen kopiëren, of proberen evenveel tot stand te brengen als hij, zodat ze bij een vergelijking met hem goed voor de dag komen. Maar één ding willen ze niet doen: afzien van betaling.

Daarom zegt hij: ‘Ik blijf dus zonder betaling werken, zodat degenen die zich met mij willen meten en alles tot stand willen brengen wat ik tot stand breng, dat toch niet helemaal kunnen. Op deze manier zal ik bewijzen dat ik geestelijk boven hen sta, ook al doen ze er alles aan om elk verschil tussen mij en hen weg te nemen als het erom gaat wie boven wie staat.’

Hij spreekt over degenen die een gelegenheid zoeken om in de dingen waarin ze roemen als onze gelijken te worden beschouwd. Hij zegt: ‘Ik zal hun die gelegenheid ontnemen door te weigeren geld aan te nemen. Want dan kunnen ze er niet op roemen dat ze precies zoals ik zijn, omdat zij wél geld aannemen.’

Satan en zijn dienaren vermommen zich

Illustratie bij: Misleidende leraren met een vrome uitstraling.
2 Korinthe 11:13-15

13Want zulke lieden zijn valse apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus. 14En geen wonder, want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht. 15Het is dus niets bijzonders als ook zijn dienaars zich voordoen als dienaars van gerechtigheid. Hun einde zal zijn overeenkomstig hun werken.

Die uitspraak dat satan zelf zich voordoet als een engel van het licht, is uitgelegd als een van de bewijsteksten dat satan ooit een engel was die gevallen is. Of hij dat nu was of niet, deze passage ondersteunt dat op geen enkele manier, net zomin als ze de gedachte ondersteunt dat zijn dienaren dienaren van gerechtigheid zijn. Er staat dat satan zich verandert, of het uiterlijk van een engel van het licht aanneemt, net zoals zijn dienaren het uiterlijk van dienaren van gerechtigheid aannemen. En net zoals satans dienaren niet werkelijk dienaren van gerechtigheid zijn, zo is ook satan niet werkelijk een engel van het licht. Het is een vermomming die hij en zijn dienaren dragen.

Hij zegt: ‘Wees niet verbaasd. Kom me niet vertellen dat deze mensen veel goede werken doen en veel goede bewijzen leveren dat ze goede mensen zijn.’ De duivel kan zich ook vermommen, en wees niet verbaasd dat zijn dienaren hetzelfde doen. Het is niet zo dat ze zich vertonen met het uiterlijk van de duivel zelf. Ze vertonen zich met het uiterlijk van een engel van het licht, net zoals de duivel dat zou doen als hij aan je verscheen. Hij zou zich niet vertonen zoals hij werkelijk is.

Dwaas roemen en overheersende leiders

Illustratie bij: Een leider overheerst de gemeente.
2 Korinthe 11:16

Nogmaals zeg ik: laat niemand denken dat ik dwaas ben. En als u dat toch doet , ontvang mij dan ook maar als een dwaas, zodat ook ik een beetje zou mogen roemen.

Dat wil zeggen: als je mij toch als een dwaas gaat beschouwen.

Ik zou liever niet als een dwaas worden gezien, maar als je mij toch een dwaas gaat vinden, kan ik me net zo goed als een dwaas gedragen, aangezien jullie dwazen graag ontvangen.

Hij zegt:

2 Korinthe 11:17

Wat ik nu zeg, zeg ik niet overeenkomstig de wil van de Heere, maar als in dwaasheid, wanneer het gaat om dit punt van roem.

Dat is een interessante uitspraak. In wezen zegt hij dat God mij niet inspireert om dit te zeggen, of dat dit niet de manier is waarop Jezus zou spreken. Dit roept kwesties op zoals bij de uitspraak in 1 Korinthe:

1 Korinthe 7:25

Wat betreft hen die nog maagd zijn, heb ik geen bevel van de Heere. Ik geef echter mijn mening als iemand die barmhartigheid van de Heere heeft gekregen om trouw te zijn.

Het roept zeker vragen op over wat Paulus precies beweerde over de inspiratie van zijn eigen werk. [Vertalersnoot: de spreker haalt 1 Korinthe 7:25 vrij aan als ‘geen woord van de Heer’; de Nederlandse weergave hierboven heeft het specifiekere ‘geen bevel van de Heere’.]

We zullen hier niet diep op dat onderwerp ingaan, maar hij zegt:

2 Korinthe 11:17-18

17Wat ik nu zeg, zeg ik niet overeenkomstig de wil van de Heere, maar als in dwaasheid, wanneer het gaat om dit punt van roem. 18Omdat velen roemen naar het vlees, zal ik ook eens roemen.

Hier begint hij zich ongemakkelijk te voelen bij zijn eigen gedrag. Hij gaat doen wat hij niet graag doet. Hij gaat naar het vlees roemen, maar dat is de maatstaf waarvan de Korinthiërs onder de indruk zijn. Zijn tegenstanders doen het en maken een buitengewoon positieve indruk. Daarom zegt Paulus: ‘Als ik deze strijd wil winnen, zal ik me tot hun niveau moeten verlagen.’

2 Korinthe 11:19-20

19Want u verdraagt met genoegen de dwazen; u bent immers zo wijs? 20Want u verdraagt het, als iemand u tot slaven maakt, als iemand u verslindt, als iemand het uwe afneemt, als iemand zich boven u verheft, als iemand u in het gezicht slaat.

Nog een voorbeeld van sarcasme.

2 Korinthe 11:21

Tot eigen oneer zeg ik: wij zijn zwak geweest. Maar waarin iemand ook durf toont — ik spreek in dwaasheid — daarin toon ook ik durf.

Hij zegt:

We waren te zwak toen we bij jullie waren, zoals zij zeiden:

2 Korinthe 10:10

Want zijn brieven — zegt men — zijn wel gewichtig en krachtig, maar zijn lichamelijke aanwezigheid is zwak en zijn spreken is verachtelijk.

„Wij waren te zwak om jullie in het gezicht te spugen en jullie te slaan en jullie geld af te nemen. Ik zeg dat tot onze schande.” Opnieuw is hij sarcastisch.

Zijn zij Hebreeën?

Laten we het hier eens over hun aanspraken hebben. „Waar beroepen ze zich op? Ze beweren dat ze Hebreeën zijn. Nou en? Dat ben ik ook. Dat maakt geen verschil.

Zijn zij Israëlieten?

Dat ben ik ook.

2 Korinthe 11:22

Zijn zíj Hebreeën? Ik ook. Zijn zíj Israëlieten? Ik ook. Zijn zíj nageslacht van Abraham? Ik ook.

In zekere zin betekenen al die woorden ongeveer hetzelfde: Hebreeër, Israëliet, zaad van Abraham. Dan zegt hij:

2 Korinthe 11:23

Zijn zij dienaren van Christus?

Dat wil zeggen: dienaren van Christus. Blijkbaar waren dit Joodse mensen die beweerden dienaren van Christus te zijn. Paulus is er natuurlijk aan gewend geraakt om te zeggen: „Dat ben ik, dat ben ik, dat ben ik.” En nu gaat hij zelfs zeggen: „Ik ben meer een dienaar van Christus dan zij.” Maar hij beseft dat het zo tegen zijn eigen aard ingaat om erop te roemen dat hij een nederige dienaar is, dat hij zichzelf moet onderbreken en zeggen:

2 Korinthe 11:23

Zijn zíj dienaars van Christus? — ik spreek als een waanzinnige — ik sta boven hen ; in ingespannen arbeid veel vaker, in slagen bovenmate, in gevangenissen veel vaker, dikwijls in doods gevaar .

„Ik spreek niet zoals ik van nature zou willen spreken.” Maar als het erop aankomt, als we bekijken wie een dienaar van Christus is en wie niet, dan kan ik zeker meer aanspraak op die titel maken dan zij.

Daarmee bedoelt hij levensgevaarlijke situaties.

Vervolging en gevaren tijdens Paulus’ reizen

Illustratie bij: Paulus overleeft een schipbreuk op zee.
2 Korinthe 11:24

Van de Joden heb ik vijfmaal de veertig min één zweepslagen ontvangen.

Dat zijn negenendertig zweepslagen.

2 Korinthe 11:25-26

25Driemaal ben ik met de roede gegeseld, eenmaal ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een heel etmaal heb ik in volle zee doorgebracht. 26Op reis was ik vaak in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar van de kant van volksgenoten, in gevaar van de kant van heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders,

Dus Jood of heiden, het maakt geen verschil. Hij is nergens veilig.

Of als hij de stad verlaat om een veilige plek te zoeken, is hij:

in gevaar in de wildernis.

Als hij de zee opgaat, is hij:

in gevaar op zee. In gevaar onder mensen die zich voordeden als medegelovigen.

Als hij bij Joden is, zijn eigen volksgenoten, loopt hij gevaar. Als hij zich onder de heidenen begeeft, loopt hij gevaar. Als hij zich onder de gemeente begeeft, zijn daar zelfs valse broeders; hij loopt gevaar. Als hij in de stad is, is het niet veilig. Dus gaat hij naar de woestijn; daar is het niet veilig. Ga de zee op; daar is het niet veilig. Overal waar Paulus komt, wordt hij met gevaar geconfronteerd.

Hij zegt:

2 Korinthe 11:27

in inspanning en moeite, vaak in nachten zonder slaap, in honger en dorst, vaak in vasten, in koude en naaktheid.

Het klinkt niet alsof hij al van de welvaartsleer had gehoord, aangezien hij er niet van genoot.

Zorg voor de gemeenten en roemen in zwakheid

Illustratie bij: Paulus ontsnapt in een mand uit Damascus.
2 Korinthe 11:28-29

28Afgezien van wat van buitenaf komt, overvalt mij dagelijks de zorg voor alle gemeenten. 29Als iemand zwak is, zou ík dan omwille van hem niet zwak zijn? Struikelt iemand, zou ík dan niet branden van verontwaardiging ?

Paulus zegt: „Ik heb al deze uiterlijke verdrukkingen, maar eigenlijk is dat nog niet alles. Mijn medeleven en inlevingsvermogen ten opzichte van het volk van God zijn zo sterk dat ik, telkens wanneer ik hoor dat het met iemand slecht gaat of dat iemand lijdt, het zelf ervaar.” Zoals een man die uit medeleven pijn voelt wanneer zijn vrouw aan het bevallen is. Ik heb mannen gekend die in het ziekenhuis opgenomen moesten worden terwijl hun vrouw aan het bevallen was, omdat ze weeën hadden. Paulus zegt: „Wanneer iemand in de gemeente pijn lijdt, voel ik dat ook. Dus ik draag niet alleen mijn eigen beproevingen, maar ook die van alle anderen op mijn hart.”

Trouwens, veel van de dingen die hij daar beschrijft — dat hij vijf keer negenendertig zweepslagen van de Joden kreeg, of drie keer met stokken werd geslagen, of drie keer schipbreuk leed — geen van die dingen staat eigenlijk in het boek Handelingen opgetekend. Paulus heeft dus veel meer lijden doorgemaakt dan wat er in het boek Handelingen staat. Je zou kunnen zeggen: „Maar het boek Handelingen vertelt toch dat hij schipbreuk leed.” Niet zo vroeg, niet voordat hij 2 Korinthe schreef. Hij leed schipbreuk aan het einde van het boek Handelingen, maar voordat hij deze brief schreef, had hij al drie keer schipbreuk geleden. Daar verwijst hij hier naar terug. Hij heeft ontzettend veel lijden doorstaan, waarschijnlijk meer dan enige andere man van zijn generatie voor Christus.

Hij zegt:

2 Korinthe 11:30

Als er geroemd moet worden, dan zal ik roemen in mijn zwakheid.

Daar zal hij in hoofdstuk 12 meer over zeggen, hoe hij in zijn zwakheden roemt.

2 Korinthe 11:31-33

31De God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die te prijzen is tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg. 32In Damascus liet de stadhouder van koning Aretas de stad van de Damascenen bewaken, omdat hij mij gevangen wilde nemen; 33en door een venster werd ik in een mand door de muur neergelaten en ontvluchtte zo zijn handen.

Dit is ofwel gewoon een voorbeeld van zijn vele vormen van lijden, ofwel een voorbeeld van de vernedering die hij heeft ondergaan. Hij roemt in zijn zwakheid. Hij ondergaat vernedering. Hij moet vanwege de vervolgingen ontsnappen in een mand aan een muur. Maar dat is goed. Hij zal in deze dingen roemen, in deze zwakheden, deze vernederende dingen, en in het volgende hoofdstuk zal hij je vertellen waarom. Maar we zullen moeten wachten tot we bij het volgende hoofdstuk komen om te ontdekken waarom hij zo geneigd was om in zwakheden te roemen.

Herkomst

Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.

Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als 2 Corinthians 10 - 11. Beluister het origineel.

De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.

Hoe wil je deze lezing volgen?

Je kunt deze keuze altijd wijzigen in de speler.

We onthouden je voorkeur op dit apparaat.

De lezing wordt geladen…

Beeld en tekst laden…