1 Samuel 5-8
De ark keert terug, Israël wil een koning
Meer bij deze lezing
Van deze lezing bestaat een verzorgde PDF, met de bijbelteksten apart gezet en een inhoudsopgave: https://media.versvoorvers.org/1-samuel/5-8.pdf?v=a9e6f5431c84. Deze afdruk komt van https://versvoorvers.org/1-samuel/5-8.
Samenvatting
De terugkeer van de ark, Israëls bekering en het verlangen naar een koning.
Lees de volledige samenvatting
Steve Gregg bespreekt hoe God de Filistijnen door de aanwezigheid van de buitgemaakte ark treft en hen ertoe brengt die naar Israël terug te sturen. Hij benadrukt het verschil tussen vertrouwen op de ark als religieus voorwerp en vertrouwen op God, Die Israël na zijn bekering onder Samuels leiding van de Filistijnen verlost. Vervolgens behandelt hij de corruptie van Samuels zonen en het verzoek van het volk om een koning zoals de andere volken. Hij legt uit dat Israël daarmee God als Koning verwerpt en bespreekt Samuels waarschuwing voor de lasten die het koningschap zal meebrengen.
Israëls nederlaag en het verlies van de ark #
Welkom bij Vers voor Vers! Deze keer behandelen we 1 Samuel hoofdstuk 5 tot en met 8.
We pakken het verhaal weer op in 1 Samuel hoofdstuk 5. De ark is buitgemaakt in een veldslag die de Israëlieten onverstandig genoeg zelf tegen de Filistijnen waren begonnen. We weten niet waarom ze dat juist op dat moment deden. De Filistijnen waren er al heel lang. Ze hebben Israël zelfs veertig jaar lang onderdrukt. Voor zover wij weten, was er vóór die tijd geen moment geweest waarop het volk Israël zich tegen hen mobiliseerde en probeerde hen te verdrijven. Dit is vrij dicht bij het einde van die veertig jaar. Het is dus onverklaarbaar, tenzij het kwam doordat ze zagen dat de HEERE naar Silo was teruggekeerd.
Dat bleek uit het feit dat God nu sprak door een jonge profeet, Samuel, zoals Hij dat in de afgelopen tijd nooit had gedaan. Waarschijnlijk was er sinds de tijd van Mozes of Jozua geen vaste profeet in Israël geweest van wie de mensen wisten dat hij als profeet was aangesteld. Dat staat er ook echt in hoofdstuk 3, vers 20:
En heel Israël, van Dan tot Berseba toe, erkende dat Samuel aangesteld was tot profeet van de HEERE.
Hij was in die rol bevestigd. Ze hadden nooit iemand in die positie gehad, misschien sinds Debora. Debora was een profetes geweest, of ze profeteerde in elk geval. Maar deze profeet was verbonden aan Silo, aan de tabernakel. Daarom begonnen de mensen het gevoel te krijgen dat God na een lange afwezigheid was teruggekeerd.
Misschien kregen ze daardoor de moed om na zo'n lange tijd van onderdrukking in opstand te komen en te proberen de Filistijnen te verdrijven. Maar ze hadden zich misrekend. Ze hadden God verkeerd begrepen. God was er nog niet aan toe om hen te bevrijden, omdat zij er nog niet aan toe waren om in alle opzichten met God in het reine te komen zoals Hij dat van hen verwachtte. Ze liepen dus op de zaken vooruit. Toen God hun geen overwinning gaf, stelden ze hun vertrouwen op iets anders dan God, namelijk de ark van het verbond. Ze dachten dat die hen zou redden, maar dat deed hij niet. Hij werd buitgemaakt en de priesters werden gedood. De ark werd buitgemaakt. Er vond een grote slachting plaats, waarbij 30.000 Israëlieten op het slagveld omkwamen.
Toen Eli vervolgens over de dood van zijn twee zonen hoorde, viel hij zelf achterover, brak zijn nek en stierf. Een van de twee priesters die op het slagveld waren gedood, Pinehas, had een vrouw die op dat moment zwanger was. Het nieuws over de dood van haar man schokte haar zo en deed haar zo veel verdriet dat haar bevalling begon, naar het schijnt te vroeg. Blijkbaar niet zo vroeg dat het gevaarlijk was voor het kind. Maar in feite bracht het de bevalling op gang. Ze kreeg het kind en stierf bij de bevalling, maar niet voordat ze hem de naam Ikabod had gegeven om de tragedie van die dag in herinnering te houden. Zoals ze zei:
21En zij noemde het jongetje Ikabod, en zei: De eer is weggevoerd uit Israël. Dit zei ze , omdat de ark van God meegenomen was, en vanwege haar schoonvader en haar man. 22En zij zei: De eer is weggevoerd uit Israël, want de ark van God is meegenomen.
Dat betekent Ikabod: geen heerlijkheid.
De ark als trofee in de tempel van Dagon #
De Filistijnen hadden de ark van God als buit meegenomen en hem van Eben-Haëzer naar Asdod gebracht.
Asdod was een van de vijf Filistijnse steden op de kustvlakte van de Middellandse Zee in het land Palestina.
Vervolgens namen de Filistijnen de ark van God, brachten hem in het huis van Dagon en plaatsten hem bij Dagon.
Bijbeluitleggers hebben altijd gezegd dat Dagon een visgod was. Veel deskundigen zeggen dat het beeld van Dagon de vorm van een vis had, behalve dat het een mensenhoofd had, een bebaard mensenhoofd, en mensenhanden. Ik weet niet precies hoe die waren aangebracht. Ik weet niet precies hoe ze dit weten. Je zou denken dat ze zulke specifieke dingen alleen kunnen zeggen als ze bij archeologische opgravingen beelden hebben gevonden, maar ik weet niet zeker of dat zo is. Moderne geleerden trekken soms in twijfel of Dagon een visgod was, of een vruchtbaarheidsgod. Vroeger dacht men dat het woord Dagon gebaseerd was op het Hebreeuwse woord dag dat vis betekent.
De Filistijnen waren natuurlijk zeevaarders. Het waren mensen van de zee. Zo waren ze vanuit Klein-Azië in Palestina terechtgekomen. Ze waren over zee naar Kreta gereisd en vervolgens van Kreta naar verschillende plaatsen aan de zuidoostelijke kust van de Middellandse Zee. Velen van hen hadden zich in Israël gevestigd.
Of het een visgod was of niet, weet ik niet. Maar het feit dat moderne geleerden daaraan twijfelen, doet me afvragen of ze wel zulke beelden hebben gevonden. Je zou denken dat ze, als ze beelden van hem hadden gevonden, snel zouden kunnen bevestigen of ontkennen dat hij de vorm van een vis had. Ik weet echt niet wat voor archeologische ontdekkingen er over Dagon zijn gedaan. Maar de traditionele beschrijving van de oudere Bijbeluitleggers is dat het een visvormig beeld was met mensenhanden en een mensenhoofd.
Ze brachten de ark dus de tempel van Dagon binnen, duidelijk als een trofee. Ze geloofden dat de ark de tegenwoordigheid van Jahweh Zelf was en dat hun beeld van Dagon de tegenwoordigheid van hun god zelf was. Hun god had hun de overwinning gegeven op het volk van Jahweh. Zo werd oorlog in die dagen uitgelegd. Elk volk had zijn eigen god, en welk volk er ook won, daarmee was bewezen dat zijn god sterker was dan de god van het andere volk.
Dus God onderwierp Zich hier in feite tijdelijk aan het feit dat Hij verkeerd begrepen werd. Hij gaf de Filistijnen zelfs de indruk dat hun god groter was dan Hij. Ze brengen de ark als een trofee van Dagons overwinning de tempel binnen en zetten die voor Dagon neer. Maar als God hun dan even toestond te denken dat hun god sterker was dan Hij, liet Hij hen niet erg lang in die waan. Want er staat:
Dagon valt neer voor de ark #
Maar toen de inwoners van Asdod de andere dag vroeg opstonden, zie, Dagon was op zijn gezicht ter aarde gevallen vóór de ark van de HEERE. En zij namen Dagon en zetten hem weer op zijn plaats.
Met andere woorden, het beeld was voorovergevallen en lag languit op de grond, zoals iemand die aanbidt dat zou doen. Iemand die aan een koning onderworpen was, ging languit voor hem op de grond liggen om barmhartigheid te vragen, of eenvoudig om hem als koning eerbied te betonen. Het was gebruikelijk dat de hovelingen van een koning zich met hun gezicht naar de grond neerwierpen. En soms wierpen mensen die tot God baden zich ook met hun gezicht naar de grond neer. Dat was de houding waarin het beeld van Dagon voor de ark van God was neergevallen.
Dus wat deden ze?
Het is alsof ze het niet begrepen. Ze dachten: ‘O, nou, het zal wel een aardbeving zijn geweest.’
Toen zij de volgende dag 's morgens vroeg opstonden, zie, Dagon lag op zijn gezicht ter aarde gevallen vóór de ark van de HEERE. Maar het hoofd van Dagon en zijn beide handpalmen lagen afgehakt op de drempel; alleen Dagons romp was op zijn plaats overgebleven.
Dus als de traditionele opvatting klopt dat het een mensenhoofd en mensenhanden had, waren de menselijke delen van het vissengedeelte afgebroken en op de drempel neergelegd. Waarom? Dat weet ik niet. Ik weet niet zeker wat de symboliek is, behalve dat het in het verhaal lijkt te worden voorgesteld als iets wat een daad van God was. Natuurlijk had het uitgelegd kunnen worden als het werk van vandalen. Maar het zou wel erg toevallig zijn dat vandalen juist die nacht, toen de ark daar was, zouden komen om dat te doen. De Hebreeën zouden de enigen zijn die een motief hadden om zoiets te doen, en zij hadden hier geen toegang. Ze waren voor de Filistijnen gevlucht en waren geen vernielingen aan het aanrichten in de tempel van Dagon. Dit is dus bovennatuurlijk: God bewees in de tempel van Dagon wie Hij was.
Daarom betreden de priesters van Dagon en allen die in het huis van Dagon komen, de drempel van Dagon in Asdod niet, tot op deze dag.
Kennelijk werd de tempel van Dagon in Asdod nog door de Filistijnen gebruikt toen dit geschreven werd. Askelon was ook een stad, maar dit is Asdod. De schrijver zegt dat ze tegenwoordig de gewoonte hebben ervoor te zorgen dat ze niet op de drempel van de deuropening stappen. Waarom? Omdat het hoofd en de handen van hun god daar ooit lagen. Daardoor is die heilig geworden, en dus stappen ze er niet op.
Maar de schrijver zegt: ‘Is het je weleens opgevallen dat de Filistijnen daar niet op stappen? Heb je je ooit afgevraagd waarom dat zo is?’ Dat komt doordat het hoofd en de handen van Dagon daar ooit lagen, toen de ark van het verbond daar in gevangenschap was. In zekere zin wordt de waarheid van dit verhaal dus voortdurend bevestigd doordat de Filistijnen dit gebruik blijven voortzetten. Dat is wat de schrijver zegt.
Plagen in de Filistijnse steden #
6En de hand van de HEERE drukte zwaar op de inwoners van Asdod en teisterde hen; Hij trof hen, namelijk Asdod en de bijbehorende gebieden, met gezwellen. 7Toen de mannen van Asdod zagen dat het er zo aan toeging , zeiden zij: Laat de ark van de God van Israël niet bij ons blijven, want Zijn hand drukt hard op ons en op Dagon, onze god.
God doet gemeen tegen onze god en tegen ons.
Daarom stuurden zij boden , brachten al de stadsvorsten van de Filistijnen bijeen en zeiden: Wat zullen wij met de ark van de God van Israël doen? En die zeiden: Laat de ark van de God van Israël naar Gath overgebracht worden. Daarop brachten zij de ark van de God van Israël daarheen over.
Een andere stad van de Filistijnen.
En het gebeurde, nadat zij hem overgebracht hadden, dat de hand van de HEERE op de stad drukte en er een zeer grote verwarring ontstond , want Hij trof de inwoners van die stad van klein tot groot: zij kregen gezwellen.
Dat zou dan kennelijk ook in Gath zijn.
Dan staat er:
Toen stuurden zij de ark van God naar Ekron. Het gebeurde echter, toen de ark van God in Ekron kwam, dat de inwoners van Ekron het uitschreeuwden: Zij hebben de ark van de God van Israël naar mij overgebracht om mij en mijn volk te doden.
Kennelijk was haar reputatie haar al vooruitgegaan naar Ekron: overal waar de ark kwam, bracht ze dodelijke plagen over de mensen.
11Daarom stuurden zij boden , brachten al de stadsvorsten van de Filistijnen bijeen, en zeiden: Stuur de ark van de God van Israël weg, en laat hem terugkeren naar zijn eigen plaats, zodat hij mij en mijn volk niet zal doden. Er was namelijk een dodelijke verwarring in de hele stad; de hand van God drukte er zeer zwaar. 12De mensen die niet stierven, werden getroffen met gezwellen, zodat het hulpgeroep van de stad opsteeg naar de hemel.
Het blijkt dat dit mogelijk de builenpest was die God over hen bracht. Hoewel het ons nog niet verteld is, wordt in hoofdstuk 6 duidelijk dat er ratten of muizen bij hun plagen betrokken waren. Blijkbaar kwamen er overal waar de ark kwam veel van die muizen, en brak de pest uit. De builenpest wordt natuurlijk overgebracht door vlooien op dieren zoals muizen of eekhoorns of ratten of iets dergelijks. Het was een dodelijke plaag, maar ze hadden die gezwellen. Volgens mij worden die in de King James aambeien genoemd. Maar misschien zaten ze slechts op één plek op het lichaam, misschien ook niet. Ze zaten mogelijk over het hele lichaam, en het was een afschuwelijke manier om te sterven. Het gebeurde overal waar de ark kwam.
Nu staat er in hoofdstuk 6:
Het schuldoffer van de Filistijnen #
Toen de ark van de HEERE zeven maanden in het land van de Filistijnen geweest was,
Ze hebben het er lang mee uitgehouden. Onder die omstandigheden zou ik het, denk ik, niet zo lang laten duren. Maar blijkbaar bleef de ark een tijdje in Asdod voordat de pest zich verspreidde en voordat ze in hun gedachten het verband legden met de aanwezigheid van de ark. Zo duurde het ook een tijdje voordat de pest zich verspreidde toen de ark naar de andere steden ging, Gath of Ekron. In totaal was de ark dus zeven maanden in het land van de Filistijnen.
riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers, en zij vroegen: Wat zullen wij met de ark van de HEERE doen? Laat ons weten waarmee wij hem naar zijn eigen plaats moeten terug sturen.
Die priesters en waarzeggers waren natuurlijk magiërs en occultisten. Maar God gebruikte de heidense occultisten vaak om de waarheid te spreken. Dat betekent niet dat waarzeggerij en het occulte goed of in orde zijn. Maar als God de waarheid bekend wilde maken en mensen die bronnen raadpleegden, kon Hij de waarheid bij hen laten komen. Zoals toen Saul een heks in Endor raadpleegde en Samuel wilde laten oproepen. Blijkbaar kwam Samuel echt, omdat God iets had wat Hij door Samuel tegen Saul wilde zeggen. Hier gaven deze waarzeggers dus een woord dat juist blijkt te zijn.
3Zij zeiden: Wanneer u de ark van de God van Israël terug stuurt, stuur hem dan niet leeg terug , maar doe Hem beslist een schuldoffer toekomen; dan zult u genezen worden en zal u bekend zijn waarom Zijn hand niet van u wijkt. 4Toen zeiden zij: Wat voor schuldoffer zullen wij Hem doen toekomen? Zij zeiden: Vijf gouden gezwellen en vijf gouden muizen, overeenkomstig het aantal stadsvorsten van de Filistijnen, want een en dezelfde plaag treft u allen en uw stadsvorsten.
Dat klinkt niet erg vleiend voor de vorsten van de Filistijnen. Stuur vijf gouden ratten, overeenkomstig de vijf vorsten van de Filistijnen. Het klinkt bijna alsof de ratten de vorsten voorstellen. Maar dat is niet zo. Volgens mij deden ze dat omdat er een rattenplaag was.
Maak beeldjes van uw gezwellen en beeldjes van uw muizen die het land te gronde richten, en geef eer aan de God van Israël. Misschien zal Hij de druk van Zijn hand op u, op uw goden en op uw land verlichten.
Dus als je de God van Israël gunstig stemt, houdt Hij misschien op je god en je land te straffen. Het kwam vaak voor dat de heidenen erkenden dat Jahweh hun eigen goden overtrof. Maar het kwartje leek bij hen nooit te vallen: misschien moeten we Jahweh dienen in plaats van onze goden, aangezien Hij een betere God is. Hij is sterker. Maar dat komt door nationalisme. Het komt doordat ze een nationale god hadden. Het is net zoals je je niet tegen je eigen land keert. Je keert je ook niet tegen je eigen nationale god. Je kunt ontdekken dat je land zwakker is dan een ander land, maar je blijft toch trouw aan je land. Zo erkenden ze het ook als hun god zwakker was dan Jahweh. Maar ze bleven toch aanbidders van Dagon, die duidelijk de mindere is.
Er staat in vers 6:
De proef met de koeien en de wagen #
6Waarom zou u uw hart onvermurwbaar maken, zoals de Egyptenaren en de farao hun hart onvermurwbaar maakten? Lieten zij hen niet wegtrekken, toen Hij Zijn macht aan hen bewees, zodat zij konden gaan? 7Nu dan, neem een nieuwe wagen, maak die gereed , en neem twee zogende koeien, waarop nog geen juk gekomen is; span de koeien voor de wagen en breng hun kalveren achter hen vandaan terug naar huis. 8Neem dan de ark van de HEERE, zet hem op de wagen, en leg de gouden voorwerpen die u Hem als schuldoffer doet toekomen, in een kistje ernaast. Stuur hem vervolgens terug en laat hem gaan. 9Let dan op: als de ark de weg naar het gebied van Beth-Semes inslaat, heeft Híj ons dit grote kwaad aangedaan. Maar zo niet, dan weten wij dat niet Zijn hand ons getroffen heeft; dan is het ons toevallig overkomen.
Ze waren er niet honderd procent zeker van dat dit het werk van Jahweh was, maar het was de beste theorie. Maar ze dachten: ‘Nou, misschien kan het toeval zijn, en daar komen we gemakkelijk genoeg achter. We zetten de ark op een wagen. We maken een nieuwe wagen, zodat we de ark eer bewijzen door hem geen oud model te geven. We geven hem een nieuw, glanzend model, zo uit de showroom. En we spannen er twee koeien voor die nog nooit onder het juk hebben gelopen. Dat wil zeggen: ze weten niet hoe ze een wagen moeten trekken. Ze zijn nooit afgericht om iets te trekken.’
Dit zijn koeien. Het zijn melkkoeien. Ze hebben nog nooit iets getrokken. Ze zijn nog nooit op die manier gebruikt. We zullen ze onder een juk zetten en kijken of ze weten wat ze moeten doen. Maak het hun ook nog wat moeilijker. Haal hun kalveren bij hen weg en zet die in de stal. De koeien zullen natuurlijk naar hun kalveren toe willen. Ze zullen hun kalveren horen roepen en naar hen toe willen. Maar er staat:
Als ze niet naar hun kalveren gaan, maar de kar trekken en naar Beth-Semes gaan, waar de Israëlieten zijn, dan is het duidelijk. Ze hebben immers nooit geleerd een kar te trekken. Dan is dat voor ons een teken dat dit Gods werk was. Als ze doen wat je normaal van koeien zou verwachten en helemaal in de war raken onder het juk en proberen terug te gaan naar hun kalveren, dan weten we dat God hier niets mee te maken heeft gehad. Dan was het gewoon toeval.
Het idee dat het toeval was, lijkt natuurlijk niet erg redelijk. Maar mensen die zich vastklampen aan een laatste sprankje hoop dat God niet bestaat, schrijven vaak heel goddelijke vermogens toe aan het toeval. Daaronder vallen het ontstaan van leven uit niets en de evolutie van de mens uit lagere wezens. Hoe waarschijnlijk is dat? Niet erg waarschijnlijk, maar we moeten daar wel in meegaan. Anders moeten we Jahweh erkennen. Als we God niet willen erkennen, moeten we zulke dingen aan het toeval toeschrijven. Zo hielden ze voor zichzelf een uitweg open.
Maar als het Jahweh was, wilden ze niet nog meer problemen met Hem krijgen dan ze al hadden. Daarom wilden ze de ark hun land uit hebben. Het was niet echt iets waar ze baat bij zouden hebben als ze het hielden. Hooguit als statussymbool dat ze Jahweh hadden overwonnen. Maar het was heel duidelijk dat ze Hem niet hadden overwonnen. Hij had hen overwonnen.
Gods eer en het vervoer van de ark #
De Israëlieten hadden de ark als een soort voorwerp met macht beschouwd, in plaats van Jahweh. En tegenover hen had die geen macht getoond. De ark had hen niet van de Filistijnen verlost. Maar toen die eenmaal was buitgemaakt, trad God wel door de ark op om Dagon en zijn aanbidders te vernederen en pijnlijke plagen over de mensen te brengen. Hij was immers met de ark verbonden. Die was namelijk het symbool van Zijn aanwezigheid, en daarom stond Zijn reputatie op het spel.
Dus de ark van God, die voor de Israëlieten niets goeds leek te doen, boezemde de Filistijnen waarschijnlijk geen angst meer in. Toen de Filistijnen voor het eerst zagen dat de Israëlieten de ark het kamp hadden binnengebracht, waren ze doodsbang. Ze zeiden:
7werden de Filistijnen bevreesd, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want iets dergelijks is er sinds jaar en dag niet gebeurd. 8Wee ons, wie zal ons redden uit de hand van deze machtige goden? Dit zijn dezelfde goden die de Egyptenaren met alle plagen getroffen hebben, bij de woestijn. 9Filistijnen, vat moed en wees mannen, anders zult u de Hebreeën moeten dienen zoals zij u gediend hebben. Wees mannen, en strijd!
Maar ze merkten dat ze de ark vrij gemakkelijk konden buitmaken. Daardoor leek God uiteindelijk toch behoorlijk zwak. Maar ik denk dat ze merkten dat de ark hun toch wat te heet onder de voeten werd. Daarom moesten ze proberen ervan af te komen. Ze zetten hem op een wagen.
De ark op een wagen vervoeren is niet de juiste manier om dat te doen. In de Schrift was geboden dat de ark op de schouders van priesters gedragen moest worden, met draagstokken die door ringen aan de zijkant waren gestoken. Vier priesters moesten de ark op hun schouders dragen. Maar de Filistijnen waren natuurlijk niet op de hoogte van de wet. Zij vervoerden dingen zoals de meeste mensen dat deden, op wagens. Dus zetten ze de ark op een wagen, en God stond het toe. God kwam hun daarin tegemoet. Dit zou voor hen een teken zijn dat Hij het werkelijk was, want dat met die wagen zou werken, en die zou de ark naar huis brengen.
Maar toen David op een later tijdstip de ark naar Jeruzalem wilde brengen, zette hij hem op een wagen. Dat liep uit op een ramp, omdat hij niet deed wat God over het vervoeren van de ark had gezegd. Bij die gebeurtenis stierf een man. Toen David de ark later met succes overbracht, werd die op de schouders van de priesters gedragen. Maar het lijkt erop dat de fout die David de eerste keer maakte, was dat hij het voorbeeld van de Filistijnen volgde door de ark op een wagen te zetten. ‘Het werkte goed voor de Filistijnen. Misschien moeten wij het ook zo doen.’
God kwam de Filistijnen tegemoet om de ark uit Filistea en weer in handen van de Israëlieten te krijgen. Maar Hij stond Zijn volk niet toe om dat te doen, omdat zij het Woord van de Heere hadden. Zij hadden beter moeten weten.
Nu vers 10:
De ark keert terug naar Beth-Semes #
10Zo deden die mannen; zij namen twee zogende koeien en spanden die voor de wagen, maar hun kalveren sloten zij in huis op. 11Zij zetten de ark van de HEERE op de wagen, evenals het kistje met de gouden muizen en de beeldjes van hun gezwellen.
Ik vraag me af of de goudsmeden die deze maakten ooit eerder zo'n opdracht hadden gekregen. ‘We willen graag vijf gezwellen, alstublieft. Gouden afbeeldingen van gezwellen.’ Zou dat niet gewoon een klomp goud zijn? Wat is een gezwel? Heeft het onderscheidende kenmerken? Ratten, daar zou meer vakmanschap voor nodig zijn. Maar ik zou waarschijnlijk gemakkelijk genoeg een afbeelding van een gezwel kunnen maken uit klei of zoiets. Gezwellen zijn geen erg gedetailleerde modellen om als beeldhouwer na te maken. Maar ze namen deze gouden ratten en gouden afbeeldingen van de gezwellen mee.
De koeien liepen regelrecht, in één spoor, de weg langs, op weg naar Beth-Semes; zij liepen al loeiend steeds maar door en weken niet af naar rechts of naar links. De stadsvorsten van de Filistijnen liepen erachteraan, tot aan het gebied van Beth-Semes.
Dat wil zeggen, ze loeiden klagend, waarschijnlijk om hun kalfjes, maar ze gingen niet naar hen toe. God trok ze de goede kant op, en ze misten hun kalfjes.
De Filistijnse stadsvorsten volgden de koeien zo ver als ze konden, om te zien of ze inderdaad naar de verwachte bestemming gingen.
13De inwoners van Beth-Semes waren de tarweoogst aan het maaien in het dal. Toen zij hun ogen opsloegen en de ark zagen, waren zij verheugd die te zien. 14De wagen kwam op de akker van Jozua, de Beth-Semiet, en bleef daar staan. Er was daar een grote steen, en zij kloofden het hout van de wagen en offerden de koeien als brandoffer aan de HEERE.
De Levieten namen de ark van de HEERE van de wagen af, en het kistje dat daarbij was, waarin de gouden voorwerpen waren, en zetten ze op die grote steen; en op die dag brachten de mannen van Beth-Semes brandoffers en brachten slachtoffers voor de HEERE.
16Toen de vijf stadsvorsten van de Filistijnen dat gezien hadden, keerden zij diezelfde dag terug naar Ekron. 17Dit zijn de gouden gezwellen die de Filistijnen de HEERE als schuldoffer hebben doen toekomen: voor Asdod één, voor Gaza één, voor Askelon één, voor Gath één, voor Ekron één; 18en verder de gouden muizen, overeenkomstig het aantal van alle steden van de Filistijnen, onder het gezag van de vijf stadsvorsten, van de versterkte steden tot de niet-ommuurde dorpen, en tot aan Abel, de grote steen waarop zij de ark van de HEERE neergezet hadden, die zich tot op deze dag op de akker van Jozua, de Beth-Semiet, bevindt.
Gods oordeel over het kijken in de ark #
Vervolgens staat er: ‘Hij’. Daarmee wordt kennelijk God bedoeld.
Maar de HEERE doodde sommigen van de mannen van Beth-Semes, omdat zij in de ark van de HEERE hadden gekeken. Hij doodde van het volk zeventig man van de vijftigduizend man. Toen bedreef het volk rouw, omdat de HEERE het volk een grote slag had toegebracht.
Dit aantal lijkt buitensporig. Sterker nog, het lijkt eigenlijk nogal wreed en ongebruikelijk dat God überhaupt mensen doodt omdat ze in de ark kijken. Maar alleen omdat God de ark terugbrengt, betekent dat nog niet dat ze Zijn aanwijzingen kunnen negeren. Geen enkel gewoon mens mocht ooit de ark aanraken. Om in de ark te kijken, moesten ze vermoedelijk het verzoendeksel verwijderen, dat het deksel ervan was, en erin kijken. Dat was iets wat ze niet mochten doen. Ze deden het gewoon uit ziekelijke nieuwsgierigheid. Ze mochten hem niet aanraken, maar ze deden het toch. Je weet nog dat Uzza bij een bepaalde gelegenheid de ark had aangeraakt om hem tegen te houden, en hij werd met de dood getroffen. Dus alleen omdat God de ark Zijn gunst had bewezen door hem terug te brengen naar het land, betekende dat nog niet dat mensen er zomaar onzorgvuldig mee konden omgaan. Dus omdat ze erin keken, bracht God een oordeel over hen.
Het dodental en fouten bij het overschrijven #
Wat dat aantal van 50.070 mannen betreft, hebben commentatoren geopperd dat er op de een of andere manier iets mis is met het aantal dat hier staat, dat het Hebreeuws verkeerd is gelezen. Heel vaak is de tekst, vooral in de historische boeken, zoals men dat noemt, corrupt geraakt. Daarmee wordt bedoeld dat er delen van de tekst zijn die moeilijk te lezen zijn, of waar verschillende handschriften een verschillende lezing hebben. Er zijn aanwijzingen dat iemand die het origineel overschreef, bij het maken van de kopie de een of andere fout heeft gemaakt. Dat geldt voor een aantal kleinere bijzonderheden in het verhaal.
Een van de dingen waarbij je volgens hen het gemakkelijkst zulke overschrijffouten maakt, zijn bepaalde getallen. Want in de Hebreeuwse tekst worden getallen en letters door elkaar gebruikt. Dat wil zeggen, als je een getal wilt weergeven, moet je daarvoor tekens van het alfabet gebruiken. Hetzelfde geldt voor het Latijn, zoals we weten wanneer we Romeinse cijfers zien. Wat zijn Romeinse cijfers? Het zijn letters van het alfabet: L, X, V, C. Maar ze dienen ook als getallen. Dus de Latijnen deden hetzelfde als de Hebreeën en gebruikten letters van hun alfabet voor getallen.
Het probleem is dat bepaalde getallen of bepaalde letters van het Hebreeuwse alfabet in veel gevallen erg op elkaar lijken. Ze zien er bijna hetzelfde uit, zoals onze hoofdletter Q en hoofdletter O erg op elkaar lijken. Of een hoofdletter C en een hoofdletter G kunnen gemakkelijk zo worden geschreven dat ze erg op elkaar lijken. Soms leest een kopiist de letters van het alfabet verkeerd en schrijft hij de verkeerde op. Vervolgens wordt zijn kopie het voorbeeld waarvan andere kopieën worden gemaakt, en zo blijft de fout voortbestaan.
Dit gebeurt bij lange na niet zo vaak als sommige mensen denken wanneer ze speculeren over hoezeer de tekst van de Bijbel corrupt is geraakt doordat er kopie na kopie na kopie is gemaakt. Maar het is wel af en toe gebeurd. Dat is aantoonbaar. Je kunt passages zien waar dat duidelijk is gebeurd, waar twee parallelle passages iets verschillends zeggen, maar toch genoeg op elkaar lijken om te kunnen zien waar de fout is gemaakt.
Dus sommige geleerden denken dat dit misschien verkeerd is gelezen. Misschien waren het er geen 50.000. Misschien was het aantal iets anders. Sommigen denken misschien dat het om 50 leiders of 50 clans ging, of zoiets, in plaats van 50.000. Het woord ‘duizend’ is soms verkeerd begrepen en anders gelezen. Dus ik weet niet of het 50.070 mannen waren, of dat sommige commentatoren gelijk hebben dat dit een tekstcorruptie zou kunnen zijn en het aantal kleiner zou zijn dan dat.
Hoewel het niet onmogelijk is dat iedereen in de stad, mogelijk 50.000 mensen of meer, met de ark in hun stad in de rij zou zijn gaan staan om erlangs te lopen en er uit nieuwsgierigheid in te kijken. Het zou iets bezienswaardigs zijn, zoals wanneer het circus naar de stad komt. Hun boerenleven is behoorlijk saai. Er gebeurt niet veel buiten het gewone. En daar is de ark van het verbond. Die verschijnt op bovennatuurlijke wijze in hun stad, nadat hij bij de Filistijnen in gevangenschap is geweest. Iedereen zou hem misschien willen zien. Dus misschien hadden ze letterlijk het deksel eraf gehaald en iedereen die hem wilde zien erlangs laten lopen om erin te kijken. Het kunnen er 50.000 of meer zijn geweest. Als dat zo is, zou dat de bevolking van de stad waarschijnlijk ernstig hebben getroffen.
Vers 20:
De ark in Kirjath-Jearim en Israëls bekering #
20Toen zeiden de mannen van Beth-Semes: Wie zou kunnen bestaan voor het aangezicht van de HEERE, deze heilige God? En naar wie van ons zal hij gaan? 21Zij stuurden boden naar de inwoners van Kirjath-Jearim om te zeggen: De Filistijnen hebben de ark van de HEERE teruggebracht; kom en haal hem op naar u toe.
Er kwamen ongetwijfeld priesters. Er staat:
Toen kwamen de mannen van Kirjath-Jearim, haalden de ark van de HEERE en brachten die in het huis van Abinadab, op de heuvel; en zij heiligden zijn zoon Eleazar om voor de ark van de HEERE zorg te dragen.
De ark van de HEERE bleef daar twintig jaar. Mogelijk is hij in de tijd van Saul verplaatst, maar hij werd pas in de tijd van David naar Jeruzalem gebracht.
En het gebeurde vanaf de dag dat de ark in Kirjath-Jearim bleef, dat er veel dagen verliepen — het werden twintig jaren — en het hele huis van Israël wendde zich klagend tot de HEERE.
Dat wil zeggen, ze leken zich eindelijk te bekeren. God was al begonnen door een profeet te spreken, maar dat had nog niet tot nationale bekering geleid. Daarom ging het hun niet goed af in de strijd tegen de Filistijnen. Ze keerden zich duidelijk niet tot de Heere. Ze zochten hun toevlucht tot religieuze relikwieën en vertrouwden erop dat die hun kracht zouden geven wanneer God tekortschoot. Maar nu bekeerden ze zich. Nu treurden en weeklaagden ze om de Heere.
Toen sprak Samuel tot het hele huis van Israël: Als u zich met uw hele hart tot de HEERE bekeert, doe dan de vreemde goden uit uw midden weg, ook de Astartes, richt uw hart op de HEERE en dien Hem alleen. Dan zal Hij u uit de hand van de Filistijnen redden.
Zie je, ze hadden ook andere goden in hun midden. De ark werd bijna als nog een god behandeld. In hun gedachten was de HEERE met de ark verbonden. Ze hadden ook afgodsbeelden van andere goden. De HEERE was bij deze specifieke gelegenheid de God van hun keuze. Daarom faalden ze.
Deze uitspraak dat mensen de goden uit hun midden moesten wegdoen, kom je vaak tegen. Jozua zei hetzelfde tegen het volk Israël. Zelfs Jakob zei het tegen zijn huisgenoten toen hij naar Bethel ging om aan de Heere te offeren. Hij zei tegen zijn huisgenoten dat ze de vreemde goden uit hun midden moesten wegdoen. Het leek wel alsof vreemde goden steeds het godsdienstige leven van Israël binnenslopen, zoals kakkerlakken een keuken binnensluipen. Die vreemde goden leken telkens weer binnen te dringen. Van tijd tot tijd moesten ze die weer wegdoen. Opnieuw schoon schip maken. De ongediertebestrijder erbij halen.
Blijkbaar waren de veertig jaar van onderdrukking door de Filistijnen veertig jaar geweest waarin zij op godsdienstig gebied compromissen hadden gesloten. In die tijd hadden ze niet alleen de HEERE gediend.
4Daarop deden de Israëlieten de Baäls en de Astartes weg, en zij dienden de HEERE alleen. 5Verder zei Samuel: Roep heel Israël in Mizpa bijeen, dan zal ik voor u tot de HEERE bidden. 6Zij kwamen in Mizpa bijeen, schepten water en goten het uit voor het aangezicht van de HEERE. Zij vastten op die dag en zeiden daar: Wij hebben tegen de HEERE gezondigd. Zo gaf Samuel leiding aan de Israëlieten in Mizpa.
God verslaat de Filistijnen bij Mizpa #
7Toen de Filistijnen hoorden dat de Israëlieten in Mizpa bijeengekomen waren, trokken de stadsvorsten van de Filistijnen tegen Israël op. Toen de Israëlieten dat hoorden, werden zij bevreesd voor de Filistijnen. 8En de Israëlieten zeiden tegen Samuel: Laat toch niet na voor ons te roepen tot de HEERE, onze God, opdat Hij ons zal verlossen uit de hand van de Filistijnen.
Ze hadden zich daar in Mizpa opnieuw aan de Heere gewijd, blijkbaar tijdens een enorme bijeenkomst. De Filistijnen, die formeel hun overheersers waren, vertrouwden zo'n enorme bijeenkomst niet. Het leek hun waarschijnlijk een militaire mobilisatie. Het is moeilijk te zeggen wat de Filistijnen ervan dachten, maar het idee dat de Israëlieten in zulke grote aantallen samenkwamen, stond hun gewoon niet aan. Zoiets zou tot een opstand kunnen leiden. Dus deze keer gingen de Filistijnen tot de aanval over. Het volk besloot deze keer op de HEERE te vertrouwen in plaats van op de ark.
9Toen nam Samuel een melklammetje en offerde het in zijn geheel als brandoffer voor de HEERE. Samuel riep tot de HEERE voor Israël en de HEERE verhoorde hem. 10En het gebeurde, toen Samuel dat brandoffer bracht, dat de Filistijnen de strijd aanbonden met Israël. Maar de HEERE deed op die dag een machtige donder rollen over de Filistijnen. Hij bracht hen in verwarring, zodat zij door Israël verslagen werden. 11En de mannen van Israël trokken uit Mizpa, achtervolgden de Filistijnen en versloegen hen tot onder Beth-Kar. 12Toen nam Samuel een steen en plaatste die tussen Mizpa en Sen; hij gaf hem de naam Eben-Haëzer en zei: Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen.
Ebenezer betekent in het Hebreeuws ‘de steen van hulp’. Dus het woord ‘hulp’ is hier het sleutelwoord. [Vertalersnoot: de spreker vat hier de donder en verwarring uit vers 10 en de achtervolging uit vers 11 samen als wegrennen.]
Wanneer er staat dat de Heere tegen de Filistijnen donderde en hen in verwarring bracht en dat ze wegrenden, kan dat op ons overkomen alsof ze een beetje laf waren. Waarom slaat een leger op de vlucht voor een onweersbui? Er kunnen ook bliksemschichten zijn geweest. Donder volgt meestal op bliksem, dus het kan zijn dat God tijdens een onweersbui daadwerkelijk Filistijnen met de bliksem trof. Doordat de bliksem leden van hun leger doodde, terwijl het ook voortdurend donderde, zagen ze het misschien als een voorteken dat God tegen hen was. Ze hadden tenslotte kort daarvoor gezien wat er met hen gebeurde toen ze de ark in hun bezit hadden. De Filistijnen wisten duidelijk dat Jahweh machtiger was dan hun god. Dus toen ze zo’n teken zagen, een storm die tegen hen opkwam en waarschijnlijk sommigen van hen neersloeg, misschien wel velen van hen, sloegen ze op de vlucht. De Israëlieten achtervolgden hen en maakten het af.
Dus God verloste Israël voor het eerst van de Filistijnen onder Samuels leiding. En hij richtte een steen op, niet als een gedenkteken voor zichzelf, maar als een gedenkteken voor God, Die hen had geholpen.
De betekenis van ‘niet meer’ in de Bijbel #
Zo werden de Filistijnen vernederd, en zij kwamen niet meer in het gebied van Israël, want al de dagen van Samuel was de hand van de HEERE tegen de Filistijnen.
Wanneer er staat dat ze niet meer in het gebied van Israël kwamen, kwamen ze dat in zekere zin toch wel. Je had David en Goliath; dat was een zaak met de Filistijnen. Saul vocht tegen de Filistijnen en werd door hen gedood in het land Israël. We zien dit soort formuleringen een aantal keren in de Bijbel:
Niet meer.
Dat betekent niet nooit meer, onder geen enkele omstandigheid. Het betekent niet meer gedurende de periode waar het hier over gaat. Er staat:
In de tijd van Samuel.
Maar zelfs toen waren er oorlogen. Er was een periode waarin de Filistijnen niet meer kwamen, maar later kwamen ze wel weer.
Denk eens terug aan het boek Richteren, toen het volk tot God riep en Hij zei:
En toch hebt u Mij verlaten en andere goden gediend. Daarom zal Ik u niet meer verlossen.
Maar toen veranderde Hij van gedachten, omdat Hij medelijden met hen kreeg. De Bijbel gebruikt dus vaak de uitdrukking ‘niet meer’, maar die is niet werkelijk absoluut en universeel en eeuwig. Het gaat erom dat iets voorlopig niet meer gebeurt. Dat is echt wat het betekent. En dat is belangrijk, want er zijn momenten in de profeten waarop God zegt dat Hij iets niet meer zal doen. Mensen vatten dat soms ten onrechte op als een blijvend, eeuwig besluit. En dat is het niet, net zomin als hier. Het is gewoon een manier van spreken.
Vers 14:
De steden die de Filistijnen van Israël afgenomen hadden, kwamen weer in bezit van Israël, van Ekron tot Gath; ook ontrukte Israël het bijbehorende gebied aan de macht van de Filistijnen. Ook was er vrede tussen Israël en de Amorieten.
Dus aan die kant waren ze niet in oorlog.
Samuels rondreis, profeten en altaar #
15Samuel gaf leiding aan Israël al de dagen van zijn leven. 16Hij ging van jaar tot jaar het land rond, langs Bethel, Gilgal en Mizpa, en hij gaf leiding aan Israël in al die plaatsen. 17Daarna keerde hij terug naar Rama, want daar was zijn huis en daar gaf hij leiding aan Israël, en hij bouwde daar een altaar voor de HEERE.
Zoals ik in onze inleiding zei, ontdekken we later dat er in drie van deze vier plaatsen die hij op zijn rondreis aandeed, Bethel, Gilgal, Mizpa en Rama, groepen, gemeenschappen van profeten zijn waar Samuel toezicht op houdt. Blijkbaar stichtte hij op elk van die plaatsen een blijvende geestelijke groep. Hij kon er niet voortdurend zijn. Hij moest zijn rondreis maken en op die plaatsen rechtspreken, maar deze profeten woonden daar.
We lezen niet over zo’n groep in Mizpa. Dat is de enige van deze vier plaatsen waar die niet wordt genoemd. Maar we weten wel dat er ook op andere plaatsen groepen profeten waren, want in 2 Koningen lezen we over zo’n groep in Jericho, dat hier niet wordt genoemd. Er waren dus van die groepen profeten, die gemeenschappen van profeten die samenkwamen voor onderlinge gemeenschap. Waarschijnlijk zijn dit de mensen die wij zouden beschouwen als het ware overblijfsel van Israël, die vervuld waren met de Geest van God, of op zijn minst in contact stonden met de Geest van God. Misschien waren ze niet vervuld met de Geest zoals wij daarover spreken in de tijd van het Nieuwe Testament, maar ze ontvingen wel gaven van de Heilige Geest. Blijkbaar kwamen ze samen om elkaar te dienen en te bemoedigen. We weten niet precies wat ze van dag tot dag als groep profeten deden, maar ze verrichtten ongetwijfeld een of andere vorm van dienstwerk.
En Samuel bouwde in Rama een altaar voor de Heere. Waarom niet in Silo? Het lijkt duidelijk dat Silo inmiddels tot het verleden behoorde. Het priesterschap in Silo was dood, en de ark was een tijdlang meegenomen. Die was nu terug, maar werd niet naar Silo gebracht. Waarom niet? Vóór de veldslag was de ark uit Silo weggehaald. Waarom brachten ze die niet gewoon terug naar Silo? Waarom zetten ze die in het huis van deze man? Blijkbaar bestond Silo niet meer. Daarom wordt algemeen aangenomen dat Silo in dezelfde tijd waarin die oorlog plaatsvond, is platgebrand en verwoest.
Omdat dat zo was, woonde Samuel daar nu niet meer, hoewel hij in Silo bij de tabernakel was opgegroeid. Hij kon wonen waar hij wilde, en hij ging terug naar de woonplaats van zijn ouders. Hij bouwde daar een altaar, en dat was blijkbaar in orde. Wanneer er geen tabernakel is, laat God blijkbaar ruimte voor vernieuwing. God staat Zijn profeet toe dat te doen en heeft Samuel waarschijnlijk geopenbaard dat dit als alternatief in orde zou zijn. Dus dat deed Samuel. Hij had een vaste thuisbasis, maar hij reisde veel. Dat zou kunnen verklaren wat we aan het begin van hoofdstuk 8 lezen.
De corrupte zonen van Samuel en Eli #
1Het gebeurde nu, toen Samuel oud geworden was, dat hij zijn zonen tot richters over Israël aanstelde. 2De naam van zijn eerstgeboren zoon was Joël en de naam van zijn tweede was Abia; zij waren richters in Berseba. 3Maar zijn zonen gingen niet in zijn wegen; zij waren uit op winstbejag, namen geschenken aan en bogen het recht. 4Toen kwamen alle oudsten van Israël bijeen, en zij kwamen bij Samuel in Rama. 5Zij zeiden tegen hem: Zie, u bent oud geworden en uw zonen gaan niet in uw wegen. Stel daarom een koning over ons aan om ons leiding te geven, zoals alle volken.
Samuel stelde dus zijn zonen aan als rechters. Dat lijkt niet onder leiding van de Heere te zijn gebeurd. Profeten ontvangen dus niet altijd al hun beslissingen van God. God spreekt tot hen wanneer Hij iets te zeggen heeft. De rest van de tijd moeten ze handelen zoals ieder ander, de wet volgen en naar hun beste inzicht handelen. Wanneer God hun iets openbaart, is dat altijd waar en betrouwbaar, maar Hij openbaart hun niet noodzakelijkerwijs elke dag dingen. Samuel moest veel beslissingen nemen, blijkbaar ook beslissingen over zijn gezin, zonder profetisch inzicht.
De aanstelling van zijn zonen als rechters kan zeker niet onder Gods leiding zijn gebeurd. Ze waren corrupt. Maar dat waren de zonen van Eli ook. Toch werden Eli en zijn huis gestraft vanwege de corruptie van zijn zonen. Samuel werd niet gestraft voor de corruptie van zijn zonen. Dat wil zeggen, God bracht geen oordeel over Samuel zoals Hij dat over Eli en zijn huis deed. Waarom? Ze hadden allebei corrupte zonen.
Daar kunnen een paar redenen voor zijn, en ik weet niet of een van deze redenen de juiste is, maar ik heb er door de jaren heen veel over nagedacht. Eén reden is natuurlijk dat de zonen van Eli het heiligdom ontheiligden. Ze ontheiligden de aanbidding van God. De zonen van Samuel deden iets heel ergs. Ze maakten het bestuur corrupt. Ze dienden als rechters, niet als priesters. Ze namen steekpenningen aan en deden de dingen die corrupte overheden doen. Het waren corrupte bestuurders, terwijl de zonen van Eli corrupte priesters waren. En:
Want nu is het de tijd dat het oordeel begint bij het huis van God; en als het eerst bij ons begint , wat zal het einde zijn van hen die het Evangelie van God ongehoorzaam zijn?
God waakt met meer naijver over de aanbidding van Hemzelf dan over het wel en wee van een bepaald politiek stelsel, hoewel Hij zeker tegen alle corruptie is, bij de overheid of waar dan ook. Corruptie van de tabernakel, corruptie van het godsdienstige stelsel, van de aanbidding van God, is zeker verfoeilijker, meer een heiligschennis dan alleen maar corruptie op andere, laten we zeggen, meer wereldlijke terreinen. Daarom kan het oordeel over Eli om die reden zwaarder zijn geweest, omdat zijn zonen daadwerkelijk de aanbidding van God ontheiligden.
Een ander punt kan ook zijn dat Samuel, vanwege zijn bediening en doordat hij zoveel reisde, niet voortdurend thuis was om zijn zonen op te voeden. Eli woonde op een vaste plaats en voedde zijn zonen daar in Silo op. Ze groeiden vlak onder zijn ogen op, onder zijn neus. Hij was blijkbaar een nalatige vader geweest, hoewel hij de gelegenheid had gehad om het anders te doen. Daarom droeg hij meer verantwoordelijkheid. Zijn zonen werden verdorven en hij hield hen niet in toom. De zonen van Samuel kunnen verdorven zijn geworden. Samuel was misschien niet in staat hen in toom te houden, omdat hij de helft van de tijd in Mizpa of Bethel was. Zijn huis stond in Rama, maar hij maakte een rondreis, en het is onwaarschijnlijk dat zijn zonen met hem meereisden toen ze klein waren. Waarschijnlijk niet.
Als iemand die door zijn bediening gedwongen was een bepaald deel van de tijd van huis te zijn, had hij dus, zou ik zeggen, waarschijnlijk minder mogelijkheden om toezicht te houden op alle fasen van de ontwikkeling van zijn kinderen. Ook kon hij hen minder consequent terechtwijzen en opvoeden, misschien door omstandigheden waar hij zelf geen invloed op had. God rekende het hem niet aan.
Ik weet niet of een van die twee dingen het antwoord is, maar het is opmerkelijk dat het boek Samuel zowel de zonen van Eli als de zonen van Samuel noemt als mensen die niet zo goed en eerlijk waren als hun vaders. Toch wordt de een streng geoordeeld, terwijl de ander er geen enkel oordeel voor lijkt te ondergaan.
Erfelijk leiderschap en de roep om een koning #
Zijn zonen namen dus steekpenningen aan en verdraaiden het recht. Dat betekent natuurlijk dat als mensen met een klacht naar de rechtbank kwamen en zij daar als rechters zaten, ze in het voordeel konden beslissen van degene die hen omkocht. En dat gebeurde ook. Helaas waren het geen eerlijke mannen. De oudsten van Israël zijn hier dus ontevreden over.
Nu begrijp ik niet waarom Samuel zijn zonen als richters aanstelde. Het is duidelijk dat Samuel een richter was, want dat staat in de drie verzen aan het einde van hoofdstuk 7. Hij richtte Israël; het hierboven opgenomen Bijbelcitaat omschrijft dat als ‘gaf leiding aan Israël’. Eli was ook een richter. We moeten dus zeggen dat Eli en Samuel de laatste twee rechtmatige richters waren. Zijn zonen werden als richters aangesteld, maar ze bleven niet erg lang in functie. Samuel had hen aangesteld. Maar het is het enige bekende geval waarin een van de richters zijn zonen als richters aanstelde. Het is iets wat Gideon niet wilde doen, omdat hij vond dat het te veel op een erfelijke dynastie leek, en dat hoorde Israël niet te hebben. Dus hoewel Samuel een groot man was, net als Mozes, kon hij ook fouten maken. Ik denk dat het waarschijnlijk een fout van hem was om zijn zonen aan te stellen om Israël te richten. Maar waarschijnlijk deed hij dat omdat hij zo veel rondreisde en het werk zwaar was. Daarom gaf hij hun de bevoegdheid om onder zijn gezag recht te spreken. Maar blijkbaar hield hij hen niet goed genoeg in de gaten. De mensen over wie zijn zonen daadwerkelijk recht spraken, waren waarschijnlijk beter op de hoogte van hun corruptie dan hij. Dus kwamen ze naar hem toe en vertelden het hem. Ze zeiden:
Kijk, je bent oud en je zonen leven niet zoals jij.
De gedachte is: ‘Je bent oud. Je zult waarschijnlijk binnen niet al te lange tijd sterven, en dan zitten we opgescheept met jouw zonen, die beroerde leiders zijn. Dan kunnen we beter niemand hebben dan hen. Maar we hebben eigenlijk een beter idee.’
‘Als we toch al de kant opgaan van erfelijk leiderschap, en jouw zonen in de positie zitten om je op te volgen wanneer je sterft, waarom gaan we dan niet gewoon helemaal die kant op en maken we er een koning van? Dat hebben de andere volken ook.’
Koninklijke pracht en nationale trots #
Blijkbaar schaamden ze zich er een beetje voor dat ze geen koning hadden. Ze hadden wel een koning. Israël had een Koning: God. God was hun Koning. Ze waren het Koninkrijk van God. Zo werd dat tot op dat moment begrepen. Maar je kunt God niet zien. En in die oude samenlevingen was er veel nationale trots rond de koninklijke familie en het paleis en de pracht en praal en het ceremonieel.
Kijk eens naar het Engeland van vandaag. Wat draagt de koninklijke familie bij? Iemand vertelde me dat ze aan liefdadigheid doen en dat soort dingen. Nou, dat kan iedere rijke doen. Wat doen ze als leden van het koningshuis? Wat doen ze als leden van het koningshuis voor het land? Ze zijn nationale symbolen. Dat zijn ze. Ze zijn nationale symbolen. Ze zijn beroemdheden, en Engeland lijkt trots op hen te zijn. Van tijd tot tijd wordt er in Groot-Brittannië gesproken over de mogelijkheid om dat hele gedoe met de koninklijke familie af te schaffen. Ze zuigen ontzettend veel geld uit de economie, en ze doen eigenlijk niets behalve de nationale trots aanwakkeren.
Wij begrijpen dat niet, omdat we geboren en opgegroeid zijn in een land dat geen koningen heeft. We hebben in dit land nooit een koning gehad, nooit. Er is op dit continent nooit een koning geweest, voor zover wij weten. Tenminste, niet in dit deel van het continent waar wij wonen, Noord-Amerika, in de Verenigde Staten. Dus daar kunnen we ons niet in verplaatsen. Maar blijkbaar ontlenen mensen in een koninkrijk veel trots aan hun koninklijke familie. Hoe het paleis eruitziet, hoe de koning gekleed gaat en zich in het openbaar vertoont, enzovoort: het geeft mensen gewoon een gevoel van trots op hun land.
Israël had dat niet. Ze hadden op dat moment niet eens de tabernakel als paleis voor hun God. De tabernakel bestond niet. De ark stond in een privéwoning. Er was een altaar opgericht in Rama, maar er was eigenlijk niets van de pracht en praal en het ceremonieel die bij het koningschap horen. Ze dachten: ‘Waarom kunnen wij niet net als de andere volken zijn en dat allemaal hebben? Al die dingen waardoor we ons belangrijk voelen en trots zijn op ons land.’
Natuurlijk zouden mensen niet zo praten als ze God werkelijk waardeerden. Zelf zou ik veel liever God als mijn Koning hebben dan een zichtbare vorst. Maar dat komt, denk ik, doordat God belangrijk voor me is, doordat ik God ken. Maar wanneer mensen God niet kennen, willen ze gewoon een of ander zichtbaar symbool van gezag, zoals iedereen dat had. Je beweert dat dat onzichtbare Wezen je Koning is, maar niemand om je heen kan Hem zien. De volken om je heen weten niet dat Hij er is. Of misschien weten ze dat wel, maar zien kunnen ze Hem niet.
Israël verwerpt God als Koning #
Wat zou daar nu eigenlijk verkeerd aan kunnen zijn? Het is toch een bescheiden voorstel? ‘Laten we gewoon net als iedereen zijn. Is dat nou zo veel gevraagd?’ Nou, het is een volkomen verkeerde gedachte, omdat God nooit heeft bedoeld dat Israël net als iedereen zou zijn. Daar gaat het om. Dat is juist de hele reden van hun bestaan: dat ze een volk zouden zijn dat Hem toebehoort, een bijzondere natie, uit alle volken afgezonderd voor God. Dat ze Hem als hun Koning zouden hebben, een voorrecht dat geen enkel ander volk had.
In feite wierpen ze dat voorrecht van zich af en wezen ze God af als hun Koning. Dat is precies wat God zei dat ze deden, toen Hij er met Samuel over sprak. Samuel wist dat dit niet de juiste weg was. Er staat:
6Toen zij zeiden: Geef ons een koning om ons leiding te geven, was dit woord kwalijk in de ogen van Samuel. En Samuel bad tot de HEERE. 7Maar de HEERE zei tegen Samuel: Geef gehoor aan de stem van het volk in alles wat zij tegen u zeggen; want zij hebben ú niet verworpen, maar Míj hebben zij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zou zijn.
God blijft bij dit alles redelijk kalm. Hij haalt niet naar hen uit. Hij stuurt geen bliksemschichten. Maar Hij zegt wel:
Ze hebben Mij afgewezen.
Dat is wat het is. Door een koning te kiezen hebben ze God verworpen.
In het boek Richteren lezen we herhaaldelijk:
In die dagen was er geen koning in Israël: eenieder deed wat juist was in zijn ogen.
Daarmee wordt bedoeld: geen aardse koning. God was er natuurlijk wel. Of misschien wordt er zelfs mee gesuggereerd dat God in hun gedachten niet eens hun Koning was. Ze dachten er niet aan dat ze een koning hadden.
Ze beschouwden God of wie dan ook niet als koning. Ze deden gewoon hun eigen dingen. Maar ze hadden wel een Koning. En dat was God. Ze hadden een wetgever en ze hadden verplichtingen tegenover hun Koning. Maar ze wilden dat allemaal niet meer. God zag dat dit een verwerping van Hem was, niet van Samuel. Hij zei: ‘Samuel, vat het niet persoonlijk op. Het gaat niet om jou, het gaat om Mij.’
God zei:
8Overeenkomstig alles wat zij Mij aangedaan hebben, vanaf de dag dat Ik hen uit Egypte geleid heb tot deze dag toe, door Mij te verlaten en andere goden te dienen, doen zij nu ook u aan. 9Welnu, luister naar hun stem, maar waarschuw hen nadrukkelijk en maak hun de handelwijze bekend van de koning die over hen zal regeren.
Dus als ze erop staan een koning te krijgen, geef hun dan wat ze willen, maar laat hun weten hoe het zal zijn. Hun leven zal er niet beter op worden.
De macht die een koning zal opeisen #
10Daarop maakte Samuel al de woorden van de HEERE bekend aan het volk, dat een koning van hem verlangde. 11Hij zei: Dit zal de handelwijze zijn van de koning die over u regeren zal: hij zal uw zonen nemen om hen voor zich in te zetten bij zijn wagens en zijn ruiterij, en om hen voor zijn wagen uit te laten lopen.
Dit is waarschijnlijk precies het soort dingen waar de mensen op hoopten. ‘O, mooi, we krijgen al die koninklijke optochten en zo, met onze zonen in prachtige uniformen die voor de strijdwagens uit lopen.’
Hij zal hen aanstellen tot bevelhebbers over duizend en tot bevelhebbers over vijftig. Zij zullen zijn akker moeten ploegen, zijn oogst binnenhalen en zijn strijdwapens en zijn wagentuig maken.
Er was in Israël in de tijd van de richteren geen staand leger. Er werden alleen naar behoefte mensen gemobiliseerd, wie er maar gehoor gaf aan het trompetgeschal. Maar hij gaat staande legers oprichten. Er komt een krijgsmacht. Je zonen zullen worden opgeroepen voor militaire dienst.
13Uw dochters zal hij nemen als zalfbereidsters, kooksters en baksters. 14Uw akkers, uw wijngaarden en uw olijfgaarden, de beste zal hij nemen en ze aan zijn dienaren geven.
Dat lijkt wel een beetje op wat de overheid doet. Ze nemen het geld van de mensen die een loon verdienen en geven het aan de staatsambtenaren en overheidsfunctionarissen, de dienaren van de koning. Dit werd als iets onwenselijks beschouwd. Wij vinden het vanzelfsprekend dat dit gebeurt.
Er staat:
Van uw zaaigoed en uw wijngaarden zal hij het tiende deel nemen en dat aan zijn hovelingen en zijn dienaren geven.
Dat wil zeggen: je druiven.
16Hij zal uw slaven, uw slavinnen, uw beste jongemannen en uw ezels nemen om daarmee zijn werk te doen. 17Hij zal het tiende deel van uw kudden nemen, en u zult hem tot slaven zijn. 18U zult het in die dagen uitschreeuwen vanwege uw koning, die u zich gekozen hebt, maar de HEERE zal u op die dag niet antwoorden.
Belastingen en de kosten van de overheid #
Dus hij zegt: ‘Hij gaat jullie zwaar belasten, tien procent.’ God zegt: ‘Als dat hen niet afschrikt, zal niets hen afschrikken.’ Tien procent belasting. Dat is natuurlijk heel weinig belasting vergeleken met wat wij gewend zijn geraakt, want onze koningen nemen een veel groter percentage om aan hun dienaren te geven. Ze voegen voortdurend meer dienaren toe, meer overheidsinstanties, meer federale ambtenaren. Ze moeten het gewoon uit de bevolking persen.
Net als bij Israël hadden ze geen bezwaar tegen het misbruik: ‘Geef ons gewoon een koning.’ Blijkbaar hebben wij er ook geen bezwaar tegen. Wij zijn gewend geraakt aan veel ergere dingen dan wat God hun beschreef als iets wat als ondraaglijk beschouwd moest worden. Ze gaven al tien procent aan God, tenminste, dat waren ze verplicht met de tienden. Maar nu gaat de koning ook een tiende voor zichzelf nemen: twintig procent, waarvan tien procent voor het werk van de overheid.
Het is interessant dat men ervan uit zou gaan dat het werk van de overheid tien procent van het bruto nationaal product kost. Het onderhouden van de legers, het onderhouden van de hoofdstad, de overheidsdiensten zouden tien procent moeten kosten. Dat is wat hier wordt gesuggereerd. Dus elke overheid die niet kan functioneren met tien procent van het nationaal product, verspilt blijkbaar op de een of andere manier geld en biedt meer dan de overheid hoort te bieden.
Vers 19: hoewel ze het hoorden, luisterden ze niet.
God geeft Israël de gevraagde koning #
19Maar het volk weigerde naar de stem van Samuel te luisteren. Zij zeiden: Nee, er moet toch een koning over ons komen. 20Dan zullen wij ook zijn als al de volken; onze koning zal ons leiding geven en hij zal voor ons uit gaan en onze oorlogen voeren. 21Toen Samuel al de woorden van het volk gehoord had, sprak hij die uit ten aanhoren van de HEERE.
Hij bracht verslag uit aan God: ‘Dit is wat ze zeiden.’
De HEERE zei tegen Samuel: Luister naar hun stem en stel een koning over hen aan. Toen zei Samuel tegen de mannen van Israël: Ga heen, ieder naar zijn stad.
Dus ze zouden het aan Samuel overlaten om een koning voor hen te vinden en aan te stellen. Hij zegt: ‘Ga maar naar huis, dan zorg ik hiervoor.’ In de volgende hoofdstukken zien we hoe hij de eerste koning vindt en hem in zijn ambt aanstelt.
In het boek Hosea, hoofdstuk 13, Hosea 13:9 tot en met 11, zegt God:
9Het is uw verderf, Israël, dat u zich keert tegen Mij, tegen uw hulp! 10Waar blijft uw koning nu? Hij zou u toch verlossen in al uw steden? En uw richters, tegen wie u gezegd had: Geef mij een koning en vorsten? 11In Mijn toorn gaf Ik u een koning, Ik nam hem weg in Mijn verbolgenheid.
Dit is blijkbaar een verwijzing naar Saul. God gaf hun Saul, zoals ze hadden gevraagd, maar Hij deed dat in toorn. God laat in Zijn gesprek met Samuel niet veel toorn blijken. Hij verliest Zijn geduld niet. Maar later zegt Hij:
Ik heb jullie de koning gegeven die jullie wilden, maar Ik was er boos over. Dit was niet iets waar Ik blij mee was. En in Mijn woede heb Ik hem weer weggenomen.
Een verwijzing naar de dood van Saul. ‘Ik gaf jullie een koning. Ik was daar boos over. En Ik was nog steeds boos toen Ik hem wegnam.’
Maar er zou een andere koning komen die God hun zou geven, die een man naar Zijn hart zou zijn. En die zou Hij hun niet uit toorn geven. Met andere woorden, God zou Zich aanpassen aan de nieuwe situatie. Dat is interessant, want God is niet Degene Die Zich aan ons moet aanpassen. Wij horen ons aan Hem aan te passen. Maar zij wilden een koning, en dus kon Hij daarmee werken. Hij was gekrenkt, omdat het een verwerping van Hem was. Maar zelfs door deze opstandige verandering heen kon Hij nog steeds hun Koning zijn, door hun een koning te geven die Hem zou volgen.
Dat zou Hij uiteindelijk ook doen. Maar eerst gaf Hij hun een koning om hen te straffen, en dat was Saul. Hij bleek geen goede koning te zijn, zoals we zullen zien. Vanaf het volgende hoofdstuk komt hij op de voorgrond.
Herkomst
Meld een fout in deze lezing — de lezing en de passage worden alvast in je e-mail ingevuld.
Deze lezing is van Steve Gregg en verscheen oorspronkelijk in het Engels als 1 Samuel 5 - 8. Beluister het origineel.
De Nederlandse tekst is een vertaling, nagelezen en ingesproken door Vers voor Vers, en verschijnt met toestemming van Steve Gregg. Bijbelteksten komen uit de HSV.
Delen
Richt de camera van je telefoon op de code en de lezing opent daar — handig om verder te luisteren onderweg.
versvoorvers.org/1-samuel/5-8
De link werkt overal: in een app, in een mail, of geplakt in een gesprek. Wie hem opent komt op deze lezing uit, met de tekst en de opname erbij.
De lezing als leesuitgave: de volledige tekst met de bijbelteksten en een inhoudsopgave, om af te drukken en met een pen in te werken.
media.versvoorvers.org/1-samuel/5-8.pdf?v=a9e6f5431c84
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 1 Samuel - Lezing 04 - 5-8.pdf
MP3
De opname zelf, met hoofdstukken en omslag erin. Speelt in elke app en werkt zonder internet.
media.versvoorvers.org/1-samuel/5-8.mp3?v=61e72293cc2d
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 1 Samuel - Lezing 04 - 5-8.mp3
1 Samuel
Alle lezingen over 1 Samuel. De ring laat zien hoever je in elke lezing bent.
- 1 en Kronieken Inleiding Israël gaat van richters naar koningen
- 2 1-2 Hanna krijgt een zoon en geeft hem aan God
- 3 3-4 God roept Samuel, Israël verliest de ark
- 4 5-8 De ark keert terug, Israël wil een koning
- 5 9:1-10:8 Samuel zalft Saul tot koning
- 6 10:9-12:25 Saul wordt koning, Samuel treedt terug
- 7 13-14 Sauls eed brengt Jonathan in levensgevaar
- 8 15 Saul spaart Agag en zoekt uitvluchten
- 9 16 Samuel zalft David tot koning
- 10 17 David verslaat Goliath met Gods hulp
- 11 18-20 Saul wil David doden, Jonathan helpt hem
- 12 21-22 David vlucht en Saul laat priesters doden
- 13 23-25 David spaart Saul en Abigaïl voorkomt wraak
- 14 26-28 David spaart Saul, Saul zoekt een medium
- 15 29-31 David bevrijdt de gevangenen uit Ziklag
Ondertitels
De uitgesproken tekst met tijdcodes, op dezelfde klok als de opname. Voor wie de video zelf ondertitelt of de lezing in een editor naast het geluid wil leggen.
media.versvoorvers.org/1-samuel/5-8.srt?v=86a74f143634
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Wordt opgeslagen als Vers voor Vers - 1 Samuel - Lezing 04 - 5-8.srt
de platte tekst
Dezelfde lezing als Markdown: titel, gegevens, hoofdstukindeling en de volledige tekst, zonder opmaak. Bedoeld om door te geven aan een taalmodel of in een editor te openen.
versvoorvers.org/1-samuel/5-8.md
Deel deze link en de ander kan het bestand daar zelf ophalen — handig in een bericht of een mail, waar het bestand zelf vaak te groot voor is.
Link naar dit stuk
Wie deze link opent komt op deze lezing uit en springt meteen naar dit stuk tekst, dat daar even oplicht. De opname begint niet vanzelf — de lezer bepaalt zelf of hij ook wil luisteren.
Hoofdstukken
Kies een hoofdstuk en de opname springt daarheen.
Bijbelteksten
Alle teksten die in deze lezing langskomen, in de volgorde waarin ze aan bod zijn.
- 1 Samuel 3:20
- 1 Samuel 4:21-22
- 1 Samuel 5:1
- 1 Samuel 5:2
- 1 Samuel 5:3
- 1 Samuel 5:4
- 1 Samuel 5:5
- 1 Samuel 5:6-7
- 1 Samuel 5:8
- 1 Samuel 5:9
- 1 Samuel 5:10
- 1 Samuel 5:11-12
- 1 Samuel 6:1
- 1 Samuel 6:2
- 1 Samuel 6:3-4
- 1 Samuel 6:5
- 1 Samuel 6:6-9
- 1 Samuel 4:7-9
- 1 Samuel 6:10-11
- 1 Samuel 6:12
- 1 Samuel 6:13-14
- 1 Samuel 6:15
- 1 Samuel 6:16-18
- 1 Samuel 6:19
- 1 Samuel 6:20-21
- 1 Samuel 7:1
- 1 Samuel 7:2
- 1 Samuel 7:3
- 1 Samuel 7:4-6
- 1 Samuel 7:7-8
- 1 Samuel 7:9-12
- 1 Samuel 7:13
- Richteren 10:13
- 1 Samuel 7:14
- 1 Samuel 7:15-17
- 1 Samuel 8:1-5
- 1 Petrus 4:17
- 1 Samuel 8:6-7
- Richteren 17:6
- 1 Samuel 8:8-9
- 1 Samuel 8:10-11
- 1 Samuel 8:12
- 1 Samuel 8:13-14
- 1 Samuel 8:15
- 1 Samuel 8:16-18
- 1 Samuel 8:19-21
- 1 Samuel 8:22
- Hosea 13:9-11