---
title: "Romeinen 3:27-4:25"
book: "Romeinen"
book_slug: "romeinen"
passage: "Romeinen 3:27–4:25"
passage_en: "Romans 3:27 - 4:25"
episode: 11
series: "Vers voor Vers"
teacher: "Steve Gregg"
publisher: "Vers voor Vers"
language: "nl"
url: "https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25"
markdown_url: "https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25.md"
audio_url: "https://media.versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25.mp3"
source_url: "https://thenarrowpath.com"
published: "2026-09-06"
duration: "PT1H19M45S"
bible_translation: "HSV"
citation: "Steve Gregg, «Romeinen 3:27-4:25», Vers voor Vers, https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25"
license: "Lezing van Steve Gregg (The Narrow Path), Nederlandse uitgave Vers voor Vers. Vrij te delen met bronvermelding en link naar https://versvoorvers.org; overname elders in overleg via info@versvoorvers.org. Bijbeltekst HSV."
---

# Romeinen 3:27-4:25

> Abraham gerechtvaardigd door geloof

## Samenvatting

Steve Gregg bespreekt Paulus’ betoog dat God mensen door geloof rechtvaardigt en niet op grond van werken van de wet, zodat niemand zich tegenover Hem kan beroemen. Hij legt uit dat de wet deze boodschap niet tegenspreekt, maar haar juist bevestigt door Abraham als voorbeeld te geven, terwijl ook Davids vergeving laat zien dat gerechtigheid zonder werken wordt toegerekend. Abraham werd al vóór zijn besnijdenis rechtvaardig gerekend, waardoor hij de vader is van alle gelovigen, zowel besnedenen als onbesnedenen. Gregg benadrukt dat dit geloof meer is dan het aannemen van denkbeelden: het vertrouwt op Gods trouw, wandelt in gehoorzaamheid en ziet in Jezus’ opstanding het bewijs van de rechtvaardiging.

## Hoofdstukken

1. [Gerechtigheid door geloof en trouw](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h1) — 0:02
2. [Christus draagt de straf van de zondaar](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h2) — 3:13
3. [Door verbondenheid met Christus gerechtvaardigd](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h3) — 5:38
4. [Rechtvaardiging sluit alle roem uit](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h4) — 7:53
5. [De wet van werken en de wet van geloof](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h5) — 10:19
6. [Geloof maakt Joodse voorrechten overbodig](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h6) — 14:16
7. [Eén God rechtvaardigt Joden en heidenen](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h7) — 18:08
8. [Bevestigt het geloof de wet?](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h8) — 20:07
9. [De ware betekenis van de wet bevestigen](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h9) — 23:07
10. [Abraham bevestigt rechtvaardiging door geloof](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h10) — 27:27
11. [Abraham kon niet roemen op zijn werken](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h11) — 29:57
12. [Loon uit werken tegenover genade](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h12) — 34:29
13. [David werd onder de wet gerechtvaardigd](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h13) — 36:36
14. [Davids zonde kon de wet niet verhelpen](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h14) — 38:21
15. [Vergeving en toegerekende gerechtigheid](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h15) — 41:16
16. [Abraham was vóór zijn besnijdenis gerechtvaardigd](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h16) — 43:14
17. [Doop en besnijdenis als teken van geloof](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h17) — 45:43
18. [Abraham als vader van alle gelovigen](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h18) — 49:22
19. [Wandelen in de voetsporen van Abrahams geloof](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h19) — 52:02
20. [Het beloofde land als beeld van de wereld](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h20) — 53:57
21. [Christus en de gelovigen beërven de aarde](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h21) — 56:53
22. [De wet brengt toorn en overtreding](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h22) — 58:57
23. [Eén geloofsfamilie uit vele volken](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h23) — 1:01:13
24. [De kracht en volharding van Abrahams geloof](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h24) — 1:02:58
25. [God roept wat nog niet bestaat](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h25) — 1:05:46
26. [Abrahams lichaam was zo goed als dood](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h26) — 1:08:57
27. [Geloof in Gods trouw geeft Hem eer](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h27) — 1:12:43
28. [De opstanding bewijst onze rechtvaardiging](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h28) — 1:15:51
29. [Abraham en David bevestigen Paulus’ leer](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h29) — 1:17:40

## Tekst

Elke alinea sluit met `^p<n>`; de permalink naar die alinea is https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#p<n>.

### 1. Gerechtigheid door geloof en trouw

*0:02 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h1*

We zijn nu in Romeinen hoofdstuk 3, en tijdens onze vorige bijeenkomst hebben we de hele bijeenkomst besteed aan een bespreking van vers 21 tot en met 26. Dat was Paulus’ samenvatting van wat hij te zeggen heeft, in tegenstelling tot wat de Jood gewoonlijk over gerechtigheid dacht. De Jood beschouwde gerechtigheid gewoonlijk als iets wat inherent was aan het leven onder de wet, aan het hebben van de wet van Mozes. Het is waar dat niemand volmaakt is, maar alleen al het bezit van de wet maakte hen tot een andere klasse mensen. Ze waren besneden. Ze hadden een verbond met God. En daarom hoefden ze zich nooit echt zorgen te maken over hoe God hen zag. Dat dachten ze tenminste. En Paulus heeft er veel tijd aan besteed om te zeggen dat je je er wel degelijk zorgen over moet maken hoe God je ziet als je geen rechtvaardig leven leidt. Het feit dat je besneden bent, zal Gods ogen niet blind maken voor de manier waarop je leeft. En de wet is nooit gegeven als het middel waardoor je in een goede verhouding tot God staat, waardoor je in Zijn ogen gerechtvaardigd bent.

^p1

En dus heeft hij in vers 21 en de verzen daarna gezegd dat er een andere grondslag is voor gerechtigheid in Gods ogen. Er is een gerechtigheid van God die je kunt bezitten, die tot jou komt en op jou rust wanneer je in de juiste verhouding tot God staat. Die verhouding is gebaseerd op geloof. En zoals ik heb geprobeerd duidelijk te maken, verwijst dat niet alleen naar het geloven van dingen over God. Het heeft te maken met een werkelijke verhouding tot God die gekenmerkt wordt door trouw. Trouw aan Hem en Zijn trouw aan jou, en jouw vermogen om Hem te vertrouwen, en eerlijk gezegd, Zijn vermogen om jou te vertrouwen. Het gaat erom dat wij trouw behoren te zijn. Sterker nog, er wordt van ons geëist dat wij trouw zijn. Daarover bestaat in de Bijbel geen enkele twijfel. Jezus zei bijvoorbeeld tegen de gemeente in Smyrna, in Openbaring 2:10:

^p2

> Wees niet bevreesd voor wat u lijden zult. Zie, de duivel zal sommigen van u in de gevangenis werpen, opdat u verzocht wordt. En u zult een verdrukking hebben van tien dagen. Wees trouw tot in de dood, en Ik zal u de kroon van het leven geven.
>
> — Openbaring 2:10

^p3

Als je leven wilt hebben, namelijk de kroon des levens, het eeuwige leven, dan zul je uiteraard trouw zijn tot de dood.

^p4

Hoe valt dat nu te rijmen met de leer van de rechtvaardiging door geloof? Het valt er volmaakt mee te rijmen, want geloof (‘faith’) omvat ook trouw zijn (‘being faithful’), trouw zijn tot de dood. Het betekent niet alleen dat je God gelooft omdat Hij trouw is. Het betekent ook dat je op God lijkt, in die zin dat jij eveneens trouw bent aan Hem. Je weerspiegelt Zijn trouw door jouw trouw.

^p5

### 2. Christus draagt de straf van de zondaar

*3:13 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h2*

En deze laatste twee verzen die we behandeld hebben, vers 25 en 26, vertelden hoe God erin slaagde te laten zien dat Hij rechtvaardig is. Hij toonde Zijn gerechtigheid door de goddeloze te rechtvaardigen, want Hij had een voorziening getroffen waardoor Hij geen enkel compromis hoefde te sluiten ten aanzien van Zijn rechtvaardigheid of Zijn gerechtigheid. Dat wil zeggen: Hij stelde Christus voor als Degene Die het zwaarste deel van de verschuldigde straf zou dragen. Daardoor zou de rechtvaardigheid niet worden veronachtzaamd. De straf zou worden voltrokken. Maar een Plaatsvervanger heeft die straf op Zich kunnen nemen.

^p6

Hoe dat er nu precies toe leidt dat ik een beter mens ben, of dat ik rechtvaardig ben in Gods ogen, wordt hier niet volledig uitgelegd. Hij zal zulke dingen bespreken wanneer we, denk ik, bij hoofdstuk 5 komen, bij de bespreking van Adam en Christus in het laatste deel van Romeinen 5. Want daar zal hij bespreken hoe het feit dat je in Christus bent, in tegenstelling tot het feit dat je in Adam bent, je rechtvaardigt. Christus is onze Vertegenwoordiger. Hij heeft geleden voor de zonde, en wij hebben dat in Hem ook gedaan. Wij hebben dat doorgemaakt. Wij hebben het lijden voor de zonde doorgemaakt. Het is niet alleen zo dat Jezus in onze plaats geleden heeft. Hij heeft als onze Vertegenwoordiger geleden en daarmee, in zekere zin, als ons. Het is niet zo dat Hij geleden heeft en ik niet. Nu ja, in zekere zin heeft Hij iets geleden wat ik niet heb geleden, maar Hij leed als mijn Vertegenwoordiger en ik word geacht in Hem te zijn. Daarom worden de verdiensten van Zijn lijden mij toegerekend alsof het mijn lijden was. Paulus zei in Galaten 2:20:

^p7

> Ik ben met Christus gekruisigd; en niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij; en voor zover ik nu in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, Die mij heeft liefgehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven.
>
> — Galaten 2:20

^p8

En dat komt doordat ik in Christus ben, in een bepaalde zin die nader onderzocht moet worden en in latere hoofdstukken onderzocht zal worden. Dat maakt deel uit van de onderliggende denkwijze van Paulus wanneer hij in hoofdstuk 3 dit hele onderwerp bespreekt, maar hij gaat hier niet verder op in.

^p9

### 3. Door verbondenheid met Christus gerechtvaardigd

*5:38 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h3*

Maar de reden waarom de dood van Jezus invloed op mij kan hebben, is dat ik in zekere zin Hem ben. Ik ben in Hem, net zoals de organen van mijn lichaam in mij zijn, en ze worden sterk beïnvloed door wat ik doe. Ze delen in mijn lot. Ze delen in mijn bestemming. Als ik gedood word, sterven mijn organen. Als ik aan de dood ontsnap, overleven mijn organen. Dat geldt voor mijn organen, omdat ze in mij zijn. Hun lot en hun bestemming kunnen niet worden losgemaakt van mijn lot en mijn bestemming, en kunnen ook niet worden beschouwd als iets anders dan mijn lot en mijn bestemming.

^p10

In Christus zijn is een begrip waar Paulus veel van houdt en dat hij vaak gebruikt, vooral op plaatsen zoals Efeziërs. Maar in al zijn geschriften gaat hij van dit begrip uit. Wij zijn in Christus. Zijn dood betekent dus dat wij gestorven zijn. Wij zaten in de dodencel, en zie, wij zijn terechtgesteld. Niet persoonlijk, maar door onze Vertegenwoordiger, Christus. Het vonnis is dus voltrokken. Aan de rechtvaardigheid is voldaan. En nu gaan wij vrijuit, net als Christus, door Zijn opstanding uit de doden. Hij stierf, Hij leed, Hij betaalde de straf, maar Hij leeft weer. Hij is dus vrij van de dood, en wij zijn dat eveneens in Hem.

^p11

Dit is allemaal nogal mystieke stof, maar het kan iets beter worden uitgelegd, en dat zal in enkele latere gedeelten ook wat uitvoeriger gebeuren. Maar nu ik dat allemaal gezegd heb, maakt het heel duidelijk dat mijn rechtvaardiging heel weinig, of eigenlijk niets, te maken heeft met enige verdienste van mijzelf. In wezen heeft die daar niets mee te maken, behalve dan welke verdienste men misschien meent te zien in het besluit om je over te geven. Dat is niet werkelijk verdienstelijk. Het levert me geen pluspunten op. Het brengt me alleen in de juiste geestesgesteldheid om de genade en de barmhartigheid te ontvangen, zodat God mij door Zijn Geest in Christus kan plaatsen. Het gaat dus niet om wat ik heb gedaan.

^p12

### 4. Rechtvaardiging sluit alle roem uit

*7:53 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h4*

Daar komt Paulus op uit in vers 27, en daarover blijft hij tot en met hoofdstuk 4 spreken. De laatste vijf verzen van hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4 lopen in elkaar over alsof daar geen hoofdstukindeling staat. Hij zegt:

^p13

> Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door welke wet? Van de werken? Nee, maar door de wet van het geloof.
>
> — Romeinen 3:27

^p14

Nu weten we dat roemen al in beeld was in hoofdstuk 2, vers 17, waar hij zegt:

^p15

> Zie, u wordt Jood genoemd. U steunt op de wet en roemt in God,
>
> — Romeinen 2:17

^p16

En in hoofdstuk 4 en het eerste deel van hoofdstuk 5 zal er nog meer over roemen worden gesproken. Dit is belangrijk voor Paulus: dat we weten dat we geen enkele grond hebben om tegenover God te roemen. Roemen is iets arrogants of hoogmoedigs, en niets is aanstootgevender voor God dan hoogmoed.

^p17

> [16] Deze zes haat de HEERE, ja, zeven zijn een gruwel voor Zijn ziel: [17] hoogmoedige ogen, een valse tong en handen die onschuldig bloed vergieten,
>
> — Spreuken 6:16-17

^p18

> Hij echter geeft des te meer genade. Daarom zegt de Schrift : God keert Zich tegen de hoogmoedigen, maar aan de nederigen geeft Hij genade.
>
> — Jakobus 4:6

^p19

Roemen, wat een uiting van hoogmoed is, is dus altijd aanstootgevend voor God, en daarom ook voor Paulus.

^p20

Hij zegt dat God een situatie tot stand heeft gebracht waarin roemen is uitgesloten. Niemand zal op zijn borst kunnen kloppen en zeggen: ‘Ik was beter dan iemand anders.’ Want je bent niet door God aangenomen omdat je beter was dan iemand anders, maar omdat je in Iemand bent Die beter is dan iedereen, en dat is in Christus. Ik kan er dus niet over roemen dat ik beter ben dan jij, of zelfs beter dan een niet-christen, want ik heb evenveel slechte dingen gedaan als sommige niet-christenen. En zelfs als ik er niet evenveel heb gedaan — weet je, veel christenen hebben voordat ze behouden worden net zoveel slechte dingen gedaan als een mens maar kan doen. Maar niemand is in Christus op grond van iets waarvoor hij zichzelf de eer kan geven. En er valt nergens over te roemen.

^p21

Hij zegt:

^p22

Waar blijft het roemen dan? Dat is uitgesloten. Door welke wet? Die van de werken? Nee, door de wet van het geloof.

^p23

### 5. De wet van werken en de wet van geloof

*10:19 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h5*

Nu lijkt het woord ‘wet’ hier in een andere betekenis te worden gebruikt dan de betekenis waarin hij het in sommige gevallen heeft gebruikt. Het woord ‘wet’ heeft allerlei betekenisnuances. We spreken over de wet van de zwaartekracht, en we spreken ook over de wet van het land. We zouden zeggen dat de grondwet de wet van het land is, de hoogste wet van het land. Toch spreken we ook over de wet van de zwaartekracht, waarbij we hetzelfde woord ‘wet’ gebruiken voor iets wat enigszins anders is, misschien zelfs aanzienlijk anders. Want de wet van het land schrijft eenvoudig voor wat er geacht wordt te gebeuren. De wet van de zwaartekracht beschrijft wat er daadwerkelijk gebeurt. In feite weten we niet eens wat de wet van de zwaartekracht is. Het is alleen een benaming die we geven aan iets wat we altijd zien gebeuren. Dingen vallen op de grond. Er lijkt iets te zijn wat ze aantrekt. Dat gaan we een wet noemen. Dat is een volkomen ander gebruik van de term ‘wet’ dan wanneer we het over de maximumsnelheid hebben. De maximumsnelheid schrijft voor wat mensen wel of niet mogen doen, maar soms kunnen ze die overtreden. De maximumsnelheid vertelt ons niet hoe hard mensen zullen rijden. Die vertelt ons hoe hard ze mogen rijden, maar ze kunnen die wet overtreden. De wet van de zwaartekracht beschrijft hoe dingen zullen gebeuren, niet hoe ze zouden moeten gebeuren. Daarom betekent ‘wet’ zelfs in ons gewone taalgebruik niet altijd precies hetzelfde.

^p24

De wet van Mozes is een wet die gedrag voorschrijft, die voorschrijft hoe mensen zouden moeten leven. De wet waar Paulus het nu over heeft, lijkt volgens mij meer op de wet van de zwaartekracht. Het is een beginsel dat bepaalt hoe de dingen functioneren. Het beginsel van werken is iets anders dan het beginsel van geloof. Dat wil zeggen: volgens welk beginsel kan er worden gezegd dat mij mijn roem wordt ontnomen? Volgens het beginsel van werken? Met andere woorden, als het beginsel is dat ik deze werken doe en deze beloningen krijg, ontneemt dat beginsel mij dan mijn roem? Nee, op grond van dat beginsel wordt roemen niet uitgesloten. Dat beginsel zou roemen juist eerder kunnen aanmoedigen, want ik heb iets tot stand gebracht, ik heb iets gedaan, ik heb iets verdiend. Ik heb gedaan wat iemand anders niet heeft gedaan, dus ben ik beter dan iemand anders vanwege mijn werken, mijn gedrag en mijn prestaties. Volgens dat beginsel zou roemen niet worden uitgesloten.

^p25

Maar het wordt in feite wel uitgesloten op grond van een ander beginsel: het beginsel dat je door geloof wordt gerechtvaardigd. Dat beginsel van geloof, die wet — de wet luidt: als je geloof hebt, word je gerechtvaardigd. Dat is een verklaring. Zo zijn de dingen. Hij zegt dus dat wat hij tot nu toe heeft gezegd, en wat daaruit volgt, betekent dat niemand ergens over zou moeten roemen.

^p26

En dit is natuurlijk in zekere zin een terechtwijzing voor de Joden, over wie hij zegt:

^p27

Ze hebben zich op God beroemd. Ze hebben op de wet vertrouwd. Ze hebben gedacht dat ze gidsen voor blinden en leermeesters van onmondigen waren, zoals Paulus in Romeinen 2:17 en 2:19–20 schrijft.

^p28

Ze hebben zo’n arrogante, elitaire en neerbuigende houding tegenover andere mensen gehad. Hij zegt dat dit wordt uitgesloten door de manier waarop God met ons omgaat. Wij hebben geen enkele grond om neerbuigend of arrogant te zijn. En dus heeft het beginsel waarvan ik zeg dat het het ware beginsel is — rechtvaardiging door geloof — elke reden weggenomen om te denken dat ik beter ben dan wie dan ook, of dat een Jood beter is dan een heiden. Want als het door werken was, zou dat grond geven om te roemen. Maar we hebben al betoogd dat het niet door werken is, maar door geloof, en dat neemt elke grond weg om jezelf op de borst te kloppen. Daarom concluderen we:

^p29

### 6. Geloof maakt Joodse voorrechten overbodig

*14:16 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h6*

> Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken van de wet.
>
> — Romeinen 3:28

^p30

Nogmaals, met de werken van de wet worden volgens mij die dingen bedoeld die specifiek Joods zijn, de ceremoniën. Ik geloof dat een mens zelfs los van de morele daden van de wet door geloof wordt gerechtvaardigd, aangezien David bijvoorbeeld door geloof werd gerechtvaardigd en hij de morele wet had overtreden. Maar ik denk niet dat de Joden tot wie hij spreekt voornamelijk de morele wet in gedachten hebben als datgene wat hen beter maakt. Ze gedragen zich volgens de morele wet niet beter. Paulus heeft daar in hoofdstuk 2 op gewezen. Het enige wat hen van de heidenen onderscheidt, is niet de moraal, maar het ritueel. De werken van de wet zouden de besnijdenis zijn en die kenmerkende Joodse gebruiken waarvan de Joden kunnen zeggen: wij doen dit en de heidenen niet. De werken van de wet waardoor zij zich superieur voelden, bestonden niet in het naleven van de morele geboden dat je geen overspel mag plegen en niet mag moorden. Want heel wat heidenen plegen geen overspel of moord, en sommige Joden wel. Er is dus geen enkele manier waarop de moraal het kenmerkende onderscheid tussen Joden en heidenen wordt. Het gaat uitsluitend om de rituele wet. En de werken van de wet — je pelgrimstochten maken, je keuken koosjer houden, dat soort werken van de wet — houden natuurlijk geen verband met rechtvaardiging, zei Paulus.

^p31

> Of is God alleen de God van Joden? En niet ook van heidenen? Ja, ook van heidenen.
>
> — Romeinen 3:29

^p32

Nu kan ‘de God van’ meer dan één betekenis hebben. De god van iemand kan het voorwerp zijn dat hij aanbidt. Iemands god kan bijna alles zijn: zijn huis, zijn auto, zijn geld. Afgoderij kent bijna onbeperkt veel variaties, want mensen kunnen hun misplaatste eerbied en aanbidding op bijna alles richten: een relatie, hun eigen kinderen of wat dan ook. Die dingen kunnen voorwerpen van aanbidding worden. En je zou kunnen zeggen dat alles wat jij als voorwerp van aanbidding vereert, jouw god is. Aan de andere kant is het ding dat je aanbidt niet noodzakelijkerwijs werkelijk een god. Wat jou en jouw manier van aanbidden betreft, kan het jouw god zijn. Maar spreken over de god van iemand kan ook doelen op de god die gezag over die persoon heeft, of de god die aanspraak op hem kan maken. Want ‘God’ is niet slechts een woord dat naar een voorwerp van aanbidding verwijst. Het woord verwijst naar Iemand Die krachtens de schepping goddelijke status, goddelijke voorrechten en goddelijke rechten heeft. En is God in die zin de God van de heidenen en de Joden? Natuurlijk. De Joden zijn niet de enige mensen die door God geschapen zijn. De Joden zijn niet de enige mensen die voor Gods oordeel zullen staan. Er is één God van de Jood en de heiden. En daarom moet Hij een methode hebben om mensen te aanvaarden of af te wijzen die voor allebei hetzelfde is. Joden en heidenen hebben onderlinge verschillen die, voor zover het God betreft, niet ter zake doen: de besnijdenis en dat soort dingen. Maar in de veel ruimere en belangrijkere zin zijn alle mensen hetzelfde. Ze zijn allemaal door God geschapen. Ze staan allemaal voor Gods oordeel. Paulus heeft deze punten eerder al gemaakt. En daarom is God niet alleen de God Die aan de Joden toebehoort. Hij is ook de God Die aan de heidenen toebehoort, en aan Wie ook de heidenen toebehoren.

^p33

Omdat dit zo is, zegt hij:

^p34

> Het is toch immers één en dezelfde God, Die besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en onbesnedenen door het geloof.
>
> — Romeinen 3:30

^p35

### 7. Eén God rechtvaardigt Joden en heidenen

*18:08 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h7*

Daarom is Hij zowel de God van de heidenen als van de Joden. Er is één God Die hen allemaal rechtvaardigt. Nu is er aan het einde van vers 30 in de Engelse vertaling een verschil in formulering. Er staat dat Hij de besnedenen rechtvaardigt ‘by faith’ en de onbesnedenen ‘through faith’. Het lijkt er bijna op dat hij een onderscheid probeert te maken. In beide gevallen is geloof erbij betrokken, maar de rechtvaardiging van de Joden komt op de ene manier en die van de heidenen op een andere manier: de Joden ‘by faith’, door geloof, en de heidenen ‘through faith’, door middel van geloof. En mij is vaak gevraagd, en ik heb het mezelf ook afgevraagd, of Paulus een bepaald verschil in gedachten heeft tussen ‘by faith’ en ‘through faith’. Ik ben eenvoudig tot de conclusie gekomen dat dit niet zo is. Hij probeert alleen te voorkomen dat hij te vaak dezelfde uitdrukking gebruikt en daardoor in herhaling valt. Gered worden ‘by faith’, door geloof, en gered worden ‘through faith’, door middel van geloof, is in wezen hetzelfde. Zeggen dat je ‘through faith’, door middel van geloof, gered wordt, betekent dat je geloof hebt en dat je door dat middel gered, gerechtvaardigd wordt. Zeggen dat je ‘by your faith’, door je geloof, gered wordt, betekent eigenlijk hetzelfde, alleen met iets andere woorden. Het beeld kan heel licht verschillen, maar ik denk niet dat Paulus zegt dat er twee verschillende methoden zijn. Hij heeft zojuist het tegenovergestelde gezegd: dezelfde God rechtvaardigt Joden en heidenen allemaal op dezelfde manier, ‘by faith’, door geloof. Of we zouden kunnen zeggen ‘through faith’, door middel van geloof. We zouden in feite allebei kunnen zeggen, en hij heeft ze allebei gezegd.

^p36

### 8. Bevestigt het geloof de wet?

*20:07 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h8*

> Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet, maar wij bevestigen de wet.
>
> — Romeinen 3:31

^p37

Waarom zou deze vraag nu worden gesteld? Paulus blijft retorische vragen stellen waarvan hij aanneemt dat ze kunnen opkomen door een misverstand over iets wat hij zojuist heeft gezegd. En Paulus heeft daar geen ongelijk in. Mensen begrijpen hem inderdaad verkeerd. Mensen stellen inderdaad de verkeerde vragen en denken dat hij iets zegt wat hij niet zegt. Paulus wist niet alleen wat hij zelf dacht, hij wist ook wat anderen zouden denken over wat hij dacht. En hij wist wat hij bedoelde, maar hij wist ook wat anderen misschien zouden denken dat hij bedoelde. Wanneer hij zijn betoog uiteenzette, bracht hij niet alleen zijn argument naar voren. Hij hield er ook rekening mee dat iemand er waarschijnlijk een verkeerde conclusie uit zou trekken. Dus zal ik die vraag stellen voordat anderen dat doen, en haar meteen beantwoorden. Dan hoeven zij haar niet zelf te stellen en vormt het ontbreken van een antwoord geen struikelblok.

^p38

Zo zou het kunnen klinken. Hoe dan? Omdat de Joden al die tijd de wet hadden. Dat maakte hen anders dan de heidenen. Voor hen bepaalde dat volledig wie ze waren, vooral wat betreft hun kosmische identiteit als volk van God, iets wat zelfs raciale en nationale verschillen overstijgt. Het was een religieus verschil: zij werden door God aanvaard en de heidenen niet. De wet was beslist alles. En toch heeft Paulus nu betoogd dat ze in wezen niets is. De wet waarop jij je beroemt, is werkelijk niets wat betreft datgene waarvoor je haar probeert te gebruiken. Het is niet zo dat ze niets voorstelt, maar ze is niet wat jij denkt dat ze is. Ze is niet datgene wat jou tot een beter mens maakt. Ze is niet datgene waardoor God jou aardiger vindt. Dat is niet wat de wet is.

^p39

En dus lijkt Paulus de wet te ontdoen van al haar geliefde eigenschappen die haar in de ogen van de Jood onderscheidend maken. En hij zegt: nu zul je waarschijnlijk zeggen dat alles wat ik heb gezegd over deze rechtvaardiging door geloof, los van de werken van de wet, de wet gewoon het raam uit gooit. Sterker nog, het maakt de wet krachteloos. Het laat het bijna klinken alsof de wet verkeerd was. Zeggen we dat de wet verkeerd was? Maken we de wet krachteloos? Suggereerde het Oude Testament niet dat de wet verplicht en belangrijk was, dat mensen de wet moesten houden, en dat:

^p40

> Mijn verordeningen en Mijn bepalingen moet u in acht nemen. De mens die ze houdt, zal erdoor leven. Ik ben de HEERE.
>
> — Leviticus 18:5

^p41

enzovoort? Maken we de wet krachteloos door deze schijnbaar tegengestelde uitspraken te doen? En hij zegt:

^p42

Zeker niet. Integendeel, we bevestigen de wet.

^p43

### 9. De ware betekenis van de wet bevestigen

*23:07 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h9*

Nu heb ik er ergens in onze eerdere inleidingen op gewezen dat deze laatste regel:

^p44

We bevestigen de wet.

^p45

grotendeels verkeerd is toegepast. Ik hoor zelfs maar heel zelden iemand dat vers citeren zonder het verkeerd toe te passen. Paulus had er beslist een juiste betekenis mee voor ogen, en ik hoor bijna nooit mensen het citeren om duidelijk te maken wat hij bedoelde. In plaats daarvan citeren mensen het om een punt te maken dat hij niet maakte. Wanneer hij zegt:

^p46

> Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet, maar wij bevestigen de wet.
>
> — Romeinen 3:31

^p47

vatten zij dat op als: wij laten de wet voortbestaan, wij bevestigen opnieuw dat de wet van kracht blijft. Wij onderwerpen ons aan de wet en leven onder de wet zoals de Joden dat deden. Dat is wat veel mensen Paulus lijken te horen bedoelen wanneer hij zegt:

^p48

We bevestigen de wet.

^p49

Degenen die dit het vaakst citeren, zijn gewoonlijk zevendedagsadventisten of andere sabbatsvierders, of misschien mensen uit de Hebrew Roots-beweging, die geloven dat wij de Joodse wetten zouden moeten houden. En zij zeggen dat zelfs Paulus de vraag stelde of wij de wet krachteloos maken, en dat hij zei dat we dat niet doen, maar haar bevestigen. Dus daar heb je het. Wij die onderwijzen dat je de sabbat moet houden, wij die onderwijzen dat je koosjer moet eten, wij die al deze dingen van de Hebrew Roots-beweging onderwijzen, zoals het houden van de feesten, wij doen wat Paulus deed: de wet bevestigen. Maar zij doen alsof de vraag van Paulus luidt: laten wij de wet voortbestaan? Ja, wij laten de wet voortbestaan. Nee, hij zegt niet dat wij het wetsstelsel laten voortbestaan.

^p50

En zij begrijpen dit op precies dezelfde verkeerde manier als de woorden van Jezus in Mattheüs 5. Daar zei Hij:

^p51

> Denk niet dat Ik gekomen ben om de Wet of de Profeten af te schaffen; Ik ben niet gekomen om die af te schaffen, maar te vervullen.
>
> — Mattheüs 5:17

^p52

en zij denken dat dit alleen maar zo kan worden begrepen dat Jezus van plan is de wet te laten voortbestaan zoals ze was, ook nu, in dit huidige tijdperk. Hij kwam niet om haar te vernietigen. Ze wordt geacht door te blijven gaan. Maar zij gaan voorbij aan het feit dat Hij zegt:

^p53

> Ik ben gekomen om die te vervullen.
>
> — Mattheüs 5:17

^p54

Wat Ik ben komen doen, zal inderdaad dingen aan de wet veranderen. De wet zal niet dezelfde status hebben als vroeger, maar wat Ik doe is niet vernietigend voor haar. Het bevestigt juist datgene waarop zij vooruitliep.

^p55

Paulus heeft eerder in Romeinen meer dan eens aangegeven dat de Wet en de Profeten zijn Evangelie bevestigen. Hij zei het vrijwel meteen in het openingsvers, aan het begin van de brief. Aan het einde van vers 1 zei hij:

^p56

> Paulus, een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen apostel, afgezonderd tot het Evangelie van God,
>
> — Romeinen 1:1

^p57

En in vers 2:

^p58

> dat Hij tevoren beloofd had door Zijn profeten, in de heilige Schriften,
>
> — Romeinen 1:2

^p59

Het Oude Testament heeft dit beloofd. Dit is niet iets nieuws dat Paulus heeft bedacht. Dit is iets waarvan het Oude Testament zei dat het zou gebeuren.

^p60

En zo zagen we ook in hoofdstuk 3, vers 21:

^p61

> Maar nu is zonder de wet gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan door de Wet en de Profeten is getuigd:
>
> — Romeinen 3:21

^p62

Met andere woorden, hij heeft in hoofdstuk 3, vers 21 al gezegd wat hij hier zegt, namelijk dat de leer die hij onderwijst overeenstemt met de Wet en de Profeten. Die leer houdt de huidige status of de huidige praktijk van de Wet en de Profeten niet in stand. Maar ze brengt tot vervulling wat zij zeiden dat er zou komen. En hij zegt dat het, wanneer we rechtvaardiging door geloof verkondigen, misschien lijkt alsof we de wet geweld komen aandoen. Nee, we komen de wet vervullen. We ‘bevestigen’ de wet — in de Engelse vertaling staat hier ‘establish’ — omdat we hetzelfde zeggen als wat de wet had gezegd dat er zou gebeuren.

^p63

### 10. Abraham bevestigt rechtvaardiging door geloof

*27:27 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h10*

Hoe weet ik nu dat Paulus dat bedoelt? Omdat hij verdergaat, op een plaats waar er helemaal geen hoofdstukscheiding zou moeten zijn. Hij zegt:

^p64

> Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham, onze vader, wat het vlees betreft verkregen heeft?
>
> — Romeinen 4:1

^p65

Waarom begint hij op dit punt over hem? Omdat het verhaal van Abraham in de Thora staat, de wet. En wat Paulus over Abraham gaat zeggen, bevestigt rechtvaardiging door geloof. De wet heeft gezegd dat rechtvaardiging door geloof plaatsvindt. Zo voert hij dus zijn betoog. Wij bevestigen de Thora. Was het tenslotte niet de Thora die precies zei wat ik zeg?

^p66

> Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend.
>
> — Romeinen 4:3

^p67

Dat is wat ik zeg. Ik zeg hetzelfde als wat de wet zegt. Dus wanneer hij zegt dat wij de wet bevestigen, bedoelt hij niet dat wij het wetboek blijven naleven. Het betekent dat de Thora zelf, waarop de Joden zich beroemen, de informatie bevat die hij naar voren brengt. Hij zegt alleen hetzelfde als wat de wet zei toen die zei:

^p68

> En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.
>
> — Genesis 15:6

^p69

Dus hij zegt:

^p70

Wat heeft onze vader Abraham op menselijk vlak bereikt?

^p71

Dat wil zeggen: onze vader naar het vlees. Paulus is een Jood, en zijn Joodse lezer zou, net als hijzelf, Abraham onze vader naar het vlees noemen. Nu sprak Paulus, wanneer hij het over Abrahams kinderen had, soms over alle christenen als het nageslacht van Abraham, maar niet naar het vlees. Er zijn kinderen van het vlees en kinderen van de belofte. Paulus zal dat onderscheid in Romeinen 9 naar voren brengen. Hij zegt:

^p72

> Dat is: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen van God, maar de kinderen van de belofte worden als nageslacht gerekend.
>
> — Romeinen 9:8

^p73

Zo spreekt Paulus in Galaten 4 ook over Abraham, die twee kinderen had, Izak en Ismaël.

^p74

> De een was naar het vlees geboren en de ander door de belofte.
>
> — Galaten 4:23

^p75

Een kind van Abraham naar het vlees is iets anders dan een kind van Abraham naar de belofte. Alle christenen hebben Abraham als hun vader, omdat hij de vader van de gelovigen is. Paulus zei in Galaten 3:

^p76

> Zij die uit het geloof zijn, zijn kinderen van Abraham.
>
> — Galaten 3:7

^p77

In zekere zin heeft dus ieder van ons die christen is Abraham als vader. Maar hier spreekt hij specifiek tot de Jood: onze vader naar het vlees.

^p78

### 11. Abraham kon niet roemen op zijn werken

*29:57 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h11*

Nu besef ik dat de woorden ‘according to the flesh’ in de New King James op een vreemde plaats staan ten opzichte van ‘father’. De HSV geeft deze bepaling weer als ‘wat het vlees betreft verkregen heeft’, maar de spreker vat haar op als een bepaling bij ‘onze vader’. De woordvolgorde, of de volgorde van zinsdelen, is in het Grieks vaak flexibel. Volgens deze uitleg wordt er dus niet gevraagd wat hij ‘according to the flesh’ gevonden heeft. Het gaat over wat hij, onze vader naar het vlees, gevonden heeft. De woordvolgorde in de New King James is daar dus nogal verwarrend. Maar Paulus spreekt tegen Joden zoals hijzelf, die Abraham onze vader naar het vlees konden noemen. Wij zijn lichamelijke nakomelingen van Abraham. Wat heeft onze vader naar het vlees dan in geestelijke zin gevonden? Dat wil zeggen, als het gaat om een grondslag voor een relatie met God. Hij zegt:

^p79

> Immers, als Abraham uit werken gerechtvaardigd is, heeft hij iets om zich op te beroemen, maar niet bij God.
>
> — Romeinen 4:2

^p80

Nu zie je het verband met hoofdstuk 3, vers 27.

^p81

> Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door welke wet? Van de werken? Nee, maar door de wet van het geloof.
>
> — Romeinen 3:27

^p82

Als Abraham werken had verricht, zou hij iets hebben om zich op te beroemen. Beroemen wordt door de wet van de werken niet uitgesloten. Als Abraham de werken had verricht en hij daardoor gerechtvaardigd was, dan wordt beroemen dus niet uitgesloten. Hij zou werkelijk iets hebben om zich op te beroemen. Maar niet tegenover God. Dat voegt Paulus er nog aan toe. Hoe goed Abraham ook was, en hoeveel beter zijn werken misschien waren dan die van zijn buren, hij zou toch nooit aan God kunnen tippen. Hij zou zich tegenover God niet kunnen beroemen, maar wel tegenover zijn buren. Hij zou zich boven hen kunnen verheffen als een rechtvaardiger mens vanwege alle goede werken die hij had gedaan. Maar dat is niet de grondslag waarop hij als rechtvaardig werd gerekend.

^p83

Het is niet zo dat Abraham veel slechte werken deed. Zoals de meeste mensen in het Oude Testament had hij enkele misstappen begaan die opgetekend zijn. Sommige daarvan zijn zelfs enigszins beschamend. Maar toch was hij een goed mens, en waarschijnlijk een beter mens dan de meesten. Maar daar gaat het niet om. Dat is niet de manier waarop God hem aannam. Hij werd niet door zijn werken gerechtvaardigd. Er staat dat hij, als dat wel zo was geweest, iets zou hebben om zich op te beroemen. Maar wat zegt de Schrift? Vers 3:

^p84

> Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem tot gerechtigheid gerekend.
>
> — Romeinen 4:3

^p85

Dat is geloof.

^p86

Het citaat komt natuurlijk uit Genesis 15, vers 6. Dat was bij de gelegenheid waarbij God Abraham mee naar buiten nam, hem op de sterren wees en hem een talrijk nageslacht beloofde. Vervolgens staat er:

^p87

> En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.
>
> — Genesis 15:6

^p88

En er staat:

^p89

Abraham geloofde in de Heer en dat werd hem als rechtvaardigheid toegerekend.

^p90

Wat een vreemde plaats om die opmerking te maken. Voor ons is het niet vreemd, omdat dit een heel vaak aangehaald vers in de Bijbel is, en daardoor vergeten we hoe vreemd het is. Maar je leest gewoon een verhaal over Abraham die God gelooft. Er zijn andere plaatsen in Genesis waar wordt gesproken over God Die beloften doet, en daar staat niet:

^p91

En Abraham geloofde Hem en dat werd hem als rechtvaardigheid toegerekend.

^p92

Het is bijna alsof Mozes Genesis schrijft en dit erin voegt als een theologische uitspraak. Omdat Abraham God geloofde, krijgen we nu een theologische interpretatie. God rekende hem rechtvaardig.

^p93

Nu terug naar ons verhaal. Het lijkt gewoon een vreemde terzijde in Genesis, maar het staat er wel. En waarschijnlijk staat het er zodat Paulus het hier kon gebruiken. Als het er niet stond, zou hij het niet kunnen gebruiken. En hij zegt: dit is wat de Schrift zegt. Waar? In de Thora, in Genesis, in de wet. Dus als ik hier hetzelfde zeg als de Thora, stel ik daarmee vast dat de wet waar is. De Thora is waar. Dat betekent niet dat ik wil dat je je houdt aan de inzettingen, de verordeningen en dergelijke die nu vervuld zijn.

^p94

### 12. Loon uit werken tegenover genade

*34:29 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h12*

> Aan hem nu die werkt, wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar wat men hem verschuldigd is.
>
> — Romeinen 4:4

^p95

> Bij hem echter die niet werkt, maar gelooft in Hem Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid.
>
> — Romeinen 4:5

^p96

Opnieuw maakt Paulus een heel scherp contrast, een absolute tweedeling tussen twee mogelijke stelsels van godsdienst of van een relatie met God. Het ene is op grond van werken, het andere op grond van geloof. Als het op grond van werken is, komt er geen genade aan te pas. Genade is dat wat onverdiend is. Genade is een geschenk. Genade is een weldaad die wordt geschonken zonder dat iemand er aanspraak op heeft.

^p97

Als ik nu een bepaalde hoeveelheid werken moest doen, en God, zodra ik een bepaalde prestatiedrempel overschreed, zei: oké, je mag binnenkomen, je hebt nu genoeg gedaan, dan heb ik het verdiend. Er was namelijk een vastgestelde prijs die betaald moest worden, en ik heb die prijs betaald. Dus nu is Hij het aan mij verschuldigd om mij binnen te brengen. Als het zo werkt, zit daar helemaal geen genade in. Het is gewoon een schuld die God aan mij heeft. Iets waarover ik kan roemen. Hé, het is me gelukt. Ik heb gedaan wat gedaan moest worden. God Zelf staat bij mij in het krijt.

^p98

Maar als het daarentegen niet op grond van werken is, als God de goddelozen rechtvaardigt, waarmee vanzelfsprekend mensen worden bedoeld die niet goed gepresteerd hebben, maar Hij dat doet op grond van hun geloof, dan wordt dat geloof natuurlijk tot gerechtigheid gerekend. Toegerekend betekent dat het net is alsof een boekhouder het in het grootboek aan jouw kant boekt. Het gaat hier allemaal om Gods gerechtigheid, maar die gerechtigheid wordt nu in jouw kolom geboekt. Ze wordt jou toegerekend. Je hebt haar niet verdiend. Het is een geschenk, en het staat nu op jouw rekening. Dus ze is van jou. Je bent rechtvaardig, niet omdat je iets hebt gedaan om dat te verkrijgen, maar omdat Iemand genadig zei: ‘Ik denk dat Ik dit gewoon op jouw rekening zet.’

^p99

### 13. David werd onder de wet gerechtvaardigd

*36:36 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h13*

En zo zegt hij dat ook David de zaligheid beschrijft van de mens aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken. En hier haalt hij Psalm 32 aan:

^p100

> Welzalig zijn zij van wie de wetteloze daden vergeven en de zonden bedekt zijn. Welzalig is de mens aan wie de Heere de zonde niet toerekent.
>
> — Psalmen 32:1-2

^p101

Nu zijn er hier een paar dingen. Waarom gebruikt hij voor zijn punt deze Schrifttekst? Het ligt misschien voor de hand, maar er zijn een paar dingen waarop we moeten letten. Eén daarvan is dat David na Mozes leefde. Paulus heeft laten zien dat Abraham door geloof werd gerechtvaardigd, maar een Jood zou kunnen aanvoeren: ja, maar dat was voordat God ons de wet gaf. Abraham leefde vóór de wet. Er moest duidelijk een ander middel tot rechtvaardiging zijn voordat de wet als middel tot rechtvaardiging werd gegeven. En toevallig hoefde hij zich niet aan wetten te houden, omdat God er geen had gegeven. Abrahams rechtvaardiging door geloof is dus eigenlijk niet relevant, want sinds zijn tijd is er deze wet die God heeft gegeven en waaraan de Joden zich moeten houden.

^p102

En dus zegt Paulus: laten we het dan over David hebben. Wanneer leefde hij? Hij leefde na Mozes. Hij leefde onder de wet. Hij leefde in de Joodse samenleving die door de Wet van Mozes werd bestuurd, net zozeer als in elke andere tijd na de tijd van Mozes. Hier hebben we dus een geval van na de wet. David werd op dezelfde manier gerechtvaardigd als Abraham. In Abrahams tijd bestond de wet nog niet; in Davids tijd wel. De wet had dus niets veranderd aan de wijze waarop iemand werd gerechtvaardigd: Abraham kon zonder de wet gerechtvaardigd worden, en David ook.

^p103

### 14. Davids zonde kon de wet niet verhelpen

*38:21 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h14*

En voordat Paulus het in vers 6 aanhaalt, formuleert hij het zo: ook David beschrijft de zaligheid van de mens aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken. Deze Schrifttekst die hij geeft, wijst heel specifiek op dat beginsel. David schrijft Psalm 32 namelijk na zijn zonde met Bathseba en na zijn bekering. Er zijn twee Psalmen van David die verband houden met zijn bekering van die zonde. De ene werd tijdens zijn bekering geschreven, en de andere om de vreugde te gedenken die hij daarna voelde. Psalm 51 is zijn boetepsalm voor die zonde. In Psalm 51 bekeert hij zich terwijl hij schrijft. Psalm 32 is in feite later geschreven, misschien onmiddellijk daarna of misschien enige tijd daarna. Maar hij viert nog steeds de ruimte en de vrijheid die hij nu heeft, omdat God hem zijn zonde heeft vergeven.

^p104

Nu herinner je je misschien hoe David vergeving ontving. Toen Nathan bij hem kwam en hem ermee confronteerde, en David overtuigd werd van zijn zonde, ging hij geen dierlijk offer brengen. Hij zegt zelfs uitdrukkelijk in Psalm 51:

^p105

> In slachtoffers en offers schept U geen behagen, anders zou ik ze brengen. De offers voor God zijn een gebroken geest en een verbrijzeld hart.
>
> — Psalmen 51:18-19

^p106

David bracht dus zelfs geen offer. Hij vertrouwde helemaal niet op iets in de wet om ten aanzien van zijn schuld gerechtvaardigd te worden, om van zijn schuld gereinigd te worden. Hij had in feite zonden begaan waarvoor hij onder de wet niet gerechtvaardigd kon worden. Er was geen offer beschikbaar voor moord en overspel. De remedie daarvoor was de dood. De wet kende geen enkel offer dat iemand kon brengen als hij een moordenaar of overspeler was. Zo iemand moest eenvoudig sterven, en hij stierf als veroordeelde.

^p107

David kon natuurlijk niet op grond van werken van de wet gerechtvaardigd worden voor wat hij had gedaan. Er was geen wet, geen voorziening in de wet, waardoor hij van die daden gerechtvaardigd kon worden. Toch werd hij gerechtvaardigd. Welnu, als het niet door de wet was, waardoor dan wel? In vers 6 zegt Paulus dat God gerechtigheid toerekent. Dat is hetzelfde als iets op iemands rekening zetten. Hij zet het op zijn rekening. David kon die gerechtigheid niet verdienen, want geen enkele wettelijke procedure kon zijn zonde verhelpen. Maar hem kon wel gerechtigheid worden toegerekend, en dat zou dan zonder werken van de wet zijn. Als dat zo is, dan is David opnieuw een goed voorbeeld van wat Paulus probeert te bewijzen: dat de werken van de wet niet ter zake doen bij de rechtvaardiging. David werd rechtvaardig gerekend. David werd vergeven. David werd gerechtvaardigd. Maar daar kwamen helemaal geen werken van de wet aan te pas. David zegt:

^p108

### 15. Vergeving en toegerekende gerechtigheid

*41:16 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h15*

> Welzalig zijn zij van wie de wetteloze daden vergeven zijn.
>
> — Psalmen 32:1

^p109

Dat gebeurt los van de wet. Mijn daden zijn wetteloos en toch vergeven, los van de wet.

^p110

> Welzalig zijn zij van wie de wetteloze daden vergeven en de zonden bedekt, verzoend, zijn. Welzalig is de mens aan wie de Heere de zonde niet toerekent.
>
> — Psalmen 32:1-2

^p111

Nu ben ik een man die gezondigd heeft, maar God rekent mij geen zonde toe. Hij schrijft mijn zonden niet op mijn rekening. Wat komt er in plaats van zonde? Wel, gerechtigheid. Mij wordt gerechtigheid toegerekend. Daarom zegt Paulus aan het einde van vers 6 dat David vierde dat hem gerechtigheid was toegerekend. David gebruikt die termen niet uitdrukkelijk, maar hij zegt:

^p112

> God rekende mij de zonde niet toe.
>
> — Psalmen 32:2

^p113

Wel, wat betekent dat? Dan rekende Hij mij dus het tegenovergestelde van zonde toe: gerechtigheid.

^p114

Wat Paulus in de loop van deze eerste hoofdstukken nu dus heeft gedaan, is zijn leerstelling dat rechtvaardiging niet door de wet maar door geloof is, tot dusver te onderbouwen vanuit drie passages in het Oude Testament: één uit de Wet, één uit de Profeten en één uit de Psalmen. Zo heeft hij uit elke belangrijke verzameling geschriften in het Oude Testament een gedeelte genomen en laten zien dat je op al deze plaatsen dezelfde leer aantreft. De Wet zegt:

^p115

> En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.
>
> — Genesis 15:6

^p116

De Profeten zeggen:

^p117

> Zie, zijn ziel is hoogmoedig, niet oprecht in hem, maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.
>
> — Habakuk 2:4

^p118

De Psalmen zeggen dat een wetteloos mens vergeven kon worden en dat God hem geen zonde zou toerekenen. Zo staat het er dus voor.

^p119

### 16. Abraham was vóór zijn besnijdenis gerechtvaardigd

*43:14 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h16*

Welk deel van de Schrift zou hier dan tegen ingaan? We hebben vastgesteld wat het Oude Testament zegt. De Jood die nog steeds een invalshoek of een fout in het argument van Paulus probeerde te vinden, zou waarschijnlijk hebben gezegd dat Abraham vóór de wet leefde en dat dit daarom voor hem gold, maar sinds die tijd niet meer. Paulus beantwoordde dat door te zeggen: maar hoe zit het dan met David? Hij leefde na de wet, en het gold ook voor hem. Dan komen ze terug met nog een mogelijkheid. Goed, Abraham leefde natuurlijk vóór de wet, maar hij was besneden, en daarom is besnijdenis noodzakelijk voor gerechtigheid. Misschien hield hij niet de hele wet en had hij geen wet, maar hij had wel de besnijdenis. En daarom waren deze beide mannen van wie beweerd wordt dat zij door geloof gerechtvaardigd waren, Abraham en David, besneden mannen. De gemeenschappelijke factor die jij over het hoofd ziet of onderschat, Paulus, is dus de besnijdenis.

^p120

Paulus reageert op dat verwachte bezwaar en zegt:

^p121

> Geldt deze zaligspreking nu alleen voor besneden mensen of ook voor onbesneden mensen ? Wij zeggen immers dat aan Abraham het geloof gerekend is tot gerechtigheid.
>
> — Romeinen 4:9

^p122

David was gezegend, maar hij was besneden. Maar behoort zo’n zegening ook toe aan mensen die niet besneden zijn? Hij zegt:

^p123

> En hij heeft het teken van de besnijdenis ontvangen als een zegel van de gerechtigheid van het geloof dat hij had toen hij nog onbesneden was, opdat hij een vader zou zijn van allen die geloven, hoewel zij onbesneden zijn , opdat ook hun de gerechtigheid toegerekend zou worden;
>
> — Romeinen 4:11

^p124

Dit is dus briljant. Het is een voltreffer. Tegen iedereen die denkt dat je besneden moet zijn en zelfs Abrahams besnijdenis als argument daarvoor gebruikt, zegt hij: wacht eens even. Wanneer werd de volgende uitspraak gedaan?

^p125

Dat was Genesis, hoofdstuk 15, vers 6. Wanneer werd Abraham besneden? In Genesis 17, twee hoofdstukken later. In feite jaren later, meer dan dertien jaar later, werd Abraham besneden. Maar hem werd al meer dan tien jaar vóór zijn besnijdenis gerechtigheid toegerekend. En hoewel hij later besneden werd, deed hij dat daarom alleen als een zegel en een teken dat hij werkelijk op een andere grondslag een man van God was.

^p126

### 17. Doop en besnijdenis als teken van geloof

*45:43 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h17*

We zouden op deze manier over de doop kunnen redeneren als we dat wilden. Sommigen zullen dat misschien betwisten, maar ik denk dat ons behoud door genade is, door geloof, en niet door de doop. Maar ons is geboden ons te laten dopen, en iedere gehoorzame christen zal zich laten dopen. Een ongehoorzame christen is eigenlijk een soort tegenstrijdigheid, want een christen is iemand die Jezus volgt. En daarom is iemand die bewust ongehoorzaam is eigenlijk helemaal geen volgeling van Jezus. Een christen is dus iemand die gehoorzaamt. En er is een gebod om je te laten dopen. Zo was ook Abraham een man die rechtvaardiging door geloof had, waarna het gebod kwam om zich te laten besnijden, en dus deed hij dat. Paulus zegt dat hij zich liet besnijden, maar daardoor werd hij niet voor God gerechtvaardigd. Hij deed dat als een zegel en een teken dat hij al een relatie met God had die op iets anders gebaseerd was. Maar een man die door geloof zo’n relatie met God heeft, zal God natuurlijk gehoorzamen wanneer God instructies geeft. Daarom zal iemand die werkelijk wedergeboren is zich laten dopen. In de Bijbel lieten mensen zich zelfs nog op dezelfde dag dopen waarop ze tot geloof kwamen. Er was geen enkel geval waarin hun doop bewust werd uitgesteld. Zich laten dopen maakte in wezen deel uit van het bekeringsproces in de vroege gemeente. Ze bekeerden zich, geloofden en lieten zich dopen, allemaal kort na elkaar. Ze zouden nooit gedacht hebben dat er een christen kon zijn die niet gedoopt was. Maar omdat er nooit een christen was die niet gedoopt was, is er misschien ten onrechte gedacht dat de doop je rechtvaardigt, dat die je tot christen maakt. Sommigen zouden dat zeggen, maar volgens mij laat de doop zien dat je een christen bent. Ik bedoel dat het het eerste is. Er zijn andere dingen die nog sterker laten zien dat je een christen bent, maar de doop is de verklaring dat je nu een volgeling van Christus bent. En bij deze eerste stap zul je Hem volgen door Hem te gehoorzamen toen Hij zei dat je je moest laten dopen. Dus dat is wat ik ga doen.

^p127

Iemand die niet weet dat hij zich moet laten dopen, omdat niemand hem dat heeft verteld, kan een echte volgeling van Christus zijn en de doop alleen nalaten omdat hij niet beter weet. Schande over degene die tot hem predikte. Dat had hem verteld moeten worden. Of zo iemand kan zijn als de misdadiger aan het kruis. Hij komt tot geloof, maar laat zich niet dopen, alleen omdat hij daar nooit de gelegenheid toe krijgt. Toch zal hij bij Hem in het paradijs zijn. Maar dat is niet de norm. De norm is geloof, gevolgd door gehoorzaamheid, en daar hoort de doop bij.

^p128

Maar ik denk dat de doop een beetje lijkt op wat de besnijdenis voor Abraham was, want Abraham geloofde eerst en werd daarna besneden. Vervolgens bleek dat iedere Jood na hem ook besneden moest worden. Zo moest ook iedere christen gedoopt worden. Maar het was een teken. De uiterlijke handeling, het ritueel, is het teken van een geestelijke werkelijkheid die vóór het ritueel al bestaat. Maar die werkelijkheid zou eigenlijk niet bestaan als het ritueel werd uitgesloten, want je zou in die tijd niet werkelijk een man van God zijn als je weigerde je te laten besnijden. En in onze tijd zou je dat niet zijn als je weigerde je te laten dopen. Je kunt geen man van God zijn terwijl je bewust in ongehoorzaamheid leeft.

^p129

### 18. Abraham als vader van alle gelovigen

*49:22 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h18*

Nu staat er:

^p130

> [9] Geldt deze zaligspreking nu alleen voor besneden mensen of ook voor onbesneden mensen ? Wij zeggen immers dat aan Abraham het geloof gerekend is tot gerechtigheid. [10] Hoe is het hem dan toegerekend? Toen hij besneden was of als een onbesnedene? Niet als besnedene, maar als onbesnedene!
>
> — Romeinen 4:9-10

^p131

En in vers 11 staat:

^p132

Hij ontving het teken van de besnijdenis als een zegel van de rechtvaardigheid die hij door zijn geloof al had voordat hij besneden werd.

^p133

Dus ook hier stelt Paulus vast dat de gerechtigheid door geloof onafhankelijk is van de besnijdenis. Dat betekent niet dat de besnijdenis nooit een doel had, of zelfs dat er nooit een verplichting bestond om haar toe te passen. Maar ze is niet wat rechtvaardigt. Het geloof deed dat.

^p134

En hij zegt dat Abraham op die manier de vader kon worden van allen die geloven, ook als ze onbesneden zijn, dus ook van de heidenen. Zoals ik al zei, hebben zelfs christenen die heidenen zijn Abraham als hun vader. Hij is de vader van allen die geloven, ook als ze onbesneden heidenen zijn. Maar wat de besnedenen betreft, is hij de vader van hen die niet alleen besneden zijn, niet alleen Joods zijn, maar ook wandelen in de voetstappen van het geloof waarin Abraham wandelde.

^p135

Wat Paulus dus zegt, is dat iemand niet een kind van Abraham wordt doordat hij besneden is. Een man kan besneden zijn of niet, maar als hij een man van geloof is, is hij een zoon van Abraham, want God rekent Abrahams geloof als zijn verdienste. Iemands verwantschap met Abraham heeft dus alleen waarde als hij hetzelfde geloof heeft als Abraham. Dat komt niet doordat hij dezelfde besnijdenis heeft ondergaan. Dat was niet de grond van Abrahams verdienste voor God, en daarom is het ook niet de grond van de verdienste van iemand die tot zijn nageslacht wordt gerekend. Van onbesnedenen die geloven is hij de vader. Van besnedenen die geloven is hij de vader. Van besnedenen die niet geloven is hij, nou ja, niet per se de vader, behalve naar het vlees. Maar hij maakt heel duidelijk dat de besneden man, de Joodse man die Abraham als zijn vader wil beschouwen, behalve besneden ook nog iets anders moet zijn:

^p136

> en om een vader te zijn van hen die besneden zijn , voor hen namelijk die niet alleen besneden zijn, maar die ook wandelen in de voetsporen van het geloof van onze vader Abraham dat hij had toen hij nog onbesneden was.
>
> — Romeinen 4:12

^p137

Aan besnijdenis heb je niet genoeg. Waar het wel op aankomt, is geloof.

^p138

### 19. Wandelen in de voetsporen van Abrahams geloof

*52:02 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h19*

Het is interessant dat er staat dat zij wandelen in het geloof, in de voetstappen van het geloof. Geloof heeft voetstappen. Geloof is zelfs iets wat gehoorzaamd wordt. Denk eraan dat we in hoofdstuk 1 zagen dat Paulus zei dat hij de opdracht had alle volken te roepen tot:

^p139

> Door Hem hebben wij genade en het apostelschap ontvangen tot geloofsgehoorzaamheid onder alle heidenen, ter wille van Zijn Naam,
>
> — Romeinen 1:5

^p140

Geloof is niet slechts een verzameling denkbeelden in je hoofd die je gelooft. Het is iets waarin je wandelt.

^p141

Abraham wandelde in geloof. Abrahams verhaal is min of meer een prototype van de christelijke discipel. Hij wordt geroepen om de roeping van God boven zijn familie, zijn achtergrond en zijn traditie te stellen, en naar een gebied te gaan waar hij nog nooit is geweest. Hij ervaart verlies. Hij doorstaat de beproevingen van het verlies van zijn vader en uiteindelijk het verlies van zijn vrouw. En zijn eerste zoon moet het huis uit worden gestuurd. Hij wil hem niet verliezen, maar dit is nu eenmaal een scheiding die hij moet voltrekken. Hij moet zelfs Izak offeren, of bijna. Dit zijn stappen van geloof waarin we Abraham zien wandelen. En ook de christen wandelt door geloof, in zulke stappen van geloof.

^p142

In vers 13 staat:

^p143

> Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof.
>
> — Romeinen 4:13

^p144

Het idee dat Abraham erfgenaam van de wereld zou zijn, hield verband met de belofte die God hem deed voordat hij besneden was. Het maakt dus deel uit van zijn relatie met God door geloof. Daarom zal de belofte niet vervuld worden op grond van het feit dat iemand zich aan wetten houdt, maar op grond van dat geloof.

^p145

### 20. Het beloofde land als beeld van de wereld

*53:57 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h20*

Het kan ons natuurlijk vreemd voorkomen wanneer we lezen over de belofte dat hij erfgenaam van de wereld zou zijn. We lezen in het Oude Testament eigenlijk nergens dat Abraham erfgenaam van de wereld zou zijn. De beloften die God aan Abraham deed, betroffen het land van de Kanaänieten:

^p146

> Want al het land dat u ziet, zal Ik voor eeuwig aan u en uw nageslacht geven.
>
> — Genesis 13:15

^p147

Het land van de Hethieten, de Ferezieten, de Girgasieten, de Jebusieten en al die verschillende stammen:

^p148

> [18] Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat: [19] de Kenieten, de Kenezieten, de Kadmonieten, [20] de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten, [21] de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.
>
> — Genesis 15:18-21

^p149

Hij noemde zelfs grenzen: van de rivier de Eufraat tot de rivier van Egypte, tot aan de Grote Zee, en aan de andere kant de Jordaan. Deze grenzen worden genoemd als de grenzen van het land dat God aan Abraham geeft. Hij zegt nooit:

^p150

Ik geef je de hele wereld.

^p151

Niet met zoveel woorden. Maar Paulus begrijpt de belofte wel zo.

^p152

Zoals zoveel dingen in het Oude Testament is de belofte van het land een type en een schaduw van een veel grotere belofte. Zo was ook de besnijdenis een type en een schaduw van de geestelijke besnijdenis. En de tempel van Salomo was een type en een schaduw van de tempel van de Heilige Geest, en dat is de gemeente. Er zijn zoveel dingen in het Oude Testament die typen en schaduwen van geestelijke dingen zijn. Het land dat God aan Abraham beloofde, was een geografisch begrensd land. Maar het was een type van de uiteindelijke erfenis van de hele wereld voor Abraham en zijn nageslacht.

^p153

En wie is zijn nageslacht? Paulus vertelt ons hier niet wie Abrahams nageslacht is. Er staat eenvoudig dat de belofte aan Abraham en zijn nageslacht werd gedaan. Maar in Galaten 3 vers 16 zei Paulus dat de belofte niet aan Abraham en zijn nageslachten, meervoud, is gedaan, maar aan nageslacht, enkelvoud, en dat is Christus. Volgens Paulus zijn de beloften die God aan Abraham deed dus bestemd voor hem, Abraham, en voor zijn nageslacht, Christus. Abraham ontving de voorlopige vervulling in de vorm van een type. Maar zijn nageslacht, Christus, zal de volledige erfenis ontvangen die door de typen en schaduwen werd aangeduid. Abraham en zijn familie zouden in de daaropvolgende generaties Kanaän beërven. Maar zijn uiteindelijke nageslacht, Christus, zal de aarde beërven.

^p154

### 21. Christus en de gelovigen beërven de aarde

*56:53 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h21*

Er is een Messiaanse psalm, Psalm 2, die heel duidelijk over Jezus gaat. Het is de psalm waarin in vers 8, Psalm 2 vers 8, staat:

^p155

> Vraag Mij en Ik zal U de volken als Uw eigendom geven, de einden van de aarde als Uw bezit.
>
> — Psalmen 2:8

^p156

Daar spreekt God tot de Messias. God zal Jezus de einden van de aarde als Zijn bezit geven. En de Bijbel zegt dat wij die christenen zijn, mede-erfgenamen van Christus zijn. Dat betekent dat we samen met Hem Zijn bezit beërven. Wat zei Hij dat we zouden beërven? De aarde. De Bijbel zegt:

^p157

> Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde beërven.
>
> — Mattheüs 5:5

^p158

God zal de hele wereld aan Abraham en zijn nageslacht, Christus, geven. En Christus is die wereld zelfs nu al aan het veroveren door de prediking van het Evangelie. Wij zijn veroverd. Hij heeft ons ontvangen. Op deze manier zal Abraham de vader van vele volken worden.

^p159

Waar het uiteindelijk op neerkwam toen God deze belofte aan Abraham deed, was:

^p160

> Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof.
>
> — Romeinen 4:13

^p161

En Paulus neemt eenvoudig aan dat dit begrepen wordt. Die belofte die God aan Abraham en zijn nageslacht deed, dat zij de wereld zouden beërven, was dus niet door de wet, maar door geloof. Het eerste deel daarvan, het deel dat onze aandacht grijpt en ons versteld doet staan — wacht eens even, de wereld? — staat in de zin als iets wat al vaststaat. Wat hij wil zeggen, is niet bedoeld om een nieuw idee te introduceren. God zal hem de wereld geven. Dat is het deel dat als bekend wordt verondersteld. Wat wordt uitgelegd, is dat dit niet gebeurde omdat hij zich aan wetten hield, maar omdat hij geloof had. De hele wereld zal door Christus, het nageslacht van Abraham, geregeerd worden. En Abrahams nageslacht zal dan de hele wereld hebben beërfd.

^p162

### 22. De wet brengt toorn en overtreding

*58:57 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h22*

Want als degenen die zich aan de wet houden de erfgenamen zijn — dat betekent: als de Joden de erfgenamen zijn —

^p163

> Immers, als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof zonder inhoud geworden en is de belofte tenietgedaan.
>
> — Romeinen 4:14

^p164

Want de wet brengt toorn teweeg, want waar geen wet is, is ook geen overtreding.

^p165

Nu heeft hij iets vergelijkbaars gezegd in hoofdstuk 3, vers 20, waar hij zei dat door de wet de kennis van de zonde is. Hij bedoelt dit: de wet verleent geen voorrecht. De wet veroordeelt juist gedrag dat vóór haar komst nog niet als wetsovertreding veroordeeld kon worden. Waar geen wet is, is geen overtreding. Dat betekent niet dat er zonder wet geen wangedrag, verkeerde daad of zonde is. Er is alleen geen overtreding, want het woord ‘overtreding’ betekent specifiek dat een gebod wordt geschonden. Waar geen gebod is, kan niets overtreden en geen wet geschonden worden. Maar dat betekent niet dat wat iemand deed goed was.

^p166

Kaïn doodde Abel. Er was geen wet, dus in die zin was daar geen overtreding. God had nog nooit gezegd: ‘U zult niet doodslaan.’ Toch deed Kaïn iets verkeerds. Het was verkeerd, ook al was daarover nog geen wet gegeven. Later werd de wet gegeven: u zult niet doodslaan. Daardoor zou zo’n daad een overtreding worden. Als Kaïn van God het gebod had ontvangen om niet te doden, zou zijn zonde meer zijn geweest dan alleen zonde: ze zou ook een schending van een gegeven wet zijn geweest. Dat is wat ‘overtreding’ betekent.

^p167

Volgens Paulus is dat wat de wet doet. Ze helpt je niet om beter te zijn; ze maakt je tot een overtreder. Eerst was je slechts een zondaar die zich van geen kwaad bewust was, maar nu ben je een wetsovertreder. Door kennis van de wet krijg je kennis van je overtreding en van je schuldige staat. De wet zorgt er dus niet voor dat je er beter voor staat, maar slechter. Ze rechtvaardigt niet, maar veroordeelt. Deze beloften kunnen daarom natuurlijk niet op de wet gebaseerd zijn. Ze moeten gebaseerd zijn op iets wat werkelijk gerechtigheid schenkt en niet alleen meer schuld.

^p168

### 23. Eén geloofsfamilie uit vele volken

*1:01:13 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h23*

> Daarom is het uit het geloof, opdat het naar genade zou zijn, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor heel het nageslacht, niet voor dat wat uit de wet is alleen, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen.
>
> — Romeinen 4:16

^p169

Hij maakt dus heel duidelijk dat het nageslacht van Abraham niet alleen degenen omvat die uit de wet zijn, niet alleen de Joden, maar iedereen die het geloof van Abraham heeft. Abraham is de vader van ons allen, Joden en heidenen. Wij zijn allemaal kinderen van Abraham. De beloften die God deed, gelden voor allen die zijn kinderen zijn.

^p170

In vers 17 staat:

^p171

> zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt.
>
> — Romeinen 4:17

^p172

Let erop dat ‘vele volken’ ook heidenen omvat. Israël was eigenlijk één volk, maar Abraham is niet alleen de vader van één volk, de Joden. Hij is de vader van vele volken. In één betekenis komt dat doordat zijn nakomelingen werkelijk vele volken hebben voortgebracht. De Edomieten, de Joden, de Suahieten, de Midianieten, de Ismaëlieten en verscheidene andere volken stammen op de een of andere manier van Abraham af. In die zin was hij de vader van vele volken.

^p173

Maar Paulus ziet er nog een andere betekenis in. Abraham is de vader van mensen uit vele volken die niet biologisch van hem afstammen. Mensen uit vele volken die het geloof van Abraham hebben, zijn allemaal zijn kinderen. Hij is dus de vader van een multi-etnische familie die wordt bepaald door het soort geloof dat hij had en waarvan hij het voorbeeld was.

^p174

### 24. De kracht en volharding van Abrahams geloof

*1:02:58 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h24*

Hij geloofde in God, Die de doden levend maakt en de dingen die niet bestaan, roept alsof zij bestaan. Tegen hoop in heeft hij in hoop geloofd, zodat hij een vader van vele volken werd, overeenkomstig wat gezegd was: zo zal uw nageslacht zijn. Dat staat in Genesis 15, waar God zei: u ziet de sterren; zo talrijk zal uw nageslacht zijn. En het zijn niet alleen Joodse sterren, maar vele volken.

^p175

> [19] En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was — hij was ongeveer honderd jaar oud — en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was. [20] En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf. [21] Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was. [22] Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend.
>
> — Romeinen 4:19-22

^p176

‘Daarom’ betekent: vanwege wat ik zojuist heb beschreven, werd zijn geloof hem tot gerechtigheid gerekend. Dat woord suggereert dat zijn geloof misschien niet tot gerechtigheid zou zijn gerekend als het anders was geweest dan het geloof dat zojuist is beschreven. Omdat zijn geloof deze kracht, deze vasthoudendheid en deze volledige toewijding bezat, werd het hem daarom tot gerechtigheid gerekend.

^p177

Er bestaat ook iets wat sommige mensen geloof noemen, maar wat geen van die eigenschappen heeft. Het bezit niet die volharding en niet die neiging om de natuurlijke omstandigheden buiten beschouwing te laten, eenvoudig te geloven dat God kan doen wat Hij wil en daarnaar te handelen. Abraham deed dat uiteindelijk zelfs zo ver dat hij bereid was Izak te offeren. Zulk gedrag laat zien wat voor geloof hij bezat. Daarom werd dat geloof hem tot gerechtigheid gerekend. Een zwakkere soort geloof zou dat vermoedelijk niet zijn. Dat lijkt Paulus hier te suggereren.

^p178

> [23] Nu is het niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem toegerekend is, [24] maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft, [25] Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging.
>
> — Romeinen 4:23-25

^p179

Ik moet dit hier snel afronden.

^p180

Ik wil hier enkele opmerkingen over maken. Aan het einde van vers 17 staat dat God

^p181

> zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij er waren.
>
> — Romeinen 4:17

^p182

### 25. God roept wat nog niet bestaat

*1:05:46 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h25*

Ik wil zeggen dat dit in feite een van de verzen is geworden die de mensen van de Woord-van-Geloofbeweging graag gebruiken. Want zij zeggen dat wij moeten spreken zoals God spreekt. God spreekt over dingen die er niet zijn alsof ze er wel waren. En daarom moeten wij over dingen die er niet zijn spreken alsof ze er wel waren. Ben ik ziek? Nou, dan moet ik zeggen dat ik niet ziek ben. Ik moet zeggen dat ik genezen ben. Nou, ben ik werkelijk genezen? Dat doet er niet toe. Ik hoor over dingen die er niet zijn te spreken alsof ze er wel waren. Misschien ben ik niet genezen, maar ik hoor te spreken alsof ik genezen ben. Ik zeg: ik ben genezen, ik ben voorspoedig, het gaat goed met me, alles gaat goed voor mij. Is dat werkelijk waar? Dat doet er niet toe. Ik hoor dingen uit te spreken die er niet zijn. Met andere woorden, ik hoor te liegen en te hopen dat mijn leugen verderop op de een of andere manier met de werkelijkheid overeenkomt. Maar is dat wat God doet? Loog Hij? Wanneer God zegt dat iets waar is, dan is het waar, op zijn minst in Zijn voornemens, en Zijn voornemens zullen niet worden verijdeld. Je kunt erop rekenen dat het waar is.

^p183

Wat is het specifieke geval waar Paulus naar verwijst wanneer hij zei dat God dingen die er niet zijn noemt alsof ze er wel waren? Wel, God zei in Genesis 17 tegen Abram dat hij zijn naam in Abraham moest veranderen. De naam Abraham betekent vader van een menigte. Ik ga je voortaan de vader van een menigte noemen. Dat ben je niet, maar eigenlijk ben je het wel, want Ik heb besloten dat er uit jou een menigte zal voortkomen, en jij bent de vader. Je hebt nog niets van deze menigte gezien, maar ze komen eraan. Ik ga je zo noemen, zelfs voordat het zover is. En dat Ik je zo noem, is op zichzelf al min of meer een belofte. Ik zou je niet zo noemen als Ik niet vastbesloten was je dat te maken. Dus in dat specifieke geval ken ik niet veel andere plaatsen in de Bijbel waar Paulus naar zou kunnen verwijzen, maar hij heeft het over het verhaal van Abraham: God noemde hem de vader van een menigte voordat hij dat was. Het was niet iets wat waar was, maar God noemde het alsof het waar was, omdat het natuurlijk deel uitmaakte van Zijn belofte, die met zekerheid vervuld zou worden. Wij hebben niet het vermogen om met onze woorden werkelijkheden tot bestaan te roepen. Hoe graag veel mensen van de Woord-van-Geloofbeweging ook zouden zeggen dat dit een voorrecht is dat christenen hebben, je vindt nergens in de Bijbel dat dit wordt gezegd. En eenvoudigweg zeggen dat God dingen die er niet zijn noemt alsof ze er wel waren, betekent niet: ‘en daarom doen wij dat ook.’ God heeft voorrechten en machten die mensen niet hebben, zelfs christelijke mensen niet. God is God. Wij zijn mensen. Hij is de Schepper. Wij zijn de schepselen. Daarom betekent het feit dat God dit soort voorrecht had niet dat dit op ons wordt overgedragen. Dat zou ons afzonderlijk verteld moeten worden, en dat wordt het niet.

^p184

### 26. Abrahams lichaam was zo goed als dood

*1:08:57 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h26*

Nu staat er dat Abraham tegen hoop in geloofde. Want hij was natuurlijk oud en zijn vrouw was oud. En toch geloofde hij, omdat God zei dat het zo zou zijn. God zei:

^p185

> zal Ik u zeker rijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren aan de hemel en als het zand dat aan de oever van de zee is. Uw nageslacht zal de poort van zijn vijanden in bezit hebben.
>
> — Genesis 22:17

^p186

Nu had hij een dood lichaam, zijn eigen lichaam, en zijn vrouw had een dode moederschoot.

^p187

Het Engelse woord ‘dead’ hier — dat in de weergegeven Nederlandse tekst van vers 19 met ‘verstorven’ is vertaald —

^p188

> En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was — hij was ongeveer honderd jaar oud — en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was.
>
> — Romeinen 4:19

^p189

is een voorbeeld van hoe Paulus het woord ‘dood’ gebruikt wanneer hij niet werkelijk letterlijk dood bedoelt. Wanneer in Hebreeën 11 over precies hetzelfde wordt gesproken en in wezen dezelfde uitspraak wordt gedaan, is de formulering maar een klein beetje veranderd. En we kunnen zien dat Paulus in Romeinen 4 hetzelfde bedoelt als de schrijver van Hebreeën in hoofdstuk 11. Over Abraham staat in Hebreeën 11:12:

^p190

> Daarom zijn er zelfs uit één man en dat uit iemand wiens kracht al gestorven was, zovelen geboren als de sterren van de hemel in menigte en als het zand op het strand van de zee, dat niet te tellen is.
>
> — Hebreeën 11:12

^p191

Merk op dat het dezelfde uitspraak is. Abraham werd de vader van een menigte, hoewel hij dood was. Dat wil zeggen: Romeinen 4 zegt ‘dood’; Hebreeën 11 zegt ‘zo goed als dood’. Die twee spreken elkaar niet tegen. Dit laat ons eenvoudig zien dat het woord ‘dood’ soms die betekenis heeft: zo goed als dood.

^p192

En dit is belangrijk, omdat Paulus het woord ‘dood’ gebruikt op plaatsen waar sommige mensen leerstellingen proberen te funderen die Paulus niet onderwijst. Een voorbeeld daarvan staat in Efeze 2:1:

^p193

> Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt , u die dood was door de overtredingen en de zonden,
>
> — Efeze 2:1

^p194

En zij proberen daaruit af te leiden dat wij volkomen dood waren en helemaal niets konden doen, zelfs niet in God geloven. Maar wij waren zo goed als dood in onze overtredingen en zonden. Wij waren ten dode opgeschreven. Als je op de treinrails staat en je kunt niet uit de auto komen terwijl de trein op je afkomt, en je zegt: ‘We zijn dood’, dan zeg je niet: ‘Ik vertoon geen levenstekenen.’ Dat is niet wat je zegt. Je zegt: ‘We zijn zo goed als dood. We zijn ten dode opgeschreven. Het kan niet anders dan dat we over een paar seconden dood zijn. Dit is wat er met ons gebeurt. De dood is onze wezenlijke, onvermijdelijke bestemming.’

^p195

Zeggen dat wij dood waren in overtredingen en zonden is, geloof ik, zoals wat Paulus zegt in Romeinen 8:10, waar hij zegt:

^p196

> Als Christus echter in u is, dan is het lichaam wel dood vanwege de zonde, maar de geest is leven vanwege de gerechtigheid.
>
> — Romeinen 8:10

^p197

Mijn lichaam kan dood zijn, dat wil zeggen, gedoemd om te sterven, maar mijn geest is dat niet, omdat Christus in mij is. Wanneer hij zegt dat het lichaam dood is, ben ik van mening dat hij bedoelt dat wij zo goed als dood zijn. Wij zijn ten dode opgeschreven. Onze lichamen zijn, in tegenstelling tot onze geest, sterfelijk en dood.

^p198

En zo was ook het lichaam van Abraham dood, zo goed als dood wat het verwekken van kinderen betreft. Maar daar dacht hij niet aan.

^p199

### 27. Geloof in Gods trouw geeft Hem eer

*1:12:43 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h27*

> En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf.
>
> — Romeinen 4:20

^p200

De belofte was er. De omstandigheden waren niet bemoedigend. Een dode man, bij wijze van spreken, zo goed als dood wat het verwekken van kinderen betreft. Zijn vrouw was zo goed als dood wat het krijgen van kinderen betreft. Maar:

^p201

Hij twijfelde niet uit ongeloof aan Gods belofte, maar werd sterk in zijn geloof en gaf God de eer.

^p202

Nu is het belangrijk om op te merken dat wanneer je in het geloof versterkt wordt, je door op God te vertrouwen heerlijkheid aan God geeft. Want je zegt: ‘Ik geloof dat U eerlijk bent, God. U hebt iets gezegd waarvan ik nauwelijks enige bevestiging kan zien, maar U hebt het gezegd en ik geloof dat U eerlijk bent. Ik geloof dat U de waarheid spreekt.’ Door Hem te geloven verklaar ik dat ik erop vertrouw dat Hij trouw is. Ik zou Hem niet geloven als ik niet dacht dat Hij dat was. Daarom verheerlijkt mijn geloof God. Het verheerlijkt Zijn karakter. Het is mijn verklaring dat Hij te vertrouwen is.

^p203

In Hebreeën 11:11 staat:

^p204

> Door het geloof heeft ook Sara zelf kracht ontvangen om zwanger te worden en een kind te baren, ondanks haar hoge ouderdom, omdat zij Hem getrouw heeft geacht Die het beloofd had.
>
> — Hebreeën 11:11

^p205

Er staat dat haar geloof eenvoudig inhield dat zij oordeelde dat God trouw was. Dat verheerlijkt Hem. Dat is een verklaring van Zijn deugd. En Abraham verheerlijkte God door, tegen alle verwachting en alle hoop in, zijn vertrouwen op God te stellen. Op die manier gaf hij heerlijkheid aan God.

^p206

En:

^p207

> [21] Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was. [22] Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend.
>
> — Romeinen 4:21-22

^p208

Het was een soort geloof dat verschilt van eenvoudigweg het geloof dat de demonen hebben.

^p209

> U gelooft dat God één is; daar doet u goed aan . Maar ook de demonen geloven dit , en zij sidderen.
>
> — Jakobus 2:19

^p210

maar dat is een ander soort geloof. Zij hebben dit soort geloof niet en zij worden niet gerechtvaardigd.

^p211

Dus hij sluit af met de woorden dat het niet alleen voor hem geschreven is. Zeker, we lezen alleen over hem in Genesis 15:6:

^p212

> En hij geloofde in de HEERE, en Die rekende hem dat tot gerechtigheid.
>
> — Genesis 15:6

^p213

Maar waarom staat dat daar eigenlijk opgeschreven? Is dat ten behoeve van hem geschreven? Hij heeft het zelfs nooit gelezen. Abraham heeft het boek Genesis nooit gelezen. Dat dit daar staat, is niet ten behoeve van Abraham. Het is ten behoeve van ons, zodat wij zullen weten dat God mensen op deze manier rechtvaardigt: door geloof. Voor ons staat er geschreven:

^p214

> [24] maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft, [25] Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging.
>
> — Romeinen 4:24-25

^p215

### 28. De opstanding bewijst onze rechtvaardiging

*1:15:51 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h28*

Dat Hij werd overgeleverd, wat betekent dat Hij werd overgeleverd om te sterven vanwege onze overtredingen, is niet moeilijk te begrijpen. Wij hebben gezondigd. Hij stierf voor onze zonden. Dat is duidelijk. Wat betekent het dat Hij werd opgewekt vanwege onze rechtvaardiging? Ik weet niet voor honderd procent zeker wat Paulus met die formulering bedoelt. Maar blijkbaar suggereert dit dat Jezus alleen uit de dood kon opstaan omdat die rechtvaardiging tot stand was gebracht. Want Jezus’ dood werd door God aanvaard als de dood van onze Plaatsvervanger en als onze rechtvaardiging. Daarom werd Christus in het gelijk gesteld. Als Christus onze zonden met Zich mee het graf in had genomen en God dat niet had willen erkennen, en ons niet door Hem had willen rechtvaardigen, dan zouden die zonden blijkbaar nog steeds op Hem rusten. Ik bedoel, het is niet duidelijk wat er dan precies gebeurd zou zijn. Maar het lijkt erop dat Paulus zegt dat Hij kon terugkomen omdat Zijn dood ons daadwerkelijk rechtvaardigde, omdat die werkelijk werkzaam was. Daarom werd Hij opgewekt vanwege onze rechtvaardiging. En daarom wordt Zijn opstanding een zichtbaar bewijs dat wij gerechtvaardigd zijn.

^p216

We hoeven niet alleen maar te zeggen: ‘Nou, God heeft het gezegd en ik geloof het, en daarmee is het beslist.’ O, dat is goed om te zeggen wanneer je het op die manier moet zeggen. Als je nergens bewijs voor hebt en God heeft het gezegd, dan moet je het toch geloven. Maar wij hebben wel bewijs. Hij zegt dat de opstanding van Christus het bewijs is dat wij gerechtvaardigd zijn. We hoeven niet alleen maar een loutere verklaring te geloven. We hebben een zichtbaar bewijs dat Christus uit de dood is opgestaan vanwege onze rechtvaardiging.

^p217

### 29. Abraham en David bevestigen Paulus’ leer

*1:17:40 — https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#h29*

Paulus zegt hier natuurlijk dat dit hele punt, dat Jezus vanwege onze overtredingen werd overgeleverd en vanwege onze rechtvaardiging werd opgewekt, teruggaat op wat hij zei over Christus, Die als verzoening door voldoening naar voren werd gebracht. Wij worden behouden door de verlossing die in Christus is. Hij spreekt over dat aspect van de verzoening. Maar het grootste deel van wat hij tussen die bespreking en dit laatste vers heeft gezegd, komt erop neer dat wij door geloof toegang tot deze verzoening krijgen. En dat is niet iets wat in strijd is met de theologie van het Oude Testament. Het maakt onlosmakelijk deel uit van de theologie van het Oude Testament.

^p218

Abraham en David — die eerlijk gezegd, net als Mozes, tot de hoogst aangeschreven helden van de Joden behoorden — worden allebei aangevoerd als voorbeelden van het beginsel van rechtvaardiging door geloof. Hoe zou een Jood die het Oude Testament geloofde, daar nog verdere bezwaren tegen kunnen aanvoeren?

^p219

En zo heeft Paulus aan het einde van hoofdstuk 4 zijn punt stevig onderbouwd. Wanneer we bij hoofdstuk 5 komen, zal hij het hebben over de consequenties. Aangezien we gerechtvaardigd zijn door geloof — dat staat nu vast op grond van wat we hebben aangetoond; dat zijn we — en aangezien we dat zijn, is dit het resultaat:

^p220

We hebben vrede met God.

^p221

enzovoort. Hoofdstuk 5 zal dus in zekere zin de waarheden vieren waarvan Paulus vindt dat hij ze op dit punt boven alle twijfel en boven alle tegenspraak heeft vastgesteld. Tegen het einde van hoofdstuk 5 zullen we ook bij een van de moeilijkere passages in de Bijbel komen om te doorgronden. Dat is de passage over Adam en Christus, die weliswaar moeilijk is, maar toch heel interessant. Die ligt in het hoofdstuk dat voor ons ligt.

^p222

## Bijbelteksten in deze lezing

- [Openbaring 2:10](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#openbaring-2-10)
- [Galaten 2:20](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#galaten-2-20)
- [Romeinen 3:27](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-3-27)
- [Romeinen 2:17](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-2-17)
- [Spreuken 6:16-17](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#spreuken-6-16-17)
- [Jakobus 4:6](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#jakobus-4-6)
- [Romeinen 3:28](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-3-28)
- [Romeinen 3:29](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-3-29)
- [Romeinen 3:30](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-3-30)
- [Romeinen 3:31](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-3-31)
- [Leviticus 18:5](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#leviticus-18-5)
- [Mattheüs 5:17](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#mattheus-5-17)
- [Romeinen 1:1](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-1-1)
- [Romeinen 1:2](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-1-2)
- [Romeinen 3:21](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-3-21)
- [Romeinen 4:1](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-1)
- [Romeinen 4:3](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-3)
- [Genesis 15:6](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#genesis-15-6)
- [Romeinen 9:8](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-9-8)
- [Galaten 4:23](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#galaten-4-23)
- [Galaten 3:7](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#galaten-3-7)
- [Romeinen 4:2](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-2)
- [Romeinen 4:4](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-4)
- [Romeinen 4:5](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-5)
- [Psalmen 32:1-2](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#psalmen-32-1-2)
- [Psalmen 51:18-19](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#psalmen-51-18-19)
- [Psalmen 32:1](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#psalmen-32-1)
- [Psalmen 32:2](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#psalmen-32-2)
- [Habakuk 2:4](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#habakuk-2-4)
- [Romeinen 4:9](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-9)
- [Romeinen 4:11](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-11)
- [Romeinen 4:9-10](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-9-10)
- [Romeinen 4:12](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-12)
- [Romeinen 1:5](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-1-5)
- [Romeinen 4:13](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-13)
- [Genesis 13:15](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#genesis-13-15)
- [Genesis 15:18-21](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#genesis-15-18-21)
- [Psalmen 2:8](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#psalmen-2-8)
- [Mattheüs 5:5](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#mattheus-5-5)
- [Romeinen 4:14](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-14)
- [Romeinen 4:16](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-16)
- [Romeinen 4:17](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-17)
- [Romeinen 4:19-22](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-19-22)
- [Romeinen 4:23-25](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-23-25)
- [Genesis 22:17](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#genesis-22-17)
- [Romeinen 4:19](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-19)
- [Hebreeën 11:12](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#hebreeen-11-12)
- [Efeze 2:1](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#efeze-2-1)
- [Romeinen 8:10](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-8-10)
- [Romeinen 4:20](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-20)
- [Hebreeën 11:11](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#hebreeen-11-11)
- [Romeinen 4:21-22](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-21-22)
- [Jakobus 2:19](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#jakobus-2-19)
- [Romeinen 4:24-25](https://versvoorvers.org/romeinen/3-27-4-25#romeinen-4-24-25)

---

Lezing van Steve Gregg. Nederlandse uitgave: Vers voor Vers, https://versvoorvers.org. Bijbeltekst uit de Herziene Statenvertaling, © 2010/2016 Stichting HSV.