---
title: "Handelingen 11:1-30"
book: "Handelingen"
book_slug: "handelingen"
passage: "Handelingen 11:1-30"
passage_en: "Acts 11:1 - 30"
episode: 16
series: "Vers voor Vers"
teacher: "Steve Gregg"
publisher: "Vers voor Vers"
language: "nl"
url: "https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30"
markdown_url: "https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30.md"
audio_url: "https://media.versvoorvers.org/handelingen/11-1-30.mp3"
source_url: "https://thenarrowpath.com"
published: "2026-09-23"
duration: "PT1H4M2S"
bible_translation: "HSV"
citation: "Steve Gregg, «Handelingen 11:1-30», Vers voor Vers, https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30"
license: "Lezing van Steve Gregg (The Narrow Path), Nederlandse uitgave Vers voor Vers. Vrij te delen met bronvermelding en link naar https://versvoorvers.org; overname elders in overleg via info@versvoorvers.org. Bijbeltekst HSV."
---

# Handelingen 11:1-30

> Heidenen horen erbij en Antiochië groeit

## Samenvatting

Steve Gregg bespreekt hoe Petrus tegenover de gemeente in Jeruzalem verantwoording aflegt over de bekering van Cornelius en uitlegt dat God ook onbesneden heidenen de bekering ten leven heeft geschonken. Hij betoogt daarbij dat geloof en bekering aan de wedergeboorte voorafgaan en dat Gods gave ontvangen of afgewezen kan worden. Vervolgens behandelt hij het ontstaan van de gemeente in Antiochië, de komst van Barnabas en Saulus en de betekenis van de naam ‘christen’: een discipel die zichzelf en alles wat hij heeft volledig aan Christus heeft overgedragen. Ten slotte bespreekt hij Agabus’ profetie over de hongersnood en de hulp die de discipelen via Barnabas en Saulus naar Judea stuurden.

## Hoofdstukken

1. [Cornelius en de Joodse scheidslijn](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h1) — 0:02
2. [Israël moest alle volken bereiken](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h2) — 3:19
3. [Heidenen hoefden geen Joden te worden](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h3) — 4:57
4. [Jeruzalem spreekt Petrus aan](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h4) — 8:13
5. [Petrus vertelt zijn visioen opnieuw](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h5) — 11:05
6. [De Geest valt op het huis van Cornelius](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h6) — 14:04
7. [God schenkt bekering aan de heidenen](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h7) — 16:07
8. [Bekering en geloof gaan aan leven vooraf](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h8) — 21:43
9. [De zendingsgemeente van Antiochië](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h9) — 24:07
10. [Vervolgde gelovigen verspreiden het Woord](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h10) — 26:08
11. [Het evangelie bereikt Griekse heidenen](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h11) — 27:56
12. [Velen bekeren zich in Antiochië](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h12) — 31:34
13. [Barnabas wordt naar Antiochië gestuurd](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h13) — 34:08
14. [Barnabas haalt Saulus naar Antiochië](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h14) — 36:46
15. [Voor het eerst christenen genoemd](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h15) — 42:26
16. [Een christen is een discipel](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h16) — 44:53
17. [De prijs van het discipelschap](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h17) — 46:54
18. [Familie, eigen leven en het kruis](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h18) — 51:40
19. [Alles aan Christus overdragen](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h19) — 53:35
20. [Agabus voorzegt een hongersnood](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h20) — 57:51
21. [Antiochië helpt de gelovigen in Judea](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h21) — 59:46

## Tekst

Elke alinea sluit met `^p<n>`; de permalink naar die alinea is https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#p<n>.

### 1. Cornelius en de Joodse scheidslijn

*0:02 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h1*

We kijken naar Handelingen hoofdstuk 11. In het vorige hoofdstuk kregen we uitvoerig het verhaal van de bekering van Cornelius en de mensen in zijn huis door de bemiddeling van Petrus. Het hele hoofdstuk, en dat is geen kort hoofdstuk, was aan dit verhaal gewijd. Een groot deel van dat verhaal wordt in hoofdstuk 11 opnieuw in detail verteld. Waarom? Omdat Petrus het huis van een heiden was binnengegaan, met hem had gegeten en deze mannen en vrouwen had gedoopt toen de Heilige Geest onverwachts op hen viel.

^p1

Petrus zei:

^p2

> Kan iemand soms het water weren, zodat deze mensen , die evenals wij de Heilige Geest ontvangen hebben, niet gedoopt zouden worden?
>
> — Handelingen 10:47

^p3

Dus gaf hij opdracht hen te dopen. Dat is het laatste wat we hoorden, afgezien van het feit dat Petrus daar enkele dagen bleef. Dit was het eerste heidense gezin dat tot bekering kwam. Petrus moest hun ongetwijfeld veel uitleg geven om hen wegwijs te maken en bracht daarom enkele dagen met hen door.

^p4

Dit gezin was niet volkomen heidens. Hoewel ze heidenen waren, was Cornelius namelijk enigszins vertrouwd met het Joodse geloof. Er staat dat hij de God van de Joden vreesde, gebeden had opgezonden en aalmoezen had gegeven ter wille van de God van Israël. Maar hij was geen Jood geworden en wordt dat op dit moment ook niet.

^p5

Wat we hier moeten begrijpen, is iets wat voor ons niet vanzelfsprekend is. Het staat heel ver van onze manier van denken af. We lezen verhalen over mensen die tweeduizend jaar geleden leefden in een cultuur die heel anders was dan de onze, vooral de Joodse cultuur. Zelfs de heidenen leefden in een cultuur die heel anders was dan de onze, maar de Joodse cultuur was heel uitgesproken.

^p6

Sinds de tijd van Abraham, in Genesis 17, was de besnijdenis ingesteld als het teken van het verbond dat God met Abraham en zijn nageslacht had. God had tegen Abraham gezegd:

^p7

> Wie van uw nageslacht niet besneden is, zal van zijn volk worden afgesneden.
>
> — Genesis 17:14

^p8

Het teken van de besnijdenis was het teken dat iemand deel uitmaakte van het verbond met God.

^p9

De Joden kregen het gebod hun jongens op de achtste dag van hun leven te besnijden. Iedere Joodse jongen uit een praktiserend Joods gezin werd dus besneden. Dit was, zouden we kunnen zeggen, zijn bijzondere toegangsbewijs tot God. Het was zijn bijzondere ereteken: hij behoorde tot Gods volk, stamde af van Abraham, Izak en Jakob, en was als bewijs daarvan besneden. Niet dat mensen ermee rondliepen te pronken, maar als iemand je vroeg of je besneden was en je kon als Jood ja antwoorden, dan zei je dat met trots.

^p10

Wanneer Paulus bijvoorbeeld in Filippenzen hoofdstuk 3 de dingen begint op te sommen waarvan hij zei dat ze vóór zijn bekering tot Christus winst voor hem waren, noemt hij als eerste:

^p11

> besneden op de achtste dag, uit het geslacht van Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, wat de wet betreft een Farizeeër,
>
> — Filippenzen 3:5

^p12

enzovoort. Dit was wat de Joden van de heidenen onderscheidde.

^p13

### 2. Israël moest alle volken bereiken

*3:19 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h2*

We moeten bedenken dat God nooit heeft bedoeld dat alleen de Joden Gods volk zouden zijn. Toen God in het Oude Testament, in Genesis hoofdstuk 12, voor het eerst tot Abram sprak, en ook bij de andere gelegenheden waarop God Zijn belofte aan Abram herhaalde, was de belofte dat door zijn nageslacht alle geslachten van de aarde gezegend zouden worden. Door zijn nageslacht zouden alle volken van de aarde gezegend worden. Het was niet alleen voor Israël.

^p14

Mensen hebben mijn radioprogramma weleens gebeld en gevraagd: ‘Waarom koos God alleen Israël? Geeft Hij niet om de heidenen?’ Nee, Hij koos Israël om de heidenen te bereiken. Dat was wat Hij voor ogen had. Het was hun opdracht om God te kennen en Hem bekend te maken aan de wereld, aan alle volken. Gods belofte was niet dat Abrams nageslacht behouden zou worden en de rest verloren zou gaan. Zijn nageslacht zou juist het middel zijn waardoor de kennis van God naar alle volken van de wereld werd gebracht.

^p15

Uit wat Paulus in Galaten 3 zegt, en vooral in vers 16, weten we dat het nageslacht van Abraham door wie de beloften vervuld zullen worden, Christus is. Paulus zegt in Galaten 3:16:

^p16

> Welnu, zo zijn de beloften aan Abraham en aan zijn nageslacht gedaan. Hij zegt niet: En aan de nageslachten, alsof er sprake zou zijn van velen; maar van één: En aan uw Nageslacht; dat is Christus.
>
> — Galaten 3:16

^p17

enkelvoud, wat betekent dat Christus het nageslacht van Abraham is door wie alle volken gezegend zouden worden.

^p18

### 3. Heidenen hoefden geen Joden te worden

*4:57 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h3*

Totdat Petrus naar het huis van Cornelius ging, hadden de apostelen nog niet begrepen dat de heidenen behouden konden worden zonder Jood te worden. In het Oude Testament staan veel profetieën over de heidenen die samen met Gods volk Israël God prijzen. Er staan veel profetieën over de Messias die Koning is over de koningen van de aarde en Heere van de heren, en over Zijn Koninkrijk dat als een grote berg groeit en de hele aarde vult. Men begreep dat de hele aarde, met inbegrip van de heidenen, de invloed van de Messias zou ondergaan.

^p19

Maar als een heiden in het Oude Testament tot Gods volk wilde gaan behoren, moest hij besneden worden. Hij moest Jood worden. Je hoefde niet een heiden te blijven, alleen maar omdat je als heiden geboren was. Je kon besneden worden. Je kon Jood worden. Als je dat deed, was je wat men een proseliet noemde. Een proseliet was iemand die als heiden geboren was en door besneden te worden Jood was geworden.

^p20

De Joden hadden daar geen enkel probleem mee. Ze waren sterk bevooroordeeld tegen onbesneden mensen. Ze waren sterk bevooroordeeld tegen heidenen. Maar als een heiden zich door besnijdenis bij hen aansloot, gold voor hem wat in het Oude Testament staat:

^p21

> Als er nu een vreemdeling bij u verblijft en als die voor de HEERE het Pascha wil houden, laat dan al wie mannelijk is bij hem, besneden worden. Dan mag hij naar voren komen om het Pascha te houden, en zal hij zijn als een ingezetene van het land. Niemand echter die onbesneden is, mag ervan eten.
>
> — Exodus 12:48

^p22

Hij zou dus zijn als iemand die in het land Israël geboren was.

^p23

Voor de Joden was het gedurende het hele Oude Testament duidelijk dat heidenen hiervan deel konden uitmaken. Ze waren welkom, zolang ze maar besneden waren. Je moest Jood worden om tot Gods volk te gaan behoren, en Jood worden betekende dat je je liet besnijden.

^p24

Er was al een Ethiopiër bekeerd en door Filippus gedoopt in hoofdstuk 8, maar er wordt ons niet verteld tot welk volk hij behoorde. Misschien was hij een Jood uit Ethiopië, of misschien was hij een heiden die proseliet was geworden. Als hij een van die twee dingen was, zou dat in dit stadium niet omstreden zijn geweest in de vroege gemeente. Ze geloofden dat iedereen behouden kon worden, maar ze geloofden dat zo iemand een Jood moest worden. Het was tenslotte de Joodse Messias. Jezus was de Messias van de Joden. Hij was het antwoord op de beloften die aan de vaderen van de Joden waren gedaan. Daarom was het natuurlijk niet meer dan redelijk dat je, als je voordeel wilde hebben van de Joodse Messias, een Jood moest zijn.

^p25

Blijkbaar was het tot aan de bekering van Cornelius bij niemand in de gemeente ooit opgekomen dat iemand tot Gods volk kon gaan behoren zonder eerst Jood te worden en zich te laten besnijden. Zelfs na de bekering van Cornelius bleef dit enigszins omstreden in de gemeente in Jeruzalem. Ze moesten er in Handelingen 15 een speciale vergadering over houden om te bepalen of de heidenen die tot Christus kwamen, eerst Joden moesten worden. Moesten ze proselieten worden? Moesten ze zich laten besnijden?

^p26

### 4. Jeruzalem spreekt Petrus aan

*8:13 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h4*

Toen Petrus een visioen kreeg waarin hem werd gezegd dat hij niets onrein mocht noemen wat God gereinigd had, ging hij naar het huis van Cornelius. Hij predikte daar en zag dat de Heilige Geest op deze onbesneden heidenen viel. Toen gingen Petrus’ ogen open. Hij zei:

^p27

> [47] Kan iemand soms het water weren, zodat deze mensen , die evenals wij de Heilige Geest ontvangen hebben, niet gedoopt zouden worden? [48] En hij beval dat zij gedoopt zouden worden in de Naam van de Heere. Toen vroegen zij hem enkele dagen bij hen te blijven.
>
> — Handelingen 10:47-48

^p28

Hij droeg hun niet op zich te laten besnijden. Hij begreep nu dat je geen Jood en zelfs geen proseliet hoeft te zijn om een van Gods mensen te zijn. Je kunt tot elk ras, elk geslacht, elk volk en elke taal behoren, en als je een volgeling van Christus bent, hoor je erbij.

^p29

Petrus begreep dit, maar de apostelen in Jeruzalem waren zich er nog niet volledig van bewust. Toen Petrus vanuit Caesarea, waar hij het huisgezin van Cornelius had ontmoet, terugkwam in Jeruzalem, hadden de apostelen in Jeruzalem hier al over gehoord en spraken ze hem erop aan. In Handelingen 11:1 staat:

^p30

> De apostelen en de broeders die in Judea waren, hoorden dat ook de heidenen het Woord van God aangenomen hadden.
>
> — Handelingen 11:1

^p31

De uitdrukking ‘zij die van de besnijdenis zijn’ wordt in de Schrift op meer dan één manier gebruikt. Soms betekent ze de besnijdenispartij. Er was een partij binnen de gemeente die er na deze gebeurtenis nog enige tijd op bleef aandringen dat christenen uit de heidenen besneden moesten worden. Ze werden de besnijdenispartij genoemd. Zij waren degenen die problemen veroorzaakten voor de mensen die Paulus in Galatië tot bekering had gebracht. Paulus schreef de brief aan de Galaten zelfs om de besnijdenispartij te weerleggen en te laten zien dat ze ongelijk hadden.

^p32

Maar ‘de besnijdenis’ is ook een term die eenvoudigweg wordt gebruikt voor iemand die een Jood is. De Joden werden de besnijdenis genoemd. De heidenen werden de onbesnedenen genoemd. Wanneer er dus staat ‘zij die van de besnijdenis zijn’, hoeven we niet aan te nemen dat dit de bijzonder koppige besnijdenispartij was die zich verzette. Dit waren gewoon de gewone Joden, de Joodse christenen, de andere apostelen.

^p33

Ze twistten met hem. Ze zeiden:

^p34

Je bent bij onbesneden mannen naar binnen gegaan en hebt met ze gegeten.

^p35

Merk op dat ze er niet eens over klagen dat hij hen gedoopt heeft, alleen dat hij met hen gegeten heeft. Tafelgemeenschap tussen Joden en heidenen was verboden. Petrus ging daar natuurlijk niet heen om met hen te eten. Hij ging erheen om hen te bekeren, maar uiteindelijk bleef hij wel bij hen en at hij met hen. Dit was dus omstreden.

^p36

### 5. Petrus vertelt zijn visioen opnieuw

*11:05 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h5*

Petrus legde het hun vanaf het begin in de juiste volgorde uit. Hier krijgen we het hele verhaal bijna even uitvoerig als in hoofdstuk 10. Lukas moest beslissen wat hij in zijn geschiedenis zou opnemen en wat hij zou weglaten. Hij had maar een beperkt aantal bladzijden en kostbare inkt. Dat hij ons het hele verhaal twee keer uitvoerig vertelt, moet bedoeld zijn om er nadruk op te leggen. Hij had natuurlijk eenvoudigweg kunnen zeggen dat Petrus hun het hele verhaal vertelde dat we zojuist in het vorige hoofdstuk gelezen hebben, en dan met het verhaal verder kunnen gaan. In plaats daarvan vertelt hij het hele verhaal opnieuw, zodat we beseffen dat dit iets is wat hij niet aan ons voorbij wil laten gaan. Hij wil dat we hier aandacht aan schenken. Als het bij het lezen van hoofdstuk 10 aan je aandacht ontsnapt is, krijg je het in hoofdstuk 11 opnieuw te horen.

^p37

Nu horen we het verhaal uit de mond van Petrus. In hoofdstuk 10 hoorden we het van Lukas, de auteur. Hij zei:

^p38

> [5] Ik was in de stad Joppe aan het bidden en zag in geestvervoering een visioen: een bepaald voorwerp daalde neer, dat leek op een groot linnen laken, dat aan de vier hoeken neergelaten werd uit de hemel, en het kwam tot dicht bij mij. [6] En toen ik hierop mijn ogen gericht hield en het aandachtig bekeek, zag ik de viervoetige dieren van de aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogels in de lucht.
>
> — Handelingen 11:5-6

^p39

wat natuurlijk verwees naar onreine dieren die Joden normaal gesproken niet zouden eten, en hij was een Jood.

^p40

> [7] En ik hoorde een stem, die tegen mij zei: Sta op, Petrus, slacht en eet. [8] Maar ik zei: Beslist niet, Heere, want nooit is er iets wat onheilig of onrein is, mijn mond binnengegaan. [9] Maar de stem antwoordde mij voor de tweede keer uit de hemel: Wat God gereinigd heeft, mag u niet voor onheilig houden. [10] Dit gebeurde tot driemaal toe; en alles werd weer opgetrokken in de hemel.
>
> — Handelingen 11:7-10

^p41

Deze zes broeders moeten hem naar Jeruzalem hebben vergezeld, want hij wijst erop:

^p42

Deze zes broeders gingen met me mee.

^p43

In hoofdstuk 10 werd ons verteld dat enkele broeders uit Joppe inderdaad met Petrus meegingen. Er werd ons niet verteld hoeveel het er waren. Hier komen we te weten dat het er zes waren. En die zes waren degenen die in hoofdstuk 10, vers 45, verbaasd waren toen de Heilige Geest op de heidenen viel. In hoofdstuk 10, vers 45, staat:

^p44

> En de gelovigen die van de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren meegekomen, waren buiten zichzelf dat de gave van de Heilige Geest ook op de heidenen uitgestort werd,
>
> — Handelingen 10:45

^p45

Dat waren de zes Joodse mannen die met Petrus van Joppe naar Caesarea kwamen. Nu weten we dat het er zes waren. Tot op dit moment was ons niet verteld hoeveel het er waren.

^p46

Hij zegt:

^p47

### 6. De Geest valt op het huis van Cornelius

*14:04 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h6*

> [11] En zie, ogenblikkelijk daarna stonden er drie mannen, die vanuit Caesarea naar mij toe gestuurd waren, voor het huis waarin ik was. [12] En de Geest zei tegen mij dat ik met hen mee moest gaan en niet moest twijfelen. En met mij gingen ook deze zes broeders mee en wij zijn het huis van de man binnengegaan.
>
> — Handelingen 11:11-12

^p48

en in vers 13:

^p49

> En hij berichtte ons hoe hij een engel gezien had, die in zijn huis stond en tegen hem zei: Stuur mannen naar Joppe en ontbied Simon die ook Petrus genoemd wordt.
>
> — Handelingen 11:13

^p50

Let erop dat hij zegt:

^p51

> [13] En hij berichtte ons hoe hij een engel gezien had, die in zijn huis stond en tegen hem zei: Stuur mannen naar Joppe en ontbied Simon die ook Petrus genoemd wordt. [14] Die zal woorden tot u spreken waardoor u zalig zult worden en heel uw huis. [15] En toen ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, evenals op ons in het begin.
>
> — Handelingen 11:13-15

^p52

We zagen in hoofdstuk 10 dat hij in feite een stukje van een preek hield, maar die was niet erg lang. Wanneer hij zegt:

^p53

Toen ik begon te spreken, denk ik dat hij suggereert dat het gedeelte dat we in hoofdstuk 10 lazen, slechts bedoeld was als het begin van zijn preek. Hij was nog maar net begonnen. Hij begon net op gang te komen. De preek zou veel langer zijn geweest, maar God onderbrak de dienst. Hij zegt:

^p54

Toen ik begon te spreken, kwam de Heilige Geest over hen, en:

^p55

net als over ons in het begin.

^p56

Hij spreekt tot de gemeente in Jeruzalem, en het was in Jeruzalem, met Pinksteren, dat de Geest op hen was gevallen. Hij zegt dus dat hun ervaring werkelijk net als de onze was.

^p57

> En ik herinnerde mij het woord van de Heere, hoe Hij zei: Johannes doopte wel met water, maar u zult met de Heilige Geest gedoopt worden.
>
> — Handelingen 11:16

^p58

Dat is een citaat van wat Jezus zei vlak voordat Hij opsteeg, in Handelingen 1:5.

^p59

> Als God dan aan hen dezelfde gave gegeven heeft als aan ons die in de Heere Jezus Christus geloven, wie was ik dan dat ik bij machte zou zijn God tegen te houden?
>
> — Handelingen 11:17

^p60

### 7. God schenkt bekering aan de heidenen

*16:07 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h7*

> En toen zij dit hoorden, waren zij gerustgesteld, en zij verheerlijkten God en zeiden: Zo heeft God dus ook aan de heidenen de bekering gegeven die tot het leven leidt .
>
> — Handelingen 11:18

^p61

Ze waren verbaasd, maar ze legden zich erbij neer. Wat konden ze zeggen? Ten eerste had Petrus een goddelijk visioen gehad waarin hem werd gezegd dat hij niemand onrein mocht noemen als God hen niet onrein zou noemen. Dat was een aanwijzing dat het ook mensen zou omvatten. Vervolgens vertelt hij hoe de Heilige Geest op hen viel. Wat moesten ze zeggen? Ze konden hier niets tegen inbrengen. Ze zeiden: nou, dan heeft God kennelijk ook aan de heidenen de bekering geschonken.

^p62

De uitdrukking ‘bekering schenken’ wordt op meer dan één plaats in de Schrift gebruikt. In 2 Timotheus 2, tegen het einde van het hoofdstuk, wordt er eveneens naar verwezen dat God bekering schenkt. In 2 Timotheus 2:24–26 staat:

^p63

> [24] Een dienstknecht van de Heere moet geen ruzie maken, maar vriendelijk zijn voor allen, bekwaam om te onderwijzen, en iemand die de kwaden kan verdragen. [25] Hij moet met zachtmoedigheid hen onderwijzen die zich verzetten. Misschien geeft God hun eens bekering, zodat zij tot erkenning van de waarheid komen [26] en zij weer mogen ontwaken uit de strik van de duivel, door wie zij levend gevangen waren om zijn wil te doen .
>
> — 2 Timotheüs 2:24-26

^p64

We lezen hier dus dat God bekering schenkt. Je zult ook plaatsen vinden waar de Bijbel zegt dat het je geschonken is te geloven. Over zowel geloof als bekering wordt gesproken als iets wat geschonken wordt, en dit is een van die plaatsen. Sommige mensen vinden dat dit zo moet worden opgevat dat God eenvoudigweg beslist wie zich zal bekeren en geloven, en het hun vervolgens oplegt, waardoor Hij hen ertoe brengt zich te bekeren en te geloven. Ik neem aan dat je het woord zo zou kunnen opvatten. Maar zeggen dat iets geschonken wordt, is niet hetzelfde als zeggen dat het iemand wordt opgelegd.

^p65

Als je voor een toelage in aanmerking komt, zou een overheidsinstantie of school kunnen zeggen: ‘Je komt in aanmerking voor een toelage. Wij betalen je collegegeld’, of wat dan ook. Dat betekent niet dat je naar die school moet gaan. Misschien vind je de school niet goed. Misschien wil je niet naar die school gaan. In dat geval wijs je de toelage af. Het is een toelage en die is gratis.

^p66

Sommige mensen zeggen: ‘Nou, als je het moet ontvangen, als je het moet aannemen, dan komt het niet van God. Dan ben jij het gewoon. Dan verdien je je behoud.’ Maar door een geschenk aan te nemen, verdien je niets. Mensen die geschenken aannemen, hebben daarmee niets verdiend. Een geschenk blijft een geschenk. Maar iemand krijgt gewoonlijk de gelegenheid om te beslissen: ‘Wil ik dit geschenk of niet?’

^p67

We zien inderdaad dat er in de Schrift mensen zijn van wie God verlangt dat zij dit geschenk ontvangen, maar die dat niet doen. Lukas 7:30 spreekt bijvoorbeeld over de Farizeeën. Daar staat dat zij de wil van God voor zichzelf verwierpen door zich niet door Johannes te laten dopen. Die uitspraak betekent niets als ze niet betekent dat God wilde dat zij zich door Johannes lieten dopen, maar dat zij Gods wil voor hen afwezen door zich niet door Johannes te laten dopen. In Mattheüs 23:37 zegt Jezus:

^p68

> Jeruzalem, Jeruzalem, u die de profeten doodt en stenigt wie naar u toe gezonden zijn! Hoe vaak heb Ik uw kinderen bijeen willen brengen, op de wijze waarop een hen haar kuikens bijeenbrengt onder haar vleugels; maar u hebt niet gewild!
>
> — Mattheüs 23:37

^p69

Ik zou je bijeengebracht hebben als Ik dat had gekund. Ik wilde het, maar jij wilde niet. In het Oude Testament zegt God vaak:

^p70

> Waarom was er niemand toen Ik kwam? Waarom gaf niemand antwoord toen Ik riep? Is Mijn hand ten enenmale te kort om te verlossen? Of is er in Mij geen kracht om te redden? Zie, door Mijn bestraffing maak Ik de zee droog. Ik maak rivieren tot een woestijn. Hun vissen stinken, omdat er geen water is, en ze sterven van dorst.
>
> — Jesaja 50:2

^p71

Zelfs al in de tijd van Kaïn en Abel, toen God het offer van Abel aannam en dat van Kaïn afwees, werd Kaïn boos. God wees hem terecht en zei:

^p72

> Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen.
>
> — Genesis 4:7

^p73

Met andere woorden: je wordt niet aangenomen. Ik heb niet voorbeschikt dat je het verkeerde zou doen. Je hebt niet het juiste gedaan, en als je het juiste doet, zul jij ook aangenomen worden.

^p74

Als we de Schrift lezen, krijgen we niet de indruk dat God de enige is om wie het draait als het gaat om het behoud van een individu. Tenminste, ik krijg die indruk niet; sommige mensen wel. God schenkt een gave, en degene aan wie die geschonken wordt, beslist of hij de gave wel of niet aanneemt. Als je zegt dat God aan de heidenen behoud heeft geschonken, of bekering heeft geschonken, en dat strikt eenzijdig van Gods kant was, dan zouden alle heidenen zich bekeren, want God zou het aan de heidenen geschonken hebben. Maar natuurlijk bekeren slechts sommige heidenen zich, net zoals sommige Joden dat doen. Daarom denk ik niet dat we uit deze uitspraak meer moeten opmaken over de overtuigingen van de vroege gemeente dan er werkelijk wordt gezegd. Volgens mij is het mogelijk er meer in te lezen dan er werkelijk in besloten ligt.

^p75

### 8. Bekering en geloof gaan aan leven vooraf

*21:43 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h8*

Maar let hierop: God heeft ook aan de heidenen de bekering ten leven geschonken, bekering die tot leven leidt. Bekering ten leven betekent dat de bekering vóór het leven komt. Een andere theologische controverse is: wat komt eerst, wedergeboorte of bekering? Sommigen zeggen dat je wedergeboren moet zijn om je te kunnen bekeren. Welnu, wanneer je wedergeboren bent, heb je leven. Dat is wat wedergeboorte is: van de dood tot het leven komen, nietwaar? Maar er staat niet dat Hij hun leven tot bekering heeft geschonken, dat wil zeggen dat Hij hen tot leven brengt en dat ze zich daarna kunnen bekeren. Het is precies andersom: Hij schenkt hun bekering, zodat ze tot leven kunnen komen.

^p76

Johannes zei hetzelfde over geloof in het Evangelie van Johannes, in hoofdstuk 20, in de slotverzen. Hij zei dat Jezus nog veel andere dingen heeft gedaan naast de dingen die in dit boek geschreven staan. Maar deze zijn geschreven:

^p77

> maar deze zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.
>
> — Johannes 20:31

^p78

Met andere woorden, je komt tot leven door te geloven, niet andersom.

^p79

Dit is eerlijk gezegd de consequente manier waarop de Schrift over deze dingen spreekt. Wanneer je gelooft, wanneer je je bekeert, vindt er wedergeboorte plaats. God doet iemand wedergeboren worden. Je kunt jezelf niet wedergeboren doen worden. Het is God Die dat doet. Maar bij wie doet Hij het? Hij doet het bij hen die zich bekeren. Hij doet het bij hen die geloven.

^p80

Drie keer staat er in de Schrift, eenmaal in het Oude Testament en tweemaal in het Nieuwe Testament:

^p81

> De spotters zal Híj wel bespotten, maar zachtmoedigen zal Hij genade geven.
>
> — Spreuken 3:34

^p82

Blijkbaar zijn sommige mensen dus nederig en andere niet, en daarom zijn er sommigen aan wie Hij genade zal geven en anderen aan wie Hij die niet zal geven.

^p83

In dit geval was Cornelius beslist nederig. Hij was een nederig man voor een soldaat, voor een man met macht en invloed in het Romeinse leger. Hij was zeer zachtmoedig tegenover deze visser Petrus en tegenover God. Dus schonk God hem en zijn gezin genade, en daarna nog vele anderen.

^p84

### 9. De zendingsgemeente van Antiochië

*24:07 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h9*

Vers 19. Bij vers 19 zijn we klaar met het verhaal van Cornelius, en op dit punt zijn we klaar met het verhaal van Petrus. Er komt in hoofdstuk 12 nog één verhaal over Petrus, maar tussen dit punt en dat hoofdstuk hebben we het verhaal over de stichting van de gemeente in Antiochië.

^p85

De gemeente in Antiochië zou de voornaamste, belangrijkste gemeente worden die zendelingen uitzond. In feite is het de enige gemeente waarvan in het boek Handelingen wordt vermeld dat ze überhaupt zendelingen uitzond. De gemeente in Jeruzalem zond geen zendelingen uit. Ze raakten verstrooid vanwege vervolging, en de apostelen gingen kijken naar het werk dat daaruit voortkwam. In het boek Handelingen vinden we eigenlijk van geen enkele gemeente vermeld dat ze zendelingen uitzond, behalve van de gemeente van Antiochië.

^p86

Het is de gemeente die Paulus op zijn drie zendingsreizen uitzond: Barnabas ging de eerste keer met hem mee, Silas de tweede keer, en Markus ging de eerste keer ook mee. Deze gemeente, Antiochië, lag in Syrië, in het noorden. Antiochië was in die tijd de op twee na grootste stad in het Romeinse Rijk; alleen Rome en Alexandrië waren groter. Alexandrië in Egypte en Rome waren de enige steden in het Romeinse Rijk die groter waren dan Antiochië. Men schat dat Antiochië in deze tijd minstens 500.000 inwoners had, een half miljoen mensen. In die tijd waren dat heel veel mensen voor één stad.

^p87

Daar zou dus een gemeente worden gesticht, en die zou de gemeente worden die Paulus en zijn metgezellen uitzond. Ook zou ze Barnabas en zijn team uitzenden toen Paulus en Barnabas tijdens de tweede zendingsreis uit elkaar gingen.

^p88

Hoe is die gemeente ontstaan? Daar gaan we nu over lezen. Ze ontstond in wezen doordat deze mensen, die in Jeruzalem vervolgd waren, op de vlucht sloegen. Je herinnert je dat er in vers 19 staat:

^p89

### 10. Vervolgde gelovigen verspreiden het Woord

*26:08 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h10*

> Zij nu die, door de verdrukking die in verband met Stefanus plaatsgevonden had, overal verspreid waren, gingen het land door tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, terwijl zij tot niemand het Woord spraken dan alleen tot de Joden.
>
> — Handelingen 11:19

^p90

Dat brengt ons enkele hoofdstukken terug, naar hoofdstuk 8, vers 1. Hij zegt als het ware: ‘Herinner je je hoofdstuk 8, vers 1 nog? Laten we dat verhaal nu weer oppakken en een andere verhaallijn ervan volgen.’

^p91

In hoofdstuk 8, vers 1, staat:

^p92

> En Saulus stemde van harte in met zijn dood. En er ontstond op die dag een grote vervolging tegen de gemeente die in Jeruzalem was; en zij werden allen verspreid over de landstreken van Judea en Samaria, behalve de apostelen.
>
> — Handelingen 8:1

^p93

Daar heb je die verstrooiing. Vanaf dat punt hebben we over Filippus en zijn activiteiten gelezen, en we hebben over de activiteiten van Petrus gelezen. Maar we hebben niet gelezen over de andere mensen die verstrooid raakten. Dat gaan we nu doen. We pakken het verhaal weer op waar we het in hoofdstuk 8, vers 1 hebben achtergelaten.

^p94

Er staat:

^p95

> [19] Zij nu die, door de verdrukking die in verband met Stefanus plaatsgevonden had, overal verspreid waren, gingen het land door tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, terwijl zij tot niemand het Woord spraken dan alleen tot de Joden. [20] Er waren onder hen echter enkele mannen van Cyprus en uit Cyrene die, toen ze in Antiochië gekomen waren, het woord richtten tot de Griekssprekenden en de Heere Jezus verkondigden.
>
> — Handelingen 11:19-20

^p96

Fenicië is het huidige Libanon, Cyprus is een eiland in de Middellandse Zee en Antiochië was de grootste stad van Syrië en die streek.

^p97

### 11. Het evangelie bereikt Griekse heidenen

*27:56 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h11*

Ik heb erop gewezen dat het woord ‘hellenist’ eerder, in hoofdstuk 6 en hoofdstuk 9, verwees naar hellenistische Joden. Er was een synagoge van de hellenisten, en Stefanus raakte in moeilijkheden met de Joden doordat hij daar in die synagoge met de hellenisten in debat ging. Een hellenist is in die context iemand die Griekstalig is, maar Joods.

^p98

In Palestina en Jeruzalem waren er hellenistische en Hebreeuwse Joden. Dat sloeg op taal en cultuur. Degenen die al generaties lang in Palestina woonden, spraken Aramees en waren Joods in gewoonten en cultuur. Maar er waren ook mensen uit de diaspora, uit andere landen, die in Jeruzalem waren komen wonen en daar hun synagogen hadden. Deze mensen waren Griekstalig. Hun voorouders hadden in andere landen gewoond, niet in Israël. Ze spraken Grieks en hadden Griekse gewoonten. Deze twee groepen leken in Jeruzalem redelijk goed met elkaar overweg te kunnen, al hadden ze afzonderlijke synagogen.

^p99

Toen Stefanus in hoofdstuk 6 met hellenisten redetwistte, en Paulus dat in hoofdstuk 9 deed, waren dat dus hellenistische Joden. Hoe weten we dat dit geen hellenistische Joden zijn? Om te beginnen zou het, als het hellenistische Joden waren, niet de moeite van het vermelden waard zijn. Er was immers niets omstredens of zelfs maar nieuws aan het prediken tot hellenistische Joden.

^p100

Ook wordt dit tegenover degenen gesteld die alleen tot de Joden spraken. Aan het einde van vers 19 gingen veel van deze mensen naar al die plaatsen, maar ze spraken alleen tot de Joden. Wanneer we in het volgende vers die tegenstelling krijgen, ligt de veronderstelling voor de hand dat dezen spraken tot mensen die geen Joden waren: mensen met een Griekse cultuur, Griekse mensen, Griekstalige heidenen. Ik denk dat we ‘hellenisten’ in deze context nog steeds moeten opvatten als Griekstalige mensen met een Griekse cultuur. Maar dit zijn geen Joodse hellenisten; dit zijn heidense hellenisten.

^p101

Het is niet duidelijk of dit na of vóór de ervaring van Petrus in het huis van Cornelius plaatsvond, want het verhaal over het huis van Cornelius lijkt enigszins buiten de chronologische volgorde te zijn verteld. Het kan heel goed gebeurd zijn voordat Antiochië werd geëvangeliseerd. Waarschijnlijk was het daarvoor. Maar omdat we helemaal zijn teruggegaan naar de context van hoofdstuk 8, vindt dit vóór Cornelius plaats. Hoe lang het duurde voordat ze naar al deze streken gingen en Antiochië evangeliseerden, weten we niet.

^p102

Het is mogelijk dat Cornelius al tot geloof was gekomen tegen de tijd dat ze daar aankwamen. Misschien durfden ze onder heidenen te dienen omdat ze over de situatie van Cornelius hadden gehoord. Of misschien ook niet. De Joden die vanwege de vervolging uit Jeruzalem verspreid raakten, waren zeer waarschijnlijk Joden uit de diaspora die in Jeruzalem hadden gewoond. Maar ze hadden familieleden en vrienden in andere landen, zodat ze konden vertrekken en ergens anders konden verblijven. Niet iedereen in Jeruzalem kon Jeruzalem zomaar verlaten en ergens anders gaan wonen. Je moet iemand hebben bij wie je kunt wonen, of een baan, of iets dergelijks. Er waren Joodse christenen die in Jeruzalem bleven, onder wie de apostelen. Maar degenen die verspreid raakten, kunnen heel goed Joden uit de diaspora zijn geweest. Als dat zo is, kunnen ze heel goed soepeler zijn geweest in hun omgang met heidenen dan Petrus of dan de Palestijnse Joden. We weten het niet.

^p103

### 12. Velen bekeren zich in Antiochië

*31:34 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h12*

Hoe dan ook, of het nu vóór of na Cornelius was, deze mensen begonnen zowel tot heidenen als tot Joden te prediken. In vers 21 staat:

^p104

> En de hand van de Heere was met hen en een groot aantal geloofde en bekeerde zich tot de Heere.
>
> — Handelingen 11:21

^p105

We zien dus dat in deze verschillende streken veel heidenen tot Christus komen.

^p106

Dit komt boven op degenen die Filippus had geëvangeliseerd. Hij was een van degenen die in deze tijd verspreid raakten, maar we hebben al uitvoerig over hem gelezen. Nu krijgen we een samenvatting van vele anderen van wie ons de namen niet worden genoemd, die eropuit trekken, en van vele bekeerlingen.

^p107

Deze mensen waren geen zendelingen die waren uitgezonden om gemeenten te stichten, maar dat is wat ze uiteindelijk onbedoeld deden. Het waren mensen die Jezus kenden en die naar streken gingen waar niemand Jezus kende. Natuurlijk zullen je vrienden het te weten komen als je enthousiast bent over Jezus. Het blijkt dat deze mensen helemaal rijp waren voor bekering. We zien dit ook wanneer Paulus naar de gebieden van de heidenen gaat: grote menigten heidenen komen tot geloof. Onder deze mensen bestaat duidelijk een echte honger naar de werkelijkheid die het evangelie biedt. Er staat dus dat een grote menigte, een groot aantal, geloofde en zich tot de Heere keerde.

^p108

Vers 22:

^p109

> En het gerucht over hen kwam de gemeente die in Jeruzalem was, ter ore; en zij zonden Barnabas uit om het land door te gaan tot Antiochië toe.
>
> — Handelingen 11:22

^p110

Dat is wat er in hoofdstuk 8 staat, toen Filippus de Samaritanen evangeliseerde. Er staat:

^p111

> Toen de apostelen die in Jeruzalem waren, hoorden dat Samaria het Woord van God aangenomen had, stuurden zij Petrus en Johannes naar hen toe,
>
> — Handelingen 8:14

^p112

Op dit punt worden zoveel gebieden onder de heidenen geëvangeliseerd en schieten overal spontaan gemeenten op als bermbranden, zodat de apostelen ze volgens mij niet allemaal meer kunnen bijhouden.

^p113

Het geval van Filippus in Samaria was waarschijnlijk een van de eerste gevallen, en Petrus en Johannes gingen dat onderzoeken. We zien Petrus in hoofdstuk 9 naar Lydda, Joppe en Caesarea gaan, om daar voort te bouwen op wat Filippus had gedaan. Maar nu lezen we dat dit soort dingen op veel plaatsen gebeurt. Het is mogelijk dat de apostelen eropuit gingen om er zoveel mogelijk te bekijken, maar het werden er te veel voor hen. Dit verspreidde zich overal. Het kostte zelfs al tijd om erheen te reizen en ze te bekijken, laat staan om erover te horen en ze allemaal bij te houden.

^p114

### 13. Barnabas wordt naar Antiochië gestuurd

*34:08 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h13*

In dit geval bereikte het nieuws over wat er in Antiochië was gebeurd dus de gemeente in Jeruzalem. In plaats van dat er een apostel ging — misschien waren ze op dat moment niet beschikbaar om eropuit te gaan; misschien waren ze allemaal elders poolshoogte aan het nemen — werd Barnabas eropuit gestuurd. Hier begint Barnabas een prominente plaats in te nemen. We kennen Barnabas natuurlijk uit hoofdstuk 4. Hij was een van de mensen die een stuk grond hadden verkocht en de opbrengst aan de apostelen hadden gegeven om die onder de armen te verdelen, aan het einde van Handelingen hoofdstuk 4. Nu komen we hem opnieuw tegen.

^p115

Trouwens, Eusebius, de kerkhistoricus die Clemens aanhaalde, zei dat Barnabas een van de zeventig was die Jezus er in Lukas hoofdstuk 10 op uitstuurde. Je herinnert je misschien dat Jezus er in Lukas hoofdstuk 9 de twaalf twee aan twee op uitstuurde voor een korte zending. Vervolgens stuurde Hij er in het volgende hoofdstuk, Lukas hoofdstuk 10, zeventig twee aan twee op uit voor een korte zending. Volgens Clemens van Rome en de geschiedschrijver Eusebius, die in het begin van de vierde eeuw schreef, rond het jaar 325, was Barnabas een van die zeventig. Hij liep dus al heel lang mee.

^p116

Hij was niet een van degenen die in hoofdstuk 1 kandidaat waren om Judas te vervangen. Denk eraan, in hoofdstuk 1 zei Petrus:

^p117

> Onder degenen die vanaf de doop van Johannes de hele tijd bij ons zijn geweest, totdat de Heere werd opgenomen, moeten we iemand vinden om Judas te vervangen.
>
> — Handelingen 1:21-22

^p118

Alleen Matthias en één andere kandidaat, Justus, werden uitgekozen. Barnabas kwam daarvoor dus blijkbaar niet eens in aanmerking, maar misschien was hij er nog niet bij ten tijde van de doop van Johannes. We weten niet wanneer hij zich bij het gezelschap van Jezus aansloot. Maar in elk geval werd Barnabas ergens tijdens de bediening van Jezus, misschien niet zo vroeg als de doop van Johannes, al een ervaren getuige terwijl Jezus nog op aarde was. Hij was daarom een van de zeer vroege christenen in Jeruzalem.

^p119

De apostelen waren degenen die hem de naam Barnabas gaven. Zijn echte naam was Jozef, maar de apostelen gaven hem de bijnaam Barnabas, wat ‘zoon van vertroosting’ betekent. Dat vertelt ons iets over wat ze van hem vonden. Ze keken tegen hem op. Ze vertrouwden hem. Later, in hoofdstuk 14, zal hij een apostel worden genoemd. Hij is niet een van de twaalf, maar toen hij en Paulus op de eerste zendingsreis werden uitgezonden, worden ze vanaf dat moment samen apostelen genoemd.

^p120

### 14. Barnabas haalt Saulus naar Antiochië

*36:46 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h14*

Op dit moment speelt Saulus, of Paulus, eigenlijk nog geen rol. We lazen over zijn bekering in hoofdstuk 9. Na drie jaar was hij Jeruzalem gaan bezoeken. Hij was daar twee weken. Hij raakte in moeilijkheden en er werd een aanslag op zijn leven beraamd. Daarom stuurden de discipelen hem naar Tarsus, zijn geboorteplaats in Cilicië. Sindsdien hebben we niets meer over Saulus gehoord. Dat was in hoofdstuk 9. Maar nu zullen we zien dat Barnabas denkt dat hij Saulus als teamlid in Antiochië kan gebruiken.

^p121

Laten we dit lezen:

^p122

> [22] En het gerucht over hen kwam de gemeente die in Jeruzalem was, ter ore; en zij zonden Barnabas uit om het land door te gaan tot Antiochië toe. [23] En toen hij daar gekomen was en de genade van God zag, werd hij verblijd en spoorde hij hen allen aan om met een hartelijk voornemen bij de Heere te blijven. [24] Want hij was een goed man en vol van de Heilige Geest en van geloof; en er werd een grote menigte aan de Heere toegevoegd.
>
> — Handelingen 11:22-24

^p123

Barnabas is de enige man in het boek Handelingen die een goed man wordt genoemd. Veel mensen worden in het boek Handelingen geprezen om hun deugden. De enige keer dat Lukas iemand een goed man noemt, is hier, wanneer hij het over Barnabas heeft. Er wordt ook over hem gezegd dat hij vol was van de Heilige Geest en van geloof. Dat is ook wat eerder, in hoofdstuk 6 vers 5, over Stefanus werd gezegd. In Handelingen hoofdstuk 6 vers 5 werd over Stefanus gezegd:

^p124

> En dit woord behaagde heel de menigte; en zij kozen Stefanus, een man vol van geloof en van de Heilige Geest, Filippus, Prochorus, Nicanor, Timon, Parmenas en Nicolaüs, een proseliet uit Antiochië.
>
> — Handelingen 6:5

^p125

We lezen dat Barnabas niet alleen een aardige man was, die door de apostelen werd vertrouwd en werd afgevaardigd om deze beweging, die zich als een lopend vuurtje verspreidde, te bekijken en na te gaan of alles ermee in orde was. Hij was blijkbaar ook een goede evangelist, want door zijn aanwezigheid daar in Antiochië werden veel mensen aan de Heere toegevoegd. De kans is groot dat Barnabas, toen hij naar Antiochië kwam en zich daar vestigde, het meest ervaren lid van de gemeente was. Hij liep immers al mee in de tijd van de bediening van Jezus. De meeste van deze mensen in de gemeente in Jeruzalem werden na Pinksteren behouden. Denk eraan, er waren er met Pinksteren slechts 120 in de bovenzaal. Barnabas was waarschijnlijk een van hen, maar de meeste van deze mensen waren waarschijnlijk tot geloof gekomen onder de duizenden die daarna in Jeruzalem tot geloof kwamen. Hij zal dus op dat moment de meest ervaren en meest gerespecteerde christen in die gemeente zijn geweest.

^p126

Toen vertrok Barnabas naar Tarsus om Saul te zoeken, want we hadden natuurlijk eerder, in hoofdstuk 9, vers 30, gehoord dat Saul daarheen was gegaan. Dit was inmiddels minstens tien jaar later. Handelingen slaat dus minstens tien jaar van Sauls leven over. Hoe weten we dat? Omdat Paulus ons in Galaten, hoofdstuk 1 en 2, iets vertelt uit zijn autobiografie over precies deze periode. Hij vertelt ons dat zijn bezoek aan Jeruzalem, waarover we in hoofdstuk 9 lezen, drie jaar na zijn bekering plaatsvond. Dat maakt hij heel duidelijk in Galaten 1:18. Drie jaar na zijn bekering ging hij naar Jeruzalem. Dat was de laatste keer dat we in Handelingen iets over hem hoorden. Hij was in Jeruzalem en vluchtte na twee weken vandaar naar Tarsus. Sindsdien is hij daar al die tijd geweest.

^p127

Maar nu gaat Barnabas hem vanuit Tarsus naar Antiochië brengen, en binnen een jaar zullen ze opnieuw naar Jeruzalem gaan. Paulus noemt die tweede reis naar Jeruzalem en zegt kennelijk dat die elf jaar na de vorige plaatsvond. Zoals het in Galaten 2:1 precies verwoord is, zegt hij:

^p128

> Daarna ging ik, na verloop van veertien jaar, weer naar Jeruzalem, samen met Barnabas, en ik nam ook Titus mee.
>
> — Galaten 2:1

^p129

Daarover gaan we in dit hoofdstuk lezen. Paulus zegt: „Na veertien jaar.” Ik denk dat de meeste commentatoren geloven dat dit veertien jaar na zijn bekering betekent. Dat zou elf jaar na het vorige verhaal zijn, want dat had drie jaar na zijn bekering plaatsgevonden. Er is dus ongeveer een decennium verstreken. Hij zal nog een jaar in Antiochië doorbrengen en daarna gaat hij naar Jeruzalem. Dat zou het tweede bezoek zijn dat hij in Galaten, hoofdstuk 2, noemt.

^p130

Barnabas heeft Saul blijkbaar tien jaar lang niet gezien. Maar denk eraan dat Barnabas degene was die Paulus aan de andere apostelen had voorgesteld toen zij bang waren om hem te ontmoeten. Toen Paulus in hoofdstuk 9 voor het eerst vanuit Damascus naar Jeruzalem kwam, staat er:

^p131

> Toen Saulus nu in Jeruzalem gekomen was, probeerde hij zich bij de discipelen aan te sluiten, maar zij waren allen bevreesd voor hem, want zij geloofden niet dat hij een discipel was.
>
> — Handelingen 9:26

^p132

Daarna staat er dat Barnabas kwam en hem voorstelde. Barnabas en Saul waren dus vrienden geworden. Barnabas vertrouwde hem al vroeg, hoewel ze op dit punt in hun hele leven maar twee weken samen in Jeruzalem hadden doorgebracht. In die twee weken moet Saul een diepe indruk op Barnabas hebben gemaakt en hem ervan hebben overtuigd: „Ik denk dat deze man de man is die we hier in Antiochië nodig hebben.”

^p133

Dus gaat hij in Tarsus naar Saul zoeken en hij vindt hem.

^p134

### 15. Voor het eerst christenen genoemd

*42:26 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h15*

> En het gebeurde dat zij een heel jaar met de gemeente samenkwamen en een grote menigte onderwezen en dat de discipelen voor het eerst in Antiochië christenen genoemd werden.
>
> — Handelingen 11:26

^p135

In het Grieks is Christianos eigenlijk een Latijnse vorm. In de verengelste vorm zeggen we in het Engels Christian. Dat is duidelijk de naam Christ met de drie letters I-A-N erachter. We hebben daar andere voorbeelden van, met name de Herodians in het Nieuwe Testament. De Herodians waren volgelingen van Herodes. Blijkbaar betekent het toevoegen van dat achtervoegsel aan een naam dat je een volgeling van die persoon bent. Zo werden de discipelen in Antiochië Christians genoemd: volgelingen van Christus.

^p136

Er zijn velen die geloven dat anderen deze naam voor hen hadden gekozen en dat hij misschien zelfs spottend bedoeld was. Dat is moeilijk te zeggen. Misschien was dat niet zo. Dat wordt ons niet verteld. Veel predikers zeggen dat het kritiek was, een belediging die de heidenen hun gaven. Misschien is dat mogelijk. Dat is mogelijk, maar de Bijbel bevestigt dat niet echt. De christenen zijn zichzelf misschien gewoon zo gaan noemen.

^p137

In elk geval gebruikten de christenen die term in de rest van de Bijbel niet vaak. Het woord christen komt nog maar twee keer in de Bijbel voor. Eén keer wordt het uitgesproken door koning Agrippa in hoofdstuk 26, wanneer Paulus tegenover Agrippa zijn getuigenis geeft. Agrippa zegt in hoofdstuk 26, vers 28, tegen hem:

^p138

> En Agrippa zei tegen Paulus: U overtuigt mij bijna om christen te worden!
>
> — Handelingen 26:28

^p139

Hij kan die term gebruikt hebben, zelfs als christen als een spottende benaming voor de volgelingen van Christus werd gezien. Misschien gebruikte hij hem spottend.

^p140

De enige andere keer dat het woord christen voorkomt, is in 1 Petrus 4:16. Petrus zegt:

^p141

> Als iemand echter als christen lijdt, laat hij zich daarvoor niet schamen, maar God in dit opzicht verheerlijken.
>
> — 1 Petrus 4:16

^p142

Lijden omdat je christen bent. Het is mogelijk dat Petrus het woord christen overneemt. Het is ook mogelijk dat hij zegt dat degenen die hen vervolgen hen christenen noemen. Dat is dan de term die gebruikt wordt wanneer zij vervolgd worden. Het doet er niet toe. Het is beslist een naam die in latere eeuwen is blijven hangen en het is nu natuurlijk de term die we het vaakst gebruiken.

^p143

### 16. Een christen is een discipel

*44:53 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h16*

Hoe werden ze daarvoor genoemd? Discipelen. Inderdaad, discipelen. Vers 26:

^p144

In Antiochië werden de leerlingen voor het eerst christenen genoemd.

^p145

Nu zijn er nog enkele andere namen voor de gelovigen.

^p146

Eerder worden ze soms de gelovigen genoemd, soms de heiligen, en er zijn nog een paar andere woorden. Maar discipelen is de meest voorkomende naam. Lukas zegt dat op dit punt, in elk geval in Antiochië, de naam discipel vervangen lijkt te zijn door het woord christen. Dat betekent dus dat wanneer wij het woord christen gebruiken, als we het in Bijbelse zin gebruiken, we een woord gebruiken dat discipel betekent. Dit zijn namelijk dezelfde mensen die altijd discipelen werden genoemd, totdat iemand hun deze nieuwe naam gaf: christen. Het zijn dezelfde mensen. Wat hen christenen maakte, was dat ze discipelen waren.

^p147

Als we dus zeggen: ‘Ben je christen?’ vragen we eigenlijk: ‘Ben je een discipel van Jezus?’ Want dat is Bijbels gezien de betekenis van het woord. Natuurlijk heeft het woord sindsdien allerlei andere betekenissen gekregen. Als je in sommige samenlevingen zegt dat iemand geen christen is, voelt diegene zich beledigd, zelfs als hij zelf niet beweert dat hij christen is. Want daar denkt men dat christen gewoon een fatsoenlijk mens betekent. Ik heb ongelovigen horen zeggen: ‘Ik ben twee keer zo’n goede christen als die persoon,’ terwijl ze zelf helemaal geen christen zijn. Ze zeggen daarmee: ‘Ik ben een goed mens.’

^p148

Tegenwoordig zouden we iemand gewoonlijk een christen noemen als diegene bepaalde procedures heeft gevolgd om zich bij een of andere christelijke gemeente aan te sluiten. Misschien heeft hij een zondaarsgebed uitgesproken en zich laten dopen. Misschien is hij tijdens een altaaroproep naar voren gekomen. Verschillende groepen hebben verschillende procedures. Als iemand gewoon door die hoepels springt, lijken we toe te staan dat hij een christen wordt genoemd, of er nu wel of geen bewijs is dat hij werkelijk een discipel is.

^p149

### 17. De prijs van het discipelschap

*46:54 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h17*

Wat is een discipel dan? Ik weet nog dat ik tijdens de Jesus Movement in de jaren zeventig veel gesprekken hierover had met een andere leider binnen de beweging. We waren namelijk sterk geboeid door het begrip discipelschap, omdat Jezus er heel veel over sprak. Toen we lazen wat Jezus over discipelen zei, gingen we ons dingen afvragen. Ik weet nog dat deze broeder en ik eens met elkaar spraken en zeiden: ‘Denk je dat alle christenen discipelen zijn?’ De reden dat we ons dat afvroegen, was dat de beschrijving die Jezus van discipelen gaf, niet paste bij de meeste mensen die wij kenden en die zichzelf christen noemden.

^p150

We dachten: ‘Misschien zijn er twee soorten christenen: christenen die discipelen zijn en christenen die geen discipelen zijn.’ Het was een beetje zoals de gewone troepen en de stoottroepen, het gewone leger en de speciale eenheden. De discipelen zijn degenen die echt toegewijd zijn, en de rest bestaat gewoon uit luie gelovigen die alleen maar de kerkbanken warm houden. De meeste christenen in de gemeenten die wij kenden, pasten niet echt bij de beschrijving die Jezus van discipelen gaf. Toch wilden we niet liefdeloos zijn en zeggen dat ze geen christenen genoemd konden worden. Ze geloofden tenslotte kennelijk iets over het christendom. Daarom wilden we, denk ik, niet weigeren hen christenen te noemen. Dat leek te veroordelend.

^p151

Maar de eigenlijke vraag is: zou Jezus hen christenen noemen? Dat moeten we weten. Bedenk dat Jezus in Mattheüs 7 zei:

^p152

> Niet ieder die tegen Mij zegt: Heere, Heere, zal binnengaan in het Koninkrijk der hemelen, maar wie de wil doet van Mijn Vader, Die in de hemelen is.
>
> — Mattheüs 7:21

^p153

Er zijn veel mensen die Hem Heere noemen. Maar omdat ze niet de wil van de Vader in de hemel doen, zei Jezus:

^p154

> Ik zal tegen hen zeggen: „Ik heb u nooit gekend.”
>
> — Mattheüs 7:23

^p155

Niet iedereen die ‘Heere’ tegen Jezus zegt, zal het Koninkrijk binnengaan.

^p156

Maar als je een afdoende beschrijving wilt zien van wat een discipel is, kijk dan naar Lukas 14. Want nogmaals, volgens Handelingen is dit wat een christen is. Lukas 14 zegt vanaf vers 25:

^p157

> [25] En vele menigten trokken met Hem mee, en terwijl Hij Zich omkeerde, zei Hij tegen hen: [26] Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn eigen vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn. [27] En wie zijn kruis niet draagt en achter Mij aan komt, kan geen discipel van Mij zijn. [28] Want wie van u die een toren wil bouwen, gaat niet eerst zitten om de kosten te berekenen, of hij de middelen wel heeft om het werk te voltooien? [29] Opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft en niet in staat is het te voltooien, allen die het zien, hem beginnen te bespotten, [30] en zeggen: Deze man begon te bouwen, maar heeft het werk niet kunnen voltooien. [31] Of welke koning die een oorlog in gaat om te strijden met een andere koning, gaat niet eerst zitten om te beraadslagen of hij bij machte is met tienduizend man tegemoet te gaan die met twintigduizend man tegen hem optrekt? [32] En zo niet, dan stuurt hij, als de ander nog ver weg is, een gezantschap om te vragen wat de vredesvoorwaarden zijn. [33] Zo kan dan ieder van u die niet alles wat hij heeft, achterlaat, geen discipel van Mij zijn.
>
> — Lukas 14:25-33

^p158

In dat gedeelte staan drie verzen die allemaal eindigen met de woorden ‘kan Mijn discipel niet zijn’. Als de discipelen degenen zijn die in de Bijbel christenen werden genoemd, zouden we dat kunnen weergeven als ‘kan geen christen zijn’. Wie kan geen christen zijn? Vers 26 zegt:

^p159

Als iemand bij Mij komt en zijn vader, moeder, vrouw, kinderen en zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij geen leerling zijn.

^p160

Als iemand zijn kruis niet opneemt en Hem niet volgt, kan hij geen discipel zijn. Vers 33 zegt:

^p161

als je niet alles opgeeft wat je hebt, kun je geen leerling zijn.

^p162

Nu zou je kunnen zeggen: ‘Volgens mij ken ik geen enkele discipel. Volgens mij ken ik geen enkele christen.’ Volgens mij was het Nietzsche, als ik me niet vergis, de atheïst, die zei: ‘De enige christen die ooit heeft geleefd, stierf aan een kruis.’ Hij geloofde feitelijk dat niemand christen kon zijn. Of dat waar is of niet, weet ik niet. Ik weet niet hoe de christenen waren. Ik ken enkele christenen. Ik ben christen. Jij bent christen, neem ik aan. Maar wat betekent dat? Haat je je moeder en je vader, je vrouw en je kinderen?

^p163

### 18. Familie, eigen leven en het kruis

*51:40 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h18*

Natuurlijk moeten we de hebraïsmen begrijpen die Jezus gebruikte wanneer Hij tot Zijn Hebreeuwse discipelen sprak. Zij begrepen die heel goed. ‘Haten’ betekent in dit verband: minder liefhebben. Er staat zelfs een parallel hiervan in Mattheüs 10, waar Hij zegt:

^p164

> Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard.
>
> — Mattheüs 10:37

^p165

Dat is wat het betekent. Het idioom dat Jezus gebruikte toen Hij zei dat je hen moet haten, betekent niet dat je hen werkelijk moet haten. Het betekent dat je hen minder moet liefhebben dan Hem. Hij moet voor jou een hogere prioriteit hebben dan je familieleden, of zelfs dan je eigen leven.

^p166

Daarom neem je geen kruis op je als je eigen leven je prioriteit is. Je neemt een kruis op je omdat je gaat sterven, en dat doe je met opzet. In de Romeinse wereld werden veel mensen gekruisigd, maar niet vrijwillig. De Romeinen overmeesterden hen, voerden hen weg en doodden hen, hoewel ze dat niet wilden. Maar niemand droeg ooit een kruis zonder dat vrijwillig te doen. De Romeinen eisten dat veroordeelden hun kruis droegen, maar wat als je dat niet deed? Wat zouden ze dan doen, je doden? Je zou een paar minuten later toch al sterven. Je kon je verzetten. De persoon die zei: ‘Goed, ik zal het dragen’, was iemand die zich bij zijn dood had neergelegd, iemand die bereid was te sterven.

^p167

In het geval van christenen betekent dit niet alleen dat we bereid zijn om, als dat nodig is, als martelaren te sterven. Het betekent ook dat we sterven aan de dingen van deze wereld, aan ons eigen vlees en onze eigen verlangens, en ons kruis opnemen. Als je dat niet doet, kun je geen discipel zijn, zei Jezus.

^p168

Toen Hij in vers 33 zei:

^p169

### 19. Alles aan Christus overdragen

*53:35 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h19*

Als je niet alles opgeeft wat je hebt, kun je Mijn leerling niet zijn. Wat betekent dat dan? Moeten we allemaal straatarm zijn? Moeten we allemaal naar huis gaan, alles wat we hebben op een rommelmarkt verkopen, naakt op een straathoek gaan staan en zeggen: ‘Goed, God, ik neem aan dat ik nu een discipel ben. Wat wilt U dat ik doe?’ Hij zal waarschijnlijk zeggen: ‘Je kunt maar beter wat kleren, meubels en kookgerei gaan kopen en in een huis gaan wonen.’

^p170

Wat betekent het dan om alles wat je hebt prijs te geven? Het moet beslist betekenen dat je erkent dat je voor een prijs gekocht bent en niet van jezelf bent. Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 6:20 — ik denk dat het vers 19 of 20 is:

^p171

> U bent immers duur gekocht. Verheerlijk daarom God in uw lichaam en in uw geest, die van God zijn.
>
> — 1 Korinthe 6:20

^p172

Als je gekocht bent, ben je niet de eigenaar van jezelf of van wat dan ook.

^p173

Wanneer een man als slaaf werd verkocht, was hij het eigendom van zijn meester, en alles wat hij bezat was van zijn meester. Maar dat betekent niet dat hij zich niet meer met dingen bezighield, want de meester kon hem daarover als rentmeester aanstellen. Potifar kocht Jozef, en Jozef was een slaaf. Hij bezat niets, maar hij beheerde alle bezittingen van Potifar. Daarom zou Jozef er voor de meeste mensen als een rijk man hebben uitgezien. Hij droeg waarschijnlijk goede kleren, sliep goed, at goed en beheerde veel geld. Het was alleen niet van hem. Het was van zijn eigenaar.

^p174

Zo is het als je een discipel bent. Je hebt je leven en alles wat je hebt aan Hem overgedragen. Het is nu allemaal van Hem. Je hebt het prijsgegeven in de zin dat je het hebt overgedragen. Hoe weet ik dat dit de betekenis is? Toen Jezus tegen de rijke jongeman zei dat hij moest verkopen wat hij had en het aan de armen moest geven, zei Petrus:

^p175

> Toen antwoordde Petrus en zei tegen Hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn?
>
> — Mattheüs 19:27

^p176

Het is dezelfde uitdrukking:

^p177

Wij hebben alles opgegeven en zijn U gevolgd.

^p178

Jezus nam zonder meer aan dat dit waar was. Petrus bezat nog steeds een huis. Hij bezat nog steeds een vissersboot. Hij bezat nog steeds netten. Sterker nog, hij had waarschijnlijk nog steeds alles wat hij bezat voordat hij Jezus volgde. Maar die dingen waren nu van Christus. Zijn huis was het huis van Christus. Zijn boot was de boot van Jezus. Alles wat hij had, stond Christus ter beschikking en behoorde Christus toe. Hij beheerde het alleen maar voor Hem.

^p179

Zo is het wanneer je een discipel wordt. Zo is het wanneer je een christen wordt. Daarom zei in de vroege gemeente niemand dat de dingen die hij bezat van hemzelf waren, want alles was van Christus. Het vroege christendom bestond uit totale overgave aan Christus, en dat is wat ‘christen’ in de Bijbel betekende. Geen enkele andere passage definieert het op een andere manier. Volledige toewijding.

^p180

Natuurlijk is alleen dat logisch. Als Jezus werkelijk is Wie Hij geacht wordt te zijn, dan doet niets anders ertoe. Wat zou belangrijker kunnen zijn? Wat zou zelfs maar even belangrijk kunnen zijn als het kennen van de Zoon van God, Die eeuwig leven geeft? Wat is er in deze wereld dat je daarvan zou kunnen afleiden? Wat is er in de wereld waarvoor je dat zou willen inruilen? Jezus zegt:

^p181

> Want wat baat het een mens, als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt? Of wat zal een mens geven als losprijs voor zijn ziel?
>
> — Mattheüs 16:26

^p182

Je ziel is meer waard dan al het andere dat je hebt. Als Christus werkelijk bestaat — en dat doet Hij beslist — dan is alles prijsgeven om Zijn discipel te zijn en het leven te vinden geen harde uitspraak van Jezus.

^p183

Deze dingen worden soms de harde uitspraken van Jezus genoemd. Wat is daar hard aan? Het klinkt mij als een goede ruil in de oren: dingen die je niet kunt houden inruilen voor iets wat je niet kunt verliezen. Dat klinkt mij als een koopje in de oren. Volg Jezus; al het andere wordt van Hem. Dat waren de vroege christenen. Degenen die voor het eerst christenen werden genoemd, waren de discipelen.

^p184

### 20. Agabus voorzegt een hongersnood

*57:51 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h20*

Nu nog een paar verzen. Vers 27:

^p185

> [27] En in die dagen kwamen enkele profeten vanuit Jeruzalem naar Antiochië. [28] En een van hen, van wie de naam Agabus was, stond op en gaf door de Geest te kennen dat er een grote hongersnood zou zijn over heel de wereld, die ook gekomen is onder keizer Claudius.
>
> — Handelingen 11:27-28

^p186

Agabus zullen we in hoofdstuk 21 opnieuw tegenkomen. ‘De hele wereld’ is een uitdrukking die Lukas gebruikt voor het hele Romeinse Rijk, de hele Romeinse wereld. Hij gebruikt die uitdrukking in Lukas hoofdstuk 2, waar hij zegt:

^p187

> En het geschiedde in die dagen dat er een gebod uitging van keizer Augustus dat heel de wereld ingeschreven moest worden.
>
> — Lukas 2:1

^p188

Caesar Augustus probeerde niet de Eskimo’s of de Maya-indianen te registreren. ‘De hele wereld moest belasting betalen’ betekende het hele Romeinse Rijk. Zo spraken ze destijds. Als er dus gezegd werd dat er een hongersnood zou komen die de hele wereld zou treffen, betekende dat alleen het Romeinse Rijk.

^p189

Nu hebben we een klein probleem, want er is geen hongersnood opgetekend die tijdens de regering van Claudius het hele rijk trof. Er zijn echter verscheidene hongersnoden uit andere geschiedschrijvers bekend. In het bijzonder was er in Judea een uiterst ernstige hongersnood in het jaar 46 na Christus, ruimschoots binnen de regering van Claudius. Trouwens, het feit dat we geen enkel verslag van zo’n hongersnood hebben, betekent niet dat die niet heeft plaatsgevonden. Niet alles wat ooit is gebeurd, is opgetekend. Het enige wat ik zeg, is dat we geen wereldlijke verslagen hebben over zo’n hongersnood in het hele Romeinse Rijk. Maar we hebben wel verslagen van veel ernstige hongersnoden op verschillende plaatsen, waaronder Judea.

^p190

### 21. Antiochië helpt de gelovigen in Judea

*59:46 — https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#h21*

Die hongersnood in Judea gaf aanleiding tot de handelwijze waarover we vervolgens lezen, want er staat:

^p191

> [29] En de discipelen besloten, ieder naar vermogen, iets te sturen ten dienste van de broeders die in Judea woonden, [30] en dat deden zij ook. En zij stuurden het naar de ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus.
>
> — Handelingen 11:29-30

^p192

Dit was Paulus’ tweede reis naar Jeruzalem na zijn bekering, de reis waarover hij in Galaten hoofdstuk 2 schrijft. Ze geloofden kennelijk dat de Judeeërs, omdat de hongersnood eraan kwam, voedsel moesten opslaan zolang er voedsel beschikbaar was. Daarom zamelden ze geld in en stuurden dat naar Jeruzalem. Als ze midden in de hongersnood hadden gezeten, zou dat niet helpen. Ze kunnen geen geld eten. Als er geen voedsel is, kun je geen voedsel kopen. Maar de hongersnood was nog niet gekomen. Daarom denk ik dat ze dachten: ‘Als we hun genoeg geld geven, kunnen ze voedsel opslaan. Wanneer de hongersnood dan komt, kunnen ze erdoorheen komen.’ Dat was hun redenering.

^p193

Ze stuurden Barnabas en Saulus, zoals Paulus op dit punt nog werd genoemd, naar Jeruzalem om het geld daarheen te brengen. Op dit punt is de volgorde nog steeds Barnabas en Saulus. De laatste woorden van dit hoofdstuk zijn ‘Barnabas en Saulus’. Wanneer we bij hoofdstuk 13 komen en ze op hun eerste zendingsreis gaan, zullen we zien dat het aanvankelijk Barnabas en Saulus is. Maar al heel kort na het begin van de reis wordt het Saulus en Barnabas. Ik weet zeker dat Barnabas er geen probleem mee had dat Paulus dit deed, maar Barnabas deed een stap terug. Paulus werd de voornaamste woordvoerder en verrichtte de meeste wonderen, enzovoort. Paulus werd de leider van het team, hoewel Barnabas aanvankelijk beslist meer anciënniteit had dan Paulus. Barnabas was al vanaf de allereerste tijd behouden. Paulus was nog een betrekkelijk nieuwe christen.

^p194

Ze brachten het geld naar Jeruzalem en gaven het daar aan de oudsten, zodat die ermee konden doen wat ze met het oog op de komende hongersnood wilden doen. We lezen niet over andere activiteiten tijdens hun verblijf bij deze gelegenheid in Jeruzalem. Paulus vertelt ons in Galaten 2 echter dat er enkele valse broeders waren, volgens Paulus, die judaïsten waren, leden van de besnijdenispartij. Ze probeerden Titus, die toevallig bij hen was en een heiden was, ertoe over te halen zich te laten besnijden. Paulus zei:

^p195

> Ik heb mij tegen hen verzet. Ik heb geen ogenblik aan die mannen toegegeven, om de zuiverheid van het Evangelie niet in gevaar te brengen.
>
> — Galaten 2:4-5

^p196

Er was bij deze gelegenheid dus een confrontatie met Paulus en Barnabas over de kwestie van de besnijdenis, veroorzaakt door sommigen van de besnijdenispartij in Jeruzalem. Lukas vermeldt dat hier niet. We lezen alleen dat ze het geld naar Jeruzalem brachten.

^p197

Daarna lezen we pas weer over hen in hoofdstuk 12, vers 25, waar staat:

^p198

> Barnabas nu en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na daar hun dienstwerk vervuld te hebben, en zij namen ook Johannes mee, die ook Markus genoemd werd.
>
> — Handelingen 12:25

^p199

Markus was een christen uit Jeruzalem die na deze liefdadigheidsreis met hen meeging naar Antiochië.

^p200

Tussen het laatste vers van hoofdstuk 11 en het laatste vers van hoofdstuk 12 staat nog een verhaal over Petrus. Het is het laatste verhaal over hem dat we in Handelingen zullen lezen. Het is een goed verhaal en het bevat enkele bijzonderheden die door historische bronnen van buitenaf worden bevestigd. Dit is een van de plaatsen waar de geschiedschrijving van Lukas parallel loopt met geschiedwerken van andere schrijvers die geen christenen zijn. Dat gebeurt natuurlijk van tijd tot tijd, en dat helpt ons altijd te beseffen dat Lukas deze dingen niet verzint. Hij schrijft echte geschiedenis. De volgende keer behandelen we hoofdstuk 12.

^p201

## Bijbelteksten in deze lezing

- [Handelingen 10:47](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-10-47)
- [Genesis 17:14](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#genesis-17-14)
- [Filippenzen 3:5](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#filippenzen-3-5)
- [Galaten 3:16](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#galaten-3-16)
- [Exodus 12:48](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#exodus-12-48)
- [Handelingen 10:47-48](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-10-47-48)
- [Handelingen 11:1](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-1)
- [Handelingen 11:5-6](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-5-6)
- [Handelingen 11:7-10](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-7-10)
- [Handelingen 10:45](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-10-45)
- [Handelingen 11:11-12](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-11-12)
- [Handelingen 11:13](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-13)
- [Handelingen 11:13-15](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-13-15)
- [Handelingen 11:16](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-16)
- [Handelingen 11:17](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-17)
- [Handelingen 11:18](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-18)
- [2 Timotheüs 2:24-26](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#2-timotheus-2-24-26)
- [Mattheüs 23:37](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#mattheus-23-37)
- [Jesaja 50:2](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#jesaja-50-2)
- [Genesis 4:7](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#genesis-4-7)
- [Johannes 20:31](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#johannes-20-31)
- [Spreuken 3:34](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#spreuken-3-34)
- [Handelingen 11:19](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-19)
- [Handelingen 8:1](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-8-1)
- [Handelingen 11:19-20](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-19-20)
- [Handelingen 11:21](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-21)
- [Handelingen 11:22](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-22)
- [Handelingen 8:14](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-8-14)
- [Handelingen 1:21-22](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-1-21-22)
- [Handelingen 11:22-24](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-22-24)
- [Handelingen 6:5](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-6-5)
- [Galaten 2:1](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#galaten-2-1)
- [Handelingen 9:26](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-9-26)
- [Handelingen 11:26](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-26)
- [Handelingen 26:28](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-26-28)
- [1 Petrus 4:16](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#1-petrus-4-16)
- [Mattheüs 7:21](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#mattheus-7-21)
- [Mattheüs 7:23](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#mattheus-7-23)
- [Lukas 14:25-33](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#lukas-14-25-33)
- [Mattheüs 10:37](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#mattheus-10-37)
- [1 Korinthe 6:20](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#1-korinthe-6-20)
- [Mattheüs 19:27](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#mattheus-19-27)
- [Mattheüs 16:26](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#mattheus-16-26)
- [Handelingen 11:27-28](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-27-28)
- [Lukas 2:1](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#lukas-2-1)
- [Handelingen 11:29-30](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-11-29-30)
- [Galaten 2:4-5](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#galaten-2-4-5)
- [Handelingen 12:25](https://versvoorvers.org/handelingen/11-1-30#handelingen-12-25)

---

Lezing van Steve Gregg. Nederlandse uitgave: Vers voor Vers, https://versvoorvers.org. Bijbeltekst uit de Herziene Statenvertaling, © 2010/2016 Stichting HSV.